Procedure : 2014/2077(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0102/2015

Ingediende teksten :

A8-0102/2015

Debatten :

PV 28/04/2015 - 16
CRE 28/04/2015 - 16

Stemmingen :

PV 29/04/2015 - 10.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0120

VERSLAG     
PDF 207kWORD 121k
31.3.2015
PE 541.389v02-00 A8-0102/2015

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2013

(2014/2077(DEC))

Commissie begrotingscontrole

Rapporteur: Martina Dlabajová

1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2013

(2014/2077(DEC))

Het Europees Parlement,

–       gezien de balansen en resultatenrekeningen van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2014)0487 – C8-0146/2014),

–       gezien het jaarverslag van de Commissie van 14 april 2014 over het financieel beheer van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2013,

–       gezien de financiële informatie over de Europese Ontwikkelingsfondsen (COM(2014)0350),

–       gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van de Commissie(1),

–       gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–       gezien de aanbevelingen van de Raad van 17 februari 2015 betreffende de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de activiteiten van de Europese Ontwikkelingsfondsen in het begrotingsjaar 2013 (05135/2015 – C8-0050/2015, 05136/2015 – C8-0051/2015, 05138/2015 – C8-0052/2015),

–       gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2012 (COM(2014)0607) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0285) en SWD(2014)0286),

–       gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000(3) en gewijzigd te Ouagadougou (Burkina Faso) op 22 juni 2010(4),

–       gezien Besluit 2001/822/EG van de Raad van 27 november 2001 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Gemeenschap ("LGO­besluit")(5),

–       gezien artikel 33 van het intern akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het tweede financieel protocol van de vierde ACS-EG-overeenkomst(6),

–       gezien artikel 32 van het intern akkoord van 18 september 2000 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn(7),

–       gezien artikel 11 van het intern akkoord van 17 juli 2006 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Gemeenschap binnen het meerjarig financieel kader voor 2008-2013 voor de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het EG-Verdrag van toepassing zijn(8),

–       gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–       gezien artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS-EG-overeenkomst(9),

–       gezien artikel 119 van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds(10),

–       gezien artikel 142 van Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad van 18 februari 2008 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het tiende Europees Ontwikkelingsfonds(11),

–       gezien artikel 93, artikel 94, derde streepje, en bijlage V van zijn Reglement,

–       gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0102/2015),

1.      verleent de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2013;

2.      formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.      verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de afsluiting van de rekeningen van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2013

(2014/2077(DEC))

Het Europees Parlement,

–       gezien de balansen en resultatenrekeningen van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2014)0487 – C8-0146/2014),

–       gezien het jaarverslag van de Commissie van 14 april 2014 over het financieel beheer van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2013,

–       gezien de financiële informatie over de Europese Ontwikkelingsfondsen (COM(2014)0350),

–       gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van de Commissie(12),

–       gezien de verklaring van de Rekenkamer(13) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–       gezien de aanbevelingen van de Raad van 17 februari 2015 betreffende de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de activiteiten van de Europese Ontwikkelingsfondsen in het begrotingsjaar 2013 (05135/2015 – C8-0050/2015, 05136/2015 – C8-0051/2015, 05138/2015 – C8-0052/2015),

–       gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2012 (COM(2014)0607) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0285) en SWD(2014)0286,

–       gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000(14) en gewijzigd te Ouagadougou (Burkina Faso) op 22 juni 2010(15),

–       gezien Besluit 2001/822/EG van de Raad van 27 november 2001 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Gemeenschap ("LGO­besluit")(16),

–       gezien artikel 33 van het intern akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het tweede financieel protocol van de vierde ACS-EG-overeenkomst(17),

–       gezien artikel 32 van het intern akkoord van 18 september 2000 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn(18),

–       gezien artikel 11 van het intern akkoord van 17 juli 2006 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Gemeenschap binnen het meerjarig financieel kader voor 2008-2013 voor de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het EG-Verdrag van toepassing zijn(19),

–       gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–       gezien artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS-EG-overeenkomst(20),

–       gezien artikel 119 van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds(21),

–       gezien artikel 142 van Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad van 18 februari 2008 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het tiende Europees Ontwikkelingsfonds(22),

–       gezien artikel 93, artikel 94, derde streepje, en bijlage V van zijn Reglement,

–       gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0102/2015),

1.      stelt vast dat de definitieve jaarrekening van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds overeenkomt met tabel 2 in het jaarverslag van de Rekenkamer;

2.      hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2013;

3.      verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3. ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2013

(2014/2077(DEC))

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2013,

–       gezien artikel 93, artikel 94, derde streepje, en bijlage V van zijn Reglement,

–       gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0102/2015),

A. overwegende dat de voornaamste doelstelling van de overeenkomst van Cotonou als het belangrijkste kader voor de betrekkingen van de Unie met de landen van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen) en de landen en gebieden overzee (LGO´s) de beperking en uiteindelijke uitroeiing van armoede betreft, overeenkomstig de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling en de geleidelijke integratie van de ACS-landen en de LGO´s in de mondiale economie;

B.  overwegende dat de specifieke doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid moeten worden gewaarborgd binnen de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO); benadrukt dat andere overwegingen, bijvoorbeeld vanuit het oogpunt van het handelsbeleid en het buitenlands en veiligheidsbeleid, niet mogen ingaan tegen de ontwikkelingsprioriteiten van de Unie;

C. overwegende dat de door de lidstaten gefinancierde Europese Ontwikkelingsfondsen (EOF's) het belangrijkste financiële instrument van de Unie zijn om de ACS-landen ontwikkelingssamenwerking te bieden, waarvoor de Commissie binnen de kwijtingsprocedure verantwoording moet afleggen;

D. overwegende dat de door de Europese Commissie betaalde instrumenten voor voorfinanciering 424 miljoen EUR beliepen en dat de beleidsontvangsten 124 miljoen EUR bedroegen in het begrotingsjaar 2013;

E.  overwegende dat het EOF zijn strategie en prioriteitsterreinen heeft gebaseerd op politieke voorkeuren alsook op economische en financiële criteria die verband houden met algemene efficiëntiecriteria, en opereert met adequate financiële instrumenten om deze prioriteiten, die zijn gebaseerd op een duurzame en langetermijnvisie, te realiseren;

F.  overwegende dat er in ontwikkelingslanden sprake is van een inherent hoge risicoblootstelling als gevolg van een vaak instabiele en fragiele geopolitieke, institutionele en administratieve omgeving;

