Procedure : 2014/2119(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0098/2015

Ingediende teksten :

A8-0098/2015

Debatten :

PV 28/04/2015 - 16
CRE 28/04/2015 - 16

Stemmingen :

PV 29/04/2015 - 10.35
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0144

VERSLAG     
PDF 170kWORD 83k
30.3.2015
PE 539.713v02-00 A8-0098/2015

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) voor het begrotingsjaar 2013

(2014/2119(DEC))

Commissie begrotingscontrole

Rapporteur: Ryszard Czarnecki

1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) voor het begrotingsjaar 2013

(2014/2119(DEC))

Het Europees Parlement,

–       gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2013,

–       gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van het Instituut(1),

–       gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–       gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 betreffende de aan het Instituut te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05304/2015 – C8-0054/2015),

–       gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–       gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3),

–       gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(4), en met name artikel 208,

–       gezien Verordening (EG) nr. 1922/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees Instituut voor gendergelijkheid(5), en met name artikel 15,

–       gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(6),

–       gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(7), en met name artikel 108,

–       gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–       gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0098/2015),

1.      verleent de directeur van het Europees Instituut voor gendergelijkheid kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Instituut voor het begrotingsjaar 2013;

2.      formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.      verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de directeur van het Europees Instituut voor gendergelijkheid, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) voor het begrotingsjaar 2013

(2014/2119(DEC))

Het Europees Parlement,

–       gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2013,

–       gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van het Instituut(8),

–       gezien de verklaring van de Rekenkamer(9) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–       gezien de aanbeveling van de Raad van 17 februari 2015 betreffende de aan het Instituut te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013 (05304/2015 – C8-0054/2015),

–       gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–       gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(10),

–       gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(11), en met name artikel 208,

–       gezien Verordening (EG) nr. 1922/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees Instituut voor gendergelijkheid(12), en met name artikel 15,

–       gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen zoals bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(13),

–       gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(14), en met name artikel 108,

–       gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–       gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid A8-0098/2015),

1.      stelt vast dat de definitieve jaarrekening van het Europees Instituut voor gendergelijkheid overeenkomt met de weergave in de bijlage bij het verslag van de Rekenkamer;

2.      hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2013;

3.      verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de directeur van het Europees Instituut voor gendergelijkheid, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3. ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2013

(2014/2119(DEC))

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2013,

–       gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–       gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid A8-0098/2015),

A.  overwegende dat volgens zijn financiële staten de definitieve begroting van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (hierna: "het Instituut") voor het begrotingsjaar 2013 in totaal 10 024 535 EUR bedroeg, hetgeen een toename van 29,49 % ten opzichte van 2012 betekent;

B.   overwegende dat de Rekenkamer in haar verslag over de jaarrekening van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2013 verklaard heeft redelijke zekerheid te hebben gekregen dat de jaarrekening van het Instituut betrouwbaar is en de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn;

Follow-up van de kwijting voor 2012

1.   maakt uit het verslag van de Rekenkamer op dat naar aanleiding van twee in het verslag van de Rekenkamer voor 2011 geformuleerde opmerkingen die in het verslag voor 2012 als "loopt nog" aangemerkt waren, corrigerende maatregelen getroffen zijn en dat één opmerking in het verslag van de Rekenkamer voor 2013 als "afgerond" aangemerkt is en een andere als "loopt nog"; maakt voorts op dat naar aanleiding van de twee in het verslag van de Rekenkamer voor 2012 geformuleerde opmerkingen, corrigerende maatregelen zijn getroffen en dat één opmerking nu als "afgerond" aangemerkt is en dat de andere opmerking als "loopt nog" aangemerkt is;

2.   verneemt van het Instituut dat de informatie over de impact van zijn activiteiten op de burgers van de Unie op de bijgewerkte website van het Instituut te lezen staat en toegankelijker gemaakt is door het gebruik van sociale media;

3.   stelt vast dat het Instituut om de aanbestedingen, planning en monitoring te verbeteren nu een monitoringtool heeft die de verwachte data van elke stap in de jaarlijkse aanbestedingsprocedures in de gaten houdt;

Financieel en begrotingsbeheer

4.   merkt op dat inspanningen op het gebied van begrotingstoezicht gedurende het begrotingsjaar 2013 hebben geresulteerd in een uitvoeringspercentage van de begroting van 98,01 % en dat het uitvoeringspercentage van de kredieten voor betalingen 76,93 % bedroeg;

