Procedure : 2014/2140(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0067/2015

Ingediende teksten :

A8-0067/2015

Debatten :

PV 28/04/2015 - 16
CRE 28/04/2015 - 16

Stemmingen :

PV 29/04/2015 - 10.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0119

VERSLAG     
PDF 301kWORD 218k
26.3.2015
PE 539.838v02-00 A8-0067/2015

over de speciale verslagen van de Rekenkamer over de kwijting van de Commissie voor 2013

(2014/2140(DEC))

Commissie begrotingscontrole

Rapporteur: Ingeborg Gräßle

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de speciale verslagen van de Rekenkamer over de kwijting van de Commissie voor 2013

(2014/2140(DEC))

Het Europees Parlement,

–       gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(1),

–       gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2014)0510 – C8-0140/2014)(2),

–       gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van de instellingen(3),

–       gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–       gezien zijn besluit van ... tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie(5) en zijn resolutie met opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van dat besluit,

–       gezien de speciale verslagen van de Rekenkamer overeenkomstig artikel 287, lid 4, tweede alinea van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–       gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05303/2015 – C8-0053/2015),

–       gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–       gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–       gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6),

–       gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(7), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–       gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–       gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0067/2015),

A.     overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

B.     overwegende dat de speciale verslagen van de Rekenkamer informatie verstrekken over bezwaren met betrekking tot de tenuitvoerlegging van fondsen, en dat deze informatie nuttig is voor het Parlement bij het uitoefenen van zijn taken als kwijtingsautoriteit;

C.     overwegende dat zijn opmerkingen over de speciale verslagen van de Rekenkamer een integrerend onderdeel vormen van het voornoemde besluit van het Parlement van ... tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie;

Deel I - Speciaal verslag nr. 11/2013 van de Rekenkamer getiteld "Op weg naar correcte gegevens over het bruto nationaal inkomen (bni): een meer gestructureerde en gerichte aanpak zou de doeltreffendheid van de verificatie door de Commissie verbeteren"

1.      verzoekt de Commissie een gestructureerde en geformaliseerde analyse uit te voeren waarbij rekening wordt gehouden met kosten en baten, die haar in staat stelt haar verificaties van specifieke gebieden of compilatie(sub)processen te plannen en te prioriteren; is van mening dat in het kader van dergelijke analyse rekening moet worden gehouden met de risico's die verbonden zijn aan de opstelling van de nationale rekeningen van elke lidstaat en de relatieve omvang van de bni-componenten in de totale economie; is van oordeel dat deze risicobeoordeling gebaseerd moet worden op alle kwalitatieve en kwantitatieve informatie die beschikbaar is in alle afdelingen van Eurostat en toegespitst moet worden op de compilatieprocedures als beschreven in de bni-overzichten en recente bni-kwaliteitsverslagen van de lidstaten;

2.      vraagt de Commissie de duur van haar verificatiecyclus te verkorten om het gebruik van algemene punten van voorbehoud te beperken; is van mening dat het vaststellen van dergelijke punten van voorbehoud beperkt moet worden tot uitzonderlijke gevallen waarin een significant risico bestaat dat de financiële belangen van de Unie niet worden beschermd, bijvoorbeeld wanneer een lidstaat tijdens de verificatiecyclus of met regelmatige tussenpozen een ingrijpende herziening uitvoert;

3.      vraagt Eurostat duidelijk en tijdig aan het bni-comité verslag uit te brengen over gevallen waarin het kosten-batenbeginsel wordt geacht van toepassing te zijn;

4.      verwacht dat het verificatieproces van de Commissie een gestructureerde en geformaliseerde kwalitatieve risicobeoordeling van de in de bni-overzichten beschreven compilatieprocedures en grondige verificaties van materiële en risicovolle bni-componenten omvat; is van mening dat de bni-componenten voor grondige verificatie geselecteerd moeten worden in overeenstemming met de in aanbeveling 1 beschreven kosten-batenanalyse; is van oordeel dat de reikwijdte en de doelstellingen van de grondige verificaties breder moeten zijn dan die van de rechtstreekse verificaties die Eurostat in de recente verificatiecyclus heeft uitgevoerd;

5.      vraagt de Commissie in haar verificaties bijzondere aandacht te besteden aan de volledigheid van het bni van de lidstaten en aan het gebruik van vergelijkbare procedures voor het schatten van de omvang van de zwarte economie in de nationale rekeningen; vraagt Eurostat te controleren of de richtsnoeren van de Commissie door alle lidstaten worden opgevolgd en passende actie te ondernemen om een vergelijkbare behandeling van dit punt door de lidstaten te waarborgen;

6.      verzoekt de Commissie haar werkzaamheden te documenteren, met inbegrip van volledige informatie over de verificaties van Eurostat op basis van onderzoek aan de hand van stukken en/of bezoeken aan de nationale bureaus voor de statistiek; is van mening dat de controledossiers van Eurostat het management in staat zouden moeten stellen de resultaten van de verrichte controles van geselecteerde bni-componenten duidelijk vast te stellen, in overeenstemming met de internecontrolenormen (ICN);

7.      vraagt Eurostat, voor zover mogelijk, de potentiële effecten (voor kwantificeerbare opmerkingen) en/of het risicobedrag (voor niet-kwantificeerbare opmerkingen) van de actiepunten te beoordelen en duidelijke materialiteitscriteria vast te stellen met het oog op het vaststellen van specifieke punten van voorbehoud; is van mening dat deze criteria kwalitatief of kwantitatief moeten zijn; is van mening dat, als algemene regel, punten van voorbehoud zouden moeten worden gemaakt ten aanzien van specifieke bni-componenten die verband houden met actiepunten die door de nationale bureaus voor de statistiek niet binnen de vastgestelde termijn zijn aangepakt en waarvan het effect mogelijk materieel is;

8.      vraagt Eurostat de coördinatie te verbeteren tussen de afdelingen die belast zijn met de verificatie van bni-gegevens voor de vaststelling van de eigen middelen en andere afdelingen, met name de afdelingen die verantwoordelijk zijn voor het opstellen van de nationale rekeningen; is van mening dat, in gevallen waar mogelijke acties van andere afdelingen van Eurostat een effect op de samenstelling van het bruto binnenlands product (bbp) en/of het bni kunnen hebben, het bni-comité zou moeten worden geraadpleegd en het definitieve besluit over deze maatregelen zou moeten worden genomen op een passend hiërarchisch niveau binnen Eurostat;

9.      verzoekt Eurostat de beoordelingsverslagen te verbeteren en een volledige, transparante en consistente evaluatie van de bni-gegevens van de lidstaten te verschaffen; is van mening dat de jaarlijkse adviezen van het bni-comité een duidelijke beoordeling moeten omvatten van de vraag of de bni-gegevens van de lidstaten al dan niet geschikt zijn voor de vaststelling van de eigen middelen, de vraag of de inhoud ervan voldoet aan de vereisten van Verordening (EG, Euratom) nr. 1287/2003 van de Raad(8) (de "bni-verordening") en de vraag of ze op passende wijze worden gebruikt in de begrotingsprocedure zoals bepaald in Verordening (EG) nr. 1150/2000 van de Raad(9) (de "verordening eigen middelen");

10.    is van mening dat de jaarlijkse activiteitenverslagen van DG Begroting en Eurostat een getrouw beeld moeten geven van de verificatie van de bni-gegevens van de lidstaten en van het beheer van de eigen middelen die op het bni zijn gebaseerd; vraagt de Commissie bijgevolg Eurostat te verplichten om regelmatig verslag te doen van de resultaten van zijn verificaties van bni-gegevens, waardoor DG Begroting de vereiste betrouwbaarheidsverklaring kan opstellen voor gebruik in het kader van zijn jaarlijkse activiteitenverslagen;

Deel II - Speciaal verslag nr. 13/2013 van de Rekenkamer getiteld "EU-ontwikkelingshulp aan Centraal-Azië"

11.    spreekt zijn voldoening uit over het speciaal verslag waarin de EU-ontwikkelingshulp aan Centraal-Azië wordt beoordeeld; neemt kennis van de bevindingen, conclusies en aanbevelingen en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

Algemene opmerkingen

12.    stelt met voldoening vast dat uit het rapport blijkt dat de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) zich in een moeilijke geografische en politieke context grote inspanningen hebben getroost;

13.    wijst er evenwel op dat de ontwikkelingsstrategieën van de Unie nog gerichter zouden kunnen worden ingezet en beter op hun doel toegesneden zouden kunnen worden met behulp van adequate hulpmodellen die de zichtbaarheid en impact van de politieke doelstellingen van de Unie op regionaal niveau vergroten;

14.    benadrukt dat het niveau en de aard van het engagement van de Unie gedifferentieerd en aan voorwaarden verbonden moeten zijn, en moeten afhangen van meetbare vorderingen op het gebied van democratisering, mensenrechten, behoorlijk bestuur, duurzame sociaaleconomische ontwikkeling, de rechtsstaat en bestrijding van corruptie, en dat waar nodig bijstand moet worden geboden om deze vooruitgang te stimuleren langs lijnen die vergelijkbaar zijn met de beginselen van het nabuurschapsbeleid van de Unie;

15.    is van oordeel dat het voortdurend promoten door de Unie van op de Centraal-Aziatische landen gerichte programma's een belangrijk grensoverschrijdend instrument is om begrip en samenwerking tussen de landen in de regio te bevorderen;

16.    wijst erop dat ontwikkelingssamenwerking met de Centraal-Aziatische landen alleen tot resultaat kan leiden wanneer deze landen de internationale normen inzake democratie, bestuur, de rechtsstaat en mensenrechten in acht nemen; benadrukt tevens dat de ontwikkelingssamenwerking van de Unie niet ondergeschikt moet worden gemaakt aan economische, energie- of veiligheidsbelangen;

Komende ontwikkelingen op het gebied van de planning en uitvoering van toekomstige ontwikkelingshulp

17.    is van mening dat de Commissie alle toekomstige regionale programma's zodanig moet ontwerpen dat zij een werkelijke regionale dimensie krijgen;

18.    verzoekt de Commissie de verstrekte hulp op een klein aantal sectoren te concentreren;

19.    wijst erop dat ontwikkelingshulp in de toekomst verbeterd kan worden door intensievere interne coördinatie van de Unie enerzijds en intensievere betrekkingen met andere internationale donoren en regionale belanghebbenden anderzijds;

20.    spreekt zijn steun uit voor de opening van volwaardige delegaties van de Unie in alle landen van Centraal-Azië ter bevordering van de aanwezigheid en zichtbaarheid van de Unie in de regio, de langetermijnsamenwerking en de betrokkenheid bij alle sectoren van de maatschappij, en ter bevordering van een beter begrip van de rechtsstaat en de ontwikkeling daarvan, alsmede de eerbiediging van de mensenrechten; is van mening dat de aanwezigheid van dergelijke delegaties er in grote mate toe zal bijdragen dat de doelstellingen van ontwikkelingshulp bereikt worden;

21.    dringt er bij de Commissie op aan een systeem op te zetten voor de berekening van en verslaglegging over de totale administratiekosten die met het verstrekken van haar ontwikkelingshulp gemoeid zijn;

22.    verzoekt de Commissie degelijke en objectief verifieerbare voorwaarden te bepalen en toe te passen voor alle doorlopende begrotingssteunprogramma's en in het bijzonder voldoende aandacht te besteden aan de ondersteuning van anticorruptiemechanismen;

23.    herinnert eraan dat corruptie een ernstig probleem vormt in de Centraal-Aziatische landen; wijst erop dat alle Centraal-Aziatische landen in de corruptieperceptie-index van Transparency International in 2011 een score van minder dan 28 op 100 kregen, waarbij Kirgizië, Turkmenistan en Oezbekistan bij de laagste 10% van de 182 onderzochte landen stonden;

24.    is van mening dat dergelijke wijdverbreide corruptie de reputatie van de Commissie kan schaden en de doeltreffendheid van de steunprogramma's kan beperken;

25.    is van oordeel dat besluiten om middelen toe te kennen gebaseerd moeten zijn op de vooruitgang die partnerlanden boeken en niet op hun toezeggingen om hervormingen uit te voeren; onderstreept hoe belangrijk het is dat er een adequate beleidsdialoog plaatsvindt, op basis van een op stimulansen berustende aanpak en voortdurend toezicht op sectorale hervormingen alsmede programma's voor het meten van de prestaties en de duurzaamheid van de resultaten;

26.    dringt aan op grotere transparantie bij de toewijzing van middelen door delegaties van de Unie en ambassades van lidstaten, teneinde daadwerkelijk onafhankelijke niet-gouvernementele partners te steunen en hen te helpen een doelmatige rol te spelen in de ontwikkeling en consolidatie van het maatschappelijk middenveld;

27.    verzoekt de Commissie de opzet en uitvoering van programma's te verbeteren aan de hand van de getrokken lessen en de gewijzigde omstandigheden;

28.    verzoekt de Commissie verslag uit te brengen van de resultaten en de impact op een wijze die vergelijking met de plannen en doelstellingen mogelijk maakt;

Deel III - Speciaal verslag nr. 15/2013 van de Rekenkamer getiteld "Is het onderdeel Milieu van het LIFE-programma doeltreffend geweest?"

