Spoorwegvervoer

Het Europees beleid voor het spoorwegvervoer heeft tot doel één spoorwegruimte tot stand te brengen. Na de openstelling van deze sector voor de concurrentie in 2001 zijn er in tien jaar tijd drie spoorwegpakketten vastgesteld en heeft er één herschikking van de wetgeving plaatsgevonden. Het vierde pakket heeft tot doel de liberalisatie van het spoorwegverkeer te voltooien en is in eerste lezing door het Europees Parlement aangenomen (februari 2014) en is ten aanzien van de technische pijler tevens in tweede lezing aangenomen (28 april 2016).

Rechtsgrondslag

Artikel 100, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Doelstellingen

Een gemeenschappelijk vervoersbeleid dat gericht is op het behoud van concurrentie en het garanderen van vrijheid van dienstverlening, vereist dat de technische, administratieve en veiligheidsvoorschriften van de lidstaten worden geharmoniseerd. Voor de interoperabiliteit van de afzonderlijke nationale spoorwegsystemen is een geleidelijke harmonisatie van deze eisen absoluut noodzakelijk. Ook de maatregelen met betrekking tot de milieu- en consumentenbescherming vergen een zekere mate van harmonisatie om concurrentieverstoring te voorkomen en nieuwe ondernemingen de toegang tot het netwerk te vergemakkelijken.

In het stappenplan van de Commissie „Vervoer 2050” zijn de volgende doelstellingen vastgesteld: op lange termijn de voltooiing van het Europese hogesnelheidsnet en op middellange termijn (tot 2030) de verdrievoudiging van de lengte van het hogesnelheidsnet en de instandhouding van een dicht spoorwegnet in alle lidstaten. Het doel is trouwens om tot 2050 het middellangeafstandsvervoer van passagiers grotendeels via het spoor te laten verlopen.

Resultaten

a.Interoperabiliteit

Met de aanneming van Richtlijn 96/48/EG van 23 juli 1996 betreffende de interoperabiliteit van het trans-Europese hogesnelheidsspoorwegsysteem en Richtlijn 2001/16/EG van 19 maart 2001 betreffende de interoperabiliteit van het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem heeft de Europese Unie een proces op stapel gezet waarmee ervoor moet worden gezorgd dat de verschillende spoorwegsystemen zonder reisonderbreking kunnen worden gebruikt en dat de netwerken van de lidstaten probleemloos en op een veilig manier in elkaar kunnen overlopen. Voor de tenuitvoerlegging van deze wetgeving zijn al een aantal technische oplossingen (zogeheten „technische specificaties voor interoperabiliteit” of TSI's) geformuleerd, waarbij de nadruk in eerste instantie is gelegd op cruciale aspecten als besturing, signalering, telematicatoepassingen voor vrachtdiensten, de beroepskwalificaties van personeel dat werkzaam is in het internationaal vervoer, wagons voor vrachtvervoer en geluidshinder.

Deze twee richtlijnen zijn gewijzigd en geactualiseerd bij Richtlijn 2004/50/EG van 29 april 2004. Tegelijkertijd werd het toepassingsgebied van de richtlijn betreffende het conventionele spoorwegsysteem uitgebreid tot het hele Europese spoorwegnet, waardoor dit in januari 2007 volledig kon worden opengesteld voor het nationale en internationale goederenvervoer en in januari 2010 voor het internationaal personenvervoer. Met Richtlijn 2008/57/EG van 17 juni 2008, als gewijzigd bij Richtlijn 2009/131/EG en Richtlijn 2011/18/EU, worden Richtlijn 2004/50/EG, Richtlijn 96/48/EG en Richtlijn 2001/16/EG herschikt en opgenomen in één richtlijn. Kernelement van de richtlijn is het principe van wederzijdse erkenning: wanneer voertuigen door een bepaalde lidstaat zijn gecontroleerd en toegelaten, kunnen deze later door een andere lidstaat enkel nog worden gecontroleerd op de parameters die specifiek verband houden met de technische verenigbaarheid van de voertuigen met het netwerk van deze lidstaat. Het vierde spoorwegpakket moet dit afschaffen en de rol van het Bureau versterken (zie onder B).

Om de technische belemmeringen voor de interoperabiliteit van treinen uit de weg te ruimen hebben de vertegenwoordigers van de spoorwegsector en de Commissie in 2005, 2008 en 2012 memoranda van overeenstemming ondertekend inzake de invoering en ontwikkeling van het Europees beheersysteem voor het spoorwegvervoer (European Rail Traffic Management System — ERTMS/ETCS) dat tot doel heeft de ongeveer twintig verschillende beheersystemen die momenteel in Europa bestaan, op eenzelfde leest te schoeien en een uniforme, automatische snelheidscontrole voor het spoorwegvervoer in te voeren op basis van de laatste stand van de techniek op telecommunicatiegebied. In juli 2009 heeft de Commissie een Europees plan goedgekeurd voor de uitrol binnen tien jaar van ERTMS op de belangrijkste Europese spoortrajecten (voor details, zie het verslag 2013 van de coördinator K. Vinck).