5.   verneemt van het Instituut dat in 2013 in overeenstemming met zijn plan ter waarborging van een adequaat toezicht op en een adequate verslaglegging over de uitvoering van de begroting een procedure voor centraal begrotingstoezicht werd aangenomen; verzoekt het Instituut de kwijtingsautoriteit in kennis te stellen van de resultaten van deze procedure;

Vastleggingen en overdrachten

6.   verneemt uit het verslag van de Rekenkamer dat het algemene peil van de vastleggingskredieten in 2013 99 % bedroeg, hetgeen aangeeft dat de vastleggingen tijdig zijn gedaan; uit zijn tevredenheid over de verdere vermindering van het globale niveau van overdrachten van 2 500 000 EUR (32 %) in 2012 tot 2 200 000 EUR (29 %) in 2013; merkt op dat deze overdrachten vooral betrekking hebben op titel III (operationele uitgaven) met 2 000 000 EUR ofwel 56 % van de betrokken vastgelegde kredieten; verneemt dat deze overdrachten voornamelijk betrekking hebben op aanbestedingsprocedures die laat in het jaar 2013 werden afgesloten om redenen die grotendeels buiten de macht van het Instituut liggen, zoals een laat besluit van het voorzitterschap van de Raad van de EU met betrekking tot het onderwerp van een studie;

7.   stelt vast dat volgens het verslag van de Rekenkamer dit niveau van overdrachten in lijn is met het begrotingsbeginsel van jaarperiodiciteit;

Aanbestedings- en aanwervingsprocedures

8.   verneemt van het Instituut dat zijn aanwervings- en selectieprocedures werden geactualiseerd in overeenstemming met de aanbevelingen van de kwijtingsautoriteit en nu schriftelijke tests alsmede de respectieve weging bevatten, die worden afgerond voor elke kandidatuur wordt herzien;

9.   verneemt van het Instituut dat vanaf 2013 zijn jaarlijkse werkprogramma een financieringsbesluit met details over nieuwe aanbestedingen bevat, met inbegrip van de totale jaarbegroting voor operationele aanbestedingen alsook het indicatieve tijdschema voor het begin van de aanbestedingsprocedures;

10. verneemt van het Instituut dat een gecentraliseerde monitoringtool voor aanbestedingen werd ontwikkeld, dat op alle aanbestedingsprocedures betrekking heeft en de geplande en eigenlijke data van de voornaamste stappen in elke aanbestedingsprocedure in de gaten houdt;

Voorkoming en beheer van belangenconflicten en transparantie

11. neemt kennis van het feit dat de raad van bestuur van het Instituut het beleid over het beheer van belangenconflicten heeft aangenomen nadat het beleidsvoorstel door de Commissie werd getoetst en goedgekeurd; verneemt van het Instituut dat de publicatie van de cv's en belangenverklaringen van de leden van de raad van bestuur, de uitvoerend directeur en het hoger management in dat beleid is opgenomen en dat deze op de website van het Instituut werden gepubliceerd;

Interne controle

12.    verneemt van het Instituut dat de dienst Interne Audit van de Commissie (IAS) in 2013 controlewerkzaamheden heeft uitgevoerd overeenkomstig het strategisch controleplan van het Instituut; stelt vast dat een controle van het beheer van de personele middelen deel uitmaakt van deze werkzaamheden, waarbij goede praktijken en redelijke zekerheid met betrekking tot de structuur voor het beheer van de personele middelen werden geïdentificeerd;

13.    stelt met bezorgdheid vast dat de IAS bij zijn risicoanalyse bepaalde processen met een hoog inherent risico heeft aangewezen die niet konden worden gecontroleerd binnen het controleplan, aangezien de controles werden beoordeeld als afwezig of ontoereikend; is tevreden over het feit dat een actieplan werd ingediend om deze gebieden met een hoog risico aan te pakken; kijkt uit naar de volgende grondige risicobeoordeling die aan dit actieplan follow-up zal geven en vraagt het Instituut de kwijtingsautoriteit te informeren over de resultaten van de risicoanalyse;

14.    verneemt van het Instituut dat er per 31 december 2013 geen essentiële of zeer belangrijke aanbevelingen van de IAS meer openstonden;

