Indirecte belastingen

Tot de indirecte betalingen behoren de belasting op de toegevoegde waarde en accijnzen op alcohol, tabak en energie. In tegenstelling tot de belasting op de toegevoegde waarde zijn accijnzen specifieke belastingen. Het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde is daarentegen algemeen van toepassing op de vervaardiging en verkoop van producten en het leveren van diensten die voor gebruiksdoeleinden in de Europese Unie worden verworven en verkocht.
De wetgevende maatregelen van de EU zijn gericht op coördinatie en onderlinge afstemming van de btw-wetgeving en harmonisatie van de accijnzen op alcohol en tabak om tot een goed functioneren van de interne markt te komen. Bovendien zijn op het gebied van energie verschillende heffingen ingesteld om het milieu en de volksgezondheid te beschermen.

1. Belasting over de toegevoegde waarde (btw)

a.Rechtsgrondslag

Artikel 113 VWEU

b.Ontwikkeling

De harmonisatie van de btw vond plaats in verschillende fasen teneinde transparantie te bereiken bij handel binnen de EG. In 1970 werd besloten de EEG-begroting uit de eigen middelen van de Gemeenschap te financieren. Deze eigen middelen zouden onder meer betalingen op basis van een deel van de btw omvatten en zouden worden verkregen door toepassing van een gemeenschappelijk heffingspercentage op basis van een uniforme belastinggrondslag. Met de in 2007 aangenomen Btw-richtlijn 2006/112/EG zijn alle wijzigingen in één wetgevingsinstrument gecodificeerd.

In 1985 publiceerde de Commissie het Witboek over de interne markt (COM(1985)...). Deel III ervan betrof het wegnemen van de fiscale belemmeringen. De noodzaak tot maatregelen op het terrein van de btw kwam voort uit het „bestemmingsbeginsel”.

c.Resultaten

1.Het btw-stelsel
a.Het overgangsstelsel

In 1987 stelde de Commissie voor over te stappen op het „oorsprongslandbeginsel”, waarbij voor transacties tussen lidstaten de belasting in het land van oorsprong moest worden betaald, die de handelaren vervolgens normaal als voorbelasting konden aftrekken. De Commissie stelde verder voor een verrekeningssysteem in te stellen om de in de landen van oorsprong geïnde btw weer naar de landen van eindverbruik terug te voeren. Deze voorstellen bleken voor de lidstaten echter niet aanvaardbaar, en daarom riepen zij in 1989 een werkgroep bijeen. Deze hield vast aan het bestemmingsbeginsel voor transacties waarbij geregistreerde btw-plichtigen betrokken zijn en legde daarmee de basis voor het overgangsstelsel, dat in 1993 in werking trad (Richtlijnen 91/680/EEG en 92/111/EEG).

b.Haalbare strategie om het huidige stelsel te verbeteren

Sinds 2000 heeft de Commissie maatregelen genomen ter verbetering van de toenmalige „overgangsregels”. De belangrijkste wettelijke EU-regeling op het gebied van de btw is nu de Btw-richtlijn 2006/112/EG. In 2008 volgden ook Richtlijn 2008/8/EG en Richtlijn 2008/9/EG. Nu wordt de btw op diensten tussen bedrijven onderling in principe verwerkt in het land waarin de dienstverlening plaatsvindt.

In 2005 werd de basis gelegd voor een uniformere toepassing van de EU-regels (Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011). Inmiddels beschikken alle lidstaten over de mogelijkheid speciale regels toe te passen om de uitvoering van de btw-heffing te vereenvoudigen. De aanneming van Verordening (EG) nr. 37/2009 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde, ter bestrijding van de belastingfraude in het intracommunautaire verkeer, betekende een verbetering van het stelsel.

2.Btw-tarieven

Richtlijn 92/77/EEG voorzag in een minimum standaardtarief van 15%, met een tweejaarlijkse herziening. De Commissie stelde in 1995 en 1998 een nieuw maximumtarief van 25% voor. Het EP was hiertegen. De Raad heeft met Richtlijn 2010/88/EU de geldigheidsduur van het minimale btw-standaardtarief van 15% echter verlengd tot eind 2015. De verlaagde btw-tarieven hebben echter meermaals de aanleiding gevormd voor conflicten tussen de lidstaten. Desondanks werd Richtlijn 2009/47/EG wat verlaagde btw-tarieven betreft voor lokaal verleende arbeidsintensieve diensten uitgevaardigd.

