Procedure : 2015/2044(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0143/2015

Ingediende teksten :

A8-0143/2015

Debatten :

PV 18/05/2015 - 17
CRE 18/05/2015 - 17

Stemmingen :

PV 19/05/2015 - 5.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0196

VERSLAG     
PDF 246kWORD 115k
27.4.2015
PE 549.307v02-00 A8-0143/2015

over financiële middelen voor ontwikkeling

(2015/2044(INI))

Commissie ontwikkelingssamenwerking

Rapporteur: Pedro Silva Pereira

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Begrotingscommissie
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over financiële middelen voor ontwikkeling

(2015/2044(INI))

Het Europees Parlement,

–       gezien de documenten die zijn voorgekomen uit de Eerste en Tweede internationale Conferentie inzake financiële middelen voor ontwikkeling, met name de Consensus van Monterrey van 2002 en de Verklaring van Doha van 2008,

–       gezien de resoluties 68/204 en 68/279 van de Algemene Vergadering van de VN over de Derde internationale conferentie over financiële middelen voor ontwikkeling die van 13 tot 16 juli 2015 in Addis Abeba (Ethiopië) zal worden gehouden,

–       gezien het document getiteld "Elements" van 21 januari 2015 dat door de covoorzitters van het voorbereidingsproces voor de Derde internationale conferentie over financiële middelen voor ontwikkeling is gepresenteerd,

–       gezien het syntheseverslag van de secretaris-generaal van de VN van december 2014 over de agenda voor de periode na 2015, getiteld "The Road to Dignity by 2030: Ending Poverty, Transforming All Lives and Protecting the Planet",

–       gezien het verslag van 8 augustus 2014 van het intergouvernementele comité van deskundigen inzake financiering van duurzame ontwikkeling,

–       gezien het verslag van juli 2014 van de open werkgroep duurzame ontwikkelingsdoelstellingen van de VN,

–       gezien het document getiteld "UNCTAD's World Investment Report 2014 - Investing in the SDGs: An Action Plan"(1),

–       gezien het document dat is voorgekomen uit de VN-conferentie over duurzame ontwikkeling (Rio+20) van juni 2012, getiteld "The Future We Want",

–       gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van september 2014 "Towards the establishment of a multilateral legal framework for sovereign debt restructurings",

–       gezien de mededeling van de Commissie van 5 februari 2015 getiteld "Een mondiaal partnerschap voor de uitroeiing van armoede en duurzame ontwikkeling na 2015" (COM(2015)0044)(2),

–       gezien de mededeling van de Commissie van 2 juni 2014 getiteld "Een waardig leven voor iedereen: van wensbeeld naar collectieve maatregelen" (COM(2014)0335)(3),

–       gezien de mededeling van de Commissie van 16 juli 2013 getiteld "Na 2015: naar een alomvattend en geïntegreerd financieringsmodel voor armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling" (COM(2013)0531)(4),

–       gezien de mededeling van de Commissie van woensdag 27 februari 2013 getiteld "Een waardig leven voor iedereen: Armoede uitroeien en de wereld een duurzame toekomst geven" (COM(2013)0092)(5),

–       gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 12 december 2013 over beleidscoherentie voor ontwikkeling,

–       gezien de conclusies van de Raad Algemene Zaken van 16 december 2014 over een op verandering gerichte agenda voor de periode na 2015(6),

–       gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 12 december 2013 over de financiering van armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling na 2015(7),

–       gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 12 december 2014 over een grotere rol van de particuliere sector in de ontwikkelingssamenwerking,

–       gezien de conclusies van de Raad Algemene Zaken van 25 juni 2013 over de overkoepelende agenda voor de periode na 2015(8),

–       gezien zijn resolutie van 25 november 2014 over de EU en het mondiaal ontwikkelingskader voor de periode na 2015(9),

–       gezien zijn resolutie van 23 september 2008 over het vervolg op de Internationale Conferentie inzake ontwikkelingsfinanciering, gehouden in Monterrey in 2002(10),

–       gezien zijn resoluties van 26 november 2014 over de VN-Conferentie over klimaatverandering 2014 - COP 20 in Lima, Peru (1-12 december 2014)(11); van 26 februari 2014 over bevordering van ontwikkeling met verantwoordelijke bedrijfspraktijken, met inbegrip van de rol van extractieve bedrijven in ontwikkelingslanden(12); van 8 oktober 2013 over "Corruptie in de publieke en de private sector: het effect op mensenrechten in derde landen"(13), van 21 mei 2013 over de strijd tegen belastingfraude, belastingontduiking en belastingparadijzen(14); en van 16 april 2013 over de bevordering van ontwikkeling via handel(15),

–       gezien Besluit nr. 472/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 over het Europees jaar voor ontwikkeling (2015)(16),

–       gezien Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020,

–       gezien het feit dat artikel 208 VWEU bepaalt dat het uitbannen van armoede de primaire doelstelling is van het ontwikkelingsbeleid van de EU, en het beginsel van beleidscoherentie ten behoeve van ontwikkeling;

–       gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–       gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0143/2015),

A.     overwegende dat 2015 een cruciaal jaar wordt voor de wereldwijde ontwikkelingsinspanningen, met de goedkeuring van de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen (SDGs) en een overeenkomst over wereldwijde klimaatmaatregelen, die beide tot 2030 van toepassing zouden moeten zijn;

B.     overwegende dat de derde internationale conferentie over ontwikkelingsfinanciering, die van 13 t/m 16 juli 2015 in Addis Abeba, Ethiopië, zal worden gehouden, de voorwaarden moet creëren voor de financiering en uitvoering van de agenda voor de periode na 2015 en dat het succes van die agenda zal afhangen van de mate van ambitie die tijdens deze conferentie blijkt;

C.     overwegende dat 1,5 miljard mensen nog steeds in armoede leven en misdeeld zijn waar het gaat om gezondheid, onderwijs en levenspeil, met name in conflictgebieden en fragiele staten; overwegende dat dit onacceptabel is, aangezien er wereldwijd voldoende middelen zijn om aan deze situatie geleidelijk een einde te maken;

D.     overwegende dat de uitroeiing van armoede en ongelijkheid slechts kan worden verwezenlijkt door beschikbaarstelling van toereikende en passende middelen voor allen en door betere afstemming op gemarginaliseerde groepen, zoals kinderen, vrouwen, ouderen en personen met een handicap; overwegende dat ondanks dat de extreme armoede aanzienlijk is verminderd, de vooruitgang voor kinderen langzamer is verlopen, zodat de noodzaak om in kinderen te investeren - zowel via het mobiliseren van binnenlandse middelen als via internationale overheidsfinanciering - een sleutelfactor is;

E.     overwegende dat er geen duurzame ontwikkeling kan plaatsvinden zonder vrede en veiligheid, zoals is erkend door de Europese Consensus over ontwikkeling van 2005;