Overige opmerkingen

15.    herinnert eraan dat het Instituut is opgericht om gendergelijkheid te bevorderen, ook wat betreft gendermainstreaming in al het beleid van de Unie en het daaruit voortvloeiende nationale beleid, om discriminatie op grond van geslacht te bestrijden en om de burgers van de Unie bewust te maken van gendergelijkheid; herinnert eraan dat het Instituut het als zijn missie beschouwt om uit te groeien tot het Europees kenniscentrum voor gendergelijkheidsvraagstukken, zoals blijkt uit zijn jaarlijks werkprogramma;

16.    herinnert eraan dat het Instituut een fundamentele rol vervult door het feit dat er een reële en effectieve gelijkheid tussen vrouwen en mannen moet worden bevorderd en tot stand gebracht op alle terreinen van het openbare en het particuliere leven;

17.    verzoekt het instituut de gezamenlijke jaarlijkse vergaderingen tussen de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid van het Parlement en het Instituut in zijn jaarlijkse werkprogramma op te nemen; vraagt het Instituut om de resultaten en bevindingen van zijn onderzoek regelmatig voor te leggen aan de relevante commissies van het Parlement; merkt op dat het Instituut de toegang van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid tot gendergerelateerde informatie op proactievere wijze moet vergemakkelijken, met een grotere gerichtheid op het werk dat door de leden wordt verricht; is van mening dat dit hen belangrijke en meer effectieve informatie zou verschaffen;

18.    verzoekt om betere interactie tussen de wetgevings- en niet-wetgevingsprioriteiten van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het onderzoek van het Instituut; bevestigt dat het Instituut een belangrijke rol speelt bij het verzamelen van betrouwbare, vergelijkbare en naar geslacht gedifferentieerde gegevens die van fundamenteel belang zijn voor de uitwerking van nationaal en EU-beleid, met name op het gebied van op gender gebaseerd geweld; verzoekt het Instituut nauw samen te werken met Eurostat en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, teneinde met vaste tussenpozen onderzoek uit te voeren naar de onderwerpen die voor de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid het belangrijkst zijn, met name geweld tegen vrouwen en de kenmerken van het door vrouwen verrichte werk;

o

o         o

19.  verwijst voor andere, horizontale opmerkingen bij zijn kwijtingsbesluit naar zijn resolutie van … 2015(15) over de prestaties en het financiële beheer van en het toezicht op de agentschappen.

21.1.2015

ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Instituut voor gendergelijkheid voor het begrotingsjaar 2013

(2014/2119(DEC))

Rapporteur voor advies: Iratxe García Pérez

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herinnert eraan dat het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) ("het Instituut") is opgericht om gendergelijkheid te bevorderen, inclusief gendermainstreaming in al het beleid van de Unie en het daaruit voortvloeiende nationale beleid, om discriminatie op grond van geslacht te bestrijden en om de burgers van de Unie bewust te maken van gendergelijkheid; herinnert eraan dat het Instituut het als zijn missie beschouwt om uit te groeien tot het Europees kenniscentrum voor gendergelijkheidsvraagstukken, zoals blijkt uit zijn jaarlijks werkprogramma;

2.   herinnert eraan dat het Instituut een fundamentele rol vervult, met name door het feit dat er een reële en effectieve gelijkheid tussen vrouwen en mannen moet worden bevorderd en tot stand gebracht op alle terreinen van het openbare en het particuliere leven;

3.  wijst op de bevestiging van de Rekenkamer dat de jaarrekening van het Instituut op alle materiële punten een getrouw beeld geeft van zijn financiële situatie op 31 december 2013 en dat de verrichtingen en kasstromen van het Instituut betreffende het begrotingsjaar 2013 in overeenstemming zijn met de bepalingen van zijn financieel reglement;

4.   is tevreden met het feit dat het algemene peil van de vastleggingskredieten in 2013 99 % bedroeg, hetgeen aangeeft dat de vastleggingen tijdig zijn gedaan;

5.  wijst erop dat de Rekenkamer heeft geoordeeld dat de onderliggende verrichtingen bij de jaarrekening van het Instituut betreffende het begrotingsjaar 2013 op alle materiële punten wettig en regelmatig zijn;

6.  wijst met voldoening op de opmerking van de Rekenkamer over de verlaging van de overdracht van de vastgelegde kredieten van 32 % in 2012 tot 29 % in 2013; wijst op de opmerking van de Rekenkamer dat deze overdrachten voornamelijk betrekking hebben op aanbestedingsprocedures die laat in het jaar werden afgesloten om redenen die grotendeels buiten de macht van het Instituut liggen; verzoekt het Instituut zich te blijven inzetten voor een geleidelijke verlaging ervan en voor een grotere begrotingsefficiëntie;