G. overwegende dat de betrokkenheid van de Unie gedifferentieerd en voorwaardelijk moet zijn, afhankelijk van meetbare vooruitgang op diverse terreinen zoals democratisering, mensenrechten, goed bestuur, duurzame sociaaleconomische ontwikkeling, de rechtsstaat, transparantie en corruptiebestrijding;

H. overwegende dat het gebruik van innovatieve financiële instrumenten zoals mechanismen voor het combineren van subsidies en leningen (blending-mechanismen) wordt gezien als een manier om het toepassingsgebied van bestaande instrumenten als subsidies en leningen uit te breiden, en tevens betrekking heeft op problemen op het gebied van toezicht en bestuur;

I.   overwegende dat het van essentieel belang is om de zichtbaarheid van de Unie te waarborgen en de waarden van de Unie in al haar interventies te bevorderen;

J.   overwegende dat de budgettering van het EOF, dat wil zeggen de opname en integratie ervan in de begrotingsstructuur van de Unie, een prioriteit van het Parlement blijft; overwegende dat de opname van het EOF in de algemene begroting zou zorgen voor meer financiële zekerheid voor de ontvangende landen en tegelijkertijd voor een betere beleidscoherentie en democratische controle;

K. overwegende dat begrotingssteun een aanzienlijk fiduciair risico met zich meebrengt, met name op het gebied van transparantie, verantwoordingsplicht en goed financieel beheer; overwegende dat begrotingssteun gepaard moet gaan met nauwlettend toezicht en een beleidsdialoog tussen de Unie en het partnerland met betrekking tot de doelstellingen, geboekte vooruitgang op het vlak van overeengekomen resultaten en prestatie-indicatoren, alsook met een betere systeemrisicoanalyse en risicobeperkingsstrategie;

Betrouwbaarheidsverklaring

Betrouwbaarheid van de rekeningen

1.  is ingenomen met het oordeel van de Rekenkamer dat de definitieve jaarrekening van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds een in elk materieel opzicht getrouw beeld van de financiële situatie van de EOF's per 31 december 2013 geeft en dat de resultaten van hun verrichtingen, van hun kasstromen en van de veranderingen in de netto-activa over het op die datum afgesloten jaar in overeenstemming zijn met de bepalingen van het financieel reglement van het EOF en de internationaal aanvaarde boekhoudnormen voor de publieke sector;

2.  wijst er met voldoening op dat het aantal en de waarde van terugvorderingen zijn gestegen ten opzichte van 2012, met 24 terugvorderingen ter waarde van 4,7 miljoen euro in 2013 tegen 13 terugvorderingen ter waarde van 1,3 miljoen euro in 2012;

3.  is evenwel ernstig bezorgd over het feit dat subgedelegeerde ordonnateurs nog steeds niet systematisch voldoen aan de regel dat de Commissie in geval van voorfinancieringsbetalingen van meer dan 750 000 euro geacht wordt op jaarbasis rente te vorderen en dat de hoeveelheid rentebaten die in de rekeningen zichtbaar wordt gemaakt deels is gebaseerd op schattingen;

4.  betreurt voorts dat de rente die is verkregen over voorfinancieringen van 250 000 tot 750 000 euro nog steeds niet als ontvangsten in de financiële staten is opgenomen, omdat de ontwikkeling van het gemeenschappelijk Relex-informatiesysteem (CRIS-systeem) nog niet is voltooid;

Wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen bij de rekeningen

5.  is verheugd over het oordeel van de Rekenkamer dat de onderliggende ontvangsten en vastleggingen bij de rekeningen voor het begrotingsjaar 2013 op alle materiële punten wettig en regelmatig zijn.

6.  is echter bezorgd over de conclusie van de Rekenkamer over de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende betalingen bij de rekeningen volgens welke de toezicht- en controlesystemen op het hoofdkantoor van EuropeAid en bij de delegaties van de Unie slechts ten dele doeltreffend zijn wat betreft het garanderen van de wettigheid en regelmatigheid van de betalingen;

7.  betreurt dat het meest waarschijnlijke foutenpercentage voor betalingen uit het achtste, negende en tiende EOF volgens de schatting van de Rekenkamer 3,4 % bedraagt, hetgeen een lichte stijging betekent ten opzichte van 2012 (3 %), maar nog altijd een stuk lager is dan de piek in 2011 (5,1 %);

8.  neemt kennis van het feit dat het jaarverslag van de Rekenkamer betreffende EOF-activiteiten voor het begrotingsjaar 2013 aantoont dat het foutenpercentage is gestegen in vergelijking met het jaar ervoor en dat dit percentage nog steeds te hoog ligt; dringt er bij de Commissie op aan inspanningen te leveren om het afgesproken streefdoel, te weten een foutenpercentage van 2 %, te bereiken;

9.  merkt op en betreurt dat de onderliggende betalingen bij de rekeningen fouten vertonen van materieel belang als gevolg van tekortkomingen in het toezichtsysteem; neemt kennis van het feit dat 27 % van de betalingen fouten bevat, dat wil zeggen 45 van de 165 gecontroleerde betalingen;

10. neemt kennis van de resultaten van de steekproeven ten aanzien van projecten waarbij 42 van de 130 betalingen (32 %) fouten vertoonden, en met name van het feit dat het bij 30 van deze 42 betalingen kwantificeerbare fouten betrof, terwijl 17 definitieve verrichtingen zijn goedgekeurd nadat alle controles vooraf waren uitgevoerd;

11. betreurt dat ondanks het actieplan met corrigerende maatregelen dat in mei 2013 is opgezet, de soorten fouten die zijn vastgesteld in grote mate gelijk zijn als in voorgaande jaren, te weten het ontbreken van bewijsstukken, niet-naleving van aanbestedingsprocedures door begunstigden en niet-subsidiabele uitgaven; merkt op dat deze fouten eveneens verband hielden met verrichtingen in verband met de volgende activiteiten: i) programmaramingen, ii) subsidies en iii) bijdragenovereenkomsten tussen de Commissie en internationale organisaties;

12. dringt er bij de Commissie op aan haar inspanningen op deze specifieke samenwerkingsgebieden te intensiveren door het bestaande plan met corrigerende maatregelen te verfijnen, met name wanneer kwantificeerbare fouten duiden op tekortkomingen in de controles door internationale organisaties op naleving van contractuele bepalingen, als onderdeel van de algemene inspanning om de methoden voor risicobeheer en de algemene controle- en beheersystemen te verbeteren;

