Procedure : 2012/0288(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0025/2015

Ingediende teksten :

A8-0025/2015

Debatten :

PV 28/04/2015 - 4
CRE 28/04/2015 - 4

Stemmingen :

PV 28/04/2015 - 7.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0100

AANBEVELING VOOR DE TWEEDE LEZING     ***II
PDF 806kWORD 613k
26.2.2015
PE 544.412v02-00 A8-0025/2015

betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen

(10710/2/2014 – C8‑0004/2015 – 2012/0288(COD))

Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

Rapporteur: Nils Torvalds

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 PROCEDURE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen

(10710/2/2014 – C8‑0004/2015 – 2012/0288(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–       gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (10710/2/2014 – C8‑0004/2015),

–       gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(1) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0595),

–       gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–       gezien artikel 69 van zijn Reglement,

–       gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0025/2015),

1.      stelt onderstaand standpunt in tweede lezing vast;

2.      verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Amendement  1

Standpunt van de Raad

Overweging 1

Standpunt van de Raad

Amendement

(1) Krachtens artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad1 moet elke lidstaat erop toezien dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in alle vormen van vervoer in 2020 ten minste 10 % van het eindverbruik van energie in het vervoer in die lidstaat bedraagt. Eén van de methoden waarover de lidstaten beschikken om dit streefcijfer te bereiken, naar verwachting zelfs de belangrijkste methode, is het bijmengen van biobrandstoffen.

(1) Krachtens artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad1 moet elke lidstaat erop toezien dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in alle vormen van vervoer in 2020 ten minste 10 % van het eindverbruik van energie in het vervoer in die lidstaat bedraagt. Eén van de methoden waarover de lidstaten beschikken om dit streefcijfer te bereiken, naar verwachting zelfs de belangrijkste methode, is het bijmengen van biobrandstoffen. Andere manieren om dit streefdoel te bereiken, zijn de vermindering van het energieverbruik, hetgeen een dringende noodzaak vormt omdat het wellicht steeds moeilijker zal worden om op een duurzame wijze een bindend streefcijfer voor energie uit hernieuwbare bronnen te halen als de totale vraag naar vervoersenergie blijft stijgen, en het gebruik van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen.

__________________

__________________

1Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/777/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16).

1Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/777/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16).

Amendement  2

Standpunt van de Raad

Overweging 3 bis (nieuw)

Standpunt van de Raad

Amendement

 

(3 bis) Hoewel in Richtlijn 98/70/EG en Richtlijn 2009/28/EG de termen "biobrandstoffen en vloeibare biomassa" worden gebruikt, zijn de bepalingen van die richtlijnen, met inbegrip van de desbetreffende duurzaamheidscriteria, van toepassing op alle in deze richtlijnen bedoelde hernieuwbare brandstoffen.

Amendement  3

Standpunt van de Raad

Overweging 4

Standpunt van de Raad

Amendement

(4) Wanneer weiland of landbouwgrond dat voordien bestemd was voor de productie van voedsel en diervoeder, wordt herbestemd voor de productie van biobrandstoffen, moet nog steeds worden voldaan aan de niet aan brandstoffen gerelateerde vraag, hetzij door intensivering van de huidige productie, hetzij door elders niet-landbouwgrond in productie te nemen. Wanneer dit laatste het geval is, is er sprake van indirecte verandering in het landgebruik en wanneer dit de conversie betreft van land met hoge koolstofvoorraad, kan dit resulteren in aanzienlijke emissies van broeikasgassen. De Richtlijnen 98/70/EG en 2009/28/EG moeten derhalve worden gewijzigd en van bepalingen worden voorzien om het aspect van indirecte veranderingen in het landgebruik aan te pakken, aangezien de huidige biobrandstoffen voornamelijk worden geproduceerd uit teelten die worden verbouwd op het bestaande landbouwareaal.

(4) Wanneer weiland of landbouwgrond dat voordien bestemd was voor de productie van voedsel, diervoeder of vezels, wordt herbestemd voor de productie van biobrandstoffen, moet nog steeds worden voldaan aan de niet aan brandstoffen gerelateerde vraag, hetzij door intensivering van de huidige productie, hetzij door elders niet-landbouwgrond in productie te nemen. Wanneer dit laatste het geval is, is er sprake van indirecte verandering in het landgebruik en wanneer dit de conversie betreft van land met hoge koolstofvoorraad, kan dit resulteren in aanzienlijke emissies van broeikasgassen. De Richtlijnen 98/70/EG en 2009/28/EG moeten derhalve worden gewijzigd en van bepalingen worden voorzien om het aspect van indirecte veranderingen in het landgebruik aan te pakken, aangezien de huidige biobrandstoffen voornamelijk worden geproduceerd uit teelten die worden verbouwd op het bestaande landbouwareaal. In de bepalingen voor het aanpakken van het effect van indirecte veranderingen in het landgebruik op de emissie van broeikasgassen moet naar behoren rekening worden gehouden met de noodzaak reeds gedane investeringen te beschermen.

Amendement  4

Standpunt van de Raad

Overweging 5

Standpunt van de Raad

Amendement

(5) Gezien de door de lidstaten verstrekte ramingen betreffende de vraag naar biobrandstoffen en ramingen betreffende de emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik door de productie van verschillende grondstoffen voor biobrandstoffen, wordt het waarschijnlijk geacht dat de emissies van broeikasgassen ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik aanzienlijk zijn en sommige of alle broeikasgasemissiereducties dankzij het gebruik van specifieke biobrandstoffen tenietdoen. Dit is een gevolg van het feit dat nagenoeg de volledige productie van biobrandstoffen in 2020 naar verwachting zal komen van teelten die groeien op land dat kan worden gebruikt om de voedsel- en veevoedermarkten te voorzien. Om dergelijke emissies te verminderen moeten diverse gewasgroepen worden onderscheiden, zoals oliegewassen, suikers en granen, en andere zetmeelrijke gewassen.

(5) Gezien de door de lidstaten verstrekte ramingen betreffende de vraag naar biobrandstoffen en ramingen betreffende de emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik door de productie van verschillende grondstoffen voor biobrandstoffen, zijn de emissies van broeikasgassen ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik aanzienlijk en kunnen zij sommige of alle broeikasgasemissiereducties dankzij het gebruik van specifieke biobrandstoffen tenietdoen. Dit is een gevolg van het feit dat nagenoeg de volledige productie van biobrandstoffen in 2020 naar verwachting zal komen van teelten die groeien op land dat kan worden gebruikt om de voedsel- en veevoedermarkten te voorzien. Om dergelijke emissies te verminderen moeten diverse gewasgroepen worden onderscheiden, zoals oliegewassen, suikers en granen, en andere zetmeelrijke gewassen. Voorts moeten onderzoek en ontwikkeling worden gestimuleerd op het gebied van nieuwe, geavanceerde biobrandstoffen die niet concurreren met voedingsgewassen en moeten de effecten van verschillende gewasgroepen op zowel directe als indirecte veranderingen in het landgebruik nader worden bestudeerd.

Amendement  5

Standpunt van de Raad

Overweging 7

Standpunt van de Raad

Amendement

(7) Om zijn broeikasgasuitstoot te verminderen is er in de vervoerssector waarschijnlijk vraag naar hernieuwbare vloeibare brandstoffen. Geavanceerde biobrandstoffen, zoals gemaakt van afvalstoffen en algen, leveren grote broeikasgasemissiereducties op, met een laag risico op indirecte veranderingen in het landgebruik, en concurreren niet rechtstreeks met landbouwgrond voor de productie van voedsel en diervoeder . Het is daarom passend om een grotere productie van dergelijke geavanceerde biobrandstoffen te bevorderen aangezien zij momenteel niet in grote hoeveelheden in de handel zijn, deels ten gevolge van de concurrentie voor overheidssubsidies met gevestigde op voedselteelten gebaseerde biobrandstoftechnologieën. Elke lidstaat dient het verbruik van dergelijke geavanceerde biobrandstoffen te bevorderen door zelf niet wettelijk bindende nationale streefcijfers vast te stellen, binnen de verplichting om in 2020 het aandeel energie uit hernieuwbare energiebronnen in alle vervoersvormen op ten minste 10 % van het eindverbruik van energie in het vervoer in die lidstaat te hebben gebracht. Tevens is het wenselijk dat de lidstaten rapporteren over hun voortgang naar de nationale subdoelstellingen voor 2020; een syntheseverslag moet dan worden gepubliceerd om te kunnen beoordelen in welke mate de bij deze richtlijn ingevoerde maatregelen, dankzij het bevorderen van geavanceerde biobrandstoffen, het risico van broeikasgasemissie ten gevolge van indirecte verandering in het landgebruik beperken. Dergelijke geavanceerde biobrandstoffen en het bevorderen ervan zullen wellicht een belangrijke rol blijven spelen bij het koolstofvrij maken van het vervoer en de ontwikkeling van koolstofarme vervoerstechnologie na de genoemde datum.

(7) Om zijn broeikasgasuitstoot te verminderen is er in de vervoerssector waarschijnlijk vraag naar hernieuwbare vloeibare brandstoffen. Geavanceerde biobrandstoffen, zoals gemaakt van afvalstoffen en algen, leveren grote broeikasgasemissiereducties op, met een laag risico op indirecte veranderingen in het landgebruik, en concurreren niet rechtstreeks met landbouwgrond voor de productie van voedsel en diervoeder. Meer onderzoek naar en een grotere ontwikkeling en productie van dergelijke geavanceerde biobrandstoffen moeten worden bevorderd, aangezien zij momenteel niet in grote hoeveelheden in de handel zijn, deels ten gevolge van de concurrentie voor overheidssubsidies met gevestigde, op voedselteelten gebaseerde biobrandstoftechnologieën. Het is daarom wenselijk om een specifiek streefdoel voor het verbruik van dergelijke geavanceerde biobrandstoffen vast te stellen, binnen de verplichting om in 2020 het aandeel energie uit hernieuwbare energiebronnen in alle vervoersvormen op ten minste 10 % van het eindverbruik van energie in het vervoer in die lidstaat te hebben gebracht. Tevens is het wenselijk dat de lidstaten rapporteren over hun voortgang naar deze nationale subdoelstelling voor 2020 om te kunnen beoordelen in welke mate de bij deze richtlijn ingevoerde maatregelen, dankzij het bevorderen van geavanceerde biobrandstoffen, het risico van broeikasgasemissie ten gevolge van indirecte verandering in het landgebruik beperken. Dergelijke geavanceerde biobrandstoffen met beperkte indirecte veranderingen in het landgebruik en grote totale broeikasgasemissiereductie zullen wellicht een belangrijke rol blijven spelen bij het koolstofvrij maken van het vervoer en de ontwikkeling van koolstofarme vervoerstechnologie na 2020.

Amendement  6

Standpunt van de Raad

Overweging 7 bis (nieuw)

Standpunt van de Raad

Amendement

 

(7 bis) In zijn conclusies van 23 en 24 oktober 2014 heeft de Raad onderstreept hoe belangrijk het is om de broeikasgasemissies en de risico's van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen in de vervoerssector binnen het klimaat- en energiekader 2030 te verlagen, en heeft hij de Commissie verzocht instrumenten en maatregelen te ontwikkelen voor een alomvattende en technologieneutrale aanpak voor de bevordering van emissiebeperking en energie-efficiëntie in het vervoer, voor elektrisch vervoer en voor het gebruik van hernieuwbare energiebronnen in het vervoer, ook na 2020.

Amendement  7

Standpunt van de Raad

Overweging 7 ter (nieuw)

Standpunt van de Raad

Amendement

 

(7 ter) De coherentie tussen Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/28/EG en wetgeving op andere terreinen van het EU-beleid dient te worden verbeterd, opdat synergieën kunnen worden benut en de rechtszekerheid kan worden verbeterd. De definities van afvalstoffen en residuen, zoals toegepast in Richtlijn 98/70/EG en Richtlijn 2009/28/EG, dienen te worden geharmoniseerd met die als vastgelegd in Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad1a. De in Richtlijnen 98/70/EG en 2009/28/EG opgenomen afval- en residustromen dienen beter te worden geïdentificeerd door middel van de afvalcodes in de bij Beschikking 2000/532/EG1b van de Commissie vastgestelde Europese afvalcatalogus, teneinde de toepassing van deze richtlijnen door de bevoegde autoriteiten in de lidstaten te vergemakkelijken. Bevordering van biobrandstoffen en vloeibare biomassa overeenkomstig Richtlijn 98/70/EG en Richtlijn 2009/28/EG dient te voldoen aan de doelstellingen en het oogmerk van Richtlijn 2008/98/EG. Teneinde het doel van de Unie te bereiken om recycling in de samenleving te integreren, dient volledig aan de bij artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG vastgestelde afvalhiërarchie te worden voldaan. Om dit te vergemakkelijken dient het gebruik van afvalstoffen en residuen voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa te worden opgenomen in de door de lidstaten overeenkomstig hoofdstuk V van Richtlijn 2008/98/EG opgestelde afvalbeheerplannen en afvalpreventieprogramma's. De toepassing van Richtlijn 98/70/EG en Richtlijn 2009/28/EG mag de volledige implementatie van Richtlijn 2008/98/EG niet in gevaar brengen.

 

_______________

 

1a Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).

 

1b Beschikking van de Commissie van 3 mei 2000 tot vervanging van Beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen en Beschikking 94/904/EG van de Raad tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad betreffende gevaarlijke afvalstoffen (kennisgeving geschiedt onder nummer C(2000) 1147) (PB L 226 van 6.9.2000, blz. 3).

Amendement  8

Standpunt van de Raad

Overweging 8

Standpunt van de Raad

Amendement

(8) Verschillen in ramingen van emissies ten gevolge van indirecte verandering in het landgebruik worden veroorzaakt door verschillende gegevensinvoer en basisaannames inzake ontwikkelingen in de landbouw, bijvoorbeeld opbrengst- en productiviteitsontwikkelingen, allocatie van bijproducten, en waargenomen veranderingen in het mondiale landgebruik en ontbossingspercentages, waarop producenten van biobrandstoffen geen invloed uitoefenen. Hoewel de meeste grondstoffen voor biobrandstof in de Unie worden geproduceerd, zal de geraamde emissie ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik zich naar verwachting vooral buiten de Unie voordoen, in gebieden waar de extra productie waarschijnlijk tegen de laagste kostprijs zal worden verwezenlijkt. Vooral de aannames over de omzetting van tropische bossen en veengronddrainage buiten de Unie hebben veel invloed op de geraamde emissie van indirecte veranderingen in het landgebruik die gepaard gaan met biodieselproductie uit oliegewassen, en daarom is het van het grootste belang ervoor te zorgen dat de bedoelde data en aannames worden getoetst aan de meest recente gegevens over herbestemming en ontbossing, met inbegrip van de vooruitgang die in die gebieden dankzij de lopende internationale programmas is verwezenlijkt.

(8) Verschillen in ramingen van emissies ten gevolge van indirecte verandering in het landgebruik worden veroorzaakt door verschillende gegevensinvoer en basisaannames inzake ontwikkelingen in de landbouw, bijvoorbeeld opbrengst- en productiviteitsontwikkelingen, allocatie van bijproducten, en waargenomen veranderingen in het mondiale landgebruik en ontbossingspercentages, waarop producenten van biobrandstoffen geen invloed uitoefenen. Het is van belang ervoor te zorgen dat de bedoelde data en aannames worden getoetst aan de meest recente wetenschappelijke gegevens over herbestemming en ontbossing, met inbegrip van de vooruitgang die in die gebieden dankzij de lopende internationale programma's is verwezenlijkt. De Commissie moet de methodologie voor de raming van de emissiefactoren voor veranderingen in landgebruik, als opgenomen in de bijlagen V en VIII bij Richtlijn 98/70/EG respectievelijk Richtlijn 2009/28/EG, herzien om ze aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang. Te dien einde en indien ondersteund door de meest recente wetenschappelijke gegevens moet de Commissie overwegen om de voorgestelde gewasgroepspecifieke emissiefactoren voor indirecte veranderingen in het landgebruik te herzien, en om nog meer gedesaggregeerde factoren in te voeren, met inbegrip van extra waarden wanneer nieuwe grondstoffen voor biobrandstoffen op de markt komen.

Amendement  9

Standpunt van de Raad

Overweging 9

Standpunt van de Raad

Amendement

(9) Om het concurrentievermogen op lange termijn van de bio-based industrie te waarborgen en overeenkomstig de mededeling van de Commissie van 13 februari 2012 met als titel "Innovatie voor duurzame groei: een bio-economie voor Europa" en de mededeling van de Commissie van 20 september 2011 met als titel "Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa", waarbij geïntegreerde en gediversifieerde bioraffinaderijen in heel Europa worden bevorderd, moeten versterkte initiatieven in het kader van Richtlijn 2009/28/EG zo worden opgezet dat de voorkeur wordt gegeven aan grondstoffen voor biomassa die geen grote economische of industriële waarde hebben voor andere toepassingen dan biobrandstoffen.

(9) Om het concurrentievermogen op lange termijn van de bio-based industrie te waarborgen en overeenkomstig de mededeling van 2012 "Innovatie voor duurzame groei: een bio-economie voor Europa" en het Stappenplan voor efficiënt hulpbronnengebruik in Europa, waarbij geïntegreerde en gediversifieerde bioraffinaderijen in heel Europa worden bevorderd, moeten versterkte initiatieven in het kader van Richtlijn 2009/28/EG zo worden opgezet dat de voorkeur wordt gegeven aan grondstoffen voor biomassa die geen grote economische waarde hebben voor andere toepassingen dan biobrandstoffen of waarvan de impact op het milieu niet inhoudt dat de plaatselijke ecosystemen in gevaar worden gebracht door de inbeslagneming van grond en water ten koste van de teelt van voor voedseldoeleinden bestemde gewassen.

Amendement  10

Standpunt van de Raad

Overweging 10

Standpunt van de Raad

Amendement

(10) Door meer gebruik te maken van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen kunnen vele uitdagingen in de vervoerssector alsook in andere sectoren worden aangepakt. Extra stimulansen dienen te worden voorzien om het gebruik van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in de vervoerssector aan te moedigen, en ervoor te zorgen dat de vermenigvuldigingsfactoren voor de berekening van de bijdrage van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen die wordt verbruikt door geëlektrificeerd spoorvervoer en elektrische wegvoertuigen, worden verhoogd om de inzet en marktpenetratie ervan te vergroten.