3.Recente ontwikkelingen

In 2010 heeft de Commissie haar Groenboek over de toekomst van de btw (COM(2010)0695) gepubliceerd. Het doel is om over het huidige btw-stelsel te debatteren. Door middel van Besluit 2012/C188/02 richtte de Commissie op 26 juni 2012 een deskundigengroep op het gebied van de btw op. Daarnaast publiceert het btw-comité van de Commissie regelmatig richtsnoeren met betrekking tot btw.

Begin 2015 bleek uit een door de Commissie uitgevoerd onderzoek dat het btw-stelsel (in het kader van activiteiten in verband met personenvervoer) enorme lacunes vertoont die belastingfraude duidelijk in de hand werken. De resultaten van het onderzoek vormen een bijdrage aan de discussie over een alternatief concept voor het huidige btw-stelsel. Het onderzoeksverslag is beschikbaar via: http://ec.europa.eu/taxation_customs/resources/documents/common/publications/studies/vol2_passenger_transport.pdf

d.Rol van het Europees Parlement (EP)

Krachtens de EU-wetgeving op btw-gebied blijft de rol van het Europees Parlement beperkt tot de raadplegingsprocedure. In 1998 ging het EP akkoord met een bandbreedte van 15 tot 25% voor het normale btw-tarief. In 2007 steunde het Parlement de uitbreiding van de tijdelijke afwijkingen voor enkele nieuwe lidstaten, maar drong het bij de Raad aan op een langetermijnoplossing voor de structuur van de tarieven tot eind 2010. In 2014 nam het EP resolutie A7-0090/2014 aan over het voorstel COM(2013)0721 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat een standaard btw-aangifte betreft.

2. Accijnzen op alcohol, tabak en energie

a.Rechtsgrondslag

Artikel 113 van het VWEU alsook, ten aanzien van energiebelasting, artikel 192 van het VWEU, ter verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 191 van het VWEU.

b.Doelstellingen

De tarieven en de structuur van de accijnzen variëren van lidstaat tot lidstaat, wat van invloed is op de concurrentie. Zeer grote verschillen in accijnzen op een bepaald product kunnen resulteren in om belastingredenen op gang gebracht goederenverkeer, verlies aan inkomsten en fraude. Sinds het begin van de jaren zeventig is derhalve gepoogd zowel de structuur als de tarieven te harmoniseren, maar er is weinig vooruitgang geboekt.

c.Resultaten

1.Algemene voorschriften

In Richtlijn 2008/118/EG houdende een algemene regeling inzake accijns is een algemene regeling voor accijnsgoederen vastgelegd om het vrije verkeer van deze goederen en de goede werking van de interne markt in de Europese Unie te garanderen.

2.Alcoholhoudende dranken

Een beslissende factor in de belasting van alcohol was de mate waarin verschillende producten met elkaar concurreren. De Commissie (COM(79) 261) en het Hof van Justitie van de EU (Zaak 170/78, Jurispr. 1985) zijn van mening dat alle alcoholische dranken substitueerbaar zijn en met elkaar concurreren. Pas in 1992 werd Richtlijn 92/83/EEG aangenomen, die bepaalt op welke producten en volgens welke methode accijns geheven wordt. Ook werden Richtlijnen 92/84/EEG en 92/83/EEG aangenomen. In maart 2015 werd een voorstel tot wijziging van Richtlijn 92/84/EEG (onderlinge aanpassing van de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken) ingetrokken, omdat hierover in de Raad geen overeenstemming kon worden bereikt.

3.Tabaksproducten

De basisstructuur van de accijns op tabak is samengevoegd in een geconsolideerde Richtlijn (2011/64/EG). In tegenstelling tot de oorspronkelijke voorstellen van de Commissie werden uitsluitend minimumtarieven vastgesteld. Er bestaan verschillende categorieën tabak waarop belasting wordt geheven. De belasting op sigaretten moet bestaan uit een proportionele („ad valorem”) accijns in combinatie met een specifieke accijns. Op andere tabaksartikelen wordt een „ad valorem”, een specifieke of een zogeheten gemengde accijns geheven. De moeilijkheid bij het bereiken van een vastgesteld percentage ligt in de structuur van de communautaire tabaksindustrie.