F.     overwegende dat drie kwart van de allerarmsten in de wereld - naar schatting 960 miljoen mensen - momenteel in middeninkomenslanden leven en dat een nieuw ontwikkelingsparadigma daarom programma's nodig maakt die zowel op arme mensen als op arme landen zijn gericht;

G.     overwegende dat UNCTAD de financiële behoeften in ontwikkelingslanden voor de komende SDGs op 3,9 biljoen US-dollar per jaar schat, waarvan nu jaarlijks 2,5 biljoen US-dollar ontbreekt; overwegende dat de kosten van ontoereikende maatregelen uiteindelijk veel hoger zullen zijn dan de kosten van doortastende maatregelen ten behoeve van duurzame ontwikkeling;

H.     overwegende dat de SDGs een dusdanige financiële uitdaging vormen dat er een krachtig wereldwijd partnerschap nodig is waarbij gebruik wordt gemaakt van alle vormen van financiering (binnenlandse, internationale, publieke, particuliere en innoverende bronnen) alsmede niet-financiële middelen; overwegende dat particuliere financiering wel een aanvulling kan vormen op publieke financiering, maar deze niet kan vervangen;

I.      overwegende dat de mobilisatie van binnenlandse bronnen en de officiële ontwikkelingshulp onvervangbare pijlers zijn voor de financiering van ontwikkelingshulp, die nog verder moeten worden uitgebouwd;

J.      overwegende dat het potentieel van ontwikkelingslanden om binnenlandse bronnen te mobiliseren, aanzienlijk is, maar dat er in de huidige omstandigheden grenzen zijn aan hetgeen landen op eigen kracht kunnen bewerkstelligen; overwegende dat de belastinginkomsten in de meeste ontwikkelingslanden laag blijven in verhouding tot het bbp en dat het daarom van essentieel belang is de invoering van evenwichtige, billijke en doeltreffende belastingstelsels aan te moedigen die zijn gebaseerd op de draagkracht van individuele burgers en bedrijven; overwegende dat de mobilisering van binnenlandse middelen ook een billijke en transparante verdeling van de opbrengsten uit natuurlijke hulpbronnen vereist;

K.     overwegende dat maar weinig ontwikkelde landen hun toezegging nakomen om 0,7 % van het bruto nationaal inkomen (bni) aan ontwikkelingshulp te besteden, waarvan 0,15 à 0,20 % van het bni aan de minst ontwikkelde landen (MOL); overwegende dat de lidstaten die in 2004 of later tot de EU zijn toegetreden, hebben toegezegd ernaar te streven 0,33 % van hun bni aan ontwikkelingshulp te besteden, maar dat geen van hen dit streefpercentage tot dusver heeft gehaald;

L.     overwegende dat veel van de minder ontwikkelde landen kwetsbaar zijn of kwetsbaar geworden zijn als gevolg van externe gebeurtenissen, zoals gewapende conflicten, epidemieën zoals ebola, of natuurrampen, en dat zij meer steun nodig hebben;

M.    overwegende dat de terugdringing van armoede, de economische groei en de veiligheid grotendeels afhangen van het vermogen van een land om zijn soevereine taken te vervullen om de rechtsstaat te waarborgen en openbare basisdiensten aan te bieden, zoals toegang tot onderwijs en gezondheidszorg, onder eerbiediging van het beginsel van eigen inbreng; overwegende dat deze landen met name meer steun nodig hebben om een solide stelsel van volksgezondheid op te zetten;

N.     overwegende dat de ontwikkelingsagenda steeds breder wordt en dat het derhalve belangrijk is de momenteel boven en buiten de officiële ontwikkelingshulp gedane inspanningen te erkennen en verder te stimuleren; overwegende dat de officiële ontwikkelingshulp ondanks de moeilijke begrotingssituatie in veel OESO-landen op een hoog peil is gebleven en dat in 2013 met 134,8 miljard US-dollar het hoogste bedrag ooit aan officiële ontwikkelingshulp werd uitgegeven; overwegende dat officiële ontwikkelingshulp als katalysator kan fungeren bij het aantrekken van particuliere investeringen en dat in deze context op de betekenis van innoverende financiële instrumenten moet worden gewezen;

O.     overwegende dat de particuliere sector en rechtstreekse buitenlandse investeringen, mits goed gereguleerd en gekoppeld aan concrete verbeteringen van de binnenlandse economie, kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van de SDGs, zoals wordt beschreven in het voorstel van de UNCTAD voor een actieplan voor SDG-investeringen;

P.     overwegende dat particuliere kapitaalstromen ontwikkelingslanden op uiteenlopende manieren beïnvloeden, zowel in positieve als in negatieve zin; overwegende dat de geldstromen uit particuliere bronnen naar ontwikkelingslanden een aanzienlijke omvang hebben, maar grotendeels onstabiel en ongelijk verdeeld zijn en vaak neerkomen op uitstroom, bijvoorbeeld repatriëring van winst, die sinds 2010 groter is dan de nieuwe instroom van rechtstreekse buitenlandse investeringen;

Q.     overwegende dat het maatschappelijk middenveld een sleutelrol vervult bij het waarborgen van een universeel en inclusief proces, zowel op nationaal als op wereldniveau, en bijdraagt tot goed bestuur en verantwoordingsplicht; overwegende dat ontwikkelingshulp en corruptie absoluut onverenigbaar zijn;

R.     overwegende dat het belangrijk is het gebruik van bankdiensten in ontwikkelingslanden te bevorderen;

S.     overwegende dat de EU en de lidstaten als grootste donoren van ontwikkelingshulp het voortouw moeten nemen in het proces van financiering voor ontwikkeling en met een geloofwaardig antwoord op de uitdagingen op dit gebied moeten komen, waarbij zij moeten zorgen voor beleidscoherentie voor ontwikkeling in de agenda voor de periode na 2015; overwegende dat andere ontwikkelde en opkomende industrielanden het voorbeeld van de EU zouden moeten volgen;

Een mondiaal partnerschap

1.      is verheugd over het nulontwerp van het slotdocument van de Derde conferentie over ontwikkelingsfinanciering en doet een beroep op de EU en haar lidstaten dit te steunen;

2.      spreekt zijn voldoening uit over het syntheseverslag van de secretaris-generaal van de VN en de daarin geschetste transformatieve, holistische en geïntegreerde benadering van een ambitieus wereldwijd partnerschap voor nieuwe ontwikkelingsdoelstellingen en het bijbehorende financiële kader, gericht op uitroeiing van armoede, universele eerbiediging van de mensenrechten en gendergelijkheid; onderstreept dat een dergelijk ambitieus partnerschap geen kans van slagen heeft zonder breed aangewende, substantiële middelen voor de verwezenlijking ervan;

3.      dringt er bij de EU op aan haar politieke leiderschap te bekrachtigen gedurende de gehele aanloop naar het definiëren van een kader voor duurzame ontwikkeling, een nieuwe overeenkomst over financiering voor ontwikkeling en andere manieren om een en ander ten uitvoer te leggen, en wel aan de hand van de verplichtingen en waarden die in haar oprichtingsverdragen zijn neergelegd; is van mening dat het verlenen van ontwikkelingshulp door de EU niet aan voorwaarden van andere mededonoren onderworpen mag zijn;