(10) Door meer gebruik te maken van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen kunnen vele uitdagingen in de vervoerssector alsook in andere sectoren worden aangepakt. Extra stimulansen dienen te worden voorzien om het gebruik van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in de vervoerssector aan te moedigen. Voorts moeten energie-efficiëntie- en energiebesparingsmaatregelen in de transportsector worden aangemoedigd.

Amendement  11

Standpunt van de Raad

Overweging 13

Standpunt van de Raad

Amendement

(13) Om de overgang naar geavanceerde biobrandstoffen voor te bereiden en de algehele effecten van indirecte veranderingen in het landgebruik in de periode tot 2020 te minimaliseren is het, zoals uiteengezet in deel A van bijlage VIII bij Richtlijn 2009/28/EG en deel A van bijlage V bij Richtlijn 98/70/EG, passend om de hoeveelheid uit voedselteelten verkregen biobrandstoffen en vloeibare biomassa die kan worden meegeteld voor het bereiken van de bij Richtlijn 2009/28/EG vastgestelde streefcijfers, te beperken, zonder het totale gebruik van dergelijke biobrandstoffen en vloeibare biomassa te beperken.

(13) Om de overgang naar geavanceerde biobrandstoffen voor te bereiden en de algehele effecten van indirecte veranderingen in het landgebruik in de periode tot 2020 en daarna te minimaliseren is het, zoals uiteengezet in deel A van bijlage VIII bij Richtlijn 2009/28/EG en deel A van bijlage V bij Richtlijn 98/70/EG, passend om de hoeveelheid uit voedselteelten verkregen biobrandstoffen en vloeibare biomassa die kan worden meegeteld voor het bereiken van de bij Richtlijn 2009/28/EG vastgestelde streefcijfers, te beperken, zonder het totale gebruik van dergelijke biobrandstoffen en vloeibare biomassa te beperken.

Amendement  12

Standpunt van de Raad

Overweging 15

Standpunt van de Raad

Amendement

(15) De geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik moeten worden verwerkt in de verslagen van de Commissie betreffende de broeikasgasemissies ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen overeenkomstig de Richtlijnen 98/70/EG en 2009/28/EG. Biobrandstoffen die worden geproduceerd met grondstoffen die niet tot extra landgebruik leiden, zoals bijvoorbeeld afvalstoffen, moeten overeenkomstig een dergelijke methodologie een zero-emissiefactor toegekend krijgen.

(15) De geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik moeten worden meegeteld voor de doelstelling ter verlaging van de broeikasgasemissies gedurende de hele levenscyclus van Richtlijn 98/70/EG, om de productie van biobrandstoffen met beperkte indirecte veranderingen in het landgebruik te stimuleren en om de nauwkeurigheid en geloofwaardigheid van die doelstelling te waarborgen. De geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik moeten eveneens worden verwerkt in de verslagen betreffende de broeikasgasemissies ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen overeenkomstig de Richtlijnen 98/70/EG en 2009/28/EG. Biobrandstoffen die worden geproduceerd met grondstoffen die niet tot extra landgebruik leiden, zoals bijvoorbeeld afvalstoffen, moeten overeenkomstig een dergelijke methodologie een zero-emissiefactor toegekend krijgen. De Commissie moet de methodologie voor de raming van de emissiefactoren voor veranderingen in landgebruik ten gevolge van de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa periodiek herzien, op basis van de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens.

Amendement  13

Standpunt van de Raad

Overweging 15 bis (nieuw)

Standpunt van de Raad

Amendement

 

(15 bis) Landgebruik voor de teelt van gewassen voor biobrandstoffen mag er niet toe leiden dat lokale en inheemse gemeenschappen worden verdreven. Het land van inheemse gemeenschappen moet dus specifiek worden beschermd.

Amendement  14

Standpunt van de Raad

Overweging 15 ter (nieuw)

Standpunt van de Raad

Amendement

 

(15 ter) Artikel 7 quinquies, lid 8, van Richtlijn 98/70/EG en artikel 19, lid 8, van Richtlijn 2009/28/EG bevatten bepalingen ter bevordering van de teelt van gewassen voor biobrandstoffen op ernstig aangetast en vervuild land als tussentijdse maatregel voor de matiging van de effecten van indirecte veranderingen in het landgebruik. Deze bepalingen zijn niet langer geschikt in hun huidige vorm en moeten in de bij deze richtlijn vastgestelde aanpak worden verwerkt met het oog op de coherentie van de verschillende maatregelen voor het minimaliseren van de emissies ten gevolge van indirecte verandering in het landgebruik.

Amendement  15

Standpunt van de Raad

Overweging 16

Standpunt van de Raad

Amendement

(16) Opbrengstvermeerderingen in de landbouwsectoren door intensief onderzoek, technologische ontwikkeling en kennisoverdracht, die verder gaan dan wat zou zijn bereikt zonder productiviteitsbevorderende regelingen voor biobrandstoffen op basis van voor voedsel of veevoeder bestemde gewassen, alsook door de teelt van een tweede eenjarig gewas op grond die voordien niet voor het verbouwen van een tweede eenjarig gewas is gebruikt, kunnen bijdragen aan de vermindering van indirecte veranderingen in het landgebruik. Voor zover het resulterende mitigatie-effect van indirecte veranderingen in het landgebruik op nationaal of projectniveau kan worden gekwantificeerd, kunnen de bij deze richtlijn ingevoerde maatregelen dergelijke productiviteitsverbeteringen weerspiegelen, zowel in termen van lagere geraamde emissiewaarden van een indirecte veranderingen in het landgebruik als in termen van de bijdrage die biobrandstoffen op basis van voor voedsel of veevoeder bestemde gewassen leveren aan het in 2020 te realiseren aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het vervoer.

(16) Opbrengstvermeerderingen in de landbouwsectoren die verder gaan dan wat zou zijn bereikt zonder productiviteitsbevorderende regelingen voor biobrandstoffen op basis van voor voedsel of veevoeder bestemde gewassen, of wanneer biobrandstoffen worden geproduceerd op grond waar zich directe veranderingen in het landgebruik hebben voorgedaan zonder significante negatieve gevolgen voor voorheen bestaande ecosysteemdiensten van die grond, met inbegrip van de bescherming van koolstofvoorraden en de biodiversiteit, kunnen in specifieke gevallen bijdragen aan de vermindering van indirecte veranderingen in het landgebruik in een mate die verder reikt dan de effecten waar in de huidige modellen van indirecte veranderingen in het landgebruik rekening mee wordt gehouden. De Commissie moet onderzoeken of het mogelijk is criteria vast te stellen voor de identificatie en certificering van biobrandstoffen en vloeibare biomassa die zijn geproduceerd in het kader van regelingen die de verplaatsing van productie voor andere doeleinden dan het maken van biobrandstoffen en vloeibare biomassa beperken, en zijn geproduceerd overeenkomstig de desbetreffende duurzaamheidscriteria.

Amendement  16

Standpunt van de Raad

Overweging 17 bis (nieuw)

Standpunt van de Raad

Amendement

 

(17 bis) Om het streefcijfer voor hernieuwbare energie in de vervoerssector te bereiken en tegelijkertijd de negatieve effecten van veranderingen in het landgebruik te minimaliseren, moeten het gebruik van hernieuwbare elektriciteit, het overstappen op andere vervoerswijzen, een intensiever gebruik van het openbaar vervoer en energie-efficiëntie worden aangemoedigd. Overeenkomstig het Witboek inzake het vervoer moeten de lidstaten er dus naar streven de energie-efficiëntie te vergroten, het totale energieverbruik in de vervoerssector te verminderen en de marktpenetratie van elektrische voertuigen en het gebruik van hernieuwbare elektriciteit in vervoerssystemen te bevorderen.

Amendement  17

Standpunt van de Raad

Overweging 19

Standpunt van de Raad

Amendement

(19) Hoewel biobrandstoffen op basis van voedsel- of veevoedergewassen in het algemeen worden geassocieerd met risico's op indirecte veranderingen in het landgebruik, zijn er ook uitzonderingen. De lidstaten en de Commissie moeten de ontwikkeling en het gebruik aanmoedigen van regelingen/systemen die op betrouwbare wijze kunnen aantonen dat een bepaalde hoeveelheid grondstoffen voor biobrandstoffen die in een bepaald project is geproduceerd, niet heeft geleid tot verplaatsing van productie voor andere doeleinden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de productie van biobrandstoffen gelijk is aan de hoeveelheid aanvullende productie die tot stand is gekomen door investeringen in verhoogde productiviteit boven een niveau dat anders zou zijn bereikt, of wanneer biobrandstoffen worden geproduceerd op grond waar zich directe veranderingen in het landgebruik hebben voorgedaan zonder significante negatieve gevolgen voor voorheen bestaande ecosysteemdiensten van die grond, met inbegrip van de bescherming van koolstofvoorraden en de biodiversiteit.

Schrappen

Amendement  18

Standpunt van de Raad

Overweging 23

Standpunt van de Raad

Amendement

(23) Om Richtlijn 98/70/EG te kunnen aanpassen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot de toevoeging van de geraamde typische en standaardwaarden inzake de productieketens voor biobrandstoffen en de aanpassing van de analysemethoden die zijn toegestaan met betrekking tot de brandstofspecificaties en van de afwijking van de dampspanning die is toegestaan voor benzine waarin bio-ethanol is bijgemengd.

(23) Om Richtlijn 98/70/EG te kunnen aanpassen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot het mechanisme om de broeikasgasemissies te bewaken en te verminderen, de methodologische beginselen en waarden die vereist zijn om na te gaan of in verband met biobrandstoffen de duurzaamheidscriteria in acht zijn genomen, de criteria en geografische grenzen ter bepaling van zeer diverse graslanden, de methodologie voor de berekening van de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus, de methodologie voor de berekening van de emissies ten gevolge van indirecte verandering in het landgebruik, het toegestane niveau wat de metaalhoudende additieven in brandstoffen betreft, de toevoeging van de geraamde typische en standaardwaarden inzake de productieketens voor biobrandstoffen en de aanpassing van de analysemethoden die zijn toegestaan met betrekking tot de brandstofspecificaties en van de afwijking van de dampspanning die is toegestaan voor benzine waarin bio-ethanol is bijgemengd.

Amendement  19

Standpunt van de Raad

Overweging 24

Standpunt van de Raad

Amendement

(24) Om Richtlijn 2009/28/EG te kunnen aanpassen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot mogelijke toevoegingen aan de lijst van de grondstoffen voor biobrandstoffen en brandstoffen waarvan de bijdrage tot het behalen van de in artikel 3, lid 4, van die richtlijn, bedoelde streefcijfers moet worden geacht tweemaal hun energie-inhoud te zijn, en ook met betrekking tot de toevoeging van de geraamde typische en standaardwaarden inzake de productieketens voor biobrandstoffen of vloeibare biomassa.

(24) Om Richtlijn 2009/28/EG te kunnen aanpassen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot de lijst van de grondstoffen voor biobrandstoffen die meermaals worden meegeteld voor het behalen van de in artikel 3, lid 4, bedoelde streefcijfers, de energie-inhoud van transportbrandstoffen, de criteria en geografische grenzen ter bepaling van graslanden met hoge biodiversiteit, de methodologie voor de berekening van de emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik en de methodologische beginselen en waarden die vereist zijn om na te gaan of in verband met biobrandstoffen en vloeibare biomassa de duurzaamheidscriteria in acht zijn genomen.

Amendement  20

Standpunt van de Raad

Overweging 26

Standpunt van de Raad

Amendement

(26) De Commissie moet, op basis van de best beschikbare en meest recente wetenschappelijke bevindingen, evalueren in hoeverre de bij deze richtlijn ingevoerde maatregelen doeltreffend zijn voor het beperken van broeikasgasemissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik en voor het verder minimaliseren van deze effecten .

(26) De Commissie moet, op basis van de best beschikbare en meest recente wetenschappelijke bevindingen, evalueren in hoeverre de bij deze richtlijn ingevoerde maatregelen doeltreffend zijn voor het beperken van broeikasgasemissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik en voor het verder minimaliseren van deze effecten. De Commissie moet tevens de doeltreffendheid evalueren van de stimuleringsmaatregelen voor de productie van biobrandstoffen met gebruikmaking van grondstoffen waarvoor geen land wordt gebruikt evenals het effect van de tenuitvoerlegging van deze richtlijn op de beschikbaarheid van hulpbronnen voor andere sectoren.

Amendement  21

Standpunt van de Raad

Overweging 26 bis (nieuw)

Standpunt van de Raad

Amendement

 

(26 bis) De Commissie moet de Uniewetgeving inzake biobrandstoffen aan een herziening onderwerpen, en daarbij verschillende beleidsopties in overweging nemen en de kosteneffectiviteit van het huidige subsidiebeleid afzetten tegen de bevordering van investeringen in onderzoek naar innovatieve hernieuwbare brandstoffen. Deze herziening moet onder meer een analyse van de rol van duurzame biobrandstoffen omvatten, ook voor de periode na 2020, onder andere ten aanzien van de beschikbaarheid van grondstoffen, de indirecte verandering in het landgebruik, de luchtkwaliteit en de afhankelijkheid van energie.

Amendement  22

Standpunt van de Raad

Overweging 26 ter (nieuw)

Standpunt van de Raad

Amendement

 

(26 ter) Het is belangrijk dat de Commissie onverwijld met een alomvattend voorstel komt voor een kosteneffectief en technologieneutraal beleid na 2020 om een langetermijnperspectief te scheppen voor investeringen in duurzame biobrandstoffen met een laag risico op indirecte veranderingen in het landgebruik en in andere manieren om de vervoerssector koolstofvrij te maken. Het voorstel moet maatregelen omvatten voor de bevordering van duurzame geavanceerde biobrandstoffen na 2020 binnen het kader voor klimaat- en energiebeleid voor 2030. In dit verband dient de Commissie de mogelijkheid te overwegen om na 2020 een mandaat op het niveau van de Unie voor het bijmengen van geavanceerde biobrandstoffen te introduceren, evenals de herziening van de in Richtlijn 98/70/EG opgenomen doelstellingen en de introductie van een traject voor broeikasgasemissiereductie van transportbrandstoffen voor de periode na 2020. Het voorstel zou eveneens de opname in de desbetreffende duurzaamheidscriteria van geraamde emissiefactoren met betrekking tot indirecte veranderingen in het landgebruik kunnen omvatten.

Amendement  23

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt -1 (nieuw)

Richtlijn 98/70/EG

Artikel 2 – punt 9 bis (nieuw)

 

Standpunt van de Raad

Amendement

 

(-1) Aan artikel 2 wordt het volgende punt toegevoegd:

 

"9 bis "hernieuwbare vloeibare of gasvormige brandstoffen van niet-biologische oorsprong": andere vloeibare of gasvormige brandstoffen dan biobrandstoffen, waarvan de energie-inhoud afkomstig is van andere hernieuwbare energiebronnen dan biomassa, die in de vervoersector worden gebruikt en waarmee de minimale broeikasgasemissiereductie wordt bereikt en aan de kwaliteitsspecificaties van deze richtlijn wordt voldaan."

Amendement  24

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt 1

Richtlijn 98/70/EG

Artikel 2 – punt 11

 

Standpunt van de Raad

Amendement

11. "biobrandstoffen met een laag risico op indirecte veranderingen in het landgebruik": biobrandstoffen waarvan de grondstoffen niet zijn opgenomen in bijlage V, deel A, of wel zijn opgenomen in bijlage V, deel A, maar zijn geproduceerd in het kader van regelingen die de verplaatsing van productie voor andere doeleinden dan het maken van biobrandstoffen beperken, en zijn geproduceerd overeenkomstig de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen vermeld in artikel 7 ter. Enkel de hoeveelheid grondstoffen die overeenstemt met de werkelijke beperking van de productieverplaatsing die dankzij de regeling wordt verwezenlijkt, mag in aanmerking worden genomen. Dergelijke regelingen mogen de vorm aannemen van individuele projecten op lokaal niveau, of van beleidsmaatregelen die van toepassing zijn op het gehele grondgebied, of een deel daarvan, van een lidstaat of een derde land. De verplaatsing van productie voor andere doeleinden dan het maken van biobrandstoffen kan worden beperkt indien de regeling leidt tot productiviteitsstijgingen binnen het betrokken gebied die hoger zijn dan wat zou zijn bereikt zonder dergelijke productiviteitsbevorderende regelingen;

Schrappen

Amendement  25

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt 2 – letter -a (nieuw)

Richtlijn 98/70/EG

Artikel 7 bis – lid 1 – alinea 1 bis (nieuw)

 

Standpunt van de Raad

Amendement

 

-a) aan lid 1 wordt de volgende alinea toegevoegd:

 

"In geval van leveranciers van biobrandstoffen voor gebruik in de luchtvaart staan de lidstaten deze leveranciers toe ervoor te kiezen bij te dragen aan de in lid 2 vastgestelde reductieverplichting voor zover de geleverde biobrandstoffen voldoen aan de in artikel 7 ter gestelde duurzaamheidscriteria."

Amendement  26

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt 2 – letter -a bis (nieuw)

Richtlijn 98/70/EG

Artikel 7 bis – lid 2 – alinea 1 bis (nieuw)

 

Standpunt van de Raad

Amendement

 

-a bis) aan lid 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:

 

"De lidstaten zorgen er, met het oog op de naleving van het in de eerste alinea bedoelde streefcijfer, voor dat de maximumbijdrage van biobrandstoffen die worden geproduceerd uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen of energiegewassen niet meer bedraagt dan de maximumbijdrage die is vastgesteld in artikel 3, lid 4, tweede alinea, onder d), van Richtlijn 2009/28/EG."

