Procedure : 2014/2080(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0111/2015

Ingediende teksten :

A8-0111/2015

Debatten :

PV 28/04/2015 - 16
CRE 28/04/2015 - 16

Stemmingen :

PV 29/04/2015 - 10.15
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0124

VERSLAG     
PDF 143kWORD 70k
31.3.2015
PE 539.743v02-00 A8-0111/2015

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling IV – Hof van Justitie

(2014/2080(DEC))

Commissie begrotingscontrole

Rapporteur: Ryszard Czarnecki

AMENDEMENTEN
1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling IV – Hof van Justitie

(2014/2080(DEC))

Het Europees Parlement,

–       gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013(1),

–       gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2014)0510 – C8-0149/2014)(2),

–       gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2013, tezamen met de antwoorden van de instellingen(3),

–       gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2013 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–       gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–       gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(5),

–       gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name de artikelen 55, 99, 164, 165 en 166,

–       gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–       gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0111/2015),

1.      verleent de griffier van het Hof van Justitie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Hof van Justitie voor het begrotingsjaar 2013;

2.      formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.      verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer, de Europese ombudsman, de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming en de Europese Dienst voor extern optreden, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2. ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling IV – Hof van Justitie

(2014/2080(DEC))

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling IV – Hof van Justitie,

–       gezien het Besluit van de Europese Ombudsman van 26 februari tot afsluiting van haar initiatiefonderzoek OI/Q/2014/PMC inzake klokkenluiders,

–       gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–       gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0111/2015),

1.   is tevreden dat de Rekenkamer in haar jaarverslag van 2013 opmerkt dat er geen significante tekortkomingen zijn vastgesteld met betrekking tot de gecontroleerde aspecten wat betreft personele middelen en het plaatsen van opdrachten door het Hof van Justitie van de Europese Unie ("Hof van Justitie");

2.   is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer op basis van haar controlewerkzaamheden heeft geconcludeerd dat de betalingen als geheel over het per 31 december 2013 afgesloten jaar met betrekking tot de administratieve en andere uitgaven van de instellingen en organen geen materiële fouten vertonen;

3.   merkt op dat het Hof van Justitie in 2013 beschikte over kredieten ten belope van 354 880 000 EUR (348 300 000 EUR in 2012) en dat de uitvoeringsgraad 96,3 % bedroeg; betreurt de daling van het bestedingspercentage in 2013 in vergelijking met 2012 (98,6 %);

4.   neemt er nota van dat het lagere uitvoeringspercentage kan worden toegeschreven aan het feit dat in de oorspronkelijk voor 2013 uitgetrokken kredieten een voorgestelde aanpassing van de salarissen en pensioenen van in totaal bijna 6 000 000 EUR ingecalculeerd was, maar dat de Raad uiteindelijk geen aanpassing heeft toegekend; wijst erop dat de motivering voor de onverwachte uitspraak inzake de salarisaanpassingen niet langer van toepassing is na het akkoord over het nieuwe Statuut van de ambtenaren in 2014;

5.   benadrukt echter dat de begroting van het Hof van Justitie louter administratief is, waarbij het grootste deel gebruikt wordt voor uitgaven met betrekking tot het personeel dat voor de instelling werkzaam is; neemt kennis van de motivering bij de daling van het bestedingspercentage in het jaarlijks activiteitenverslag van het Hof van Justitie voor het begrotingsjaar 2013;

6.   wijst erop dat het Hof van Justitie in 2013 701 zaken heeft afgesloten (595 afgesloten zaken in 2012) en dat er 699 nieuwe zaken aanhangig zijn gemaakt (632 in 2012), waaronder 450 hogere voorzieningen en prejudiciële verwijzingen; onderschrijft de positieve statistische resultaten en is van mening dat er, ondanks deze goede uitkomst, nog ruimte voor verbetering is;