29.    wijst erop dat het LIFE-programma als katalysator moet fungeren voor de aanpassingen die bij de beleidsontwikkeling en -uitvoering noodzakelijk zijn; beklemtoont dat de Commissie duidelijke, specifieke, meetbare en haalbare doelstellingen voor de te financieren projecten moet vaststellen;

30.    wijst er tevens op dat de via het LIFE-programma gefinancierde projecten moeten bijdragen tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van meer dan één van de prioritaire gebieden van het programma; onderstreept dat de gefinancierde projecten niet op zichzelf mogen staan, maar dat zij juist een transnationaal karakter moeten dragen en er op een tastbare manier toe moeten bijdragen dat het effect ervan ook in alle andere lidstaten duidelijk merkbaar is en zich aldaar op een duurzame manier reproduceert;

31.    merkt op dat de nationale toewijzingen soms een verstorend effect kunnen hebben op de selectie van de beste projecten; spoort de lidstaten ertoe aan een geografisch evenwicht in stand te houden door meer geïntegreerde projecten voor te stellen, maar herhaalt dat de middelen hoofdzakelijk moeten worden verdeeld op basis van de merites van de projecten en niet op een manier die ten koste gaat van hun kwaliteit;

32.    wijst erop dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan het verspreidings-, duurzaamheids- en replicatiepotentieel van de bewuste projecten; verzoekt de Commissie duidelijke indicatoren vast te stellen ter beoordeling van het verspreidings-, duurzaamheids- en replicatiepotentieel van de te beoordelen projecten, teneinde de doelstellingen van het programma te kunnen verwezenlijken; spoort de Commissie ertoe aan werk te maken van de voortgangscontrole met betrekking tot deze doelstellingen;

33.    verzoekt de Commissie haar programmabeheersinstrumenten te verbeteren om toepassing van niet-transparante selectieprocedures tegen te gaan; is van mening dat het daarbij met name gaat om verbetering van de beoordelingsformulieren voor de selectie van projecten, de invoering van specifieke modellen voor de evaluatie van gedeclareerde kosten en van adequate projectcontroles, de introductie van deugdelijke gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren, en grondige projectvoortgangscontroles;

Deel IV - Speciaal verslag nr. 16/2013 van de Rekenkamer getiteld "Evaluatie van de 'single audit' en van het vertrouwen van de Commissie in het werk van de nationale auditautoriteiten op het gebied van cohesie"

34.    wijst met nadruk op de potentiële efficiencyvoordelen die een op gemeenschappelijke beginselen en normen gebaseerd "single audit"-traject kan opleveren; spoort de lidstaten, de Commissie en de Rekenkamer ertoe aan hun inspanningen op dit gebied voort te zetten; is van mening dat dergelijk "single audit"-systeem ook rekening moet houden met meerjarige programmacycli;

35.    herinnert de Commissie aan zijn opmerkingen(10) betreffende de bevindingen van de Rekenkamer in haar jaarverslag 2012: "benadrukt het feit dat de resultaten van de controle door de Rekenkamer wijzen op gebreken bij de eerstelijnscontroles van de uitgaven [in de lidstaten]; wijst op het feit dat de Rekenkamer van oordeel is dat de autoriteiten van de lidstaten bij 56% van de verrichtingen voor regionaal beleid die (kwantificeerbare en/of niet-kwantificeerbare) fouten vertoonden, over voldoende informatie beschikten om een of meer fouten te kunnen ontdekken en corrigeren voordat ze de uitgaven bij de Commissie certificeerden"; merkt op dat het Parlement zich daarom ook aansloot bij het voorbehoud van de directeur-generaal van DG REGIO met betrekking tot de beheers- en controlesystemen voor het EFRO/Cohesiefonds/IPA voor de programmeringsperiode 2007-2013 in 17 lidstaten (72 programma's) en erop aandrong dat er snel stappen moesten worden ondernomen;

36.    blijft er dan ook van overtuigd dat de lidstaten veel waakzamer moeten worden bij het beheer van de structuurfondsen;

37.    benadrukt in dit verband het belang van de invoering van op het geschikte – bij voorkeur politieke – niveau te ondertekenen nationale verklaringen, die berusten op jaarlijkse beheersverklaringen (artikel 59, lid 5, van het Financieel Reglement);

38.    is ermee ingenomen dat de Commissie sinds 2009 uitgebreide controles ter plekke heeft uitgevoerd om het werk van de auditautoriteiten te beoordelen; wijst erop dat ze 269 controlebezoeken heeft afgelegd en respectievelijk 47 en 84 auditautoriteiten voor het EFRO en het ESF heeft geëvalueerd; merkt op dat de controlebezoeken betrekking hadden op respectievelijk ca. 96% en 99% van de totale toewijzingen; is van mening dat de Commissie in de loop van een financieringsperiode alle operationele programma's (OP's) minstens één keer zou moeten controleren;

39.    is ingenomen met het feit dat de Commissie betalingen onderbreekt of opschort wanneer het aantal fouten de materialiteitsdrempel van 2% overschrijdt; is van mening dat dit adequate instrumenten zijn om de financiële belangen van de Unie te beschermen en is ervan overtuigd dat de Commissie haar eigen controle-inspanningen moet concentreren op de "slechte presteerders";

40.    is van mening dat de lidstaten de Commissie gedetailleerde informatie moeten verschaffen over hun audits;

41.    steunt de aanbeveling van de Rekenkamer dat de Commissie passende maatregelen moet treffen om de auditautoriteiten in staat te stellen gebruik te maken van een stabiel en bindend methodologisch kader dat de garantie biedt dat de uitgaven van de Unie in alle lidstaten volgens dezelfde normen worden gecontroleerd en dat de resultaten correct worden gerapporteerd;

42.    constateert met voldoening dat de Commissie op 13 december 2013 een mededeling heeft gepresenteerd over de toepassing van financiële nettocorrecties op de lidstaten in het landbouwbeleid en het cohesiebeleid (COM(2013)0934); benadrukt echter dat het van velerlei factoren zal afhangen of het nieuwe instrument tot meer nettocorrecties en aldus tot een lager foutenpercentage in het cohesiebeleid zal leiden;

43.    verzoekt de Rekenkamer en de Commissie een controle-instrument te ontwikkelen dat enerzijds op jaarbasis fouten en onregelmatigheden registreert en anderzijds ook financiële correcties tijdens de programmeringsperiode incalculeert;

44.    constateert met voldoening dat de Commissie in september 2013 de routekaart ter verificatie van de correcte toepassing van het "single audit"-beginsel heeft bijgewerkt, die de nationale instanties welke daaraan voldoen in staat zou moeten stellen de "single audit"-status te verwerven; verlangt een exemplaar van dit document te ontvangen;

45.    is zich bewust van het idee dat de controle van de uitgaven administratieve rompslomp met zich mee kan brengen; is van mening dat de verplichting tot het afleggen van verantwoording de potentiële begunstigden er echter niet van mag weerhouden om financiële steun aan te vragen;

Deel V - Speciaal verslag nr. 17/2013 van de Rekenkamer getiteld "EU-klimaatfinanciering in de context van externe steun"

46.    is tevreden met het speciaal verslag over de klimaatfinanciering van de Unie in de context van externe steun, waarmee een belangrijke bijdrage wordt geleverd aan het algemene politieke en financiële debat over het beleid en de diplomatieke activiteit van de Unie op het gebied van het klimaat; neemt kennis van de bevindingen, conclusies en aanbevelingen en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

Algemene opmerkingen

47.    is tevreden met de conclusie van het verslag dat de Commissie de uit de begroting van de Unie en de Europese ontwikkelingsfondsen (EOF) bekostigde klimaatgerelateerde uitgaven goed heeft beheerd;

48.    is ook tevreden met de door de Commissie en de lidstaten gestarte werkzaamheden inzake een gemeenschappelijke norm van de Unie voor toezicht, verslaglegging en verificatie van klimaatfinanciering door de overheid;

49.    herhaalt het standpunt van het Parlement, waarvan de Rekenkamer kennis heeft genomen in haar speciaal verslag, dat de klimaatfinanciering een aanvulling moet zijn bij de doelstelling van 0,7%;; betreurt het feit dat het aanvullende karakter, zoals dat door het Parlement wordt begrepen, niet in de onderhandelingen omtrent het Instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) is overgenomen;

50.    wijst er evenwel op dat de Commissie voldoende leiderschap moet tonen om haar internationale impact zo groot mogelijk te maken en om de instrumenten te consolideren die nodig zijn voor de totstandbrenging van de omstandigheden voor de diplomatieke activiteiten van de Unie op het gebied van klimaat/milieu in de komende jaren; is van mening dat zij met name moet zorgen voor de invoering in het kader van het DCI van de ijkpunten op het gebied van klimaat die in december 2013 zijn vastgesteld, waarbij werd verklaard dat hiermee moet worden bijgedragen tot de algemene doelstelling om minimum 20% van de begroting van de Unie te gebruiken voor een koolstofarme en klimaatbestendige maatschappij, en dat minimum 25% van de middelen van het thematisch programma voor mondiale collectieve goederen en uitdagingen moet worden gebruikt voor uitgaven op het gebied van klimaatverandering en milieu (overweging 20 van het DCI); wijst erop dat in bijlage IV van het DCI ook wordt gespecificeerd dat in het kader van het thematisch programma voor mondiale collectieve goederen en uitdagingen 27% van de middelen wordt toegewezen aan milieu en klimaatverandering en dat minimum 50% van het programma zal dienen voor actie in verband met het klimaat en voor doelstellingen in verband met het milieu;

51.    is tevreden met het feit dat sinds 2011 in ongeveer 40 landen het engagement is aangegaan de gezamenlijke EU-programmering te verbeteren; wijst er echter op dat de coördinatie tussen de Commissie en de lidstaten met betrekking tot klimaatfinanciering voor ontwikkelingslanden nog veel moet worden verbeterd, niet alleen om het engagement voor 2020 te realiseren, maar ook om ervoor te zorgen dat de Unie een voorloper op het gebied van klimaatactie kan blijven en om corruptie in ontwikkelingslanden te bestrijden; 

52.    herhaalt dat het gezamenlijke programmering steunt en de aanzienlijke vooruitgang die op dit vlak is geboekt erkent; ziet ernaar uit opnieuw te worden geraadpleegd indien dergelijke programmering leidt tot veranderingen aan de DCI-programmering, zoals beloofd door de Commissie;

53.    neemt kennis van de verklaring van de moeilijkheden op het gebied van controle en verslaglegging, die het gevolg zijn van de verschillende verslagleggingspraktijken van de lidstaten, die wordt verstrekt in het jaarverslag van de Commissie over de verantwoordingsplicht ten aanzien van financiering voor ontwikkeling, dat gepubliceerd is op 3 juli 2014 in de vorm van een werkdocument, inclusief een onderdeel in deel I over klimaatfinanciering, met daarin informatie over de klimaatfinanciering van de Unie; merkt op dat in dit verslag het cijfer wordt herhaald van 7,3 miljard EUR aan door de Unie en de lidstaten beschikbaar gestelde snelstartfinanciering, en dringt aan op verdere verbetering wat de verslaglegging over de impact en de resultaten van ontwikkelingshulp betreft;

Toekomstige ontwikkelingen

54.    vraagt dat meer middelen specifiek worden bestemd voor bepaalde sectoren, onder andere klimaatfinanciering, wanneer deze worden besteed via begrotingsondersteuning, en vraagt meer transparantie wat de besteding van de middelen in het algemeen betreft;

55.    is van mening dat de Commissie en de EDEO hun communicatiebeleid moeten versterken, zowel wat de steun betreft die wereldwijd of aan afzonderlijke begunstigde landen wordt verstrekt als om de waarden van de Unie te propageren;

56.    erkent dat corruptie een aanzienlijke belemmering voor effectieve klimaatfinanciering blijft en dringt er bij de Commissie op aan haar inspanningen op te voeren wat de samenwerking met ontwikkelingspartners met betrekking tot kwesties op het gebied van corruptiebestrijding betreft;

57.    verzoekt de Commissie aan de Raad een routekaart voor te stellen om meer middelen voor klimaatfinanciering beschikbaar te stellen, zodat de doelstelling voor 2020 van het akkoord van Kopenhagen kan worden gehaald, met inbegrip van een definitie van privéfinanciering;

58.    verzoekt de Commissie een onafhankelijke beoordeling te laten uitvoeren van het Wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering, waarbij wordt onderzocht om welke redenen de meeste lidstaten ervoor kozen dit initiatief niet te medefinancieren;

59.    verzoekt de Commissie en de EDEO verslag uit te brengen over de vraag in hoeverre het streven om 20% van de begroting van de Unie en de EOF tussen 2014 en 2020 te besteden aan klimaatgerelateerde actie binnen de ontwikkelingshulp wordt uitgevoerd, met vermelding van hetgeen is vastgelegd en uitbetaald;

60.    verzoekt de Commissie en de lidstaten in het kader van Verordening (EG) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad(11) (de "verordening betreffende het bewakingssysteem") gemeenschappelijke toezicht-, verslagleggings- en verificatienormen af te spreken, meer bepaald over de definitie van het begrip "nieuw en aanvullend", de toepassing van de Rio-indicatoren en de verslaglegging over de uitbetaling van de klimaatfinanciering;

61.    verzoekt de Commissie en de lidstaten hechter samen te werken aan de tenuitvoerlegging van de EU-Gedragscode voor taakverdeling in de klimaatfinanciering, in het bijzonder inzake de informatie-uitwisseling wat betreft de toewijzingen per land, gezamenlijke programmering en het voorkomen en bestrijden van corruptie in de klimaatfinanciering;

Deel VI - Speciaal verslag nr. 18/2013 van de Rekenkamer getiteld "De betrouwbaarheid van de resultaten van de verificaties van de landbouwuitgaven door de lidstaten"

62.    onderkent dat de systemen die in speciaal verslag nr. 18/2013 onderzocht zijn, gewijzigd zijn door de nieuwe verordeningen betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), met een grotere verantwoordelijkheid voor de certificerende instanties in de lidstaten op het gebied van controle op de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven, en verificatie van de controleresultaten die aan de Commissie medegedeeld worden;

63.    is ingenomen met het feit dat de Commissie zich blijft inspannen voor de vereenvoudiging van het GLB; verwacht dat de vereenvoudiging van de subsidiabiliteitscriteria zal leiden tot een vereenvoudiging van de controleregels, en kan bijdragen tot een lager foutenpercentage;

64.    herinnert de Commissie eraan dat ze ervoor moet zorgen dat de aangetroffen problemen zich niet weer voordoen; wijst op de volgende bevindingen in het jaarverslag 2012 van de Rekenkamer:

a)      de toezicht- en controlesystemen van de lidstaten voor onkostenbetalingen en plattelandsontwikkeling zijn gedeeltelijk doeltreffend en voor een aanzienlijk aantal verrichtingen met fouten beschikten de nationale instanties over voldoende informatie om de betrokken fouten te kunnen ontdekken en corrigeren;

b)     de doeltreffendheid van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS) wordt nadelig beïnvloed, met name door de onnauwkeurigheid in de databanken die worden gebruikt bij kruiscontroles;

65.    benadrukt dat het op 3 april 2014 het voorbehoud van de directeur-generaal van DG AGRI in zijn jaarlijks activiteitenverslag voor 2012 heeft bekrachtigd ten aanzien van de door de Commissie en de Rekenkamer aangetroffen tekortkomingen in de subsidiabiliteit van grond; wijst er opnieuw op dat het met name gevraagd heeft om blijvend grasland in het landbouwpercelenidentificatiesysteem (LPIS) naar behoren te registreren en dat het elke zes maanden door de Commissie over de voortgang moet worden geïnformeerd;

66.    verzoekt de Commissie en de lidstaten onmiddellijk corrigerende maatregelen te nemen wanneer beheers- en controlesystemen en/of GBCS-databanken gebrekkig of verouderd blijken;

67.    verzoekt de Commissie en de lidstaten nadrukkelijk ervoor te zorgen dat de betalingen gebaseerd zijn op de controleresultaten en dat de controles van de vereiste kwaliteit zijn om de subsidiabele percelen op betrouwbare en consistente wijze te kunnen identificeren;

68.    verzoekt de Commissie nadrukkelijk ervoor te zorgen dat de werkzaamheden van de betaalorganen en de certificerende instanties door hun ontwerp en kwaliteit een betrouwbare basis bieden om de wettigheid en regelmatigheid van onderliggende verrichtingen te beoordelen; is van oordeel dat de Commissie met het oog hierop moet werken naar de doelstelling van een enkele controlestrategie voor het GLB-controlesysteem;

69.    is ingenomen met de verandering van aanpak van DG AGRI in de berekening van het restfoutenpercentage voor de ontkoppelde areaalsteun voor 2012, omdat hierbij rekening wordt gehouden met het feit dat de inspectiestatistieken, de verklaringen van de directeuren van de betaalorganen en de werkzaamheden van de certificerende instanties gebreken kunnen vertonen die de betrouwbaarheid ervan kunnen beïnvloeden; verzoekt in de nieuwe financieringsperiode deze nieuwe aanpak voor alle GLB-uitgaven in de jaarlijkse activiteitenverslagen van DG AGRI te gebruiken;

