Procedure : 2014/2223(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0126/2015

Ingediende teksten :

A8-0126/2015

Debatten :

PV 27/04/2015 - 24
CRE 27/04/2015 - 24

Stemmingen :

PV 28/04/2015 - 7.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0109

VERSLAG     
PDF 303kWORD 151k
1.4.2015
PE 544.341v02-00 A8-0126/2015

over "Een nieuwe EU-bosstrategie ten bate van de bossen en de houtsector"

(2014/2223(INI))

Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

Rapporteur: Elisabeth Köstinger

Rapporteur voor advies (*):

Francesc Gambús, Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

(*)       Medeverantwoordelijke commissie – Artikel 54 van het Reglement

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
 ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over "Een nieuwe EU-bosstrategie ten bate van de bossen en de houtsector"

(2014/2223(INI))

Het Europees Parlement,

–       gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's getiteld "Een nieuwe EU-bosstrategie ten bate van de bossen en de houtsector" (COM(2013)0659),

–       gezien de bij die mededeling gevoegde werkdocumenten van de diensten van de Commissie SWD(2013)0342 en SWD(2013)0343,

–       gezien de conclusies van de Raad Landbouw en visserij van 19 mei 2014 betreffende de nieuwe EU-bosstrategie,

–       gezien het advies van het Comité van de Regio's van 30 januari 2014 getiteld "Een nieuwe EU-bosstrategie ten bate van de bossen en de houtsector",

–       gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 10 juli 2014 over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's getiteld "Een nieuwe EU-bosstrategie ten bate van de bossen en de houtsector",

–       gezien zijn resolutie van 16 februari 2006 over de tenuitvoerlegging van de bosbouwstrategie van de Europese Unie(1),

–       gezien Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 over een algemeen milieuactieprogramma voor de Unie voor de periode tot 2020 "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet",

–       gezien de Europa 2020-strategie, waaronder de initiatieven Innovatie-Unie en Efficiënt gebruik van hulpbronnen,

–       gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Een EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering" (COM(2013)0216),

–       gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020" (COM(2011)0244),

–       gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–       gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0126/2015),

A.     overwegende dat de Europese Unie niet de bevoegdheid heeft om een gemeenschappelijk bosbouwbeleid uit te stippelen, maar dat bepaalde beleidslijnen van de Unie gevolgen kunnen hebben voor het nationale bosbouwbeleid, terwijl het de lidstaten zijn die de beslissingen over de beleidsmaatregelen ten aanzien van bosbouw en bossen nemen;

B.     overwegende dat er ongeacht de onmiskenbare bevoegdheid van de lidstaten in de bosbouwsector mogelijke voordelen voor de bosbouwsector te bespeuren vallen bij een betere coördinatie en positionering van deze belangrijke economische sector die fungeert als banenmotor op Europees niveau, met name in de landelijke gebieden, alsmede bescherming van de ecosystemen en het creëren van milieuvoordelen voor iedereen, zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden van de lidstaten;

C.     overwegende dat hout een hernieuwbare hulpbron is die vaak onderbenut blijft in Europa en dat slim en duurzaam gebruik van deze grondstof moet worden gewaarborgd, onder meer door het verder ontwikkelen en uitwisselen van knowhow;

D.     overwegende dat bossen unieke flora, fauna en schimmels bevatten;

E.     overwegende dat de omvang en de aard van bossen sterk uiteenlopen en dat het grondgebied van sommige lidstaten voor meer dan de helft uit bossen bestaat; overwegende dat duurzaam geëxploiteerde bossen van zeer grote betekenis zijn voor de lokale, regionale Europese en internationale toegevoegde waarde, de werkgelegenheid op het platteland helpen behouden en bijdragen aan een op de bio-economie gebaseerde samenleving, in het bijzonder in structureel achtergestelde regio's, en tegelijkertijd een essentiële bijdrage leveren aan de bescherming van zowel het milieu als het klimaat en aan de biodiversiteit;

F.     overwegende dat biomassa uit bossen een zeer belangrijke bron van hernieuwbare energie is; overwegende dat de Europese bossen momenteel ongeveer 10 % van de koolstofemissies van de EU vastleggen en daarmee een belangrijke bijdrage leveren aan het beheersen van de klimaatverandering;

G.     overwegende dat de burgers van de Unie door de verstedelijking van de maatschappij over weinig affiniteit met bossen en weinig kennis over bosbouw of de invloed daarvan op welvaart, werkgelegenheid, klimaat, milieu, de menselijke gezondheid en de totale waardeketen en het verband met de ecosystemen in bredere zin beschikken;

H.     overwegende dat er door steeds meer EU-beleid steeds hogere eisen worden gesteld aan de bossen; overwegende dat die eisen zorgvuldig op elkaar moeten worden afgestemd, en dat de vraag naar nieuwe vormen van houtgebruik in de bio-economie en naar bio-energie gepaard moet gaan met een efficiënt gebruik van hulpbronnen, het gebruik van nieuwe technologieën en respect voor de grenzen aan duurzame voorziening;

I.      overwegende dat de Europese bosbouw gekenmerkt wordt door duurzaam beheer en langetermijnplanning en dat het beginsel van duurzaamheid op elk niveau, van plaatselijk tot wereldwijd, nog sterker moet worden benadrukt, teneinde werkgelegenheid te scheppen, de biodiversiteit te beschermen, de klimaatverandering af te zwakken en woestijnvorming tegen te gaan;

J.      overwegende dat de rol die bossen in economisch, sociaal en milieuopzicht vervullen, met inbegrip van bescherming en valorisatie van het culturele en natuurlijke erfgoed en bevordering van duurzaam (milieu)toerisme, onder de aandacht moet worden gebracht;

K.     overwegende dat door de groei van de wereldbevolking de vraag naar energie steeds verder toeneemt en bossen derhalve een belangrijkere rol dienen te spelen in de toekomstige energiemix van de EU;

Algemene opmerkingen – rol van bossen, bosbouw en houtsector in economisch en maatschappelijk opzicht

1.      is ingenomen met de mededeling van de Commissie inzake een nieuwe EU-bosstrategie en de hierbij gevoegde werkdocumenten, en wijst er met nadruk op dat een EU-strategie inzake bossen het accent moet leggen op het waarborgen van het duurzame beheer van bossen en hun multifunctionele rol in economisch, sociaal en milieu-opzicht, en betere coördinatie en communicatie moet waarborgen van EU-beleid dat rechtstreeks of onrechtstreeks verband houdt met bosbouw; wijst er in deze context op dat de steeds talrijkere Europese beleidsinitiatieven op het gebied van economie en werkgelegenheid, energievoorziening, milieu- en klimaatbescherming een grotere bijdrage van de bosbouwsector noodzakelijk maken;

2.      onderstreept dat de waarde van bosecosysteemdiensten systematischer moet worden bepaald en in aanmerking moet worden genomen in de besluitvorming in de publieke en particuliere sector;

3.      wijst erop dat bergbossen, die lawines en modderstromen tegenhouden en als natuurlijke bescherming tegen overstromingen fungeren, hun beschermende functie voor mens en natuur alleen in volle omvang kunnen uitoefenen als ze gezond en stabiel zijn; onderstreept dat met name in dit verband grensoverschrijdende communicatie onontbeerlijk is;

4.      onderstreept in dit verband dat alle pogingen om de bosbouw op EU-niveau te regelen moeten worden tegengehouden, dat het lokale en regionale karakter van de sector en de bevoegdheden van de lidstaten geëerbiedigd moeten worden, en daarbij tegelijkertijd moet worden gestreefd naar coherentie van de respectieve bevoegdheden van de Europese Unie en de lidstaten;

5.      benadrukt dat de bossen in de EU gekenmerkt worden door grote diversiteit, waaronder uiteenlopende vormen van eigendom, omvang, aard en problemen;

6.      onderstreept dat de Europese bosstrategie rekening moet houden met het feit dat het grondgebied van sommige lidstaten voor meer dan de helft met bos is bedekt, dat duurzaam beheerde bossen van zeer grote betekenis zijn voor de lokale en regionale toegevoegde waarde en het behoud van werkgelegenheid op het platteland, en tegelijkertijd in belangrijke mate bijdragen tot de bescherming van het milieu;

7.      wijst in dit verband op de bijzonder waardevolle functie van stabiele gemengde bossen met gebiedsspecifieke, inheemse boomsoorten, op hun essentiële ecosysteemfuncties en op hun bijdrage aan de biodiversiteit;

8.      verzoekt de lidstaten boseigenaren te ondersteunen bij hun inspanningen om gebiedsspecifieke, inheemse gemengde bossen in stand te houden en aan te planten;

9.      betreurt het dat de arbeidsomstandigheden van werknemers in de bosbouwsector bij de voorgestelde strategie niet als uitgangspunt worden genomen en verzoekt de Commissie om rekening te houden met een slimme organisatie van het werk, de hoge eisen die aan de gebruikte technologie worden gesteld en kwalitatief hoogstaand werk;

10.    merkt op dat de bosbouwsector momenteel werk biedt aan meer dan 3 miljoen Europese burgers en benadrukt dat de bossector alleen met geschoolde werknemers op de lange termijn concurrerend kan zijn;

11.    is van mening dat de Europese bosstrategie de nodige voorwaarden moet scheppen opdat de EU kan beschikken over opleidingsfaciliteiten en werknemers die zich volledig bewust zijn van de huidige uitdagingen en bedreigingen voor de bossector, alsmede van de veiligheidsregels die inherent zijn aan bosbeheer;

12.    benadrukt dat er behoefte is aan een uitgebreide en holistische gezamenlijke strategie en is ingenomen met de erkenning van de rol die bossen en de houtsector in de EU in economisch, maatschappelijk en milieuopzicht spelen en van de voordelen daarvan;

13.    is van mening dat deze erkenning een solide basis vormt voor steun aan de Europese bosbouwsector, onder meer bij de preventie en beheersing van bosrampen, een beter gebruik van hulpbronnen, de verbetering van het concurrentievermogen, het scheppen van banen, het stimuleren van de houtsector en het behoud van ecologische functies;