Amendement  27

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt 2 – letter a

Richtlijn 98/70/EG

Artikel 7 bis – lid 5

 

Standpunt van de Raad

Amendement

"5. Om de uniforme toepassing van dit artikel te waarborgen, stelt de Commissie overeenkomstig de in artikel 11, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure uitvoeringshandelingen vast ter bepaling van:

5. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 10 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen, in het bijzonder met betrekking tot:

a) de methode voor de berekening van broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van andere brandstoffen dan biobrandstoffen en van energie;

a) de methode voor de berekening van broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van andere brandstoffen dan biobrandstoffen en van energie; methoden voor de berekening van broeikasgasemissies uit hernieuwbare vloeibare of gasvormige brandstoffen van niet-biologische oorsprong en voor afvang en benutting van koolstof voor vervoersdoeleinden worden uiterlijk op 30 juni 2016 goedgekeurd;

b) de methode aan de hand waarvan, vóór 1 januari 2011, de uitgangsnorm voor brandstof wordt bepaald op basis van de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid energie van fossiele brandstoffen in 2010, voor de doeleinden van lid 2 van dit artikel;

b) de methode aan de hand waarvan, vóór 1 januari 2011, de uitgangsnorm voor brandstof wordt bepaald op basis van de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid energie van fossiele brandstoffen in 2010, voor de doeleinden van lid 2 van dit artikel;

c) voorschriften om een zo uniform mogelijke aanpak van de uitvoering van lid 4 van dit artikel voor de lidstaten te waarborgen;

c) alle noodzakelijke voorschriften om uitvoering te geven aan lid 4 van dit artikel;

d) de methode voor de berekening van de bijdrage van elektrische wegvoertuigen, die in overeenstemming moet zijn met artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2009/28/EG.";

d) de methode voor de berekening van de bijdrage van elektrische wegvoertuigen, die in overeenstemming moet zijn met artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2009/28/EG.";

Amendement  28

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt 2 – letter b

Richtlijn 98/70/EG

Artikel 7 bis – lid 6

 

Standpunt van de Raad

Amendement

6. Als onderdeel van de in lid 1 bedoelde rapportage, zien de lidstaten erop toe dat de brandstofleveranciers jaarlijks aan de door de lidstaten aangewezen autoriteit verslag uitbrengen over de productieketens voor biobrandstoffen, de volumes biobrandstoffen die uit de in bijlage V, deel A, geclassificeerde grondstoffen worden verkregen, en de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid van energie . De lidstaten brengen over die gegevens verslag uit aan de Commissie.

6. Als onderdeel van de in lid 1 bedoelde rapportage, zien de lidstaten erop toe dat de brandstofleveranciers jaarlijks aan de door de lidstaten aangewezen autoriteit verslag uitbrengen over de productieketens voor biobrandstoffen, de volumes biobrandstoffen die uit de in bijlage V, deel A, geclassificeerde grondstoffen worden verkregen, en de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid van energie, met inbegrip van de geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik. De lidstaten brengen over die gegevens verslag uit aan de Commissie.

Amendement  29

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt 3 – letter -a (nieuw)

Richtlijn 98/70/EG

Artikel 7 ter – lid 1

 

Bestaande tekst

Amendement

 

(-a) lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Ongeacht of de grondstoffen op of buiten het grondgebied van de Gemeenschap werden verbouwd, wordt energie uit biobrandstoffen alleen in aanmerking worden genomen voor de doeleinden bedoeld in artikel 7 bis indien deze voldoen aan de duurzaamheidscriteria van de leden 2 tot en met 6 van dit artikel.

"1. Ongeacht of de grondstoffen op of buiten het grondgebied van de Unie werden verbouwd, wordt energie uit biobrandstoffen alleen in aanmerking worden genomen voor de doeleinden bedoeld in artikel 7 bis indien deze voldoen aan de duurzaamheidscriteria van de leden 2 tot en met 6 van dit artikel.

Biobrandstoffen die vervaardigd zijn uit niet van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige afvalstoffen en residuen hoeven, om in aanmerking te worden genomen voor de doeleinden bedoeld in artikel 7 bis, slechts te voldoen aan het duurzaamheidscriterium omschreven in lid 2 van dit artikel.

Biobrandstoffen die vervaardigd zijn uit niet van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige afvalstoffen en residuen hoeven, om in aanmerking te worden genomen voor de doeleinden bedoeld in artikel 7 bis, slechts te voldoen aan het duurzaamheidscriterium omschreven in de leden 2 en 4 bis van dit artikel."

Amendement  30

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt 3 – letter a

Richtlijn 98/70/EG

Artikel 7 ter – lid 2 – alinea 1

 

Standpunt van de Raad

Amendement

Om voor de in lid 1 bedoelde doeleinden in aanmerking te komen, moet de broeikasgasemissiereductie ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen minstens 60 % bedragen voor biobrandstoffen die worden geproduceerd in installaties die operationeel worden na:...+. Een installatie wordt geacht "operationeel" te zijn wanneer de fysieke productie van biobrandstoffen plaatsvindt.

Om voor de in lid 1 bedoelde doeleinden in aanmerking te komen, moet de broeikasgasemissiereductie ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen en vloeibare biomassa minstens 60 % bedragen voor biobrandstoffen die worden geproduceerd in installaties die operationeel worden na …+. Een installatie wordt geacht "operationeel" te zijn wanneer de fysieke productie van biobrandstoffen plaatsvindt.

__________________

__________________

+ OJ: Gelieve de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn in te voegen.

+ OJ: Gelieve de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn in te voegen.

Amendement  31

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt 3 – letter a

Richtlijn 98/70/EG

Artikel 7 ter – lid 2 – alinea 3

 

Standpunt van de Raad

Amendement

De broeikasgasemissiereductie door het gebruik van biobrandstoffen wordt berekend overeenkomstig artikel 7 quinquies, lid 1.

De broeikasgasemissiereductie door het gebruik van biobrandstoffen en vloeibare biomassa wordt berekend overeenkomstig artikel 7 quinquies, lid 1.

Amendement  32

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt 3 – letter b

Richtlijn 98/70/EG

Artikel 7 ter – lid 3 – alinea 2

 

Standpunt van de Raad

Amendement

"Om de uniforme toepassing van de eerste alinea, punt c), van dit lid, te waarborgen, stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast met betrekking tot de criteria en geografische grenzen voor het bepalen welke graslanden onder dat punt vallen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 11, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure.".

"De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 10 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de criteria en geografische grenzen om te bepalen welke graslanden onder punt c) van de eerste alinea vallen.".

Amendement  33

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt 3 – letter b bis (nieuw)

Richtlijn 98/70/EG

Artikel 7 ter – lid 4 bis (nieuw)

 

Standpunt van de Raad

Amendement

 

b bis) het volgende lid wordt ingevoegd:

 

“4 bis. Biobrandstoffen die in aanmerking worden genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1 worden niet vervaardigd uit afvalstoffen die vallen onder de hergebruiks- en recyclingdoelstellingen uit hoofde van artikel 11, lid 2, van Richtlijn 2008/98/EG. De lidstaten zorgen ervoor dat het gebruik van afvalstoffen en residuen die onder Richtlijn 2008/98/EG vallen voor de productie van biobrandstoffen die in aanmerking worden genomen voor de in lid 1 beschreven doeleinden, in overeenstemming is met de in artikel 4 van die richtlijn vastgelegde afvalhiërarchie. De lidstaten houden eveneens terdege rekening met het beginsel van cascadering, waarbij zij de regionale en lokale economische en technologische omstandigheden in aanmerking nemen."

Amendement  34

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt 3 – letter b ter (nieuw)

Richtlijn 98/70/EG

Artikel 7 ter – lid 4 ter (nieuw)

 

Standpunt van de Raad

Amendement

 

b ter) het volgende lid wordt ingevoegd:

 

"4 ter. Biobrandstoffen en vloeibare biomassa die in aanmerking worden genomen voor de doeleinden bedoeld in lid 1 mogen niet vervaardigd zijn uit grondstoffen die afkomstig zijn van land, tenzij de wettelijke rechten van derden betreffende grondgebruik en grondbezit geëerbiedigd zijn en zij vooraf en vrijwillig met kennis van zaken toestemming hebben gegeven, met de medewerking van hun vertegenwoordigende organisaties."

Amendement  35

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt 4 – letter c

Richtlijn 98/70/EG

Artikel 7 quater – lid 6

 

Standpunt van de Raad

Amendement

6. De uit hoofde van lid 4 van dit artikel genomen besluiten worden vastgesteld volgens de in artikel 11, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure. Dergelijke besluiten blijven hoogstens vijf jaar geldig.

6. De uit hoofde van lid 4 van dit artikel genomen besluiten worden vastgesteld volgens de in artikel 11, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure. Dergelijke besluiten blijven hoogstens vijf jaar geldig.

De Commissie verlangt dat van elke vrijwillige regeling met betrekking waartoe een besluit krachtens lid 4 is vastgesteld, uiterlijk op …, en vervolgens elk jaar uiterlijk op 30 april, bij haar een verslag wordt ingediend over elk van de in de derde alinea van dit lid vermelde punten. In het algemeen hebben de verslagen betrekking op het voorafgaande kalenderjaar. Het eerste verslag heeft betrekking op ten minste zes maanden vanaf …. De vereiste om een verslag in te dienen, geldt uitsluitend voor vrijwillige systemen die gedurende ten minste twaalf maanden hebben gewerkt.

De Commissie verlangt dat van elke vrijwillige regeling met betrekking waartoe een besluit krachtens lid 4 is vastgesteld, uiterlijk op …, en vervolgens elk jaar uiterlijk op 30 april, bij haar een verslag wordt ingediend over elk van de in de derde alinea van dit lid vermelde punten. In het algemeen hebben de verslagen betrekking op het voorafgaande kalenderjaar. Het eerste verslag heeft betrekking op ten minste zes maanden vanaf …. De vereiste om een verslag in te dienen, geldt uitsluitend voor vrijwillige systemen die gedurende ten minste twaalf maanden hebben gewerkt.

Uiterlijk op … dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in waarin de in de tweede alinea van dit lid bedoelde verslagen worden geanalyseerd en de werking van de in lid 4 bedoelde overeenkomsten of vrijwillige regelingen met betrekking waartoe een besluit uit hoofde van dit artikel is vastgesteld, wordt geëvalueerd, en beste praktijken in kaart worden gebracht. Het verslag is gebaseerd op de best beschikbare informatie, onder meer na overleg met belanghebbenden, en op praktische ervaringen met de toepassing van de betrokken overeenkomsten of systemen. In het verslag wordt het volgende onderzocht:

Uiterlijk op … dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in waarin de in de tweede alinea van dit lid bedoelde verslagen worden geanalyseerd en de werking van de in lid 4 bedoelde overeenkomsten of vrijwillige regelingen met betrekking waartoe een besluit uit hoofde van dit artikel is vastgesteld, wordt geëvalueerd, en beste praktijken in kaart worden gebracht. Het verslag is gebaseerd op de best beschikbare informatie, onder meer na overleg met belanghebbenden, en op praktische ervaringen met de toepassing van de betrokken overeenkomsten of systemen. In het verslag wordt het volgende onderzocht:

in het algemeen:

in het algemeen:

a) de onafhankelijkheid, modaliteit en frequentie van de audits, zowel met betrekking tot hetgeen over die aspecten is vermeld in de documentatie van het systeem op het tijdstip dat het betreffende systeem door de Commissie werd goedgekeurd, als met betrekking tot de beste praktijken van de sector;

a) de onafhankelijkheid, modaliteit en frequentie van de audits, zowel met betrekking tot hetgeen over die aspecten is vermeld in de documentatie van het systeem op het tijdstip dat het betreffende systeem door de Commissie werd goedgekeurd, als met betrekking tot de beste praktijken van de sector;

b) de beschikbaarheid van en de ervaring met en de transparantie bij de toepassing van methoden voor het vaststellen en behandelen van gevallen van niet-naleving, met bijzondere aandacht voor situaties of beweringen van ernstig wangedrag door leden van de regeling;

b) de beschikbaarheid van en de ervaring met en de transparantie bij de toepassing van methoden voor het vaststellen en behandelen van gevallen van niet-naleving, met bijzondere aandacht voor situaties of beweringen van ernstig wangedrag door leden van de regeling;

c) de transparantie, met name met betrekking tot de toegankelijkheid van het systeem, de beschikbaarheid van vertalingen in de toepasselijke talen van de landen en regio's van herkomst van de grondstoffen, de toegankelijkheid van een lijst van gecertificeerde exploitanten en de relevante certificaten, en de toegankelijkheid van de auditverslagen;

c) de transparantie, met name met betrekking tot de toegankelijkheid van het systeem, de beschikbaarheid van vertalingen in de toepasselijke talen van de landen en regio's van herkomst van de grondstoffen, de toegankelijkheid van een lijst van gecertificeerde exploitanten en de relevante certificaten, en de toegankelijkheid van de auditverslagen;

d) de betrokkenheid van belanghebbenden, met name wat betreft de raadpleging van inheemse en lokale gemeenschappen voorafgaand aan de besluitvorming tijdens de opstelling en evaluatie van de regeling en tijdens de audits, alsmede de reactie op hun bijdragen;

d) de betrokkenheid van belanghebbenden, met name wat betreft de raadpleging van inheemse en lokale gemeenschappen voorafgaand aan de besluitvorming tijdens de opstelling en evaluatie van de regeling en tijdens de audits, alsmede de reactie op hun bijdragen;

e) de algehele robuustheid van het systeem, met name in het licht van de voorschriften betreffende de accreditatie, kwalificatie en onafhankelijkheid van auditoren en bevoegde instanties voor het systeem;

e) de algehele robuustheid van het systeem, met name in het licht van de voorschriften betreffende de accreditatie, kwalificatie en onafhankelijkheid van auditoren en bevoegde instanties voor het systeem;

f) marktactualisaties van het systeem, de hoeveelheid gecertificeerde grondstoffen en biobrandstoffen, per land van herkomst en type, en het aantal deelnemers;

f) marktactualisaties van het systeem, de hoeveelheid gecertificeerde grondstoffen en biobrandstoffen, per land van herkomst en type, en het aantal deelnemers;

g) het gemak en de doeltreffendheid waarmee uitvoering wordt gegeven aan een systeem dat nagaat of de door de regeling aan de leden daarvan opgelegde duurzaamheidscriteria worden nageleefd, waarbij een dergelijk systeem is bedoeld als middel om frauduleuze activiteiten te voorkomen en in het bijzonder is gericht op de detectie, behandeling en follow-up van vermoede fraude en andere onregelmatigheden, alsmede, in voorkomend geval, het aantal gedetecteerde gevallen van fraude of onregelmatigheden;

g) het gemak en de doeltreffendheid waarmee uitvoering wordt gegeven aan een systeem dat nagaat of de door de regeling aan de leden daarvan opgelegde duurzaamheidscriteria worden nageleefd, waarbij een dergelijk systeem is bedoeld als middel om frauduleuze activiteiten te voorkomen en in het bijzonder is gericht op de detectie, behandeling en follow-up van vermoede fraude en andere onregelmatigheden, alsmede, in voorkomend geval, het aantal gedetecteerde gevallen van fraude of onregelmatigheden;

en in het bijzonder:

en in het bijzonder:

h) opties betreffende te machtigen entiteiten voor het erkennen van en het uitoefenen van toezicht op certificeringsorganen;

h) opties betreffende te machtigen entiteiten voor het erkennen van en het uitoefenen van toezicht op certificeringsorganen;

i) criteria voor de erkenning of accreditatie van certificeringsorganen;

i) criteria voor de erkenning of accreditatie van certificeringsorganen;

j) voorschriften inzake de wijze van uitoefening van toezicht op de certificeringsorganen.

j) voorschriften inzake de wijze van uitoefening van toezicht op de certificeringsorganen.

Een lidstaat kan zijn nationale systeem aanmelden bij de Commissie. De Commissie geeft voorrang aan de beoordeling van een zodanig aangemeld systeem. Een besluit over de conformiteit van een zodanig aangemelde nationale regeling met de voorwaarden vermeld in deze richtlijn wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 11, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure, teneinde de wederzijdse bilaterale en multilaterale erkenning van regelingen voor de controle van de naleving van de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen te vergemakkelijken. Als het besluit positief is, kunnen overeenkomstig dit artikel ingestelde systemen de wederzijdse erkenning van het systeem van die lidstaat niet weigeren.";

Een lidstaat kan zijn nationale systeem aanmelden bij de Commissie. De Commissie geeft voorrang aan de beoordeling van een zodanig aangemeld systeem. Een besluit over de conformiteit van een zodanig aangemelde nationale regeling met de voorwaarden vermeld in deze richtlijn wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 11, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure, teneinde de wederzijdse bilaterale en multilaterale erkenning van regelingen voor de controle van de naleving van de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen te vergemakkelijken. Als het besluit positief is, kunnen overeenkomstig dit artikel ingestelde systemen de wederzijdse erkenning van het systeem van die lidstaat niet weigeren.";

 

De Commissie dient, indien dat in het licht van het in de tweede alinea bedoelde verslag passend is, bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel in tot wijziging van de bepalingen van deze richtlijn op het gebied van vrijwillige systemen om optimale werkmethoden te bevorderen.";

Amendement  36

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt 5 – letter -a (nieuw)

Richtlijn 98/70/EG

Artikel 7 quinquies – lid 1

 

Bestaande tekst

Amendement

 

-a) lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van biobrandstoffen worden met het oog op de toepassing van artikel 7 bis en artikel 7 ter, lid 2, als volgt berekend:

"1. De broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van biobrandstoffen worden met het oog op de toepassing van artikel 7 bis en artikel 7 ter, lid 2, als volgt berekend:

(a) indien een standaardwaarde voor broeikasgasemissiereducties met betrekking tot het productietraject van de biobrandstof is vastgesteld in deel A of B van bijlage IV, en indien de el-waarde voor deze vloeistoffen berekend overeenkomstig punt 7 van deel C van bijlage IV, gelijk is aan of lager is dan nul, wordt die standaardwaarde gebruikt;

(a) indien een standaardwaarde voor broeikasgasemissiereducties met betrekking tot het productietraject van de biobrandstof is vastgesteld in deel A of B van bijlage IV, en indien de el-waarde voor deze vloeistoffen berekend overeenkomstig punt 7 van deel C van bijlage IV, gelijk is aan of lager is dan nul, wordt die standaardwaarde gebruikt;

(b) de werkelijke waarde, berekend overeenkomstig de in deel C van bijlage IV, vastgestelde methode, wordt gebruikt; of

(b) de werkelijke waarde, berekend overeenkomstig de in deel C van bijlage IV, vastgestelde methode, wordt gebruikt; of

(c) een waarde, berekend als de som van de factoren van de formule in punt 1 van deel C van bijlage IV, waarbij gedesaggregeerde standaardwaarden in bijlage IV, deel D of E kunnen worden gebruikt voor een aantal factoren, en de werkelijke waarden, berekend volgens de methode van bijlage IV, deel C, voor alle andere factoren.