7.   neemt ter kennis dat in 2013 bij het Gerecht 790 nieuwe zaken aanhangig zijn gemaakt, dat het 702 zaken heeft afgedaan en dat er nog 1325 zaken aanhangig zijn, hetgeen, voor wat het aantal procedures betreft, een algemene stijging ten opzichte van 2012 inhoudt; wijst er tevens op dat de procesduur licht is afgenomen; benadrukt dat de oprichting van een negende kamer niet heeft bijgedragen tot een stijging van de efficiëntie van het Gerecht in 2013, maar herhaalt niettemin zijn standpunt dat het Gerecht versterking nodig heeft op het gebied van personele middelen;

8.   wijst erop dat er in 2013, wat het Gerecht voor ambtenarenzaken betreft, sprake was van een daling van het aantal nieuwe zaken en een stijging van het aantal aanhangige en afgesloten zaken ten opzichte van 2012; is van mening dat de afschaffing van het Gerecht voor ambtenarenzaken, ondanks deze matige resultaten, geen goede manier is om de langdurige stagnatie in de Raad aan te pakken;

9.   is van mening dat er binnen de bestaande hulpmiddelen waarover het Hof van Justitie beschikt nog ruimte is voor verbetering; benadrukt dat de in 2013 doorgevoerde interne hervormingen, te weten de oprichting van een nieuwe kamer in het Gerecht en de nieuwe advocaat-generaal, alsmede de hervorming van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie, vooral op taalkundig en technologisch gebied, en andere aanvullende voorschriften, hebben bijgedragen tot positieve wijzigingen in het systeem, die het mogelijk hebben gemaakt vooruitgang te boeken bij het optimaliseren van de middelen; moedigt het Hof van Justitie aan om deze aanpak te blijven volgen;

10. beveelt aan om een nieuwe beheersstructuur voor de instelling in te voeren, met een betere scheiding tussen rechterlijke en administratieve functies, in overeenstemming met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, zodat het niet meer kan gebeuren dat rechters uitspraak moeten doen in beroepszaken tegen handelingen waarbij hun instanties rechtstreeks betrokken waren;

11. herinnert eraan dat het Hof van Justitie in zijn reactie op de kwijtingsresolutie voor 2012 stelt dat het houden van meer hoorzittingen en het uitspreken van meer vonnissen de productiviteit niet aanzienlijk zouden verhogen; wijst erop dat het Hof van Justitie anderzijds wel om meer rechters heeft gevraagd; vraagt het Hof van Justitie een externe wederzijdse toetsing te laten uitvoeren zodat het over externe instrumenten beschikt om mogelijke oplossingen te vinden voor de problemen die het Hof van Justitie aan de orde heeft gesteld;

12. benadrukt dat het bijzonder belangrijk is de meertaligheid bij het Hof van Justitie in acht te nemen, aangezien meertaligheid niet alleen gelijke toegang tot de jurisprudentie van het Hof van Justitie moet garanderen, maar ook gelijke kansen voor de partijen die bij een geschil voor het Hof van Justitie betrokken zijn;

13. betreurt het dat het tijdens de kwijtingsprocedure onvoldoende informatie heeft ontvangen over de lijst van externe activiteiten van de rechters; vraagt het Hof van Justitie op zijn homepage een register te publiceren met gedetailleerde informatie over de externe activiteiten van elke rechter;

14. vraagt het Hof van Justitie om, in het geval van de twee gepensioneerde ambtenaren-vertalers die vertaalcontracten kregen, een verslag in te dienen aan de hand waarvan kan worden nagegaan of de situatie in overeenstemming is met de vereisten van het Statuut van de ambtenaren van de Unie, zowel wat belangenconflicten als wat salaris betreft;

15. vraagt het Hof van Justitie te overwegen om de griffies van het Hof van Justitie tot één griffie samen te voegen teneinde voor een betere coördinatie van de procedures tussen de hoven te zorgen;

16. neemt kennis van de verbeteringen die zijn aangebracht in de e-Curia-applicatie; erkent dat de applicatie haar volledige potentieel nog niet heeft bereikt; beveelt het Hof van Justitie aan een plan op te stellen dat is bedoeld om het gebruik van de applicatie door alle lidstaten te stimuleren;