Risico´s voor de rechtmatigheid en doeltreffendheid van de controlemechanismen

13. erkent dat de tenuitvoerlegging van de EOF´s door het gebruik van talrijke werkwijzen en diverse leveringsmethoden (gecentraliseerd rechtstreeks beheer en indirect beheer) met ingewikkelde regels en procedures, zoals die betreffende de aanbesteding en gunning van contracten, en met een grote geografische spreiding, een inherent hoog risico met zich meebrengt, hetgeen het moeilijk maakt om het controlesysteem te optimaliseren en de transparantie van de financiering van de EOF´s te vergroten;

14. is ernstig bezorgd over het feit dat de controles vooraf die worden verricht voordat de betalingen voor projecten worden uitgevoerd volgens de Rekenkamer nog steeds aanzienlijke tekortkomingen vertonen;

15. dringt er bij de Commissie op aan geregeld aandacht te besteden aan de kwaliteit en geschiktheid van de door alle actoren (personeel van de Commissie en externe controleurs) verrichte controles vooraf voordat de betalingen voor projecten worden gedaan, met name gezien de in politiek en operationeel opzicht risicovolle omgeving;

16. merkt op dat de aard van de instrumenten en betalingsvoorwaarden op de gebieden van begrotingscontrole (met 718 miljoen euro aan betalingen door het EOF in 2013) en de bijdragen van de Unie aan multidonorprojecten die worden uitgevoerd door internationale organisaties zoals de Verenigde Naties (VN) (met betalingen van de EOFs die in 2013 opliepen tot 458 miljoen euro) de mate waarin verrichtingen gevoelig zijn voor fouten beperken;

17. is bezorgd over de terugkerende kwestie dat er, ondanks externe controles en uitgavenverificaties, steeds opnieuw fouten inzake einddeclaraties worden gevonden;

18. dringt er bij het directoraat-generaal Ontwikkeling en Samenwerking van de Commissie (DG DEVCO) op aan dat het de aanbeveling van de Rekenkamer uit 2011 opvolgt en de capaciteit van zijn interne auditdienst zo spoedig mogelijk versterkt, zodat deze dienst zijn taken doeltreffender kan uitvoeren;

Strategie en prioriteiten

19. benadrukt dat alle activiteiten van de EOFs nauwkeurig in lijn moeten zijn met de algemene strategie en prioriteitsterreinen die gebaseerd zijn op politieke voorkeuren, alsook op economische en financiële efficiëntiecriteria, die bijgevolg moeten zijn terug te vinden in de beheerprestaties, met inbegrip van risicobeheer en controleactiviteiten en de concrete vorm van de desbetreffende financiële instrumenten;

20. wijst, gezien de steeds grotere nadruk op de resultaten van Uniesteun, op het feit dat Afrika bezuiden de Sahara het meest achterblijft ten aanzien van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG's), en de enige regio ter wereld is waar volgens prognoses de armoede tegen 2015 waarschijnlijk niet zal zijn gehalveerd; is bezorgd over het feit dat de officiële ontwikkelingshulp voor sociale dienstverlening, met name op het gebied van onderwijs en reproductieve gezondheidszorg, de afgelopen jaren een dalende lijn vertoont, en vreest dat de vorderingen op het gebied van de ontwikkeling van het menselijk kapitaal hierdoor zullen worden tenietgedaan;

21. concludeert dat de inspanningen moeten worden opgevoerd om in Afrika de MDG's tegen de beoogde termijn (het jaar 2015) te kunnen verwezenlijken; roept de Commissie op om, na de goedkeuring ervan, rekening te houden met de agenda inzake duurzame ontwikkeling voor de periode na 2015 en met de onderhandelingen over de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling als basis voor de doelmatigheidscontrole van de Rekenmaker; is ingenomen met het feit dat de EOF's, die het voornaamste instrument vormen voor de verlening van Uniesteun aan de ACS-landen, goed zijn voor wel 45 % van de totale waarde van nieuwe contracten die in 2013 zijn gesloten door DG DEVCO;

22. merkt op dat in 2013 overeenstemming is bereikt over de oprichting van een elfde Europees Ontwikkelingsfonds met een totale waarde van bijna 27 miljard euro (in prijzen van 2011), dat wil zeggen dat de middelen in feite worden gehandhaafd op het niveau van het tiende EOF, in plaats van dat zij met 13 % worden verhoogd zoals de Commissie had voorgesteld, ondanks het lang bestaande streven van de EU om de ontwikkelingsfinanciering de komende jaren te verhogen;

Monitoring en toezicht

23. is ernstig bezorgd over de resterende tekortkomingen in het beheersinformatiesysteem ten aanzien van de resultaten en de follow-up van externe controles, uitgavenverificaties en controlebezoeken, ondanks de toezegging van de Commissie om de gegevenskwaliteit van het CRIS in de voorbije jaren te verbeteren;

24. herinnert eraan dat de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van het beheersinformatiesysteem een centrale rol vervult die permanente waakzaamheid vereist; dringt er bij de Commissie op aan haar inspanningen voort te zetten om de nieuwe functies in het kader van de auditmodule van het CRIS-systeem te ontwikkelen en op te zetten, en met name de follow-up van alle controleverslagen en alle soorten evaluaties; is van mening dat het van essentieel belang is om over consistente resultaatgerichte monitoringsystemen te beschikken teneinde adequate en betrouwbare informatie over bereikte resultaten te verstrekken, zodat de strategische prioriteiten kunnen worden aangepast;

25. overwegende dat de meeste EOFs op een gedecentraliseerde manier ten uitvoer worden gelegd door de Uniedelegaties; verzoekt het hoofdkantoor van DG DEVCO om de delegaties op consistente wijze te ondersteunen bij het beheer van hun portefeuille overeenkomstig de desbetreffende risicocomponenten door middel van het CRIS-systeem; moedigt nogmaals aan tot een betere benutting van de mogelijkheden die voortvloeien uit risicobeoordelingen in het kader van de follow-up van de werkzaamheden van de delegaties van de Unie;

26. is ingenomen met de invoering van het onderzoek naar het restfoutenpercentage bij afgesloten verrichtingen als voorbeeld van de manier waarop de directie van DG DEVCO werkt;

27. merkt op dat het foutenpercentage op basis van het tweede onderzoek in 2013 door DG DEVCO werd geschat op 3,35 % (wat neerkomt op een bedrag van ongeveer 228,55 miljoen euro), tegenover een schatting van 3,4 % van de Rekenkamer; stelt met bezorgdheid vast dat de belangrijkste vastgestelde oorzaken betrekking hebben op het ontbreken van toereikende door de begunstigde organisaties verstrekte documentatie, fouten als gevolg van onvoldoende beschikbaar bewijs om de regelmatigheid van verrichtingen te controleren, niet-naleving van openbare aanbestedingsprocedures en onverschuldigde en niet-gecorrigeerde bedragen;