4.      benadrukt dat de EU en de lidstaten hun positie als belangrijke donoren van ontwikkelingshulp moeten handhaven, maar tegelijkertijd naar gedeelde verantwoordelijkheid moeten streven; dringt er bij landen met hoge en hogere middeninkomens alsmede bij opkomende landen op aan om aanzienlijke verplichtingen op zich te nemen;

5.      prijst de onlangs verschenen mededeling van de Commissie over een nieuw mondiaal partnerschap voor de uitroeiing van armoede en duurzame ontwikkeling na 2015 om de uitvoerigheid ervan, de focus op beleidscoherentie en het feit dat wordt bekrachtigd dat de EU zich ertoe verplicht haar rol in dit mondiale partnerschap volledig uit te voeren; betreurt echter dat de Commissie zich niet duidelijk uitspreekt over het tijdpad voor toekomstige financiële doelstellingen;

Internationale publieke financiering

6.      benadrukt dat de officiële ontwikkelingshulp een essentieel instrument blijft bij de financiering van ontwikkeling; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan zich onverwijld opnieuw te verbinden tot het streefcijfer van 0,7 % van het bni, waarvan 50 % van de officiële ontwikkelingshulp en ten minste 0,2 % van het bni voor MOL wordt gereserveerd, en rekening houdend met de budgettaire beperkingen, budgettaire meerjarentijdschema's te presenteren voor het bereiken van deze streefcijfers tot 2020; is ingenomen met het ferme standpunt van de EU wat betreft het concentreren van de inspanningen op de kwantiteit en kwaliteit van ontwikkelingshulp; roept andere ontwikkelde partnerlanden en opkomende landen op hun ontwikkelingshulp op te voeren en verzoekt de Commissie en de lidstaten de publieke en particuliere donoren in de wereld ertoe te bewegen hun financiële toezeggingen na te komen en nieuwe verbintenissen aan te gaan; onderstreept dat alle donoren ervoor moeten zorgen dat de officiële ontwikkelingshulp daadwerkelijke overdrachten naar ontwikkelingslanden mogelijk maakt;

7.      onderstreept dat de EU en andere ontwikkelde landen hun toezeggingen moeten nakomen om meer, nieuwe en bijkomende middelen voor klimaatmaatregelen beschikbaar te stellen zodat tegen 2020 het doel wordt bereikt om samen jaarlijks 100 miljard US-dollar te mobiliseren uit een brede waaier aan openbare en particuliere, bilaterale en multilaterale bronnen, met inbegrip van alternatieve bronnen; betreurt het gebrek aan vooruitgang wat betreft de additionaliteit van de klimaatfinanciering en de officiële ontwikkelingshulp; dringt aan op een gezamenlijke internationale inspanning van ontwikkelde en opkomende landen om in de overeenkomst over wereldwijde klimaatmaatregelen die tijdens de conferentie van Parijs in december 2015 zal worden afgesloten, nieuwe en aanvullende klimaatfinanciering voor ontwikkelingslanden te vinden, maar niet ten koste van de begroting voor ontwikkelingssamenwerking; is van mening dat de EU tussenliggende stappen zou moeten voorstellen op de weg naar volledige additionaliteit; verzoekt de lidstaten om inkomsten uit koolstofmarkten te gebruiken voor klimaatmaatregelen in ontwikkelingslanden; verzoekt ook de opkomende landen klimaatfinanciering voor ontwikkelingslanden beschikbaar te stellen;

8.      is voorstander van innoverende bijkomende financieringsbronnen voor ontwikkeling en klimaatmaatregelen, met inbegrip van belasting op financiële transacties, CO2-belasting in de internationale luchtvaart en het zeevervoer alsmede automatische toewijzing van koolstofmarktinkomsten; spreekt zich uit voor meer inspanningen in Europa en wereldwijd om verdere aanvullende bronnen te vinden;

9.      benadrukt dat officiële ontwikkelingshulp de standaardmaat moet blijven voor financiële inspanningen; is voorstander van invoering van een aanvullende indicator voor de totale officiële steun voor duurzame ontwikkeling (TOSSD), mits duidelijk is dat deze indicator de betekenis van genoemde maat niet vervangt of uitholt;

10.    constateert dat, hoewel de meeste officiële ontwikkelingshulp wordt verleend in de vorm van subsidies, concessieleningen ook een belangrijke rol spelen maar bijdragen aan de schuldenlast en het risico van een schuldenzeepbel meebrengen, met name in Afrika beneden de Sahara en in de landen in het Caribisch gebied, die maar over beperkte mogelijkheden beschikken om hun schulden af te lossen; verzoekt de donoren daarom hulp aan de minst ontwikkelde landen in de vorm van subsidies te verstrekken; is van oordeel dat concessieleningen wellicht niet geschikt zijn voor investeringen in sociale sectoren, waar het er niet om gaat winst te genereren; is verheugd over het akkoord van de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de OESO (OECD-DAC) om de verslaglegging over concessieleningen te moderniseren door invoering van een stelsel voor subsidie-equivalenten ter berekening van de cijfers voor officiële ontwikkelingshulp;

11.    wijst erop dat de EU 's werelds belangrijkste donor van ontwikkelingshulp is en bijna 60 % van de officiële ontwikkelingshulp wereldwijd voor haar rekening neemt; verzoekt de Commissie niettemin duidelijke en transparante gegevens te verstrekken over het aandeel voor EU-ontwikkelingshulp in de totale begroting om te kunnen beoordelen welk gevolg alle Europese donoren aan de consensus van Monterrey hebben gegeven; betreurt tevens dat de omvang van de financiële bijdragen van de EU aan ontwikkelingslanden te weinig zichtbaar is en verzoekt de Commissie adequate en gerichte communicatie- en informatie-instrumenten te ontwikkelen om de zichtbaarheid van de ontwikkelingshulp van de EU te vergroten;

12.    verzoekt de EU rekening te houden met financiële behoeften op de lange termijn door overeenkomstig de SDGs strategischer, ambitieuzer en universeler te werk te gaan en daarbij ook het voortouw te nemen;

13.    wijst op de bijdrage die de EU-begroting levert aan financiële middelen voor ontwikkeling, namelijk 19,7 miljard EUR voor ontwikkelingssamenwerking en 6,8 miljard EUR voor humanitaire hulp tussen 2014 en 2020, naast de reserve van 2,2 miljard EUR voor noodhulp; wijst ook op het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), dat goed is voor 30,5 miljard EUR; pleit ervoor het EOF in de begroting op te nemen, wat voordelen met zich mee zou brengen in de zin van meer transparantie, zichtbaarheid, efficiëntie en doeltreffendheid; is verheugd over de gelegenheid die de tussentijdse evaluatie en herziening van het meerjarig financieel kader na de verkiezingen biedt om rekening te houden met de toenemende structurele behoefte aan humanitaire hulp en de ontwikkelingsbehoeften van de armste en kwetsbaarste landen;