(c) een waarde, berekend als de som van de factoren van de formule in punt 1 van deel C van bijlage IV, waarbij gedesaggregeerde standaardwaarden in bijlage IV, deel D of E kunnen worden gebruikt voor een aantal factoren, en de werkelijke waarden, berekend volgens de methode van bijlage IV, deel C, voor alle andere factoren.

 

De broeikasgasemissies gedurende de gehele levenscyclus als gevolg van biobrandstoffen worden voor de doeleinden van artikel 7 bis vanaf 2020 berekend door de respectieve waarde in bijlage V op te tellen bij het resultaat dat is verkregen in de eerste alinea."

Amendement  37

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt 5 – letter -a bis (nieuw)

Richtlijn 98/70/EG

Artikel 7 quinquies – lid 1 bis (nieuw)

 

Standpunt van de Raad

Amendement

 

-a bis) het volgende lid wordt ingevoegd:

 

"1 bis. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 10 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de opneming in bijlage IV van een procedure voor de berekening van broeikasgasemissies uit hernieuwbare vloeibare of gasvormige brandstoffen van niet-biologische oorsprong en voor de afvang en benutting van koolstof. Die gedelegeerde handelingen worden uiterlijk 30 juni 2016 vastgesteld."

Amendement  38

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt 5 – letter a

Richtlijn 98/70/EG

Artikel 7 quinquies – lid 5

 

Standpunt van de Raad

Amendement

5. De Commissie brengt uiterlijk op 31 december 2012, en vervolgens om de twee jaar, verslag uit over de geraamde typische en standaardwaarden van bijlage IV, delen B en E, waarbij zij bijzondere aandacht besteedt aan de broeikasgasemissies van de vervoersector en de verwerkende industrie.

5. De Commissie schrijft en publiceert uiterlijk op 31 december 2012, en vervolgens om de twee jaar, een verslag over de geraamde typische en standaardwaarden van bijlage IV, delen B en E, waarbij zij bijzondere aandacht besteedt aan de broeikasgasemissies van de vervoersector en de verwerkende industrie.

Indien uit de in de eerste alinea bedoelde verslagen blijkt dat de geraamde typische en standaardwaarden van bijlage IV, delen B en E, zouden moeten worden aangepast op basis van de meest recente wetenschappelijke bevindingen, dient de Commissie in voorkomend geval een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad.";

Indien uit de in de eerste alinea bedoelde verslagen blijkt dat de geraamde typische en standaardwaarden van bijlage IV, delen B en E, zouden moeten worden aangepast op basis van de meest recente wetenschappelijke bevindingen, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 10 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de correctie van deze waarden.";

Amendement  39

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt 5 – letter b

Richtlijn 98/70/EG

Artikel 7 quinquies – lid 6

 

Standpunt van de Raad

Amendement

b) lid 6 wordt geschrapt;

b) lid 6 wordt vervangen door:

 

6. De Commissie heeft de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 10 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de aanpassing van bijlage V aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, onder meer door de voorgestelde waarden voor de indirecte verandering in het landgebruik per gewasgroep op grond van de best beschikbare wetenschappelijke gegevens te herzien. Met het oog op de evaluatie van de economische modellen die worden gebruikt om de waarden betreffende indirecte veranderingen in het landgebruik te ramen, dient de Commissie in haar herziening de laatst beschikbare gegevens ten aanzien van de belangrijkste aannames die van invloed zijn op de resultaten van de modellen op te nemen, met inbegrip van de gemeten trends in landbouwopbrengsten en productiviteit, de toewijzing van bijproducten en de waargenomen mondiale verandering in het landgebruik en ontbossingspercentages. De Commissie zorgt ervoor dat alle belanghebbenden bij dat herzieningsproces worden betrokken. De eerste herziening vindt uiterlijk 30 juni 2016 plaats.

 

De Commissie stelt zo nodig nieuwe waarden voor de indirecte verandering in het landgebruik voor op een verder niveau van desaggregatie; neemt, in voorkomend geval, extra waarden op wanneer nieuwe grondstoffen voor biobrandstoffen op de markt komen, herziet de categorieën biobrandstoffen waaraan een zero-emissie ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik is toegekend; en ontwikkelt factoren voor grondstoffen die afkomstig zijn van op land verbouwde energiegewassen.

Amendement  40

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt 5 – letter c

Richtlijn 98/70/EG

Artikel 7 quinquies - lid 7 – alinea 1

 

Standpunt van de Raad

Amendement

c) in lid 7 worden de eerste, de tweede en de derde alinea vervangen door:

c) In lid 7 wordt de eerste alinea vervangen door:

"7. De Commissie evalueert regelmatig bijlage IV, met het oog op de toevoeging van waarden voor nieuwe productieketens voor biobrandstoffen voor dezelfde of andere grondstoffen, indien daar aanleiding toe bestaat. Tijdens die evaluatie wordt tevens de wijziging van de in bijlage IV, deel C vastgestelde methode in overweging genomen, in het bijzonder met betrekking tot:

"7. De Commissie krijgt de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 10 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de aanpassing van bijlage IV aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, onder meer door waarden toe te voegen voor nieuwe productieketens voor biobrandstoffen voor dezelfde of andere grondstoffen en door de in deel C vastgestelde methode te wijzigen."

– de wijze waarop afvalstoffen en residuen in aanmerking worden genomen;

 

– de wijze waarop bijproducten in aanmerking worden genomen;

 

– de wijze waarop warmtekrachtkoppeling in aanmerking wordt genomen; en

 

– de status die aan residuen van landbouwproducten als bijproduct wordt gegeven.

 

De standaardwaarden voor biodiesel uit plantaardige of dierlijke afvalolie worden zo spoedig mogelijk opnieuw bezien. Indien uit de evaluatie door de Commissie blijkt dat bijlage IV moet worden aangevuld, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 10 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde in de delen A, B, D en E van bijlage IV geraamde typische en standaardwaarden toe te voegen, doch niet te verwijderen of te wijzigen, voor productieketens voor biobrandstoffen waarvoor nog geen specifieke waarden in die bijlage zijn opgenomen.";

 

Amendement  41

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt 5 – letter d

Richtlijn 98/70/EG

Artikel 7 quinquies – lid 8

 

Standpunt van de Raad

Amendement

d) lid 8 wordt vervangen door:

d) lid 8 wordt geschrapt.

"8. Voor zover de uniforme toepassing van bijlage IV, deel C, punt 9, dit vereist, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen ter bepaling van gedetailleerde technische specificaties en definities. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 11, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure.".

 

Amendement  42

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt 8

Richtlijn 98/70/EG

Artikel 8 bis – lid 3

 

Standpunt van de Raad

Amendement

3. In het licht van de beoordeling aan de hand van de in lid 1 bedoelde testmethode, kunnen het Europees Parlement en de Raad het in lid 2 gespecificeerde maximum-gehalte MMT in brandstoffen herzien op basis van een wetgevingsvoorstel van de Commissie.

3. De Commissie krijgt de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 10 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de herziening van het in lid 2 gespecificeerde maximumgehalte MMT in brandstoffen. Deze herziening gebeurt op basis van de resultaten van de evaluatie aan de hand van de in lid 1 bedoelde testmethode. Het maximumgehalte kan tot nul worden verlaagd indien de risicobeoordeling dit rechtvaardigt. Het kan niet worden verhoogd tenzij de risicobeoordeling dit rechtvaardigt."

Amendement  43

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt 9

Richtlijn 98/70/EG

Artikel 9 - lid 1 - letter k

 

Standpunt van de Raad

Amendement

k) de productieketens, de volumes en de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid energie, met inbegrip van de voorlopige gemiddelde waarden van de geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik en de bijbehorende spreidingsbreedte, die wordt afgeleid uit de gevoeligheidsanalyse op grond van bijlage V, van de in de Unie gebruikte biobrandstoffen De Commissie maakt gegevens over de voorlopige geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik en de bijbehorende, uit de gevoeligheidsanalyse afgeleide spreidingsbreedte voor het publiek toegankelijk.

 

k) de productieketens, de volumes en de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid energie, met inbegrip van de geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik op grond van bijlage V, van de in de Unie gebruikte biobrandstoffen. De Commissie maakt gegevens over de geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik voor het publiek toegankelijk.

Amendement  44

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt 9 bis (nieuw)

Richtlijn 98/70/EG

Artikel 9 – lid 2 bis (nieuw)

 

Standpunt van de Raad

Amendement

 

9 bis) In artikel 9 wordt het volgende lid toegevoegd:

 

"2 bis. De Commissie ziet toe op de prestaties van biobrandstoffen onder alle seizoensomstandigheden die in de Unie heersen om te voorkomen dat de kwaliteit van de in voertuigen gebruikte biobrandstoffen leidt tot een verslechtering van verontreinigende emissies, de CO2-uitstoot of de algehele prestaties van de voertuigen.

 

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 10 bis indien nodig gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de aanpassing van bijlage I of II aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, teneinde specifieke parameters, testlimieten en testmethoden in te voeren."

Amendement  45

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt 11

Richtlijn 98/70/EG

Artikel 10 bis – lid 2

 

Standpunt van de Raad

Amendement

2. De in artikel 7 quinquies, lid 7, en artikel 10, lid 1, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van ...+.

2. De in artikel 7 bis, lid 5, artikel 7 ter, lid 3, tweede alinea, artikel 7 quinquies, leden 1 bis, 5, 6 en 7, artikel 8 bis, lid 3, artikel 9, lid 2 bis, en artikel 10, lid 1, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van … De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

__________________

__________________

+ PB: Gelieve de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn in te voegen.

 

+ PB: Gelieve de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn in te voegen.

 

Amendement  46

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt 11

Richtlijn 98/70/EG

Artikel 10 bis – lid 3

 

Standpunt van de Raad

Amendement

3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 7 quinquies, lid 7, en artikel 10, lid 1, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 7 bis, lid 5, artikel 7 ter, lid 3, tweede alinea, artikel 7 quinquies, leden 1 bis, 5, 6 en 7, artikel 8 bis, lid 3, artikel 9, lid 2 bis, en artikel 10, lid 1, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

Amendement  47

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt 11

Richtlijn 98/70/EG

Artikel 10 bis – lid 5

 

Standpunt van de Raad

Amendement

5. Een overeenkomstig artikel 7 quinquies, lid 7, en artikel 10, lid 1, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.".

5. Een overeenkomstig artikel 7 bis, lid 5, artikel 7 ter, lid 3, tweede alinea, artikel 7 quinquies, leden 1 bis, 5, 6 en 7, artikel 8 bis, lid 3, artikel 9, lid 2 bis, en artikel 10, lid 1, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.".

Amendement  48

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt 12

Richtlijn 98/70/EG

Artikel 11 – lid 3

 

Standpunt van de Raad

Amendement

3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Indien door het comité geen advies wordt uitgebracht, stelt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

 

Amendement  49

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt -1 (nieuw)

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 2 - alinea 2 - letter k

 

Bestaande tekst

Amendement

 

-1. In artikel 2, lid 2, wordt punt k) vervangen door:

"(k) "steunregeling": een instrument, regeling of mechanisme, toegepast door een lidstaat of een groep lidstaten, die het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen bevordert door de kosten van deze energievorm te verlagen, de verkoopprijs te verhogen of het volume aangekochte energie te vergroten door een verplichting tot het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen of op een andere wijze. Dit omvat, maar blijft niet beperkt tot, investeringssteun, belastingvrijstelling of -verlaging, terugbetaling van belasting, steunregelingen voor verplichting tot gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen met inbegrip van regelingen betreffende groenestroomcertificaten, en directe prijssteunregelingen met inbegrip van feed-in-tarieven en premiebetalingen;

"k) "steunregeling": een instrument, regeling of mechanisme, toegepast door een lidstaat of een groep lidstaten, die het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen bevordert door de kosten van deze energievorm te verlagen, de verkoopprijs te verhogen of het volume aangekochte energie te vergroten door een verplichting tot het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen of op een andere wijze. Dit omvat, maar blijft niet beperkt tot, investeringssteun, belastingvrijstelling of -verlaging, terugbetaling van belasting, steunregelingen voor verplichting tot gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen met inbegrip van regelingen betreffende groenestroomcertificaten, en directe prijssteunregelingen met inbegrip van feed-in-tarieven en premiebetalingen; de steunregelingen mogen niet leiden tot verstoringen op de grondstoffenmarkten van andere industriële sectoren die van oudsher gebruikmaken van dezelfde grondstof."

Amendement  50

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 1

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 2 - alinea 2 - letter p

 

Standpunt van de Raad

Amendement

p) "afvalstof": een stof als gedefinieerd in artikel 3, punt 1, van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad+. Stoffen die doelbewust zijn gewijzigd of besmet om aan die definitie te voldoen, vallen niet binnen die begripsomschrijving;

p) "afvalstof": elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen, als gedefinieerd in artikel 3, punt 1, van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad en waarvan de status wordt vastgesteld aan de hand van onafhankelijke controle en certificering met betrekking tot de toepassing van de afvalhiërarchie in artikel 4 van die richtlijn of van een vergelijkbaar afvalpreventie- en afvalbeheersprogramma. Stoffen die doelbewust zijn gewijzigd of besmet om aan die definitie te voldoen, vallen niet binnen die categorie;

Amendement  51

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 1

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 2 - alinea 2 - letter s

 

Standpunt van de Raad

Amendement

s) "non-food cellulosemateriaal": grondstoffen hoofdzakelijk bestaande uit cellulose en hemicellulose, en met een lager ligninegehalte dan lignocellulosisch materiaal; het bevat residuen van voedsel- en voedergewassen (zoals stro, stelen en bladeren, vliezen en doppen), grasachtige energiegewassen met een laag zetmeelgehalte (zoals switchgrass, miscanthus, pijlriet), industriële residuen (ook uit voedsel- en voedergewassen nadat plantaardige oliën, suikers, zetmeel en eiwitten zijn geëxtraheerd) en materiaal uit bioafval;

s) "non-food cellulosemateriaal": grondstoffen hoofdzakelijk bestaande uit cellulose en hemicellulose, en met een lager ligninegehalte dan lignocellulosisch materiaal; Het bevat residuen van voedsel- en voedergewassen (zoals stro, stelen en bladeren, vliezen en doppen), grasachtige energiegewassen met een laag zetmeelgehalte (zoals alfalfa en andere stikstofbindende gewassen, bodembedekkende gewassen die worden verbouwd voor en na jaarlijkse granen en oliegewassen, cactus en andere CAM-gewassen, raaigras, switchgrass, miscanthus, pijlriet, enz.), industriële residuen (ook uit voedsel- en voedergewassen nadat plantaardige oliën, suikers, zetmeel en eiwitten zijn geëxtraheerd) en materiaal uit bioafval;

Amendement  52

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 1

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 2 – letter t bis (nieuw)

 

Standpunt van de Raad

Amendement

 

t bis) "hernieuwbare vloeibare of gasvormige brandstoffen van niet-biologische oorsprong": andere vloeibare of gasvormige brandstoffen dan biobrandstoffen, waarvan de energie-inhoud afkomstig is van andere hernieuwbare energiebronnen dan biomassa, die in de vervoersector worden gebruikt en waarmee de minimale broeikasgasemissiereductie wordt bereikt en aan de kwaliteitsspecificaties van deze richtlijn wordt voldaan.

Amendement  53

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 1

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 2 – letter v

 

Standpunt van de Raad

Amendement

v) "biobrandstoffen en vloeibare biomassa met een laag risico op indirecte veranderingen in het landgebruik": biobrandstoffen en vloeibare biomassa waarvan de grondstoffen niet zijn opgenomen in bijlage VIII, deel A, of wel zijn opgenomen in bijlage VIII, deel A, maar zijn geproduceerd in het kader van regelingen die de verplaatsing van productie voor andere doeleinden dan het maken van biobrandstoffen en vloeibare biomassa beperken, en zijn geproduceerd overeenkomstig de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa vermeld in artikel 17. Enkel de hoeveelheid grondstoffen die overeenstemt met de werkelijke beperking van de productieverplaatsing die dankzij de regeling wordt verwezenlijkt, mag in aanmerking worden genomen. Dergelijke regelingen mogen de vorm aannemen van individuele projecten op lokaal niveau, of van beleidsmaatregelen die van toepassing zijn op het gehele grondgebied, of een deel daarvan, van een lidstaat of een derde land. De verplaatsing van productie voor andere doeleinden dan het maken van biobrandstoffen en vloeibare biomassa kan worden beperkt indien de regeling leidt tot productiviteitsstijgingen binnen het betrokken gebied die hoger zijn dan wat zou zijn bereikt zonder dergelijke productiviteitsbevorderende regelingen;

Schrappen

Amendement  54

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 2 – letter a

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 3 – lid 1 – alinea 2

 

Standpunt van de Raad

Amendement

In het kader van het behalen van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde streefcijfers mag de gezamenlijke maximumbijdrage van biobrandstoffen en vloeibare biomassa geproduceerd uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen niet hoger zijn dan de energiehoeveelheid die overeenstemt met de maximumbijdrage als bepaald in lid 4, onder d).

In het kader van het behalen van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde streefcijfers mag de gezamenlijke maximumbijdrage van biobrandstoffen en vloeibare biomassa geproduceerd uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen alsmede andere op land verbouwde energiegewassen niet hoger zijn dan de energiehoeveelheid die overeenstemt met de maximumbijdrage als bepaald in lid 4, onder d).