28. is van mening dat prioritering kan worden geïntegreerd in het door DG DEVCO ontwikkelde actieplan voor de tenuitvoerlegging van risicobeperkende maatregelen door nadruk te leggen op de specifieke en meest kritieke punten van zorg en op de mogelijkheden met betrekking tot kostenefficiëntie; dringt er bij DG DEVCO op aan in het jaarlijkse activiteitenverslag in te gaan op de geboekte vooruitgang of specifieke moeilijkheden die zijn ondervonden bij de tenuitvoerlegging van het actieplan;

29. is van mening dat het nuttig zal zijn duidelijk vast te stellen welke activiteitsgestuurde begrotingswerkzaamheden de meeste tekortkomingen en fouten vertonen en het kwetsbaarst zijn; is van mening dat, teneinde de controlekosten op een redelijk niveau te houden, deze specifieke gebieden op basis van een meerjarig rotatiesysteem kunnen worden behandeld en geanalyseerd;

30. erkent wat betreft de kostenefficiëntie van controlemechanismen dat het niet de bedoeling is nieuwe controlelagen toe te voegen, doch te werken aan de doeltreffendheid van het kader van controleactiviteiten en de complementariteit ervan op grond van beginselen voor goed bestuur;

31. is ingenomen met de opname in het jaarlijkse activiteitenverslag van het overzicht van alle kosten, met inbegrip van de administratieve uitgaven en de kosten die samenhangen met de controle- en monitoringsystemen;

32. is ingenomen met de herziening van de toezichtverslagen voor externe steun, waarin nu ook een samenvatting is opgenomen van corrigerende maatregelen voor vastgestelde fouten, en met de ingevoerde verzekering van de delegatiehoofden dat zij hun verantwoordingsplicht in de algemene verantwoordingsketen en de volledigheid van de verslaglegging door de Uniedelegaties zullen vergroten;

Begrotingssteun

33. neemt met belangstelling kennis van en is ingenomen met de nieuwe benadering van begrotingssteun van de Commissie; merkt op dat in 2013 in totaal 660 miljoen euro is uitgekeerd voor nieuwe begrotingssteunoperaties in Afrika, en dat dit bedrag deels werd gebruikt voor de tenuitvoerlegging van het "MDG-initiatief" ter ondersteuning van de landen die een achterstand hebben op het gebied van belangrijke sectoren zoals volksgezondheid, water, sanitaire voorzieningen, voedselzekerheid en voeding;

34. benadrukt dat, gezien de doelstelling van begrotingssteun, waarbij bijdragen rechtstreeks worden overgedragen naar de algemene begroting van een land of naar een begroting voor een specifieke algemene beleidsmaatregel of doelstelling, de algemene subsidiabiliteitsvoorwaarden bij begrotingssteun moeten worden geëerbiedigd en nauw moeten worden verbonden aan aanzienlijke vooruitgang die door de partnerlanden wordt geboekt, met name op het gebied van het beheer van overheidsfinanciën; zou ingenomen zijn met de ontwikkeling van bindende kernprestatie-indicatoren met het oog op risicobeperking;

35. herinnert eraan dat het nodig is de strijd tegen fraude en corruptie te ondersteunen op alle beleidsterreinen die vallen onder de samenwerkingsstrategie van de Unie; benadrukt dat het risico dat de middelen verkeerd terechtkomen hoog blijft en dat met name op het vlak van het beheer van overheidsfinanciën ruimte bestaat voor corruptie en fraude;

36. herhaalt dat robuuste en verifieerbare kernprestatie-indicatoren moeten worden toegepast op alle programma's voor begrotingsondersteuning; benadrukt dat aandacht moet worden besteed aan het differentiatiebeginsel om een ruimere interpretatie van de uitbetalingsvoorwaarden van begrotingssteun te voorkomen; dringt erop aan dat corruptiebestrijdingsmechanismen krachtig worden ondersteund, aangezien corruptie een van de belangrijkste factoren lijkt die de doeltreffendheid van de steunprogramma's beperken en zodoende de doeltreffendheid van de Europese ontwikkelingssamenwerking in het gedrang brengt; dringt bijgevolg aan op de intensivering van de samenwerking op het vlak van maatregelen betreffende goed bestuur en corruptiebestrijding;

37. uit kritiek op het feit dat bij het uiteindelijke gebruik de door de Unie ter beschikking gestelde middelen worden samengevoegd met de begrotingsmiddelen van de partnerlanden, waardoor de middelen van de Unie niet kunnen worden getraceerd; verzoekt gedetailleerde verslagen te publiceren betreffende de besteding van de middelen, met het oog op meer transparantie en om te waarborgen dat de door de Unie ter beschikking gestelde middelen beter kunnen worden getraceerd;

38. verzoekt de Rekenkamer in dit verband om meer aandacht te besteden aan het vraagstuk van corruptie en te proberen om de mate van corruptie te kwantificeren en op te nemen in haar speciale verslagen alsook in haar jaarlijks activiteitenverslag;

39. verlangt wat betreft sectorale begrotingssteun dat de sectorale conditionaliteitsmatrix systematisch wordt gebruikt en versterkt en dat adequate criteria voor interventie van de Unie worden gedefinieerd; zou ingenomen zijn met de geleidelijke omvorming van alle programma's voor algemene begrotingssteun in programma's voor sectorale begrotingssteun om het niveau van toezicht en verantwoording te verhogen zodat de financiële belangen van de Europese Unie beter worden beschermd;

40. benadrukt hoe belangrijk het is dat er een adequate, op stimulansen berustende beleidsdialoog plaatsvindt, alsook voortdurende monitoring van sectorale hervormingen en programma's voor het meten van de prestaties en de duurzaamheid van de resultaten via de systemen voor financieel beheer van de Commissie met het oog op de tenuitvoerlegging van begrotingssteun in partnerlanden;

41. dringt er bij de Commissie op aan de ontwikkeling van parlementaire controle, toezichtsorganen en deskundigheid en bekwaamheid in begunstigde landen krachtig te ondersteunen, onder meer door voortdurend technische bijstand te leveren; benadrukt dat een onafhankelijke nationale controle-instantie een voorwaarde moet zijn voor toekenning van begrotingssteun;

42. spreekt zijn krachtige steun uit voor het feit dat de Commissie de overdracht van middelen naar ontvangende landen kan stopzetten wanneer niet aan voorafgaande voorwaarden, in het bijzonder de noodzakelijke macro-economische voorwaarden, wordt voldaan; verzoekt de Commissie eveneens de overdracht van middelen stop te zetten naar landen met een hoge corruptiegraad die geen gerichte beleidsmaatregelen hebben genomen om dit fenomeen te bestrijden;