14.    merkt op dat in de begroting voor 2015 2,4 miljard EUR aan vastleggingskredieten (2,1 miljard EUR aan betalingskredieten) voor ontwikkelingssamenwerking is uitgetrokken en 928,8 miljoen EUR aan vastleggingskredieten (918,8 miljoen EUR aan betalingskredieten) voor humanitaire hulp; staat achter de maatregelen die zijn genomen om de achterstallige rekeningen te verminderen, met name om de kwetsbaarste partners financieel levensvatbaar te houden, en onderstreept het belang van het beginsel van pariteit tussen vastleggingen en betalingen op het gebied van humanitaire hulp, aangezien er steeds vaker crises plaatsvinden en middelen snel moeten worden uitbetaald;

15.    herinnert eraan dat ontwikkelingssamenwerking een gedeelde verantwoordelijkheid van de EU en haar lidstaten is en moet stroken met de begrippen complementariteit en coördinatie; benadrukt dat het noodzakelijk is het maatschappelijk middenveld en de plaatselijke autoriteiten bij het coördinatieproces te betrekken;

16.    dringt er bij de EU en de lidstaten op aan de agenda inzake doeltreffendheid van ontwikkelingshulp te bevorderen op basis van de toezeggingen in het partnerschap van Busan voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking, het tegengaan van versnippering van de hulp via een mechanisme voor gecombineerde financiering, alsmede betere coördinatie tussen de verschillende mechanismen voor de verlening van ontwikkelingshulp en de belanghebbenden; onderstreept dat alle ontwikkelingsfinanciering gericht moet zijn op de armen, rekening moet houden met gendergelijkheid, en uit milieu- en klimaatoogpunt verantwoord moet zijn;

17.    herinnert eraan dat volgens het VWEU het terugdringen en uiteindelijk uitroeien van armoede de primaire doelstelling van de EU op het gebied van ontwikkeling is, waarbij verdediging van de mensenrechten, gendergelijkheid, sociale samenhang en bestrijding van ongelijkheid de kern van de ontwikkelingsactiviteiten moeten blijven vormen;

18.    benadrukt het belang van vaststelling van duidelijke prioriteiten voor uitgaven, met bijzondere aandacht voor maatregelen op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs, energie, watervoorziening en infrastructuur; benadrukt dat er verdere inspanningen en verbeteringen op het gebied van doeltreffendheid van de hulp nodig zijn via meer coördinatie tussen de verschillende hulpmechanismen en donoren;

19.    onderstreept dat de officiële ontwikkelingshulp voorrang moet verlenen aan essentiële sociale dienstverlening voor iedereen en "collectieve goederen" waarin minder doeltreffend wordt voorzien door de particuliere sector, zoals basisonderwijs, sociale vangnetten, gezondheidszorg en infrastructuur voor sanitaire voorzieningen, watervoorziening en energie, zodat ontwikkelingslanden tot volle bloei kunnen komen; onderstreept dat toegankelijkheid een essentieel criterium moet zijn bij de internationale publieke financiering, teneinde universele en inclusieve dienstverlening en infrastructuur te bevorderen;

20.    benadrukt dat moet worden gewaarborgd dat de meest kwetsbare bevolkingsgroepen toegang hebben tot ontwikkelingskansen; wijst er hierbij op dat indien de hulp uitsluitend via de overheid wordt verstrekt, gemarginaliseerde of kwetsbare gemeenschappen onvoldoende gefinancierd dreigen te worden;

21.    benadrukt het belang van ontwikkelingsbanken die bijkomende middelen beschikbaar stellen om het tekort aan middelen voor de financiering van infrastructuur aan te vullen, en van toegang tot krediet in ontwikkelingslanden, gepaard met mechanismen voor toezicht en effectbeoordeling;

22.    benadrukt dat de EU absoluut moet streven naar optimale coördinatie om samenhang met andere beleidsterreinen (milieu, migratie, internationale handel, mensenrechten, landbouw, enz.) tot stand te brengen en dubbel werk en inconsistentie bij maatregelen te voorkomen; herinnert eraan dat beleidscoherentie voor ontwikkeling met het Verdrag van Lissabon (artikel 208 VWEU) een verdragsverplichting is geworden;

Mobilisering van binnenlandse bronnen en internationale samenwerking op belastinggebied

23.    benadrukt dat de mobilisering van binnenlandse bronnen beter te voorspellen en duurzamer is dan buitenlandse hulp en een essentiële financieringsbron moet zijn; moedigt de inspanningen aan van de ontwikkelingslanden om die mobilisering te vergroten; wijst op het belang van betere heffing van binnenlandse belastingen in ontwikkelingslanden en de noodzaak van solide, evenwichtige, billijke en doeltreffende belastingstelsels die de armen ten goede komen, rekening houden met de meest kwetsbare groepen en de internationale toezeggingen inzake duurzame ontwikkeling eerbiedigen; dringt aan op afschaffing van schadelijke subsidies op het gebied van energie (met name fossiele brandstoffen), visserij en landbouw;

24.    verzoekt de Commissie haar steun voor capaciteitsopbouw te verhogen op het gebied van belastingadministratie, financiële governance, beheer van overheidsfinanciën, corruptiebestrijding, terugvordering van gestolen activa alsmede bestrijding van belastingontduiking en valse rekeningen; is van oordeel dat de Unie op dit punt een essentiële rol te vervullen heeft; wijst op het belang van verdeling van de belastinginkomsten uit natuurlijke hulpbronnen, met name via de oprichting van staatsfondsen; benadrukt de noodzaak van versnelling en uitbreiding van de lopende inspanningen om de begrotingsrapportage te verbeteren en roept op tot een grotere mate van harmonisatie van praktijken voor begrotingsrapportage tussen landen;

25.    dringt er bij de EU en de lidstaten op aan actief maatregelen te treffen tegen belastingparadijzen, belastingontduiking en illegale geldstromen, die een veelvoud van de officiële ontwikkelingshulp bedragen en bijdragen tot de schuldenlast van ontwikkelingslanden, samen te werken met ontwikkelingslanden bij het bestrijden van de agressieve praktijken voor belastingontwijking van bepaalde transnationale ondernemingen, en naar wegen te zoeken om ontwikkelingslanden te helpen weerstand te bieden aan de druk om mee te gaan in de belastingconcurrentie, daar dit de mobilisering van binnenlandse middelen voor ontwikkeling ondermijnt;

26.    is voorstander van het opzetten van een intergouvernementeel orgaan voor samenwerking op belastinggebied, onder auspiciën van de VN; roept op tot de automatische uitwisseling van informatie; dringt aan op de invoering van openbare registers van daadwerkelijke begunstigden en verplichte land-voor-landrapportage voor transnationale bedrijven in alle sectoren, alsmede op een billijke verdeling van belastingheffingsrechten bij het afsluiten van verdragen inzake belasting en investeringen met ontwikkelingslanden;