70.    herinnert de Commissie eraan dat het Parlement het voorbehoud dat in het jaarlijkse activiteitenverslag van DG AGRI opgenomen is voor alle Elfpo-uitgaven voor 2012 heeft bekrachtigd en dat de reden voor dit voorbehoud de bezorgdheid is over de kwaliteit van de controles in sommige lidstaten, alsmede de door de Rekenkamer gemelde foutenpercentages;

71.    verzoekt de lidstaten de bestaande administratieve controles efficiënt uit te voeren door alle relevante en voor de betaalorganen beschikbare informatie te gebruiken, aangezien hierdoor potentieel een groot deel van de fouten kan worden gevonden en gecorrigeerd;

72.    verzoekt de Commissie en de lidstaten zich te richten op de kostenefficiëntie van controles, voornamelijk door de toepassing van risicogebaseerde controles verder te ontwikkelen;

73.    vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat op het vlak van plattelandsontwikkeling uniforme normen en procedures op gelijke wijze worden toegepast en nageleefd, zowel door de goedkeuringsorganen als door de auditorganen;

Deel VII - Speciaal verslag nr. 1/2014 van de Rekenkamer getiteld "Doeltreffendheid van de door de EU gesteunde projecten voor openbaar stadsvervoer"

74.    wijst erop dat de Europese structuur- en investeringsfondsen ("ESI-fondsen") de allerbelangrijkste bron van financiering van de Unie voor projecten voor openbaar stadsvervoer vormen en dat die projecten niet alleen doorslaggevend zijn voor de toegankelijkheid van stedelijke gebieden in de minder ontwikkelde regio's van de Unie, maar ook belangrijke sociale en milieuaspecten behelzen voor de levenskwaliteit van de burgers van de Unie;

75.    wijst op het toenemende belang van voortgezette financiële bijstand van de Unie, vooral tegen de achtergrond van de negatieve gevolgen van de toenemende verstedelijking en van de te verwachten verdere aangroei van de stedelijke bevolking;

76.    benadrukt dat zowel de Commissie als de lidstaten bij hun projecten voor stedelijke mobiliteit verantwoordelijkheid, doelmatigheid en doeltreffendheid aan de dag moeten leggen en dat zij moeten streven naar concrete resultaten en niet alleen maar naar besteding van de beschikbare middelen;

77.    herinnert, het subsidiariteitsbeginsel indachtig, aan de mededeling van de Commissie van 17 december 2013 met als titel "Samen naar een concurrerend en zuinig stedelijk mobiliteitssysteem" (COM(2013)0913), waarin de lidstaten werden opgeroepen:

a)      te zorgen voor een grondige analyse van huidige en toekomstige prestaties, coördinatie en integratie van plannen voor duurzame stedelijke mobiliteit (SUMP's) in bredere stedelijke en territoriale strategieën, en daarbij zo nodig technische of andere instrumenten waarover de planningsinstanties beschikken te wijzigen;

b)     de nadruk te leggen op geschikte voertuigen die samen met de infrastructuur duurzame stedelijke mobiliteit in stedelijke logistiek moeten opleveren;

78.    verzoekt de Commissie en de autoriteiten van de lidstaten, rekening houdend met de negatieve gevolgen van de financiële crisis voor de benutting van vervoersstelsels, meer aandacht te besteden aan de doelstellingen, streefcijfers en indicatoren, met name in inschrijvingsformulieren voor projecten, teneinde potentiële risico's vast te stellen en te waken voor te optimistische prognoses, zodat de vertragingen en kostenoverschrijdingen waarvan in het speciaal verslag gewag wordt gemaakt, worden vermeden;

79.    verzoekt de Commissie met klem grondigere kosten-batenanalyses te verrichten van indicatieve begrotingen voor projecten voor openbaar stadsvervoer en optimale werkwijzen te delen met de lidstaten en de uitwisseling van die werkwijzen tussen lidstaten aan te moedigen, zodat de instanties gesteund worden bij een succesvolle ontwikkeling van projecten waarvoor geen goedkeuring van de Commissie vereist is;

80.    dringt erop aan dat de Commissie het gebruik van Jaspers (Gezamenlijke ondersteuning van projecten in de Europese regio's) door de lidstaten aanmoedigt en dat zij volledig gebruik maakt van het potentieel van dit instrument voor het helpen ontwikkelen en beoordelen van de kwaliteit van projecten voor stedelijk vervoer die met ESI-fondsen worden gefinancierd;

81.    vestigt er echter de aandacht op dat openbaar stadsvervoer niet zomaar een betaalde activiteit is, maar dat het ook een cruciaal en soms onvervangbaar onderdeel van de stedelijke mobiliteitsstelsels vormt voor veel grote steden, zelfs in meer ontwikkelde regio's, aangezien deze ook te lijden hebben onder de "stedelijke paradox" als gevolg van het bestaan van maatschappelijk kwetsbare groepen;

82.    wenst derhalve dat de betrokken instanties ten volle rekening houden met de sociale dimensie van projecten voor openbaar stadsvervoer en dat die dimensie in de kandidaatstelling naar behoren wordt toegelicht;

83.    verzoekt de Commissie met spoed de desbetreffende gedelegeerde en uitvoeringshandelingen vast te stellen om mogelijke vertragingen te voorkomen, wetend dat het doorgaans lang duurt voordat vervoerprojecten uitgewerkt en uitgevoerd zijn;

84.    dringt erop aan dat de in de bijlage bij de voornoemde mededeling van de Commissie van 17 december 2013 genoemde elementen worden uitgevoerd, en met name:

a)      een omvattende statusanalyse en een basisscenario via een "stedelijke mobiliteitsprestatieaudit" waaraan de vooruitgang kan worden afgemeten;

b)     de identificatie van probleemgebieden waar het huidige stadsvervoerssysteem bijzonder zwak presteert;

c)      geschikte prestatie-indicatoren die goed gemonitord kunnen worden;

d)     specifieke prestatiedoelstellingen die realistisch zijn en ambitieus wat de doelstellingen van een duurzaam stedelijk mobiliteitsplan betreft;

e)      meetbare streefdoelen die gebaseerd zijn op een realistische inschatting van het basisscenario en de beschikbare middelen en die een afspiegeling vormen van de specifieke doelstellingen van een duurzaam stedelijk mobiliteitsplan;

85.    wijst op het gebrek aan toereikende indicatoren voor het meten van de doeltreffendheid van de in Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad(12) (de "EFRO-verordening") genoemde projecten voor openbaar stadsvervoer en dringt erop aan dat de Commissie in de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen voor dit soort projecten geschiktere indicatoren opneemt, overeenkomstig de desbetreffende aanbevelingen van de Rekenkamer;

Deel VIII - Speciaal verslag nr. 2/2014 van de Rekenkamer getiteld "Worden de preferentiële handelsregelingen naar behoren beheerd?"

86.    verwelkomt het speciaal verslag ter beoordeling van de preferentiële handelsregelingen in de context van de exclusieve bevoegdheid van de Unie als een belangrijke bijdrage tot het algemene politieke debat over het externe handels- en ontwikkelingsbeleid van de Unie; neemt kennis van de bevindingen en aanbevelingen en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

Algemene opmerkingen

87.    is ernstig bezorgd over het feit dat de Commissie niet alle economische effecten van de preferentiële handelsovereenkomsten (PTA's) naar behoren heeft beoordeeld en over het feit dat de volledige inning van de ontvangsten niet is verzekerd;

88.    herinnert eraan dat het een topprioriteit is de beleidsmakers, de verschillende belanghebbenden en de Europese belastingbetalers naar behoren te informeren over de belangrijkste meerwaarde en nadelen van de verschillende handelsbeleidsopties en -scenario's;

89.    vindt het onaanvaardbaar dat de duurzaamheidseffectbeoordelingen (DEB's) in sommige gevallen ontbreken, onvolledig zijn of op oude of verouderde gegevens gebaseerd zijn en in andere gevallen (Chili) pas na de ondertekening van de overeenkomst beschikbaar waren;

90.    benadrukt dat de onderliggende DEB afgerond en openbaar gemaakt moet zijn alvorens een nieuwe overeenkomst wordt ondertekend;

91.    betreurt dat de partners in het stelsel van algemene preferenties (SAP) in sommige gevallen de internationale verdragen op het gebied van mensen- en arbeidsrechten niet ondertekend hebben; vraagt de Commissie in de PTA's meer nadruk te leggen op het milieu en goed bestuur;

92.    wenst uiterlijk in oktober 2015 in kennis te worden gesteld van de maatregelen die de Commissie naar aanleiding van de aanbevelingen van het Parlement en de Rekenkamer heeft genomen;

Toekomstige ontwikkelingen

93.    is van mening dat, met het oog op een betere beoordeling van de economische gevolgen van de PTA's, de Commissie:

a)      voor elke PTA een effectbeoordeling (EB) en een DEB dient uit te voeren, met een grondige, alomvattende en gekwantificeerde analyse van de verwachte economische effecten ervan, met inbegrip van een nauwkeurige raming van de gederfde inkomsten;

b)     Eurostat systematisch dient te betrekken bij de kwaliteitsbeoordeling van de in de DEB's gebruikte statistische gegevensbronnen en ervoor moet zorgen dat de analyse ten behoeve van de onderhandelaars tijdig wordt uitgevoerd;

c)      tussentijds en achteraf evaluaties van alle PTA's dient te verrichten – met inbegrip van een raming van de gederfde inkomsten – teneinde na te gaan in welke mate de PTA's met een belangrijke impact hun beleidsdoelstellingen verwezenlijken en hoe de prestaties ervan kunnen worden verbeterd in de voornaamste sectoren;

94.    verzoekt de Commissie, met het oog op een betere bescherming van de financiële belangen van de Unie:

a)      EU-risicoprofielen voor PTA's te creëren met het oog op een gemeenschappelijke aanpak door de lidstaten van de risicoanalyse teneinde de verliezen voor de begroting van de Unie te beperken;

b)     na te gaan of de lidstaten de doeltreffendheid verhogen van hun risicobeheerssystemen en van de controlestrategie ter beperking van de verliezen voor de begroting van de Unie;

c)      de lidstaten aan te sporen om na ontvangst van een mededeling in het kader van wederzijdse bijstand (MA) passende voorzorgsmaatregelen te nemen;

d)     de landen die de preferentiële behandeling genieten te evalueren en toezichtbezoeken te brengen op basis van een risicobeoordeling, in het bijzonder met betrekking tot de oorsprongsregels en de cumuleringsregels;

e)      van de lidstaten te eisen dat zij de kwaliteit verbeteren van de informatie die zij verstrekken over de administratieve samenwerking;

f)      een betere financiële follow-up te geven aan onderzoeken van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) om verliezen voor de begroting van de Unie als gevolg van verjaring te beperken;

g)      het standpunt van de Unie in de wederkerige PTA's te versterken en vaker voorzorgs- en vrijwaringsmaatregelen te treffen door deze op te nemen in alle toekomstige handelsovereenkomsten;

h)      onverwijld een overzicht van de terugvorderingen in de periode 2010-2014 te verstrekken;

i)       het Parlement in kennis te stellen van de resultaten van het Compact-initiatief in Bangladesh;

Deel IX - Speciaal verslag nr. 3/2014 van de Rekenkamer getiteld "Lessen uit de ontwikkeling van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) door de Europese Commissie "

95.    verwelkomt de bevindingen en aanbevelingen die zijn opgenomen in speciaal verslag nr. 3/2014 van de Rekenkamer;

96.    heeft kritiek op de Commissie omdat zij niet voor voldoende deskundig personeel heeft gezorgd bij het begin van het project, noch voor wat betreft de technische uitvoering noch voor de kwaliteitsbeoordeling van het SIS II-project;

97.    beveelt aan alle grote IT-projecten te integreren in de IT-bestuursprocedure en niet alleen een beroep te doen op deskundigen van het directoraat-generaal Informatica van de Commissie, maar ook op deskundigen van andere directoraten-generaal en externe experts, teneinde beter te profiteren van interne deskundigheid;

98.    beveelt aan dat de Commissie van bij het begin van elk groot project profijt trekt uit de deskundigheid van de lidstaten en een panel van deskundigen opricht dat bestaat uit de vertegenwoordigers van de lidstaten die voor het project verantwoordelijk zijn; meent dat de taken en de bevoegdheden van de leden van het panel duidelijk moeten worden vastgelegd;

99.    vindt het erg dat noch de Commissie, die toch onder meer de belangen van de SIS II-eindgebruikers moest verdedigen, noch de grootste belanghebbenden bij het begin van het project op de hoogte waren van de technische vereisten en de behoeften van de eindgebruikers;

100.  verwacht dat voor toekomstige projecten de Commissie in samenwerking met de lidstaten bij de start van het project een exact profiel opstelt van de technische vereisten en de behoeften van de eindgebruikers;

101.  vindt het een verkwisting van het geld van de belastingbetaler dat de Commissie een algemene oproep voor het indienen van voorstellen heeft gepubliceerd zonder de voorwaarden duidelijk te definiëren;

102.  beveelt aan dat de Commissie voor toekomstige IT-projecten een realistisch bedrijfsplan en tijdschema opstelt, gebaseerd op duidelijk omschreven vereisten inzake vorm en inhoud en een duidelijke analyse van de kosten en de planning, rekening houdend met de risico's en de complexiteit van het project;

103.  hekelt het feit dat de Commissie herhaaldelijk heeft geprobeerd de vertragingen en de stijgende kosten te verdoezelen;

104.  vraagt de hoogst mogelijke transparantie bij toekomstige IT-projecten in de vorm van permanente informatie aan de desbetreffende bevoegde commissie van het Parlement, met name wanneer het gaat om cruciale beslissingen die de volgende fases van het project in gang zetten, of onvoorziene kosten, planning of alternatieve oplossingen;

105.  is van mening dat de voorwaarden om schadevergoeding te eisen in het contract met de belangrijkste contractant niet hadden mogen beperkt worden; vindt dat toekomstige contracten een doeltreffend sanctiemechanisme moeten hebben als waarborg voor een tijdige oplevering die aan de vereiste normen voldoet;

106.  hekelt het dat de Commissie geen einde heeft gemaakt aan het contract met de belangrijkste contractant, ondanks de slechte resultaten van de eerste fase van het project;

107.  heeft kritiek op het feit dat de Commissie niet heeft aangedrongen op een modulair systeem voor de implementatie van SIS II; is van mening dat volledige modules aan een andere contractant hadden kunnen worden overgedragen, zonder dat het project aan één specifieke contractant gebonden was, indien er aan elkaar te linken onderdelen waren geïntroduceerd;

108.  hekelt het feit dat de Commissie de waarde van het oorspronkelijke contract met acht keer heeft verhoogd door opnieuw over het contract te onderhandelen, ondanks artikel 126, lid 1, onder e), van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002(13), waarin wordt bepaald dat de waarde van het contract niet hoger mag zijn dan 50% van zijn oorspronkelijke waarde;

109.  merkt in dit verband op dat artikel 134, lid 1, onder b), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie(14), misschien moet worden herzien omdat de verbintenis met één specifieke contractant om technische of artistieke redenen er niet mag toe leiden dat de beschermende bepaling van artikel 134, lid 1, onder e), wordt omzeild en dat de oorspronkelijke waarde van het hoofdcontract onevenredig veel kan worden vermeerderd;