Samenwerking met internationale organisaties

43. stelt voor om tijdens de nieuwe zittingsperiode verdere stappen te nemen op weg naar een betere uitwisseling van informatie met de instellingen van de Wereldbank en de VN, teneinde de samenwerking te optimaliseren;

44. herinnert aan de steun van het Parlement voor de definiëring en uitwisseling van goede praktijken teneinde vergelijkbare en duurzame kernbeginselen vast te stellen inzake betrouwbaarheid en naleving van de financiële regels van de Unie;

45. is voorstander van uitgebreidere openbaarmaking van de controleverslagen van VN-instellingen om zo een beter beheer van de Uniefinanciering te bewerkstelligen;

46. is van mening dat moet worden gestreefd naar verdere harmonisatie van respectievelijke bestuurssystemen en van interne en externe controles, zodat de gegevens, methodologieën en resultaten kunnen worden vergeleken;

47. verlangt dat de zichtbaarheid van de financiering van de Unie nadrukkelijk wordt geëerbiedigd in door meerdere donoren gesteunde initiatieven, met name wanneer Unie-middelen worden uitgegeven in een risicovolle omgeving;

48. is ingenomen met de verdieping van de betrekkingen van het Kinderfonds van de Verenigde Naties (UNICEF) en de Wereldbank met het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) middels de goedkeuring van de richtsnoeren van OLAF betreffende de uitwisseling van informatie en strategieën;

49. spreekt wat betreft de uitvoering van het elfde EOF nogmaals zijn zorg uit dat uitvoerende entiteiten begrotingsuitvoeringstaken kunnen toevertrouwen aan andere privaatrechtelijke organisaties op basis van een dienstverleningscontract, waarmee een keten van vertrouwensrelaties ontstaat; dringt er bij de Commissie op aan strikte voorwaarden voor onderaanneming toe te passen en herinnert eraan dat bij deze vorm van uitvoering de entiteiten waaraan de uitvoering wordt toevertrouwd een hoog niveau van bescherming van de financiële belangen van de Unie moeten waarborgen;

50. dringt aan op snelle opheldering over gebundelde financiering (met inbegrip van trustfondsen) en daarmee samenhangende risico's op het vlak van de regelmatigheid van de verrichtingen, met name wanneer financiële bijdragen van de Commissie aan multidonorprojecten worden gebundeld met middelen van andere donoren, zonder dat deze middelen zijn geoormerkt voor specifiek aanwijsbare subsidiabele uitgavenposten;

51. verlangt te worden geïnformeerd over het voorbereidend onderzoek dat door de Commissie is uitgevoerd naar controles en beheersystemen bij andere betrokken internationale organisaties; vraagt bijkomende informatie over de mate van vergelijkbaarheid en consistentie van de reeds bestaande systemen;

52. verzoekt te worden geïnformeerd over de preventieve, risicobeperkende of andere maatregelen die in werking kunnen worden gesteld wanneer een verschil van mening bestaat over het te bereiken niveau van zekerheid en het desbetreffende risico voor de totale uitgaven;

De investeringsfaciliteit van de Europese Investeringsbank

53. herhaalt en is stellig van mening dat de door de Europese Investeringsbank (EIB) namens de Unie beheerde investeringsfaciliteit eveneens moet worden onderworpen aan de kwijtingsprocedure van het Parlement, aangezien de investeringsfaciliteit wordt gefinancierd door de belastingbetalers van de Unie;

54. wijst erop dat de in artikel 287, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie genoemde tripartiete regeling voor de samenwerking tussen de EIB, de Commissie en de Rekenkamer inzake de controle door de Rekenkamer van de activiteiten die de EIB uitvoert in verband met het beheer van de middelen van de Unie en van de lidstaten, in 2015 hernieuwd zal worden; verzoekt de EIB de taakomschrijving van de Rekenkamer in dit verband te actualiseren en deze uit te breiden met alle nieuwe financiële instrumenten van de EIB die betrekking hebben op openbare middelen van de Unie of van het Europees Ontwikkelingsfonds;

55. is ingenomen met de opname in het werkplan van de Rekenkamer van een controle op de investeringsfaciliteit van het EOF, in navolging van het verzoek van het Parlement tijdens de kwijtingsprocedure van 2012, en ziet uit naar de uitkomst van dit speciaal verslag in 2015;

56. erkent dat de EIB projecten in risicovolle omgevingen ondersteunt, met name met politieke risico´s die verband houden met de instabiliteit in de ontvangende landen;

57. is ingenomen met de door de EIB gehanteerde op resultaten gerichte benadering, met name met de invoering van een kader voor resultatenmeting dat het mogelijk maakt de betrouwbaarheid van projecten, de financiële en economische duurzaamheid ervan en de toegevoegde waarde van de EIB zelf te beoordelen; dringt erop aan dat een permanente dialoog met de betrokken partners wordt gewaarborgd over de meet-indicatoren en over de convergentie van bereikte resultaten;

58. benadrukt het belang van het zerotolerancebeleid van de EIB met betrekking tot fraude en corruptie; herinnert eraan dat het nodig is te vermijden bedrijven te financieren waarvan bewezen is dat ze betrokken zijn bij fraude en corruptie; is van mening dat het huidige beleid van de EIB inzake niet-coöperatieve rechtsgebieden, met inbegrip van het laatste addendum, niet toereikend is, en vindt dat de EIB onverwijld een nieuw "verantwoordelijk belastingbeleid" moet aannemen, in het kader waarvan de EIB een "forensic review" dient uit te voeren van de uiteindelijke begunstigden van de gefinancierde bedrijven en, indien de financiering ten gunste komt van multinationals, deze dient te verplichten vooraf naar land uitgesplitste gegevens te verstrekken met betrekking tot inkomsten, geboekte winst en belastingdruk in alle landen waar ze actief zijn;

59. herinnert eraan dat het belangrijk is dat de door de EIB gefinancierde projecten een brede maatschappelijke impact hebben, en dat deze projecten steun moeten verlenen aan lokale ondernemingen in plaats van speculatie in de hand te werken; verzoekt om een gedetailleerde jaarlijkse beoordeling van de maatschappelijke impact van de door de EIB gefinancierde projecten;