Amendement  55

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 2 – letter a bis (nieuw)

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 3 – lid 4 – alinea 1

 

Bestaande tekst

Amendement

 

a bis) in lid 4 wordt de eerste alinea vervangen door:

4. Elke lidstaat ziet erop toe dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in alle vormen van vervoer in 2020 minstens 10% bedraagt van het eindverbruik van energie in het vervoer in die lidstaat.

"4. Elke lidstaat ziet erop toe dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in alle vormen van vervoer in 2020 minstens 10% bedraagt van het eindverbruik van energie in het vervoer in die lidstaat. Een lidstaat mag van dit streefcijfer afwijken indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

 

- de lidstaat heeft de in de leden 1 en 2 vastgestelde streefcijfers behaald;

 

- het totale energieverbruik in het vervoer van de lidstaat is lager dan de prognoses voorzien in het nationale actieplan op het gebied van hernieuwbare energie;"

Amendement  56

Standpunt van de Raad

Artikel 2 - punt 2 - letter b - punt iv

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 3 – lid 4 – alinea 2 – letter d

 

Standpunt van de Raad

Amendement

d) voor het berekenen van biobrandstoffen in de teller bedraagt het aandeel van energie uit biobrandstoffen geproduceerd uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen niet meer dan 7 % van het eindverbruik van energie in de vervoersector in de lidstaten in 2020;

d) voor het berekenen van biobrandstoffen in de teller bedraagt het aandeel van energie uit biobrandstoffen geproduceerd uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers, oliegewassen en andere op land verbouwde energiegewassen niet meer dan 6 % van het eindverbruik van energie in de vervoersector in de lidstaten in 2020;

Amendement  57

Standpunt van de Raad

Artikel 2 - punt 2 - letter b - punt iv

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 3 – lid 4 – alinea 2 – letter e

 

Standpunt van de Raad

Amendement

e) De lidstaten hebben als doelstelling dat een minimumaandeel van biobrandstoffen die worden geproduceerd uit grondstoffen en andere brandstoffen welke zijn vermeld in bijlage IX, deel A, en op hun grondgebied worden verbruikt. Daartoe moet iedere lidstaat een nationaal streefcijfer bepalen, waaraan deze tracht te voldoen. Een referentiewaarde voor dit streefcijfer is 0,5 procentpunt in energie-inhoud van het in de eerste alinea bedoelde aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in alle vormen van vervoer in 2020, dat moet worden bereikt met biobrandstoffen die worden geproduceerd uit grondstoffen en andere brandstoffen welke zijn vermeld in bijlage IX, deel A, en waarvan de bijdrage wordt geacht tweemaal de energie-inhoud te zijn, in overeenstemming met punt (f) van deze alinea en bijlage IX, deel A. Daarnaast kunnen biobrandstoffen die worden geproduceerd uit niet in de lijst van bijlage IX vermelde grondstoffen en die door de bevoegde nationale autoriteiten werden beschouwd als afval, residuen, non foodcellulosemateriaal en lignocellulosisch materiaal en die vóór de vaststelling van Richtlijn 2014/…/EU van het Europees Parlement en de Raad+ in bestaande installaties werden gebruikt, mogen worden meegeteld voor het bereiken van het nationale streefcijfer.

e) Iedere lidstaat ziet erop toe dat het aandeel van energie uit biobrandstoffen die worden geproduceerd uit grondstoffen en andere brandstoffen welke zijn vermeld in bijlage IX, deel A, in alle vervoerswijzen in 2020 ten minste 1,25 % bedraagt van het eindverbruik van energie in het vervoer in die lidstaat.

De lidstaten kunnen een nationaal streefcijfer bepalen dat lager is dan de referentiewaarde van 0,5 procentpunt en gebaseerd is op een of meer van de volgende gronden:

 

i) objectieve factoren zoals de beperkte mogelijkheden tot duurzame productie van biobrandstoffen die worden geproduceerd uit grondstoffen en andere brandstoffen die zijn vermeld in deel A van bijlage IX, of de beperkte beschikbaarheid van dergelijke biobrandstoffen tegen kostenefficiënte prijzen op de markt, gelet op de beoordeling in het in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2014/…/EU+ bedoelde verslag van de Commissie;

 

ii) de specifieke technische en klimatologische kenmerken van de nationale markt voor transportbrandstoffen, zoals de samenstelling en de conditie van het wegvoertuigenpark; or

 

iii) nationale beleidsmaatregelen waarbij financiële middelen naar evenredigheid worden toegewezen voor stimulansen voor het gebruik van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in het vervoer.

 

De Commissie maakt het volgende bekend:

 

– de nationale streefcijfers van de lidstaten en, indien van toepassing, de redenen waarom het nationale streefcijfer afwijkt van de referentiewaarde, die overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2014/.../EU+ is aangemeld;

 

– een syntheseverslag over de vorderingen op de weg naar de nationale streefcijfers.;

 

__________________

 

+ OJ: Gelieve het nummer van deze richtlijn in te voegen

 

Amendement  58

Standpunt van de Raad

Artikel 2 - punt 2 - letter b - punt iv

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 3 – lid 4 – alinea 2 – letter e bis (nieuw)

 

Standpunt van de Raad

Amendement

 

e bis) Elke lidstaat ziet erop toe dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in benzine tegen 2020 minstens 6,5 % bedraagt van het eindverbruik van energie in benzine in die lidstaat.

Amendement  59

Standpunt van de Raad

Artikel 2 - punt 2 - letter b - punt iv

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 3 – lid 4 – alinea 2 – letter f

 

Standpunt van de Raad

Amendement

f) Biobrandstoffen die worden geproduceerd uit in bijlage IX genoemde grondstoffen, worden geacht een bijdrage te hebben die twee maal de energie-inhoud is .

Schrappen

Amendement  60

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 2 – letter d

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 3 – lid 4 – alinea 4

 

Standpunt van de Raad

Amendement

Voor het behalen van de in de leden 1 en 2 en dit lid gestelde streefcijfers wordt de bijdrage van biobrandstoffen die worden geproduceerd uit in bijlage IX, deel A, genoemde grondstoffen geacht tweemaal hun energie-inhoud te zijn;

Voor het behalen van de in de eerste alinea van dit lid gestelde streefcijfer wordt de bijdrage van biobrandstoffen die worden geproduceerd uit in bijlage IX genoemde grondstoffen geacht meerdere malen hun energie-inhoud te zijn overeenkomstig de in die bijlage opgenomen regels.

Amendement  61

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 2 – letter d bis (nieuw)

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 3 – lid 4 bis (nieuw)

 

Standpunt van de Raad

Amendement

 

d bis) het volgende lid wordt toegevoegd:

 

"Uiterlijk [één jaar na inwerkingtreding van deze richtlijn] doet de Commissie aanbevelingen met betrekking tot de aanvullende maatregelen die de lidstaten kunnen nemen om energie-efficiëntie en energiebesparing in het vervoer te bevorderen en aan te moedigen. De aanbevelingen omvatten ramingen van de hoeveelheid energie die kan worden bespaard met de uitvoering van elk van deze maatregelen. De hoeveelheid energie die overeenkomt met de door een lidstaat uitgevoerde maatregelen wordt meegeteld bij de onder letter b) van de tweede alinea van lid 4 genoemde berekening."

Amendement  62

Standpunt van de Raad

Artikel 2 - punt 2 - letter b - letter d ter (nieuw)

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 3 – lid 4 ter (nieuw)

 

Standpunt van de Raad

Amendement

 

d ter) het volgende lid wordt toegevoegd:

 

"4 ter. Met het oog op het halen van de in lid 4 vastgestelde doelstelling verlagen de lidstaten het eindenergieverbruik in de vervoersector door de energie-efficiëntie in die sector uiterlijk in 2020 met ten minste 12 % van het eindenergieverbruik in het vervoer te verhogen."

Amendement  63

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 2 – letter e

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 3 – lid 5 – alinea 2

 

Standpunt van de Raad

Amendement

De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 25 bis vast te stellen om de lijst van grondstoffen in bijlage IX, deel A, te wijzigen met het oog op het toevoegen, maar niet schrappen, van grondstoffen. De Commissie stelt een afzonderlijke gedelegeerde handeling vast met betrekking tot elke grondstof die aan de lijst van bijlage IX, deel A, moet worden toegevoegd. Elke gedelegeerde handeling is gebaseerd op een analyse van de meest recente wetenschappelijke en technische vooruitgang, met inachtneming van de beginselen van de afvalhiërarchie, en waaruit kan worden afgeleid dat de betrokken grondstof niet leidt tot extra landgebruik, geen significant verstorend effect heeft op markten voor (bij)producten, afvalstoffen of residuen, aanzienlijke broeikasgasemissiereducties oplevert in vergelijking met fossiele brandstoffen, en geen negatieve gevolgen voor het milieu en de biodiversiteit dreigt te veroorzaken.

De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 25 bis vast te stellen om de lijst van grondstoffen in bijlage IX, deel A, te wijzigen. De Commissie stelt een afzonderlijke gedelegeerde handeling vast met betrekking tot elke grondstof. Elke gedelegeerde handeling is gebaseerd op een analyse van de meest recente wetenschappelijke en technische vooruitgang, met inachtneming van de beginselen van de afvalhiërarchie als vastgelegd in Richtlijn 2008/98/EG, en waaruit kan worden afgeleid dat de betrokken grondstof niet leidt tot extra landgebruik, geen significant verstorend effect heeft op markten voor (bij)producten, afvalstoffen of residuen, aanzienlijke broeikasgasemissiereducties oplevert in vergelijking met fossiele brandstoffen, en geen negatieve gevolgen voor het milieu en de biodiversiteit dreigt te veroorzaken.

Amendement  64

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 2 bis (nieuw)

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 4 – lid 3 bis (nieuw)

 

Standpunt van de Raad

Amendement

 

2 bis) In artikel 4 wordt het volgende lid ingevoegd:

 

"3 bis. Elke lidstaat publiceert uiterlijk [één jaar na inwerkingtreding van deze richtlijn] een ramingsdocument waarin de aanvullende maatregelen zijn opgenomen die hij voornemens is te nemen overeenkomstig artikel 3, lid 4 ter, en doet de Commissie dit document toekomen."

Amendement  65

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 2 ter (nieuw)

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 4 – lid 3 ter (nieuw)

 

Standpunt van de Raad

Amendement

 

2 ter) In artikel 4 wordt het volgende lid ingevoegd:

 

"3 ter. Elke lidstaat publiceert uiterlijk [één jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] een ramingsdocument waarin de stappen zijn opgenomen die hij van plan is te zetten om te voldoen aan het in artikel 3, lid 4, eerste alinea, vermelde streefcijfer, en doet de Commissie dit document toekomen."

Amendement  66

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 3

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 5 – lid 5

 

Standpunt van de Raad

Amendement

3) Artikel 5, lid 5 wordt geschrapt.

Artikel 5, lid 5, laatste zin, komt als volgt te luiden:

 

"De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 25 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang van de energie-inhoud van transportbrandstoffen als gegeven in bijlage III."

Amendement  67

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 5 – letter -a (nieuw)

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 17 – lid 1

 

Bestaande tekst

Amendement

 

-a) lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Ongeacht of de grondstoffen op of buiten het grondgebied van de Gemeenschap werden geteeld, wordt energie uit biobrandstoffen en vloeibare biomassa enkel in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd onder a), b) en c) hieronder, indien ze voldoen aan de duurzaamheidscriteria van de leden 2 tot en met 6:

"1. Ongeacht of de grondstoffen op of buiten het grondgebied van de Unie werden geteeld, wordt energie uit biobrandstoffen en vloeibare biomassa enkel in aanmerking genomen voor de doeleinden genoemd onder a), b) en c) hieronder, indien ze voldoen aan de duurzaamheidscriteria van de leden 2 tot en met 7 en indien ze de in artikel 3, lid 4, tweede alinea, onder d), bedoelde bijdragen niet overschrijden:"

a) het meten van de naleving van de voorschriften van deze richtlijn inzake nationale streefcijfers;

a) het meten van de naleving van de voorschriften van deze richtlijn inzake nationale streefcijfers;

b) het meten van de naleving van de verplichtingen tot het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen;

b) het meten van de naleving van de verplichtingen tot het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen;

c) het in aanmerking komen voor financiële steun voor het verbruik van biobrand stoffen en vloeibare biomassa.

c) het in aanmerking komen voor financiële steun voor het verbruik van biobrandstoffen en vloeibare biomassa.

Biobrandstoffen en vloeibare biomassa die vervaardigd zijn uit niet van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige afvalstoffen en residuen hoeven, om in aanmerking te worden genomen voor de doeleinden genoemd onder a), b) en c), alleen te voldoen aan de duurzaamheidscriteria van lid 2.

Biobrandstoffen en vloeibare biomassa die vervaardigd zijn uit niet van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige afvalstoffen en residuen hoeven, om in aanmerking te worden genomen voor de doeleinden genoemd onder a), b) en c), alleen te voldoen aan de duurzaamheidscriteria van de leden 2 en 4 bis."

Amendement  68

Standpunt van de Raad

Artikel 2 - punt 5 - letter b

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 17 – lid 3 – alinea 2

 

Standpunt van de Raad

Amendement

"Om de uniforme toepassing van de eerste alinea, punt c), van dit lid, te waarborgen, stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast met betrekking tot de criteria en geografische grenzen voor het bepalen welke graslanden onder dat punt vallen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 25, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure.".

"De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 25 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de criteria en geografische grenzen om te bepalen welke graslanden onder punt c) van de eerste alinea vallen."

Amendement  69

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 5 – letter b bis (nieuw)

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 17 – lid 4 bis (nieuw)

 

Bestaande tekst

Amendement

 

b bis) het volgende lid wordt ingevoegd:

 

"4 bis. Biobrandstoffen en vloeibare biomassa die in aanmerking worden genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c) worden niet vervaardigd uit afvalstoffen die vallen onder de hergebruiks- en recyclingdoelstellingen uit hoofde van artikel 11, lid 2, van Richtlijn 2008/98/EG. De lidstaten zorgen ervoor dat het gebruik van afvalstoffen en residuen die onder Richtlijn 2008/98/EG vallen voor de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa die in aanmerking worden genomen voor de in lid 1, onder a), b) en c) beschreven doeleinden, in overeenstemming is met de in artikel 4 van die richtlijn vastgelegde afvalhiërarchie. De lidstaten houden eveneens terdege rekening met het beginsel van cascadering, waarbij zij de regionale en lokale economische en technologische omstandigheden in aanmerking nemen."

Amendement  70

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 5 – letter b ter (nieuw)

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 17 – lid 4 ter (nieuw)

 

Standpunt van de Raad

Amendement

 

b ter) het volgende lid wordt ingevoegd:

 

"4 ter. Biobrandstoffen en vloeibare biomassa die in aanmerking worden genomen voor de doeleinden genoemd in lid 1, onder a), b) en c), mogen niet geproduceerd zijn uit grondstoffen die afkomstig zijn van land, tenzij de wettelijke rechten van derden betreffende grondgebruik en grondbezit geëerbiedigd zijn en zij vooraf en vrijwillig met kennis van zaken toestemming hebben gegeven, met de medewerking van hun vertegenwoordigende organisaties."

Amendement  71

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 6 - letter -a (nieuw)

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 18 – lid 2 bis (nieuw)

 

Standpunt van de Raad

Amendement

 

-a) het volgende lid wordt ingevoegd:

 

"2 bis. Eurostat verzamelt en publiceert gedetailleerde handelsgerelateerde informatie over uit voedselgewassen geproduceerde biobrandstoffen, bijvoorbeeld die op basis van granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen. De beschikbare informatie betreft gedesaggregeerde handelsgegevens voor ethanol en biodiesel, aangezien de huidige gegevens in geaggregeerde vorm worden gepubliceerd, waarbij de invoer en uitvoer van ethanol en biodiesel worden samengevoegd in één gegevensverzameling onder de noemer biobrandstoffen. Uit de invoer- en uitvoergegevens blijken het type en de hoeveelheid biobrandstoffen die de lidstaten invoeren en gebruiken. De gegevens omvatten tevens het land van herkomst van deze producten of het land dat deze producten naar de Unie uitvoert. De gegevens over de invoer en uitvoer van biogrondstoffen of halffabrikaten worden verbeterd, waarbij Eurostat informatie verzamelt en publiceert over de in- of uitvoer van grondstoffen, het type en het land van herkomst, met inbegrip van intern of deels verhandelde grondstoffen."

Amendement  72

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 6 – letter d

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 18 – lid 6 – alinea 7

 

Standpunt van de Raad

Amendement

Een lidstaat kan zijn nationale systeem aanmelden bij de Commissie. De Commissie geeft voorrang aan de beoordeling van een zodanig aangemeld systeem. Een besluit over de conformiteit van een zodanig aangemeld nationaal systeem met de voorwaarden vermeld in deze richtlijn, wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 25, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure, teneinde de wederzijdse bilaterale en multilaterale erkenning van systemen voor de controle van de naleving van de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa te vergemakkelijken. Als het besluit positief is, kunnen overeenkomstig dit artikel ingestelde systemen de wederzijdse erkenning van het systeem van die lidstaat niet weigeren.";

Een lidstaat kan zijn nationale systeem aanmelden bij de Commissie. De Commissie geeft voorrang aan de beoordeling van een zodanig aangemeld systeem. Een besluit over de conformiteit van een zodanig aangemeld nationaal systeem met de voorwaarden vermeld in deze richtlijn, wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 25, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure, teneinde de wederzijdse bilaterale en multilaterale erkenning van systemen voor de controle van de naleving van de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa te vergemakkelijken.

Amendement  73

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 6 – letter e

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 18 – lid 8

 

Standpunt van de Raad

Amendement

"8. De Commissie gaat op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief na of artikel 17 is toegepast met betrekking tot een bron van biobrandstoffen en beslist, binnen zes maanden na ontvangst van een verzoek en overeenkomstig de in artikel 25, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure of de betrokken lidstaat de uit die bron verkregen biobrandstoffen in aanmerking mag nemen voor de toepassing van artikel 17, lid 1.".

