De procedure voor nauwere samenwerking is ingevoerd bij het Verdrag van Amsterdam. Deze procedure geeft lidstaten die dit wensen de mogelijkheid om onderling nauwer samen te werken.
Lidstaten kunnen om nauwere samenwerking verzoeken op de beleidsterreinen die onder de Verdragen vallen, met uitzondering van de gebieden waarop de Unie exclusieve bevoegdheid bezit. De Commissie beoordeelt het verzoek en kan aan de Raad een voorstel ter zake voorleggen. Als de Commissie besluit geen voorstel in te dienen, deelt zij de betrokken lidstaten de redenen daarvoor mede.
Toestemming voor nauwere samenwerking wordt op voorstel van de Commissie verleend door de Raad, na goedkeuring door het Europees Parlement.
Verzoeken om nauwere samenwerking op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid worden tot de Raad gericht en voor advies doorgezonden aan de hoge vertegenwoordiger voor het buitenlands en veiligheidsbeleid en aan de Commissie. Dergelijke verzoeken worden ter informatie ook aan het Parlement doorgezonden.
In alle gevallen wordt het Parlement op gezette tijden geïnformeerd over de voortgang van de samenwerking.