Procedure : 2014/2220(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0054/2015

Ingediende teksten :

A8-0054/2015

Debatten :

PV 19/05/2015 - 9
CRE 19/05/2015 - 9

Stemmingen :

PV 21/05/2015 - 7.4
CRE 21/05/2015 - 7.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0213

VERSLAG     
PDF 235kWORD 107k
19.3.2015
PE 544.334v02-00 A8-0054/2015

over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (op basis van het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid)

(2014/2220(INI))

Commissie buitenlandse zaken

Rapporteur: Arnaud Danjean

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 MINDERHEIDSSTANDPUNT
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (op basis van het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid)

(2014/2220(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (op basis van het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid),

–   gezien het jaarverslag van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie (hv/vv) aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, in het bijzonder de delen over het Europees veiligheids- en defensiebeleid (12094/14),

–   gezien de artikelen 2 en 3 en titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), in het bijzonder de artikelen 21, 24 en 36,

–   gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–   gezien de conclusies van de Europese Raad van 18 december 2013,

–   gezien de conclusies van de interparlementaire conferentie voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van 4 april 2014 en 7 november 2014,

–   gezien de Europese veiligheidsstrategie (EVS) getiteld "Een veilig Europa in een betere wereld", die op 12 december 2003 door de Europese Raad is aangenomen, en gezien het verslag over de tenuitvoerlegging van de EVS getiteld "Veiligheid in een veranderende wereld", dat op 11 en 12 december 2008 is aangenomen door de Europese Raad,

–   gezien de conclusies van de Raad over het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van 25 november 2013 en 18 november 2014,

–   gezien het voortgangsverslag van 7 juli 2014 van de hv/vv en het hoofd van het Europees Defensieagentschap over de tenuitvoerlegging van de conclusies van de Europese Raad van december 2013,

–   gezien de gezamenlijke mededeling van de vv/hv en de Commissie over de alomvattende EU-aanpak van externe conflicten en crisissituaties en de conclusies van de Raad van 12 mei 2014 die hiermee verband houden,

–   gezien de gezamenlijke mededeling over een EU-strategie inzake cyberveiligheid: een open, veilige en beveiligde cyberruimte, en de desbetreffende conclusies van de Raad van 25 juni 2013, en gezien het EU-beleidskader voor cyberdefensie aangenomen op 18 november 2014,

–   gezien de maritieme veiligheidsstrategie van de EU van 24 juni 2014 en het actieplan voor de maritieme veiligheidsstrategie van de EU van december 2014,

–   gezien het besluit van de Raad van 24 juni 2014 inzake de regelingen voor de toepassing van de solidariteitsclausule van de Unie,

–   gezien het beleidskader voor systematische en langetermijnsamenwerking op het vlak van defensie aangenomen op 18 november 2014,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 24 juli 2013 getiteld "Naar een meer competitieve en efficiënte defensie- en veiligheidssector" (COM(2013)0542) en het stappenplan voor de uitvoering ervan van 24 juni 2014 (COM(2014)0387),

–   gezien Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap(1),

–   gezien Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en tot wijziging van Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG(2),

–   gezien zijn resoluties over het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, in het bijzonder die van 21 november 2013 over de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid(3) en over de Europese technologische en industriële defensiebasis(4), en van 12 september 2013 over de maritieme dimensie van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid(5) en over de militaire structuren van de EU: stand van zaken en toekomstperspectieven(6),

–   gezien zijn resolutie van 22 november 2012 over cyberveiligheid en defensie(7),

–   gezien zijn resolutie van 3 april 2014 over de alomvattende aanpak van de EU en de gevolgen ervan voor de coherentie van het externe optreden van de EU(8),

–   gezien zijn aanbeveling aan de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie, de Raad en de Commissie van 13 juni 2013 over de evaluatie in 2013 van de organisatie en het functioneren van de EDEO(9) en gezien de conclusies van de Raad over de EDEO-evaluatie 2013 van 17 december 2013(10),

–   gezien het Handvest van de Verenigde Naties,

–   gezien artikel 132, lid 1, van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0054/2015),

Algemene veiligheidssituatie

1.  meent dat de veiligheidssituatie van de EU en haar Oostelijke en Zuidelijke buurlanden steeds minder stabiel wordt vanwege het grote aantal langdurige en nieuwe, opkomende bedreigingen voor de veiligheid; meent dat het conflict in Oost-Oekraïne, de conflicten in Syrië en Irak, met de opkomst van de terroristische organisatie ISIS, de crisis in Libië en de terroristische dreiging in Afrika (in het bijzonder in de Sahel, Libië en de Hoorn van Afrika) de veiligheid van de Unie rechtstreeks in gevaar brengen; meent bovendien dat het door de accentverschuiving in de Verenigde Staten naar Azië en de Stille Oceaan evenals door de gevolgen van de financiële crisis voor de defensiebegrotingen en -vermogens van de lidstaten, duidelijk is geworden dat de Unie en de lidstaten een sterkere verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun eigen veiligheid en defensie; benadrukt dat de EU enkel doeltreffend op de nieuwe, hierboven genoemde veiligheidsuitdagingen kan reageren als haar structuren en haar lidstaten op een goed gecoördineerde manier samenwerken in de context van het GBVB/GVDB;

2.  is van mening dat sinds de totstandkoming van het EVDB/GVDB aan het einde van de jaren '90, de onveiligheid aan de grenzen en in de nabije omgeving van de EU nog nooit zo sterk is geweest; is er bezorgd over dat de Unie niet in staat is om gezamenlijk en beslissend op te treden tegen deze dreigingen en zich te vaak moet beperken tot de initiatieven van een of meerdere lidstaten of tot ad-hocverbonden waarin zij slechts een marginale of aanvullende rol speelt;