"8. De Commissie gaat op verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief na of artikel 17 is toegepast met betrekking tot een bron van biobrandstoffen of vloeibare biomassa en beslist, binnen zes maanden na ontvangst van een verzoek en overeenkomstig de in artikel 25, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure of de betrokken lidstaat de uit die bron verkregen biobrandstoffen of vloeibare biomassa in aanmerking mag nemen voor de toepassing van artikel 17, lid 1.".

Amendement  74

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 7 – letter -a (nieuw)

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 19 – lid 1 bis (nieuw)

 

Standpunt van de Raad

Amendement

 

-a) het volgende lid wordt ingevoegd:

 

"1 bis. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 25 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de opneming in bijlage V van een procedure voor de berekening van broeikasgasemissies uit hernieuwbare vloeibare of gasvormige brandstoffen van niet-biologische oorsprong en voor de afvang en benutting van koolstof. Die gedelegeerde handelingen worden uiterlijk 30 juni 2016 vastgesteld."

Amendement  75

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 7 – letter a

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 19 – lid 5

 

Standpunt van de Raad

Amendement

5. De Commissie brengt uiterlijk op 31 december 2012, en vervolgens om de twee jaar, verslag uit over de geraamde typische en standaardwaarden van bijlage V, delen B en E, waarbij zij bijzondere aandacht besteedt aan de broeikasgasemissies van de vervoersector en de verwerkende industrie.

5. De Commissie schrijft en publiceert uiterlijk op 31 december 2012, en vervolgens om de twee jaar, een verslag over de geraamde typische en standaardwaarden van bijlage V, delen B en E, waarbij zij bijzondere aandacht besteedt aan de broeikasgasemissies van de vervoersector en de verwerkende industrie.

Indien uit de in de eerste alinea bedoelde verslagen blijkt dat de geraamde typische en standaardwaarden van bijlage IV, delen B en E, zouden moeten worden aangepast op basis van de meest recente wetenschappelijke bevindingen, dient de Commissie in voorkomend geval een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad.";

Indien uit de in de eerste alinea bedoelde verslagen blijkt dat de geraamde typische en standaardwaarden van bijlage V, delen B en E, moeten worden aangepast op basis van de meest recente wetenschappelijke bevindingen, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 25 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de correctie van deze waarden.";

Amendement  76

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 7 – letter b

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 19 – lid 6

 

Standpunt van de Raad

Amendement

b) lid 6 wordt geschrapt;

b) lid 6 wordt vervangen door:

 

"6. De Commissie heeft de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 25 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de aanpassing van bijlage VIII aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, onder meer door de voorgestelde waarden voor de indirecte verandering in het landgebruik per gewasgroep op grond van de best beschikbare wetenschappelijke gegevens te herzien.

 

Met het oog op de evaluatie van de economische modellen die worden gebruikt om de waarden betreffende indirecte veranderingen in het landgebruik te ramen, dient de Commissie in haar herziening de laatst beschikbare gegevens ten aanzien van de belangrijkste aannames die van invloed zijn op de resultaten van de modellen op te nemen, inclusief de gemeten trends in landbouwopbrengsten en productiviteit, de toewijzing van bijproducten en de waargenomen mondiale verandering in het landgebruik en ontbossingspercentages. De Commissie zorgt ervoor dat alle belanghebbenden bij dat herzieningsproces worden betrokken. De eerste herziening vindt uiterlijk 30 juni 2016 plaats.

 

De Commissie stelt zo nodig nieuwe waarden voor de indirecte verandering in het landgebruik voor op een verder niveau van desaggregatie; neemt broeikasgasemissies op die het gevolg zijn van het vervoer van grondstoffen; neemt extra waarden op wanneer nieuwe grondstoffen voor biobrandstoffen op de markt komen; en ontwikkelt factoren voor grondstoffen die afkomstig zijn van op land verbouwde energiegewassen.

Amendement  77

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 7 – letter c

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 19 – lid 7

 

Standpunt van de Raad

Amendement

"7. De Commissie evalueert regelmatig bijlage V, met het oog op de toevoeging van waarden voor nieuwe productieketens voor biobrandstoffen voor dezelfde of andere grondstoffen, indien daar aanleiding toe bestaat. Tijdens die evaluatie wordt tevens de wijziging van de in bijlage V, deel C, vastgestelde methode in overweging genomen, in het bijzonder met betrekking tot:

"7. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 25 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende de aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang van bijlage V, onder meer door waarden toe te voegen voor nieuwe productieketens voor biobrandstoffen voor dezelfde of andere grondstoffen en door de in deel C vastgestelde methode te wijzigen".

 

Met betrekking tot de standaardwaarden en de methode vastgelegd in bijlage V, dient bijzondere aandacht uit te gaan naar:

– de wijze waarop afvalstoffen en residuen in aanmerking worden genomen;

– de wijze waarop afvalstoffen en residuen in aanmerking worden genomen;

– de wijze waarop bijproducten in aanmerking worden genomen;

– de wijze waarop bijproducten in aanmerking worden genomen;

– de wijze waarop warmtekrachtkoppeling in aanmerking wordt genomen; en

– de wijze waarop warmtekrachtkoppeling in aanmerking wordt genomen; en

– de status die aan residuen van landbouwproducten als bijproduct wordt gegeven.

– de status die aan residuen van landbouwproducten als bijproduct wordt gegeven.

De standaardwaarden voor biodiesel uit plantaardige of dierlijke afvalolie worden zo spoedig mogelijk opnieuw bezien. Indien uit de evaluatie door de Commissie blijkt dat bijlage V moet worden aangevuld, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 25 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde in de delen A, B, D en E van bijlage V geraamde typische en standaardwaarden toe te voegen, doch niet te verwijderen of te wijzigen, voor productieketens voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa waarvoor nog geen specifieke waarden in die bijlage zijn opgenomen.";

De standaardwaarden voor biodiesel uit plantaardige of dierlijke afvalolie worden zo spoedig mogelijk opnieuw bezien.

Amendement  78

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 7 – letter d

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 19 – lid 8

 

Standpunt van de Raad

Amendement

d) lid 8 wordt vervangen door:

d) lid 8 wordt geschrapt.

"8. Voor zover de uniforme toepassing van bijlage V, deel C, punt 9, dit vereist, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen ter bepaling van gedetailleerde technische specificaties en definities. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 25, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure.".

 

Amendement  79

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 9 – letter -a (nieuw)

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 22 – lid 1 – alinea 1

 

Bestaande tekst

Amendement

 

-a) Artikel 22, lid 1, eerste alinea, wordt vervangen door:

1. Elke lidstaat dient uiterlijk op 31 december 2011, en daarna om de twee jaar, bij de Commissie een verslag in over de voortgang die geboekt is bij het bevorderen en het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen. Het zesde verslag, dat uiterlijk op 31 december 2021 moet worden ingediend, is het laatste verslag dat wordt verlangd.

"1. Elke lidstaat dient uiterlijk op 31 december 2011, en daarna om de twee jaar, bij de Commissie een verslag in over de voortgang die geboekt is bij het bevorderen en het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.";

Amendement  80

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 9 – letter a

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 22 – lid 1 – alinea 2 – letter i

 

Standpunt van de Raad

Amendement

i) de ontwikkeling en het aandeel van biobrandstoffen uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, met inbegrip van een beoordeling van grondstoffen waarin de aandacht vooral uitgaat naar de duurzaamheidsaspecten die verband houden met de impact van de vervanging van de productie van voedsel en veevoeder door de productie van biobrandstoffen, rekening houdend met de beginselen van de afvalhiërarchie als vastgesteld in Richtlijn 2008/98/EG, het beginsel biomassacascadering, het behoud van de nodige koolstofvoorraden in de bodem en de kwaliteit van de bodem en de ecosystemen;

i) de ontwikkeling en het aandeel van biobrandstoffen uit in bijlage IX vermelde grondstoffen, met inbegrip van een beoordeling van grondstoffen waarin de aandacht vooral uitgaat naar de duurzaamheidsaspecten die verband houden met de impact van de vervanging van de productie van voedsel en veevoeder door de productie van biobrandstoffen, rekening houdend met de beginselen van de afvalhiërarchie als vastgesteld in Richtlijn 2008/98/EG, het beginsel biomassacascadering met inachtneming van de regionale en lokale economische en technologische omstandigheden, het behoud van de nodige koolstofvoorraden in de bodem en de kwaliteit van de bodem en de ecosystemen;

Amendement  81

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 9 bis (nieuw)

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 22 – lid 2

 

Bestaande tekst

Amendement

 

9 bis) In artikel 22 wordt lid 2 vervangen door:

2. Bij het ramen van de netto broeikasgasemissiereducties door het gebruik van biobrandstoffen mag de lidstaat, met het oog op de opstelling van de in lid 1 vermelde verslagen, gebruikmaken van de in delen A en B van bijlage V vermelde typische waarden.

2. Bij het ramen van de netto broeikasgasemissiereducties door het gebruik van biobrandstoffen mag de lidstaat, met het oog op de opstelling van de in lid 1 vermelde verslagen, gebruikmaken van de in delen A en B van bijlage V vermelde typische waarden en voegt die lidstaat de in bijlage VIII gegeven ramingen voor de emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik toe."

Amendement  82

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 10 – letter b

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 23 – lid 4

 

Standpunt van de Raad

Amendement

"4. Bij de rapportage over de broeikasgasemissiereductie ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen en vloeibare biomassa maakt de Commissie gebruik van de door de lidstaten gemelde hoeveelheden overeenkomstig artikel 22, lid 1, punt o), met inbegrip van de voorlopige gemiddelde waarden van de geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik en de bijbehorende spreidingsbreedte, die wordt afgeleid uit de gevoeligheidsanalyse bedoeld in bijlage VIII. De Commissie maakt gegevens over de voorlopige geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik en de bijbehorende, uit de gevoeligheidsanalyse afgeleide spreidingsbreedte voor het publiek toegankelijk. Bovendien evalueert de Commissie of en hoe de ramingen voor directe emissiereductie zouden veranderen als de substitutiemethode zou worden gebruikt bij het in aanmerking nemen van bijproducten.";

"4. Bij de rapportage over de broeikasgasemissiereductie ten gevolge van het gebruik van biobrandstoffen en vloeibare biomassa maakt de Commissie gebruik van de door de lidstaten gemelde hoeveelheden overeenkomstig artikel 22, lid 1, letter o), met inbegrip van de geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik zoals vastgesteld in bijlage VIII. De Commissie maakt gegevens over de geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik voor het publiek toegankelijk. Bovendien evalueert de Commissie of en hoe de ramingen voor directe emissiereductie zouden veranderen als de substitutiemethode zou worden gebruikt bij het in aanmerking nemen van bijproducten.";

Amendement  83

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 10 – letter c

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 23 - lid 5 - letter e

 

Standpunt van de Raad

Amendement

e) de beschikbaarheid en duurzaamheid van biobrandstoffen in bijlage IX vermelde grondstoffen, met inbegrip van een beoordeling van de impact van de vervanging van voedsel en veevoeder door de productie van biobrandstoffen, rekening houdend met de beginselen van de afvalhiërarchie als vastgesteld in Richtlijn 2008/98/EG, het beginsel van biomassacascadering, het behoud van de nodige koolstofvoorraden in de bodem en de kwaliteit van de bodem en de ecosystemen; en

e) de beschikbaarheid en duurzaamheid van biobrandstoffen in bijlage IX vermelde grondstoffen, met inbegrip van een beoordeling van de impact van de vervanging van voedsel en veevoeder door de productie van biobrandstoffen, rekening houdend met de beginselen van de afvalhiërarchie als vastgesteld in Richtlijn 2008/98/EG, het beginsel van biomassacascadering met inachtneming van de regionale en lokale economische en technologische omstandigheden, het behoud van de nodige koolstofvoorraden in de bodem en de kwaliteit van de bodem en de ecosystemen; en

Amendement  84

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 10 – letter c

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 23 - lid 5 - letter f

 

Standpunt van de Raad

Amendement

f) een beoordeling van de vraag of de onzekerheidsmarge die in de analyses die ten grondslag liggen aan de ramingen van door indirecte veranderingen in het landgebruik veroorzaakte emissies kunnen worden verkleind, en de mogelijke gevolgen van het beleid van de Unie, zoals het milieu, het klimaat en het landbouwbeleid, kunnen worden meegenomen.";

f) indirecte veranderingen in landgebruik met betrekking tot alle productieketens, met inbegrip van een beoordeling van de vraag of de onzekerheidsmarge die in de analyses die ten grondslag liggen aan de ramingen van door indirecte veranderingen in het landgebruik veroorzaakte emissies kunnen worden verkleind, en de mogelijke gevolgen van het beleid van de Unie, zoals het milieu, het klimaat en het landbouwbeleid, kunnen worden meegenomen.";

Amendement  85

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 11

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 25 – lid 3

 

Standpunt van de Raad

Amendement

3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Als het comité geen advies uitbrengt, stelt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) Nr. 182/2011 van toepassing.

 

Amendement  86

Standpunt van de Raad

Artikel 2 – punt 12

Richtlijn 2009/28/EG

Artikel 25 bis

 

Standpunt van de Raad

Amendement

"Artikel 25 bis

"Artikel 25 bis

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2. De in artikel 3, lid 5, en artikel 19, lid 7, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van …+.

2. De in artikel 3, lid 5, artikel 5, lid 5, artikel 17, lid 3, en artikel 19, leden 1 bis, 5, 6 en 7, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van …+. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, lid 5, en in artikel 19, lid 7, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, lid 5, artikel 5, lid 5, artikel 17, lid 3, en artikel 19, leden 1 bis, 5, 6 en 7, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en aan de Raad.

4. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en aan de Raad.

5. Een overeenkomstig artikel 3, lid 5, en artikel 19, lid 7, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.".

5. Een overeenkomstig artikel 3, lid 5, artikel 5, lid 5, artikel 17, lid 3, en artikel 19, leden 1 bis, 5, 6 en 7, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement of de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad geen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.".

_____________________

________________________

+ PB: gelieve de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn in te voegen.

 

+ PB: gelieve de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn in te voegen.

 

Amendement  87

Standpunt van de Raad

Artikel 3

Standpunt van de Raad

Amendement

1. De Commissie dient uiterlijk op …+ bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in, met een beoordeling van de beschikbaarheid in 2020 van de benodigde hoeveelheden kostenefficiënte biobrandstoffen op de markt van de Unie die afkomstig zijn van grondstoffen waarvoor geen land wordt gebruikt en geen voedselgewassen zijn, waarbij tevens wordt nagegaan of moet worden voorzien in aanvullende criteria om de duurzaamheid ervan te waarborgen, en met een evaluatie van de beste beschikbare wetenschappelijk gegevens over broeikasgasemissies gerelateerd aan indirecte verandering in het landgebruik ten gevolge van de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa. Het verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van voorstellen voor verdere maatregelen, rekening houdend met economische, maatschappelijke en ecologische overwegingen. In het verslag worden tevens criteria geformuleerd ter bepaling en certificering van biobrandstoffen en vloeibare biomassa met een laag risico op indirecte veranderingen in het landgebruik met het oog op de aanpassing van bijlage V bij Richtlijn 98/70/EG en bijlage VIII bij Richtlijn 2009/28/EG, indien passend.

1. De Commissie dient uiterlijk op 31 december 2016 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in, met een beoordeling van de beschikbaarheid in 2020 van de benodigde hoeveelheden kostenefficiënte biobrandstoffen op de markt van de Unie die afkomstig zijn van grondstoffen waarvoor geen land wordt gebruikt en geen voedselgewassen zijn, alsook van de gevolgen ervan voor milieu, maatschappij en economie, waarbij tevens wordt nagegaan of moet worden voorzien in aanvullende criteria om de duurzaamheid ervan te waarborgen, en met een evaluatie van de beste beschikbare wetenschappelijk gegevens over broeikasgasemissies gerelateerd aan indirecte verandering in het landgebruik ten gevolge van de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa. Het verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van voorstellen voor verdere maatregelen, rekening houdend met economische, maatschappelijke en ecologische overwegingen.

2. Uiterlijk op 31 december 2017 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in met een evaluatie, gebaseerd op de best beschikbare meest recente wetenschappelijke gegevens, over de doeltreffendheid van de bij deze richtlijn ingevoerde maatregelen voor de beperking van de broeikasgasemissies gerelateerd aan indirecte veranderingen in het landgebruik ten gevolge van de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa. Het verslag bevat tevens de meest recente beschikbare informatie over de belangrijkste aannames die van invloed zijn op de resultaten van de modellering van broeikasgasemissies gerelateerd aan indirecte veranderingen in het landgebruik ten gevolge van de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa, inclusief de gemeten trends in landbouwopbrengsten en productiviteit, de allocatie van bijproducten en de waargenomen mondiale veranderingen in landgebruik en ontbossing, en de mogelijke gevolgen van het beleid van de Unie, zoals het milieu-, het klimaat- en het landbouwbeleid, waarbij de belanghebbenden in het herzieningsproces worden betrokken. In het verslag worden tevens de ontwikkelingen onderzocht op het gebied van certificeringsregelingen voor grondstoffen voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa met een laag risico op indirecte veranderingen in het landgebruik, als vervat in bijlage V bij Richtlijn 98/70/EG en bijlage VIII bij Richtlijn 2009/28/EG, die met een laag risico op indirecte veranderingen in het landgebruik worden geproduceerd dankzij mitigatiemaatregelen op projectniveau, en de doeltreffendheid ervan.