17. erkent de lancering in 2013 van het project inzake digitale jurisprudentiedocumenten, bedoeld om de papieren jurisprudentiedocumenten te vervangen; is van mening dat dit project eerder uitgevoerd had kunnen worden;

18. is van mening dat het Hof van Justitie, gezien de gegevens in het jaarlijkse activiteitenverslag, het aantal papieren kopieën nog verder kan beperken zonder zijn verantwoordelijkheden te ondermijnen;

19. moedigt het Hof van Justitie aan om, met het oog op zijn eerste rechtstreekse uitzending via webstreaming in 2013, gebruik te blijven maken van deze technologie en de toepassing ervan uit te breiden tot werkgerelateerde kwesties;

20. erkent dat de kwaliteit van de vertolking bij het Hof van Justitie van fundamenteel belang is en dat het niet mogelijk is greep te houden op het aantal hoorzittingen; is evenwel van mening dat een efficiëntere planning van het rooster van hoorzittingen mogelijk is; beveelt het Hof van Justitie aan om in het kader van zijn interinstitutionele betrekkingen op zoek te gaan naar optimale werkwijzen van andere instellingen op dit gebied;

21. neemt kennis van het beleid van het Hof van Justitie om bij voorkeur interne middelen te gebruiken, met name binnen de vertaaldiensten; begrijpt dat het moeilijk is bepaalde talencombinaties met een professionele juridische achtergrond te vinden; is evenwel zeer bezorgd over het zeer hoge aantal ongebruikte kredieten - 2 200 000 EUR - dat is toegekend aan freelance vertalingen; is daarom van mening dat uitbesteding, als die nodig is, ook tot verdere besparingen moet leiden;

22. verzoekt het Hof van Justitie om de invoering van een systeem voor "vertalingen op aanvraag" voor specifieke gevallen in overweging te nemen en om vaker gebruik te maken van technologische vertaalhulpmiddelen;

23. vraagt het Hof per geval na te gaan of een vertaling wel nodig is als die van weinig belang is voor de burgers van de Unie;

24. stelt tot zijn bezorgdheid vast dat er enorme verschillen bestaan tussen de vertaalkosten van de verschillende EU-instellingen; vraagt daarom dat de interinstitutionele werkgroep vertaling de oorzaken van deze verschillen in kaart brengt en oplossingen voorstelt om het evenwicht te herstellen en te zorgen voor harmonisatie van de vertaalkosten onder optimale eerbiediging van kwaliteit en taalkundige verscheidenheid; merkt met het oog hierop op dat de werkgroep de samenwerking tussen de instellingen opnieuw moet opstarten, teneinde optimale werkwijzen en resultaten uit te wisselen en de gebieden te identificeren waar de samenwerking of de akkoorden tussen de instellingen kunnen worden versterkt; wijst erop dat de werkgroep zich eveneens tot doel moet stellen een uniforme methode voor de presentatie van de vertaalkosten voor alle instellingen te ontwikkelen om de analyse en vergelijking van de kosten te vereenvoudigen; wijst erop dat de werkgroep deze resultaten vóór eind 2015 moet presenteren; vraagt alle instellingen actief deel te nemen aan de werkzaamheden van de interinstitutionele werkgroep; herinnert in deze context aan het wezenlijke belang van de eerbiediging van de meertaligheid in de EU-instellingen, teneinde voor alle burgers van de Unie een gelijke behandeling en gelijke kansen te waarborgen;

25. is van mening dat in deze tijden van crisis en algemene bezuinigingen de kosten van "away days" van het personeel van de instellingen van de Unie moeten worden verlaagd en dat deze dagen zoveel mogelijk op de locaties van de instellingen moeten worden gehouden, daar de toegevoegde waarde ervan de hoge kosten niet rechtvaardigt;

26. verwacht dat het Hof van Justitie zal blijven uitkijken naar nieuwe interne synergieën, met name op het gebied van vertaling en vertolking;

27. herhaalt het verzoek om de agenda's van de vergaderingen van het Hof van Justitie als bijlage op te nemen in het jaarlijks activiteitenverslag van het desbetreffende jaar;

28. beveelt aan een aantal objectieve criteria vast te stellen om de buitensporige vertraging in de uitspraak van vonnissen te definiëren;