4.Energieproducten (minerale oliën, gas, elektriciteit, alternatieve energie, vliegtuigbrandstof)

De basisstructuur van de accijns op minerale oliën in de Gemeenschap werd in 1992 vastgelegd. Net zoals in het geval van alcohol en tabak werden hier in tegenstelling tot de oorspronkelijke plannen (volledige harmonisering) uitsluitend minimumtarieven vastgesteld. De voorstellen van de Commissie uit het jaar 1997 werden met ingrijpende wijzigingen aangenomen (Richtlijn 2003/96/EG, uitzonderingsbepalingen in Richtlijnen 2004/74/EG en 2004/75/EG).

Uit de in 2000 gepubliceerde mededeling van de Commissie over de belasting op vliegtuigbrandstof (COM(2000)0110) bleek slechts dat Richtlijn 2003/96/EG voorziet in een verplichte belastingvrijstelling voor energieproducten die worden geleverd voor gebruik als brandstof voor andere luchtvaart dan particuliere plezierluchtvaart. Er werden voor het eerst bepalingen geïntroduceerd op basis waarvan lidstaten belasting konden gaan heffen op brandstof voor binnenlandse vluchten en, gebruikmakend van bilaterale overeenkomsten, op brandstof gebruikt voor intracommunautaire vluchten.

In 2001 werden maatregelen ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen voorgesteld, waaronder de mogelijkheid om een verlaagd accijnstarief in te stellen, die in 2003 als Richtlijn 2003/30/EG werden aangenomen.

5.Btw op andere brandstoffen

In 2002 werd een voorstel inzake heffing van btw op aardgas en elektriciteit ingediend. Krachtens dit voorstel wordt voor bedrijven de plaats waar de koper is gevestigd de plaats van de belastingheffing. Voor eindgebruikers wordt dit bepaald door de plaats van consumptie. Ook dit voorstel is inmiddels aangenomen (Richtlijn 2003/92/EG).

6.Recente initiatieven

Het meest recente initiatief van de Commissie is een voorstel (COM(2011)0169) om de regels voor de belasting van energieproducten te moderniseren. Het voorstel zal de lidstaten helpen om hun volledige belastingsysteem anders in te richten, zodat het bijdraagt aan groei en werkgelegenheid, door de belastingdruk te verschuiven van arbeid naar consumptie. Het voorstel werd in maart 2015 echter ingetrokken, omdat zelfs de compromistekst van het voorstel in de Raad niet werd gesteund.

d.Rol van het Europees Parlement

1.Belasting op alcohol en tabak

Het Europees Parlement heeft sedert 1987 elk ingediend voorstel zeer intensief begeleid. In 1997 bevestigde het Europees Parlement andermaal dat er tussen de diverse alcoholhoudende dranken geen concurrentieverstoringen dienden te bestaan. Aangaande sigaretten en verwerkte tabak drong het Parlement in beginsel aan op een „opwaartse harmonisatie” van de tarieven. In het verslag over het fiscale beleid van de EU van 2002 stemt het Parlement niet in met het beleid van de Commissie inzake accijns op tabak en alcoholische dranken, en in het bijzonder niet met de opwaartse harmonisatie. In 2009 pleitte het Europees Parlement weliswaar voor een geleidelijke verhoging van de accijns op sigaretten en andere tabaksproducten, maar niet tot het door de Commissie voorgestelde niveau.

2.Belasting op minerale oliën/energie

In een advies van het EP (1991) werd aangedrongen op vaststelling van streeftarieven voor benzine en een veel hoger minimumtarief voor zware stookolie. In de belangrijkste amendementen werd ernaar gestreefd de lijst van systematische vrijstellingen af te schaffen maar de lijst van facultatieve vrijstellingen uit te breiden, de minimumaccijnstarieven te indexeren op basis van inflatie, en een procedure op te stellen die lidstaten in staat stelt de belasting in bepaalde gevallen ten dele of geheel aan ondernemingen te restitueren. Het Parlement benadrukte in zijn resolutie van 2002 over het fiscaal beleid in de EU in het algemeen dat „het beginsel „de vervuiler betaalt” ruimere toepassing moet vinden”. Het Parlement gaf in oktober 2002 een gunstig advies over de voorstellen inzake biobrandstoffen en nam een aantal amendementen aan dat deze voorstellen moest verstevigen.

Doris Kolassa

09/2015