14.    vestigt de aandacht op de belangrijke rol die de bio-economie speelt in de verwezenlijking van de nieuwe prioriteiten van de Commissie, namelijk groei, werkgelegenheid en investeringen;

15.    erkent dat er voor de EU een rol is weggelegd bij het ondersteunen van nationale beleidsmaatregelen voor een actief, multifunctioneel en duurzaam bosbeheer, met inbegrip van het beheer van verschillende soorten bos, en bij het opvoeren van de samenwerking om grensoverschrijdende bedreigingen zoals bosbranden, klimaatverandering en invasieve niet-inheemse soorten aan te pakken;

16.    acht het noodzakelijk dat er in de strategie meer aandacht wordt besteed aan het probleem van boomziekten, zoals de eikenziekte die kurkeikenplantages in Portugal, Frankrijk en Spanje decimeert en ook schade toebrengt aan speciale beschermingszones en biosfeerreservaten;

17.    benadrukt dat de voorspelde groei van de vraag naar hout zowel een kans als een bedreiging kan zijn voor de bossen en alle bosgerelateerde sectoren, met name omdat de bossen ten gevolge van de klimaatverandering naar verwachting steeds vaker en zwaarder geteisterd zullen worden door droogte, brand, stormen en plagen; wijst in dit verband op de noodzaak om de bossen te beschermen tegen deze toenemende bedreigingen en om hun productieve en beschermende functies met elkaar in overeenstemming te brengen;

18.    is ingenomen met maatregelen om het bosareaal te vergroten, met name met inheemse soorten, in gebieden die niet geschikt zijn voor de voedselproductie en in het bijzonder in de buurt van stedelijke gebieden, om nadelige warmte-effecten te beperken, de verontreiniging te verminderen en de verbinding tussen mens en bos te verbeteren;

19.    schaart zich uitdrukkelijk achter het streven van de Commissie om de werkgelegenheid en het genereren van rijkdom in de bosbouwsector in Europa duurzaam te bevorderen;

20.    benadrukt de belangrijke rol die de duurzame productie en het gebruik van hout en andere van de houtsector afkomstige materialen zoals kurk en houtproducten, bijvoorbeeld textielvezels, speelt voor de ontwikkeling van duurzame economische modellen en het scheppen van groene banen;

21.    roept de Commissie ertoe op om de problemen bij de bevoorrading stroomafwaarts in de toeleveringsketen te analyseren die samenhangen met de stijgende vraag in derde landen, met name naar rondhout, en om deze sector te steunen;

22.    verzoekt de Commissie en de lidstaten voor prikkels te zorgen waardoor het groeiende aantal vrouwelijke boseigenaren extra advies en ondersteuning voor actief en duurzaam beheer van hun bossen ontvangt;

23.    benadrukt dat ongeveer 60 % van de bossen in de EU privé-eigendom is, in handen van ongeveer 16 miljoen particuliere eigenaren, en onderstreept in dit verband de betekenis van eigendom en eigendomsrechten en steunt alle maatregelen die belangengroeperingen in staat stellen deel te nemen aan een dialoog over het ontwikkelen en uitvoeren van duurzaam bosbeheer en de uitwisseling van informatie te verbeteren;

24.    wijst erop dat boseigenaren een essentiële rol spelen op het platteland en toont zich in dit verband tevreden over de erkenning die de bosbouw en de boslandbouw in de programma's voor plattelandsontwikkeling in het kader van het GLB 2014-2020 krijgen;

25.    is van oordeel dat de implementatie van de EU-bosstrategie erbij gebaat zou zijn indien zij ondersteund wordt door een goede coördinatie met de beschikbare EU-financiering, waaronder uit het ELFPO; 

26.    moedigt de lidstaten en regio's ertoe aan gebruik te maken van de in het kader van hun respectieve programma's voor plattelandsontwikkeling beschikbare middelen om duurzaam bosbeheer te steunen en boslandbouw te stimuleren, en collectieve milieugoederen te verstrekken, zoals zuurstofproductie, koolstofopslag en bescherming van gewassen tegen klimaateffecten, maar ook het stimuleren van lokale economieën en het creëren van groene banen;

27.    erkent dat verbetering van vervoer en logistiek voor het bosbeheer en de houtwinning noodzakelijk is; roept de lidstaten daarom op om duurzame logistieke en houtkapsystemen te ontwikkelen die het klimaat minder belasten, waaronder het gebruik van vrachtwagens en schepen die worden aangedreven met duurzame biobrandstoffen, alsmede meer gebruik van spoorwegen; moedigt met het oog daarop de inzet van de structuurfondsen en de programma's voor plattelandsontwikkeling van de EU aan;

28.    erkent de maatschappelijke rol van bossen wat betreft de fysieke en mentale gezondheid van de burgers en merkt op dat de door bossen geleverde collectieve goederen een grote milieu- en recreatiewaarde hebben en bijdragen aan de levenskwaliteit, in het bijzonder in de vorm van zuurstofvoorziening, koolstofopslag, zuivering van de lucht, opslag en zuivering van water, het tegengaan van erosie en bescherming tegen lawines, en een plaats voor buitenactiviteiten bieden;

29.    dringt aan op openbaar vervoer tussen stedelijke gebieden en bossen zodat bossen en bosgebieden beter toegankelijk worden;

30.    vestigt de aandacht op andere met het bos verband houdende activiteiten, bijvoorbeeld het oogsten van andere bosproducten dan hout, zoals paddenstoelen of bosvruchten, of het laten grazen van vee en de bijenhouderij;

31.    roept de Commissie op economische activiteiten te stimuleren die als bron van grondstoffen kunnen dienen voor de farmaceutische, cosmetische en voedselindustrie en als een alternatief kunnen worden ingezet om de werkloosheid en ontvolking van het platteland aan te pakken, en om de producten van deze activiteiten te bevorderen als heilzaam zijnde voor de menselijke gezondheid;

Efficiënt gebruik van hulpbronnen – hout als duurzame grondstof (duurzaam beheer van bossen)

32.    onderstreept dat het gebruik van hout en andere producten uit houtoogst als hernieuwbare en klimaatvriendelijke grondstoffen enerzijds, en duurzaam beheer van bossen anderzijds een belangrijke rol kunnen spelen bij het bereiken van de sociaaleconomische doelstellingen van de Europese Unie, zoals alternatieve energiebronnen, afzwakking van het klimaateffect en aanpassing daaraan alsmede tenuitvoerlegging van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie; merkt op dat het in strijd is met deze doelstellingen als bossen niet actief worden beheerd;

33.    benadrukt dat wetenschappelijk onderzoek uitwijst dat het CO2- absorptievermogen van beheerde bossen groter is dan dat van niet-beheerde bossen en onderstreept het belang van duurzaam bosbeheer bij het maximaliseren van het potentieel voor koolstofopslag van de Europese bossen;

34.    is van mening dat bossen niet alleen mogen worden beschouwd als koolstofreservoirs;

35.    onderstreept dat moet worden gekeken naar de mogelijkheid om door middel van efficiënt gebruik en hergebruik van hout en houtmaterialen een bijdrage te leveren aan de vermindering van het tekort op de handelsbalans van de Unie, de verhoging van de zelfvoorzieningsgraad van de EU op het gebied van hout, de vergroting van het concurrentievermogen van de bosbouwsector, het terugdringen van niet-duurzaam bosbeheer, de bescherming van het milieu en de vermindering van de ontbossing in derde landen;

36.    ondersteunt uitdrukkelijk het hulpbronefficiënte gebruik van hout als hernieuwbare, multi-inzetbare maar beperkt beschikbare grondstof en spreekt zich uit tegen een wettelijk bindende prioritering bij het gebruik van hout, daar deze niet alleen de energiemarkt en de ontwikkeling van nieuwe en innoverende vormen van het gebruik van biomassa beperkingen oplegt, maar in veel afgelegen regio's en plattelandsgebieden ook alleen al uit infrastructureel oogpunt niet uitvoerbaar is;

37.    is voorstander van een open en op de markt gerichte aanpak met vrijheid voor alle marktdeelnemers door voorrang te verlenen aan lokaal geproduceerd hout om de koolstofvoetafdruk ten gevolge van intercontinentaal transport te minimaliseren en duurzame lokale productie te stimuleren;

38.    is van mening dat gezien het feit dat een aantal van de grootste biomassabronnen van de Unie zich in de meest dunbevolkte en afgelegen regio's bevinden, in de strategie ten volle rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van dergelijke regio's;

39.    erkent de waarde van hout voor energiedoeleinden, als een manier om energieschaarste te bestrijden, bij te dragen aan de doelstellingen voor hernieuwbare energie van het klimaat- en energiekader 2030 en nieuwe kansen voor bedrijven te creëren;

40.    is van mening dat de nieuwe bosstrategie de mogelijkheid moet bieden tot nauwere samenwerking bij het vraagstuk van de structurering van de bosbouwsector en de groepering van de actoren teneinde de bosbouwhulpbronnen beter te kunnen gebruiken;

41.    is van oordeel dat duurzaam bosbeheer moet uitgaan van algemeen erkende en aanvaarde beginselen en instrumenten, zoals criteria en indicatoren voor duurzaam bosbeheer, die altijd op de gehele sector moeten zijn gericht ongeacht het eindgebruik van hout;

42.    ondersteunt het voornemen van de Commissie om samen met de lidstaten en de belanghebbenden een ambitieuze, objectieve en operationele reeks criteria en indicatoren voor duurzaam bosbeheer te ontwikkelen, wijst erop dat deze criteria moeten aansluiten bij de vereisten van Forest Europe (de ministerconferentie over de bescherming van de bossen in Europa)(2), die een pan-Europese grondslag vormen voor uniforme verslaglegging over duurzaam bosbeheer en een basis voor certificering van duurzaamheid, rekening houdend met de diversiteit van de bostypen in Europa;

43.    erkent dat er door de toenemende vraag naar uit bossen afkomstig materiaal, hoofdzakelijk als gevolg van de ontwikkeling van hernieuwbare energie op basis van biomassa, behoefte is aan nieuwe maatregelen om de beschikbaarheid van hout te vergroten en tegelijkertijd een duurzaam bosbeheer te garanderen;

