Gewone wetgevingsprocedure

 

De medebeslissingsprocedure werd ingevoerd bij het Verdrag betreffende de Europese Unie (Maastricht, 1992) en is uitgebreid, gewijzigd en verbeterd bij het Verdrag van Amsterdam (1999). Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 november 2009 werd deze tot gewone wetgevingsprocedure omgedoopte procedure de belangrijkste in besluitvormingsproces van de EU.

 
 

Dankzij de gewone wetgevingsprocedure hebben het Europees Parlement en de Raad van de Unie hetzelfde gewicht op een groot aantal terreinen (zoals economisch bestuur, immigratie, energie, vervoer, milieu en consumentenbescherming). De overgrote meerderheid van de Europese wetgeving wordt nu gezamenlijk door het Europees Parlement en de Raad vastgesteld.

De Commissie zendt haar voorstel naar het Parlement en de Raad.

  • Zij behandelen het en bespreken het in twee opeenvolgende lezingen.
  • Als zij het na de twee lezingen niet eens zijn geworden, wordt het voorstel voorgelegd aan het bemiddelingscomité dat is samengesteld uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van de Raad en het Parlement.
  • Ook vertegenwoordigers van de Commissie wonen de vergaderingen van dit comité bij en doen mee aan het overleg.
  • Zodra in het comité overeenstemming is bereikt, wordt de overeengekomen tekst voor een derde lezing naar het Parlement en de Raad gezonden, zodat zij deze definitief als wetstekst kunnen vaststellen.
  • Zonder definitieve overeenstemming tussen de twee instellingen wordt de tekst geen wet.
  • Zelfs als in het bemiddelingscomité overeenstemming is bereikt over een gemeenschappelijke tekst, kan het Parlement deze toch nog verwerpen met absolute meerderheid van de uitgebrachte stemmen.
 
 
Beschrijving van de procedure

In grote lijnen verloopt deze procedure als volgt:
Gewoonlijk komt de Commissie met een voorstel ("ontwerp van wetgevingshandeling"). Het initiatief kan echter ook van het Parlement uitgaan (wetgevingsinitiatief). Op het terrein van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid kan het voorstel van de Commissie of een kwart van de lidstaten afkomstig zijn. Het Hof van Justitie en de Europese Investeringsbank kunnen eveneens om vaststelling van wetgeving verzoeken en de Europese Centrale Bank kan een aanbeveling tot wetgeving doen.

Het wetgevingsvoorstel wordt bij het Europees Parlement en de Raad ingediend en tevens aan de parlementen van de lidstaten toegezonden.

Elk nationaal parlement kan binnen acht weken de voorzitters van Parlement, Raad en Commissie een gemotiveerd advies toezenden over de vraag of het ontwerp al dan niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel.

Eerste lezing

Het Parlement stelt zijn standpunt over het wetgevingsvoorstel in eerste lezing vast. Dat hoeft niet binnen een bepaalde termijn te gebeuren.

De rapporteur van het Parlement stelt een ontwerpverslag op dat door de fracties besproken wordt en door de bevoegde Parlementscommissie(s) wordt geamendeerd.

Het Parlement stelt zijn standpunt in plenaire vergadering met gewone meerderheid van stemmen vast.

Het standpunt kan amendementen op het wetgevingsvoorstel omvatten.

Indien het standpunt van het Parlement geen amendementen omvat en ook de Raad het voorstel aanvaardt, wordt de wetstekst door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen vastgesteld, door de voorzitters van Parlement en Raad getekend en in het Publicatieblad van de EU bekendgemaakt.

Indien het Parlement wel amendementen voorstelt, gaat de procedure als volgt verder:
Als de Raad alle amendementen goedkeurt en geen andere wijzigingen in het voorstel wil aanbrengen, wordt de wetstekst door de Raad met gekwalificeerde meerderheid vastgesteld en vervolgens ondertekend en gepubliceerd.

Als de Raad niet alle amendementen goedkeurt of ze verwerpt, stelt hij met gekwalificeerde meerderheid zijn standpunt vast en zendt dat aan het Parlement toe voor behandeling in tweede lezing. De Raad stelt het Europees Parlement ten volle in kennis van de redenen voor het vaststellen van zijn standpunt. Ook de Commissie stelt het Europees Parlement in kennis van haar standpunt.

