De leden hebben zitting in vaste commissies, die elk in een bepaalde materie zijn gespecialiseerd
In de commissies worden de werkzaamheden van de plenaire vergaderingen voorbereid.
Er zijn 20 commissies.
Elke commissie bestaat uit 24 tot 76 leden en heeft een voorzitter, een bureau en een secretariaat.
De politieke samenstelling van de commissies is dezelfde als die van de plenaire vergadering.
De parlementaire commissies komen een of twee keer per maand samen in Brussel.
De debatten die in de commissies worden gevoerd zijn voor het publiek toegankelijk.
In de parlementaire commissies worden door de leden van het Europees Parlement wetsvoorstellen en initiatiefverslagen opgesteld en geamendeerd, en er wordt over gestemd.
Zij behandelen de voorstellen van de Commissie en de Raad en in voorkomend geval stellen zij een verslag op dat in de plenaire vergadering wordt ingediend.
Het Europees Parlement kan ook subcommissies en tijdelijke bijzondere commissies instellen, waarin specifieke problemen worden behandeld.
Ook kan het enquêtecommissies instellen in het kader van zijn controlebevoegdheden om beschuldigingen van wanbestuur van EU-wetten te onderzoeken.
De voorzitters van de commissies coördineren hun werkzaamheden in de Conferentie van commissievoorzitters.
Het Parlement kan op ieder moment tijdelijke commissies instellen om specifieke kwesties te behandelen.
Zij bestaan maximaal twaalf maanden, maar verlenging is mogelijk.
Voor het onderzoeken van inbreuken op het Gemeenschapsrecht of van gevallen van foute toepassing van het Gemeenschapsrecht kunnen enquêtecommissies worden ingesteld.
Hun bevoegdheden worden geregeld door de bepalingen over de wijze van uitvoering van het enquêterecht van het Europees Parlement.
De bemiddeling is de derde en laatste fase van de belangrijkste wetgevingsprocedure van de Europese Unie: de medebeslissingsprocedure.
Als het Parlement en de Raad het niet eens worden, komt er een "bemiddelingscomité" bestaande uit 27 vertegenwoordigers van de lidstaten en 27 leden van het Parlement.
Dit comité moet een gemeenschappelijke ontwerptekst opstellen, die opnieuw, in derde lezing, aan de Raad en het Parlement ter goedkeuring wordt voorgelegd.
Voor de definitieve aanneming moet de tekst door beide instellingen worden goedgekeurd.