44.    wijst op de aanzienlijke vooruitgang die bereikt is in de onderhandelingen in het kader van Forest Europe over een "Europees bossenverdrag"(3) als bindend raamwerk voor duurzaam bosbeheer en voor een beter evenwicht tussen de belangen in het bosbeleid en roept de lidstaten en de Commissie op alles in het werk te stellen om de onderhandelingen voort te zetten en tot een positief einde te brengen;

45.    is van mening dat plannen voor bosbeheer of vergelijkbare instrumenten belangrijke strategische instrumenten kunnen zijn voor de uitvoering van concrete maatregelen op het niveau van individuele bedrijven, voor langetermijnplanning en voor de uitvoering van een duurzaam bosbeheer in de Europese bossen; benadrukt evenwel dat de uitvoering van de in deze plannen vervatte concrete maatregelen op het niveau van de bosbouwbedrijvigheid onder de nationale regelingen moet blijven vallen;

46.    verzoekt de lidstaten overeenkomstig het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel de tenuitvoerlegging van de bosbeheerplannen te monitoren en te bevorderen zonder onnodige administratieve lasten te creëren;

47.    is voorstander van een duidelijke scheiding tussen plannen voor bosbeheer en de beheersplannen in het kader van Natura 2000;

48.    wijst erop dat plannen voor bosbeheer enkel een voorwaarde vormen voor het verkrijgen van EU-middelen voor plattelandsontwikkeling voor begunstigde ondernemingen vanaf een bepaalde grootte en dat bossen onder de drempelgrootte hiervan zijn vrijgesteld; merkt voorts op dat soortgelijke instrumenten eveneens kunnen worden goedgekeurd;

49.    verzoekt de lidstaten om deze flexibiliteit bij de toepassing van de wetgeving ten volle te benutten, met name in het belang van kleinere marktdeelnemers;

50.    roept de Commissie en de lidstaten op stimulansen te ontwikkelen voor en steun te verlenen aan nieuwe bedrijfsmodellen, zoals productiecoöperaties, die kleine particuliere boseigenaren ertoe aanzetten om hun bos actief en duurzaam te beheren;

51.    is van oordeel dat het voor een correcte tenuitvoerlegging van de strategie van essentieel belang is om een specifiek actieplan voor de lange termijn te hebben waarin de nadruk ligt op het belang van mobilisatie en duurzaam gebruik van hout uit bossen, met als doel het creëren van toegevoegde waarde en banen, terwijl er middelen beschikbaar worden gesteld om particuliere bosbouwondernemingen te versterken en georganiseerde groepen van boseigenaren te ondersteunen;

52.    onderstreept dat een doeltreffend beheer van hulpbronnen ondersteunende programma's moet omvatten voor de bebossing van gronden die niet geschikt zijn voor landbouw en voor het creëren van groenstroken;

Onderzoek en ontwikkeling – opleiding en bijscholing

53.    is van mening dat er voorrang moet worden verleend aan de praktische toepassing van onderzoek, daar de hele sector profiteert van nieuwe ideeën en de houtsector een groot groeipotentieel heeft; is tevens van mening dat verdere investeringen in innovatie in de sector kunnen leiden tot nieuwe productieniches en efficiëntere processen die zorgen voor een slimmer gebruik van de beschikbare middelen en voor een zo gering mogelijke negatieve impact op de bosbestanden;

54.    roept de Commissie op de Europese programma's voor onderzoek en ontwikkeling (Horizon 2020) en het programma voor het concurrentievermogen van het midden- en kleinbedrijf (COSME) te toetsen op bosbouw- en houtverwerkingsaspecten en zo nodig nieuwe instrumenten voor de houtsector te ontwikkelen alsmede doelgericht onderzoek naar kostenefficiënte oplossingen voor nieuwe, innoverende houtproducten te stimuleren om de ontwikkeling van een duurzame, op houtproducten gebaseerde bio-economie te steunen;

55.    is ingenomen met de uitwisseling tussen de lidstaten van optimale methoden en bestaande kennis inzake bossen, en roept de lidstaten en de Commissie op om uitwisseling tussen industrie, wetenschappers en producenten te steunen;

56.    benadrukt hoe belangrijk steun voor de EU-kaderprogramma's voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie is voor het bewerkstelligen van slimme en duurzame groei en het ontwikkelen van producten met hogere toegevoegde waarde, schonere technologie en een grote mate van technologische geavanceerdheid, met name op het vlak van geraffineerde biobrandstoffen en industrieel bouwen met hout, maar ook in de automobiel- en textielindustrie;

57.    herinnert eraan dat de bio-economie volgens de Commissie in 2009 naar schatting meer dan 2 biljoen euro waard was en goed was voor 20 miljoen banen, d.w.z. 9% van de totale werkgelegenheid in de EU;

58.    merkt op dat elke in het kader van Horizon 2020 in bio-economisch onderzoek en innovatie geïnvesteerde euro rond de 10 euro aan toegevoegde waarde zal genereren; benadrukt dat bossen een cruciale rol spelen in de bio-economie en dat dat ook in de toekomst zo zal blijven;

59.    is van oordeel dat het vervangen van op olie gebaseerde of warmte-intensieve grondstoffen door hout en producten uit houtoogst moet worden gestimuleerd, overeenkomstig de vooruitgang op het gebied van onderzoek en technologie, en een positieve bijdrage kan leveren aan de verdere beperking van de klimaatverandering en aan het scheppen van banen;

60.    benadrukt dat er een kostenanalyse moet worden gemaakt van alle EU-wetgeving die gevolgen heeft voor de waardeketens van de houtsector, teneinde alle onnodige en omslachtige bureaucratische procedures te schrappen en een gunstig kader te scheppen om het concurrentievermogen op lange termijn van de sector op duurzame wijze te versterken, en dat moet worden vastgehouden aan het beginsel dat wetgevingsvoorstellen die gevolgen hebben voor de bosbouwsector en de waardeketens van de houtsector, aan een grondige effectbeoordeling moeten worden onderworpen;

61.    is van oordeel dat vergroting van de kennis over bossen voor het onderzoek van zeer groot belang is en dat betrouwbare gegevens onontbeerlijk zijn voor de tenuitvoerlegging van de bosstrategie;

62.    stelt vast dat er middelen voor het verzamelen van informatie en voor monitoring beschikbaar zijn via het Copernicus-programma en andere ruimte-initiatieven op Europees niveau, en beveelt aan meer gebruik te maken van deze middelen en instrumenten;

63.    wijst erop dat de nationale bosinventarisaties een uitgebreide monitoring voor de bestandsopname van de bossen vormen en aansluiten bij het regionale aspect en het streven naar minder bureaucratie en minder kosten;

64.    is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om een Europese bosinformatiesysteem tot stand te brengen op basis van nationale gegevens en met initiatieven die de beschikbare gegevens beter vergelijkbaar maken, en wenst in dat verband een grondigere analyse van de gegevens over de economie en de werkgelegenheid in de bosbouw en de houtsector;

65.    acht het met name raadzaam aan om gegevensreeksen voor de langere termijn samen te stellen om het begrip van trends in de bosbouw en de aanpassing ervan aan de klimaatverandering te bevorderen;

66.    is van oordeel dat bekwame en goed opgeleide arbeidskrachten van essentieel belang zijn voor een geslaagde uitvoering van duurzaam bosbeheer en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan maatregelen te ontwikkelen en – waar mogelijk – reeds aanwezige instrumenten, zoals het programma voor het platteland (ELFPO), het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en de Europese opleidingsprogramma's (ET2020) te benutten om generatievernieuwing te ondersteunen en het gebrek aan bekwame arbeidskrachten in de bosbouw te verhelpen;

67.    dringt er bij de Commissie op aan om het opzetten van informatiecampagnes voor de sector te ondersteunen met als doel de bewustwording te vergroten van de kansen die de sector biedt om werkloosheid en ontvolking aan te pakken, en de sector tevens aantrekkelijker te maken voor jongeren;

68.    is van mening dat er programma's voor opleiding en bijscholing moeten worden ontwikkeld, met name ook voor nieuwkomers en jonge bosbouwers alsook voor de huidige werknemers in de bouwsector teneinde hen bewuster te maken van de mogelijkheden die het gebruik van hout biedt, om ervoor te zorgen dat de overdracht van kennis over bosbeheer en de verwerkende industrie gewaarborgd blijft;

69.    erkent dat duurzaam beheer tijdens de gehele levensduur van bosbouwproducten een aanzienlijke bijdrage kan leveren tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de groene economie, met name als het gaat om de doelstellingen die verband houden met het beleid voor de beperking van de klimaatverandering en een efficiënt gebruik van hulpbronnen;

70.    is van oordeel dat de lidstaten duurzaam gebruik van houtproducten in de bouwsector moeten bevorderen, onder andere bij het bouwen van beter betaalbare woningen waarbij gebruik wordt gemaakt van duurzaam geproduceerde grondstoffen;

71.    wijst op de betekenis van traditionele, hoogwaardige gebruiksvormen die nog steeds een enorm groeipotentieel hebben, zoals het gebruik van hout als bouw- en verpakkingsmateriaal;

72.    merkt op dat de huidige technologische ontwikkelingen de bouw van hoogwaardige woningen waarbij hoofdzakelijk hout wordt gebruikt mogelijk maken en daarmee een belangrijke bijdrage leveren aan het terugdringen van de CO2-uitstoot in de bouwsector;

73.    wijst erop dat de voorschriften voor het gebruik van hout in de bouwnijverheid in de diverse lidstaten uiteenlopen; dringt bijgevolg aan op de goedkeuring van EU-regels om een groter gebruik van hout in de bouw te bevorderen;

74.    roept de lidstaten op initiatieven te ontwikkelen om de overdracht van kennis en technologie te bevorderen en bestaande EU-programma's ter ondersteuning van onderzoek en innovatie in de bosbouw- en de houtsector ten volle te benutten;