3.  is van mening dat de Unie en haar lidstaten zich met spoed aan deze nieuwe veiligheidsuitdagingen moeten aanpassen, in het bijzonder door effectief gebruik te maken van de bestaande GVDB-instrumenten, onder andere door deze beter te koppelen aan de instrumenten voor het buitenlands beleid, de humanitaire hulp en het ontwikkelingsbeleid van de EU, door nationale acties sterker te coördineren en middelen sterker te bundelen, en, indien noodzakelijk, door op pragmatische en flexibele wijze gebruik te maken van nieuwe Europese-solidariteitsmechanismen; benadrukt dat de grenzen tussen buitenlandse veiligheid en binnenlandse veiligheid steeds verder vervagen; roept dan ook op tot sterkere samenhang tussen externe en interne instrumenten, en tot sterkere samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten, in het bijzonder op het gebied van terrorismebestrijding, georganiseerde misdaad, cyberdefensie en migratie, onder leiding van de vv/hv;

4.  benadrukt dat de Unie haar kracht en bestaansrecht put uit haar vermogen om middelen te mobiliseren en tegelijkertijd een breed scala aan diplomatieke, veiligheids-, defensie-, economische, handels-, ontwikkelings- en humanitaire instrumenten in te zetten, met volledige inachtneming van de bepalingen van het handvest van de Verenigde Naties; benadrukt dat de militaire en civiele instrumenten van het GVDB integraal onderdeel zijn van deze alomvattende aanpak;

Van de Raad van december 2013 tot juni 2015: het GVDB, een werkelijke prioriteit?

5.  is verheugd over de conclusies van de Raad van december 2013, waarin de noodzaak wordt erkend om het GVDB te versterken, de doeltreffendheid, zichtbaarheid en impact van dit beleid te verbeteren, de vermogens verder te ontwikkelen en de Europese defensie-industrie te versterken;

6.  betreurt, in het bijzonder gezien de toenemende externe instabiliteit, dat de in 2013 gegeven politieke impuls niet heeft geleid tot sterkere samenwerking en de inhoudelijke en snelle uitvoering van concrete maatregelen met het potentieel om de uitgesproken ambities te realiseren; meent dat de Unie tot op heden nauwelijks over de vermogens en de operationele en industriële middelen beschikt om op beslissende wijze te kunnen deelnemen aan de preventie en het beheer van internationale crises en om haar strategische autonomie en haar strategische belangen te kunnen waarborgen, overeenkomstig de waarden en normen die zijn vastgelegd in artikel 21 van het Verdrag van Lissabon; verzoekt de lidstaten om dringend concrete maatregelen uit te voeren;

7.  is ingenomen met de benoeming van de nieuwe vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Federica Mogherini; is verheugd over haar eerste verklaringen en over haar besluit om de Raad Buitenlandse Zaken en Defensie voor te zitten, waaruit haar belangstelling voor het GVDB blijkt; hoopt dat haar standpunten een positieve impuls zullen geven aan de ontwikkeling van het GVDB; verzoekt de vv/hv om een voortrekkersrol te spelen in de werkzaamheden met het oog op de verdere tenuitvoerlegging van het GVDB en de bundeling en deling van Europese defensievermogens; verzoekt de Commissie om de werkzaamheden van de task force defensie voort te zetten op Commissieniveau, onder leiding van de vv/hv, om zo politieke sturing en toezicht te verzekeren;

8.  verwacht dat de lidstaten en de Europese instellingen, vóór de vergadering van de Europese Raad van juni 2015, tijdens welke opnieuw defensievraagstukken zullen worden behandeld, concrete maatregelen zullen aannemen overeenkomstig de in december 2013 gedane toezeggingen; is verheugd over de bevestiging van de staatshoofden dat de Raad Defensie op 16 juni 2015 zal plaatsvinden en roept hen op de beperkte tenuitvoerlegging kritisch bekijken en meer druk uit te oefenen op de defensiebureaucratie om de besluiten die in december 2013 op het hoogste politieke niveau zijn genomen, ten uitvoer te leggen; benadrukt dat de Europese Raad van juni 2015 onwillige lidstaten ertoe moet aansporen om meer middelen te investeren in defensie, en zijn inspanningen moet toespitsen op die gebieden van het crisisbeheer waarop de EU echt een meerwaarde kan bieden;

9.  is van mening dat tijdens de volgende vergadering van de Europese Raad Defensie besluiten moeten worden genomen die zullen leiden tot de verbetering van het vermogen van de Unie en de lidstaten wat betreft territoriale defensie, als aanvulling op de NAVO, en wat betreft het vermogen om te reageren op interne veiligheidsuitdagingen en om de nodige inzetbare vermogens te ontwikkelen om een zinvolle bijdrage van de EU aan het crisisbeheer te verzekeren, en het Europese Defensieagentschap en de Europese technologische en industriële defensiebasis moet versterken, door te starten met de uitwerking van een breed veiligheidsconcept waarin de interne en externe dimensie van veiligheid worden geïntegreerd;

GVDB-missies en -operaties

10. is bezorgd over het feit dat ook de laatste civiele en militaire operaties van het GVDB op de sinds vele jaren bekende structurele tekortkomingen zijn gestuit, namelijk gebrek aan efficiëntie om onmiddellijk te reageren op civiele en militaire acties, lange en rigide besluitvormingsprocessen, behoefte aan meer solidariteit tussen de lidstaten met betrekking tot de financiering van de missies, gebrekkige afstemming van de mandaten van de missies op de betrokken gebieden, budgettaire beperkingen, problemen bij de opbouw van de troepenmacht, onvoldoende logistiek reactievermogen en een tekort aan financiële middelen;

11. is van mening dat het vraagstuk rond de financiering van de GVDB-missies en -operaties van wezenlijk belang is voor de toekomst van dit beleid; betreurt dat het tijdens de vergadering van de Raad in december 2013 begonnen debat hierover vooralsnog tot geen enkel concreet voorstel geleid heeft; acht het wenselijk dat het Athenamechanisme systematisch de uitgaven van GVDB-missies en -operaties dekt, in het bijzonder in verband met de inzet van EU-gevechtstroepen, infrastructuur voor de huisvesting van de troepen, uitgaven met betrekking tot de instelling van toegangspunten voor troepen tot het strijdtoneel en, indien nodig, veiligheidsvoorraden van voedsel en brandstof; acht het bovendien wenselijk dat dit mechanisme wordt gebruikt voor het beheer van de financiering door lidstaten, op bilaterale wijze, en door derde landen en internationale organisaties, waardoor deze in staat worden gesteld om financieel aan operaties deel te nemen en dat in bijzonder gegronde gevallen de deelname van derde landen in crisisinterventieoperaties en -missies van de Europese Unie wordt ondersteund;