27.    is van mening dat de internationale regels inzake vennootschapsbelasting het beginsel zouden moeten omvatten dat belasting daar moet worden betaald waar waarde wordt onttrokken of gecreëerd;

28.    benadrukt het doorslaggevende belang van goed bestuur, bescherming van de mensenrechten, eerbiediging van de rechtsstaat, een institutioneel kader en regelgevende instrumenten; spreekt zich in het bijzonder uit voor investeringen in capaciteitsopbouw, basisdiensten op sociaal gebied zoals onderwijs en gezondheidszorg (voor iedereen), met inbegrip van de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, voeding, overheidsdiensten en sociale bescherming, alsmede bestrijding van armoede en ongelijkheid, ook onder kinderen en in termen van gender; erkent dat toegankelijke infrastructuur en selectieve overheidsinvesteringen noodzakelijk zijn, evenals duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen, ook door de winningsindustrie;

29.    benadrukt dat ontwikkelingsfinanciering een bijdrage moet leveren aan de middelen die beschikbaar zijn om gelijkheid van vrouwen en mannen, vrouwenrechten en de positie van vrouwen te bevorderen; benadrukt de specifieke rol van vrouwen in de samenleving en onderstreept dat dit zowel gendergerichte budgettering en gerichte investeringen in cruciale sectoren als gezondheidszorg en onderwijs moet omvatten alsook maatregelen om te waarborgen dat alle ontwikkelingsfinanciering wordt gedaan met inachtneming van de situatie van vrouwen en meisjes;

30.    dringt aan op meer middelen voor onderzoek en ontwikkeling in wetenschap, technologie en innovatie in ontwikkelingslanden, in de erkenning dat deze financiering zowel nationaal als internationaal moet zijn; dringt aan op de bevordering van onderzoek en ontwikkeling waarmee grotere vooruitgang kan worden geboekt op het gebied van complexe uitdagingen en de ontwikkeling in de richting van goed beheer van mondiale collectieve goederen wordt ondersteund, zoals technologie en innovatie voor de gezondheidszorg; wijst in deze context op het belang van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen; roept op tot een evaluatie van alle intellectuele-eigendomsregelingen die in ontwikkelingslanden zijn ingevoerd via vrijhandelsovereenkomsten, teneinde eventuele nadelige gevolgen voor volksgezondheid, milieu en technologieoverdracht vast te stellen;

De particuliere sector en het maatschappelijk middenveld

31.    wijst erop hoe uiterst belangrijk het is om gunstige voorwaarden te creëren voor particuliere ondernemingen en particulier ondernemerschap in ontwikkelingslanden, met name voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, daar deze een essentiële aandrijvende functie hebben bij het scheppen van banen en inclusieve groei; dringt met name aan op verdere verbetering van de stelsels voor microleningen en -waarborgen; benadrukt de noodzaak om lokale en regionale banken en kredietcoöperaties verder te ontwikkelen teneinde de buitensporig hoge rente voor leningen op de markt aanzienlijk te verlagen zodat de gemeenschapsontwikkeling op lokaal niveau beter kan worden ondersteund(17); dringt erop aan dat de particuliere sector aansluiting zoekt bij de SDGs via adequate partnerschappen, financiële instrumenten, stimulansen, een kader voor verantwoordingsplicht en doeltreffende regels inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen; herinnert aan de noodzaak om te voldoen aan overeengekomen internationale normen zoals de normen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en de leidende beginselen inzake bedrijfsleven en mensenrechten van de VN;

32.    dringt erop aan ondernemingen de voorlichtings- en opleidingsinstrumenten en adviesplatforms aan te bieden die onontbeerlijk zijn voor hun ontwikkeling;

33.    wijst erop dat om op de lange termijn een hefboomeffect op de economie te bewerkstelligen, het absoluut noodzakelijk is dat jongeren en vrouwen toegang krijgen tot krediet ter ondersteuning van start-ups;

34.    onderstreept de rol op het gebied van sociale samenhang van alle ondernemers in producentenorganisaties bij de preventie van etnische en religieuze conflicten;

35.    onderstreept dat de EU bij haar steun aan en samenwerking met de particuliere sector kan en moet bijdragen aan vermindering van armoede en ongelijkheid, en aan de eerbiediging van mensenrechten, milieunormen, klimaatverbintenissen en de sociale dialoog; verzoekt om vaststelling van een juridisch bindend kader voor bedrijven, met inbegrip van transnationale ondernemingen, dat voorzien is van een geschillenbeslechtingsmechanisme;

36.    dringt erop aan dat de EU samen met de ontwikkelingslanden een regelgevend kader opzet dat overeenkomt met het omvattende beleidskader voor investeringsbeleid voor duurzame ontwikkeling (Investment Policy Framework for Sustainable Development) van UNCTAD, om aldus meer verantwoorde, transparante en verantwoordbare investeringen aan te moedigen die bijdragen tot de ontwikkeling van een binnenlandse particuliere sector met maatschappelijk besef in ontwikkelingslanden;

37.    roept de Commissie op steun te verlenen aan betere toegang tot financiering voor micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen alsmede coöperaties in ontwikkelingslanden; onderstreept het belang van stelsels voor microleningen, met name voor vrouwen; moedigt de verdere ontwikkeling van lokale en regionale banken en kredietcoöperaties aan; verzoekt de Commissie ontwikkelingslanden aan te moedigen om beleids- en rechtskaders op te zetten die bevorderlijk zijn voor de ontwikkeling van bankdiensten; wijst op de behoefte - op verschillende niveaus, bijvoorbeeld onder armen, vrouwen en andere kwetsbare groepen - aan informatie en opleiding in financiële zaken, het gebruik van bankproducten en verzekeringen, en de desbetreffende nieuwe technologie;

38.    herinnert eraan dat overheidssteun alleen bij lange na niet toereikend is om in alle investeringsbehoeften in ontwikkelingslanden te voorzien; benadrukt derhalve het hefboomeffect van "blending" (gemengde financiering) en publiek-private partnerschappen (PPPs) als middel om het effect van ontwikkelingssteun te vergroten, particuliere financiering aan te trekken en lokale bedrijven te ondersteunen; wijst er evenwel op dat gemengde financiering niet in de plaats mag komen van de verantwoordelijkheid van de staat om in te spelen op de sociale behoeften en moet aansluiten bij de nationale ontwikkelingsdoelstellingen en de beginselen inzake doeltreffendheid van ontwikkelingshulp; moedigt PPPs aan, met name op het gebied van onderzoek dat verband houdt met het Initiatief innovatieve geneesmiddelen, zoals het Ebola+-programma;