2. Vóór 31 december 2017 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in met een evaluatie, gebaseerd op de best beschikbare en meest recente wetenschappelijke gegevens van:

 

(a) over de doeltreffendheid van de bij deze richtlijn ingevoerde maatregelen voor de beperking van de broeikasgasemissies gerelateerd aan indirecte veranderingen in het landgebruik ten gevolge van de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa. Het verslag bevat tevens de meest recente beschikbare informatie ter beoordeling van de modellering van broeikasgasemissies gerelateerd aan indirecte veranderingen in het landgebruik ten gevolge van de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa, inclusief de gemeten trends in landbouwopbrengsten en productiviteit, de allocatie van bijproducten en de waargenomen mondiale veranderingen in landgebruik en ontbossing, en de mogelijke gevolgen van het beleid van de Unie, zoals het milieu-, het klimaat- en het landbouwbeleid, waarbij de belanghebbenden in het herzieningsproces worden betrokken;

 

(b) de doeltreffendheid van de stimuleringsmaatregelen voor de productie van biobrandstoffen met gebruikmaking van grondstoffen waarvoor geen land wordt gebruikt en grondstoffen die geen voedsel zijn overeenkomstig artikel 3, lid 4, onder d), van Richtlijn 2009/28/EG en artikel 7 bis van Richtlijn 98/70/EG;

 

(c) het effect van de productie van biobrandstoffen en vloeibare biomassa op de beschikbaarheid van grondstoffen voor andere sectoren die gebruik maken van biomassa;

 

(d) in het licht van de verslagen van de lidstaten overeenkomstig artikel 3, lid 5, van Richtlijn 2009/28/EG, de doeltreffendheid van de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van fraude;

 

(e) de mogelijkheid om criteria op te stellen voor de bepaling en certificering van biobrandstoffen en vloeibare biomassa die zijn geproduceerd in het kader van regelingen die de verplaatsing van productie voor andere doeleinden dan het maken van biobrandstoffen beperken, en zijn geproduceerd overeenkomstig de duurzaamheidscriteria van de richtlijnen 98/70/EG en 2009/28/EG, teneinde, indien nodig, bijlage V bij Richtlijn 98/70/EG en bijlage VIII bij Richtlijn 2009/28/EG te actualiseren.

Het in de eerste alinea bedoelde verslag gaat, indien passend, vergezeld van een wetgevingsvoorstel, gebaseerd op de beste beschikbare wetenschappelijke kennis, ter invoering van aangepaste geraamde emissiefactoren met betrekking tot indirecte veranderingen in het landgebruik in de aangewezen duurzaamheidscriteria, alsook van een evaluatie van de doeltreffendheid van de stimuleringsmaatregelen voor de productie van biobrandstoffen die afkomstig zijn van grondstoffen waarvoor geen land wordt gebruikt en geen voedselgewassen zijn uit hoofde van artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2009/28/EG. Als onderdeel van dit verslag gaat de Commissie, in het licht van de verslagen van de lidstaten overeenkomstig artikel 3, lid 5, van Richtlijn 2009/28/EG, na in hoeverre maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van fraude doeltreffend zijn, en dient zij, in voorkomend geval, voorstellen in voor verdere maatregelen, daaronder begrepen aanvullende maatregelen die op het niveau van de Unie dienen te worden getroffen.

Het in de eerste alinea bedoelde verslag gaat, indien passend, vergezeld van wetgevingsvoorstellen, gebaseerd op de beste beschikbare wetenschappelijke kennis, ter:

 

(a) invoering van geraamde emissiefactoren met betrekking tot indirecte veranderingen in het landgebruik in de aangewezen duurzaamheidscriteria van de richtlijnen 98/70/EG en 2009/28/EG;

 

(b) vaststelling van passende aanvullende duurzaamheidscriteria voor de productie van biobrandstoffen die afkomstig zijn van grondstoffen waarvoor geen land wordt gebruikt en geen voedselgewassen zijn;

 

(c) invoering van verdere maatregelen om fraude te voorkomen en te bestrijden, daaronder begrepen aanvullende maatregelen die op het niveau van de Unie dienen te worden getroffen;

 

(d) bevordering van duurzame geavanceerde biobrandstoffen na 2020 op een technologieneutrale manier, in de context van een kader voor klimaat- en energiebeleid voor 2030, met inbegrip van de herziening van de doelstellingen van Richtlijn 98/70/EG en de invoering van een traject voor broeikasgasemissiereductie na 2020, en ter overweging van de mogelijkheid om na 2020 een mandaat op het niveau van de Unie voor het bijmengen van geavanceerde biobrandstoffen te introduceren in overeenstemming met de duurzaamheidscriteria van Richtlijn 98/70/EG.

3. De Commissie dient in voorkomend geval, in het licht van de verslagen van de vrijwillige regelingen/systemen overeenkomstig artikel 7 quater, lid 6, tweede alinea, van Richtlijn 98/70/EG en artikel 18, lid 6, tweede alinea, van Richtlijn 2009/28/EG, bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel in tot wijziging van de bepalingen van deze richtlijnen met betrekking tot de vrijwillige regelingen/systemen, teneinde beste praktijken te bevorderen.

3. De Commissie dient in voorkomend geval, in het licht van de verslagen van de vrijwillige regelingen/systemen overeenkomstig artikel 7 quater, lid 6, tweede alinea, van Richtlijn 98/70/EG en artikel 18, lid 6, tweede alinea, van Richtlijn 2009/28/EG, bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel in tot wijziging van de bepalingen van deze richtlijnen met betrekking tot de vrijwillige regelingen/systemen, teneinde beste praktijken te bevorderen.

__________________

 

+ OJ: gelieve de datum in te voegen: één jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn.

 

Amendement  88

Standpunt van de Raad

Artikel 4 – lid 1

 

Standpunt van de Raad

Amendement

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op ... aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op ... aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

_________

_________

+ OJ: gelieve de datum in te voegen: 24 maanden na de datum van vaststelling van deze richtlijn.

+ OJ: gelieve de datum in te voegen: 12 maanden na de datum van vaststelling van deze richtlijn.

Amendement  89

Standpunt van de Raad

Artikel 4 – lid 2 – alinea 2

 

Standpunt van de Raad

Amendement

In 2020 brengen de lidstaten aan de Commissie verslag uit van hun respectievelijke prestaties op weg naar hun nationale streefcijfers, overeenkomstig artikel 3, lid 4, punt e), van Richtlijn 2009/28/EG, met vermelding van de redenen van een eventuele achterstand.

In 2020 brengen de lidstaten aan de Commissie verslag uit van hun respectievelijke prestaties op weg naar hun nationale streefcijfers, overeenkomstig artikel 3, lid 4, punt e), van Richtlijn 2009/28/EG.

Amendement  90

Standpunt van de Raad

Bijlage I – punt 1

Richtlijn 98/70/EG

Bijlage IV - deel C - punt 7

 

Standpunt van de Raad

Amendement

(1) In Bijlage IV, deel C, wordt punt 7 vervangen door:

(1) In bijlage IV wordt deel C als volgt gewijzigd:

 

(a) punt 7 wordt vervangen door:

"7. Op jaarbasis berekende emissies uit wijzigingen van koolstofvoorraden door veranderingen in het landgebruik, el, worden berekend door de totale emissies gelijkmatig te verdelen over 20 jaar. Voor de berekening van die emissies wordt de volgende regel toegepast: el =

"7. Op jaarbasis berekende emissies uit wijzigingen van koolstofvoorraden door veranderingen in het landgebruik, el, worden berekend door de totale emissies gelijkmatig te verdelen over 20 jaar. Voor de berekening van die emissies wordt de volgende regel toegepast:

el = (CSR – CSA) × 3,664 × 1/20 × 1/P ‑ eB,*

el = (CSR – CSA) × 3,664 × 1/20 × 1/P,

waarin:

waarin:

el = op jaarbasis berekende broeikasgasemissies ten gevolge van wijzigingen van koolstofvoorraden door veranderingen in het landgebruik (gemeten als massa (gram) CO2-equivalent per eenheid energie uit biobrandstoffen (megajoule)); "Akkerland"**en "land voor vaste gewassen"*** worden beschouwd als één landgebruik; CSR =

el = op jaarbasis berekende broeikasgasemissies ten gevolge van wijzigingen van koolstofvoorraden door veranderingen in het landgebruik (gemeten als massa (gram) CO2-equivalent per eenheid energie uit biobrandstoffen (megajoule));

CSR = de koolstofvoorraad per landeenheid van het referentielandgebruik (gemeten als massa (ton) koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie). Het referentielandgebruik is het landgebruik op het laatste van de volgende twee tijdstippen: januari 2008 of 20 jaar vóór het verkrijgen van de grondstoffen;

de koolstofvoorraad per landeenheid van het referentielandgebruik (gemeten als massa (ton) koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie). Het referentielandgebruik is het landgebruik op het laatste van de volgende twee tijdstippen: januari 2008 of 20 jaar vóór het verkrijgen van de grondstoffen;

CSA = de koolstofvoorraad per landeenheid van het werkelijk landgebruik (gemeten als massa (ton) koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie). Wanneer vorming van de koolstofvoorraad zich over een periode van meer dan één jaar uitstrekt, wordt de waarde voor CSA de geraamde voorraad per landeenheid na 20 jaar of wanneer het gewas tot volle wasdom komt, als dat eerder is;

de koolstofvoorraad per landeenheid van het werkelijk landgebruik (gemeten als massa (ton) koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie). Wanneer vorming van de koolstofvoorraad zich over een periode van meer dan één jaar uitstrekt, wordt de waarde voor CSA de geraamde voorraad per landeenheid na 20 jaar of wanneer het gewas tot volle wasdom komt, als dat eerder is; en

P = de productiviteit van het gewas (gemeten als energie van de biobrandstof per landeenheid per jaar); en

P = de productiviteit van het gewas (gemeten als de biobrandstof per landeenheid per jaar)."

eB = bonus van 29 gCO2eq/MJ voor biobrandstof indien de biomassa afkomstig is van hersteld aangetast land, mits aan de in punt 8 gestelde voorwaarden is voldaan.

 

_________

 

* Het resultaat van de deling van het moleculaire gewicht van CO2 (44,010 g/mol) door het moleculaire gewicht van koolstof (12,011 g/mol) is 3,664.

 

** Akkerland als gedefinieerd door het IPCC.

 

*** Vaste gewassen worden gedefinieerd als meerjarige gewassen waarvan de stam gewoonlijk niet jaarlijks wordt geoogst, zoals hakhout met een korte omlooptijd en oliepalm.".

 

Amendement  91

Standpunt van de Raad

Bijlage 1 – punt 1 - letter a bis (nieuw)

Richtlijn 98/70/EG

Bijlage IV - deel C - punten 8 en 9

 

Standpunt van de Raad

Amendement

 

a bis) de punten 8 en 9 worden geschrapt.

Amendement  92

Standpunt van de Raad

Bijlage I – punt 2

Richtlijn 98/70/EG

Bijlage V - deel A

 

Standpunt van de Raad

Deel A. Voorlopige geraamde emissies van biobrandstoffen ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik (gCO2eq/MJ)+

Gewasgroep

Gemiddelde*

Uit de gevoeligheidsanalyse afgeleide interpercentiele spreidingsbreedte**

Granen en andere zetmeelrijke gewassen

12

8 tot en met 16

Suikers

13

4 tot en met 17

Oliegewassen

55

33 tot en met 66

________________

* De hier opgenomen gemiddelde waarden vertegenwoordigen een gewogen gemiddelde van de afzonderlijk gemodelleerde gewaswaarden.

** De hier opgenomen spreidingsbreedte weerspiegelt 90 % van de resultaten waarvoor de uit de analyse resulterende 5e en 95e percentielwaarden zijn gebruikt. Het 5e percentiel duidt op een waarde beneden welke 5 % van de waarnemingen werden aangetroffen (d.w.z. 5% van de totale gebruikte data vertoonden resultaten beneden 8, 4, en 33 gCO2eq/MJ). Het 5e percentiel duidt op een waarde beneden welke 95 % van de waarnemingen werden aangetroffen (d.w.z. 5% van de totale gebruikte data vertoonden resultaten beneden 16, 17, en 66 gCO2eq/MJ).

+ De hier vermelde gemiddelde waarden vertegenwoordigen een gewogen gemiddelde van de afzonderlijk gemodelleerde gewaswaarden. De orde van grootte van de waarden in deze bijlage wordt beïnvloed door de reeks aannames (zoals behandeling van bijproducten, ontwikkelingen in de opbrengst, koolstofvoorraden, verplaatsing van andere grondstoffen, enz.) die worden gebruikt in de voor de raming ontwikkelde economische modellen. Hoewel het derhalve onmogelijk is de onzekerheidsmarge van dergelijke ramingen volledig te bepalen, is een gevoeligheidsanalyse, de zogenoemde Monte Carloanalyse, op de resultaten uitgevoerd op basis van de willekeurige variatie van de belangrijkste parameters.

 

Amendement

Deel A. Geraamde emissies van biobrandstoffen ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik (gCO2eq/MJ)

Gewasgroep

Geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik

Granen en andere zetmeelrijke gewassen

12

Suikers

13

Oliegewassen

55

Amendement  93

Standpunt van de Raad

Bijlage II – punt 1

Richtlijn 2009/28/EG

Bijlage V - deel C - punt 7

 

Standpunt van de Raad

Amendement

(1) In Bijlage V, deel C, wordt - punt 7 vervangen door:

(1) In bijlage V wordt deel C als volgt gewijzigd:

 

(a) punt 7 wordt vervangen door:

"7. Op jaarbasis berekende emissies uit wijzigingen van koolstofvoorraden door veranderingen in het landgebruik, el, worden berekend door de totale emissies gelijkmatig te verdelen over 20 jaar. Voor de berekening van die emissies wordt de volgende regel toegepast: el =

"7. Op jaarbasis berekende emissies uit wijzigingen van koolstofvoorraden door veranderingen in het landgebruik, el, worden berekend door de totale emissies gelijkmatig te verdelen over 20 jaar. Voor de berekening van die emissies wordt de volgende regel toegepast:

el = (CSR – CSA) × 3,664 × 1/20 × 1/P - eB,*

el = (CSR – CSA) × 3,664 × 1/20 × 1/P,

waarin:

waarin:

el = op jaarbasis berekende broeikasgasemissies ten gevolge van wijzigingen van koolstofvoorraden door veranderingen in het landgebruik (gemeten als massa (gram) CO2-equivalent per eenheid energie uit biobrandstoffen of vloeibare biomassa (megajoule)); "Akkerland"**en "land voor vaste gewassen"*** worden beschouwd als één landgebruik; CSR =

el = op jaarbasis berekende broeikasgasemissies ten gevolge van wijzigingen van koolstofvoorraden door veranderingen in het landgebruik (gemeten als massa (gram) CO2-equivalent per eenheid energie uit biobrandstoffen (megajoule));

CSR = de koolstofvoorraad per landeenheid van het referentielandgebruik (gemeten als massa (ton) koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie). Het referentielandgebruik is het landgebruik op het laatste van de volgende twee tijdstippen: januari 2008 of 20 jaar vóór het verkrijgen van de grondstoffen;

de koolstofvoorraad per landeenheid van het referentielandgebruik (gemeten als massa (ton) koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie). Het referentielandgebruik is het landgebruik op het laatste van de volgende twee tijdstippen: januari 2008 of 20 jaar vóór het verkrijgen van de grondstoffen;

CSA = de koolstofvoorraad per landeenheid van het werkelijk landgebruik (gemeten als massa (ton) koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie). Wanneer vorming van de koolstofvoorraad zich over een periode van meer dan één jaar uitstrekt, wordt de waarde voor CSA de geraamde voorraad per landeenheid na 20 jaar of wanneer het gewas tot volle wasdom komt, als dat eerder is;

de koolstofvoorraad per landeenheid van het werkelijk landgebruik (gemeten als massa (ton) koolstof per landeenheid, inclusief bodem en vegetatie). Wanneer vorming van de koolstofvoorraad zich over een periode van meer dan één jaar uitstrekt, wordt de waarde voor CSA de geraamde voorraad per landeenheid na 20 jaar of wanneer het gewas tot volle wasdom komt, als dat eerder is; en

P = de productiviteit van het gewas (gemeten als energie van de biobrandstof of vloeibare biomassa per landeenheid per jaar);" en

P = de productiviteit van het gewas (gemeten als energie van de biobrandstof of vloeibare biomassa per landeenheid per jaar)."

eB = bonus van 29 gCO2eq/MJ biobrandstof of vloeibare biomassa indien de biomassa afkomstig is van hersteld aangetast land, mits aan de in punt 8 gestelde voorwaarden is voldaan.

 

________________

 

* Het resultaat van de deling van het moleculaire gewicht van CO2 (44,010 g/mol) door het moleculaire gewicht van koolstof (12,011 g/mol) is 3,664.

 

** Akkerland als gedefinieerd door het IPCC.

 

*** Vaste gewassen worden gedefinieerd als meerjarige gewassen waarvan de stam gewoonlijk niet jaarlijks wordt geoogst, zoals hakhout met een korte omlooptijd en oliepalm.".

 

Amendement  94

Standpunt van de Raad

Bijlage II – punt 1 – letter a bis (nieuw)

Richtlijn 2009/28/EG

Bijlage V - deel C - punten 8 en 9

 

Standpunt van de Raad

Amendement

 

a bis) de punten 8 en 9 worden geschrapt.

Amendement  95

Standpunt van de Raad

Bijlage II – punt 2

Richtlijn 2009/28/EG

Bijlage VIII - deel A

 

Standpunt van de Raad

Deel A. Voorlopige geraamde emissies van grondstoffen voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa ten gevolge van indirecte verandering in het landgebruik (gCO2eq/MJ)+

Gewasgroep

Gemiddelde*

Uit de gevoeligheidsanalyse afgeleide interpercentiele spreidingsbreedte**

Granen en andere zetmeelrijke gewassen

12

8 tot en met 16

Suikers

13

4 tot en met 17

Oliegewassen

55

33 tot en met 66

________________

* De hier opgenomen gemiddelde waarden vertegenwoordigen een gewogen gemiddelde van de afzonderlijk gemodelleerde gewaswaarden.

** De hier opgenomen spreidingsbreedte weerspiegelt 90 % van de resultaten waarvoor de uit de analyse resulterende 5e en 95e percentielwaarden zijn gebruikt. Het 5e percentiel duidt op een waarde beneden welke 5 % van de waarnemingen werden aangetroffen (d.w.z. 5% van de totale gebruikte data vertoonden resultaten beneden 8, 4, en 33 gCO2eq/MJ). Het 5e percentiel duidt op een waarde beneden welke 95 % van de waarnemingen werden aangetroffen (d.w.z. 5 % van de totale gebruikte data vertoonden resultaten beneden 16, 17, en 66 gCO2eq/MJ).