110.  merkt op dat in geval van een aanzienlijke vermeerdering van de oorspronkelijke kosten van het project of grote veranderingen op het gebied van verwachte baten, risico's of alternatieve oplossingen, de begrotingsautoriteit haar voorafgaande goedkeuring moet geven;

111.  betreurt het dat in verschillende gevallen begrotingsmiddelen opnieuw zijn toegewezen zonder goedkeuring van de begrotingsautoriteit;

112.  verwelkomt de richtsnoeren voor projectbeheer die het directoraat-generaal Informatica van de Commissie sedert 2011 aanbeveelt; is van mening dat de introductie van nieuwe stappen in een project op basis van deze richtsnoeren moet worden goedgekeurd door het stuurcomité van het project (de zogenaamde "approval gates");

113.  wijst erop dat we vooruit moeten kijken, aangezien SIS II wellicht verzadigd zal zijn tegen het eind van dit decennium en er een SIS III zal nodig zijn; hoopt dat de voorbereidingen van SIS III een stuk beter zullen verlopen;

Deel X - Speciaal verslag nr. 4/2014 van de Rekenkamer getiteld "Integratie van doelstellingen van het EU‑waterbeleid in het GLB: een gedeeltelijk succes"

114.  verzoekt de Commissie de wetgever voorstellen te doen toekomen betreffende de noodzakelijke wijzigingen aan de bestaande instrumenten ("cross-compliance" en plattelandsontwikkeling), teneinde ervoor te zorgen dat Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad(15) (de "kaderrichtlijn water") geëerbiedigd wordt, of, in voorkomend geval, voorstellen betreffende nieuwe instrumenten die erin resulteren dat de ambitieuzere doelstellingen ten aanzien van de integratie van de doelstellingen van het waterbeleid in het GLB kunnen worden gerealiseerd;

115.  roept de lidstaten op om, in overeenstemming met de kaderrichtlijn water:

a)      de in de controle vastgestelde gebreken aan te pakken bij het verrichten van "cross-compliance"-controles;

b)     stelselmatig passende sancties op te leggen bij inbreuken;

c)      meer aandacht te besteden aan het in kaart brengen en aanpakken van watergerelateerde problemen door middel van hun regionale ontwikkelingsprogramma's (ROP's), en aan het waarborgen dat deze aansluiten bij de stroomgebiedbeheerplannen (SGBP's);

d)     vrijwaringsmechanismen te bedenken en rigoureus ten uitvoer te leggen ter vermijding van negatieve neveneffecten op water van activiteiten die worden gefinancierd vanuit plattelandsontwikkeling;

e)      gebruikmaking van de voor watervraagstukken bestemde middelen - op zodanige wijze dat deze strookt met een goed financieel beheer - actief te overwegen en naar behoren te bevorderen;

116.  verwacht dat de Commissie passende mechanismen voorstelt die daadwerkelijk een positieve invloed kunnen uitoefenen op de kwaliteit van de in de kaderrichtlijn water bedoelde programmeringsdocumenten van de lidstaten, en die afwijking van het door de kaderrichtlijn water vastgestelde tijdpad voorkomen; is van mening dat hiertoe minimale voorwaarden ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de kaderrichtlijn water zouden moeten worden gesteld alvorens plattelandsontwikkelingsmiddelen worden vastgelegd;

117.  verzoekt de lidstaten het proces van tenuitvoerlegging van de kaderrichtlijn water dringend te versnellen en de kwaliteit van hun SGBP's te verbeteren voor de volgende beheerscyclus (2015) door afzonderlijke maatregelen (bijvoorbeeld wat betreft reikwijdte, tijdpad, streefdoelen en kosten) te beschrijven en deze voldoende duidelijk en concreet te maken op operationeel niveau, alsmede tot op plaatselijk niveau en het niveau van het landbouwbedrijf;

118.  roept de Commissie op haar kennis van het verband tussen waterkwaliteit en -kwantiteit en landbouwpraktijken te verbeteren door haar bestaande monitoringsystemen te verbeteren en door te verzekeren dat deze ten minste de ontwikkeling kunnen meten van de vormen van belasting die landbouwpraktijken opleveren voor water; is van mening dat dit haar zou helpen bij het vaststellen in welke gebieden de GLB-middelen het hardst nodig zijn;

119.  dringt er bij de lidstaten op aan de tijdigheid, de betrouwbaarheid en de consistentie van de gegevens die zij aan de Commissie verstrekken te verbeteren, aangezien de kwaliteit van de informatie over water in de Unie als geheel afhangt van de kwaliteit van de informatie die de lidstaten verstrekken;

Deel XI - Speciaal verslag nr. 5/2014 van de Rekenkamer getiteld "Het Europees bankentoezicht krijgt vorm: de EGA in een veranderende omgeving"

120.  benadrukt de noodzaak om een sectoroverschrijdende effectbeoordeling uit te voeren alsook voldoende tijd uit te trekken voor de opstelling van technische normen; is ingenomen met het Commissievoorstel om termijnen vast te stellen voor het uitvaardigen van technische normen en stelt vast dat een sectoroverschrijdende analyse van de in de afgelopen jaren vastgestelde financiële wetgeving van de Unie, voor wat betreft de effecten van het volledige regelgevingspakket, wordt uitgevoerd;

121.  beklemtoont dat de Europese Bankautoriteit (hierna "de Autoriteit") uit politiek oogpunt neutraal moet blijven optreden; is evenwel van oordeel dat het van essentieel belang is voor haar rol en de uitvoering van haar taken dat zo spoedig mogelijk de convergentie van het toezicht verbeterd wordt;

122.  is van mening dat een onafhankelijk controlesysteem de grondslag is voor een goede werking van de financiële markt; uit daarom zijn bezorgdheid over het politieke besluit de Autoriteit uitsluitend op te vatten als een autoriteit inzake coördinatie en niet als een autoriteit inzake microprudentieel toezicht, in een tijdsgewricht waarin vertrouwen in financiële instellingen krachtige maatregelen vereist;

123.  wijst op de beperkte bevoegdheden van de Autoriteit ten aanzien van de colleges van toezichthouders alsook op haar invloed op de convergentie van het toezicht; is ingenomen met de vooruitgang die door de Autoriteit geboekt is bij de verbetering van de werking van de colleges, met name ten aanzien van de gezamenlijke risicobeoordelingen en gezamenlijke besluiten;

124.  merkt met bezorgdheid op dat de rol van de Autoriteit om stresstesten te initiëren en te coördineren weliswaar versterkt is als onderdeel van het gehele pakket van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme, maar dat de wettelijke verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de stresstesten nog steeds bij de bevoegde autoriteiten ligt, zonder dat de Autoriteit controle heeft over de resultaten van de test; .

125.  stelt bezorgd vast dat de Autoriteit niet in staat is haar mandaat inzake consumentenbescherming ten volle uit te oefenen, met name vanwege een tekort aan wettelijke instrumenten om deze problemen aan te pakken en de beperkte ruimte om bij juridisch bindende besluiten bepaalde producten of activiteiten te verbieden; benadrukt echter de rol van het Gemengd Comité om de uitwisseling van gedachten over de sectoren heen te vergemakkelijken en te verbeteren en is het eens met de Rekenkamer dat krachtiger maatregelen nodig zijn ter bescherming van de consument in de financiële sector in de Unie;

126.  is van oordeel dat meer coördinatie met de nationale autoriteiten inzake consumentenbescherming de invloed van de Autoriteit op dit gebied kan vergroten;

127.  is het eens met de Rekenkamer dat de invoering van een prestatiemetingssysteem van essentieel belang is voor doeltreffend toezicht en erkent dat de Autoriteit werkt aan de implementatie van een prestatiemanagementsysteem;

128.  merkt op dat voor toezicht op het bankwezen in de hele Unie een duidelijke verdeling van de rollen en de verantwoordelijkheden vereist is tussen de Autoriteit, de Europese Centrale Bank en de nationale toezichthoudende autoriteiten, zowel binnen als buiten het gemeenschappelijk toezichtmechanisme; verzoekt derhalve om een verduidelijking van hun rollen en taken om het risico van overlappende taken, mogelijke hiaten en onduidelijke verantwoordelijkheden te vermijden;

129.  is van mening dat het nodig is de huidige regels inzake toezicht te verbeteren om het toezicht op nationale banken te vergroten in de derde landen die de euro hebben aangenomen maar geen lidstaten zijn, zoals Vaticaanstad, Andorra, Monaco en San Marino;

130.  is van mening dat het noodzakelijk is de parameters te herzien voor de risicogewogen activa, om de banken die het meest te maken hebben met kredietgerelateerde bancaire producten niet te bestraffen alsook de banken met slechte of dubieuze financiële producten, zoals derivaten, niet te belonen;

Deel XII - Speciaal verslag nr. 6/2014 van de Rekenkamer getiteld "Heeft de steun met middelen voor cohesiebeleid voor opwekking van hernieuwbare energie goede resultaten opgeleverd?"

131.  is ingenomen met speciaal verslag nr. 6/2014 van de Rekenkamer en staat achter de daarin opgenomen aanbevelingen;

132.  is verheugd over de bevinding van de Rekenkamer dat de gecontroleerde projecten op het gebied van hernieuwbare energiebronnen (HEB) probleemloos uitgevoerd zijn en beschouwt dit als een bevestiging dat sleuteltechnologieën voor productie van hernieuwbare energie volwassen zijn;

133.  is van oordeel dat aangezien HEB-projecten in het algemeen meerdere jaren nodig hebben om volledig operationeel te worden, het moeilijk is, voordat deze jaren verstreken zijn, tot een nauwkeurige beoordeling van de prestaties te komen;

134.  is van mening dat het beginsel van kosteneffectiviteit volledig verankerd dient te zijn in cohesie-instrumenten alsook in andere instrumenten, zoals het Europees energieprogramma voor herstel, en niet uitsluitend in geval van HEB-projecten, ook als daarmee bredere doelstellingen worden nagestreefd; wijst erop dat het begrip kosteneffectiviteit op verschillende manieren kan worden omschreven; stelt daarom voor dat de Commissie en de lidstaten bespreken op welke manier dit begrip te stroomlijnen om zodoende meer efficiënte sturing te geven aan de uitvoering van HEB-projecten;

135.  is bezorgd dat het rechtskader van de Unie voor HEB niet geheel overeenkomt met de voorschriften van de financiële instrumenten van de Unie, met name de belangrijkste financieringsbronnen voor hernieuwbare energie, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds; verzoekt de Commissie een grondig onderzoek van de wetgeving te verrichten en bestaande tegenstrijdigheden te verhelpen;

136.  is van oordeel dat overheidsfinanciering op dit gebied aanvullend moet zijn en een sleutelrol moet vervullen bij het bevorderen van particuliere investeringen; is echter van mening dat sommige projecten, en met name grootschalige projecten, grotere overheidsinvesteringen vereisen;

137.  is het standpunt toegedaan dat onzekere en onvoorspelbare impulsen en steunregelingen investeringen in hernieuwbare energie belemmeren; benadrukt dat bestaande onzekerheden afbreuk doen aan de selectieprocedure van productietechnologieën, wat het beginsel van kosteneffectiviteit verder ondermijnt;

138.  beklemtoont dat de problemen en onzekerheden van de netwerkintegratie van HEB niet alleen een obstakel vormen voor investeringen van de particuliere sector in de ontwikkeling van hernieuwbare energie, maar ook de financiële houdbaarheid van lopende projecten alsook de tenuitvoerlegging van toekomstige programma's van het EFRO en het Cohesiefonds kunnen ondermijnen; verzoekt de Commissie een actueel onderzoek te verrichten naar de belemmeringen op regelgevings- en technisch gebied op het niveau van de lidstaten, teneinde een betere toegang tot het elektriciteitsnetwerk van zowel klein- als grootschalige HEB-projecten mogelijk te maken;

139.  merkt op dat de Commissie strikter moet toezien op het nieuwe regelgevend kader voor 2014-2020, waaronder de begindoelstellingen en prestatie-indicatoren daarvan, waardoor een doeltreffende monitoring en beoordeling mogelijk wordt;

140.  vraagt de lidstaten zich meer in te spannen voor de uitwisseling van optimale werkmethoden en gemeenschappelijke procedures tot stand te brengen om hun nationale administratieve systemen te harmoniseren;

141.  merkt op dat zeer gedetailleerde selectiecriteria voor HEB een middel kunnen worden om concurrenten uit te sluiten; verzoekt de Commissie de begeleiding op dit gebied te versterken en dergelijke gevallen nauwlettend te volgen;

142.  neemt kennis van de antwoorden van de Commissie waarin gesteld wordt dat sommige aanbevelingen van de Rekenkamer middels Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad(16) (de "richtlijn hernieuwbare energie") ten uitvoer zijn gelegd;

Deel XIII - Speciaal verslag nr. 7/2014 van de Rekenkamer getiteld "Heeft het EFRO met succes de ontwikkeling van starterscentra ondersteund?"

143.  is ingenomen met speciaal verslag nr. 7/2014 van de Rekenkamer en staat achter de daarin opgenomen aanbevelingen;

144.  wijst erop dat starterscentra gericht zijn op ondersteuning van de succesvolle vestiging en verdere ontwikkeling van startende ondernemingen, hetgeen bijdraagt aan de cruciale rol die kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) spelen voor het scheppen van banen en groei in de Unie;

145.  is van mening dat de financieringsprogramma's in het kader van het cohesiebeleid die voor de gecontroleerde centra worden gebruikt een gestructureerde planning moeten hebben, naast een aantal duidelijke doelstellingen en een doeltreffende beoordeling; is van mening dat bij de gecontroleerde centra sprake was van tekortkomingen op het vlak van alle voornoemde voorschriften;

146.  herinnert eraan dat het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) een aanzienlijke financiële bijdrage heeft geleverd aan de totstandbrenging van de infrastructuur voor de starterscentra, en dat de gecontroleerde starterscentra correct waren opgezet, maar dat de resultaten van deze gecontroleerde centra beperkt waren;

147.  wijst erop dat het aantal met steun van de centra opgestelde bedrijfsplannen, het aantal in de centra gestarte ondernemingen en het aantal geschapen arbeidsplaatsen veel kleiner was dan bij de benchmarkcentra die de Rekenkamer gebruikte ter vergelijking;

148.  wijst erop dat de gecontroleerde EFRO-centra een beperktere reeks diensten boden dan de benchmarkcentra en dat de reeks vaardigheden en deskundigheid van het personeel in de EFRO-centra kleiner was;

149.  benadrukt dat een volledig ontwikkeld pakket ondersteunende diensten voor startende ondernemingen met deskundig personeel, goede praktijken en geregeld toezicht van groot belang is voor de doeltreffendheid van starterscentra;

150.  neemt kennis van de verklaring van de Commissie dat de lidstaten die in 2004 of daarna toetraden tot de Unie niet beschikten over een zakelijke infrastructuur en weinig relevante deskundigheid en ervaring hadden, en dat de resultaten van de starterscentra in die landen daarom bescheiden waren; herinnert er echter aan dat de controle plaatsvond in 4+2 lidstaten, waarvan er slechts twee zijn toegetreden tot de Unie in 2004;

151.  is van mening dat de Commissie zich tijdens de programmeringsperiodes 2000-2006 en 2007-2013 onvoldoende heeft ingezet om deze ondernemingen te ondersteunen; wijst erop dat dit wordt bevestigd door het ontbreken van richtsnoeren van de Commissie in die programmeringsperiodes, met name tussen 2006 en 2010;

