Het Europees Parlement: organisatie en werking

De organisatie en werking van het Europees Parlement vallen onder het Reglement van het Parlement. De activiteiten van het Parlement worden verricht door de politieke organen, commissies, delegaties en fracties.

Rechtsgrond

  • Artikel 14 en de artikelen 223, 224, 226, 229, 231 en 232 VWEU;
  • Reglement van het Europees Parlement.

Leden en samenstelling

Op voorstel van het Parlement[1] heeft de Europese Raad Besluit 2013/312/EU vastgesteld inzake de samenstelling van het Europese Parlement na de verkiezingen van 2014. Ingevolge dit besluit heeft het Europees Parlement thans 751 leden, verdeeld tussen de lidstaten als volgt: Duitsland — 96; Frankrijk — 74; Italië en het Verenigd Koninkrijk — 73; Spanje — 54; Polen — 51; Roemenië — 32; Nederland — 26; België, Griekenland, Hongarije, Portugal en Tsjechië — 21; Zweden — 20; Oostenrijk — 18; Bulgarije — 17; Finland, Denemarken en Slowakije — 13; Ierland, Litouwen en Kroatië — 11; Letland en Slovenië — 8; Cyprus, Estland, Luxemburg en Malta — 6.

Besluit 2013/312/EU berust op het in artikel 14, lid 2, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie verankerde beginsel van degressieve evenredigheid. Dit betekent dat de 751 zetels worden toegewezen op basis van de omvang van de bevolking van de lidstaten, waarbij de lidstaten met een grotere bevolking aanvaarden dat zij worden ondervertegenwoordigd zodat de landen van de EU met een kleinere bevolking ruimer kunnen worden vertegenwoordigd. De zetelverdeling zal tijdig opnieuw worden herzien in de aanloop naar de verkiezingen van 2019. Bij een mogelijke uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie zou het totaal aantal zetels van het Parlement met 73 worden verminderd.

Na verkiezingen komt het Europees Parlement van rechtswege bijeen op de eerste dinsdag na het verstrijken van een termijn van een maand (akte van 20 september 1976[2]). Overeenkomstig artikel 229, eerste alinea, VWEU, komt het Parlement van rechtswege tevens bijeen op de tweede dinsdag van maart.

Organisatie

a.De Voorzitter

De Voorzitter van het Parlement (artikel 22 van het Reglement) wordt uit de leden van het Parlement gekozen voor een ambtstermijn van twee en een half jaar en kan worden herkozen (artikel 19). De Voorzitter vertegenwoordigt het Europees Parlement naar buiten toe en in de betrekkingen met de andere Europese instellingen. De Voorzitter zit de debatten in de plenaire vergaderingen voor en ziet erop toe dat het Reglement van het Parlement wordt nageleefd. Bij de opening van elke vergadering van de Europese Raad zet de Voorzitter van het Europees Parlement het standpunt van het Parlement uiteen over specifieke onderwerpen, over de agendapunten en wat het Parlement daaromtrent bezig houdt. De Voorzitter ondertekent de begroting van de Europese Unie nadat zij door het Parlement is goedgekeurd, waardoor de begroting in werking treedt. Alle wetgeving die volgens de gewone wetgevingsprocedure wordt vastgesteld, wordt zowel door de Voorzitter van het Parlement als de Voorzitter van de Raad ondertekend. De Voorzitter kan worden vervangen door een van de 14 ondervoorzitters (artikel 23).

b.Plenaire vergadering

De plenaire vergadering vormt het Parlement in strikte zin. De plenaire vergaderingen worden geleid door de Voorzitter. Het Parlement komt elke maand (behalve in augustus) in Straatsburg in plenaire vergadering bijeen voor een "„vergaderperiode”, die van maandag tot en met donderdag duurt. In Brussel worden extra vergaderperioden gehouden. Een vergaderperiode is onderverdeeld in vergaderdagen (artikel 145, lid 3). De zitplaatsen in de grote vergaderzaal worden aan de leden toegewezen aan de hand van hun politieke voorkeur, van links naar rechts, in overleg met de fractievoorzitters. De Voorzitter opent de vergadering, soms met een toespraak of een huldebetuiging, al naargelang de actualiteit van het moment. De Voorzitter wordt in zijn taken geassisteerd door veertien ondervoorzitters, die het voorzitterschap kunnen uitoefenen. De Europese Commissie en de Raad van de Europese Unie wonen de plenaire vergadering bij om de samenwerking tussen de instellingen in de besluitvorming te vergemakkelijken. Op verzoek van het Europees Parlement leggen de beide instellingen verklaringen af of leggen zij verantwoording af over hun activiteiten.