39.    dringt aan op goedkeuring van internationale normen en criteria alsmede op een analyse van het schuldenrisico voor "blending"-projecten en PPPs die particuliere financiering aantrekken en het lokale bedrijfsleven ondersteunen, en zich houden aan de overeengekomen IAO- en WHO-normen en internationale mensenrechtennormen; verzoekt de Commissie, gezien haar wens om het gebruik van gemengde financiering in de toekomst aanzienlijk uit te breiden, uitvoering te geven aan de aanbevelingen in het speciaal verslag van de Europese Rekenkamer over het gebruik van "blending", en om het mechanisme voor het combineren van leningen en subsidies te evalueren, met name wat betreft ontwikkeling en financiële additionaliteit, transparantie en verantwoordingsplicht; dringt er bij de EIB en andere instellingen voor de financiering van ontwikkeling op aan voorrang te geven aan investeringen in ondernemingen en fondsen die de daadwerkelijke begunstigden bekend maken en land-voor-landrapportage toepassen;

40.    is voorstander van grotere markttoegang voor ontwikkelingslanden, met name MOL, daar dit de particuliere sector kan stimuleren en prikkels voor hervormingen kan creëren; dringt er bij de Commissie op aan te waarborgen dat handels- en investeringsovereenkomsten, in het bijzonder met ontwikkelingslanden, MOL en fragiele staten, aansluiten bij de SDGs en mensenrechten en regionale integratie bevorderen; onderstreept dat dergelijke overeenkomsten moeten worden onderworpen aan SDG-effectbeoordelingen; steunt het voorstel van de Commissie om haar Aid-for-Trade-strategie te actualiseren in het licht van de resultaten van de onderhandelingen voor de periode na 2015 en ontwikkelingslanden, MOL en fragiele staten in handelsovereenkomsten een speciale en gedifferentieerde behandeling te geven, waarbij hun beleidsruimte om soevereine beslissingen te nemen die passen bij hun nationale context en de behoeften van de bevolking, niet in het gedrang komt;

41.    roept op tot bevordering van het gebruik en de transparantie van nationale publieke aanbestedingssystemen voor door de overheidssector beheerde activiteiten en tot maatregelen die de mededingingsautoriteiten in ontwikkelingslanden versterken;

42.    benadrukt de positieve bijdrage van migranten aan de ontwikkeling van hun landen van herkomst en dringt aan op doeltreffendere en innoverendere samenwerking op het gebied van migratiebeleid tussen landen van herkomst en landen van bestemming; vestigt de aandacht op de significante en groeiende geldstromen als gevolg van particuliere geldovermakingen door de diaspora en steunt de oprichting van diasporafondsen; dringt aan op grotere inspanningen om overschrijvingskosten te verlagen teneinde voor een grotere impact op de lokale ontwikkeling in de landen van herkomst te zorgen;

43.    roept op tot grotere participatie van de plaatselijke autoriteiten en het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van in de gemeenschap gewortelde ngo's, in de discussie over ontwikkelingsprioriteiten, met name op de conferentie van Addis Abeba, en tot een meer inclusieve en verantwoordbare uitvoering van de agenda voor de periode na 2015; wijst op de rol van ngo's in de uitvoering van maatregelen in het veld en de ontwikkeling van mechanismen voor verantwoording, toezicht en evaluatie; erkent dat voor de taak van lokale autoriteiten bij het verwezenlijken van de SDGs de nodige middelen moeten worden toegewezen; roept op tot een intensievere raadpleging van jongeren bij het overleg over de agenda voor de periode na 2015, met name met behulp van innoverende communicatietechnologieën; onderstreept de rol van de EU-delegaties als facilitator van dergelijke dialogen;

Mondiale governance

44.    herinnert aan de centrale rol van de VN, in samenspel met andere instellingen en fora zoals de OESO, in de mondiale economische governance en ontwikkeling; dringt aan op een gelijke en in genderopzicht evenwichtige vertegenwoordiging van alle landen in multilaterale instellingen en andere normstellende organen, waaronder ook in internationale financiële instellingen; herinnert eraan dat alle internationale financiële instellingen moeten voldoen aan basisnormen van transparantie - zoals vastgelegd in het Transparantiehandvest voor internationale financiële instellingen - en beleid inzake openbaarmaking van informatie moeten invoeren;

45.    benadrukt dat duurzame oplossingen voor de schuldenproblematiek, waaronder normen voor verantwoord verlenen en opnemen van krediet, moeten worden gefaciliteerd door middel van een multilateraal juridisch kader voor staatsschuldherstructurering, met het doel de schuldenlast te verlichten en onhoudbare schuldenlasten te voorkomen; verzoekt de EU zich in de VN-onderhandelingen over dit kader constructief op te stellen; verzoekt de EU met klem om aan te dringen op tenuitvoerlegging van de UNCTAD-beginselen van verantwoorde transacties met staatschulden voor zowel kredietnemers als kredietgevers;

46.    is ingenomen met de internationale inspanningen om de internationale schuldverplichtingen van door ebola getroffen landen te verlichten om hen te helpen het hoofd te bieden aan de door de epidemie veroorzaakte economische crisis;

47.    dringt aan op een evaluatie van door internationale organisaties uitgevoerde programma's en instrumenten voor financiële ontwikkelingssteun, zodat deze aan de nieuwe SDGs kunnen worden aangepast; dringt er met name bij de Europese Investeringsbank, de Europese Bank voor wederopbouw en ontwikkeling, het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank op aan om de hoogste normen voor verantwoorde financiering vast te stellen en de middelen beter toe te snijden op de behoeften van ontwikkelingslanden, onder meer via doeltreffende, specifiek voor armen bedoelde kredietfaciliteiten; roept er met name toe op de bedragen die de Europese Investeringsbank ter beschikking staan te vergroten ten opzichte van het huidige mandaat, teneinde de EIB-financiering aan lage-inkomenslanden verder op te voeren;

Toezicht, verantwoordingsplicht en evaluatie

48.    dringt erop aan dat op de conferentie van Addis Abeba een solide, transparant en toegankelijk kader voor toezicht en verantwoordingsplicht overeengekomen wordt, zodat de investeringen en de voortgang op doeltreffende wijze kunnen worden getraceerd en gevolgd wat betreft specifieke toezeggingen en doelstellingen; roept op tot een internationaal initiatief om de kwaliteit van statistieken, gegevens en informatie te verbeteren, waaronder gegevens uitgesplitst naar inkomen, geslacht, leeftijd, ras, etniciteit en verblijfsstatus, handicap, geografische locatie en andere kenmerken die in de nationale context van belang zijn; verzoekt alle partijen te zorgen voor een transparante en efficiënte tenuitvoerlegging van hulp en financiering, met name door het VN-verdrag tegen corruptie te ondertekenen en toe te passen en door zich te verbinden tot systematische bekendmaking van nauwkeurige, actuele en vergelijkbare gegevens over ontvangsten en uitgaven en van begrotingsdocumenten; verzoekt de Commissie met name om toezicht en controle te blijven uitoefenen op haar financiering van hulpprogramma's en -projecten alsmede om adequate maatregelen te nemen bij aantoonbare gevallen van corruptie en wanbeheer; dringt er tevens bij de Commissie op aan haar steun voor de versterking van de rechterlijke macht en instanties voor corruptiebestrijding in ontwikkelingslanden te verhogen;