12. spoort aan tot verdere inspanningen om de geldverschaffing voor civiele missies te bespoedigen en besluitvormingsprocedures en uitvoering te vereenvoudigen; is in dit verband van mening dat de Commissie middels gedelegeerde handelingen en in overeenstemming met artikel 210 van het Financieel Reglement specifieke aanbestedingsregels dient in te voeren voor de crisisbeheersingsmaatregelen uit hoofde van het GVDB, om zo het snelle, soepele verloop van operaties te bevorderen;

13. verzoekt om een mechanisme van vervroegde financiering als hulp voor de lidstaten die wensen deel te nemen aan een GVDB-missie om hun deelname te bekostigen en op die manier de beslissing om de missie op te starten te vergemakkelijken;

14. benadrukt de bijdrage van de EU aan de internationale veiligheid, het crisisbeheer en de vredeshandhaving via de civiele en militaire missies en operaties van de EU, als belangrijk onderdeel van de brede EU-aanpak; merkt op dat de door de Europese Unie sinds 2009 begonnen civiele en militaire missies te vaak zijn opgezet om bij crises zichtbaarheid te geven aan de Unie en niet als strategisch instrument op basis van een diepgaande analyse en planning; is van mening dat deze missies, waarvan moet worden benadrukt en toegejuicht hoe professioneel en toegewijd het personeel ter plaatse is, daadwerkelijke, doeltreffende politieke instrumenten moeten zijn die op verantwoordelijke wijze worden gebruikt, als onderdeel van een algemene actiestrategie, in het bijzonder in de omgeving van de EU; steunt de lopende herziening van de crisisbeheersingsstructuren binnen de EDEO; dringt er bij de vv/hv op aan de bestaande structuren veel efficiënter te maken zodat er sneller en adequater kan worden ingesprongen op zich voordoende crises, onder meer door het aantal parallelle structuren te verminderen;

15. beschouwt gekwalificeerd personeel dat over de juiste opleiding, vaardigheden en leiderskwaliteiten beschikt als belangrijk onderdeel van een geslaagde missie;

16. heeft onder andere twijfels over de aanvang en het behoud van een missie voor grensbeheer in Libië (EUBAM, Libië), in een institutionele en veiligheidscontext die nog altijd zodanig is dat de vastgestelde basisdoelstellingen niet kunnen worden gehaald; verzoekt om de behoeften van Libië opnieuw te beoordelen in het licht van de recente zorgwekkende ontwikkelingen, om zo gepast te kunnen reageren op veiligheidsproblemen, bijvoorbeeld in verband met de voortgezette inspanningen in de strijd tegen terrorisme in Mali en de Sahel;

17. is van mening dat de doeltreffendheid van de 17 lopende EU-missies in het buitenland moet worden geëvalueerd;

18. betreurt eveneens dat, gezien de situatie in de Gazastrook, de discussies van de Raad over de EU-missie voor bijstandverlening inzake grensbeheer in Rafah (EUBAM, Rafah) nog steeds geen resultaten hebben opgeleverd; verzoekt om de reactivering van deze missie en om een nieuwe beoordeling van het mandaat, de grootte en de middelen ervan, opdat een bijdrage kan worden geleverd aan het toezicht op de grens van de Gazastrook met Egypte en Israël;

19. is ingenomen met de uitgebreide inzet van de EU in de Hoorn van Afrika, onder andere via de GVDB-missies en -operaties EUTM Somalië, EUNAVFOR Atalanta en EUCAP Nestor; merkt in dit verband op dat de activiteiten van EUCAP Nestor plaatshebben in een gecompliceerde institutionele en operationele omgeving, met zeer veel internationale spelers, waaronder de EU; verzoekt de Raad en de EDEO in dit verband om de doelstellingen van de missie te rationaliseren;

20. hoopt dat de twee civiele missies die dit jaar van start zijn gegaan – de missie van de Raad gericht op de hervorming van de civiele veiligheidssector in Oekraïne (EUAM Oekraïne) en de missie ter ondersteuning van de binnenlandse veiligheidsdiensten van Mali (EUCAP Sahel Mali), hun mandaat doeltreffend zullen vervullen en zich zullen toespitsen op duidelijk vastgestelde, meetbare en op de lange termijn gerichte doelstellingen;

21. wijst op het bestaan sinds juni 2013 van een opslagruimte voor een snelle beschikbaarstelling van noodzakelijke middelen aan civiele GVDB-missies; is van mening dat deze opslagruimte slechts doeltreffend kan worden gebruikt indien deze in dienst staat van de betrokken missiehoofden en de door hen vastgestelde behoeften, en niet pas kan worden ingezet na een besluit van de Commissie; wenst dat jaarlijks een activiteitenverslag betreffende deze opslagruimte wordt opgesteld, om een concrete beoordeling te kunnen maken van de toegevoegde waarde ervan voor de snelle inzet van civiele missies;

22. is verheugd over de lopende studies voor de oprichting van een gezamenlijk dienstencentrum waarin de middelen bestemd voor de civiele GVDB-missies zouden worden gebundeld en waardoor de missies efficiënter zouden worden ingezet; verzoekt om de oprichting van een gezamenlijk dienstencentrum; is van mening dat de meest doeltreffende oplossing zou bestaan uit één enkele institutionele structuur binnen de EDEO waarbinnen de diensten voor civiele missies (personeelszaken, IT, logistiek...) zouden worden gecentraliseerd en gerationaliseerd, die tot op heden voor elke missie apart worden geregeld;

