Het Europees nabuurschapsbeleid

Het in 2004 ontwikkelde Europees nabuurschapsbeleid (ENB) heeft tot doel te vermijden dat nieuwe scheidslijnen ontstaan tussen de uitgebreide EU en haar buurlanden, en de welvaart, stabiliteit en veiligheid van allen te versterken. Het beleid is gebaseerd op de waarden van democratie, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, en is van toepassing op zestien van de naaste buren van de EU: Algerije, Armenië, Azerbeidzjan, Egypte, Georgië, Israël, Jordanië, Libanon, Libië, Marokko, Moldavië, Oekraïne, Palestina, Syrië, Tunesië en Wit-Rusland. Het ENB is in de eerste plaats een bilateraal beleid tussen de EU en ieder partnerland. Het wordt daarnaast verrijkt met regionale samenwerkingsinitiatieven: het Oostelijk Partnerschap en de Unie voor het Middellandse Zeegebied[1].

Rechtsgrondslag

  • artikel 8 van het Verdrag betreffende de Europese Unie;
  • titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (het externe optreden van de EU);
  • de artikelen 206-207 (handel) en 216-219 (internationale overeenkomsten) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

Algemene doelstellingen

In het kader van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) biedt de EU haar buren een geprivilegieerde relatie aan die is gebaseerd op de wederzijdse inzet voor gemeenschappelijke waarden (democratie en mensenrechten, de rechtsstatelijkheid, goed bestuur, de beginselen van de markteconomie en duurzame ontwikkeling). Het ENB omvat politieke coördinatie en grotere economische integratie, meer mobiliteit en intermenselijke contacten. Het ambitieniveau van de betrekkingen hangt af van de mate waarin deze waarden worden gedeeld. Het Europees nabuurschapsbeleid blijft gescheiden van het uitbreidingsproces en loopt niet vooruit op de wijze waarop de betrekkingen van buurlanden met de Unie zich in de toekomst kunnen ontwikkelen. In 2011 heeft de EU een evaluatie gemaakt van het ENB en het naar aanleiding van de ontwikkelingen in de Arabische landen sterker gericht op de bevordering van een goed verankerde en duurzame democratie en inclusieve economische ontwikkeling. Een duurzame en blijvende democratie omvat met name vrije en eerlijke verkiezingen, inspanningen ter bestrijding van corruptie, rechterlijke onafhankelijkheid, democratische controle van de strijdkrachten, en de vrijheid van meningsuiting, vergadering en vereniging. De EU heeft ook de nadruk gelegd op de rol die het maatschappelijk middenveld speelt in het democratisch proces en haar „meer voor meer”-beginsel ingevoerd, volgens hetwelk de Unie sterkere partnerschappen aangaat met buren die meer vooruitgang boeken in de richting van democratische hervormingen. In maart 2015 hebben de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) een raadplegingsprocedure geopend voor een nieuwe evaluatie van het ENB. Deze evaluatie heeft met name ten doel de instrumenten van het ENB beter af te stemmen op de specifieke aspiraties van de partnerlanden. In dit verband heeft het Europees Parlement op 9 juli 2015 een resolutie aangenomen waarin het onderstreept dat het vernieuwde ENB strategischer, gerichter, flexibeler en coherenter van opzet moet zijn. Op 11 november 2015 is door de EDEO en de Commissie een mededeling hierover gepresenteerd die is gebaseerd op de resultaten van de raadpleging.

Instrumenten

Een essentieel onderdeel van het ENB wordt gevormd door de bilaterale actieplannen die de EU met twaalf partnerlanden is overeengekomen (met Wit-Rusland, Libië en Syrië is nog geen akkoord bereikt over een actieplan, terwijl de onderhandelingen met Algerije nog gaande zijn). Hierin wordt een agenda van politieke en economische hervormingen vastgelegd, met prioriteiten op de korte en middellange termijn (drie tot vijf jaar). De ENB-actieplannen belichten de specifieke behoeften, belangen en capaciteiten van de EU en van elk van de partnerlanden. Zij zijn gericht op de ontwikkeling van democratische, sociaal rechtvaardige en inclusieve samenlevingen, de bevordering van economische integratie en de vergemakkelijking van het grensverkeer van personen. . Het Europees nabuurschapsbeleid bouwt voort op de vigerende juridische overeenkomsten tussen de EU en haar partners: partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten en, meer recentelijk, associatieovereenkomsten.