49.    roept op tot een internationaal initiatief om de kwaliteit van statistieken, gegevens en informatie te verbeteren teneinde de uitgaven, investeringen en vorderingen met betrekking tot specifieke verbintenissen en doelstellingen te kunnen volgen; is ingenomen met de mondiale inspanningen om ervoor te zorgen dat de gegevens die bij de uitvoering van de SDGs worden gebruikt, voldoende zijn uitgesplitst naar inkomen, geslacht, leeftijd en andere indicatoren, zodat het effect van het beleid adequaat kan worden geobserveerd;

50.    herhaalt dat er in aanvulling op het bbp een nieuwe reeks indicatoren nodig is om rekening te houden met de nieuwe maatschappelijke en ecologische uitdagingen, en dat deze reeks met name de menselijke ontwikkelingsindex, de Ginicoëfficiënt, een maatstaf voor gendergelijkheid, de CO2-voetafdruk en de ecologische voetafdruk zou moeten omvatten;

51.    verzoekt zijn voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Europese Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de secretaris-generaal van de VN en de medefacilitatoren voor het voorbereidingsproces van de Derde internationale conferentie over financiële middelen voor ontwikkeling.

(1)

http://unctad.org/en/publicationslibrary/wir2014_en.pdf

(2)

http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52015DC0044R(01)&from=EN

(3)

http://eur-lex.europa.eu/resource.html?uri=cellar:441ba0c0-eb02-11e3-8cd4-01aa75ed71a1.0014.03/DOC_1&format=PDF

(4)

http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52013DC0531&from=NL

(5)

http://ec.europa.eu/europeaid/documents/2013-02-22_communication_a_decent_life_for_all_post_2015_en.pdf

(6)

http://eu-un.europa.eu/articles/en/article_15873_en.htm

(7)

http://eu-un.europa.eu/articles/en/article_14363_en.htm

(8)

http://eu-un.europa.eu/articles/en/article_13692_en.htm

(9)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0059.

(10)

PB C 8 van 14.1.2010, blz. 1.

(11)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0063.

(12)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0163.

(13)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0394.

(14)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0205.

(15)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0119.

(16)

http://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=CELEX:32014D0472

(17)

Report on Support for SMEs in Developing Countries Through Financial Intermediaries, Dalberg, november 2011, www.eib.org.


ADVIES van de Begrotingscommissie (16.4.2015)

aan de Commissie ontwikkelingssamenwerking

inzake financiële middelen voor ontwikkeling

(2015/2044(INI))

Rapporteur voor advies: Charles Goerens

SUGGESTIES

De Begrotingscommissie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie ontwikkelingssamenwerking onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  wijst erop dat de EU 's werelds grootste donor van ontwikkelingshulp is, goed voor bijna 60 % van de mondiale officiële ontwikkelingshulp; verzoekt de Commissie niettemin om duidelijke en transparante gegevens te verstrekken over het aandeel voor EU-ontwikkelingshulp in de totale begroting om te kunnen beoordelen welk gevolg alle Europese donoren aan de consensus van Monterrey hebben gegeven; betreurt tevens dat de omvang van de financiële bijdragen van de EU aan ontwikkelingslanden te weinig zichtbaar is en verzoekt de Commissie adequate en gerichte communicatie- en informatie-instrumenten te ontwikkelen om de zichtbaarheid van de ontwikkelingshulp van de EU te vergroten;

2.  verzoekt de EU rekening te houden met financiële behoeften op lange termijn door strategischer, ambitieuzer en universeler te werk te gaan en daarbij ook het voortouw te nemen, overeenkomstig de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling;

3.  dringt aan op een gezamenlijke internationale inspanning van ontwikkelde en opkomende landen om in de overeenkomst over wereldwijde klimaatmaatregelen die tijdens de conferentie van Parijs in december 2015 zal worden afgesloten, nieuwe en aanvullende klimaatfinanciering voor ontwikkelingslanden te vinden, maar niet ten koste van de begroting voor ontwikkelingssamenwerking;

4.  wijst op de bijdrage die de EU-begroting levert aan financiële middelen voor ontwikkeling, namelijk 19,7 miljard EUR voor ontwikkelingssamenwerking en 6,8 miljard EUR voor humanitaire hulp tussen 2014 en 2020, naast de reserve van 2,2 miljard EUR voor noodhulp; wijst ook op het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), dat goed is voor 30,5 miljard EUR; pleit ervoor het EOF in de begroting op te nemen, wat voordelen met zich zou brengen zoals meer transparantie, zichtbaarheid, efficiëntie en doeltreffendheid; is verheugd over de gelegenheid die de tussentijdse evaluatie en herziening van het meerjarig financieel kader na de verkiezingen biedt om rekening te houden met de toenemende structurele behoeften aan humanitaire hulp en de ontwikkelingsbehoeften van de armste en kwetsbaarste landen;

5.  merkt op dat in de begroting voor 2015 2,4 miljard EUR aan vastleggingskredieten (2,1 miljard EUR aan betalingskredieten) voor ontwikkelingssamenwerking is uitgetrokken en 928,8 miljoen EUR aan vastleggingskredieten (918,8 miljoen EUR aan betalingskredieten) voor humanitaire hulp; staat achter de stappen die zijn ondernomen om de achterstallige rekeningen te verminderen, met name om de kwetsbaarste partners financieel levensvatbaar te houden, en onderstreept het belang van het beginsel van pariteit tussen vastleggingen en betalingen op het gebied van humanitaire hulp, aangezien er vaker crises plaatsvinden en er snel middelen moeten worden uitbetaald;

6.  benadrukt het belang van de vaststelling van duidelijke prioriteiten voor uitgaven, met bijzondere aandacht voor maatregelen op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs, energie, watervoorziening en infrastructuur; benadrukt dat er verdere inspanningen en verbeteringen op het gebied van de doeltreffendheid van de hulp nodig zijn via meer coördinatie tussen de verschillende steunmechanismen en donoren;

7.  is ingenomen met de vastberaden houding van de EU om de inspanningen te concentreren op de kwantiteit en kwaliteit van de ontwikkelingshulp; verzoekt de Commissie haar deskundigheid en gezag aan te wenden om andere openbare en particuliere donoren waar ook ter wereld ervan te overtuigen hun financiële toezeggingen na te komen;

8.  benadrukt dat de EU absoluut moet streven naar optimale coördinatie om samenhang met andere beleidsterreinen (milieu, migratie, internationale handel, mensenrechten, landbouw, enz.) tot stand te brengen en dubbel werk en inconsistenties bij de acties te voorkomen; stipt aan dat beleidscoherentie voor ontwikkeling met het Verdrag van Lissabon (artikel 208 VWEU) een verdragsverplichting is geworden;