29. betreurt het feit dat de lidstaten die na 2014 zijn toegetreden tot de Unie niet in de directie van de instelling vertegenwoordigd zijn; herhaalt dat er op alle bestuurlijke niveaus een beter geografisch evenwicht moet worden bereikt;

30. spreekt zijn bezorgdheid uit over het gebrek aan vrouwen op leidinggevende posten bij het Hof van Justitie (70 % - 30 %); dringt erop aan dat wordt voorzien in een programma voor gelijke kansen, met name voor leidinggevende functies, om dit gebrek aan evenwicht zo snel mogelijk te verhelpen;

31. neemt ter kennis dat de door het Hof van Justitie toegepaste regelgeving inzake particulier gebruik van dienstauto's vergelijkbaar is met de door de andere instellingen toegepaste regelgeving; is van mening dat deze regelgeving moet worden bijgewerkt om de kosten terug te dringen, met name in het geval van particulier gebruik;

32. verzoekt het Hof van Justitie het aantal dienstauto's waarover de leden en personeelsleden beschikken, te beperken en aan het Parlement verslag uit te brengen over de gerealiseerde besparingen; is van mening dat de regeling inzake de tewerkstelling van chauffeurs derhalve moet worden herzien; wijst erop dat de uitgebreide particuliere diensten die de chauffeurs verlenen, door de Europese belastingbetaler worden betaald;

33. is van mening dat het Hof van Justitie zijn inspanningen op milieugebied moet opvoeren door de bestaande maatregelen ter beperking van emissies verder uit te werken en door milieucriteria voor aanbestedingen in te voeren;

34. neemt kennis van de belofte van het Hof van Justitie om aan het verbeteren van zijn systeem voor het tijdig monitoren en controleren van de aanwervings- en aanbestedingsprocedures te blijven werken; steunt het Hof van Justitie bij zijn streven om het beheer van vergoedingen te blijven volgen en het niveau van zijn prestaties verder te verbeteren;

35. acht het aantal via onderhandelingen toegekende contracten behoorlijk hoog; wenst grondig te worden geïnformeerd over de redenen achter deze beslissingen;

36. vraagt het Hof van Justitie, overeenkomstig de bestaande regels inzake vertrouwelijkheid en gegevensbescherming, in zijn jaarlijks activiteitenverslag de resultaten en gevolgen van gesloten OLAF-zaken op te nemen indien de instelling of personen die voor de instelling werken, aan een onderzoek zijn onderworpen;

37. neemt kennis van het bij het jaarlijkse activiteitenverslag gevoegde vastgoedbeleid van het Hof van Justitie;

38. stelt met tevredenheid vast dat het Hof van Justitie een grondig en gedetailleerd jaarlijks activiteitenverslag heeft voorbereid met daarin gedetailleerde informatie over zijn personeelsbeleid, zoals door het Parlement was gevraagd;

39.    is verontrust over de vertraging bij de aanneming van de interne regels inzake klokkenluiders; vraagt het Hof van Justitie deze regels zonder verder uitstel toe te passen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

23.3.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

22

5

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nedzhmi Ali, Inés Ayala Sender, Zigmantas Balčytis, Ryszard Czarnecki, Dennis de Jong, Tamás Deutsch, Martina Dlabajová, Ingeborg Gräßle, Rina Ronja Kari, Bogusław Liberadzki, Verónica Lope Fontagné, Monica Macovei, Fulvio Martusciello, Dan Nica, Georgi Pirinski, Petri Sarvamaa, Claudia Schmidt, Igor Šoltes, Bart Staes, Michael Theurer, Marco Valli, Derek Vaughan, Anders Primdahl Vistisen, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Caterina Chinnici, Iris Hoffmann, Andrey Novakov

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Laura Ferrara

(1)

PB L 66 van 8.3.2013.

(2)

PB C 403 van 13.11.2014, blz. 1.

(3)

PB C 398 van 12.11.2014, blz. 1.

(4)

PB C 403 van 13.11.20142, blz. 128.

(5)

PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(6)

PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

Juridische mededeling