75.    wijst op de aanzienlijke lacunes in het wetenschappelijk en technologisch onderzoek in verband met de aanpassing van de bosbouwsector aan de klimaatverandering, met inbegrip van onderzoek naar de impact van het groeiende aantal plagen en ziekten die een ernstige bedreiging vormen voor de bossen en de houtsectoren in Europa;

76.    roept de Commissie en de lidstaten op meer besef te wekken van de economische, maatschappelijke en ecologische rol van de Europese bossen en de houtsector, evenals van het belang van de duurzame, op hout gebaseerde bio-economie en van hout als essentiële hernieuwbare grondstof in de EU;

77.    acht het van groot belang om wetenschappelijk onderzoek naar het rationele gebruik van biomassa en de ontwikkeling van snel groeiende energiegewassen aan te moedigen en een model te creëren met economische prikkels voor het gebruik van biomassa-afval;

Wereldwijde uitdagingen – milieubescherming en klimaatverandering

78.    benadrukt dat duurzaam bosbeheer een positieve invloed heeft op de biodiversiteit, de gevolgen van de klimaatverandering kan afzwakken en het risico van bosbranden, ongedierteplagen en ziekten kan verminderen;

79.    dat ook andere thema's verder moeten worden uitgewerkt, zoals het probleem van de overbevolking van herbivoren, de gezondheid van bossen en het bevorderen van een duurzame houtproductie, het thema van de genetische bosbouwhulpbronnen, maatregelen om bosbranden te voorkomen en te bestrijden en bodemerosie te vermijden, en herstel van de vegetatie;

80.    erkent dat bosbouw met een korte omlooptijd kan voorzien in duurzame hout-biomassa en in het nodige gebiedsonderhoud, waardoor het risico van bodemerosie en van aardverschuivingen op braakliggende of uit de productie genomen grond afneemt;

81.    verzoekt de Commissie en de lidstaten specifieke maatregelen te nemen om Aichi-doelstelling 5 te halen, volgens welke het tempo waarmee alle natuurlijke habitats, met inbegrip van bossen, verloren gaan tegen 2020 ten minste gehalveerd en waar mogelijk tot bijna nul gereduceerd moet worden, en de aantasting en versnippering aanzienlijk beperkt moeten worden;

82.    wijst erop dat de bio-economie het kernelement van slimme en groene groei in Europa moet gaan vormen om de doelstellingen van de kerninitiatieven "Innovatie-Unie" en "Een Europa dat zijn hulpbronnen efficiënt gebruikt" in het kader van de Europa 2020-strategie te bereiken, en dat hout als grondstof een belangrijke rol speelt bij het dichterbij brengen van een biogebaseerde economie;

83.    acht het belangrijk dat de toepassing van het concept van een bio-economie wordt bevorderd, met inachtneming van de grenzen van duurzame levering van grondstoffen, met het oog op grotere economische levensvatbaarheid van de houtsector door middel van innovatie en technologie-overdracht;

84.    dringt erop aan dat meer steun wordt verleend aan uiteenlopende bosproducten, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat de verschillende eisen die aan bosproducten worden gesteld met elkaar in evenwicht worden gebracht en worden afgezet tegen het potentieel van duurzame levering en de overige ecosysteemfuncties en -diensten die bossen leveren;

85.    spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het tempo van de wereldwijde ontbossing, met name in ontwikkelingslanden, en vaak als gevolg van illegale houtkap;

86.    steunt mechanismen die de wereldwijde ontwikkeling van de bosbouw in de richting van een duurzamer gebruik stimuleren, en wijst daarbij met name op de EU-verordening over hout(4), bedoeld ter bestrijding van illegale houtkap en het op de Europese markt brengen van uit derde landen ingevoerd illegaal gekapt hout, en op het vergunningssysteem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap (FLEGT)(5) en op de daarmee samenhangende vrijwillige partnerschapsovereenkomsten;

87.    verzoekt de Commissie de langverwachte evaluatie van de werking en doeltreffendheid van de Europese verordening over hout te publiceren en onderstreept dat een nieuwe verordening in verhouding moet zijn en erop gericht onnodige kosten en rapportagevereisten voor de Europese boseigenaren en bosbouwers te vermijden zonder dat het doel van de verordening in het gedrang komt;

88.    is in het licht van de uitdagingen die de opwarming van de aarde en de klimaatverandering met zich brengen van oordeel dat alleen gezonde, biologisch diverse en robuuste ecosystemen en soortenpopulaties veerkrachtig zijn;

89.    wijst op de mogelijkheden van de Natura 2000-gebieden, waar dankzij de daar aanwezige bijzondere natuurlijke hulpbronnen producten en diensten van hoge milieu- en culturele kwaliteit kunnen worden geproduceerd;

90.    onderstreept het belang van gezonde bosecosystemen die een leefgebied vormen voor planten en dieren, maar benadrukt dat goedbedoelde wetgeving zoals de EU-habitatrichtlijn de besluitvorming over landinrichting beïnvloedt en evenredig moet worden toegepast;

91.    erkent de rol van bossen bij de ontwikkeling van daarmee verband houdende sectoren en wijst in dat opzicht op het belang van ondersteuning voor telers van honingdragende bomen, hetgeen weer het bestuivingsproces ondersteunt;

92.    is van mening dat bepaalde problemen betrekking hebben op de bosbouwsector op mondiaal niveau, zoals illegale houtkap, en verzoekt de Commissie daarom in de relevante internationale organisaties meer steun aan de bosbouwsector te verlenen;

93.    stelt vast dat de vraag naar biomassa, met name hout, toeneemt en spreekt dan ook zijn voldoening uit over de inspanningen van de Commissie en de lidstaten om ontwikkelingslanden te steunen bij hun maatregelen ter verbetering van hun bosbouwbeleid en bosregelgeving, met name in het kader van REDD+(6) (bestrijding van factoren die ontbossing en bosdegradatie in de hand werken);

94.    verzoekt de Commissie om een actieplan inzake ontbossing en bosdegradatie uit te werken teneinde de in de mededeling van de Commissie over ontbossing vastgestelde doelstellingen te verwezenlijken, zoals het zevende milieuactieprogramma voorschrijft; acht het belangrijk dat niet alleen wordt voorzien in het behoud en beheer van de bestaande bossen, maar ook in de herbebossing van ontboste gebieden;

95.    is van mening dat er ook een aparte verwijzing moet worden opgenomen naar de noodzaak van grootschalige herbebossing van herhaaldelijk door bosbranden getroffen gebieden;

Uitvoering – verslaglegging

96.    herinnert eraan dat de uitvoering van de EU-bosstrategie een meerjarig gecoördineerd proces dient te zijn waarin rekening dient te worden gehouden met de standpunten van het Parlement en dat een efficiënte, coherente en met weinig bureaucratie gepaard gaande uitvoering van de strategie wenselijk is;

97.    betreurt het dat het uitvoeringsproces al gedeeltelijk is begonnen voordat het Parlement zijn standpunt heeft vastgesteld en is van oordeel dat dit niet strookt met de doelstelling van een betere coördinatie van de beleidsmaatregelen voor bossen zoals de Commissie in de tekst van haar strategie stelt;

98.    is van mening dat de nieuwe strategie banden moet creëren tussen de financieringsstrategieën en -plannen van de Europese Unie en die van de lidstaten en dat moet worden gezorgd voor meer samenhang in de planning, financiering en uitvoering van sectoroverschrijdende activiteiten;

99.    dringt aan op een inclusieve, gestructureerde en evenwichtige uitvoering van de strategie;

100.  is dan ook van mening dat het mandaat van het Permanent Comité voor de bosbouw moet worden versterkt en beter gefinancierd, zodat de Commissie de vakkennis uit de lidstaten ten volle kan benutten bij de uitvoering van de nieuwe EU-bosstrategie op het niveau van de EU; verzoekt de Commissie daarom het Permanent Comité voor de bosbouw vroegtijdig te raadplegen voordat een initiatief wordt genomen of een tekstvoorstel wordt gedaan met gevolgen voor het bosbeheer en de houtsector;

101.  benadrukt de belangrijke rol van de Groep voor dialoog met het maatschappelijk middenveld voor bosbouw en kurk en dringt erop aan dat deze naar behoren bij de uitvoering van de strategie wordt betrokken;

102.  is van mening dat het horizontale karakter van de bosbouwproblematiek interne samenwerking vereist tussen de verschillende diensten van de Commissie als er maatregelen worden overwogen die gevolgen kunnen hebben voor de specifieke kenmerken van het duurzame beheer van de bossen en de aanverwante sectoren; verzoekt DG Milieu, DG Klimaat, DG Agri, DG Energie en DG Onderzoek en innovatie alsmede andere DG's derhalve om op strategisch niveau samen te werken teneinde voor een doeltreffende uitvoering van de strategie te zorgen via betere coördinatie en communicatie;

103.  is van mening dat er gezien de prioriteiten van de Commissie inzake groei, werkgelegenheid en investeringen ook bij de uitvoering van de nieuwe EU-bosstrategie voorrang moet worden verleend aan bevordering van concurrentievermogen en duurzaamheid van de bosbouwsector, steun aan plattelands- en stedelijke gebieden, uitbreiding van de kennis, bescherming van bossen en behoud van hun ecosystemen, bevordering van coördinatie en communicatie, en vergroting van het duurzame gebruik van hout en andere bosproducten;

104.  roept de Commissie op in aanvulling op de strategie met een robuust actieplan met specifieke maatregelen te komen en het Parlement jaarlijks verslag te doen van de bereikte vooruitgang bij de uitvoering van de concrete acties van de strategie;

105.  spreekt zich uit voor een bijeenkomst van een "uitgebreide" commissie AGRI – ENVI – ITRE, om een evenwichtige discussie over de vooruitgang bij de uitvoering van de nieuwe EU-bosstrategie mogelijk te maken;

106.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0068.