23. merkt op dat de militaire GVDB-operaties steeds vaker gericht zijn op de opleiding van troepenmachten (EUTM Mali en EUTM Somalië); is verheugd over het besluit om deze operaties uit te voeren, maar benadrukt dat het mandaat van elke missie moet worden aangepast aan de omstandigheden in elke afzonderlijke situatie; is van mening dat de samengestelde eenheden volledig operationeel moeten zijn en dus over aanvalsvermogen dienen te beschikken; betreurt dat missies met een uitvoerend mandaat tegenwoordig nog maar zelden worden overwogen; is van mening dat gezien de aanhoudende dreigingen in de omgeving van de EU, de Unie het zich niet kan veroorloven om zich uitsluitend te richten op de instrumenten die worden ingezet na afloop van crises of ter begeleiding van de beëindiging van crises en dat zij moet kunnen optreden op alle gebieden van crisisbeheer, in overeenstemming met het Handvest van de Verenigde Naties;

24. betreurt de aanhoudende problemen rond de opbouw van troepen die zijn ondervonden bij het opstarten van militaire missies; merkt op dat, met uitzondering van EUTM Mali, waaraan 23 lidstaten effectief bijdragen, bij alle lopende militaire EU-operaties slechts zes lidstaten betrokken zijn; dringt er bij de lidstaten op aan meer troepen te leveren voor operaties, wanneer de nodige nationale vermogens voorhanden zijn; wijst op de noodzaak van een gemeenschappelijke en op samenwerking gebaseerde aanpak voor het bijeenbrengen van de nodige troepen; is ingenomen met de bijdragen van derde landen, die getuigen van de concrete waarde van partnerschappen binnen het GVDB; verzoekt de lidstaten een sterkere bereidheid te tonen wat betreft militaire EU-operaties en op basis hiervan de middelen en vermogens waarover zij beschikken voor deelname hieraan, ter beschikking te stellen;

25. is van mening dat, aangezien zowel de civiele (EUCAP) als de militaire (EUTM) missies van de Unie gericht zijn op opleiding, een structureel beleid zou moeten worden ingevoerd om deze missies op langere termijn te kunnen waarborgen via een doeltreffend mandaat en efficiënte doelstellingen die afgestemd zijn op de situatie waarin de missie plaatsvindt, door het bieden van financiële en materiële bijstand; meent dat met dit nieuwe beleid, als onderdeel van de inspanningen van de Unie voor samenwerking en ontwikkeling, verdere uitvoering zou kunnen worden gegeven aan de werkzaamheden in het kader van de initiatieven "Train and Equip" en "E2I" gericht op de versterking van de capaciteiten van derde landen (materieel, wapens, infrastructuur, salarissen), opdat deze over operationele troepenmachten beschikken; spoort de Commissie er in dit verband toe aan om innovatieve financieringsbronnen te verkennen;

26. neemt nota van het in november 2013 door de Raad geuite voornemen om de modulaire structuur en de flexibiliteit van de EU-gevechtstroepen te verbeteren opdat deze kunnen worden ingezet voor alle soorten crisisbeheerstaken; merkt echter op dat de enige vooralsnog in dit verband geboekte (zeer beperkte) vooruitgang eruit bestaat dat wordt overwogen om het Athenamechanisme de kosten voor het strategisch vervoer van de gevechtstroepen naar de operatietonelen te laten dekken; erkent dat de weinig constructieve houding bij alle lidstaten een politieke en operationele belemmering vormt voor de inzet van gevechtstroepen;

27. is verheugd over het positieve bericht van de laatste informele vergadering van de Raad Defensie dat het potentieel van artikel 44 VEU zal worden onderzocht; betreurt evenwel dat door de verdeeldheid over dit onderwerp geen vooruitgang is geboekt wat betreft de toepassingsbepalingen van artikel 44; is van mening dat met de tenuitvoerlegging van artikel 44 de flexibiliteit van de Unie en de snelheid waarmee zij kan optreden aanzienlijk kunnen worden verbeterd, en dus ook haar capaciteit om de haar omringende dreigingen te bestrijden; spoort de lidstaten die geen belang hebben bij of niet de middelen hebben voor deelname aan GVDB-missies aan een constructieve houding aan te nemen door het optreden van andere lidstaten, indien deze dit wenselijk achten, mogelijk te maken;

28. verzoekt de vv/hv bovendien om de mogelijkheden van andere artikelen ter zake van het Verdrag van Lissabon te onderzoeken, in het bijzonder de artikelen over het startfonds (art. 41 VEU), permanente gestructureerde samenwerking (art. 46 VEU), de solidariteitsclausule (art. 222 VWEU) en de clausule betreffende wederzijdse bijstand (art. 42 VEU);

29. wenst dat serieus wordt overwogen om gebruik te maken van multilateraal stafpersoneel – in formaties die blijk geven van de noodzakelijke modulariteit –, waarvan de doeltreffendheid reeds in de praktijk is bewezen, zoals het Eurocorps van Straatsburg;

30. verbaast zich erover dat er nog steeds geen gemeenschappelijke EU-strategie bestaat om het hoofd te bieden aan de nieuwe uitdagingen met betrekking tot de veiligheid in de EU; is ingenomen met het voornemen en de verbintenis van de vv/hv om een proces van strategische bezinning over de uitdagingen en kansen voor het buitenlands en veiligheidsbeleid op te zetten; herinnert eraan dat met dit proces wordt beoogd een nieuwe gemeenschappelijke Europese veiligheidsstrategie te ontwikkelen ter vaststelling van de nieuwe geostrategische scenario's, dreigingen en wereldwijde uitdagingen, en de acties vast te stellen die de EU kan ondernemen in reactie hierop, met name in het kader van GBVB en het GVDB; verzoekt de vv/hv bovendien om een breed proces te starten om een nog ambitieuzer witboek inzake Europese veiligheid en defensie te ontwikkelen om de strategische ambities en de processen voor vermogensontwikkeling van de EU te stroomlijnen; wacht op de toekomstige mededeling van de vv/hv waarin de effecten van de veranderingen op de situatie in de wereld zullen worden beoordeeld en de uitdagingen en kansen ervan voor de EU zullen worden bepaald;