152.  herinnert eraan dat de vaststelling en uitwisseling van goede werkwijzen, in het bijzonder door nieuw opgerichte bedrijven, een belangrijke manier is om de doeltreffendheid te vergroten; betreurt de teleurstellende resultaten van de gecontroleerde starterscentra; verzoekt de Commissie de richtsnoeren voor de beheersautoriteiten van de lidstaten op dit terrein te verbeteren en verzoekt de beheersautoriteiten om die richtsnoeren op efficiënte wijze toe te passen;

153.  benadrukt dat investeringen in de opleiding van personeel, om te zorgen voor een doeltreffende ondersteuning van startende ondernemingen en potentiële klanten, van belang is voor de doeltreffendheid van de ondernemingen; betreurt dat ook dit aspect over het algemeen werd veronachtzaamd door de gecontroleerde starterscentra;

154.  wijst erop dat de steun voor starterscentra gebaseerd kan worden op een brede en diepgaande analyse, alsmede op een aantal individuele, specifieke en op maat gesneden onderzoeken met betrekking tot bepaalde ondersteunde projecten (zoals een haalbaarheidsstudie, een bedrijfsplan, enz.); is van mening dat deze onderzoeken een duidelijke onderbouwing kunnen vormen voor de verlening van steun;

155.  verwacht dat de inzet van starterscentra niet overal per definitie succes zal opleveren in de vorm van meerwaarde voor de regionale en economische ontwikkeling; is van oordeel dat er alleen steun moet worden verleend aan starterscentra die aan de aanvangsvoorwaarden voldoen;

156.  benadrukt dat de steun voor starterscentra verleend kan worden door middel van publiek-private partnerschappen (PPP's), waarbij het risico van de openbare dienst wordt gedeeld met de particuliere onderneming die gesteund moet worden;

157.  wijst erop dat starterscentra moeten worden opgericht in nauwe samenwerking met scholen en onderzoeksinstellingen;

158.  wijst erop dat het belangrijk is dat de steun voor starterscentra in de periode 2014-2020 wordt aangevuld en synergieën aangaat met middelen van het EFRO, Horizon 2020 en het programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen (Cosme);

Deel XIV - Speciaal verslag nr. 8/2014 van de Rekenkamer getiteld "Heeft de Commissie de integratie van gekoppelde steun in de bedrijfstoeslagregeling doeltreffend beheerd"

159.  steunt de aanbevelingen van de Rekenkamer en is ingenomen met de constructieve houding van de Commissie;

160.  betreurt dat sommige lidstaten volgens de Rekenkamer bij de vaststelling van de criteria voor de berekening van de toeslagrechten niet altijd het beginsel van goed financieel beheer in acht hebben genomen;

161.  merkt op dat dit voor landbouwers in sommige sectoren onverhoopte meevallers heeft opgeleverd, die op zich geen inbreuk vormen op de bestaande regels:

a)      zo leverden de uit hoofde van de nationale regelgeving toegekende toeslagrechten de landbouwers in Spanje meer op dan wat zij in het verleden aan gekoppelde steun hadden ontvangen;

b)     in Italië ontvingen de landbouwers evenveel toeslagrechten als zij in het verleden aan steun hadden ontvangen, hoewel hun bebouwde landbouwareaal inmiddels fors was ingekrompen;

c)      in strijd met de wetgeving van de Unie hadden de Franse autoriteiten niet de waarde van alle toeslagrechten verlaagd ter financiering van de specifieke steun aan landbouwers (artikel 68 van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad(17)); de waarde van alle toeslagrechten in Frankrijk was derhalve met 4,61% te hoog opgegeven, hetgeen overeenkomt met 357,3 miljoen EUR; merkt op dat 74 miljoen EUR hiervan de in 2010 in de bedrijfstoeslagregeling (BTR) geïntegreerde steun betrof en dat de corrigerende maatregelen volgens de Commissie verrekend zijn in het actieplan voor Frankrijk;

162.  roept de Commissie er derhalve toe op naar behoren toe te zien op de berekening van de aan de landbouwers in de lidstaten toegekende toeslagrechten en na te gaan of de lidstaten zich wel houden aan de daarvoor geldende plafonds;

163.  stelt met bezorgdheid vast dat, zelfs wanneer de Commissie fouten had ontdekt, de toeslagrechten niet zijn gecorrigeerd omdat de administratieve procedures te traag verliepen;

164.  verzoekt de Commissie om voortaan in een eerder stadium toezicht uit te oefenen en meer aandacht te besteden aan de risico's die aan toeslagrechten zijn verbonden;

165.  merkt op dat de BTR met ingang van 2015 wordt vervangen door een "basisbetalingsregeling" (BBR);

166.  is van mening dat het nieuwe systeem gericht moet zijn op vermindering van de administratieve formaliteiten voor landbouwers;

167.  stelt zich op het standpunt dat de door de Commissie te verrichten controles en audits voornamelijk risicogebaseerd dienen te zijn;

168.  dringt erop aan dat het nieuwe systeem geen ruimte mag laten voor onverantwoorde discrepanties tussen de lidstaten bij de berekening van toeslagrechten of voor ongelijke behandeling van landbouwers, ongeacht de beoordelingsmarge waarin de verordening eventueel voorziet; verzoekt de Commissie het Parlement en zijn Commissie begrotingscontrole de verzekering te geven dat er passende maatregelen zijn getroffen om deze doelstelling te verwezenlijken;

169.  constateert met bezorgdheid dat incorrect berekende toeslagrechten ook na 2014 nog kunnen blijven resulteren in onjuiste betalingen, zolang de lidstaten tot 2021 een deel van de toekomstige steunbedragen kunnen uitbetalen op basis van het huidige niveau van de BTR-steun; is van mening dat hoewel dergelijke betalingen kunnen worden gecorrigeerd en teruggevorderd, zij hoe dan ook voorkomen zouden moeten worden;

170.  herinnert de Commissie eraan dat in artikel 317 van het Verdrag betreffende de Europese Unie is bepaald dat "[d]e Commissie de begroting [uitvoert] in samenwerking met de lidstaten [...] onder haar eigen verantwoordelijkheid, binnen de grenzen der toegekende kredieten en met inachtneming van het beginsel van goed financieel beheer"; verwacht van de Commissie derhalve dat zij de lidstaten van adequaat advies voorziet, opdat deze de BBR overeenkomstig de bovenvermelde beginselen van goed financieel beheer kunnen toepassen, en dat zij passende controlevoorzieningen introduceert teneinde de algehele verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de begroting op zich te kunnen nemen;

Deel XV - Speciaal verslag nr. 9/2014 van de Rekenkamer getiteld "Wordt de investerings- en afzetbevorderingssteun van de EU ten behoeve van de wijnsector goed beheerd en zijn de resultaten wat betreft het concurrentievermogen van EU-wijnen aangetoond?"

171.  verwelkomt de bevindingen en aanbevelingen die zijn opgenomen in speciaal verslag nr. 9/2014 van de Rekenkamer;

172.  neemt kennis van de goedkeuring door de Raad en het Europees Parlement van Verordening (EU) nr. 1308/2013(18) tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten voor de periode 2014-2020;

173.  herinnert aan speciaal verslag nr. 7/2012 van de Rekenkamer (kwijting 2011) over "de hervorming van de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkten: voortgang tot op heden", en aan het verslag van de Commissie begrotingscontrole dat daarop volgde;

174.  onderschrijft volledig de idee dat de steunregeling moet worden gerationaliseerd en dat de Commissie de absorptie van middelen regelmatig moet controleren; hamert er met klem op dat de investeringssteunregeling ondernemerschaps- en resultaatgericht moet zijn, en dat goede praktijken moeten worden bevorderd en als voorbeeld moeten dienen;

175.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat het niet gelukt is meer kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) enthousiast te maken voor de afzetbevorderingssteunregeling van de Unie ten behoeve van de wijnsector; is van mening dat in dit verband de medefinancieringspercentages moeten worden herzien, zodat het voor kmo's, en met name kmo's met een beperkte administratieve en financiële draagkracht, aantrekkelijker wordt deel te nemen;

176.  vindt dat een gemeenschappelijk systeem voor het beoordelen van de afzetbevorderingssteun moet worden ontwikkeld, aan de hand waarvan de Commissie en de lidstaten kunnen vaststellen of en in welke mate de doelstellingen van de regeling worden verwezenlijkt en wat de invloed op het concurrentievermogen van de wijnsector op het niveau van de lidstaten is; meent dat één van de aspecten die dit gemeenschappelijk systeem zou moeten beoordelen de toename van het wereldmarktaandeel van de respectieve wijnproducenten moet zijn;

177.  onderschrijft de aanbeveling van de Rekenkamer dat bijkomende kosten, zoals kosten van uitvoeringsorganen en overheadkosten, naar behoren moeten worden onderbouwd en beperkt moeten blijven tot een maximumpercentage van de totale kosten;

178.  onderstreept dat een passende beleidsmix van investeringen en afzetbevordering van primordiaal belang is; vindt dat de Commissie en de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de maatregelen een grotere doeltreffendheid aan de dag moeten leggen; is van oordeel dat, met name bij de afzetbevorderingsmaatregelen, de begunstigden verplicht moeten worden de noodzaak van steun van de Unie aan te tonen, dat normale bedrijfskosten niet voor financiering in aanmerking moeten komen en dat de steun voor begunstigden die in elke programmeringsperiode op dezelfde landen gerichte afzetbevorderingsprogramma's indienen, moet worden geplafonneerd; vindt daarnaast dat de resultaten van de afzetbevorderingssteun op het niveau van de begunstigden moeten worden beoordeeld in plaats van op dat van de gehele wijnsector van de Unie;

179.  sluit zich aan bij de aanbeveling van de Rekenkamer dat de Commissie moet onderzoeken in welke mate het budget voor de nationale steunprogramma's voor de periode 2014-2018 op de behoefte van de wijnsector van de Unie aansluit en moet analyseren hoe het gesteld is met het absorptievermogen van de lidstaten, en het budget in voorkomend geval moet aanpassen; vraagt de Commissie na te gaan of er behoefte is aan een aanvullend financieel instrument voor de wijnsector ten opzichte van andere landbouwsectoren;

180.  is verheugd dat de export van Europese kwaliteitswijnen zich positief ontwikkelt; is van oordeel dat de Unie haar concurrentievoordeel op de multilaterale en steeds competitievere mondiale wijnmarkt in kaart moet brengen en benutten, en de wijnproducenten in de Unie moet ondersteunen bij het ontwikkelen van wijnen van wereldklasse, hetgeen er toe zal bijdragen de vraag- en aanbodsituatie in Europa beter in evenwicht te brengen;

181.  spoort de Commissie aan bij te dragen tot meer transparantie van de afzetbevordering van wijn in derde landen door een beter controle- en toezichtsysteem voor de gefinancierde projecten; wijst erop dat deze maatregel ook zou moeten helpen bij het vermijden van dubbele financiering;

Deel XVI - Speciaal verslag nr. 10/2014 van de Rekenkamer getiteld "De doeltreffendheid van de steun van het Europees Visserijfonds voor aquacultuur"

182.  onderschrijft de belangrijkste aanbevelingen van de Rekenkamer en neemt er nota van dat de Commissie bezig is met het ontwikkelen van de gevraagde richtsnoeren voor de uitvoering van de kaderrichtlijn water en Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad(19) (de "kaderrichtlijn mariene strategie"); is er verheugd over dat de Commissie rekening heeft gehouden met de aanbevelingen betreffende ruimtelijke ordening en de noodzaak van administratieve vereenvoudiging;

183.  vindt het verheugend dat bij de ontwikkeling van het nieuwe Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij voor de periode 2014-2020 lessen zijn getrokken uit de ervaringen die in de periode 2007-2013 zijn opgedaan; benadrukt evenwel dat de Commissie erop moet toezien dat nu en in de toekomst gezorgd wordt voor follow-up van alle aanbevelingen;

184.  begrijpt dat de financiële crisis grote invloed heeft gehad op de verwezenlijking van de doelstellingen ten aanzien van groei en werkgelegenheid in de sector aquacultuur; onderstreept dat er echter ook andere factoren zijn die ertoe hebben bijgedragen dat een van de belangrijkste doelstellingen van het Europees Visserijfonds (EVF) - te weten groei en duurzaamheid van aquacultuur - niet is verwezenlijkt; beklemtoont dat de sector aquacultuur niet alleen niet groeit, maar in Europa (in tegenstelling tot andere delen van de wereld) al een aantal jaar stagneert;

185.  is er teleurgesteld over dat in de lidstaten op projectniveau en bij strategische planning te weinig aan prioritering wordt gedaan; vraagt de Commissie dan ook met klem te werken aan verbetering van de programma-opzet, teneinde de ondersteuning van de sector aquacultuur doeltreffender te maken, en toe te zien op een betere tenuitvoerlegging;

186.  wijst erop dat, enerzijds, een sterkere en meer duurzame aquacultuursector een van de voornaamste doelstellingen van de Commissie is, maar dat, anderzijds, in het kader van het EVF nauwelijks iets gedaan is om deze doelstelling te verwezenlijken; stelt vast dat dit een systematisch probleem is dat ook bij andere programma's voorkomt en concludeert derhalve dat de Commissie stelselmatig tekortschiet bij het verwezenlijken van haar doelstellingen;

187.  verzoekt de Commissie met klem haar financieel beheer op een nieuwe leest te schoeien en in dat verband niet meer te streven naar het koste wat het kost uitgeven van alle beschikbare financiële middelen, maar in plaats daarvan prioriteit toe te kennen aan inachtneming van de bestedingsregels, aan kostenefficiëntie en aan resultaatgerichtheid;

188.  is van oordeel dat de lidstaten hun procedures voor het selecteren van projecten moeten verbeteren en moeten stoppen met het toekennen van financiële steun aan alle projecten, waarbij betere projectselectie inhoudt dat nauwkeuriger in kaart moet worden gebracht hoe groot de kans is dat de projecten in kwestie succesvol zullen zijn, op kostenefficiënte wijze ten uitvoer kunnen worden gelegd en - in het algemeen - zullen bijdragen tot verwezenlijking van de doelstellingen van het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV), zoals groei en werkgelegenheid; onderstreept dat de Commissie de lidstaten hierbij de helpende hand moet toesteken, projectfollow-up en toezicht op de resultaten moet bevorderen, en in het algemeen een fijnmaziger systeem voor projectevaluatie ex post moet helpen ontwikkelen, waarbij lessen worden getrokken uit de opgedane ervaringen;

189.  vindt dat de lidstaten hun rapportage-instrumenten en -kanalen moeten verbeteren, gezien het feit dat de gegevens die zij de Commissie doen toekomen vaak onnauwkeurig zijn; beveelt de Commissie aan meer druk uit te oefenen op de lidstaten om betrouwbare gegevens te leveren, met name wanneer er klaarblijkelijke discrepanties zijn, en na te denken over sancties voor lidstaten waartegen de verdenking bestaat dat zij opzettelijk onjuiste gegevens leveren;

190.  wijst erop dat de Commissie een steviger kader moet ontwikkelen voor al haar financiële programma's, met inbegrip van de nieuwe aquacultuurmaatregelen van het EFMZV; vindt dat de Commissie moet overwegen voor een meer consequente benadering te kiezen en meer integriteit aan de dag te leggen;