Sinds 1 januari 2007 is het nationale en internationale goederenvervoer volledig open voor concurrentie. Om het internationale netwerk voor goederenvervoer optimaal te kunnen benutten, de interoperabiliteit te verbeteren en aldus het spoor concurrerender te maken ten opzichte van andere vervoersmodi, heeft de Europese Unie voor goederen die door meerdere lidstaten reizen, negen Europese corridors voor concurrerend goederenvervoer vastgesteld (Verordening (EU) nr. 913/2010 van 22 september 2010).

b.Europees Spoorwegbureau

Teneinde de interoperabiliteit en de veiligheid van het Europese spoorwegnet te verbeteren, is krachtens Verordening (EG) nr. 881/2004 van 29 april 2004 een Europees Spoorwegbureau (ESB) opgericht, dat in Rijsel en Valenciennes (Frankrijk) gevestigd is. Hoofdtaak van het Bureau is te zorgen voor harmonisatie, registratie en controle van de technische specificaties voor interoperabiliteit (TSI's) voor het hele Europese spoorwegnet en voor de formulering van gemeenschappelijke veiligheidsdoelen voor de Europese spoorwegen. Het Bureau heeft zelf geen beslissingsbevoegdheid, maar helpt bij het opstellen van ontwerpbesluiten voor de Commissie. Bij Verordening (EG) nr. 1335/2008 van 16 december 2008 is het ESB belast met nieuwe taken die verband houden met de wijzigingen van de richtlijn inzake de spoorveiligheid (2004/49/EG) en de richtlijn inzake de interoperabiliteit van het Europese spoorwegnet (2008/57/EG). Als gevolg van de goedkeuring van het vierde spoorwegpakket wordt het ESB de enige bevoegde instantie voor de afgifte van vergunningen voor voertuigen (locomotieven en wagons) die bestemd zijn voor grensoverschrijdende activiteiten en voor de verstrekking van veiligheidscertificaten aan spoorwegondernemingen die in meerdere lidstaten actief zijn. De overgang naar één veiligheidscertificaat in de Gemeenschap was namelijk de voornaamste doelstelling van de herziening van Richtlijn 2004/49/EG.

c.Sociale harmonisatie

Richtlijn 2005/47/EG van 18 juli 2005 regelt de arbeidsvoorwaarden van mobiele werknemers die interoperabele grensoverschrijdende diensten in de spoorwegsector verrichten. Deze richtlijn is gebaseerd op een akkoord tussen de Europese sociale partners in de spoorwegsector. Richtlijn 2007/59/EG van 23 oktober 2007 heeft betrekking op de geharmoniseerde minimumeisen inzake kwalificatie en certificering van machinisten in de EU. Volgens deze richtlijn moet elke machinist beschikken over een bevoegdheidsbewijs (waaruit blijkt dat hij voldoet aan de minimumvoorwaarden inzake gezondheid, basisopleiding en algemene beroepskennis) en een geharmoniseerd aanvullend bevoegdheidsbewijs. In het bijzonder moet een machinist beschikken over een bevoegdheidsbewijs waaruit blijkt dat hij of zij specifieke scholing heeft ontvangen om op een bepaald traject te kunnen werken, het ingezette materieel kan besturen en de door een specifieke onderneming vastgestelde uitvoerings- en veiligheidsprocedures kan toepassen. Dit is de grondslag voor de wederzijdse erkenning van bevoegdheidsbewijzen waarin de richtlijn voorziet.

Sinds oktober 2011 worden verklaringen of bevoegdheidsbewijzen verstrekt aan machinisten die grensoverschrijdend vervoer, cabotage of goederenvervoer binnen een andere lidstaat verzorgen, of die werkzaam zijn in ten minste twee verschillende lidstaten.