(2)

Forest Europe – ministerconferentie over de bescherming van de bossen in Europa, internationaal onderhandelingscomité voor de sluiting van een juridisch bindende overeenkomst over de bossen in Europa: http://www.foresteurope.org/

(3)

Zie http://www.forestnegotiations.org/

(4)

Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen;

(5)

Verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad van 20 december 2005 inzake de opzet van een FLEGT-vergunningensysteem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap (FLEGT = Wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw)

(6)

Reductie van broeikasgasemissies ten gevolge van ontbossing en bosdegradatie: http://unfccc.int/methods/redd/items/7377.php


TOELICHTING

Bossen en bosbouw bieden een goed antwoord als het erom gaat een extra economisch standbeen te vinden, en vormen tevens optimale waarborgen voor levenskwaliteit, duurzaamheid, werkgelegenheid en toegevoegde waarde. Met meer dan 3,5 miljoen banen staat de bosbouwsector in Europa op de derde plaats wat betreft werkgelegenheid, na de metaal- en de levensmiddelenindustrie. Meer dan 451 820 aan de bosbouw gerelateerde bedrijven dragen met 7% bij aan de economische groei en vellen daarbij slechts 60% van de jaarlijkse nettoaanwas aan hout.

Hout is een belangrijke grondstof met een grote economische betekenis voor het platteland. Het zorgvuldige onderhoud en beheer van de Europese bossen door de bosbouwbedrijven en de meer dan 16 miljoen boseigenaren waarborgt dat de bossen hun ecologische, economische en sociale functie op duurzame wijze kunnen vervullen. Overigens is meer dan 50% van de Europese bossen particulier bezit.

Duurzaam bosbeheer betekent dat het bosbestand op de lange termijn voor de komende generaties wordt behouden, hetgeen volledig in de zin is van het motto van de VN-milieuconferentie die in 1992 in Rio de Janeiro plaatsvond: Een duurzame, toekomstgerichte ontwikkeling sluit aan bij de behoeften van de huidige generatie, zonder de kansen van toekomstige generaties te verkleinen om in hun eigen behoeften te voorzien en hun eigen levensstijl te kiezen.

Tegen de achtergrond van deze cijfers en motto's presenteert de rapporteur een verslag dat erop gericht is de maatschappelijke, economische en ecologische rol van de bossen en de houtsector te versterken en hout als duurzame grondstof als belangrijke hulpbron voor Europa op de voorgrond te plaatsen.

Gezien het feit dat veel beleidsterreinen van de EU, zoals energie-, milieu- en klimaatbeleid, van invloed zijn op het beheer van de bossen, is het volgens de rapporteur onontbeerlijk dat de nieuwe EU-bosstrategie het accent op betere coördinatie legt, zodat de bosbouw en de bossen in de afzonderlijke Europese strategieën beter gepositioneerd worden en er een coherente benadering kan worden gekozen. Bijzonder alarmerend zijn in dit verband de parallelle maar uiteenlopende benaderingen binnen de Commissie. Met het oog op vereenvoudiging en betere regelgeving dienen daarom ook de interne structuren bij de Commissie onder de loep te worden genomen. Versterking van het Permanent Comité voor de bosbouw zou dit tweesporenbeleid bij de Commissie ondervangen.

De rapporteur is bovendien van mening dat er geen nieuwe bureaucratische hindernissen voor boseigenaren en bosbouwers mogen worden opgeworpen. Zij spreekt zich uitdrukkelijk uit tegen verplichte bosbeheersplannen en verwerpt het idee om het opstellen van Natura 2000-plannen op de boseigenaren af te wentelen. Bovendien is zij van mening dat duurzaamheidscriteria vergelijkbaar zijn met een kwaliteitscriterium en altijd op de volledige sector moeten zijn gericht. Hierbij mag gezien het heterogene karakter van de Europese bossen geen "One size fits all"-lijst van criteria gelden. De rapporteur spreekt in dit verband haar uitdrukkelijke steun uit aan het streven naar een "Europees bossenverdrag" in het kader van Forest Europe.

Daarnaast is de rapporteur van oordeel dat er in de context van betere coördinatie bijzondere aandacht moet worden geschonken aan onderzoek en ontwikkeling, daar de hele houtsector, inclusief de verwerkende industrie, kan profiteren van nieuwe, efficiënte productiemogelijkheden en productideeën. Bovendien zijn milieu- en klimaatbescherming zeer gebaat bij het innovatiepotentieel en de ontwikkeling van de bio-economie en duurzaam gebruik van grondstoffen.

Behalve de onomstreden betekenis van de bosbouw voor het platteland wil de rapporteur duidelijk maken dat bosbouw ook in de stad plaatsvindt en dat met name de verwerkende industrie veel arbeidsplaatsen in stedelijke gebieden levert. Door de verstedelijking van de samenleving ontstaat er geleidelijk een gebrek aan kennis over bossen en bosbouw en de bijdrage daarvan aan welvaart en werkgelegenheid. Volgens het beginsel „klaslokalen in het bos – het bos in het klaslokaal zouden daarom ook initiatieven moeten worden aangemoedigd die de kloof tussen stad en bos overbruggen.

Tot slot wil de rapporteur andermaal onderstrepen dat zij belang hecht aan een met weinig bureaucratie gepaard gaande uitvoering van de nieuwe EU-bosstrategie, die de sector ondersteunt en niet belast met nieuwe voorschriften.


ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (25.2.2015)

aan de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

inzake een nieuwe EU-bosstrategie ten bate van de bossen en de houtsector

(2014/2223(INI))

Rapporteur voor advies: Francesc Gambús

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie over een nieuwe Europese bosstrategie en benadrukt hoe belangrijk het is prikkels voor de bescherming en het beheer van de bossen als essentiële onderdelen op te nemen in de strategie; benadrukt, indachtig het subsidiariteitsbeginsel, dat er behoefte is aan een globale, holistische en samenhangende gezamenlijke strategie met het oog op de versterking van het multifunctionele karakter van de bossen en de houtsector in de EU met de brede maatschappelijke, economische en milieuvoordelen die zij opleveren, alsmede met het oog op de preventie en beheersing van bosrampen;

2.  beseft dat de Europese bossen een enorme waarde vertegenwoordigen op het gebied van de biodiversiteit en de ecosysteemdiensten die zij leveren, o.a. waterretentie, bescherming tegen overstromingen en – een belangrijke functie – het temperen van de gevolgen van de klimaatverandering door het opnemen en opslaan van 10% van de koolstofuitstoot in de EU; is daarom van mening dat de bossen een hoge mate van bescherming verdienen en dat de staat van instandhouding van de in bossen levende soorten en boshabitats verbeterd dient te worden, conform de doelstellingen van de EU-biodiversiteitsstrategie tot 2020 en het zevende milieuactieprogramma (MAP); benadrukt de kansen die in dit opzicht worden geboden door het Natura 2000-netwerk, waar een aanzienlijk deel van de Europese bossen deel van uitmaakt;

3.  benadrukt dat de Unie is overeengekomen dat tegen 2020 het biodiversiteitsverlies en de achteruitgang van ecosysteemdiensten, inclusief bestuiving, tot staan moeten zijn gebracht, dat de ecosystemen en de diensten die zij leveren, moeten worden behouden en dat ten minste 15% van de aangetaste ecosystemen moet zijn hersteld; voegt hieraan toe dat de Unie verder is overeengekomen dat het bosbeheer duurzaam moet zijn, dat de bossen, de daarin aanwezige biodiversiteit en de door bossen geleverde diensten beschermd en, waar mogelijk, verbeterd moeten worden en dat de weerbaarheid van bossen tegen klimaatverandering, branden, stormen, plagen en ziekten moet worden verbeterd; onderstreept daarnaast dat er dus behoefte bestaat aan de ontwikkeling en uitvoering van een vernieuwde EU-strategie voor de bossen, waarin de diverse exploitatievormen en voordelen van bossen aan de orde komen en die bijdraagt aan een meer strategische benadering van de bescherming en verbetering van de bossen, onder meer door duurzaam bosbeheer(1);

4.  is van oordeel dat het voor een correcte tenuitvoerlegging van de strategie van essentieel belang is om een specifiek actieplan voor de lange termijn te hebben waarin de nadruk ligt op het belang van de mobilisatie en het duurzame gebruik van hout uit bossen, met als doel het creëren van toegevoegde waarde en banen, terwijl er middelen beschikbaar worden gesteld om private bosbouwondernemingen te versterken en georganiseerde groepen van boseigenaren te ondersteunen;

5.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de introductie van EU-brede streefcijfers voor het bosareaal in overweging te nemen om het huidige areaal te vergroten, de ontbossing terug te dringen en de kwaliteit van de bestaande bossen en bosgebieden te verbeteren; beveelt aan het bosareaal met name te vergroten in gebieden die niet geschikt zijn voor de voedselproductie, in het bijzonder nabij stedelijke gebieden, om nadelige warmte-effecten te beperken, de verontreiniging te verminderen en de verbinding tussen mens en bos te verbeteren; benadrukt dat er in dit verband behoefte is aan zorgvuldige planning; is van mening dat bossen niet alleen mogen worden beschouwd als koolstofreservoirs die de stijging van de emissies in andere economische sectoren compenseren;

6.  verzoekt de Commissie en de lidstaten specifieke maatregelen te nemen om Aichi-doelstelling 5 te halen, volgens welke het tempo waarmee alle natuurlijke habitats, met inbegrip van bossen, verloren gaan tegen 2020 ten minste gehalveerd en waar mogelijk tot bijna nul gereduceerd wordt, en de aantasting en versnippering aanzienlijk beperkt worden(2);

7.  is van mening dat onderzoek prioriteit moet krijgen omdat de gehele sector profijt kan trekken van nieuwe ideeën;

8.  stimuleert het planten van bomen in steden als een manier om de milieuproblematiek aan te pakken die verband houdt met stedelijke verontreiniging en door de mens gecreëerde landschappen, bijvoorbeeld door in de zomer schaduw te creëren en de luchttemperatuur tijdens hittegolven te beperken;

