Het Europees Parlement: bevoegdheden

Het Europees Parlement kan zijn institutionele rol in de Europese beleidsvorming spelen door de uitoefening van zijn verschillende functies. De eerbiediging van de democratische beginselen wordt gewaarborgd door de deelneming van het Parlement aan het wetgevingsproces, zijn begrotings- en controlerende bevoegdheden, zijn rol bij de herzieningen van de Verdragen en zijn recht om beroep voor het Hof van Justitie in te stellen.

Rechtsgrond

De artikelen 223 tot en met 234 en artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

Doelstellingen

Het Parlement is de instelling die de Europese burgers vertegenwoordigt, en vormt als zodanig de democratische grondslag van de Europese Unie. Om zijn democratische legitimiteit in de Unie te verzekeren, dient het Parlement volledig betrokken te zijn bij het Europese wetgevingsproces en namens de burgers politieke controle uit te oefenen op de andere instellingen van de Unie.

Constitutionele en ratificeringsbevoegdheden (zie blad 1.4.2)

Sinds de Europese Akte is voor elk toetredingsverdrag met een nieuwe lidstaat en voor elk associatieverdrag de instemming van het Europees Parlement vereist. Krachtens de akte is deze procedure ook van toepassing op internationale overeenkomsten met aanzienlijke gevolgen voor de begroting van de Unie (ter vervanging van de in 1975 ingevoerde overlegprocedure) en sinds het Verdrag van Maastricht eveneens op overeenkomsten die een specifiek institutioneel kader scheppen of die wijzigingen beogen van wetgeving die is aangenomen overeenkomstig de medebeslissingsprocedure. Sinds het Verdrag van Maastricht is de instemming van het Parlement ook vereist voor wetgeving in verband met de verkiezingsprocedure en sinds het Verdrag van Amsterdam voor procedures waarin de Raad wenst aan te geven dat een duidelijk risico bestaat dat een lidstaat een ernstige schending van de grondbeginselen van de EU begaat voordat aanbevelingen uitgaan naar of sancties worden opgelegd aan de betreffende lidstaat. Anderzijds kan het Parlement het statuut van zijn leden niet herzien zonder de instemming van de Raad.

Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon kan het Parlement het initiatief nemen tot herziening van de Verdragen en heeft het Parlement het laatste woord over de vraag of er al dan niet een Conventie bijeengeroepen moet worden om een toekomstige verdragsherziening voor te bereiden (artikel 48, lid 2 en lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, VEU).

Deelname aan het wetgevingsproces (zie blad 1.4.1)

Het Parlement neemt deel aan de goedkeuring van EU-wetgeving in een mate die afhankelijk is van de rechtsgrondslag van het betrokken wetsontwerp. Het Parlement heeft zich hierbij geleidelijk ontwikkeld van een puur raadgevende instantie tot een medewetgever die op gelijke voet staat met de Raad.

a.Gewone wetgevingsprocedure

Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Nice werd de medebeslissingsprocedure toegepast op 46 rechtsgrondslagen van het EG-Verdrag. Deze procedure stelde het Parlement in beginsel op gelijke voet met de Raad. In geval van overeenstemming tussen de beide instellingen werd het wetsvoorstel na eerste of tweede lezing aangenomen, maar indien er geen overeenstemming werd bereikt, kon het voorstel alleen worden aangenomen na een geslaagde bemiddelingsprocedure.

Met het Verdrag van Lissabon werd de medebeslissingsprocedure hernoemd tot de gewone wetgevingsprocedure (artikel 294 VWEU). Meer dan veertig nieuwe beleidsdomeinen, bijvoorbeeld wat betreft vrijheid, veiligheid en justitie, buitenlandse handel, milieubeleid en het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), worden aan deze procedure onderworpen.

b.Raadpleging

De raadplegingsprocedure blijft van toepassing op het belastingbeleid, het mededingingsbeleid, de harmonisatie van wetgeving die geen betrekking heeft op de interne markt, en sommige aspecten van het sociale beleid.