De richtlijn legt de taken vast die moeten worden verricht door de verantwoordelijke autoriteiten van de lidstaten, de machinisten en de overige betrokkenen in deze sector, in het bijzonder spoorwegondernemingen, infrastructuurbeheerders en opleidingsinstellingen. Spoorwegondernemingen met een veiligheidscertificaat zijn verplicht een register bij te houden van alle aanvullende verklaringen.

d.Toegang van de spoorwegondernemingen tot de beroepsactiviteit

Richtlijn 95/18/EG van 19 juni 1995 bepaalt dat een spoorwegonderneming haar recht op toegang tot de infrastructuur van de lidstaten alleen kan doen gelden als ze over een bedrijfsvergunning beschikt. Deze vergunning wordt afgegeven door de lidstaat waar de onderneming is gevestigd, mits is voldaan aan bepaalde gemeenschappelijke voorwaarden (goede naam, financiële draagkracht en beroepsbekwaamheid). Deze richtlijn is gewijzigd bij Richtlijn 2001/13/EG van 26 februari 2001, waarin de (veiligheidsgerelateerde, technische, economische en financiële) voorwaarden worden vastgesteld voor de uitoefening van het beroep van spoorwegvervoerder op het gehele grondgebied van de Gemeenschap en waarmee wordt voorzien in de toelatingsprocedure voor het verrichten van goederenvervoer per spoor op het grensoverschrijdend Europees netwerk.

Richtlijn 2012/34/EU van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte, die een herschikking is van het eerste spoorwegpakket, is in de plaats getreden van de drie richtlijnen 2001/12/EG, 2001/13/EG en 2001/14/EG van 26 februari 2001 die daarbij werden ingetrokken (zie F).

e.Geluidsoverlast door treinen

Richtlijn 2002/49/EG van 25 juni 2002 (lawaai) inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai vormt de grondslag waarop communautaire maatregelen getroffen kunnen worden ter beperking van de door spoorwegvoertuigen en -infrastructuur veroorzaakte geluidsemissies. Op basis van deze grondslag zijn er in 2003 richtsnoeren goedgekeurd ten aanzien van de berekeningsmethoden voor de geluidsemissies van treinen en sinds juni 2006 gelden er grenswaarden ten aanzien van de geluidsemissies van rollend materieel dat wordt ingezet in de Europese Unie. In april 2011 is middels een nieuw besluit van de Commissie de TSI voor rollend spoorwegmaterieel herzien.

Op 8 juli 2008 bracht de Commissie een mededeling uit inzake geluidsreducerende maatregelen voor bestaand goederenmaterieel (COM(2008)0432). Een van de doelstellingen ervan was de modernisering van alle goederenwagons tot uiterlijk 2015. Richtlijn 2012/34/EG voorziet eveneens in een modulatie van de heffingen al naargelang de betrokken zone inzake geluidshinder, teneinde de installatie in wagons van minder lawaaimakende remmen te stimuleren (Europees systeem voor treinbesturing ETCS — European Train Control System). Naar geluid gedifferentieerde infrastructuurheffingen moeten in de eerste plaats gericht zijn op goederenwagons die niet voldoen aan de inhoud van de TSI „rollend materieel — geluid” van het conventioneel trans-Europees spoorwegsysteem.

f.De reeds aangenomen herschikking van het eerste spoorwegpakket en het vierde spoorwegpakket dat momenteel in behandeling is.

Met Richtlijn 2012/34/EU tot instelling van één Europese spoorwegruimte — die vóór medio 2015 moet zijn omgezet — worden de beginselen met betrekking tot de ontwikkeling van het spoor (die onder meer gericht moet zijn op de scheiding van infrastructuurbeheer en vervoersactiviteiten), de verstrekking van vergunningen aan spoorwegondernemingen en de infrastructuurheffingen gegroepeerd en in één richtlijn opgenomen. In het algemeen wordt met deze richtlijn de concurrentie versterkt en wordt voorzien in transparantere voorwaarden voor de toegang tot de markt, een duidelijke boekhoudkundige scheiding en onafhankelijke en sterkere nationale toezichthoudende instanties. Daarin worden op gedetailleerde wijze de voorwaarden vastgesteld voor de toegang tot het netwerk, de dienstverlening en de regels inzake heffingen.

In januari 2013 heeft de Commissie een pakket van zes wetgevingsvoorstellen ingediend, die het „vierde spoorwegpakket” vormen, met als doel de totstandbrenging van één Europese spoorwegruimte te voltooien en de interoperabiliteit te verbeteren. Met name moesten de openbaredienstcontracten op de binnenlandse markten in het kader daarvan tot uiterlijk december 2019 zijn opengesteld voor concurrentie teneinde de kwaliteit en doeltreffendheid van het nationale passagiersvervoer te verbeteren. In het bijzonder wordt met dit vierde pakket, dat reeds door het Europees Parlement in eerste lezing is aangenomen, de wijziging beoogd van de volgende handelingen die onder de technische pijler (punten a), b) en c)) of de politieke pijler (punten d), e) en f)) vallen:

  1. Verordening (EG) nr. 881/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 tot oprichting van een Europees Spoorwegbureau (zie B),
  2. Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 betreffende de interoperabiliteit (zie A en B),
  3. Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 op grond waarvan elke spoorwegonderneming een veiligheidscertificaat moet hebben om toegang te kunnen krijgen tot de infrastructuur (zie B),
  4. Verordening (EEG) nr. 1192/69 van de Raad van 26 juni 1969 betreffende de gemeenschappelijke regels voor de normalisatie van de rekeningstelsels van de spoorwegondernemingen,
  5. Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor,
  6. Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte.