9.  is ingenomen met het onderzoek naar de effecten van de consumptie in de EU op de ontbossing, dat de Commissie in juli 2013 publiceerde; betreurt het dat in het onderzoek, ondanks het verzoek dat het Parlement daartoe deed in zijn resolutie van 23 april 2009(3), niet wordt ingegaan op de aantasting van de bossen; verzoekt de Commissie te komen met voorstellen om de in het onderzoek vastgestelde effecten te verminderen en bij te dragen tot de Europese en internationale milieudoelstellingen en verbintenissen op het gebied van duurzame ontwikkeling; verzoekt de Commissie hiertoe een EU-actieplan inzake ontbossing en aantasting van de bossen te publiceren, waar in het zevende milieuactieprogramma om wordt verzocht(4);

10. verzoekt de lidstaten het denkbeeld van betalingen voor ecosysteemdiensten als prikkels voor bosbeheer in overweging te nemen, rekening houdend met het belang van hout als hernieuwbare en klimaatvriendelijke grondstof en met de rol van waardeketens in de houtsector; wijst erop dat duurzaam bosbeheer een positief effect heeft op de biodiversiteit, het klimaat, de bescherming en de weerbaarheid van bossen tegen branden, stormen, plagen en ziekten, en van cruciaal belang is voor de economische ontwikkeling, met name op het platteland en in afgelegen gebieden;

11. dringt erop aan dat er meer aandacht wordt geschonken aan de uitbreiding van het bosareaal en aan de instandhouding en inrichting van duurzame bosecosystemen door de toepassing van aanvullende natuurvriendelijke bosbouwkundige methoden; is van mening dat het rationele gebruik van uit de bossen afkomstige hulpbronnen moet worden gewaarborgd door een doeltreffender toezicht op de houtkap, de optimalisering van de bedrijfsactiviteiten en de inzet van alle andere doeltreffende middelen;

12. benadrukt dat beheerde bossen volgens wetenschappelijk onderzoek een hogere CO2-opnamecapaciteit hebben dan niet-beheerde bossen; beseft derhalve dat beheerde bossen een belangrijke rol spelen bij de beperking van de klimaatverandering en bij het scheppen van werkgelegenheid in plattelandsgebieden; onderstreept hoe belangrijk duurzaam bosbeheer is voor de optimale benutting van de koolstofopslagcapaciteit van de bossen in de EU(5);

13. benadrukt dat er op dit ogenblik geen specifiek beleid voor de preventie van bosbranden bestaat en dat, met name in het Middellandse Zeegebied, bosbranden regelmatig voorkomen en zowel een oorzaak als een gevolg van de klimaatverandering zijn; wijst erop dat de schade als gevolg van storm, bosbranden en plagen kan worden beperkt met behulp van verbeterde technieken voor actief bosbeheer en bosbouw, zoals nomadische veeteelt en boslandbouwpraktijken in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;

14. acht het belangrijk dat niet alleen wordt voorzien in het behoud en beheer van de bestaande bossen, maar ook in de herbebossing van ontboste gebieden; is van mening dat er ook een aparte verwijzing moet worden opgenomen naar de noodzaak van grootschalige herbebossing van herhaaldelijk door bosbranden getroffen gebieden;

15. is bezorgd over de toenemende tendens om bossen hoofdzakelijk vanuit een economische invalshoek te bekijken en hun waarde te beperken tot het hout dat ze produceren, terwijl de zeer aanzienlijke sociale en milieuvoordelen die zij ook opleveren, worden veronachtzaamd; onderstreept dat de waarde van bosecosysteemdiensten systematischer moet worden bepaald en in aanmerking moet worden genomen in de besluitvorming in de publieke en particuliere sector;

16. benadrukt dat de EU-mechanismen tegen de grensoverschrijdende druk op de bossen als gevolg van de verspreiding van invasieve uitheemse soorten, plagen en ziekten moeten worden versterkt en ten volle moeten worden benut;

17. onderstreept dat duurzaam beheerde bossen, gezien het feit dat bossen qua omvang en kenmerken sterk verschillen en dat het grondgebied van sommige lidstaten voor meer dan de helft met bos is bedekt, van zeer grote betekenis zijn voor de lokale en regionale toegevoegde waarde en het behoud van werkgelegenheid op het platteland, en tegelijkertijd in belangrijke mate bijdragen tot de bescherming van het milieu;

18. is ingenomen met de verwijzing naar het probleem van de bosplagen in de nieuwe strategie; is echter van mening dat, rekening houdend met de nieuwe wetgeving aangaande invasieve exoten en de mogelijke impact daarvan op de bossen, de Commissie nieuwe, aanvullende financiële middelen moet voorstellen om de getroffen gebieden bij te staan in hun strijd tegen bijzonder hardnekkige invasieve soorten of nieuwe invasieve exoten;

19. is van mening dat in de strategie, gezien het feit dat een aantal van de grootste biomassabronnen van de Unie zich in de dunst bevolkte en meest afgelegen regio's bevinden, ten volle rekening moet worden gehouden met de kenmerken van dergelijke regio's;

20. acht het noodzakelijk dat er in de strategie meer aandacht wordt besteed aan het probleem van de boomziekten, zoals het eikensterven dat kurkeikenplantages in Portugal, Frankrijk en Spanje decimeert en ook schade toebrengt aan speciale beschermingszones en biosfeerreservaten; is van mening dat de Commissie in de strategie effectieve maatregelen en concrete hulpmiddelen had moeten opnemen, die verder gaan dan de voorzieningen voor plattelandsontwikkeling, om de boomziekten te kunnen bestrijden;

21. benadrukt dat de voorspelde groei van de vraag naar hout zowel een kans als een bedreiging kan zijn voor de bossen en alle bosgerelateerde sectoren, met name omdat de verwachting is dat de ossen ten gevolge van de klimaatverandering steeds vaker en zwaarder geteisterd zullen worden door droogte, brand, stormen en plagen; herinnert in dit verband aan de noodzaak om de bossen te beschermen tegen deze toenemende bedreigingen en om hun productieve en beschermende functies met elkaar in overeenstemming te brengen;

22. benadrukt dat er dringend duidelijkheid moet komen over de broeikasgasemissies van de verschillende toepassingen van bosbiomassa voor energie en dat moet worden vastgesteld welke toepassingen de grootste reductie binnen een beleidsrelevant tijdsbestek kunnen opleveren;

23. is ingenomen met de brandpreventiemaatregelen die sommige lidstaten hebben genomen met een tijdelijk bouwverbod op afgebrand areaal om op die manier opzettelijke brandstichting met het oog op grondspeculatie te vermijden;

24. acht het belangrijk dat de toepassing van het concept van een bio-economie wordt bevorderd, met inachtneming van de grenzen van duurzame levering van grondstoffen, met het oog op de economische levensvatbaarheid van de houtsector door middel van innovatie en technologie-overdracht, en dat te dien einde meer steun wordt verleend aan uiteenlopende bosproducten, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat de uiteenlopende eisen die aan bosproducten worden gesteld met elkaar in evenwicht worden gebracht en worden afgezet tegen het potentieel van duurzame levering en de andere ecosysteemfuncties en -diensten die bossen leveren; benadrukt de belangrijke rol die de bio-economie speelt in de verwezenlijking van de nieuwe prioriteiten van de Commissie, namelijk groei, werkgelegenheid en investeringen;

25. is van mening dat de vervanging van op olie gebaseerde en warmte-intensieve grondstoffen door hout en houtproducten moet worden gestimuleerd, overeenkomstig de vooruitgang op het gebied van onderzoek en technologie, en een positieve bijdrage kan leveren aan de verdere beperking van de klimaatverandering en aan het scheppen van banen;

26. benadrukt de belangrijke rol die de duurzame productie van hout en andere materialen, zoals kurk, groene chemicaliën en textielvezels, speelt voor de ontwikkeling van duurzame economische modellen en het scheppen van groene banen;

27. benadrukt dat het met het oog op het halen van de EU-klimaatdoelstellingen essentieel is dat hout overeenkomstig het cascaderingsbeginsel efficiënt wordt gebruikt; verzoekt de Commissie het doeltreffende gebruik van houtvoorraden op te nemen in het klimaat- en het energiebeleid van de EU;

28. herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om duurzaamheidscriteria voor vaste en gasvormige biomassa voor te stellen, rekening houdend met de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus teneinde het inefficiënte gebruik van biomassa te beperken; roept ertoe op de aanname dat de verbranding van biomassa koolstofneutraal is, te herzien en hiermee in de instrumenten van het EU-klimaatbeleid restrictiever om te gaan;

29. onderstreept dat moet worden gekeken naar de mogelijkheid om door middel van efficiënt gebruik en hergebruik van hout en houtmaterialen een bijdrage te leveren aan de vermindering van het tekort op de handelsbalans van de Unie, de verhoging van de zelfvoorzieningsgraad van de EU op het gebied van hout, de vergroting van het concurrentievermogen van de bosbouwsector, de beperking van niet-duurzaam bosbeheer, de bescherming van het milieu en de vermindering van de ontbossing in derde landen;

30. is van mening dat de EU aan het gebruik van lokaal geproduceerd hout, houtproducten of bosbiomassa de voorkeur moet geven boven uit derde landen ingevoerd hout om de door het overzeese transport veroorzaakte koolstofvoetafdruk te minimaliseren en de duurzame lokale productie te stimuleren;

31. spreekt uitdrukkelijk zijn steun uit voor het hulpbronnenefficiënte gebruik van hout en verzet zich tegen wettelijk bindende regels voor de prioritering van houttoepassingen, omdat die de energiemarkt en de ontwikkeling van nieuwe en innovatieve biomassatoepassingen beperken en daarnaast in veel afgelegen en plattelandsgebieden niet afdwingbaar zijn; spreekt in dit verband zijn steun uit voor een open, marktgerichte benadering die verschillende spelers in staat stelt het potentieel van geavanceerde, uit hout gewonnen materialen en chemicaliën, die naar verwachting een grote rol zullen spelen in de bio-economie van de EU, te ontwikkelen;