31. is ingenomen met de goedkeuring op 18 november 2014 van het EU-beleidskader voor cyberdefensie, waarin vijf prioriteiten zijn vastgesteld voor cyberdefensie in het kader van het GVDB en waarin de rol van de verschillende actoren wordt verduidelijkt; is verheugd over het feit dat met het kader wordt beoogd de ontwikkeling van nationale capaciteiten op het gebied van cyberdefensie te ondersteunen en de bescherming van communicatienetwerken voor de GVDB-instrumenten te versterken; benadrukt dat een gemeenschappelijk niveau van cyberveiligheid in de lidstaten moet worden bereikt om vooruitgang te kunnen boeken bij de samenwerking op dit gebied en ons vermogen ter bestrijding van cyberaanvallen en cyberterrorisme te versterken, en hoopt dat dit actieplan het begin zal zijn van een meer systematische integratie van cyberdefensieaspecten in de nationale-veiligheidsstrategieën van de lidstaten, en ertoe zal leiden dat de EU-instellingen zich bewust worden van het belang van cyberdefensie; verzoekt verder om een samenhangende Europese strategie om kritieke (digitale) infrastructuur te beveiligen tegen cyberaanvallen en tegelijkertijd de digitale rechten en vrijheden van de burgers te beschermen en te bevorderen; herinnert aan de noodzaak van meer duidelijkheid en een passend rechtskader, gezien de problemen bij het toeschrijven van cyberaanvallen en de behoefte aan een evenredige en noodzakelijke respons in alle contexten;

32. wijst op de onmiddellijke dreiging voor het cyberdomein en onderstreept de noodzaak van weerbaarheid en paraatheid in de EU om op cybercrises te reageren, ook in de context van het GVDB, en spoort daarom alle lidstaten ertoe aan om hun ontwikkeling van cyberdefensievermogens onverwijld aanzienlijk te versterken; benadrukt dat er moet worden geïnvesteerd in hooggekwalificeerd menselijk kapitaal en O&I; wijst op de noodzaak van synergieën en complementariteit in het civiele en het militaire domein van cyberveiligheid en -defensie in de EU; onderstreept het belang van een nauwere samenwerking op het gebied van cyberdefensie met de NAVO;

33. benadrukt het belang van samenwerking tussen de EU en andere internationale instellingen op het gebied van veiligheid en defensie, in het bijzonder de VN, de NAVO, de Afrikaanse Unie en de OVSE; is verheugd over de verklaring van de top van de NAVO in Wales van september 2014, waarin de organisatie haar steun aan de ontwikkeling van het GVDB bevestigt; dringt aan op de uitvoering van maatregelen voor de versterking van de twee organisaties;

Vermogens

34. meent dat de gevolgen van de economische en financiële crisis van 2008 hebben geleid tot een verlaging van de nationale defensiebegrotingen en dat deze verlaging is opgetreden zonder de minste coördinatie tussen de lidstaten, waardoor de strategische autonomie van de Unie in gevaar is gebracht, evenals de mogelijkheden van haar lidstaten om te voorzien in de vermogensbehoeften van hun krijgsmacht, en afbreuk is gedaan aan de verantwoordelijkheden en het potentieel van de Unie als mondiale verstrekker van veiligheid; benadrukt dat het belangrijk is dat er tussen de lidstaten van tevoren plannen worden gemaakt voor strategische investeringen voor de aankoop en het herstel van materieel;

35. is ervan overtuigd dat de EU vitaal belang heeft bij een veilige, open en schone maritieme omgeving waarin de vrije doorgang van goederen en personen en het vreedzaam, legaal, billijk en duurzaam gebruik van de rijkdommen van de oceanen mogelijk is; is van mening dat het institutionele kader van de EU, zowel op civiel als op militair gebied, dan ook verder moet worden ontwikkeld om de Europese strategie voor maritieme veiligheid ten uitvoer te leggen; merkt op dat de meeste strategische middelen, kritieke infrastructuur en vermogens onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen en dat hun bereidheid om de samenwerking te versterken van het allergrootste belang is voor de Europese veiligheid;

36. is verheugd over de goedkeuring door de Raad van 18 november 2014, van een politiek kader voor systematische langetermijnsamenwerking op defensiegebied, uitgaande van de samenvoeging van de processen voor vermogensplanning en van informatie-uitwisseling; benadrukt dat met ditzelfde doel de lidstaten de gedragscode van het EDA op het gebied van de bundeling van krachten en de verdeling van middelen verder moeten uitvoeren, om op een meer doeltreffende wijze te anticiperen op toekomstige vermogenstekorten en de samenwerking voor vermogensontwikkeling te systematiseren; verzoekt de vv/hv om bewijs voor te leggen voor specifieke maatregelen die zullen worden getroffen om de samenwerking op het gebied van defensie te versterken; verzoekt de lidstaten om, gezien de ongecoördineerde toename van bi- of multilaterale defensiesamenwerking, een permanente samenwerkingsstructuur (PESCO) op te zetten met het oog op een betere coördinatie en om EU-financiering te gebruiken voor samenwerking in vredestijd; verzoekt de vv/hv om realistische plannen voor te stellen voor de geslaagde lancering van PESCO;

37. is verheugd over de aanneming door de Raad van november 2014 van het vermogensontwikkelingsplan (CDP) van het EDA, waarin de 16 prioriteiten voor vermogensontwikkeling zijn vastgelegd; is eveneens verheugd over het werk van het EDA door middel van de samenwerkingsdatabank (Codaba), waarin de mogelijkheden voor samenwerking tussen de lidstaten worden geïnventariseerd, hetgeen de weg baant voor verschillende vormen van samenwerking; spoort de lidstaten aan om rekening te houden met deze instrumenten bij de ontwikkeling van hun militaire vermogens; verzoekt om overlapping van elders lopende initiatieven strikt te vermijden en meer aandacht te besteden aan het identificeren van manieren om een echte meerwaarde te creëren;