De EU draagt bij aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het beleid door middel van financiële steun en politieke en technische samenwerking. De daarvoor bestemde middelen worden grotendeels verstrekt via het Europees nabuurschapsinstrument (ENI), in het kader waarvan voor de periode 2014-2020 een bedrag van 15,4 miljard euro is toegewezen. Daarnaast wordt het ENB gefinancierd uit andere instrumenten en programma's, zoals de faciliteit voor het maatschappelijk middenveld. De Europese Commissie verleent financiële steun in de vorm van subsidies aan partners, en de Europese Investeringsbank en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling vullen deze steun aan via leningen. Bovendien zijn in het kader van het ENB nieuwe instrumenten ontwikkeld ter bevordering van markttoegang, in het bijzonder via de sluiting van diepe en brede vrijhandelsovereenkomsten (DCFTA's), alsook ter bevordering van de mobiliteit en ter versterking van het migratiebeheer. Zo zijn mobiliteitspartnerschappen en visumversoepelings- en -liberaliseringsregelingen aangeboden, waarover met sommige partners reeds overeenkomsten zijn gesloten.

De EDEO en de Commissie publiceren jaarlijks een voortgangsverslag over het ENB. Hoewel het ENB is opgezet als algemeen beleidsinstrumentarium, geeft het de EU ook de mogelijkheid haar beleid naargelang de specifieke behoeften van de verschillende partners aan te passen en te differentiëren.

Regionale dimensies

a.Oostelijk Partnerschap

Het Oostelijk Partnerschap is opgericht om verdieping aan te brengen in de betrekkingen van de EU met de meeste van haar oostelijke buren: Armenië, Azerbeidzjan, Georgië, Moldavië, Oekraïne en Wit-Rusland. Het Oostelijk Partnerschap is in 2008 overeengekomen en in 2009 opgestart, en bouwt voort op het ENB.

1.Doelstellingen

Met het Oostelijk Partnerschap wordt beoogd de politieke associatie en de verdere economische integratie tussen de EU en de oostelijke landen te versnellen. Het niveau van integratie en samenwerking weerspiegelt de verbintenis van elk partnerland tot naleving van de Europese waarden, normen en structuren, en de vorderingen daarvan. Het Partnerschap heeft tot doel democratie en goed bestuur te bevorderen, de energiezekerheid te verhogen, sectorale hervormingen (waaronder milieubescherming) en intermenselijke contacten aan te moedigen, economische en sociale ontwikkeling te ondersteunen en extra financiering voor projecten aan te bieden om sociaal-economische onevenwichtigheden te verminderen en een grotere stabiliteit te bereiken[2].

2.Structuren

De top van het Oostelijk Partnerschap wordt elke twee jaar gehouden met deelname van de staatshoofden en regeringsleiders van de EU en haar partnerlanden en vertegenwoordigers van het Europees Parlement, de Europese Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden.

Het multilaterale traject van het Oostelijk Partnerschap is gebaseerd op vier thematische platforms: democratie, goed bestuur en stabiliteit; economische integratie en convergentie met het EU-beleid; energiezekerheid; en contacten tussen mensen. Vergaderingen van hoge ambtenaren worden ten minste tweemaal per jaar gehouden terwijl de ministers van Buitenlandse Zaken jaarlijks bijeenkomen. De werkzaamheden van de platforms worden nu en dan gestimuleerd door sectorale ministersbijeenkomsten.