191.  vraagt de Commissie erop toe te zien dat de lidstaten hun strategieën beter uitleggen en ten uitvoer leggen op een wijze die bevorderlijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het EFMZV; vraagt de Commissie bij de lidstaten aan te dringen op meer aandacht voor projectevaluatie en voor een strategische onderbouwing van projecten; wijst erop dat het belangrijk is dat bij de evaluatie van projecten voor een open benadering wordt gekozen en naar een helder geformuleerd doel wordt toegewerkt;

192.  beveelt aan nog eens goed te kijken naar de financiering van reeds begonnen projecten zonder meerwaarde; vraagt de Commissie en de lidstaten te stoppen met het quasi automatisch toekennen van financiering aan projecten, en alleen financiële steun toe te kennen wanneer vastgesteld is dat de projecten in kwestie een meerwaarde hebben;

193.  dringt erop aan de administratieve procedures te vereenvoudigen, teneinde te bewerkstelligen dat alleen daadwerkelijk kwalitatief hoogwaardige projecten voor financiering in aanmerking komen;

194.  is er verheugd over dat wordt voorgesteld in het EFMZV een nieuw monitoringsysteem in te bouwen, inclusief een gegevensbank op lidstaatniveau met informatie over elke steunactie en geaggregeerde informatie over de belangrijkste aspecten van de steunverlening, maar vindt dat het niet bij een voorstel moet blijven en dat bij de tenuitvoerlegging ervan de lat hoog moet worden gelegd;

Deel XVII - Speciaal verslag nr. 11/2014 van de Rekenkamer getiteld "De totstandbrenging van de Europese Dienst voor extern optreden"

195.  is ingenomen met speciaal verslag nr. 11/2014 van de Rekenkamer en staat achter de daarin opgenomen aanbevelingen;

196.  is van mening dat de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) nog geen volwaardige diplomatieke dienst van de Unie is omdat de middelen te beperkt zijn; is van oordeel dat de Commissie en de lidstaten de juiste actoren zijn om de consolidatie van de EDEO te bewerkstelligen;

197.  wijst erop dat het beginsel van begrotingsneutraliteit ten zeerste toe te juichen is; is echter van mening dat dit niet los mag worden gezien van de besparingen die de lidstaten door de oprichting van de EDEO hebben gedaan;

198.  is van mening dat de EDEO nog steeds een topzwaar bestuur heeft en dat dit moet worden gecorrigeerd; is van oordeel dat de reeds genomen maatregelen om hieraan te verhelpen de goede kant opgaan, en verzoekt de Commissie zich nog meer in te zetten om de samenwerking tussen de diverse diensten te verbeteren;

199.  is van oordeel dat de verantwoordelijkheden van de speciale vertegenwoordigers van de Unie zeer onduidelijk zijn omdat een degelijk toezicht en een analyse van de prestaties ontbreken; stelt voor hieraan te verhelpen door de speciale vertegenwoordigers in de EDEO op te nemen;

200.  acht de ontwikkelingen op het gebied van personele middelen positief, maar is het toch eens met de opmerkingen van de Rekenkamer dat er dringend behoefte is aan thematische expertise in de delegaties; verzoekt de Commissie en de EDEO een gezamenlijke aanpak te volgen om het profiel van het personeel in de delegaties te optimaliseren;

201.  verzoekt de EDEO een beter overzicht te krijgen van de kosten voor de aanwervingsprocedures; verzoekt de EDEO voor aanwervingsgesprekken innovatieve oplossingen zoals videoconferenties te gebruiken, en ook voor de opleiding van personeel zoveel mogelijk gelijkaardige voorstellen te doen;

202.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan maatregelen te nemen die een betere coördinatie en samenwerking tussen hun diensten voor externe betrekkingen en de EDEO bevorderen, zonder evenwel de horizontale thematische kwesties uit het oog te verliezen;

203.  benadrukt dat de financiering van missies in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) veel flexibeler moet zijn om de interne en externe veiligheid van de Unie te waarborgen bij dreiging door conflicten in buurlanden, en ook door het groter risico op mogelijke aan IS gelieerde terreuracties;

204.  dringt er bij de EDEO op aan om optimaal te profiteren van schaalvoordelen door nieuwe synergieën binnen het hoofdkwartier van de EDEO en de delegaties te creëren, alsmede in samenwerking met de lidstaten en de nationale diplomatieke diensten in de geest van een daadwerkelijk buitenlands beleid en buitenlandse diensten van de Unie; stelt met tevredenheid vast dat delegaties van de Unie en diplomatieke vertegenwoordigingen van lidstaten vaker kantoorruimte delen, ook al blijft dit nog een beperkt verschijnsel, en feliciteert de EDEO omdat dit als een belangrijke kwestie voor zijn optreden wordt beschouwd;

205.  aanvaardt dat er nog werk aan de winkel is met betrekking tot de consulaire diensten;

Deel XVIII - Speciaal verslag nr. 12/2014 van de Rekenkamer getiteld "Worden uit het EFRO op doeltreffende wijze projecten gefinancierd die rechtstreeks de biodiversiteit bevorderen in het kader van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020?"

206.  herinnert eraan dat biodiversiteit in het Verdrag inzake biologische diversiteit gedefinieerd wordt als de verscheidenheid van levende organismen van allerlei herkomst, met inbegrip van, onder andere, terrestrische, mariene en andere aquatische ecosystemen en de ecologische complexen waarvan zij deel uitmaken; In het Verdrag inzake de biologische diversiteit wordt een aantal grote bedreigingen voor de biodiversiteit benoemd, zoals het verlies aan en de fragmentatie van habitats, overexploitatie van bossen, oceanen, rivieren, meren en grond, verontreiniging, klimaatverandering en immigrerende soorten die met de inheemse flora en fauna concurreren;

207.  benadrukt dat de biodiversiteit van essentieel belang is voor het menselijk leven en het welzijn van samenlevingen; benadrukt bovendien dat de klimaatverandering, het verlies aan biodiversiteit, de bedreiging die invasieve soorten met zich meebrengen en het overmatig gebruik van natuurlijke hulpbronnen grote uitdagingen vormen die gevolgen hebben voor iedere burger in de Unie;

208.  betreurt het dat de Unie haar belangrijke doelstelling niet heeft kunnen verwezenlijken om voor 2010 aan het verlies aan biodiversiteit een halt toe te roepen;

209.  stelt vast dat het verlies van biodiversiteit leidt tot ontwrichtende economische kosten voor de maatschappij, waar tot nu toe onvoldoende rekening mee is gehouden in het algemene beleid; wijst er bovendien op dat er in de studie over de economie van ecosystemen en biodiversiteit is berekend dat de kosten van niet-handelen en van de achteruitgang van ecosysteemdiensten in 2050 per jaar tot 7% van het wereldwijde bbp kunnen bedragen(20);

210.  is ervan overtuigd dat er daarom dringende behoefte is aan actie en dat een grotere rol aan biodiversiteit moet worden toegekend om op dit gebied aan de verplichtingen voor 2020 te voldoen;

211.  stelt vast dat het vaak lang duurt voordat de resultaten van de projecten bekend worden, waardoor de beoordeling daarvan bemoeilijkt wordt;

212.  is van oordeel dat, niettegenstaande de beperkingen in verband met de geringe oriëntatie van de fondsen op de biodiversiteit en de moeilijkheden bij de beoordeling van het gebruik van deze fondsen, het in dit stadium van essentieel belang is deze fondsen te handhaven;

213.  benadrukt het feit dat de bescherming van de biodiversiteit niet slechts een nobele milieudoelstelling vormt, maar dat een dergelijk beleid eveneens een aanzienlijk potentieel biedt voor nieuwe vaardigheden, banen en zakelijke kansen;

214.  benadrukt dat het belangrijk is om biodiversiteitsbescherming in de ontwikkeling, het opzetten en de financiering van alle beleidsterreinen van de Unie – zoals landbouw, bosbouw, visserij, regionaal beleid en cohesie, energie, industrie, vervoer, toerisme, ontwikkelingssamenwerking, onderzoek en innovatie – te integreren om het sectorale beleid en het begrotingsbeleid van de Unie meer samenhang te geven en om ervoor te zorgen dat de bindende toezeggingen op het gebied van de bescherming van biodiversiteit worden nageleefd; wijst er in deze context op dat de samenwerking tussen de lokale, regionale, nationale en Europese autoriteiten moet worden versterkt;

215.  merkt op dat, ondanks de richting en de impulsen die de Commissie geeft, de lidstaten zelf hun financieringsprioriteiten bepalen overeenkomstig hun eigen behoeften en dat de overgrote meerderheid van de lidstaten het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) niet gebruikt als instrument om de biodiversiteit te beschermen;

216.  is dan ook van oordeel dat, gezien het geringe gebruik (0,79%) van de middelen, het noodzakelijk is te overwegen om de toewijzing van een nader te bepalen percentage van de middelen uit het EFRO aan de bevordering van de biodiversiteit verplicht te stellen;

Deel XIX - Speciaal verslag nr. 13/2014 van de Rekenkamer getiteld “De EU-steun voor herstel na de aardbeving in Haïti”

217.  is ingenomen met het speciaal verslag nr. 13/2014 van de Rekenkamer houdende een beoordeling van de steun van de Unie voor de rehabilitatie in Haïti na de aardbeving aldaar als een belangrijke bijdrage aan het algemene debat over het externe humanitaire optreden en het ontwikkelingshulpbeleid van de Unie; neemt nota van de bevindingen en de aanbevelingen in dit speciaal verslag;

218.  is verheugd over en neemt kennis van de belangrijkste conclusies en de aanbevelingen in het definitief verslag over de beoordeling van de samenwerking van de Unie met de Republiek Haïti, uitgevoerd door het directoraat-generaal Internationale Samenwerking en Ontwikkeling – EuropeAid van de Commissie op verzoek van het Parlement, en zet hieronder zijn opmerkingen en aanbevelingen uiteen;

Algemene opmerkingen

219.  spreekt nog eens in het algemeen zijn tevredenheid uit over het werk en de inspanningen van de diensten van de Commissie in reactie op de aardbeving in Haïti in 2010, rekening houdend met de uitermate moeilijke omstandigheden voor de delegatie van de Unie en het personeel daarvan; is er in dit verband verheugd over dat de Commissie betalingen en uitgaven kan opschorten wanneer de regering van Haïti op het vlak van financieel beheer en aanbestedingsprocedures onvoldoende vooruitgang boekt;

220.  betreurt het dat onvolkomenheden zijn vastgesteld in de coördinatie tussen donoren enerzijds en binnen de diensten van de Commissie anderzijds, zoals ook reeds aan het licht was gekomen bij de beoordeling van de samenwerking van de Unie met de Republiek Haïti in de periode 2008-2012(21) die uitgevoerd was in opdracht van de Commissie, en dringt in dit verband aan op een betere afstemming van de humanitaire hulp en de ontwikkelingshulp, alsook op een betere koppeling van noodhulp, herstel en ontwikkeling (LRRD) middels een permanent LRRD-kader; is van oordeel dat daar waar mogelijk gewerkt moet worden volgens geïntegreerde benaderingswijzen, met duidelijk gedefinieerde doelstellingen voor de samenwerking tussen de afdeling van de Commissie voor humanitaire hulp en civiele bescherming (ECHO) en EuropeAid, en op basis van een coherente landenstrategie, en dat ook gezorgd moet worden voor de uitwisseling van goede praktijken; is er in dit verband verheugd over dat in de financieringscyclus 2014-2020 stelselmatig voor de LRRD-benadering gekozen is; verzoekt de diensten van de Commissie daarnaast te zorgen voor een soepeler transitie van humanitaire acties met een kortetermijnkarakter naar ontwikkelingshulp met een langetermijnkarakter, alsook voor een betere coördinatie tussen zowel de verschillende actoren van de Unie, als tussen nationale prioriteiten, en dat middels een gemeenschappelijke strategie bestaande uit een gemeenschappelijk humanitair en ontwikkelingshulpkader; nodigt de Commissie uit de dialoog met het Parlement aan te gaan indien zou blijken dat een doeltreffende coördinatie tussen de verschillende financiële instrumenten voor humanitaire en ontwikkelingshulp bemoeilijkt wordt door het bestaande wettelijk kader; is daarnaast van oordeel dat het inschakelen van plaatselijke ngo's betekent dat de plaatselijk beschikbare kennis gebruikt kan worden om de rehabilitatiebehoeften in kaart te brengen en de door de nationale autoriteiten geboekte vooruitgang te monitoren;

221.  herinnert aan de aanbevelingen die opgesteld zijn na het bezoek van de delegatie van de Commissie begrotingscontrole van het Parlement aan Haïti in februari 2012 en hamert met klem op het vaste beginsel van de traceerbaarheid en controleerbaarheid van ontwikkelingsgeld van de Unie, met name middels het aan elkaar koppelen van begrotingssteun en prestaties, in het bijzonder aan de hand van duidelijk gedefinieerde verplichtingen en taken op het niveau van de nationale administraties, teneinde te beschikken over waarborgen ten aanzien van transparantie, traceerbaarheid en verantwoording; herhaalt zijn oproep om de bestrijding van endemische corruptie verder te intensiveren; is van oordeel dat humanitaire hulp moet stoelen op een exitstrategie en onderstreept dat financiële middelen ingezet moeten worden via de Haïtiaanse instellingen, binnen het kader van de Overeenkomst van Cotonou, om eigen inbreng te waarborgen en de versterking van de nationale organen te ondersteunen, met inbegrip van het Haïti Procurement Agency, dat als een controlefilter moet fungeren; vraagt de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) in het geval van de toekenning van sectorale begrotingssteun met klem te wijzen op de conditionaliteitsmatrix;

222.  brengt in herinnering dat staatsopbouw de kern van de ontwikkelingshulpstrategie van de Unie vormt en de hoeksteen van het optreden van de Unie in crisissituaties, in overeenstemming met de beginselen voor optreden in een onstabiele context; wijst erop dat dit steun voor de opbouw van instellingen omvat, alsook inachtneming van de beginselen van transparantie en van goed beheer van publieke middelen en begrotingstoewijzingen, in combinatie met een versterkte politieke en beleidsdialoog;

223.  dringt erop aan dat de Unie in haar optreden kiest voor een goede beleidsmix in de vorm van een alomvattende benadering van de staats- en niet-staats/niet-gouvernementele actoren, alsmede dat de sectorale steun wordt verleend na een snelle evaluatie van de behoeften van de sectoren in kwestie, met het oog op levensvatbaarheid, complementariteit en duurzaamheid van projecten;

Suggesties voor de toekomst

224.  is van mening dat in het algemeen, en dus niet alleen in het kader van de situatie in Haïti, maatregelen moeten worden genomen en verbeterd om het beleidskader voor interventies te versterken en het risico op rampen te verminderen, teneinde uiteindelijk het gevaar voor mensen en de bedreigingen voor hun levensomstandigheden tot een minimum te beperken; is van oordeel dat investeringen in het reduceren van het risico op rampen een integrerend onderdeel van een duurzame ontwikkeling uitmaken en dat dit tot een veel efficiënter en doeltreffend gebruik van hulpbronnen leidt dan het betalen van de rekening op het moment dat zich een ramp heeft voltrokken;