c.Politieke organen

De politieke organen van het Parlement omvatten het Bureau (artikel 24 — de Voorzitter en de veertien ondervoorzitters); de Conferentie van voorzitters (artikel 26 — de Voorzitter en de fractievoorzitters); de vijf quaestoren (artikel 28 — vervullen administratieve en financiële taken in verband met de leden); de Conferentie van commissievoorzitters (artikel 29); en de Conferentie van delegatievoorzitters (artikel 30). De ambtstermijn van de Voorzitter, ondervoorzitters en quaestoren, alsook van de commissie- en delegatievoorzitters, bedraagt twee en een half jaar (artikel 19).

d.Commissies en delegaties

De leden zijn verdeeld over 20 commissies, 2 subcommissies en 39 delegaties (interparlementaire delegaties en delegaties in gemengde parlementaire commissies, parlementaire samenwerkingscommissies en multilaterale parlementaire vergaderingen)[3]. Het Parlement stuurt ook een delegatie naar de Paritaire Vergadering ACS-EU, die is ingesteld in het kader van de overeenkomst tussen de landen van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen) en de EU[4]. Het Parlement kan bijzondere commissies (artikel 197) en onderzoekscommissies (artikel 226 VWEU en artikel 198) oprichten.

Op grond van artikel 204 kiest iedere commissie of delegatie haar eigen bureau, dat bestaat uit een voorzitter en ten hoogste vier ondervoorzitters.

e.Fracties

De leden maken geen deel uit van nationale delegaties, maar zijn op grond van hun politieke gezindheid lid van transnationale fracties. Volgens artikel 32 van het Reglement van het Parlement moet een fractie minstens 25 leden tellen, die zijn gekozen in ten minste één vierde van de lidstaten. De fracties komen op gezette tijden bijeen in de week die voorafgaat aan de plenaire vergadering en tijdens de vergaderperioden, terwijl ze zich tijdens studiedagen beraden over de hoofdlijnen van hun optreden. Sommige fracties stemmen overeen met supranationale politieke partijen die actief zijn op EU-niveau.

f.Europese politieke partijen en stichtingen

Het Parlement streeft ernaar een omgeving te creëren die bevorderlijk is voor de verdere ontwikkeling van Europese politieke partijen en stichtingen, onder andere door het vaststellen van kaderwetgeving. Artikel 224 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, vormt de wettelijke basis om via de gewone wetgevingsprocedure een statuut voor Europese politieke partijen en regels betreffende hun financiering vast te stellen. De meeste politieke partijen zijn opgericht op grond van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen, die tevens in de mogelijkheid voorziet subsidies te verlenen aan politieke stichtingen die hun respectieve partijen ondersteunen door middel van educatieve en onderzoeksactiviteiten.

De huidige bestaande Europese partijen zijn: de Europese Volkspartij (EPP), de Partij van de Europese Sociaaldemocraten (PES), de Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa (ALDE), de Europese Groene Partij (EGP), de Alliantie van Europese Conservatieven en Hervormers (ACRE), de Partij van Europees Links (EL), de Beweging voor een Europa van Vrijheid en Democratie (EUD), de Europese Democratische Partij (EDP), de Vrije Europese Alliantie (EAF), Europese Alliantie van Nationale Bewegingen (AEMN), de Europese Christelijke Politieke Beweging (ECPM), en de Alliantie voor Directe Democratie in Europa (ADDE). Deze supranationale partijen werken nauw samen met de bijbehorende fracties in het Europees Parlement.

Tot de belangrijkste politieke stichtingen behoren onder meer: het Wilfried Martens Centre for European Studies, de Foundation for European Progressive Studies, het European Liberal Forum, de Green European Foundation, het Institute of European Democrats, Transform Europe en New Direction – The Foundation for European Reform.

g.Het secretariaat-generaal van het Parlement

Het secretariaat-generaal van het Europees Parlement wordt geleid door de secretaris-generaal, die door het Bureau wordt benoemd (artikel 222). De samenstelling en organisatie van het secretariaat-generaal worden eveneens door het Bureau bepaald: thans omvat het 12 directoraten-generaal en de juridische dienst. Het heeft tot taak wetgevingswerk te coördineren en de plenaire vergaderingen en de overige vergaderingen te organiseren. Het voorziet tevens in technische, juridische en specialistische hulp voor de organen van het Parlement en de EP-leden om hen te ondersteunen in de uitoefening van hun mandaat. Het secretariaat-generaal draagt zorg voor vertolking en vertaling voor alle vergaderingen en officiële documenten.