Er zijn eveneens vlaggenschipinitiatieven die de volgende componenten omvatten: een programma voor geïntegreerd grensbeheer; een faciliteit voor kleine en middelgrote ondernemingen; regionale elektriciteitsmarkten; en inspanningen om de energie-efficiëntie te verbeteren en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen te vergroten, een goed milieubeheer te bevorderen, alsmede inspanningen ten behoeve van de preventie van, paraatheid bij en bestrijding van natuurlijke en door de mens veroorzaakte rampen.

De Parlementaire Vergadering Euronest[3], de parlementaire component van het Oostelijk Partnerschap, is verantwoordelijk voor het overleg en toezicht met betrekking tot het partnerschap. Deze werd in mei 2011 gelanceerd en heeft tot dusver drie bijeenkomsten gehouden, voor het laatst in maart 2015 in Jerevan. Ze is samengesteld uit zestig leden van het Europees Parlement en tien parlementsleden uit elk partnerland. Maar aangezien het Europees Parlement de Belarussische Nationale Vergadering niet als een democratisch gekozen instelling erkent, telt Euronest momenteel geen Wit-Russische parlementsleden. Op 15 september 2015 heeft de Nationale Vergadering van Azerbeidzjan een resolutie aangenomen waarin de deelname aan Euronest werd beëindigd, als protest tegen een resolutie van het Europees Parlement waarin de onderdrukking van het maatschappelijk middenveld in Azerbeidzjan werd veroordeeld. De Parlementaire Vergadering Euronest heeft vier vaste parlementaire commissies: de Commissie politieke zaken, mensenrechten en democratie, de Commissie economische integratie, wettelijke afstemming op en convergentie met EU-beleid, en de Commissie sociale zaken, onderwijs, cultuur en maatschappelijk middenveld.

Daarnaast doet een forum inzake het maatschappelijk middenveld van het Oostelijk Partnerschap[4] aanbevelingen om invloed uit te oefenen op de instellingen van de EU en de nationale regeringen van het Oostelijk Partnerschap.

b.Unie voor het Middellandse Zeegebied

De Unie voor het Middellandse Zeegebied omvat de 28 EU-lidstaten, de Europese Unie en 15 mediterrane landen (Albanië, Algerije, Bosnië en Herzegovina, Egypte, Israël, Jordanië, Libanon, Mauritanië, Montenegro, Monaco, Marokko, Palestina, Syrië (waarvan het lidmaatschap is opgeschort vanwege de burgeroorlog), Tunesië en Turkije). Sinds 2008 neemt de Liga van Arabische Staten aan alle bijeenkomsten deel, terwijl Libië de status van waarnemer heeft.

1.Doelstellingen

De Unie voor het Middellandse Zeegebied vormt een multilateraal kader voor politieke, economische en sociale betrekkingen tussen de Europese Unie en de zuidelijke en oostelijke mediterrane landen. Ze is in 2008 tijdens de top van Parijs gelanceerd als voortzetting van het Europees-mediterrane partnerschap, ook bekend als het „proces van Barcelona”. De Unie voor het Middellandse Zeegebied is geïnspireerd op de doelstellingen van de verklaring van Barcelona (1995), namelijk de totstandbrenging van een gebied van vrede, stabiliteit, veiligheid en gemeenschappelijke economische voorspoed, met volledige eerbiediging van de democratische beginselen, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en stimulering van begrip tussen verschillende culturen en beschavingen in de Europees-mediterrane regio.