+ De hier vermelde gemiddelde waarden vertegenwoordigen een gewogen gemiddelde van de afzonderlijk gemodelleerde gewaswaarden. De orde van grootte van de waarden in deze bijlage wordt beïnvloed door de reeks aannames (zoals behandeling van bijproducten, ontwikkelingen in de opbrengst, koolstofvoorraden, verplaatsing van andere grondstoffen, enz.) die worden gebruikt in de voor de raming ontwikkelde economische modellen. Hoewel het derhalve onmogelijk is de onzekerheidsmarge van dergelijke ramingen volledig te bepalen, is een gevoeligheidsanalyse, de zogenoemde Monte Carloanalyse, op de resultaten uitgevoerd op basis van de willekeurige variatie van de belangrijkste parameters.

 

Amendement

Deel A. Geraamde emissies voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa ten gevolge van indirecte verandering in het landgebruik (gCO2eq/MJ)

Gewasgroep

Geraamde emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik

Granen en andere zetmeelrijke gewassen

12

Suikers

13

Oliegewassen

55

Amendement  96

Standpunt van de Raad

Bijlage II – punt 3

Richtlijn 2009/28/EG

Bijlage IX

 

Standpunt van de Raad

Amendement

Bijlage IX

Bijlage IX

Deel A. Grondstoffen en brandstoffen waarvan de bijdrage tot het behalen van het (de) in artikel 3, lid 4, […] genoemde streefcijfer(s) wordt geacht tweemaal hun energie-inhoud te zijn

Deel A. Grondstoffen en brandstoffen waarvan de bijdrage tot het behalen van het in artikel 3, lid 4, eerste alinea, genoemde streefcijfer wordt geacht tweemaal hun energie-inhoud te zijn en die bijdragen tot het behalen van het in punt e) van de tweede alinea van artikel 3, lid 4, genoemde streefcijfer.

a) Algen wanneer zij worden gekweekt op het land in vijvers of fotobioreactoren.

 

b) De biomassafractie van gemengd, niet-gescheiden ingezameld, huishoudelijk afval waarvoor de recyclingstreefcijfers gelden overeenkomstig artikel 11, lid 2, punt a), van Richtlijn 2008/98/EG -.

b) De biomassafractie van gemengd, niet-gescheiden ingezameld, huishoudelijk afval waarvoor de recyclingstreefcijfers gelden overeenkomstig artikel 11, lid 2, punt a), van Richtlijn 2008/98/EG.

c) Bio-afval als gedefinieerd in artikel 3, punt 4, van Richtlijn 2008/98/EG van particuliere huishoudens, waarop gescheiden inzameling van toepassing is als gedefinieerd in artikel 3, punt 11, van die richtlijn.

c) Bio-afval als gedefinieerd in artikel 3, punt 4, van Richtlijn 2008/98/EG van particuliere huishoudens, waarop gescheiden inzameling van toepassing is als gedefinieerd in artikel 3, punt 11, van die richtlijn.

d) De biomassafractie van industrieel afval ongeschikt voor gebruik in de voeder- of voedselketen, met inbegrip van materiaal van de groot- en detailhandel, de agrovoedingsmiddelenindustrie en de visserij- en aquacultuursector, met uitzondering van de in deel B van deze bijlage vermelde grondstoffen.

d) De biomassafractie van industrieel afval ongeschikt voor gebruik in de voeder- of voedselketen, met inbegrip van materiaal van de groot- en detailhandel, de agrovoedingsmiddelenindustrie en de visserij- en aquacultuursector, met uitzondering van de in deel B van deze bijlage vermelde grondstoffen.

e) Stro.

e) Stro.

f) Dierlijke mest en zuiveringsslib.

f) Dierlijke mest en zuiveringsslib.

g) Effluenten van palmoliefabrieken en palmtrossen.

g) Effluenten van palmoliefabrieken en palmtrossen.

h) Talloliepek.

h) Talloliepek.

i) Ruwe glycerine.

i) Ruwe glycerine.

j) Bagasse.

j) Bagasse.

k) Draf van druiven en droesem.

k) Draf van druiven en droesem.

l) Notendoppen.

l) Notendoppen.

m) Vliezen.

m) Vliezen.

n) Kolfspillen waaruit de maïskiemen zijn verwijderd.

n) Kolfspillen waaruit de maïskiemen zijn verwijderd.

o) Biomassafractie van afvalstoffen en residuen uit de bosbouw en de houtsector, zoals schors, takken, precommercieel dunningshout, bladeren, naalden, boomkruinen, zaagsel, houtkrullen/spaanders, zwart residuloog, bruin residuloog, vezelslib, lignine en tallolie.

o) Biomassafractie van afvalstoffen en residuen uit de bosbouw en de houtsector, zoals schors, takken, precommercieel dunningshout, bladeren, naalden, boomkruinen, zaagsel, houtkrullen/spaanders, zwart residuloog, bruin residuloog, vezelslib, lignine en tallolie.

p) Ander non-food cellulosemateriaal als omschreven in artikel 2, tweede lid, punt s).

p) Ander non-food cellulosemateriaal als omschreven in artikel 2, tweede lid, punt s).

q) Ander lignocellulosisch materiaal als omschreven in artikel 2, tweede lid, punt r), met uitzondering van voor verzaging geschikte stammen of blokken en fineer.

q) Ander lignocellulosisch materiaal als omschreven in artikel 2, tweede lid, punt r), met uitzondering van voor verzaging geschikte stammen of blokken en fineer.

r) Hernieuwbare vloeibare en gasvormige brandstoffen van niet-biologische oorsprong.

 

 

Deel A bis. Grondstoffen en brandstoffen waarvan de bijdrage tot het behalen van het in artikel 3, lid 4, eerste alinea, genoemde streefcijfer wordt geacht vier maal hun energie-inhoud te zijn en die bijdragen tot het behalen van het in punt e) van de tweede alinea van artikel 3, lid 4, genoemde streefcijfer:

 

a) Algen (autotroof) wanneer zij worden gekweekt op het land in vijvers of fotobioreactoren.

 

b) Hernieuwbare vloeibare en gasvormige brandstoffen van niet-biologische oorsprong.

 

c) Afvang en benutting van koolstof voor vervoersdoeleinden.

 

d) Bacteriën.

Deel B. Grondstoffen waarvan de bijdrage tot het behalen van het in artikel 3, lid 4, eerste alinea, bedoelde streefcijfer wordt geacht tweemaal hun energie-inhoud te zijn

Deel B. Grondstoffen waarvan de bijdrage tot het behalen van het in artikel 3, lid 4, eerste alinea, bedoelde streefcijfer wordt geacht tweemaal hun energie-inhoud te zijn

a) Gebruikte bak- en braadolie.

a) Gebruikte bak- en braadolie.

b) Dierlijke vetten, ingedeeld als categorieën 1 en I2 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009*.

b) Dierlijke vetten, ingedeeld als categorieën1 en 2 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009*.

 

b bis) Grondstoffen die door de bevoegde nationale autoriteiten werden beschouwd als afval, residuen of non-foodcellulosemateriaal en die vóór 31 december 2014 in bestaande installaties werden gebruikt.

________________

________________

*Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1).".

*Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1).".

(1)

PB C xxx van 16.12.2014, blz. xxx.


TOELICHTING

Veel van de wijzigingen van de rapporteur op deze richtlijn zijn gebaseerd op het standpunt in eerste lezing van het Europees Parlement, dat de rapporteur beschouwt als een goed uitgangspunt voor het werk aan dit voorstel van het nieuw verkozen Parlement. Het opnieuw indienen van amendementen uit het standpunt in eerste lezing van het Parlement stelt collega's in staat aan het belangrijke debat deel te nemen, terwijl het door het Parlement bij zijn standpunt in eerste lezing bereikte compromis wordt nageleefd.

Bij Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen wordt een verplicht streefcijfer vastgesteld: tegen 2020 moet een aandeel van 10 % van de in de vervoerssector gebruikte energie hernieuwbaar zijn. Tegelijkertijd is krachtens Richtlijn 98/70/EG het bindende streefcijfer vastgesteld van een vermindering tegen 2020 van 6 % van de broeikasgasintensiteit van brandstoffen voor het wegvervoer en niet voor de weg bestemde mobiele machines.

Het voorstel van de Commissie, dat in oktober 2012 werd ingediend, heeft tot doel een begin te maken met de overstap naar een biobrandstoffenbeleid dat een aanzienlijke vermindering van broeikasgassen kan opleveren als ook rekening wordt gehouden met de emissies ten gevolge van indirecte veranderingen in het landgebruik.

Met het oog hierop heeft de Commissie onder meer voorgesteld om:

- de bijdrage van conventionele biobrandstoffen voor het bereiken van de bij Richtlijn 2009/28/EG vastgestelde streefcijfers te verminderen;

- de broeikasgasprestaties van de biobrandstofproductieprocessen te verbeteren door de drempel voor de reductie van broeikasgasemissies voor nieuwe installaties te verhogen, met bescherming van installaties die op 1 juli 2014 operationeel zijn;

- de marktpenetratie van geavanceerde biobrandstoffen te bevorderen door dergelijke biobrandstoffen een grotere bijdrage te doen leveren aan het bereiken van de streefcijfers van Richtlijn 2009/28/EG dan conventionele biobrandstoffen.

Naar verwachting kunnen biobrandstoffen een aanzienlijke bijdrage leveren aan het bereiken van de streefcijfers voor 2020. Tegelijkertijd wordt verwacht dat de emissies van de vervoersector tegen 2030 zullen zijn toegenomen. De hervorming van het biobrandstoffenbeleid van de Unie vormt een gelegenheid om deze ontwikkeling te corrigeren.

De rapporteur staat positief tegenover de doelstellingen van de Commissie en is het grotendeels met deze doelstellingen eens. Het Europees Parlement heeft in september 2013 zijn standpunt in eerste lezing vastgesteld. De Raad heeft in december 2014 zijn standpunt vastgesteld. Hoewel beide standpunten meerdere overeenkomsten vertonen, wat de rapporteur toejuicht, moeten er nog enkele belangrijke kwesties worden opgelost. Deze kwesties zijn bepalend voor de doeltreffendheid van deze regelgeving. De rapporteur heeft amendementen ingediend om deze belangrijke kwesties aan te pakken. Veel van deze amendementen zijn gebaseerd op het standpunt van het Parlement in eerste lezing.

De voornaamste kwesties volgens de rapporteur:

- De beperking van conventionele biobrandstoffen

Het Europees Parlement heeft in zijn eerste lezing een standpunt aangenomen waarbij het een maximumpercentage van 6,5 % invoert voor het aandeel van conventionele biobrandstoffen die kunnen bijdragen aan het bereiken van de in Richtlijnen 2009/28/EG en 98/70/EG vastgestelde streefcijfers. Dit betekende een verhoging ten aanzien van het door de Commissie ingevoerde maximumpercentage van 5 %, met het doel om reeds gedane investeringen te beschermen. Volgens het Parlement moet dit maximumpercentage ook van toepassing zijn op de financiële steun die voor deze biobrandstoffen wordt verleend. De rapporteur is van oordeel dat er, als we de streefcijfers voor 2020 uit Richtlijnen 2009/28/EG en 98/70/EG willen bereiken en als we de overstap naar geavanceerde biobrandstoffen willen waarborgen, behoefte is aan een strenge bovengrens voor biobrandstoffen die afkomstig zijn van op land verbouwde teelten. De rapporteur is verontrust door de door de Raad ingevoerde verdere verhoging van de bovengrens, en heeft er daarom voor gekozen het standpunt in eerste lezing van het Parlement opnieuw in te dienen. Deze bovengrens moet ook van toepassing zijn op de doelstellingen van de richtlijn brandstofkwaliteit, met het oog op de consistentie van de verscheidene beleidsmaatregelen.

- Indirecte veranderingen in landgebruik en de daaraan gerelateerde factoren

Als de gevolgen van indirecte veranderingen in het landgebruik niet worden aangepakt, komen de klimaatdoelstellingen van de EU voor de vervoerssector onder druk te staan. In zijn standpunt in eerste lezing heeft het Europees Parlement een amendement ingevoerd dat erop gericht is de indirecte veranderingen in het landgebruik vanaf 2020 mee te nemen in de koolstofboekhouding voor Richtlijn 98/70/EG. Indirecte veranderingen in het landgebruik en de daaraan gerelateerde factoren blijven voor rapportagedoeleinden onder Richtlijn 2009/28/EG vallen, en de Commissie moet deze factoren uiterlijk in 2016 herzien. Dit amendement is niet goedgekeurd door de Raad. Bovendien heeft de Raad de rapportageverplichtingen voor emissies die verband houden met indirecte veranderingen in landgebruik afgezwakt. Voorts roept de invoering van het nieuwe concept van "biobrandstoffen met een laag risico op indirecte veranderingen in landgebruik" in het standpunt van de Raad vragen op over de toepassing daarvan in de praktijk. Dit concept moet duidelijk verder worden uitgewerkt.

Ook in deze kwestie heeft de rapporteur ervoor gekozen het standpunt van het Parlement in eerste lezing opnieuw in te dienen, om een sterk signaal te doen uitgaan dat ernstig rekening moet worden gehouden met indirecte veranderingen in landgebruik en de daaraan gerelateerde factoren. Hoe dan ook moet de methodologie voor de raming van de emissiefactoren voor veranderingen in landgebruik volledig worden herzien en aangepast aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang.

- Streefcijfer voor geavanceerde biobrandstoffen

In zijn standpunt in eerste lezing heeft het Parlement een bindend streefcijfer voor geavanceerde biobrandstoffen ingevoerd van 0,5 % in 2016 en van 2,5 % in 2020. Deze ambitieuze streefcijfers moeten krachtige stimulansen bieden om de marktpenetratie van dergelijke brandstoffen, ook op langere termijn, te bevorderen. De rapporteur is er sterk van overtuigd dat er een bepaald aandeel voor geavanceerde biobrandstoffen moet worden gereserveerd in de toekomstige brandstofmix. Een ambitieus en bindend streefcijfer voor geavanceerde biobrandstoffen is een doeltreffende manier om dit te bewerkstelligen. In dit verband waardeert hij dat de Raad ook een stap in deze richting heeft genomen. De Raad stelt echter een niet-bindend streefcijfer voor dat gebaseerd is op een significant lager referentieniveau (0,5%). Het is zeer de vraag of een dergelijk laag niveau van ambitie, in combinatie met de overige door de Raad voorgestelde wijzigingen, een betekenisvolle stimulans kan opleveren voor de nodige transformatie in de richting van schonere brandstoffen.

- Een beleid voor na 2020

Volgens de rapporteur is het gebrek aan een langetermijnperspectief een van de grootste uitdagingen bij de herziening van de Richtlijnen 2009/28/EG en 98/70/EG. Met het oog op het scheppen van een langetermijnperspectief voor investeringen en op het ondersteunen van innovaties op het gebied van duurzame biobrandstoffen en andere manieren om de vervoerssector koolstofvrij te maken, moet worden gekeken naar instrumenten en maatregelen voor een alomvattende en technologieneutrale aanpak ter bevordering van lagere emissies en energie-efficiëntie in het vervoer. Daarom heeft de rapporteur ervoor gekozen amendementen in te dienen die onderstrepen dat Europa behoefte heeft aan een langeretermijnbeleid waarmee het investeringen kan aantrekken.

Als we onze verantwoordelijkheid niet nemen, riskeert Europa door de technologie te worden ingehaald wat duurzame brandstoffen betreft. Dit kunnen wij ons niet veroorloven – ongeacht onze politieke kleur. Het verliezen van de uitdaging zou het einde betekenen van een groener Europa, en ook van een Europa met een gunstiger klimaat voor banen en investeringen.


PROCEDURE

Titel

Wijziging van de richtlijn inzake kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en van de richtlijn inzake energie uit hernieuwbare bronnen (indirecte wijziging van het bodemgebruik)

Document- en procedurenummers

10710/2/2014 – C8-0004/2015 – 2012/0288(COD)

Datum eerste lezing EP – P-nummer

11.9.2013                     T7-0357/2013

Voorstel van de Commissie

COM(2012)0595 - C7-0337/2012

Datum bekendmaking ontvangst standpunt van de Raad in eerste lezing

15.1.2015

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

ENVI

15.1.2015

 

 

 

Rapporteurs

       Datum benoeming

Nils Torvalds

17.7.2014

 

 

 

Behandeling in de commissie

21.1.2015

 

 

 

Datum goedkeuring

24.2.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

39

26

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Margrete Auken, Pilar Ayuso, Zoltán Balczó, Catherine Bearder, Ivo Belet, Biljana Borzan, Lynn Boylan, Cristian-Silviu Bușoi, Nessa Childers, Birgit Collin-Langen, Mireille D’Ornano, Miriam Dalli, Seb Dance, Angélique Delahaye, Ian Duncan, Stefan Eck, Bas Eickhout, Eleonora Evi, José Inácio Faria, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Enrico Gasbarra, Gerben-Jan Gerbrandy, Jens Gieseke, Julie Girling, Sylvie Goddyn, Matthias Groote, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, Jytte Guteland, György Hölvényi, Anneli Jäätteenmäki, Jean-François Jalkh, Karin Kadenbach, Kateřina Konečná, Giovanni La Via, Peter Liese, Norbert Lins, Valentinas Mazuronis, Susanne Melior, Miroslav Mikolášik, Massimo Paolucci, Piernicola Pedicini, Bolesław G. Piecha, Pavel Poc, Marcus Pretzell, Frédérique Ries, Michèle Rivasi, Daciana Octavia Sârbu, Annie Schreijer-Pierik, Davor Škrlec, Tibor Szanyi, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Nils Torvalds, Glenis Willmott, Jadwiga Wiśniewska

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Paul Brannen, Nicola Caputo, Mark Demesmaeker, Christofer Fjellner, Esther Herranz García, Merja Kyllönen, Jo Leinen, James Nicholson, Younous Omarjee, Alojz Peterle, Sirpa Pietikäinen, Bart Staes

Datum indiening

26.2.2015

Juridische mededeling