Rol van het Europees parlement

In het kader van zijn wetgevingsbevoegdheden heeft het Parlement zijn steun verleend aan de meeste harmonisatievoorstellen van de Commissie, maar het heeft tegelijkertijd duidelijk gemaakt dat het aan bepaalde aspecten bijzonder belang hecht.

  • In zijn resoluties van 15 juni 2006 en 11 maart 2008 ten aanzien van duurzaam vervoer heeft het Europees Parlement zich uitdrukkelijk achter de invoering van het Europees beheersysteem voor het spoorwegvervoer ERTMS/ETCS geschaard waarmee de nodige technische obstakels uit de weg kunnen worden geruimd, en is het de richting ingeslagen van één Europese spoorwegruimte.
  • In zijn resolutie van maart 2009 over groener vervoer en internalisering van externe kosten heeft het Parlement de Commissie opgeroepen om met onmiddellijke ingang voor alle vervoersmethoden concrete voorstellen in te dienen en vervolgens een volledig concept voor te leggen voor het berekenen en het in rekening brengen van de externe kosten en hun effectbeoordelingen op grond van een begrijpelijk model. Verder heeft het de Commissie ertoe opgeroepen een voorstel uit te brengen voor een richtlijn betreffende het in rekening brengen van naar geluid gedifferentieerde infrastructuurheffingen voor locomotieven en wagons, teneinde spoorwegondernemingen ertoe aan te moedigen spoedig over te schakelen op geluidsarme voertuigen.
  • Wat betreft de scheiding van infrastructuurbeheer en vervoersdiensten wordt aan de lidstaten in de door het Parlement op 26 februari 2014 aangenomen tekst (het vierde pakket) weliswaar een zekere flexibiliteit geboden bij de keuze tussen scheiding en behoud van geïntegreerde ondernemingen, maar wordt het doel met betrekking tot de onafhankelijkheid tussen de activiteiten van de infrastructuurbeheerder en die van de spoorwegonderneming in stand gehouden. De nationale autoriteiten kunnen de openbaredienstcontracten openstellen voor concurrentie of deze gunnen aan een enkele onderneming, mits hiervoor een maximale duur wordt vastgesteld en de gunning ervan wordt gerechtvaardigd aan de hand van criteria als stiptheid van dienstverlening, kosten-batenverhouding, frequentie van de dienstverlening en klanttevredenheid. Ofschoon goedkeuring werd gehecht aan het recht om nationale passagiersvervoersdiensten aan te bieden middels de toepassing van aanbestedingsprocedures, waren de afgevaardigden van mening dat de door de Commissie vastgestelde termijn tot 2019 te kort was voor het verstrijken van de lopende contracten.
  • In de resolutie van 9 september 2015 over de tenuitvoerlegging van het Witboek wat betreft het gedeelte met betrekking tot het spoorwegvervoer vraagt het Parlement onder andere om de onmiddellijke goedkeuring van het vierde spoorwegpakket voor het waarborgen van een evenwichtige openstelling van de interne markt voor het spoorwegvervoer van reizigers, de onafhankelijkheid van infrastructuurbeheerders, openbare aanbestedingen voor openbaredienstcontracten, het hoogste niveau van veiligheid en interoperabiliteit van het spoorwegnet en voldoende personele en financiële middelen, zodat het Europees Spoorwegbureau het centrale aanspreekpunt kan vormen voor de vergunning van voertuigen en voor veiligheidscertificering (lid 65, eerste streepje).

Na de vaststelling door de Raad (10 december 2015) van zijn standpunt in eerste lezing over de drie voorstellen die onder de technische pijler vallen, heeft het Europees Parlement deze pijler van het vierde spoorwegpakket formeel in tweede lezing goedgekeurd. In dit opzicht heeft het Parlement op 28 april 2016 de volgende verslagen goedgekeurd:

  • aanbeveling voor de tweede lezing van mevrouw Bilbao Barandica (A8-0071/2016) betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem met betrekking tot de intrekking van Richtlijn 2008/57/EG;
  • aanbeveling voor de tweede lezing van de heer R. Zīle (A8-0073/2016) met betrekking tot de verordening betreffende het Europees Spoorwegbureau (ESB);
  • aanbeveling voor de tweede lezing van de heer Cramer (A8-0056/2016) met betrekking tot de herziening van Richtlijn 2004/49/EG.

Piero Soave

04/2016