2.Structuren

De Unie voor het Middellandse Zeegebied heeft een gedeeld voorzitterschap, waarmee de nadruk wordt gelegd op de gedeelde verantwoordelijkheid die kenmerkend is voor de groep. In 2012 is het noordelijke voorzitterschap aan de Europese Unie overgedragen en heeft Jordanië het zuidelijke voorzitterschap op zich genomen. Hoewel in de verklaring van Parijs werd bepaald dat regelmatig topconferenties zouden worden georganiseerd, hebben deze vanwege het Arabisch-Israëlisch conflict en de politieke omwentelingen in het zuidelijke Middellandse Zeegebied niet plaatsgevonden. Het belangrijkste bestuursorgaan van de Unie voor het Middellandse Zeegebied is de vergadering van hoge ambtenaren, die de werkzaamheden van de Unie voor het Middellandse Zeegebied controleert en coördineert. De vergadering van hoge ambtenaren keurt tevens de begroting en het werkprogramma van het secretariaat goed, bereidt bijeenkomsten van de ministers van Buitenlandse Zaken en andere ministeriële samenstellingen voor, en benoemt de secretaris-generaal en de zes plaatsvervangende secretarissen-generaal. De vergadering bespreekt tevens de projectvoorstellen die het secretariaat ter goedkeuring indient. Het mandaat van het secretariaat van de Unie voor het Middellandse Zeegebied is gericht op het aanwijzen, verwerken, bevorderen en coördineren van technische projecten in sectoren zoals vervoer, energie, water, milieubescherming, hoger onderwijs en mobiliteit, onderzoek, sociale zaken, de empowerment van vrouwen, werkgelegenheid en economische stimulering, die de samenwerking verbeteren en van rechtstreekse invloed zijn op de bestaansmiddelen van burgers. De EU levert de grootste bijdrage aan de begroting van het secretariaat van de Unie voor het Middellandse Zeegebied.

De Parlementaire Vergadering van de Unie voor het Middellandse Zeegebied bouwt voort op het werk van de Euro-mediterrane Parlementaire Vergadering en telt 280 leden: 132 leden uit de EU (83 leden uit de 28 nationale parlementen van de EU en 49 leden uit het Europees Parlement), 8 leden uit Europese mediterrane partnerlanden (Albanië, Bosnië en Herzegovina, Monaco en Montenegro), 130 leden uit de tien landen aan de zuid- en oostkust van de Middellandse Zee (Algerije, Egypte, Israël, Jordanië, Libanon, Marokko, de Palestijnse Autoriteit, Syrië (momenteel geschorst als gevolg van de burgeroorlog), Tunesië en Turkije), en 10 leden uit Mauritanië. De Parlementaire Vergadering van de Unie voor het Middellandse Zeegebied komt ten minste eenmaal per jaar in plenaire vergadering bijeen; de laatste bijeenkomst vond in mei 2015 in Lissabon plaats. Ze geeft haar goedkeuring aan resoluties of aanbevelingen met betrekking tot alle aspecten van de Europees-mediterrane samenwerking die de bestuursorganen van de Unie voor het Middellandse Zeegebied, de Raad van de EU, de Europese Commissie en de nationale regeringen van partnerlanden betreffen. Het Europees Parlement bekleedde het roulerende voorzitterschap van de Parlementaire Vergadering van maart 2012 tot april 2013. Dit voorzitterschap wordt thans vervuld door Marokko (2015-2016). De Vergadering heeft vijf commissies: politieke zaken, economische zaken, cultuur, vrouwenzaken en energie. Op initiatief van de voorzitter van het EP, Martin Schulz, is in april 2013 voor het eerst een top van de parlementsvoorzitters van landen die deel uitmaken van de Unie voor het Middellandse Zeegebied georganiseerd. Een tweede top vond in mei 2015 in Lissabon plaats. De Euromediterrane vergadering van lokale en regionale overheden (ARLEM) is in 2010 opgericht en is een raadgevende vergadering die beoogt lokale en regionale belanghebbenden intensiever bij de Unie voor het Middellandse Zeegebied te betrekken. Ze telt 84 leden — allen vertegenwoordigers van regio's of plaatselijke instanties met een regionaal of plaatselijk mandaat — van de 43 partners van de Unie voor het Middellandse Zeegebied.

[1]Zie voor informatie over de bilaterale betrekkingen tussen de EU en de oostelijke en mediterrane partners de desbetreffende Infopagina's (6.5.5 en 6.5.6).

[2]Zie voor meer informatie de website van de EDEO inzake het Oostelijk Partnerschap.

[3]Zie voor meer informatie over Euronest en haar activiteiten de website van de Vergadering.

[4]Zie voor meer informatie over het forum inzake het maatschappelijk middenveld de website van het forum.

Pasquale De Micco / Benjamín Rey

03/2016