38. verbaast zich erover dat er nog altijd op EU-niveau geen maatregelen bestaan voor de fiscale stimulering van samenwerking en bundeling van krachten; wijst op de oproep van de Raad van december 2013 om de mogelijkheden voor dergelijke maatregelen te onderzoeken en betreurt dat gedurende het gehele afgelopen jaar de discussies nog tot geen enkele concrete maatregel op dit gebied hebben geleid; merkt op dat de Belgische regering reeds op ad-hocbasis BTW-vrijstellingen geeft, voor de voorbereidende fases van bepaalde EDA-projecten (bijvoorbeeld voor satellietcommunicatie); is van mening dat dergelijke vrijstellingen een systematisch karakter moeten krijgen en moeten worden uitgebreid naar infrastructuur en concrete vermogensprogramma's, naar het voorbeeld van het bestaande mechanisme bij de NAVO of dat van de EU voor infrastructuur voor civiel onderzoek; roept op andere stimulansen te ontwikkelen ter aanmoediging van samenwerking tussen Europese belanghebbenden;

39. is verheugd over de bestaande samenwerkingsmodellen, zoals het European Airlift Transport Command (EATC) en over de voortdurende uitbreiding ervan met nieuwe lidstaten; betreurt dat dit model dat al jaren bestaat nog niet is aangepast aan andere soorten defensievermogens; roept op tot het gebruik van het EATC-model op andere gebieden van operationele bijstand om de grootste vermogenstekorten weg te nemen;

40. wijst op de zeer beperkte vooruitgang die is geboekt bij projecten voor de bundeling van krachten en de verdeling van middelen; is met name verheugd over de vooruitgang die is geboekt op het gebied van bijtanken in de lucht met de aanschaf van een multifunctionele tankertransportvloot; betreurt dat tot op heden een zeer beperkt aantal lidstaten aan dit project heeft deelgenomen en spoort de lidstaten die op dit gebied met tekortkomingen kampen, aan zich hierbij aan te sluiten; is van mening dat de lidstaten de projecten inzake bundeling van krachten en verdeling van middelen moeten voortzetten en hierbij de aandacht moeten vestigen op de 16 vermogensdomeinen die ze met het EDA en de Militaire Staf van de Europese Unie via het GVDB hebben vastgesteld;

41. wijst op het voornemen van de Raad om projecten te ontwikkelen om de EU-vermogens te versterken, onder andere op het gebied van op afstand bestuurde luchtvaartuigen (RPAS) en gouvernementele satellietcommunicatie; wijst op de noodzaak om een regelgevend kader vast te stellen voor de initiële integratie, uiterlijk in 2016, van RPAS in het Europese luchtvaartsysteem, rekening houdend met de civiele en militaire behoeften en de noodzaak om het internationaal recht te eerbiedigen; verzoekt de Commissie om toe te lichten hoe de middelen van Horizon 2020 voor civiel-militair onderzoek kunnen worden gebruikt voor de integratie van RPAS in het Europese luchtruim;

42. is verheugd over de geboekte vooruitgang op het gebied van de EU-satellietdiensten (Galileo, Copernicus, EGNOS); meent dat dergelijke ruimtediensten, in het bijzonder Copernicus, operationeel moeten worden gemaakt om te kunnen voorzien in de behoeften van de GVDB-missies en -operaties in termen van hogeresolutiesatellietbeelden; is verheugd over de lancering van het project Ariane 6; betreurt dat, om technische en commerciële redenen, de Unie nog altijd Russische draagraketten aanschaft, hetgeen strijdig is met haar doelstelling om een zekere strategische autonomie te verwerven en benadrukt daarom dat er werk moet worden gemaakt van de verdere ontwikkeling van technologieën die zowel een civiele als militaire toepassing kunnen hebben en die onze onafhankelijkheid waarborgen;

43.    verzoekt de Unie om de lidstaten aan te sporen om te voldoen aan de vermogensdoelstellingen van de NAVO, door een minimum aan defensie-uitgaven ter hoogte van 2 % van het bbp verplicht te stellen, evenals een minimum aan uitgaven voor belangrijke voorzieningen, waaronder onderzoek en ontwikkeling, ter hoogte van 20 % van hun defensiebegroting;

De defensie-industrie

44. is verheugd over het voorstel van de Commissie voor een verbetering van de toegang van kmo's tot defensiemarkten, die momenteel zeer specifiek zijn om verschillende redenen, namelijk: de vraag komt vrijwel uitsluitend van overheden, het aantal bedrijven op de markt is beperkt, het ontwikkelen van producten kost veel tijd en de producten hebben een lange levensduur, en bepaalde technologieën hebben een strategisch karakter;

45. wijst op de mededeling van de Commissie van juli 2013 getiteld "Naar een meer competitieve en efficiënte defensie- en veiligheidssector", en op het stappenplan van juni 2014 over de tenuitvoerlegging ervan en de hierin opgenomen voorstellen, in het bijzonder voor een betere tenuitvoerlegging van de richtlijnen 2009/81/EG en 2009/43/EG inzake de interne markt, zonder afbreuk te doen aan de soevereine rechten van de lidstaten, die voortvloeien uit artikel 346 VWEU;

46. is van mening dat vooruitlopend op al deze maatregelen een gemeenschappelijke definitie moet worden vastgesteld van de omvang van de Europese industriële en technologische defensiebasis (EDTIB) om te kunnen bepalen welke bedrijven of strategische activiteiten hiervan gebruik zouden kunnen maken, rekening houdend met het potentieel van de defensie-industrie, dat van lidstaat tot lidstaat verschilt; is van mening dat deze definitie in het bijzonder zou kunnen worden gebaseerd op bepaalde criteria, zoals de ontwikkeling binnen de EU van materieel en technologie, de controle van ondernemingen over de eigendomsrechten en de gebruiksrechten voor het ontwikkelde materieel en de ontwikkelde technologie, en de waarborg dat, in geval van buitenlandse aandeelhouders, deze niet over te veel stemrecht beschikken, waardoor ondernemingen de controle over hun activiteiten zouden kunnen verliezen; wijst op de noodzaak om de kritieke defensiemiddelen van de EU vast te stellen (zoals essentiële industriële vermogens en kritieke technologieën);