60. dringt erop aan dat enkel Uniemiddelen worden toegekend aan financiële tussenpersonen die niet actief zijn in offshore financiële centra, aanzienlijke plaatselijke eigen inbreng hebben en toegerust zijn om een pro-ontwikkelingsbenadering uit te voeren waarin de bijzonderheden van kleine en middelgrote ondernemingen in de begunstigde landen worden ondersteund; vraagt de EIB niet samen te werken met financiële tussenpersonen met een ongunstige reputatie wat betreft transparantie, fraude, corruptie of sociale en ecologische gevolgen; benadrukt dat de EIB samen met de Commissie een stringente lijst van criteria op moet stellen voor de selectie van financiële tussenpersonen, die openbaar gemaakt wordt;

61. moedigt de EIB aan om productieve investeringen te financieren en om leningen indien nodig te combineren met technische bijstand, teneinde de doeltreffendheid van projecten te verbeteren en te zorgen voor daadwerkelijke toegevoegde waarde van de Unie op het vlak van additionaliteit, en een hogere ontwikkelingsimpact te bereiken;

62. herinnert eraan dat consistentie ten aanzien van de Uniedoelstellingen van groot belang is en dat terdege aandacht moet worden besteed aan de absorptiecapaciteit van de ACS-landen;

63. dringt aan op een grondige screening van potentiële lokale actoren en tussenpersonen tijdens de identificatie en selectie van dergelijke actoren en tussenpersonen;

Gemengde financiering

64. merkt op dat de toegenomen belangstelling voor het combineren van subsidies en leningen ("blending") vooral veroorzaakt wordt door het samenvallen van omvangrijke ontwikkelingsproblemen met ernstige beperkingen van de overheidsuitgaven, leidend tot de ontwikkeling van nieuwe financiële bronnen door subsidies van de Unie te combineren met andere vormen van financiering die geen subsidies zijn; moedigt de Rekenkamer aan geregeld te voorzien in een uitgebreide beoordeling van de activiteiten die worden gefinancierd door middel van een combinatie van financiële instrumenten;

65. erkent dat door het combineren van subsidies met aanvullende overheids- en particuliere middelen (zoals leningen en aandelen) gezorgd kan worden voor een aanzienlijke hefboomwerking van subsidies en voor een krachtiger en doeltreffender beleidsontwikkeling van de Unie, teneinde aanvullende financiering te mobiliseren;

66. benadrukt dat nieuwe financiële instrumenten en blending in overeenstemming moeten zijn met de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid van de Unie, gebaseerd op de criteria voor officiële ontwikkelingshulp en vastgelegd in de Agenda voor verandering; is van mening dat deze instrumenten gericht moeten zijn op prioriteiten van de Unie waar toegevoegde waarde en de strategische effecten het grootst zijn;

67. neemt kennis van de resultaten van de herziening van het EU-platform voor blending in externe samenwerking, met als oorspronkelijk doel om de doeltreffendheid, efficiëntie en kwaliteit van bestaande systemen en faciliteiten voor het combineren van subsidies en leningen te verbeteren;

68. vraagt om voor de bedoelde financiële activiteiten gezamenlijke uitvoeringsnormen in te voeren, alsook beste praktijken en subsidiabiliteits- en evaluatiecriteria vast te stellen; is van mening dat samenhangende regels op het gebied van beheer, zoals gestructureerde verslaglegging en duidelijke kaders en voorwaarden voor het houden van toezicht, de transactiekosten zullen verlagen en mogelijke dubbele betalingen zullen voorkomen dankzij een grotere transparantie en verantwoordingsplicht;

69. roept, met het oog op de controle- en goedkeuringsbevoegdheid van het Parlement, op tot het uitbrengen van regelmatig verslag aan het Parlement over het gebruik van de financiële instrumenten en over de resultaten, waarbij met name een beoordeling moet worden overgelegd van de financiële en niet-financiële hefboomwerking en additionaliteit;

70. herhaalt zijn standpunt over de verontrustende situatie in de Democratische Republiek Congo (DRC), met name wat betreft de hervorming van het rechtsstelsel en de situatie van de rechtsstaat, de overheidsfinanciën en de kwestie van decentralisatie;

71. is ingenomen met de beoordeling door de Rekenkamer van de met EOF-middelen gefinancierde ontwikkelingshulp van de Unie; stemt ermee in dat het gebrek aan politieke wil en de ontbrekende absorptiecapaciteit voor een groot deel het beperkte succes verklaren van de verbetering van het bestuur in de DRC;

72. wijst erop dat de DRC algemeen wordt erkend als een van de meest kwetsbare staten in de wereld; dringt er met klem op aan bindende kernprestatie-indicatoren en benchmarks te ontwikkelen om de vooruitgang op een betrouwbare manier te kunnen beoordelen; dringt er tevens op aan dat deze kernprestatie-indicatoren en benchmarks op een realistische manier worden opgesteld;

73. verzoekt de Commissie en de EDEO de meest recente lijst met prioriteiten voor Europese ontwikkelingshulp in de DRC te verstrekken, als follow-up bij het kwijtingsverslag van afgelopen jaar, waarin werd voorgesteld een beperkter aantal prioriteiten vast te stellen om een betere en meer toegespitste strategie voor ontwikkelingshulp mogelijk te maken;

EU-steun in Haïti

74. spreekt nogmaals zijn algemene tevredenheid uit over het werk en de inspanningen van de diensten van de Commissie in reactie op de aardbeving in Haïti in 2010, rekening houdend met de uitermate moeilijke omstandigheden voor de delegatie van de Unie en het personeel daarvan; is verheugd over het feit dat de Commissie betalingen en uitgaven kan opschorten wanneer de regering van Haïti op het vlak van financieel beheer en aanbestedingsprocedures onvoldoende vooruitgang boekt;

75. neemt nota van de door de Rekenkamer vastgestelde tekortkomingen op het gebied van coördinatie; onderstreept in dit verband dat het belangrijk is te blijven zorgen voor nauwe coördinatie tussen donoren en binnen de diensten van de Commissie; dringt aan op een voortdurende afstemming van de humanitaire hulp en de ontwikkelingshulp, alsook op een betere koppeling van noodhulp, herstel en ontwikkeling (Linking Relief, Rehabilitation and Development - LRRD) middels een permanent LRRD-interdienstenplatform; is van oordeel dat daar waar mogelijk gewerkt moet worden volgens geïntegreerde benaderingswijzen, met duidelijk gedefinieerde doelstellingen voor de samenwerking tussen ECHO en EuropeAid, en op basis van een coherente landenstrategie, en dat ook altijd gezorgd moet worden voor uitwisseling van goede praktijken; nodigt de Commissie uit de dialoog met het Parlement aan te gaan; is daarnaast van oordeel dat het inschakelen van het lokale maatschappelijk middenveld kan bijdragen aan een betere benutting van de plaatselijk beschikbare kennis;