225.  is van oordeel dat crisis- en onstabiele situaties als aanleiding moeten dienen voor het ontwikkelen van nieuwe benaderingswijzen, nieuwe methoden en nieuwe kennis, met name met betrekking tot het in kaart brengen van risico's op de verschillende operationele niveaus, het ontwikkelen van scenario's en projecties van mogelijke gevolgen, en het ontwerpen van instrumenten gericht op het vermijden, en reduceren van risico's en potentiële rampen, en het daarop voorbereid zijn; vindt het belangrijk dat de Commissie over flexibiliteit beschikt bij het snel en adequaat aan crisis- en postcrisissituaties aanpassen van bijstandsmaatregelen en -instrumenten; wijst er in dit verband op dat de Commissie inmiddels over een systeem beschikt voor het mobiliseren van deskundigen op verschillende vakgebieden, teneinde in het geval van een dreigend personeelstekort in delegaties of hoofdkwartieren van de Unie op korte termijn extra personeel te kunnen inzetten;

226.  spoort de Commissie en de EDEO aan stelselmatig te werken aan de vier fasen van de cyclus voor het beheer van rampen, d.w.z. mitigatie, voorbereidheid, reactie en herstel, met het oog op de vaststelling van een strategisch kader voor risicobeheer bij rampen en de verbetering van de voorbereidheid; vraagt de Commissie en de EDEO het Parlement op de hoogte te houden van de ontwikkelingen op het gebied van risicobeheer en voorbereidheid, met het oog op de tenuitvoerlegging van programma's en de verwezenlijking van de doelstellingen nadat rampen zich hebben voltrokken;

227.  geeft nog eens aan dat in alle dergelijke crisissituaties voldoende aandacht moet worden besteed aan de geschiktheid en de operationele doeltreffendheid van de nationale maatregelen voor risicobeperking bij rampen, omdat anders het optreden van de Unie ook minder waarschijnlijk een succes zal zijn; geeft aan dat bij de beoordeling van de nationale bestuurskaders onder andere ook aandacht moet worden besteed aan monitoring van resultaten, de bestaande kaders voor het definiëren en vaststellen van verantwoordelijkheden op centraal en plaatselijk niveau, een duidelijke "command and control"-keten, de informatiekanalen tussen de verschillende actoren/donoren, alsook de mechanismen voor het verschaffen van feedback over projecten;

228.  sluit zich aan bij de aanbevelingen van de Rekenkamer betreffende de steun van de Unie voor rehabilitatie na de aardbeving in Haïti en is verheugd over de reactie van de Commissie (d.w.z. het feit dat ze de aanbevelingen overneemt);

Deel XX - Speciaal verslag nr. 14/2014 van de Rekenkamer getiteld "Hoe berekenen, verminderen en verrekenen de EU-instellingen en -organen hun uitstoot van broeikasgassen?"

229.  stelt zich op het standpunt dat alle instellingen en organen van de Unie moeten streven naar een gezamenlijke aanpak van hun broeikasgasemissies en de vermindering daarvan; vindt dat zij om dit te bereiken uitvoerige berekeningen moeten uitvoeren met betrekking tot hun broeikasgasemissies en de resultaten van dit onderzoek moeten publiceren;

230.  is van oordeel dat de Commissie, wil zij een geloofwaardige partner blijven in milieuonderhandelingen met derde partijen, zich actiever moet inspannen om meer gegevens te verzamelen over haar eigen broeikasgasemissies;

231.  verzoekt de instellingen en organen van de Unie die nog niet over een certificaat van het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) beschikken zo snel mogelijk een dergelijk certificaat aan te vragen; benadrukt echter dat EMAS slechts gezien moet worden als instrument om onder meer grip te krijgen op broeikasgasemissies, en niet als het uiteindelijke doel van het milieubeleid van de instellingen;

232.  wijst erop dat de EU-instellingen en organen op grotere schaal gebruik zouden kunnen maken van verrekening van de uitstoot van broeikasgassen om hun CO2-voetafdruk te verminderen; is het met de Rekenkamer eens dat "het gebruik van hoogwaardige verrekening in combinatie met uitstootverminderingsmaatregelen (en niet in plaats van deze verminderingsmaatregelen)" deze kwesties afdoende zou aanpakken; merkt echter op dat het inzetten van middelen voor verrekening geen voorrang mag krijgen boven het inzetten van deze middelen voor verdere verbetering van het milieubeleid van de instellingen en organen van de Unie;

233.  is verheugd dat enkele instellingen van de Unie proefprojecten zijn gestart met betrekking tot groene overheidsopdrachten; hoopt dat de uitkomsten hiervan veelbelovend zullen zijn en dat het plaatsen van groene overheidsopdrachten in de toekomst bij de instellingen van de Unie de standaardprocedure zal zijn;

234.  benadrukt dat de menselijke factor bij de uitvoering van dit beleid nog altijd zeer belangrijk is; dringt er daarom bij de leidinggevende personen binnen de instellingen en organen van de Unie onder wier bevoegdheid dit beleid valt op aan dat zij hun vaardigheden en kennis op het gebied van de uitstoot van broeikasgassen door de instellingen verder verbeteren; hoopt dat het feit dat er een nieuw college van commissarissen is benoemd in 2014 nieuwe kansen zal bieden voor de toepassing van striktere normen binnen de Commissie en haar agentschappen;

Deel XXI - Speciaal verslag nr. 15/2014 van de Rekenkamer getiteld "Het Buitengrenzenfonds heeft de financiële solidariteit bevorderd, maar de resultaten ervan moeten beter worden gemeten en het Fonds zou een grotere Europese meerwaarde moeten leveren"

235.  stelt met bezorgdheid vast dat de strategische doelstellingen van het Buitengrenzenfonds (BGF) onduidelijk zijn en dat met name het algemene karakter van het BGF als solidariteitsmechanisme op gespannen voet staat met de gerichtheid ervan op concrete doelstellingen voor betere samenwerking op het gebied van grenscontrole en visa;

326.  merkt op dat de Commissie aangeeft dat de succesvolle lancering van SIS II, VIS en Eurosur in alle lidstaten blijk geeft van de cruciale rol van het BGF; is echter van mening dat een dergelijke algemene uitspraak niet kan worden beschouwd als bevredigend antwoord op de specifieke kritiek van de Rekenkamer inzake het ontbreken van prestatie-indicatoren;

237.  wijst erop dat zich soortgelijke problemen kunnen voordoen met betrekking tot de doelstellingen van het instrument voor financiële ondersteuning voor buitengrenzen en visa, als onderdeel van het fonds voor interne veiligheid (ISF), aangezien ook dit instrument zowel dient ter ondersteuning van de solidariteit tussen de lidstaten op het gebied van het grensbeheer als de doorvoering van een uniform en hoog niveau van controle aan de buitengrenzen en de doeltreffende verwerking van Schengenvisa, in aansluiting op de inzet van de Unie voor de fundamentele vrijheden en de mensenrechten;

238.  benadrukt dat lidstaten inzien dat doeltreffende grenscontroles aan de gezamenlijke grenzen van belang zijn als onderdeel van het Schengenacquis, maar daarnaast van mening zijn dat het grensbeheer en, in mindere mate, de verwerking van visa in wezen tot de nationale bevoegdheden behoren;

239.  verzoekt de lidstaten daarom het ISF op te nemen in nationale strategieën voor grensbeheer om zo bij te dragen aan consulaire samenwerking, Frontex-operaties of aan noodacties en specifieke acties die van belang zijn voor de Schengenzone als geheel; roept de Commissie en de lidstaten op hun samenwerking op dit vlak te verbeteren;

240.  verzoekt de Commissie te onderzoeken of het zin heeft de delen van het ISF voor grenscontroles en visa onder te verdelen in verschillende gereserveerde segmenten: één voor solidariteit, één voor de verwezenlijking van consulaire samenwerking, Frontex-operaties en nood- en specifieke acties, en één voor acties die met name van belang zijn vanuit nationaal oogpunt;

241.  beveelt de lidstaten aan relevante en meetbare indicatoren te ontwikkelen en te gebruiken voor de output, de resultaten en de effecten van de gefinancierde projecten; benadrukt dat er vooraf kwalitatief hoogwaardige verificaties moeten worden verricht om te waarborgen dat alle gefinancierde projecten concrete en meetbare doelen dienen en meerwaarde hebben; merkt op dat verificaties achteraf zouden bijdragen aan mechanismen voor kwaliteitscontrole;

242.  merkt op dat extra Europese meerwaarde kan worden bereikt via aanvullende bijdragen van de lidstaten aan Frontex-operaties door verplichte opname van in ieder geval een deel van de gecofinancierde uitrusting van het ISF in het gezamenlijke bestand van technische uitrusting van Frontex;

243.  is bezorgd over de onregelmatigheden die de Rekenkamer heeft vastgesteld bij de verschillende procedures van de lidstaten voor de selectie van projecten en is van mening dat de uitzonderingsclausule voor overheidsopdrachten op het gebied van defensie en veiligheid niet gebruikt mag worden in gevallen waarin minder restrictieve procedures kunnen worden toegepast zonder dat de veiligheid in het gedrang komt; pleit voor het stroomlijnen van de aanbestedingsprocedures met het oog op een tijdige uitvoering van de financiering;

244.  complimenteert de Commissie met het feit dat zij corrigerende financiële maatregelen heeft getroffen in het geval van een project waarbij sprake bleek te zijn van schending van de fundamentele vrijheden en de mensenrechten, maar roept de Commissie op om voor zover mogelijk van tevoren mogelijke risico's op dit terrein te identificeren, vooral waar het gaat om het waarborgen dat grenscontroles worden uitgevoerd in overeenstemming met het recht op het aanvragen van asiel;

245.  beklemtoont dat de normen voor het verzamelen van gegevens over de gefinancierde projecten op nationaal niveau moeten worden verbeterd met het oog op meer transparantie;

Deel XXII - Speciaal verslag nr. 16/2014 van de Rekenkamer getiteld "De doeltreffendheid van het combineren van subsidies uit de regionale investeringsfaciliteiten met leningen van financiële instellingen ter ondersteuning van het externe beleid van de EU"

246.  verwelkomt het speciaal verslag over de doeltreffendheid van het combineren van subsidies uit de regionale investeringsfaciliteiten met leningen van financiële instellingen ter ondersteuning van het externe beleid van de EU en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

Algemene opmerkingen

247.  moedigt de Rekenkamer aan haar controleactiviteiten op dit nieuwe terrein van samenwerking verder uit te breiden, om beleidsmakers geregeld een omvattende beoordeling te kunnen voorleggen van de problemen en risico's op dit gebied;

248.  merkt op dat de toegenomen belangstelling voor het combineren van subsidies en leningen ("blending") en de mogelijkheden die worden geboden door nieuwe investeringsfaciliteiten vooral voortkomt uit de combinatie van het bestaan van omvangrijke ontwikkelingsproblemen en ernstige beperkingen van de overheidsuitgaven, leidend tot de ontwikkeling van nieuwe financiële bronnen door subsidies van de Unie te combineren met andere vormen van financiering die geen subsidies zijn;

249.  benadrukt dat nieuwe financiële instrumenten en blending in overeenstemming moeten zijn met de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid van de Unie, gebaseerd op de criteria voor officiële ontwikkelingshulp (ODA) en vastgelegd in de Agenda voor verandering, dat wil zeggen verbetering van de kwaliteit, efficiëntie en duurzaamheid en een snelle uitvoering van de acties van de Unie; is van mening dat die instrumenten gericht moeten zijn op prioriteiten van de Unie waarbij de economische en niet-economische toegevoegde waarde en de effecten het grootst zijn en is van mening dat ze strategisch ingezet moeten worden in sectoren waar de financiële steun van de Unie van cruciaal belang is voor de levensvatbaarheid van de investeringen en waar blending het grootste nut oplevert; betreurt daarom dat in het verslag vooral aandacht wordt besteed aan de financiële aspecten van het combineren van subsidies uit de regionale investeringsfaciliteiten, terwijl de efficiency en doeltreffendheid van die faciliteiten onvoldoende worden geëvalueerd;

250.  vraagt als centraal beginsel te hanteren dat voorkomen moet worden dat financiële stimulansen zwaarder wegen dan ontwikkelingsdoelstellingen (financiële doelen zouden de overhand kunnen krijgen over ontwikkelingsaspecten) en beginselen inzake duurzame ontwikkeling te eerbiedigen, zoals sociale en milieunormen en de toegang tot collectieve basisgoederen;

251.  neemt kennis van de resultaten van de herziening van het EU-platform voor blending in externe samenwerking, met als oorspronkelijk doel om de doeltreffendheid, efficiency en kwaliteit van bestaande systemen en faciliteiten voor het combineren van subsidies en leningen te verbeteren, overwegende dat de harmonisatie van grondbeginselen die gelden voor alle regionale faciliteiten en financieringsinstrumenten van het grootste belang zal zijn voor het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK); nodigt de Commissie en de EDEO, in aansluiting op de resultaten van de herziening van het MFK na de verkiezingen, uit om een gestructureerde strategische dialoog te voeren over dit onderwerp, waarbij met name aandacht wordt besteed aan het voortdurend waarborgen en versterken van transparantie en controleerbaarheid;

252.  is van mening dat de Commissie zich tijdens de planningsfase moet richten op de vaststelling van duurzame economische, sociale en milieudoelstellingen voor de lange termijn op gebieden waar de investeringen moeten worden gedaan;

253.  verzoekt om de Europese middelen in beginsel te besteden aan projecten die zonder middelen van de Unie niet zouden worden uitgevoerd, zoals projecten die weinig winst opleveren, maar die kunnen leiden tot verbeteringen op het gebied van sociale omstandigheden, milieu en mensenrechten;

254.  verzoekt om de resultaten en effecten op middellange en lange termijn van de uitgevoerde projecten op het gebied van sociale omstandigheden, milieu en mensenrechten in het oog te houden en te evalueren; is van oordeel dat de bevindingen van deze evaluaties moeten worden gebruikt om verslag uit te brengen van de verwezenlijkte langetermijndoelstellingen en om de planning en selectie van projecten die in de toekomst gefinancierd moeten worden te verbeteren;

255.  verzoekt om de politieke rol van de Commissie, als politiek verantwoordelijk orgaan op dit terrein, te versterken;

256.  vraagt om voor de bedoelde financiële activiteiten gezamenlijke bestuursnormen in te voeren, en optimale werkwijzen en subsidiabiliteits- en evaluatiecriteria vast te stellen voor het gebruik van de bedoelde financiële instrumenten; is van mening dat samenhangende regels op het gebied van beheer, zoals gestructureerde verslaglegging en duidelijke kaders en voorwaarden voor het houden van toezicht, zullen zorgen voor een verlaging van transactiekosten en het voorkomen van dubbele kosten;

257.  is van mening dat het nodig is om passende beheersstructuren voor de verschillende faciliteiten op te zetten, om de eigen verantwoordelijkheid van de ontvangende landen, begunstigden of belanghebbenden voor deze instrumenten te stimuleren; herinnert eraan dat de ontwikkeling van gecombineerde officiële ontwikkelingssteun door middel van faciliteiten een goed gestructureerde samenwerking vereist van de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) met de Europese Investeringsbank (EIB), de lidstaten en het Parlement; vraagt om een grotere deelname van de delegaties van de Unie aan het besluitvormingsproces, met name bij de selectie van projecten, door een bijdrage te leveren aan de evaluatie vooraf of de effectbeoordeling, en meer in het algemeen om het belang van de Unie in de beleidsdialoog met partnerlanden en ook als contactpunt met het lokale maatschappelijk middenveld meer kracht bij te zetten;

258.  benadrukt dat het nodig is om een zo groot mogelijk niveau van transparantie en controleerbaarheid te verwezenlijken door de beschikbaarheid te waarborgen van uitgebreide en betrouwbare begrotingsinformatie en financiële gegevens met betrekking tot projecten die met de investeringsfaciliteiten worden gefinancierd; roept op tot het uitbrengen van regelmatig verslag aan het Parlement over het gebruik van de financiële instrumenten en van de resultaten, waarbij met name een beoordeling moet worden overgelegd van de financiële en niet-financiële hefboomwerking en additionaliteit, een en ander met inachtneming van de bepalingen van artikel 140 van het Financieel Reglement;

259.  steunt de aanbevelingen van de Rekenkamer en ziet ze als eerste stap in de juiste richting met betrekking tot de doeltreffendheid van het combineren van subsidies uit de regionale investeringsfaciliteiten met leningen van financiële instellingen ter ondersteuning van het externe beleid van de Unie, en verwelkomt het antwoord van de Commissie waarin zij de aanbevelingen aanvaardt;

Deel XXIII - Speciaal verslag nr. 17/2014 van de Rekenkamer getiteld "Kan het EU-initiatief voor kenniscentra een doeltreffende bijdrage leveren om de chemische, biologische, radiologische en nucleaire risico's van buiten de EU te beperken?"