9.  benadrukt dat officiële ontwikkelingshulp een belangrijk instrument ter financiering van ontwikkelingssamenwerking blijft, en dringt er bij de EU en de lidstaten op aan zich opnieuw te verbinden tot het streefcijfer van 0,7 % van het bni (bruto nationaal inkomen); wijst voorts op het potentieel van particuliere investeringen – op voorwaarde dat er adequate regelgeving bestaat die bepaalt dat deze moeten bijdragen tot ontwikkeling – en op het belang van innoverende financieringsinstrumenten om dergelijke extra middelen aan te trekken; herinnert eraan dat overheidssteun alleen verre van toereikend is om alle investeringsbehoeften in ontwikkelingslanden te lenigen; benadrukt daarom dat gemengde financiering en publiek-private partnerschappen (PPP's) als hefboom kunnen dienen om het effect van ontwikkelingshulp te verbeteren, particuliere financiering aan te trekken en lokale ondernemingen te steunen; benadrukt evenwel dat gemengde financiering niet in de plaats mag komen van de verantwoordelijkheid van de overheid om sociale behoeften aan te pakken en gebaseerd moet zijn op de beginselen van doeltreffende ontwikkeling; moedigt publiek-private partnerschappen aan, met name op het gebied van onderzoek in verband met het initiatief inzake innovatieve geneesmiddelen, zoals het Ebola+-programma;

10. benadrukt dat het belangrijk is binnenlandse middelen vrij te maken via een betere belastingheffing in ontwikkelingslanden; benadrukt dat fiscale middelen een beter te voorspellen en duurzamere financieringsbron zijn dan buitenlandse hulp; is van oordeel dat de Unie een belangrijke rol kan spelen ter ondersteuning van de ontwikkelingslanden bij het uitbouwen van de bestuurlijke capaciteit, bij de bestrijding van belastingontduiking en manipulatie van handelsprijzen en bij de terugvordering van gestolen activa;

11. dringt er bij de Commissie op aan, gezien haar wens om het gebruik van gemengde financiering in de toekomst aanzienlijk uit te breiden, uitvoering te geven aan de aanbevelingen in het speciaal verslag van de Rekenkamer over het combineren van subsidies en leningen, en om dit combinatiemechanisme te evalueren, met name wat betreft ontwikkeling en financiële additionaliteit, transparantie en verantwoordingsplicht;

12. wijst erop dat gemengde financiering dreigt te leiden tot een schuldenluchtbel, met name in Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara en landen in het Caribisch gebied die beperkte inkomsten hebben om hun schulden af te lossen; verzoekt de donoren daarom de minst ontwikkelde landen hulp te verlenen in de vorm van een subsidie;

13. benadrukt dat het uitermate belangrijk is micro-, kleine en middelgrote ondernemingen te steunen en dringt met name aan op een uitbreiding van lening- en garantiestelsels voor microfinanciering; benadrukt dat het noodzakelijk is lokale en regionale banken en kredietcoöperaties verder te ontwikkelen om de buitensporige rentepercentages voor marktleningen aanzienlijk te verlagen en zo de ontwikkeling op lokaal niveau beter te steunen(1);

14. herinnert eraan dat ontwikkelingssamenwerking een gedeelde verantwoordelijkheid van de EU en haar lidstaten is en moet stroken met de begrippen complementariteit en coördinatie; benadrukt dat het noodzakelijk is het maatschappelijk middenveld en de plaatselijke autoriteiten bij het coördinatieproces te betrekken;

15. stipt aan dat volgens het VWEU het terugdringen en uiteindelijk uitroeien van armoede de primaire doelstelling van de EU op het gebied van ontwikkeling is, waarbij de verdediging van de mensenrechten, de gendergelijkheid en de sociale samenhang en de bestrijding van ongelijkheid de kern van de ontwikkelingsactiviteiten moeten blijven;

16. wijst op de gewijzigde aard van de armoede in de wereld – namelijk dat het grootste deel van de armen nu in landen met een gemiddeld inkomen leeft – wat betekent dat een nieuw ontwikkelingsparadigma deze nieuwe realiteit moet weergeven; benadrukt dat moet worden gewaarborgd dat de meest kwetsbare bevolkingsgroepen toegang hebben tot ontwikkelingskansen; wijst er hierbij op dat indien de hulp uitsluitend via de overheid wordt verstrekt, gemarginaliseerde of kwetsbare gemeenschappen onvoldoende gefinancierd dreigen te worden;

17. benadrukt het belang van ontwikkelingsbanken om aanvullende middelen beschikbaar te stellen om het tekort aan financiering van infrastructuur en toegang tot krediet in ontwikkelingslanden op te vangen, alsook om mechanismen voor toezicht en effectbeoordeling in te voeren;

18. dringt aan op een verhoging van de bedragen van concessiefaciliteiten voor de Europese Investeringsbank, bovenop haar lopende mandaten, om de financiering aan landen met een laag inkomen verder uit te breiden;

19. dringt aan op een internationaal initiatief om de kwaliteit van statistieken, gegevens en informatie te verbeteren met het oog op het traceren van uitgaven, investeringen en vooruitgang op het gebied van specifieke verbintenissen en doelstellingen; is ingenomen met de wereldwijde inspanningen om ervoor te zorgen dat bij de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's) gebruik wordt gemaakt van gegevens die voldoende uitgesplitst zijn naar inkomen, geslacht, leeftijd en andere indicatoren, zodat de impact van het beleid op basis van de SDG's op doeltreffende wijze kan worden gecontroleerd.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.4.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

1

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Reimer Böge, Lefteris Christoforou, Jean-Paul Denanot, Gérard Deprez, José Manuel Fernandes, Eider Gardiazabal Rubial, Ingeborg Gräßle, Iris Hoffmann, Monika Hohlmeier, Bernd Kölmel, Vladimír Maňka, Ernest Maragall, Sophie Montel, Siegfried Mureșan, Younous Omarjee, Pina Picierno, Paul Rübig, Patricija Šulin, Eleftherios Synadinos, Indrek Tarand, Isabelle Thomas, Marco Valli, Daniele Viotti, Marco Zanni

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Andrey Novakov, Ivan Štefanec, Nils Torvalds, Tomáš Zdechovský

(1)

Verslag over steun voor kleine en middelgrote ondernemingen in de ontwikkelingslanden via financiële intermediairs, Dalberg, november 2011, www.eib.org.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.4.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

19

1

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Beatriz Becerra Basterrechea, Ignazio Corrao, Nirj Deva, Doru-Claudian Frunzulică, Enrique Guerrero Salom, Maria Heubuch, Hans Jansen, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Stelios Kouloglou, Arne Lietz, Linda McAvan, Norbert Neuser, Maurice Ponga, Lola Sánchez Caldentey, György Schöpflin, Pedro Silva Pereira, Davor Ivo Stier, Bogdan Brunon Wenta, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Louis-Joseph Manscour, Judith Sargentini, Eleni Theocharous, Joachim Zeller

Juridische mededeling