47. herinnert eraan dat het industrie-, ruimte- en onderzoeksbeleid van de EU met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon is uitgebreid naar het domein van defensie; wijst erop dat de programma's van de Unie op andere gebieden zoals interne beveiliging en grensbewaking, rampenbeheer en ontwikkeling veelbelovende vooruitzichten bieden voor de gezamenlijke ontwikkeling van vermogens die relevant zijn voor deze beleidsterreinen en voor de uitvoering van GVDB-missies; verzoekt de Commissie om te voorzien in permanente procedures voor samenwerking tussen de Commissie, de EDEO, het EDA en de lidstaten op het gebied van de interne markt, industrie, ruimtevaart, onderzoek en ontwikkeling; verzoekt de Commissie om een permanente koppeling tot stand te brengen tussen EU-organen en -agentschappen op het gebied van interne veiligheid (Frontex, Europol, ENISA) en externe veiligheid en defensie (het Europees Defensieagentschap, EDEO);

48. wijst op de voorstellen van de Commissie voor een betere tenuitvoerlegging van de Richtlijnen 2009/81/EG (opdrachten op defensie- en veiligheidsgebied) en 2009/43/EG (overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de interne markt); meent dat ook moet worden bepaald wat wordt verstaan onder materieel en technologie van hoge strategische waarde en waarop Richtlijn 2009/81/EG (materieel voor essentiële veiligheidsbelangen) en Richtlijn 2004/18/EG (materieel dat wordt gebruikt voor defensiedoeleinden, doch niet specifiek voor defensiedoeleinden is ontworpen) geen betrekking hebben; is van mening dat EU-ondernemingen die activiteiten in deze sector ontplooien, een specifiek juridisch en financieel stelsel nodig hebben dat hun concurrentievermogen bevordert en tegelijk de strategische autonomie van de EU waarborgt;

49. wijst op het voornemen van de Raad om een regeling voor EU-brede leveringszekerheid in te voeren waarin wordt voorzien dat de lidstaten elkaar onderling ondersteunen en snel inspelen op elkaars defensiebehoeften; wacht op het stappenplan van de Commissie waarin opties voor de uitvoering van deze regeling zullen worden opgenomen, alsook het nieuwe groenboek over de controle over buitenlandse investeringen in strategische defensieondernemingen; is ingenomen met de aanneming van de uitgebreide kaderregeling van het EDA voor leveringszekerheid tussen de lidstaten als belangrijk vrijwillig, juridisch niet-bindend mechanisme voor de lidstaten om de wederzijdse ondersteuning en bijstand inzake leveringszekerheid te verbeteren; verzoekt het EDA en de Commissie om gezamenlijk aanvullende maatregelen en initiatieven te ontwikkelen om een EU-brede leveringszekerheid te bevorderen en de lidstaten te ondersteunen bij de tenuitvoerlegging van de nieuwe kaderregeling;

50. verzoekt de Commissie om duidelijk Europese financiële middelen en instrumenten vast te stellen en ter beschikking te stellen, om de opzet van een Europese interne markt voor de defensie-industrie te ondersteunen;

51. is ingenomen met de goedkeuring van de wijzigingen in de uitvoercontrolelijsten van het Wassenaar Arrangement met betrekking tot bewakings- en toegangsdetectietechnologie, die onlangs ook ten uitvoer zijn gelegd op EU-niveau; benadrukt echter dat er meer nodig is om de ongecontroleerde productie en uitvoer van technologie die kan worden gebruikt om de kritieke infrastructuur van de EU aan te vallen en de mensenrechten te schenden, te voorkomen; verzoekt de Commissie daarom om zo snel mogelijk met een voorstel te komen voor een herziening van de verordening inzake de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik;

52. meent dat geen enkele regering alleen onderzoeks- en technologieprogramma's met een dergelijke omvang kan starten; herinnert aan de verklaring van de Raad van december 2008 over het versterken van de vermogens en de verbintenis van de lidstaten om de collectieve doelstelling te bereiken om 2% van de defensie-uitgaven aan onderzoeksfinanciering te besteden; verzoekt de vv/hv en het hoofd van het EDA om gegevens te verstrekken over hoe we er op dat vlak voor staan; is dan ook verheugd over de voorstellen van de Commissie betreffende de ontwikkeling van synergieën tussen civiel en defensieonderzoek; wijst er in dit verband op dat het programma voor veiligheidsonderzoek van Horizon 2020 aanzienlijke mogelijkheden biedt om vermogens te ontwikkelen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de onderzoeksmissie ter ondersteuning het externe beleid van de Unie, te steunen, bijvoorbeeld via technologische ontwikkeling op het gebied van technologie voor tweeërlei gebruik om de interoperabiliteit van de civiele bescherming en militaire strijdmachten te verbeteren, zoals vermeld in het specifieke programma tot vaststelling van Horizon 2020; verzoekt de Commissie en de lidstaten om hiermee samenhangende onderzoeksactiviteiten op te nemen in de jaarlijkse werkprogramma's; is eveneens verheugd over de start van voorbereidende acties en hoopt dat de voorbereidende actie op het gebied van het GVDB zal leiden tot de financiering van een onderzoeksterrein op grond van het volgende meerjarig financieel kader; wijst op het belang van de tenuitvoerlegging van een gezamenlijk proefproject inzake GVDB-onderzoek van de Commissie en het EDA, zoals voorgesteld door het Parlement in de begroting 2015, met het oog op de tenuitvoerlegging van de EU-doelstellingen en de EU-begroting door het agentschap; betreurt in dit verband dat de Commissie het Parlement geen beoordeling heeft verstrekt van het potentieel van artikel 185 VWEU, zoals gevraagd in zijn resolutie van 21 november 2013 over de Europese technologische en industriële defensiebasis;

53. roept tegelijkertijd op tot de grootste waakzaamheid, of het nu gaat om beheersvraagstukken, intellectuele-eigendomsrechten, cofinanciering of regels voor deelname aan de voorbereidende actie op defensiegebied; wenst dat de lidstaten volledig worden betrokken bij het besluitvormingsproces om onnodige bureaucratie te voorkomen en ervoor te zorgen dat de programma's in de strategische behoeften van het GVDB en de lidstaten voorzien;