76. herinnert aan de aanbevelingen die zijn opgesteld na het bezoek van de delegatie van de Commissie begrotingscontrole aan Haïti in februari 2012 en wijst opnieuw met klem op de belangrijke kwestie van de traceerbaarheid en de controleerbaarheid van ontwikkelingsgelden van de Unie, met name middels het aan elkaar koppelen van begrotingssteun en specifieke prestaties; vraagt de Commissie en de EDEO in het geval van de toekenning van sectorale begrotingssteun met klem te wijzen op de conditionaliteitsmatrix;

77. brengt in herinnering dat de maatregelen voor "staatsopbouw" de kern van de ontwikkelingshulpstrategie van de Unie en de hoeksteen van actieplannen in crisissituaties moeten vormen; dringt aan op de totstandbrenging van een goede beleidsmix in overeenstemming met het optreden van de Unie;

78. is van oordeel dat dit soort crisis- en fragiele situaties de ontwikkeling van nieuwe activiteiten vereisen, zoals i) het in kaart brengen van risico's op de verschillende operationele niveaus, ii) het opstellen van projecties van mogelijke gevolgen, en iii) het ontwerpen van instrumenten die gericht zijn op het vermijden en reduceren van risico's en potentiële rampen, en het daarop voorbereid zijn, die voldoende flexibiliteit bieden evenals de mogelijkheid om deskundigen in te zetten op diverse vakgebieden;

79. spoort de Commissie en de EDEO aan stelselmatiger en gezamenlijk te werken aan de vier fasen van de cyclus voor het beheer van rampen; vraagt de Commissie en de EDEO het Parlement op de hoogte te houden van de ontwikkelingen op het gebied van risicobeheer en de voorbereidingen met het oog op de tenuitvoerlegging van programma's en de verwezenlijking van de doelstellingen nadat rampen zich hebben voltrokken;

80. brengt nog eens in herinnering dat in geval van een crisis voldoende aandacht moet worden besteed aan de geschiktheid en de operationele doeltreffendheid van de nationale maatregelen voor risicobeperking bij rampen, hetgeen een voorwaarde vormt voor het welslagen van het optreden van de Unie;

De toekomst van het EOF

81. pleit ervoor de strategieën en prioriteiten van toekomstige EOF-activiteiten nauwkeurig te definiëren en op basis daarvan een systeem van financiële instrumenten op te zetten, met inachtneming van het efficiëntie- en het transparantiebeginsel;

82. betreurt dat de EOFs niet zijn opgenomen in de algemene begroting in de nieuwe financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Europese Unie (Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012);

83. herinnert eraan dat het Parlement, de Raad en de Commissie zijn overeengekomen dat deze financiële regels zouden worden herzien om wijzigingen op te nemen die noodzakelijk zijn ingevolge de uitkomst van de onderhandelingen over het meerjarig financieel kader voor de periode 2014 - 2020, met inbegrip van de kwestie van de eventuele opname van de EOFs in de Uniebegroting; herhaalt zijn oproep aan de Raad en de lidstaten om in te stemmen met de volledige opname van de EOFs in de begroting van de Unie;

84. is van mening dat de nieuwe zittingsperiode een nieuwe politieke mogelijkheid biedt om de instellingen van de Unie aan te moedigen op korte termijn een beschouwing en een evaluatie in gang te zetten met betrekking tot het scenario na 2020 voor de mogelijke vervanging van het huidige Verdrag van Cotonou; herhaalt zijn standpunt dat het EOF zo spoedig mogelijk moet worden opgenomen in de algemene begroting;

85. is van mening dat de opname van de EOFs in de algemene begroting de democratische controle zal versterken doordat het Parlement wordt betrokken bij de bepaling van de strategische prioriteiten bij de toewijzing van middelen, en daarnaast zal zorgen voor een effectievere tenuitvoerlegging, met betere coördinatiemechanismen zowel op het hoofdkantoor van de Commissie als in het veld; verzoekt de Commissie opnieuw bij de komende beoordeling terdege rekening te houden met de financiële gevolgen van de opname van de EOFs voor de lidstaten, alsmede met de mogelijkheid van een bindende verdeelsleutel voor de lidstaten;

86. is van mening dat stroomlijning en harmonisatie van de regels betreffende EOFs waarschijnlijk zal leiden tot een beperking van het risico op fouten en inefficiënties en tot een grotere mate van transparantie en rechtszekerheid; spoort de Commissie aan om één enkele financiële regeling voor alle EOF's voor te stellen; betreurt dat de Commissie in het kader van het debat over het toekomstige akkoord voor het elfde EOF geen voorstel heeft gedaan voor één enkele financiële regeling om het beheer van de EOF's te vereenvoudigen;

Follow-up van de resoluties van het Parlement

87. verzoekt de Rekenkamer in haar volgende jaarverslag een evaluatie op te nemen van de follow-up van de aanbevelingen van het Parlement in zijn jaarlijkse kwijtingsresolutie.

22.1.2015

ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking

aan de Commissie begrotingscontrole

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2013

(2014/2077(DEC))

Rapporteur voor advies: Linda McAvan

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  wil er, gezien de steeds grotere nadruk op de resultaten van steun van de Unie, op wijzen dat Afrika bezuiden de Sahara het meest achterblijft ten aanzien van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG's), en de enige regio ter wereld is waar volgens prognoses de armoede tegen 2015 waarschijnlijk niet zal zijn gehalveerd; merkt op dat de officiële ontwikkelingshulp aan sociale diensten, met name op het gebied van onderwijs en reproductieve gezondheid, de afgelopen jaren een dalende lijn vertoont, en vreest dat de vorderingen op het gebied van de ontwikkeling van het menselijk kapitaal hierdoor zullen worden tenietgedaan(23);

2.  concludeert dat de inspanningen moeten worden opgevoerd om in Afrika de MDG's tegen de beoogde termijn (het jaar 2015) te kunnen verwezenlijken; is ingenomen met het feit dat de Europese Ontwikkelingsfondsen (EOF), die het voornaamste instrument vormen voor de verlening van steun van de Unie aan landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Zuidzee, goed zijn voor wel 45 % van de totale waarde van de nieuwe contracten die in 2013 zijn gesloten door het directoraat-generaal Ontwikkeling en Samenwerking van de Commissie (DG DEVCO);