c.Samenwerking

Bij de Europese Akte werd een zogenoemde samenwerkingsprocedure ingevoerd (ex artikel 252 van het EG-Verdrag), die bij het Verdrag van Maastricht verder is uitgebreid en van toepassing is op het merendeel van de wetgevingsgebieden waarop de Raad met meerderheid van stemmen besluit. Deze procedure verplicht de Raad in tweede lezing rekening te houden met amendementen die door het Parlement met een absolute meerderheid van stemmen worden aangenomen, voor zover die worden gesteund door de Commissie. De samenwerkingsprocedure was het begin van echte wetgevende macht voor het Parlement. De samenwerkingsprocedure boette wel aan betekenis in door de veralgemening van de medebeslissingsprocedure die door het Verdrag van Amsterdam werd geïntroduceerd. Ze bestond nog voor vier bepalingen betreffende de economische en monetaire unie, maar is afgeschaft met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon (zie blad 1.1.5).

d.Instemmingsprocedure

Sinds het Verdrag van Maastricht was de instemmingsprocedure van toepassing op de weinige wetgevingsterreinen waarop de Raad met eenparigheid van stemmen moest besluiten. Bij het Verdrag van Amsterdam werden deze terreinen beperkt tot de structuurfondsen en het Cohesiefonds.

Het Verdrag van Lissabon voegde aan deze procedure, die sindsdien de goedkeuringsprocedure genoemd wordt, een aantal nieuwe domeinen toe, met name de maatregelen die de Raad moet vaststellen als de Unie lijkt te moeten handelen maar daarvoor volgens de verdragen niet over de nodige bevoegdheden beschikt (artikel 352 VWEU).

e.Recht van initiatief

Bij het Verdrag van Maastricht werd het Parlement ook een recht van initiatief op wetgevingsgebied verleend. Dit recht was echter beperkt tot verzoeken aan de Commissie om met voorstellen te komen. Bij het Verdrag van Lissabon (artikel 225 VWEU) werd dit recht gehandhaafd. Het wordt nauwgezetter beschreven in het meest recente Interinstitutioneel Akkoord tussen de Commissie en het Parlement.

Begrotingsbevoegdheden (zie blad 1.4.3)

Het Verdrag van Lissabon heeft een einde gemaakt aan het onderscheid tussen verplichte uitgaven en niet-verplichte uitgaven. Bovendien stelt het Verdrag het Parlement op gelijke voet met de Raad bij de jaarlijkse begrotingsprocedure, die nu lijkt op de gewone wetgevingsprocedure.

Het Parlement blijft een van de twee takken van de begrotingsautoriteit (artikel 314 VWEU). Het is al vanaf de voorbereidingsfase bij de begrotingsprocedure betrokken, in het bijzonder bij het vaststellen van de hoofdlijnen en de aard van de uitgaven. Het Parlement stelt de begroting vast en houdt toezicht op de uitvoering ervan (artikel 318 VWEU). Het Parlement verleent kwijting voor de uitvoering van de begroting (artikel 319 VWEU).

Tot slot moet het Parlement zijn goedkeuring geven voor het meerjarig financieel kader (artikel 312 VWEU). Een dergelijk kader werd in december 2013 voor het eerst overeenkomstig de regels van het Verdrag van Lissabon goedgekeurd.

Controlerende bevoegdheden ten aanzien van de uitvoerende macht

Het Parlement heeft verschillende controlebevoegdheden. Het Parlement beraadslaagt over het algemene jaarverslag (artikel 233 VWEU) en ziet samen met de Raad toe op de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen van de Commissie (artikelen 290 en 291 VWEU).

a.Investituur van de Commissie

Sinds 1981 kent het Parlement de gewoonte de Commissie informeel te „benoemen” door haar programma te bestuderen en goed te keuren. Dit gebruik werd echter pas geïnstitutionaliseerd bij de inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht (1992), krachtens welk de door de lidstaten voorgedragen voorzitter en de overige leden van de Commissie na goedkeuring door het Parlement als college kunnen worden benoemd. Het Verdrag van Amsterdam gaat nog een stap verder doordat de voordracht van de voorzitter moet worden goedgekeurd door het Parlement voordat het zijn goedkeuring kan hechten aan de voordracht van de overige leden van de Commissie. Het Parlement kent sinds 1994 ook hoorzittingen met de voorgedragen commissarissen. Krachtens het Verdrag van Lissabon moet bij de keuze van de voorzitter van de Commissie rekening worden gehouden met het resultaat van de Europese verkiezingen.