7.  wijst op de door het Instituut genomen maatregelen naar aanleiding van de vastleggingen van vorig jaar met betrekking tot de planning en monitoring van aanbestedingen en het feit dat het Instituut nu over een monitoringinstrument beschikt waarmee de verwachte data van elke stap in de jaarlijkse aanbestedingsprocedures in de gaten worden gehouden;

8.   herinnert eraan dat het belangrijk is om in het jaarlijks werkprogramma van het Instituut rekening te houden met de geplande activiteiten in het kader van het samenwerkingsplan met de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en om de resultaten en bevindingen van het onderzoek regelmatig voor te leggen aan de relevante commissies van het Parlement; merkt op dat het Instituut de toegang van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid tot gendergerelateerde informatie op proactievere wijze moet vergemakkelijken, met een grotere gerichtheid op het werk dat door deze commissie wordt verricht, om ervoor te zorgen dat de commissieleden beschikken over effectievere instrumenten om zich te informeren; verzoekt om betere interactie tussen de wetgevings- en niet-wetgevingsprioriteiten van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het onderzoek van het Instituut; bevestigt dat het Instituut een belangrijke rol speelt bij het verzamelen van betrouwbare, vergelijkbare en naar geslacht gedifferentieerde gegevens die van fundamenteel belang zijn voor de uitwerking van nationaal en EU-beleid, met name op het gebied van op gender gebaseerd geweld; verzoekt het Instituut nauw samen te werken met Eurostat en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, teneinde met vaste tussenpozen onderzoek uit te voeren naar de onderwerpen die voor de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid het belangrijkst zijn, met name geweld tegen vrouwen en de kenmerken van het door vrouwen verrichte werk;

9.  is op grond van de thans beschikbare gegevens van mening dat aan de directeur van het Europees Instituut voor gendergelijkheid kwijting kan worden verleend met betrekking tot de uitvoering van de begroting van het Instituut voor het begrotingsjaar 2013.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.1.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

28

6

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Maria Arena, Beatriz Becerra Basterrechea, Malin Björk, Vilija Blinkevičiūtė, Anna Maria Corazza Bildt, Viorica Dăncilă, Iratxe García Pérez, Anna Hedh, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Vicky Maeijer, Angelika Mlinar, Krisztina Morvai, Angelika Niebler, Maria Noichl, Marijana Petir, Terry Reintke, Liliana Rodrigues, Jordi Sebastià, Michaela Šojdrová, Ángela Vallina, Beatrix von Storch, Jadwiga Wiśniewska, Anna Záborská, Jana Žitňanská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Izaskun Bilbao Barandica, Biljana Borzan, Linnéa Engström, Rosa Estaràs Ferragut, Mariya Gabriel, Ildikó Gáll-Pelcz, Kostadinka Kuneva, Marc Tarabella

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Rosa D’Amato

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

23.3.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

5

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Inés Ayala Sender, Ryszard Czarnecki, Dennis de Jong, Tamás Deutsch, Martina Dlabajová, Ingeborg Gräßle, Bernd Kölmel, Bogusław Liberadzki, Verónica Lope Fontagné, Monica Macovei, Georgi Pirinski, Petri Sarvamaa, Claudia Schmidt, Bart Staes, Michael Theurer, Marco Valli, Derek Vaughan, Anders Primdahl Vistisen, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Caterina Chinnici, Iris Hoffmann, Monika Hohlmeier, Benedek Jávor, Andrey Novakov, Julia Pitera, Miroslav Poche

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Laura Ferrara

(1)

PB C 442 van 10.12.2014, blz. 167.

(2)

PB C 442 van 10.12.2014, blz. 167.

(3)

PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(4)

PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(5)

PB L 403 van 30.12.2006, blz. 9.

(6)

PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.

(7)

PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.

(8)

PB C 442 van 10.12.2014, blz. 167.

(9)

PB C 442 van 10.12.2014, blz. 167.

(10)

PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(11)

PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(12)

PB L 403 van 30.12.2006, blz. 9.

(13)

PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.

(14)

PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.

(15)

Aangenomen teksten van die datum, P7_TA-PROV(2015)0000.

Juridische mededeling