3.  merkt op dat in 2013 overeenstemming is bereikt over de oprichting van een elfde Europees Ontwikkelingsfonds met een totale waarde van bijna 27 miljard EUR (in prijzen van 2011), dat wil zeggen dat de middelen in feite worden gehandhaafd op het niveau van het tiende Europees Ontwikkelingsfonds, in plaats van dat zij met 13% worden verhoogd zoals de Commissie had beloofd, ondanks het lang bestaande streven van de Unie om de ontwikkelingsfinanciering de komende jaren te verhogen;

4.  volgt de nieuwe benadering van begrotingssteun van de Commissie met belangstelling(24); merkt op dat in 2013 in totaal 660 miljoen EUR is uitgekeerd voor nieuwe begrotingssteunoperaties in Afrika, en dat dit bedrag deels werd gebruikt voor de tenuitvoerlegging van het "MDG-initiatief" ter ondersteuning van de landen die een achterstand hebben op het gebied van belangrijke sectoren zoals volksgezondheid, water, sanitaire voorzieningen, voedselzekerheid en voeding; merkt op dat de nieuwe benadering van begrotingssteun haar vruchten lijkt af te werpen, getuige de aanneming van het eerste contract voor staatsopbouw met Haïti in december 2013 en de opschorting van verschillende uitbetalingen in gevallen waar niet aan de voorwaarden zou zijn voldaan, zoals in Zambia en Mozambique (macro-economische kwesties) en Malawi en Uganda (corruptie); is verheugd dat het aantal begrotingssteungerelateerde fouten tussen 2011 en 2013 met 82 % is afgenomen;

5.  spoort de Commissie, wat begrotingssteun betreft, aan om verdieping te blijven aanbrengen in de beleidsdialoog met partnerlanden – een van de belangrijkste onderdelen van begrotingssteun – met het oog op een grotere doeltreffendheid van de begeleidende maatregelen voor capaciteitsopbouw en een betere integriteit van de IT-gebaseerde financiële beheerssystemen voor de tenuitvoerlegging van begrotingssteun in partnerlanden;

6.  onderstreept dat er behoefte is aan een voorspelbare EOF-programmering die echter voldoende flexibel is om de middelen daar te kunnen concentreren waar ze het hardst nodig zijn, met het oog op doeltreffende resultaten en een groter vermogen om snel op onvoorziene situaties te reageren;

7.  maakt zich er zorgen over dat de Europese Rekenkamer opnieuw tot de conclusie is gekomen dat de EOF-betalingen in 2013 materiële fouten vertoonden, en het meest waarschijnlijke foutenpercentage heeft geschat op 3,4 %, wat zeer nauw overeenkomt met de eigen berekening van DG DEVCO van de restfoutfractie (3,35 %); merkt op dat net als in 2012 vaker fouten werden gevonden in transacties die verband hielden met internationale organisaties dan in andere vormen van steun;

8.  verzoekt de Commissie zich te buigen over de bestaande tekortkomingen in de controles vooraf van de betalingen uit het Europees Ontwikkelingsfonds, waar de meeste fouten volgens de Rekenkamer aan te wijten zijn, en alle nodige maatregelen te nemen om deze tekortkomingen zo spoedig mogelijk te verhelpen;

9.  dringt er bij DG DEVCO op aan dat het de aanbeveling van de Rekenkamer uit 2011 opvolgt en de capaciteit van zijn interne auditdienst spoedig versterkt, zodat deze dienst zijn taken doeltreffender kan uitvoeren;

10. spoort de Commissie aan de doeltreffendheid van haar controlesystemen in ruimer verband te verbeteren en te blijven investeren in de kennis van de beginselen van goed financieel beheer onder al haar personeel en in de toepassing van deze beginselen, waardoor het foutpercentage van de EOF-betalingen in de toekomst hopelijk kan worden teruggebracht tot onder de materialiteitsdrempel van 2 %.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

21.1.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

1

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Louis Aliot, Beatriz Becerra Basterrechea, Kostas Chrysogonos, Nirj Deva, Doru-Claudian Frunzulică, Nathan Gill, Heidi Hautala, Maria Heubuch, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Linda McAvan, Norbert Neuser, Maurice Ponga, Cristian Dan Preda, Lola Sánchez Caldentey, Elly Schlein, György Schöpflin, Pedro Silva Pereira, Davor Ivo Stier, Paavo Väyrynen, Bogdan Brunon Wenta, Rainer Wieland, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Seb Dance, Louis-Joseph Manscour

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Rosa D’Amato

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.3.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

6

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nedzhmi Ali, Jonathan Arnott, Inés Ayala Sender, Zigmantas Balčytis, Ryszard Czarnecki, Dennis de Jong, Tamás Deutsch, Martina Dlabajová, Ingeborg Gräßle, Bernd Kölmel, Bogusław Liberadzki, Verónica Lope Fontagné, Monica Macovei, Fulvio Martusciello, Gilles Pargneaux, Georgi Pirinski, Petri Sarvamaa, Claudia Schmidt, Igor Šoltes, Bart Staes, Michael Theurer, Marco Valli, Derek Vaughan, Anders Primdahl Vistisen, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Iris Hoffmann, Karin Kadenbach, Andrey Novakov, Markus Pieper

(1)

PB C 398 van 12.11.2014, blz. 1.

(2)

PB C 401 van 13.11.2014, blz. 264.

(3)

PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(4)

PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.

(5)

PB L 314 van 30.11.2001, blz. 1, en PB L 324 van 7.12.2001, blz. 1.

(6)

PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.

(7)

PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.

(8)

PB L 247 van 9.9.2006, blz. 32.

(9)

PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53.

(10)

PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1.

(11)

PB L 78 van 19.3.2008, blz. 1.

(12)

PB C 398 van 12.11.2014, blz. 1.

(13)

PB C 401 van 13.11.2014, blz. 264.

(14)

PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(15)

PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.

(16)

PB L 314 van 30.11.2001, blz. 1, en PB L 324 van 7.12.2001, blz. 1.

(17)

PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.

(18)

PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.

(19)

PB L 247 van 9.9.2006, blz. 32.

(20)

PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53.

(21)

PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1.

(22)

PB L 78 van 19.3.2008, blz. 1.

(23)

Verslag over de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling 2014: Assessing progress in Africa toward the Millennium Development Goals, Analysis of the Common African Position on the post-2015 Development Agenda, 2014. blz. 90.

http://www.undp.org/content/dam/rba/docs/Reports/MDG_Africa_Report_2014_ENG.pdf

(24)

Richtsnoeren inzake begrotingssteun, Europese Commissie, september 2012.

http://ec.europa.eu/europeaid/sites/devco/files/methodology-budget-support-guidelines-201209_en_2.pdf

Juridische mededeling - Privacybeleid