Werkwijze

Binnen de in het Verdrag vastgelegde kaders stelt het Parlement zelfstandig zijn werkzaamheden vast. Het stelt zijn Reglement vast bij meerderheid van stemmen van zijn leden (artikel 232 VWEU). Voor zover in de Verdragen niet anders is bepaald, besluit het Parlement met een meerderheid van de uitgebrachte stemmen (artikel 231 VWEU). Het Parlement stelt zelfstandig zijn agenda vast voor de plenaire vergaderingen, die voornamelijk gewijd zijn aan de aanneming van verslagen (opgesteld door de parlementaire commissies), vragen aan de Commissie en de Raad, debatten over actuele en dringende kwesties en verklaringen van het voorzitterschap van de Raad. De plenaire vergaderingen van het Parlement en de commissiebijeenkomsten zijn openbaar en kunnen via internet live worden gevolgd.

Zetel en plaatsen waar de werkzaamheden worden verricht

Sinds 7 juli 1981 heeft het Parlement diverse resoluties over zijn zetel aangenomen, waarin de regeringen van de lidstaten wordt verzocht hun verplichtingen ingevolge de Verdragen na te komen en één zetel voor de instellingen vast te stellen. Daar de lidstaten lange tijd in gebreke bleven, heeft het Parlement een aantal besluiten genomen over zijn organisatie en de plaatsen waar het zijn werkzaamheden verricht (Luxemburg, Straatsburg en Brussel). Tijdens de Europese Raad van Edinburgh van 11 en 12 december 1992 hebben de lidstaten een akkoord bereikt over de zetels van de Europese instellingen. Overeengekomen werd dat:

  • de zetel van het Parlement zich in Straatsburg bevindt, waar de twaalf maandelijkse vergaderperioden worden gehouden en de zitting tijdens welke het besluit over de jaarlijkse begroting wordt genomen;
  • de extra vergaderperioden in Brussel worden gehouden;
  • de parlementaire commissies bijeenkomen in Brussel;
  • het Secretariaat-generaal van het Parlement en de daaronder ressorterende diensten in Luxemburg blijven.

Dit besluit leidde tot kritiek van het Parlement. Het Hof van Justitie heeft niettemin bevestigd (arrest nr. C-345/95 van 1 oktober 1997) dat de zetel van het Parlement met dit besluit op de juiste wijze overeenkomstig artikel 341 VWEU was vastgesteld. De inhoud van het besluit is in het Verdrag van Amsterdam opgenomen in de vorm van een protocol dat aan de Verdragen is gehecht.

Hoewel het Parlement deze besluiten betreurde, is het gehouden jaarlijks het rooster voor de vergaderperioden vast te stellen op voorstel van de Conferentie van voorzitters. Over het algemeen houdt het Parlement jaarlijks twaalf vergaderperioden van vier dagen in Straatsburg en zes van twee dagen in Brussel. Leden van het Parlement hebben verschillende initiatieven genomen om de zitting in Straatsburg te vermijden. Voor 2012 was bijvoorbeeld een rooster vastgesteld dat voorzag in twee vergaderperioden van twee dagen tijdens dezelfde kalenderweek in oktober, waarmee de totale vergadertijd in Straatsburg met vier dagen zou zijn teruggebracht. Na een klacht van Frankrijk oordeelde het Hof van Justitie (Zaak C-237/11) echter dat op grond van de genomen besluiten twee volledige vergaderperioden zijn vereist.

Op grond van artikel 229 VWEU kan het Parlement, op verzoek van de meerderheid van zijn leden, van de Raad of de Commissie, buitengewone vergaderperioden houden. Op 18 december 2006 heeft het Parlement voor het eerst een extra vergaderperiode in Brussel gehouden, onmiddellijk na de Europese Raad van 14 en 15 december 2006. Deze praktijk van vergaderperioden die onmiddellijk volgen op belangrijke bijeenkomsten van de Europese Raad heeft zich sindsdien doorgezet.

Samenstelling van het Parlement per fractie en per lidstaat

Een overzichtstabel van de fracties en hun samenstelling vindt u via de volgende link: http://www.europarl.europa.eu/meps/nl/crosstable.html

[1]Resolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2013 over de samenstelling van het Europees Parlement met het oog op de verkiezingen van 2014 (Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0082).

[2]Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in de Vergadering door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen van 20 september 1976 (PB L 278 van 8.10.1976).

[3]Het aantal leden per commissie is vastgelegd in artikel 1 van het Besluit van het Europees Parlement van 2 juli 2014 over het aantal leden van de commissies (Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0001).

[4]Zie de Overeenkomst van Cotonou, zoals herzien in Ouagadougou op 22 juni 2010, artikel 17.

Udo Bux

10/2017