Tweede lezing

Het Parlement behandelt het standpunt van de Raad in tweede lezing. Het beschikt over een periode van drie maanden (te verlengen tot vier maanden) voor een van de volgende opties:

het standpunt van de Raad goedkeuren of zich niet uitspreken ‑ de wetstekst geldt dan als vastgesteld en wordt getekend en gepubliceerd;

het standpunt van de Raad met een meerderheid van zijn leden verwerpen ‑ de procedure is dan definitief gesloten;

met een meerderheid van zijn leden amendementen op het standpunt van de Raad voorstellen ‑ dat standpunt van het Parlement wordt dan aan de Raad en de Commissie toegezonden, waarna de Raad een periode van drie maanden (te verlengen tot vier maanden) heeft om te reageren.

  • Als de Raad alle amendementen van het Parlement goedkeurt, geldt de wetstekst als vastgesteld en wordt hij getekend en gepubliceerd.
  • Als de Raad niet alle amendementen van het Parlement goedkeurt, deelt hij dat mede aan het Parlement en wordt binnen zes weken de bemiddelingsprocedure gestart.
Bemiddeling en derde lezing

Als er in de eerste twee lezingen geen overeenstemming over de wetstekst kan worden bereikt, gaat de bemiddelingsprocedure van start.

Er wordt een bemiddelingscomité gevormd, bestaande uit vertegenwoordigers van de 27 lidstaten en een even groot aantal leden van het Europees Parlement. De delegatie van het Parlement is een afspiegeling van de getalsverhoudingen tussen de fracties in het voltallige Parlement.

Het bemiddelingscomité behandelt het standpunt van de Raad en de amendementen van het Parlement uit de tweede lezing. Het comité heeft zes weken (te verlengen tot acht weken) de tijd om tot een vergelijk te komen en een gemeenschappelijke ontwerptekst op te stellen.

Indien het bemiddelingscomité binnen de gestelde termijn niet tot een gemeenschappelijke ontwerptekst komt, geldt de wetstekst als niet vastgesteld en is de procedure ten einde.

Indien het bemiddelingscomité een gemeenschappelijke ontwerptekst goedkeurt, wordt deze ter goedkeuring aan de Raad en het Europees Parlement voorgelegd. De Raad en het Parlement beschikken over een periode van zes weken (te verlengen tot acht weken) om de tekst goed te keuren, waarbij de Raad bij gekwalificeerde meerderheid besluit en het Parlement bij meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Als de tekst door beide instellingen in goedgekeurd, wordt hij getekend en gepubliceerd.

Zie ook:
  • Artikelen37, 38a, 41 ,43,53-74 van het Reglement
  • Artikelen289, 294 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
 
 
Flowchart van de procedure
Eerste lezing
Medebeslissingsprocedure 1. lezing  

De (1) Commissie legt het wetgevingsvoorstel tegelijkertijd aan het (2) Parlement en de (3) Raad voor.

Het Parlement stelt zijn (4) standpunt vast en legt dat aan de Raad voor.

Als de Raad met het resultaat van de eerste lezing van het Parlement instemt, is de (5) wetstekst vastgesteld.

Tweede lezing
Medebeslissingsprocedure 2. lezing  

Als de (1) Raad met het resultaat van de eerste lezing van het Parlement niet instemt, stelt hij (2) een standpunt vast.

Het (3) Parlement heeft 3 maanden tijd (verlengbaar tot 4 maanden) om te reageren. Als het Parlement het standpunt van de Raad goedkeurt of zich niet uitspreekt, is de (4)  wetstekst vastgesteld in de versie van het standpunt van de Raad.

Het Parlement kan amendementen op het standpunt van de Raad indienen (waarvoor bepaalde beperkingen gelden). In dat geval gebeurt het volgende:

  • ofwel de (5) Raad keurt binnen 3 maanden (verlengbaar tot 4 maanden) de amendementen van het Parlement goed; dan is de (6) wetstekst vastgesteld.
  • ofwel de Raad verwerpt de amendementen; dan wordt het bemiddelingscomité (27 leden van Parlement en 27 leden van de Raad) bijeengeroepen om een vergelijk te vinden.
  • De andere mogelijkheid is dat het Parlement het standpunt van de Raad met absolute meerderheid van zijn leden verwerpt; dan is de wetstekst verworpen.
Bemiddeling en derde lezing
Medebeslissingsprocedure 3. lezing  

Als er overeenstemming is bereikt, stelt het (1) bemiddelingscomité een (2) gemeenschappelijk ontwerp vast op basis van het standpunt van de Raad en de amendementen van het EP in tweede lezing.

Als de Raad en het (3) Parlement het gemeenschappelijk ontwerp als geheel goedkeuren, is de (4) wetstekst vastgesteld.

Als het bemiddelingscomité geen overeenstemming over een gemeenschappelijk ontwerp bereikt of als de Raad het niet goedkeurt, is de (5) wetstekst niet vastgesteld.

 
 
 
 
Tools