54. herinnert aan de uiterst gevoelige en strategische aard van het onderzoek op het gebied van defensie voor zowel het concurrentievermogen van de ondernemingen als voor de strategische autonomie van de EU, en verzoekt om de invoering van een passend beleid inzake intellectuele eigendom dat verband houdt met veiligheid en defensie om de onderzoeksresultaten te beschermen; wacht op desbetreffende voorstellen van de Commissie, evenals van defensieondernemingen;

55. wijst op de voorstellen van de Commissie ter bevordering van de instelling van gemeenschappelijke normen en certificeringsprocedures voor defensiematerieel; wacht op het stappenplan van het EDA en de Commissie voor de opstelling van industriële normen op defensiegebied, en de suggesties van het EDA en het EASA voor de verbetering van de wederzijdse erkenning van militaire certificering binnen de EU; betreurt de terughoudendheid van Europese normalisatieorganisaties om normalisatiezegels af te geven voor defensieproducten;

56. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de NAVO, de voorzitter van de Parlementaire Vergadering van de NAVO, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de fungerend voorzitter van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), de voorzitter van de Parlementaire Vergadering van de OVSE, de voorzitter van de Vergadering van de Afrikaanse Unie en de secretaris-generaal van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten.

(1)

PB L 146 van 10.6.2009, blz. 1.

(2)

PB L 216 van 20.8.2009, blz. 76.

(3)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0513.

(4)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0514.

(5)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0380.

(6)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0381.

(7)

Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0457.

(8)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0286.

(9)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0278.

(10)

http://eeas.europa.eu/library/publications/2013/3/2013_eeas_review_nl.pdf


MINDERHEIDSSTANDPUNT

over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (op basis van het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (2014/2220(INI))

Commissie buitenlandse zaken, Rapporteur: Arnaud Danjean

Minderheidsstandpunt, ingediend door Sabine Lösing en Takis Hadjigeorgiou, GUE/NGL-Fractie

In het verslag wordt betreurd dat missies met een uitvoerend mandaat nauwelijks worden overwogen en wordt opgeroepen tot steviger interventies. In het verslag wordt verzocht om sterkere samenwerking op het gebied van bewapening, bundeling van krachten en verdeling van middelen, een verhoging van de defensie-investeringen en de vaststelling van dezelfde vermogensdoelstellingen als de NAVO (min. 2% van het bbp voor defensie-uitgaven).

Wij tekenen bezwaar aan tegen het verslag, omdat in het verslag:

•   geen beeld wordt gegeven van de negatieve en tot escalatie leidende rol die de EU speelt met betrekking tot de huidige conflicten in het zuidelijke en oostelijke nabuurschap van de EU;

•  wordt gepleit voor maatregelen op Europees niveau voor fiscale stimulering van defensie- en veiligheidsprojecten, het gebruik van Galileo voor militaire doeleinden, het door de EU gefinancieerde RPAS-project (voor op afstand bestuurde militaire luchtvaartuigen), evenals voor het militair-industrieel complex (MIC), en wordt verzocht om een EU-brede regeling voor leveringszekerheid;

•  steun wordt gegeven aan de samenvoeging van civiel en militair onderzoek om civiele vermogens voor militaire doeleinden te kunnen gebruiken, evenals aan een eigen onderzoeksafdeling voor de financiering van militair onderzoek;

•  wordt gedreigd met het argument dat de economische crises tot defensiebezuinigingen hebben geleid, waardoor de strategische autonomie van de Unie in gevaar wordt gebracht en een tekort aan militaire vermogens ontstaat;

•  steun wordt gegeven aan en wordt gepleit voor de uitbreiding van het Athenamechanisme voor de financiering van de militaire missies van de EU buiten de parlementaire controle om;

•  wordt aangedrongen op de inzet van EU-gevechtstroepen voor alle soorten crisisbeheer.

Wij eisen:

-    radicale (CBRN-)ontwapening op EU- en wereldniveau;

-    geen militaire financiering uit de EU-begroting;

-    dat bij alle activiteiten het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht strikt geëerbiedigd worden;

-    louter civiele, vreedzame EU-benaderingen voor de oplossing van conflicten, evenals een scheiding van civiele en militaire activiteiten;

-    een strikte scheiding van de EU en de NAVO.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

9.3.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

45

18

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Lars Adaktusson, Michèle Alliot-Marie, Francisco Assis, Petras Auštrevičius, Amjad Bashir, Bas Belder, Goffredo Maria Bettini, Elmar Brok, Klaus Buchner, James Carver, Fabio Massimo Castaldo, Lorenzo Cesa, Aymeric Chauprade, Andi Cristea, Arnaud Danjean, Mark Demesmaeker, Georgios Epitideios, Eugen Freund, Michael Gahler, Richard Howitt, Sandra Kalniete, Manolis Kefalogiannis, Tunne Kelam, Afzal Khan, Janusz Korwin-Mikke, Eduard Kukan, Ilhan Kyuchyuk, Arne Lietz, Barbara Lochbihler, Sabine Lösing, Andrejs Mamikins, Ramona Nicole Mănescu, David McAllister, Jean-Luc Mélenchon, Tamás Meszerics, Francisco José Millán Mon, Javier Nart, Pier Antonio Panzeri, Demetris Papadakis, Kati Piri, Andrej Plenković, Cristian Dan Preda, Jozo Radoš, Alyn Smith, Jaromír Štětina, Eleni Theocharous, László Tőkés, Ivo Vajgl, Johannes Cornelis van Baalen, Geoffrey Van Orden, Hilde Vautmans, Boris Zala

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Nicolas Bay, Reinhard Bütikofer, Ana Gomes, Andrzej Grzyb, Gabrielius Landsbergis, Juan Fernando López Aguilar, Antonio López-Istúriz White, David Martin, Helmut Scholz, Janusz Zemke

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Eric Andrieu

Juridische mededeling