b.Motie van afkeuring

De mogelijkheid een motie van afkeuring tegen de Commissie voor te leggen, bestaat al sinds het Verdrag van Rome (nu artikel 234 VWEU). Een motie van afkeuring kan uitsluitend worden aangenomen met een meerderheid van tweederde van de uitgebrachte stemmen en een meerderheid van de leden van het Parlement. Is dit het geval, dan moeten de leden van de Commissie gezamenlijk aftreden. Sinds de oprichting van het Parlement zijn er slechts acht moties van afkeuring in stemming gebracht en is er nog geen enkele aangenomen, al is het aantal voorstemmen steeds verder gestegen. De meest recente motie van afkeuring (van 8 juni 2005) kreeg echter slechts 35 stemmen voor en 589 stemmen tegen bij 35 onthoudingen.

c.Parlementaire vragen

Parlementaire vragen omvatten schriftelijke en mondelinge vragen met of zonder debat (artikel 230 VWEU) en vragen die tijdens het vragenuur worden gesteld. De Commissie en de Raad zijn gehouden deze vragen te beantwoorden.

d.Enquêtecommissies

Het Parlement heeft de bevoegdheid een tijdelijke enquêtecommissie in te stellen om vermeende inbreuken op het recht van de Unie of gevallen van wanbeheer bij de toepassing van het recht van de Unie te onderzoeken (artikel 226 VWEU).

e.Controlerende bevoegdheden ten aanzien van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid

Het Parlement moet ten aanzien van bovengenoemde gebieden regelmatig op de hoogte worden gehouden en kan vragen of aanbevelingen tot de Raad richten. Het Parlement dient voorts te worden geraadpleegd over de voornaamste aspecten en de fundamentele keuzes van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) (artikel 36 VEU). De uitvoering van het Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (2006/C 139/01) heeft gezorgd voor een vlotter verloop van de raadplegingsprocedures in verband met de financiële aspecten van het GBVB. De benoeming van de nieuwe hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid versterkt de invloed van het Parlement, omdat hij of zij tevens vicevoorzitter van de Commissie is.

Beroep voor het Hof van Justitie

Het Parlement heeft de bevoegdheid om beroep in te stellen voor het Hof van Justitie in geval van schending van het Verdrag door een andere instelling.

Het Parlement heeft het recht om als interveniënt op te treden, dat wil zeggen dat het zich mag voegen bij een van de procespartijen. Een historische zaak in dit opzicht was het arrest „Isoglucose” (zaak 138 en 139/79 van 29 oktober 1980), waarbij het Hof een verordening van de Raad nietig verklaarde, omdat zij een inbreuk betekende op de verplichting het Parlement te raadplegen. Bij een beroep vanwege nalatigheid (artikel 265 VWEU) kan het Parlement de schending van het Verdrag door een instelling voor het Hof aanhangig maken, zoals in zaak 13/83, waarin de Raad werd veroordeeld omdat hij had nagelaten maatregelen te nemen op het gebied van het gemeenschappelijk vervoersbeleid.

Krachtens het Verdrag van Amsterdam kon het Parlement alleen een beroep tot nietigverklaring van een besluit van een andere instelling instellen om zijn prerogatieven te beschermen. Sinds het Verdrag van Nice moet het Parlement niet langer een specifiek belang aantonen; het kan nu dus op dezelfde wijze een beroepsprocedure beginnen als de Raad, de Commissie en de lidstaten. Het Parlement kan medegedaagde zijn in een beroepszaak tegen handelingen die zijn goedgekeurd via de medebeslissingsprocedure of indien een van zijn handelingen rechtsgevolgen heeft voor derden. Artikel 263 van het VWEU is aldus de bekrachtiging van de jurisprudentie van het Hof in de zaken 320/81, 294/83 en 70/88.

Het Parlement kan ten slotte voorafgaand advies van het Hof inwinnen over de verenigbaarheid van internationale overeenkomsten met het Verdrag (artikel 218 VWEU).

Verzoekschriften (zie blad 2.1.4)

EU-burgers die hun petitierecht willen uitoefenen, richten hun verzoekschriften aan de Voorzitter van het Europees Parlement (artikel 227 VWEU).

Europees burgerinitiatief (zie blad 2.1.5)

Het Parlement organiseert een hoorzitting met de organisatoren van gecertificeerde Europese burgerinitiatieven (EBI's) onder leiding van de Commissie verzoekschriften.

Benoeming van de ombudsman

Krachtens het Verdrag van Lissabon is het Parlement verantwoordelijk voor de verkiezing van de Europese Ombudsman (artikel 228 VWEU) (zie blad 1.3.16).

Petr Novak

06/2016