32. maakt zich ernstige zorgen over het tempo van de mondiale ontbossing, met name in ontwikkelingslanden, die vaak het gevolg is van illegale houtkap; verzoekt de Commissie en de lidstaten de EU-houtverordening en de FLEGT-regeling voor de invoer van hout uitgebreid te herzien teneinde de illegale houthandel, die bosecosystemen in gevaar brengt en het concurrentievermogen van de Europese houthandelaren schaadt, terug te dringen; stelt voor de desbetreffende voorschriften voor openbare aanbestedingen die de aankoop van naar behoren gecertificeerd hout en houtproducten kunnen stimuleren, ten uitvoer te leggen of aan te passen;

33. brengt in herinnering dat er in 2020, overeenkomstig het duurzame bosbeheer, bosbeheerplannen of gelijkwaardige instrumenten moeten bestaan voor alle bossen in overheidsbezit en voor bosgebieden vanaf een bepaalde omvang die financiering ontvangen in het kader van het plattelandsontwikkelingsbeleid van de EU; verzoekt de lidstaten de tenuitvoerlegging van de bosbeheerplannen te monitoren en te bevorderen, zonder onnodige administratieve lasten te creëren en met inachtneming van de beginselen van evenredigheid, subsidiariteit en "eerst kleinschalig denken";

34. benadrukt dat mondiale uitdagingen aan de orde moeten worden gesteld in mondiale multilaterale fora; dringt er bij de Commissie op aan een leidende rol op zich te nemen in de mondiale bevordering van duurzaam bosbeleid om niet-duurzame beheerspraktijken en illegale handel tegen te gaan, het milieu te beschermen en de wereldwijde ontbossing te beperken; verzoekt de Commissie hiertoe een EU-actieplan inzake ontbossing en aantasting van de bossen te publiceren, waar in het zevende milieuactieprogramma om wordt verzocht(6);

35. wijst erop dat de voorschriften voor het gebruik van hout in de bouwnijverheid in de diverse lidstaten uiteenlopen; dringt bijgevolg aan op de goedkeuring van EU-regels om een groter gebruik van hout in de bouw te bevorderen;

36. is ingenomen met de nadruk die de Commissie legt op het beschermen en vergroten van de genetische diversiteit van de bossen en onderstreept dat genetisch verschillende bomenpopulaties, zoals blijkt uit recent onderzoek, zich kunnen aanpassen aan de klimaatverandering; 

37. erkent de positieve effecten die bomen en bossen hebben op de fysieke en geestelijke gezondheid van de mens en spoort gemeentelijke overheden aan om het openbaar vervoer tussen stedelijke gebieden en bossen in stand te houden of te verbeteren om de toegang tot bossen en bosgebieden te vereenvoudigen;

38. verzoekt de lidstaten bij de aanneming en uitvoering van hun bosbeheerplannen speciale biodiversiteitsmaatregelen te nemen voor Natura 2000-gebieden en daarbuiten, met name specifieke maatregelen voor de instandhouding van beschermde soorten en natuurlijke habitats teneinde hun status te verbeteren;

39. ondersteunt het voornemen van de Commissie om samen met de lidstaten en de belanghebbenden een ambitieuze, objectieve en operationele bundel criteria en indicatoren voor duurzaam bosbeheer te ontwikkelen, rekening houdend met de werkzaamheden in het kader van Forest Europe (de ministerconferentie over de bescherming van de bossen in Europa) en de diversiteit van de bostypen in Europa; verzoekt de Commissie de langverwachte evaluatie van de werking en de doeltreffendheid van de EU-houtverordening te publiceren;

40. acht het van groot belang om wetenschappelijk onderzoek naar het rationele gebruik van biomassa en de ontwikkeling van snel groeiende energiegewassen aan te moedigen en een model te creëren met economische prikkels voor het gebruik van biomassa-afval;

41. onderstreept de grote recreatieve waarde van bossen, die blijkt uit opiniepeilingen; stelt dat dit een van de belangrijkste voordelen is die bossen en bosgebieden aan de Europese burgers bieden;

42. erkent dat bosbouw met een korte omlooptijd kan voorzien in duurzame houten biomassa en in het nodige gebiedsonderhoud, waardoor het risico van bodemerosie en van aardverschuivingen op braakliggende of uit de productie genomen grond afneemt;

43. merkt bezorgd op dat de toenemende vraag naar biomassa, met name hout, kan leiden tot verregaande ontbossing in de ontwikkelingslanden, waar de broeikasgasemissies in het kader van het Kyoto-protocol niet worden meegerekend; wijst erop dat dit gevolgen kan hebben voor de bodemkwaliteit, de waterkringlopen en de biodiversiteit en dat hierdoor tevens overeenkomsten als het verdrag inzake biodiversiteit (CBD) en het VN-programma voor terugdringing van emissies ten gevolge van ontbossing en bosdegradatie (REDD) onder grotere druk komen te staan;

44. erkent dat een duurzaam beheer tijdens de gehele levensduur van de bosbouwproducten een aanzienlijke bijdrage kan leveren tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de groene economie, met name als het gaat om de doelstellingen die verband houden met het beleid voor de beperking van de klimaatverandering en een efficiënt gebruik van hulpbronnen; is van mening dat de lidstaten met het oog daarop het duurzaam gebruik van bosbouwproducten in de bouwsector moeten bevorderen;

45. dringt er bij de lidstaten op aan hun bosbouwbeleid zodanig te ontwerpen dat daarin ten volle rekening wordt gehouden met het belang van bossen voor het beschermen van de biodiversiteit, het voorkomen van bodemerosie, de koolstofopslag en luchtzuivering en de handhaving van de waterkringloop;

46. roept op tot versterking van het geharmoniseerde toezicht op het Europees bosbouwkundig materiaal, met inbegrip van alle houten en niet-houten bosproducten en -diensten, als basis voor een degelijke beleids- en besluitvorming ten behoeve van een duurzaam bosbeheer; stelt dat er derhalve behoefte is aan een instrument dat gebaseerd is op de bestaande instanties en organisaties en dat erop gericht is de Europese bossen veerkrachtig te houden door de effecten van verstoringen te verminderen door de risico's voor de bossen aan te pakken via het bos- en landbeheer;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.2.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

63

4

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Margrete Auken, Pilar Ayuso, Zoltán Balczó, Catherine Bearder, Ivo Belet, Biljana Borzan, Lynn Boylan, Cristian-Silviu Bușoi, Nessa Childers, Birgit Collin-Langen, Mireille D’Ornano, Miriam Dalli, Seb Dance, Angélique Delahaye, Jørn Dohrmann, Ian Duncan, Stefan Eck, Bas Eickhout, Eleonora Evi, José Inácio Faria, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Enrico Gasbarra, Gerben-Jan Gerbrandy, Jens Gieseke, Sylvie Goddyn, Matthias Groote, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, Jytte Guteland, György Hölvényi, Anneli Jäätteenmäki, Jean-François Jalkh, Karin Kadenbach, Kateřina Konečná, Giovanni La Via, Peter Liese, Norbert Lins, Susanne Melior, Miroslav Mikolášik, Massimo Paolucci, Piernicola Pedicini, Bolesław G. Piecha, Marcus Pretzell, Frédérique Ries, Michèle Rivasi, Daciana Octavia Sârbu, Annie Schreijer-Pierik, Davor Škrlec, Renate Sommer, Tibor Szanyi, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Glenis Willmott, Jadwiga Wiśniewska

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Paul Brannen, Nicola Caputo, Mark Demesmaeker, Esther Herranz García, Merja Kyllönen, Jo Leinen, Younous Omarjee, Marit Paulsen, Alojz Peterle, Sirpa Pietikäinen, Julia Reid, Bart Staes

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Andrew Lewer

(1)

Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet".

(2)

Resolutie van het Europees Parlement van 20 april 2012 over onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020" – Aangenomen teksten P7_TA(2012)0146.

(3)

Resolutie van het Europees Parlement van 23 april 2009 over het aangaan van de uitdagingen van ontbossing en aantasting van bossen om de klimaatverandering en het verlies aan biodiversiteit aan te pakken (PB C 184E van 8.7.2010, blz. 41).

(4)

Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013.

(5)

Zie de resolutie van het Europees Parlement van 5 februari 2014 over een kader voor klimaat- en energiebeleid voor 2030 (Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0094): " benadrukt dat een actieve bosbouw met meer aanwas en daardoor een hogere koolstofopname een belangrijke en kosteneffectieve manier is om bij te dragen aan het bereiken van de klimaatdoelstellingen; merkt op dat iedere extra kubieke meter bos die door middel van actieve bosbouw wordt geproduceerd, ongeveer 1,3 ton koolstofdioxide opneemt; verzoekt de Commissie en de lidstaten stimulansen te ontwikkelen voor boseigenaren om actief bij te dragen aan de totstandbrenging van meer klimaatvoordelen, bijvoorbeeld door te investeren in regionale maatregelen ter uitbreiding van de duurzame houtproductie en ter verhoging van de koolstofopname".

(6)

Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020.


ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie (24.2.2015)

aan de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

inzake een nieuwe EU-bosstrategie ten bate van de bossen en de houtsector

(2014/2223(INI))

Rapporteur voor advies: Marek Józef Gróbarczyk

SUGGESTIES

De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt dat de lidstaten als enige verantwoordelijk zijn voor bossen, dat het subsidiariteitsbeginsel in acht moet worden genomen, dat rekening moet worden gehouden met de verschillen in regionale omstandigheden, eigendomsmodellen en prioriteiten tussen de lidstaten, en dat de EU de markt voor bossen en houtproducten geen nieuwe beperkingen mag opleggen, teneinde de beginselen van eigenaarschap en de vrijheid van marktdeelname van de deelnemers in de waardeketen van de bosbouw te waarborgen;

2.  is verheugd over de vaststelling van de nieuwe mededeling van de Commissie over de EU-bosstrategie (COM(2013)0659), omdat deze een kader biedt voor gecoördineerde maatregelen van de lidstaten bij het bevorderen van duurzaam bosbeheer en bij het vervullen van hun multifunctionele rol op economisch, sociaal en milieugebied;

3.  is van mening dat, aangezien bossen verschillen naar aard en omvang, in de strategie rekening moet worden gehouden met het feit dat bossen meer dan de helft van het grondgebied van sommige lidstaten beslaan;

4.  benadrukt dat, aangezien een aantal van de grootste biomassabronnen van de Unie zich in de meest dunbevolkte en afgelegen regio's bevinden, in de strategie ten volle rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van deze dunbevolkte regio's;

5.  erkent dat er voor de EU een rol is weggelegd bij het ondersteunen van nationaal beleid met het oog op een actief, multifunctioneel en duurzaam bosbeheer, met inbegrip van het beheer van verschillende soorten bos, en bij het intensiveren van de samenwerking ten aanzien van toegenomen grensoverschrijdende bedreigingen zoals bosbranden, illegale houtkap en plagen; benadrukt dat er wat bosgerelateerde vraagstukken betreft, moet worden gezorgd voor meer samenhang tussen de verschillende EU-beleidsgebieden, met name het beleid inzake landbouw, klimaat, biodiversiteit, hernieuwbare energie, water, bodem, industrie en concurrentievermogen, onderzoek en innovatie, en efficiënt gebruik van hulpbronnen; benadrukt in dit verband het belang van de Natura 2000-gebieden, waar, dankzij hun bijzondere natuurlijke hulpbronnen, op blijvende wijze producten en diensten van hoge milieu- en culturele kwaliteit kunnen worden geproduceerd;

6.  is van mening dat de implementatie van de nieuwe bosstrategie het ontbreken van specifieke bepalingen inzake bosbeleid in het EU-Verdrag moet compenseren, zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden van de lidstaten ter zake, en op internationaal niveau moet zorgen voor coördinatie tussen de standpunten van de EU en de lidstaten over onderwerpen die met de bosbouwsector verband houden;

7.  benadrukt de belangrijke rol van de Commissie bij het waarborgen van een vroegtijdige en permanente dialoog tussen deskundigen van de EU en van de lidstaten, en bij het hierbij betrekken van alle relevante belanghebbenden, teneinde de samenhang in de beleidsvorming inzake de bossen te bevorderen;

8.  steunt de verbintenis die de lidstaten aangegaan zijn om het bosbeheer uit te voeren in overeenstemming met de criteria en indicatoren van Forest Europe, dat een van de belangrijkste onderdelen van het huidige beleidskader inzake bossen in Europa vormt;

9.  is ingenomen met de prioritering van de drie pijlers van duurzaamheid (economisch, sociaal en ecologisch), die een stevige basis bieden voor het ondersteunen van de essentiële rol van bossen en het efficiënt gebruik van hulpbronnen, het versterken van het concurrentievermogen, het creëren van werkgelegenheid en het vergroten van de rol van de bosbouw, de houtsector en het behoud van de ecologische kringloop in de groene economie; erkent de maatschappelijke rol van bossen met betrekking tot de gezondheid van de burgers;

10. herinnert eraan dat de bio-economie volgens de Commissie in 2009 naar schatting meer dan 2 biljoen euro waard was en goed was voor 20 miljoen banen, d.w.z. 9% van de totale werkgelegenheid in de EU; merkt op dat elke in het kader van Horizon 2020 in bio-economisch onderzoek en innovatie geïnvesteerde euro rond de 10 euro aan toegevoegde waarde zal genereren; benadrukt dat bossen een cruciale rol spelen in de bio-economie en dat dat ook in de toekomst zo zal blijven;

11. is van oordeel dat de doelstelling van de EU-bosstrategie om bossen en de houtsector meer te laten bijdragen aan plattelandsontwikkeling, duurzame groei en werkgelegenheid, ten volle rekening moet houden met de economische, sociale, culturele en ecologische goederen en diensten die bossen leveren, zoals recreatie en toerisme, en met name de belangrijke rol die goed beheerde bossen en van hout afgeleide materialen vervullen bij de vermindering van de uitstoot van CO2, koolstofopslag en de overgang naar een bio-economie, belangrijke onderdelen van het EU-klimaatbeleid;

12. herinnert eraan dat biomassa uit bossen een zeer belangrijke bron van hernieuwbare energie is, en merkt op dat de Europese bossen momenteel ongeveer 10% van de koolstofemissies opnemen en opslaan en daarmee een belangrijke bijdrage leveren aan de beperking van de klimaatverandering;

13. is van oordeel dat het vervangen van op olie gebaseerde of warmte-intensieve grondstoffen door hout en producten uit houtoogst moet worden gestimuleerd, overeenkomstig de vooruitgang op het gebied van onderzoek en technologie, en een positieve bijdrage kan leveren aan de verdere beperking van de klimaatverandering en aan het scheppen van banen;

14. benadrukt dat er een kostenanalyse moet worden gemaakt van alle EU-wetgeving die gevolgen heeft voor de waardeketens van de houtsector, teneinde alle onnodige en lastige bureaucratische procedures te schrappen en een gunstig kader te scheppen om het concurrentievermogen op lange termijn van de sector op duurzame wijze te versterken, en dat moet worden vastgehouden aan het beginsel dat wetgevingsvoorstellen die gevolgen hebben voor de bosbouwsector en de waardeketens van de houtsector, aan een grondige effectbeoordeling moeten worden onderworpen;

15. is van oordeel dat de implementatie van de EU-bosstrategie een grotere kans van slagen heeft indien deze ondersteund wordt door een goede coördinatie met reeds bestaande en toekomstige EU-financiering, waaronder het ELFPO;

16. stelt vast dat er middelen voor het verzamelen van informatie en voor monitoring beschikbaar zijn via het Copernicus-programma en andere ruimte-initiatieven op Europees niveau, en beveelt aan dat er meer gebruik wordt genaakt van deze middelen en instrumenten;

17. is van oordeel dat het bevorderen van meer uiteenlopende wijzen van gebruik van hout hand in hand moet gaan met investeringen in onderwijssystemen voor jongeren en scholing voor werknemers in de bouwsector, teneinde hen beter bewust te maken van de kansen die het gebruik van hout biedt en hun de benodigde vaardigheden bij te brengen;

18. is ermee ingenomen dat er een Europees bosinformatiesysteem wordt opgezet ter bevordering van de uitwisseling van gegevens, best practices en bestaande kennis inzake bossen tussen de lidstaten; erkent dat het verzamelen van gegevens en informatie over de multifunctionele rol van bossen en hun rijkdommen uit de nationale databases de sector ten goede zal komen, en vraagt de Commissie de integratie daarvan in een Europees dataplatform te steunen; is ingenomen met de uitwisseling tussen de lidstaten van best practices en bestaande kennis inzake bossen, maar benadrukt dat deze activiteiten niet mogen leiden tot meer vraag naar begrotingsmiddelen;

19. benadrukt dat de bossector alleen met geschoolde werknemers op de lange termijn concurrerend kan worden; merkt op dat in de sector momenteel meer dan 3 miljoen Europese burgers werkzaam zijn; is van mening dat de Europese bosstrategie daarom de voorwaarden moet scheppen opdat de EU kan beschikken over de nodige opleidingsfaciliteiten en werknemers die zich volledig bewust zijn van de huidige uitdagingen en bedreigingen voor de bossector, alsmede van de veiligheidsregels die inherent zijn aan bosbeheer;

20. benadrukt dat de EU-kaderprogramma's voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie steun kunnen geven voor het bewerkstellingen van slimme en duurzame groei en het ontwikkelen van producten met hogere toegevoegde waarde, schonere technologie en hightech, met name op het vlak van geraffineerde biobrandstoffen en industrieel bouwen met hout, maar ook in de automobiel- en textielindustrie, zonder de traditionele, hoogwaardige gebruiksvormen uit het oog te verliezen, die nog steeds een enorm groeipotentieel hebben, zoals bijvoorbeeld het gebruik van hout als bouw- en verpakkingsmateriaal;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.2.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

56

4

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Zigmantas Balčytis, Nicolas Bay, Reinhard Bütikofer, Jerzy Buzek, Soledad Cabezón Ruiz, Philippe De Backer, Pilar del Castillo Vera, Pablo Echenique, Christian Ehler, Peter Eriksson, Fredrick Federley, Ashley Fox, Adam Gierek, Theresa Griffin, Marek Józef Gróbarczyk, András Gyürk, Kaja Kallas, Barbara Kappel, Krišjānis Kariņš, Seán Kelly, Jeppe Kofod, Miapetra Kumpula-Natri, Janusz Lewandowski, Paloma López Bermejo, Ernest Maragall, Edouard Martin, Angelika Mlinar, Csaba Molnár, Nadine Morano, Dan Nica, Angelika Niebler, Morten Helveg Petersen, Miroslav Poche, Herbert Reul, Paul Rübig, Algirdas Saudargas, Jean-Luc Schaffhauser, Neoklis Sylikiotis, Antonio Tajani, Dario Tamburrano, Patrizia Toia, Evžen Tošenovský, Claude Turmes, Vladimir Urutchev, Adina-Ioana Vălean, Henna Virkkunen, Anna Záborská, Flavio Zanonato, Carlos Zorrinho

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Cornelia Ernst, Françoise Grossetête, Benedek Jávor, Constanze Krehl, Vladimír Maňka, Marian-Jean Marinescu, Morten Messerschmidt, Clare Moody, Paul Tang, Pavel Telička

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Rosa D’Amato


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.3.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

34

5

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

John Stuart Agnew, Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Richard Ashworth, José Bové, Paul Brannen, Daniel Buda, Nicola Caputo, Matt Carthy, Viorica Dăncilă, Michel Dantin, Paolo De Castro, Albert Deß, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Luke Ming Flanagan, Martin Häusling, Anja Hazekamp, Esther Herranz García, Jan Huitema, Peter Jahr, Jarosław Kalinowski, Elisabeth Köstinger, Zbigniew Kuźmiuk, Philippe Loiseau, Mairead McGuinness, Nuno Melo, Giulia Moi, Ulrike Müller, James Nicholson, Maria Noichl, Marit Paulsen, Marijana Petir, Laurențiu Rebega, Jens Rohde, Bronis Ropė, Jordi Sebastià, Lidia Senra Rodríguez, Czesław Adam Siekierski, Marc Tarabella

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Bas Belder

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Rosa D’Amato, Stanisław Ożóg

Juridische mededeling