260. verwelkomt het initiatief betreffende chemische, biologische, radiologische en nucleaire (CBRN) kenniscentra; is van mening dat het netwerkaspect van het initiatief tot uiting komt in de beheersstructuur;

261.  verwelkomt de overwegend positieve toon van speciaal verslag nr. 17/2014 en de aanbevelingen van de Rekenkamer, die allemaal door de Commissie zijn aanvaard;

262.  wijst erop dat het initiatief een innovatieve benadering hanteert door te voorzien in netwerken, regionale en internationale partnerschappen, alsmede het consolideren, coördineren en versterken van de reeds bestaande deskundigheid, training, technische ondersteuning of apparatuur;

263.  wijst erop dat dergelijke structuren per definitie complex zijn en daarom moeilijk op te zetten en te beheren zijn;

264.  wijst erop dat voor dit initiatief in de periode 2010-2013 een bedrag van 100 miljoen EUR beschikbaar was;

265.  is van mening dat de waarde van dit initiatief vooral is gelegen in de bottom-upbenadering, waarbij wordt voortgebouwd op de deskundigheid van de partnerlanden; is van mening dat de delegaties van de Unie geregeld op de hoogte moeten worden gehouden en een actievere rol moeten spelen op het gebied van overleg met de autoriteiten van de respectievelijke partnerlanden;

266.  wijst er tegelijkertijd op dat het eerbiedigen van het feit dat de partnerlanden "eigenaar" zijn van de projecten de Commissie er niet van mag weerhouden voorstellen te doen op gebieden waar een gemeenschappelijke aanpak voordeel biedt (zoals de bestrijding van Ebola);

267.  is ervan overtuigd dat de selectie van projecten zodanig moet plaatsvinden dat de beperkte bedragen die beschikbaar zijn vooral worden besteed op terreinen die het relevantst zijn voor de veiligheid van de Unie; is van oordeel dat de Europese instellingen bij de selectie van projecten een nuttige rol kunnen vervullen als clearinghouse;

268.  merkt op dat de technische expertise van de regionale secretariaten versterkt moet worden om beter te kunnen vaststellen welke onderwerpen door middel van initiatieven aangepakt moeten worden, en om de voorbereiding en uitvoering van afzonderlijke projecten te verbeteren;

269.  verwelkomt de mogelijkheid dat partnerlanden sinds mei 2013 op elk gewenst moment projecten kunnen voorstellen, waardoor beter kan worden gereageerd op nieuwe bedreigingen;

270.  merkt op dat de lange periode tussen de indiening van het projectvoorstel en de goedkeuring en uitvoering ervan verder moet worden verkort;

271.  benadrukt dat bredere strategische samenwerking nodig is om de samenhang en coördinatie van de verschillende financieringsinstrumenten op het gebied van veiligheid te verbeteren; benadrukt dat een verdergaande coördinatie tussen relevante actoren op het terrein van CBRN de doeltreffendheid van bestaande initiatieven zou vergroten;

272.  is van mening dat het initiatief verbeterd kan worden door duidelijker onderscheid te maken tussen de interne en de externe dimensie van CBRN-maatregelen(22);

Deel XXIV - Speciaal verslag nr. 19/2014 van de Rekenkamer getiteld "Pretoetredingssteun van de EU aan Servië"

273.  verzoekt de Servische autoriteiten de kwaliteit van hun nationale strategieën en actieplannen te verbeteren en te rationaliseren en de verschillende politieke en sociaaleconomische vraagstukken op adequate wijze aan te pakken; verzoekt de Commissie, zo nodig, de vereiste technische ondersteuning hiervoor te bieden;

274.  benadrukt dat het voorbereiden van nationale strategieën op politiek gevoelige terreinen van groot belang is; verzoekt de betrokken autoriteiten strategieën op te stellen op de volgende belangrijkste bestuursterreinen en een realistisch tijdschema voor de uitvoering daarvan vast te stellen: territoriale decentralisatie en een strategie ter coördinatie van de uitvoering van de hervorming van het beheer van de overheidsfinanciën;

275.  dringt er bij de Commissie en de EU-Delegatie naar Servië op aan om de problemen met de selectie van onderontwikkelde of problematische projecten, die zich voordeden in het eerste deel van de programmeringsperiode 2007-2013, te voorkomen; steunt de samenwerking tussen de Commissie en de Servische autoriteiten om de vastgestelde problemen aan te pakken, waaronder het ontbreken van ondersteuning door nationale autoriteiten, een gebrek aan interinstitutionele coördinatie, gebrekkig projectontwerp, een tekortschietende definitie van bevoegdheden, niet-duurzame financieringsoplossingen en een inadequaat gebruik van opgedane ervaring van vorige projecten;

276.  verwelkomt het feit dat de bestuursprojecten over het algemeen goede resultaten boekten, maar is van mening dat de uitvoering en controle van de projecten zwak of inefficiënt was, met name bij vier van de acht bestuursprojecten van het instrument voor pretoetredingssteun waar de Rekenkamer materiële tekortkomingen heeft ontdekt;

277.  wijst erop dat er bij de hervorming van de justitiële sector sinds 2007 weinig vooruitgang is geboekt;

278.  benadrukt dat de huidige bescherming voor klokkenluiders zoals omschreven in de nationale anticorruptiestrategie 2013-2018 dringend versterkt moet worden; staat erop dat de Servische autoriteiten prioriteit geven aan de opstelling van nieuwe wetgeving met betrekking tot klokkenluiders en dat deze wetgeving bescherming moet bieden en potentiële klokkenluiders moet aanmoedigen zich te melden;

279.  schaart zich achter de aanbevelingen van de Rekenkamer en verzoekt de Commissie grondig aandacht te besteden aan het omschrijven van de doelstellingen, de behoeften in kaart te brengen en lering te trekken uit eerdere projecten, en daarnaast vertragingen en inefficiënte en ondoeltreffende aanbestedingsprocedures te vermijden; benadrukt het belang van duurzaamheid, aangezien de resultaten van twee derde van de projecten, met name op het gebied van bestuur, een aantal vragen opwierpen;

Deel XXV - Speciaal verslag nr. 20/2014 van de Rekenkamer getiteld "Was de EFRO-steun aan kmo's op het gebied van e-handel doeltreffend?"

280.  is ingenomen met speciaal verslag nr. 20/2014 van de Rekenkamer en staat achter de daarin opgenomen conclusies en aanbevelingen;

281.  verwelkomt eveneens de constructieve reactie van de Commissie op de aanbevelingen van de Rekenkamer;

282.  wijst erop dat e-procestechnologieën van wezenlijk belang zijn voor het verbeteren van de ontwikkeling en het concurrentievermogen van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's); benadrukt het belang van kmo's voor de economische ontwikkeling en het creëren van nieuwe banen in de Unie;

283.  erkent het feit dat in het speciaal verslag van de Rekenkamer de nadruk wordt gelegd op het belang van prestatiebeoordelingen en Europese meerwaarde;

284.  merkt op dat het online aanbod van zakelijke diensten is verruimd, maar dat de geselecteerde projecten zwak waren; wijst erop dat het niet uitvoeren van een vergelijkende selectie van aanvragen en het ontbreken van alomvattende bedrijfsinformatie in meer dan een derde van de gevallen leidde tot projecten die weinig of niet kosteneffectief waren;

285.  wijst erop dat 10 van de 30 gecontroleerde projecten met cofinanciering ook zouden zijn uitgevoerd zonder cofinanciering door de overheid, dat vijf van deze projecten reeds begonnen waren voordat de subsidieverlening was gemeld en dat drie ervan zelfs gestart waren voordat de onderneming een aanvraag tot cofinanciering had ingediend;

286.  is van mening dat de indiening van een bedrijfsplan waarin de Europese meerwaarde wordt verduidelijkt verplicht moet zijn, om een buitenkanseffect te voorkomen;

287.  benadrukt dat de lidstaten selectiecriteria en -procedures moeten invoeren om te garanderen dat de geselecteerde projecten een zo groot mogelijke toegevoegde waarde bieden voor het bijdragen aan de ontwikkeling van e-handel bij kmo's en het bereiken van de doelstellingen van de digitale agenda voor Europa;

288.  wijst erop dat het vanwege tekortkomingen in de monitoring door de Commissie onmogelijk was te beoordelen in welke mate de steun in het kader van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) had geholpen om de ICT-strategieën van de lidstaten en de Unie en de bedrijfsplannen van de kmo's zelf te verwezenlijken;

289.  is van mening dat de Commissie ervoor moet zorgen dat zij van de lidstaten consistente en betrouwbare informatie ontvangt over het gebruik van EFRO-financiering; meent dat deze informatie blijk moet geven van de voortgang van de operationele programma's, niet alleen op financieel vlak maar ook op het gebied van de prestaties;

290.  is het met de Rekenkamer eens dat in de subsidieovereenkomsten een minimumpakket van degelijke indicatoren met bijbehorende doelstellingen moet worden omschreven, die worden gemeten en vervolgens gemonitord, zodra het project uitgevoerd en operationeel is, en in een later stadium, teneinde de prestaties te evalueren;

Deel XXVI - Speciaal verslag nr. 21/2014 van de Rekenkamer getiteld "Door de EU gefinancierde luchthaveninfrastructuur: een slechte kosten-batenverhouding"

291.  onderkent dat de Commissie inmiddels wijzigingen heeft doorgevoerd waarmee veel van de in dit verslag aangehaalde problemen aangepakt zijn en steunt in grote lijnen het door de Commissie beschreven nieuwe regelgevingskader; stelt in die context voor dat de Commissie binnen een jaar nadat deze resolutie wordt aangenomen aan de Commissie begrotingscontrole van het Parlement verslag uitbrengt over de voortgang bij de tenuitvoerlegging van die aanbevelingen;

292.  steunt de aanbeveling van de Rekenkamer dat lidstaten moeten zorgen voor coherente plannen voor luchthavenontwikkeling en doet de aanbeveling deze plannen te laten goedkeuren door de Commissie voordat aan specifieke projecten financiering wordt toegekend; doet voorts de aanbeveling dat deze regionale, nationale en supranationale plannen niet alleen rekening houden met luchtvervoer maar ook met ander openbaar vervoer dat vergelijkbare reistijden kent als vliegen, zoals treinen en bussen, om verzadiging van de markt te voorkomen en de betrouwbaarheid van de diensten te verhogen;

293.  beveelt aan enkel financiering toe te kennen aan financieel levensvatbare luchthavens;

294.  doet de aanbeveling aan de Commissie om alle nieuwe projecten aan de hand van een verzorgingsgebiedanalyse met het oog op de waarborging van de levensvatbaarheid te onderzoeken, zonder het belang van regionale luchthavens voor de toegankelijkheid van en mobiliteit binnen de Unie uit het oog te verliezen;

295.  is van mening dat de Commissie bij voorrang lidstaten nauwlettend moet volgen waar volgens het verslag in het verleden bijzonder problematische projecten hebben plaatsgevonden;

o

o         o

296.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.3.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

3

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nedzhmi Ali, Jonathan Arnott, Inés Ayala Sender, Zigmantas Balčytis, Ryszard Czarnecki, Dennis de Jong, Tamás Deutsch, Martina Dlabajová, Ingeborg Gräßle, Rina Ronja Kari, Bernd Kölmel, Bogusław Liberadzki, Verónica Lope Fontagné, Monica Macovei, Fulvio Martusciello, Gilles Pargneaux, Georgi Pirinski, Petri Sarvamaa, Claudia Schmidt, Igor Šoltes, Bart Staes, Michael Theurer, Marco Valli, Derek Vaughan, Anders Primdahl Vistisen, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Iris Hoffmann, Karin Kadenbach, Andrey Novakov, Markus Pieper, Julia Pitera

(1)

     PB L 66 van 8.3.2013.

(2)

     PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.

(3)

     PB C 398 van 12.11.2014, blz. 1.

(4)

     PB C 403 van 13.11.2014, blz. 128.

(5)

     Aangenomen teksten, P8_TA-PROV(2015)0000.

(6)

      PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(7)

     PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(8)

     Verordening (EG, Euratom) nr. 1287/2003 van de Raad van 15 juli 2003 betreffende de harmonisatie van het bruto nationaal inkomen tegen marktprijzen (bni-verordening) (PB L 181 van 19.7.2003, blz. 1).

(9)

     Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van Besluit 2007/436/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130 van 31.5.2000, blz. 1).

(10)

   Resolutie van het Europees Parlement van 3 april 2014 met de opmerkingen die integraal onderdeel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2012, Afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen (PB L 266 van 5.9.2014, blz. 32).

(11)

   Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering, en tot intrekking van Beschikking nr. 280/2004/EG (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 13).

(12)

   Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289).

(13)

  Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1).

(14)

      Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L 362 van 31.12.2012, blz. 1).

(15)

  Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).

(16)

  Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16).

(17)

   Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (PB L 30 van 31.1.2009, blz. 16).

(18)

   Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347, 20.12.2013, blz. 671).

(19)

   Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).

(20)

   Leon Braat, Patrick ten Brink (eds.), The Cost of Policy Inaction: The case of not meeting the 2010 biodiversity target, Wageningen/Brussel, 2008, blz. 28.

(21)

   Beoordeling van de EU-samenwerking met de Republiek Haïti in de periode 2008-2012, Particip GmbH, uitgevoerd in opdracht van de Commissie, augustus 2014.

(22)

   Zie eveneens de resolutie van het Europees Parlement van 14 december 2010 inzake de aanscherping van de chemische, biologische, radiologische en nucleaire beveiliging in de Europese Unie - een CBRN-actieplan voor de EU (PB C 169 E van 15.6.2012, blz. 8).

Juridische mededeling