Op grond van artikel 289 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is raadpleging een bijzondere wetgevingsprocedure, waarbij het advies van het Parlement wordt gevraagd voordat de Raad een wetstekst vaststelt.
Het Europees Parlement kan een wetgevingsvoorstel goedkeuren, verwerpen of amenderen. De Raad is niet wettelijk verplicht om het advies van het Parlement te volgen, maar kan alleen een besluit nemen als dit advies is uitgebracht, hetgeen door het Hof van Justitie in zijn arresten is bekrachtigd.
Oorspronkelijk had het Parlement op grond van het Verdrag van Rome van 1957 slechts een adviserende functie in het wetgevingsproces; de Commissie stelde wetgeving voor en de Raad stelde die vast.
Dat veranderde met de Europese Akte van 1986 en vervolgens de Verdragen van Maastricht, Amsterdam, Nice en Lissabon. Het Europees Parlement heeft nu ruimere bevoegdheden en is op voet van gelijkheid met de Raad medewetgever op een groot aantal terreinen (zie Gewone wetgevingsprocedure). Raadpleging werd voor een beperkt aantal gevallen een bijzondere wetgevingsprocedure (en soms zelfs een niet-wetgevingsprocedure).
De procedure is nu van toepassing op een beperkt aantal wetgevingsterreinen, zoals vrijstelling van de internemarktregels en het mededingingsrecht. Het Parlement moet ook, als niet-wetgevingsprocedure, worden geraadpleegd bij de vaststelling van internationale overeenkomsten in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB).