Procedure : 2014/2245(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0173/2015

Ingediende teksten :

A8-0173/2015

Debatten :

PV 08/09/2015 - 11
CRE 08/09/2015 - 11

Stemmingen :

PV 09/09/2015 - 8.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0308

VERSLAG     
PDF 275kWORD 229k
26.5.2015
PE 546.892v02-00 A8-0173/2015

over investeringen ter bevordering van banen en groei: bevordering van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie

(2014/2245(INI))

Commissie regionale ontwikkeling

Rapporteur: Tamás Deutsch

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Begrotingscommissie
 ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
 ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie
 ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs
 ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over investeringen ter bevordering van banen en groei: bevordering van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie

(2014/2245(INI))

Het Europees Parlement,

–       gezien het zesde verslag van de Commissie inzake economische, sociale en territoriale cohesie getiteld "Investeren in groei en werkgelegenheid: bevorderen van ontwikkeling en goed bestuur in regio's en steden van de EU" van 23 juli 2014 (hierna: "het zesde cohesieverslag"),

–       gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en met name de artikelen 4, 162, 174 tot en met 178 en 349,

–       gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (hierna: "de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen")(1),

–       gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(2),

–       gezien Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad(3),

–       gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"(4),

–       gezien Verordening (EU) nr. 1302/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1082/2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), wat de verduidelijking, vereenvoudiging en verbetering van de oprichting en werking van dergelijke groeperingen betreft(5),

–       gezien Verordening (EU) nr. 1300/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1084/2006 van de Raad(6),

–       gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(7),

–       gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(8),

–       gezien de "Territoriale Agenda van de Europese Unie 2020: voor een geïntegreerd, intelligent en duurzaam Europa van diverse regio's", zoals overeengekomen tijdens de informele bijeenkomst van de voor ruimtelijke ordening en territoriale ontwikkeling bevoegde ministers te Gödöllő, Hongarije, op 19 mei 2011,

–       gezien het achtste voortgangsverslag van de Commissie over economische, sociale en territoriale cohesie getiteld "De regionale en stedelijke dimensie van de crisis" van 26 juni 2013,

–       gezien zijn resolutie van 14 januari 2014 over slimme specialisatie: netwerken van kenniscentra voor een doeltreffend cohesiebeleid(9),

–       gezien zijn resolutie van 14 januari 2014 over de gereedheid van de EU-lidstaten voor een doeltreffende en tijdige aanvang van de nieuwe programmeringsperiode van het cohesiebeleid(10),

–       gezien zijn resolutie van 26 februari 2014 over het zevende en achtste voortgangsverslag van de Europese Commissie over het cohesiebeleid van de EU en het strategisch verslag 2013 over de uitvoering van de programma's 2007-2013(11),

–       gezien zijn resolutie van 26 februari 2014 over de optimalisering van het potentieel van ultraperifere gebieden door middel van het scheppen van synergieën tussen de EU-structuurfondsen en andere EU-programma's(12),

–       gezien zijn resolutie van 27 november 2014 over vertraging bij de start van het cohesiebeleid 2014-2020(13),

–       gezien de mededeling van de Commissie van 19 oktober 2011 getiteld "Een kader voor de volgende generatie innovatieve financiële instrumenten – de EU-platforms voor eigen en vreemd vermogen" (COM(2011)0662),

–       gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2014 getiteld "Een investeringsplan voor Europa" (COM(2014)0903),

–       gezien de mededeling van de Commissie van 13 januari 2015 getiteld "Optimaal benutten van de flexibiliteit binnen de bestaande regels van het stabiliteits- en groeipact" (COM(2015)0012),

–       gezien het speciale verslag van de Europese Rekenkamer getiteld "Door het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling gecofinancierde financiële instrumenten voor het midden- en kleinbedrijf" (speciaal verslag nr. 2/2012),

–       gezien de conclusies van de Raad over het zesde verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie: investeren in groei en werkgelegenheid, goedgekeurd door de Raad Algemene Zaken (Cohesie) op 19 november 2014,

–       gezien het advies van het Comité van de Regio's van 3 december 2014 over het zesde verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie(14),

–       gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 21 januari 2015 over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s – Zesde verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie: investeren in groei en werkgelegenheid(15),

–       gezien de mededeling van de Commissie van 9 maart 2015 over het EU-scorebord voor Justitie 2015 (COM(2015)0116),

–       gezien de mededeling van de Commissie van 20 januari 2015 getiteld "Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2 op de algemene begroting 2015" (COM(2015)0016),

–       gezien het jaarverslag 2013 over de bescherming van de financiële belangen van de EU - Fraudebestrijding,

–       gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–       gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0173/2015),

A.     overwegende dat de doorslaggevende rol van het EU-cohesiebeleid bij het verkleinen van regionale verschillen, het bevorderen van economische, sociale en territoriale cohesie van de regio's van de lidstaten en het ondersteunen van het scheppen van banen onbetwistbaar is; overwegende dat het cohesiebeleid, met een begroting van meer dan 350 miljard EUR tot 2020, het belangrijkste EU-brede beleidsterrein op het gebied van investeringen in de reële economie is, alsook een belangrijk instrument voor groei en werkgelegenheid in de EU; overwegende dat tijdens de economische crisis het cohesiebeleid het instrument bij uitstek is om het investeringsniveau in de diverse lidstaten te behouden; overwegende dat financiering in het kader van het cohesiebeleid voor een aantal lidstaten de belangrijkste bron van overheidsinvesteringen vormt; overwegende dat de concrete, zichtbare aard van de resultaten van het cohesiebeleid is bevestigd door vele verschillende evaluatiemethodes;

B.     overwegende dat uit de meest recente cijfers over 2013 blijkt dat de langdurige werkloosheid in de Unie zich met 5,1 % van de beroepsbevolking op een historisch hoog peil bevindt; overwegende dat langdurige werkloosheid cruciale gevolgen heeft voor iemands levensloop en een structureel karakter kan krijgen, vooral in perifere regio's;

C.     overwegende dat de overheidsinvesteringen in de Unie recentelijk in reële termen zijn afgenomen met 15 %, en overwegende dat vele regio's, met name de regio's die kampen met een demografische problematiek, geen passende bijdrage hebben kunnen leveren aan de verwezenlijking van de Europa 2020-doelstellingen, met name de kerndoelstelling van een werkgelegenheidspercentage van 75 % tegen 2020, de doelstelling om het aantal mensen in armoede met 20 miljoen te verminderen, en de doelstelling om voortijdig schoolverlaten terug te dringen;

D.     overwegende dat het te rechtvaardigen is dat de doelstellingen van het cohesiebeleid in de loop der tijd veranderd zijn als reactie op de nieuwe uitdagingen en problemen waarmee de Unie wordt geconfronteerd en dat het beleid zelf nauwer verweven is geraakt met de algemene beleidsagenda van de EU; overwegende dat de oorspronkelijke rol van het cohesiebeleid - het versterken van de economische, sociale en territoriale cohesie in alle EU-regio's, en in het bijzonder van minder ontwikkelde en de minst begunstigde regio's - evenwel moet worden bevorderd; overwegende dat het cohesiebeleid niet louter mag worden gezien als een instrument voor het bereiken van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie en andere EU-ontwikkelingsstrategieën, maar ook als investeringsbeleid in de gebieden;

E.     overwegende dat de economische crisis volgens het zesde cohesieverslag negatieve gevolgen heeft gehad voor de langetermijntrend in de richting van een verkleining van regionale verschillen en dat, ondanks enkele positieve ontwikkelingen, aan het begin van de nieuwe programmeringsperiode de uiteenlopende regionale verschillen nog steeds groot zijn;

F.     overwegende dat de middelen voor het cohesiebeleid middels een thematische concentratie worden toegespitst op een beperkt aantal strategische doelstellingen met groeipotentieel en met mogelijkheden op het gebied van het scheppen van banen, sociale inclusie, het milieu en de klimaatverandering;

G.     overwegende dat hoge groeicijfers en een sterke regionale economische convergentie niet mogelijk zijn zonder goed bestuur, daar er overeenkomstig het beginsel van meerlagig bestuur gezorgd moet worden voor een doeltreffendere betrokkenheid van alle partners op nationaal, regionaal en lokaal niveau, alsmede van de sociale partners en maatschappelijke organisaties;

H.     overwegende dat de partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's strategische instrumenten zijn die de investeringen in de lidstaten en de regio's sturen, zoals bedoeld in de artikelen 14, 16 en 29 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen met een tijdschema voor de indiening en vaststelling ervan, op grond waarvan de partnerschapsovereenkomsten eind augustus 2014 moeten zijn vastgesteld en de operationele programma's uiterlijk eind januari 2015;

I.      overwegende dat de opeenvolgende Raadsvoorzitters van 2015 en 2016 tijdens de informele Raadsvergadering in Gödöllő, Hongarije, in 2011 gevraagd zijn om te evalueren en te overwegen of de Territoriale Agenda van de EU 2020 moet worden herzien, waarbij rekening wordt gehouden met hoe deze in de praktijk werkt, en vervolgens eventueel een dergelijke herziening uit te voeren;

J.      overwegende dat de lidstaten, overeenkomstig artikel 175 VWEU, hun economische beleid voeren en coördineren met het oog op het verwezenlijken van de doelstellingen van harmonische ontwikkeling en versterking van de economische, sociale en territoriale cohesie, en overwegende dat het nieuwe investeringsplan daarom ook tot deze doelstellingen bijdraagt;

Resultaten en uitdagingen van het cohesiebeleid in de context van de economische en financiële crisis (programmeringsperiode 2007-2013)

1.      onderstreept dat het cohesiebeleid het belangrijkste instrument van de Europese Unie is dat is gericht op het verminderen van de economische, sociale en territoriale verschillen in de Europese regio's, in het kader waarvan hun concurrentievermogen wordt bevorderd en de klimaatverandering en energieafhankelijkheid worden aangepakt, terwijl tegelijkertijd een bijdrage wordt geleverd aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie; onderstreept dat de investeringen in het kader van het cohesiebeleid, ondanks de problemen van een aantal lidstaten en regio's om deze investeringen te cofinancieren, de negatieve gevolgen van de economische en financiële crisis voor een belangrijk deel hebben opgevangen en stabiliteit aan de regio's hebben gebracht door de fondsenstroom te waarborgen toen de nationale en regionale publieke en private investeringen sterk terugliepen; onderstreept dat de financiering uit hoofde van het cohesiebeleid gelijk was aan 21 % van de overheidsinvesteringen in de EU als geheel en aan 57 % in de cohesielanden tezamen;

2.      benadrukt dat bewezen is dat het cohesiebeleid snel kan reageren met flexibele maatregelen om de investeringskloof voor de lidstaten en de regio's aan te pakken, zoals het beperken van de nationale cofinanciering en het verstrekken van aanvullende vooruitbetalingen, alsook het opnieuw toewijzen van 13 % van de totale fondsen (45 miljard EUR) ter ondersteuning van de economische activiteit en de werkgelegenheid met directe gevolgen; is derhalve van mening dat een substantiële, grondige tussentijdse herziening van de doelstellingen en financieringsniveaus van fundamenteel belang is, indien mocht blijken dat de sociaaleconomische omstandigheden in de lidstaten of in een aantal van hun regio's zijn veranderd;

3.      onderstreept dat in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie het doel om de economische, sociale en territoriale cohesie en de solidariteit tussen de lidstaten te bevorderen, is vastgelegd;

4.      is ingenomen met de recente hervorming van het cohesiebeleid gericht op de aanpak van deze uitdagingen, op basis van een samenhangend strategisch kader voor 2014-2020 met duidelijke doelstellingen en stimulansen voor alle operationele programma's; verzoekt alle betrokkenen, en met name de belangrijkste betrokken autoriteiten, de effectiviteit en efficiëntie van de tenuitvoerlegging van het nieuwe wetgevingskader voor het cohesiebeleid te waarborgen door sterk de nadruk te leggen op het behalen van betere prestaties en resultaten; verzoekt alle betrokkenen goed functionerende mechanismen voor multilevel governance en coördinatie in te stellen om te zorgen voor samenhang tussen de programma's en ondersteuning bij de Europa 2020-strategie en landenspecifieke aanbevelingen;

5.      benadrukt dat een stabiel fiscaal en economisch – en regelgevings-, administratief en institutioneel – klimaat van essentieel belang is voor de effectiviteit van het cohesiebeleid, maar geen afbreuk mag doen aan het streven naar de doelstellingen en de verwezenlijking ervan; benadrukt in dit verband nogmaals dat een opschorting van betalingen, zoals bedoeld in artikel 23 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen, het de nationale, regionale en lokale autoriteiten moeilijker kan maken om te zorgen voor een doeltreffende planning en tenuitvoerlegging van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) voor de periode 2014-2020; benadrukt dat het beleid nauw moet worden afgestemd op de sectorale beleidsmaatregelen en dat er synergieën tot stand moeten worden gebracht met andere EU-investeringsregelingen, teneinde zowel de cohesie- als de Europa 2020-doelstellingen te verwezenlijken; herinnert er echter aan dat overeenkomstig artikel 175 VWEU alle economische beleidsmaatregelen gericht moeten zijn op de verwezenlijking van de doelstellingen inzake economische, sociale en territoriale cohesie;

6.      onderstreept dat het vergroten van de administratieve capaciteit voor programmering, uitvoering en evaluatie in de lidstaten van essentieel belang is voor een tijdige en succesvolle tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid;

7.      wijst erop dat er, hoewel het cohesiebeleid de gevolgen van de crisis heeft verzacht, nog steeds grote regionale verschillen bestaan, en dat de doelstelling van het cohesiebeleid om economische, sociale en territoriale verschillen te verkleinen, waarbij specifieke steun aan minder ontwikkelde regio's wordt verstrekt, nog niet overal is bereikt;

8.      wijst erop dat de lokale en regionale autoriteiten, ondanks de crisis en het feit dat de lokale financiën ernstig onder druk kwamen te staan, moesten blijven voldoen aan de vraag van burgers naar beter toegankelijke overheidsdiensten van hogere kwaliteit;

9.      onderstreept dat de herindustrialisering van de EU van groot belang is om te kunnen waarborgen dat de industriële productie tegen 2020 goed is voor een aandeel van ten minste 20 % van het bbp van de lidstaten; wijst er derhalve op dat het van groot belang is dat de beginselen inzake concurrentievermogen, duurzaamheid en betrouwbaarheid van de regelgeving proactief worden gesteund en versterkt om de werkgelegenheid en groei in Europa te stimuleren;

Tenuitvoerlegging en betalingsproblemen

10.    spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de aanzienlijke structurele vertraging bij de start van de programmeringsperiodes van het cohesiebeleid, als gevolg van vertraging bij de goedkeuring van de operationele programma's, onder meer via de overdrachtsprocedure; merkt op dat de druk op de betalingen kan oplopen door deze vertraging, met name in 2017 en 2018, die bovenop de bezorgdheden komt over de betreurenswaardige betalingsachterstand van circa 25 miljard EUR voor de programmeringsperiode 2007-2013; merkt op dat er, hoewel de situatie op het gebied van het cohesiebeleid -in een ruimere context bezien- beter is dan die op het gebied van plattelandsontwikkeling en visserij, bezorgdheid blijft bestaan over het feit dat een aanzienlijk aantal programma's van diverse lidstaten nog moet worden aangenomen; benadrukt dat deze vertragingen de geloofwaardigheid van de EU-begroting en de geloofwaardigheid, effectiviteit en duurzaamheid van het cohesiebeleid kunnen ondermijnen, waardoor het voor de nationale, regionale en lokale autoriteiten moeilijker wordt om de uitvoering van de periode 2007-2013 af te sluiten en om te zorgen voor een doeltreffende planning en tenuitvoerlegging van de ESIF voor de periode 2014-2020; is ingenomen met de recente inspanningen van de lidstaten en de Commissie op dit gebied, maar roept de Commissie op alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat alle resterende operationele programma's zonder verdere vertraging worden goedgekeurd, aangezien de voor het gebruik van niet-toegewezen middelen in 2014 vereiste herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) en het bijbehorende ontwerp van gewijzigde begroting reeds door het Parlement zijn goedgekeurd;

11.    wijst er nogmaals op dat het probleem van aanhoudende betalingsachterstanden vaker voorkomt bij het cohesiebeleid dan op enig ander beleidsterrein van de EU, waarbij eind 2014 24,8 miljard EUR aan facturen openstond voor het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en het Cohesiefonds (CF) voor de periode 2007-2013, wat neerkomt op een stijging van 5,6 % ten opzichte van 2013; spoort de Commissie aan alle beschikbare middelen aan te wenden om deze openstaande facturen te betalen; onderstreept dat hierdoor eerst en vooral de kleinste en kwetsbaarste begunstigden van het cohesiebeleid, zoals kmo's, ngo's en verenigingen, worden getroffen omdat hun mogelijkheden om uitgaven voor te financieren beperkt zijn;

12.    is verheugd over het feit dat de Raad, de Commissie en het Parlement zijn overeengekomen het aantal openstaande facturen, met name in verband met het cohesiebeleid, terug te brengen tot het structurele niveau in de loop van het huidige MFK, zoals is vastgesteld in de gezamenlijke verklaring bij het begrotingsakkoord van 2015, en neemt kennis van het op 23 maart 2015 ontvangen "Elementen voor een betalingsplan om de EU-begroting op een houdbaar niveau te brengen" van de Commissie; herinnert de Commissie aan haar toezegging om zo snel mogelijk met een betalingsplan te komen, en in elk geval vóór de indiening van de ontwerpbegroting voor 2016; herinnert alle instellingen voorts aan hun toezegging om in te stemmen met een dergelijk plan en om dit met ingang van 2015 en vóór de tussentijdse herziening van het MFK uit te voeren;

13.    onderstreept het feit dat de voorgestelde herziening van de MFK-maxima(16) waarbij 11,2 miljard EUR aan vastleggingen voor het subtotaal in rubriek 1b wordt overgedragen uit hoofde van artikel 19, lid 2, van de MFK-verordening, en de overdracht(17) van 8,5 miljard EUR aan vastleggingen uit hoofde van artikel 13, lid 2, onder a), van het Financieel Reglement van 2014 naar 2015, weliswaar voorkomen dat deze betalingskredieten in rubriek 1b worden geannuleerd, maar het onderliggende probleem van de vertragingen in verband met de programmering niet werkelijk oplossen en evenmin afdoen aan het feit dat de chronisch vertraagde tenuitvoerlegging en de stelselmatige achterstallige betalingen ernstige problemen kunnen opleveren voor de uiteindelijke begunstigden;

14.    onderstreept dat bovengenoemde achterstand binnen rubriek 1b van de EU-begroting in feite de belangrijkste onmiddellijke factor is die de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid in gevaar brengt, zowel in de vorige als naar verwachting in de huidige programmeringsperiode 2014-2020; wijst er nogmaals op dat de gevolgen van deze achterstand sterk voelbaar zijn voor de actoren van het cohesiebeleid in het veld, soms zelfs in extreme mate; verzoekt de Commissie derhalve een routekaart op te stellen met daarin een specifiek tijdschema voor concrete, stapsgewijze beleidsmaatregelen, ondersteund door geselecteerde begrotingsmiddelen, teneinde de achterstand te beperken en uiteindelijk weg te werken; hoopt dat de Raad de ernst en onhoudbaarheid van de situatie eindelijk zal inzien en bereid zal zijn een actieve bijdrage te leveren aan een duurzame oplossing voor het probleem; is ervan overtuigd dat met deze maatregelen allereerst moet worden beoogd om van 2015 het jaar te maken waarin de beperking van deze achterstand duidelijk voelbaar wordt;

15.    benadrukt dat het absoluut noodzakelijk is om de operationele programma's zo snel mogelijk na de vaststelling ervan ten uitvoer te leggen, teneinde de resultaten van de investeringen te maximaliseren, banengroei te stimuleren, de groei van de productiviteit verder te vergroten en bij te dragen tot de verwezenlijking van de klimaat- en energiedoelstellingen van de Unie, en dat de Commissie en de lidstaten alles in het werk moeten stellen om de vaststelling ervan te versnellen, zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit ervan; vraagt de Commissie onderzoek te doen naar alle mogelijkheden om haar interne procedures te stroomlijnen, en daarbij oog te blijven houden voor de noodzaak fraude te blijven bestrijden, teneinde de procedures op basis van de twee scenario's die worden overwogen voor de vaststelling van de operationele programma's te versnellen om verdere vertragingen van de start van de uitvoering te voorkomen;

16.    verzoekt de Commissie, met het oog op het bovengenoemde: het Parlement zo snel mogelijk de geplande maatregelen ter bevordering van de tenuitvoerlegging van de operationele programma's voor te leggen, met name teneinde de decommittering van middelen in 2017 te vermijden, samen met een voorstel voor een tijdschema; toe te lichten welke gevolgen de betalingsachterstand zal hebben voor de start van de tenuitvoerlegging van de nieuwe operationele programma's; oplossingen voor te stellen om de schade zoveel mogelijk te beperken; verzoekt de Commissie voorts om in het kader van het verslag over de uitkomst van de onderhandelingen als bedoeld in artikel 16, lid 3, van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen onderzoek te doen naar de mogelijke gevolgen van de vertraging bij de aanvang van het cohesiebeleid 2014-2020 voor de groei en werkgelegenheid en tevens aanbevelingen te doen op basis van de hieruit getrokken lessen;

17.    is van mening dat het financieel profiel van het MFK 2014-2020 zoals dit naar voren komt in het door de Commissie ingediende voorstel tot wijziging van de MFK-verordening, waarmee alle niet toegewezen middelen uit 2014 worden overgeheveld naar één enkel jaar, 2015, gepaard gaat met het grote risico dat middelen voor programma's die niet in 2014 werden goedgekeurd, in 2018 worden geannuleerd en dat daarmee dus geen stimulans wordt geboden voor een volledig gebruik van de EU-middelen en een daadwerkelijke ondersteuning van investeringen in de EU ten gunste van groei en werkgelegenheid; verzoekt de Commissie om in het kader van de opstelling van het strategisch verslag 2017 overeenkomstig artikel 53 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen tijdig geschikte maatregelen, waaronder wetgevende maatregelen, voor te stellen om een dergelijk annuleringsrisico te vermijden;

18.    is bezorgd over de lage absorptie van financiële middelen in de programmeringsperiode 2007-2013 in bepaalde lidstaten en waarschuwt ervoor dat de onderliggende redenen moeten worden aangepakt om te voorkomen dat dezelfde problemen zich in de volgende periode weer voordoen; benadrukt dat administratieve capaciteit essentieel is voor de doeltreffende en efficiënte tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid; benadrukt dat instabiliteit in het overheidsapparaat, in combinatie met een zwakke beleidscoördinatie, de succesvolle tenuitvoerlegging van de ESIF kan ondermijnen en een bedreiging kan vormen voor een doeltreffend beheer van het beleid in het algemeen;

19.    stelt voor om, voor de voorbereiding van de volgende programmeringsperiode, regelgeving met betrekking tot de programmering gescheiden van en voorafgaande aan begrotingsvoorstellen in te voeren, om op die manier afzonderlijke debatten te kunnen voeren over inhoud en geld en voldoende tijd over te houden voor een grondige voorbereiding van de programma's; herinnert eraan dat, hoewel de regelgeving zeer uitgebreid is, deze de lidstaten en regio's geen volledige zekerheid zou bieden en een bron van uiteenlopende interpretaties kan zijn; wijst erop dat er nog steeds ruimte is om de regelgeving te vereenvoudigen;

20.    verzoekt de Commissie om de gevallen waarin sprake is van financiële bijstellingen of opschorting van betalingen, aandachtig te onderzoeken, waarbij rekening wordt gehouden met de eventuele gevolgen voor werkgelegenheid en groei;

Cohesiebeleid als kernelement van slimme, duurzame en inclusieve investeringen 2014-2020

21.    wijst opnieuw op de oorspronkelijke rol van het cohesiebeleid om economische, sociale en territoriale cohesie te bevorderen en regionale verschillen te beperken door met name steun te verlenen aan minder ontwikkelde regio's; onderstreept dat het beleid, gezien de aard en oorspronkelijke opzet ervan zoals uiteengezet in het Verdrag, vanzelfsprekend een bijdrage levert aan de doelstellingen van de Unie, met name aan de Europa 2020-doelstellingen van slimme, duurzame en inclusieve groei, alsook aan de fundamentele doelstelling van het Verdrag om de territoriale cohesie te versterken;

22.    is ingenomen met het nieuwe Europese Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en het mogelijke hefboomeffect ervan; benadrukt dat de hoofddoelstelling van het EFSI het waarborgen van de economische, sociale en territoriale cohesie moet zijn en dat alle regio's van de EU er derhalve van moeten kunnen profiteren; wijst erop dat de middelen van het EFSI een additioneel karakter moeten hebben en dat er derhalve sprake moet zijn van complementariteit en synergie tussen dit fonds en de ESIF, waarbij ze wel financieel volledig gescheiden van elkaar blijven, en raadt de betrokken partijen aan om, in het verlengde hiervan, voort te bouwen op de ervaring die is opgedaan bij de tenuitvoerlegging van het Europese economische herstelplan in 2008, met name wat slimme investeringen betreft;

23.    verzoekt de Commissie en de lidstaten om te zorgen voor een nauwere coördinatie en samenhang tussen alle EU-maatregelen op het gebied van investerings- en ontwikkelingsbeleid, met name het cohesiebeleid, alsook tussen de ESIF, andere EU-fondsen en de nationale en regionale financieringsinstrumenten, om te zorgen voor complementariteit en een grotere synergie en om overlap en verdubbeling van steun te voorkomen, alsook om een hoge Europese meerwaarde van de EU-financiering te waarborgen; nodigt de Commissie uit om verslag uit te brengen over synergieën in de komende cohesieverslagen; stelt voor om bij de tenuitvoerlegging van dit nieuwe EU-investeringsplan voort te bouwen op de ervaring die is opgedaan bij de drie gezamenlijke initiatieven JEREMIE, JESSICA en JASMINE, in het kader waarvan meer Structuurfondsen ter beschikking konden worden gesteld (van 1,2 miljard EUR in 2000-2006 naar 8,4 miljard EUR in 2007-2012); dringt aan op een brede, gedetailleerde analyse, met betrokkenheid van de Europese Investeringsbank (EIB) en het Europees Investeringsfonds (EIF);

24.    onderstreept dat de wetgeving inzake cohesiebeleid voorziet in een ruimer gebruik van de financiële instrumenten, teneinde hun bijdrage te verdubbelen tot circa 25-30 miljard EUR in 2014-2020, door hun toepassingsgebied uit te breiden en de lidstaten en de regio's meer flexibiliteit te bieden; benadrukt de rol van financiële instrumenten bij het mobiliseren van publieke of particuliere co-investeringen om marktfalen aan te pakken overeenkomstig de Europa 2020-strategie en de prioriteiten van het cohesiebeleid; ondersteunt met name het risicodelende "kmo-initiatief", en verzoekt de Commissie alles in het werk te stellen om de financiële instrumenten gemakkelijk bruikbaar en aantrekkelijk te maken voor de lidstaten en de regio's, zodat de verdubbeling van de bijdragen aan de financiële instrumenten op eigen kracht wordt bereikt en de belanghebbenden instaan voor dit doel; onderstreept de noodzaak te zorgen voor transparantie, verantwoording en toezicht voor financiële instrumenten waarbij EU-middelen betrokken zijn;

25.    waarschuwt er echter voor dat het EFSI de strategische samenhang en het langetermijnperspectief van de programmeringsperiode van het cohesiebeleid niet mag ondermijnen; benadrukt dat een herschikking van de Structuurfondsen een averechts effect zou hebben en daarom niet kan worden aanvaard, aangezien het de doeltreffendheid ervan -en de ontwikkeling van de regio's- in gevaar zou brengen; benadrukt dat de financiële toewijzingen aan de lidstaten zoals overeengekomen in het kader van rubriek 1b van het MFK voor 2014-2020 niet kunnen worden gewijzigd ten behoeve van het EFSI; benadrukt dat de vervanging van subsidies door leningen, kapitaalinbreng of garanties, hetgeen weliswaar bepaalde voordelen biedt, met voorzichtigheid en met inachtneming van regionale verschillen en de diversiteit van praktijken en ervaringen tussen regio's betreffende het gebruik van financiële instrumenten ten uitvoer moet worden gelegd; wijst erop dat de regio's met de dringendste behoefte aan stimulansen voor investeringen vaak over weinig administratieve capaciteit en absorptievermogen beschikken;

26.    waarschuwt ervoor dat de flexibiliteit die wordt toegestaan bij de selectie van projecten voor EFSI-financiering het risico met zich meebrengt dat investeringen naar meer ontwikkelde lidstaten worden gekanaliseerd, zodat de economische, sociale en territoriale cohesie wordt ondermijnd; vraagt de Commissie om de relatie tussen het EFSI en de ESIF nauwlettend in de gaten te houden;

Doeltreffendheid, efficiëntie en prestatiegerichtheid van het cohesiebeleid 2014-2020

27.    benadrukt het belang van alle maatregelen gericht op het vergroten van de doeltreffendheid, vereenvoudiging, efficiëntie en resultaat- en prestatiegerichtheid van het cohesiebeleid die moeten zorgen voor een verschuiving van absorptiecriteria van fondsen naar kwaliteit van uitgaven en hoge toegevoegde waarde van de medegefinancierde verrichtingen; suggereert in dit verband om technische aanpassingen van de betreffende ESIF-verordeningen voor te stellen;

28.    is ingenomen met de thematische concentratie ter ondersteuning van investeringen in slimme, duurzame en inclusieve groei, gericht op het creëren van groei en banen, het aanpakken van klimaatverandering en energieafhankelijkheid en het bestrijden van armoede en sociale uitsluiting, alsook met de verscherpte aandacht voor resultaten en meetbaarheid in de programma's voor de periode 2014-2020, die moeten bijdragen aan een verdere vergroting van de doelmatigheid en doeltreffendheid van het cohesiebeleid; wijst tegelijkertijd op de noodzaak van meer flexibiliteit voor de regio's, afhankelijk van de lokale en regionale specifieke kenmerken, met name in de context van de ernstige crisis, teneinde de kloof tussen de ontwikkelingsniveaus van de diverse regio's van de Unie te verkleinen; verzoekt om een werkelijk geïntegreerde en territoriale aanpak van doelprogramma's en -projecten die gericht zijn op de behoeften in het veld;

29.    dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan te zorgen voor coherentie tussen de nationale hervormingsprogramma's en de operationele programma's, teneinde de landenspecifieke aanbevelingen adequaat ten uitvoer te kunnen leggen en volledige overeenstemming te garanderen met de procedures inzake economisch bestuur en zodoende het risico op vroege herprogrammering te beperken;

30.    wijst in dit verband nogmaals op het initiële verzet van het Parlement, en benadrukt zijn verantwoordelijkheid om volledig betrokken te zijn en om toezicht te houden en nauwkeurig onderzoek te doen; vraagt de Commissie en de Raad om tijdig volledige, transparante informatie te verstrekken over de criteria voor en de volledige procedure die kan leiden tot een herbestemming of een opschorting van de vastleggingen of betalingen van de ESIF in overeenstemming met artikel 23, lid 15, van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen; wijst erop dat de beslissing over de opschorting van vastleggingen of betalingen als laatste redmiddel moet worden gebruikt, als alle andere opties uitgeput zijn en na beoordeling van mogelijke gevolgen voor groei en banen, omdat het opschorten van vastleggingen of betalingen ernstige gevolgen kan hebben voor nationale, regionale en lokale autoriteiten, alsook voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het cohesiebeleid als geheel; is van mening dat het duurzamer en efficiënter maken van het cohesiebeleid het doel van macro-economische conditionaliteit moet zijn, en verwerpt het idee dat regio's, gemeenten of burgers moeten worden benadeeld vanwege door nationale regeringen genomen macro-economische besluiten; vestigt de aandacht op de aanzienlijke administratieve lasten die een herbestemming van middelen met zich mee kan brengen; herinnert eraan dat voor een voorstel voor herprogrammering ingediend overeenkomstig artikel 23, lid 4, van die verordening de voorafgaande raadpleging van het betrokken toezichtcomité als bedoeld in artikel 49, lid 3, van diezelfde verordening is vereist;

31.    wijst erop dat een groot deel van de onregelmatigheden te wijten is aan complexe eisen en regelgeving; benadrukt dat het aantal onregelmatigheden bij de tenuitvoerlegging van cohesieprogramma's kan worden teruggebracht door het beheer en de procedures te vereenvoudigen, door de onlangs aangenomen betreffende richtlijnen snel om te zetten, en door de administratieve capaciteit, met name in de minder ontwikkelde regio's, te versterken; benadrukt derhalve dat de administratieve lasten voor begunstigden, bij het waarborgen van de noodzakelijke controles op de rechtmatigheid van de besteding van ESIF-middelen, zo beperkt mogelijk moeten worden gehouden, alsook dat gestreefd moet worden naar optimalisering en verbetering van de flexibiliteit van de beheers- en controlesystemen en dat er behoefte is aan een sterkere focus op risicobeoordeling en correcte toekenning van verantwoordelijkheden van alle autoriteiten, terwijl er tegelijkertijd geen sprake is van ondermijning van het vaststellen van sterkere controleprocedures om onregelmatigheden efficiënter te voorkomen en, bijgevolg, om financiële correcties, alsook onderbrekingen en opschortingen van betalingen te vermijden; maakt zich zorgen over de lage uitbetalingspercentages uit de financiële instrumenten aan de begunstigden, met name met het oog op de doelstelling om het gebruik van deze instrumenten te verhogen; vraagt in dit verband de lidstaten, de beheersautoriteiten en andere relevante belanghebbenden die met deze financiële instrumenten werken om volledig gebruik te maken van de technische bijstand die wordt verleend via het Technisch adviesplatform voor financiële instrumenten (Financial Instruments - Technical Advisory Platform (FI-TAP)) en het fi-compass;

Werkgelegenheid, kmo's, jongeren en onderwijs

32.    benadrukt dat de ESIF een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren aan het omkeren van de negatieve sociale gevolgen van de crisis, en dat hiertoe een geïntegreerde aanpak in het kader van meerfondsenprogrammering moet worden gestimuleerd en vereenvoudigd, met een efficiëntere coördinatie van en meer flexibiliteit tussen de fondsen, zodat met name de synergieën tussen het ESF en het EFRO beter kunnen worden benut; benadrukt dat de door het ESF gefinancierde investeringen geen optimale resultaten kunnen opleveren wanneer de relevante infrastructuur en de passende instellingen ontbreken; wijst op het feit dat de ESIF op doeltreffende wijze steun kunnen bieden aan sociale inclusie, en derhalve moeten worden aangewend om een bijdrage te leveren aan de integratie van kansarme en kwetsbare groepen, zoals Roma en mensen met een handicap, alsook om de overgang van institutionele naar gemeenschapsgerichte diensten voor kinderen en volwassenen te ondersteunen;

33.    dringt er bij de Commissie op aan bijzondere aandacht te schenken aan de situatie van minderheidsgroepen in de Unie, omdat zij te lijden hebben onder alle vormen van sociale uitsluiting, waardoor zij eerder worden getroffen door structurele werkloosheid; is van mening dat bij iedere ontwikkeling van het beleid dat gericht is op sociale cohesie in de Unie rekening moet worden gehouden met de integratie van minderheden;

34.    benadrukt de belangrijke rol van kmo's bij het scheppen van werkgelegenheid en wijst op hun potentieel om slimme groei en de digitale en koolstofarme economie te bevorderen; verzoekt om een gunstig regelgevingsklimaat dat bevorderlijk is voor de oprichting en exploitatie van dergelijke ondernemingen, met name van door jonge mensen opgerichte ondernemingen en van ondernemingen op het platteland; onderstreept het belang van het verminderen van de bureaucratische lasten voor kmo's en van het verbeteren van de toegang van deze ondernemingen tot financiering, en de noodzaak om steun te verlenen aan programma's en opleidingen ter bevordering van de ontwikkeling van ondernemersvaardigheden;

35.    onderstreept dat kmo's 99 % van de bedrijfsstructuur in de EU uitmaken en goed zijn voor 80 % van de banen in de EU;

36.    spreekt zijn bezorgdheid uit over het door de Commissie vastgestelde te lage maximumbedrag (5 miljoen EUR) aan EFRO-steun voor kleinschalige, culturele en duurzame toeristische infrastructuren, dat bovendien wordt gedefinieerd als totale kosten in plaats van subsidiabele kosten, en benadrukt het sterke positieve effect dat dergelijke projecten kunnen hebben op regionale ontwikkeling, en meer specifiek in sociaaleconomisch opzicht en wat betreft sociale inclusie en aantrekkelijkheid;

37.    is het eens met de analyse van de Commissie dat het evenwicht tussen economische en sociale prioriteiten, met name met betrekking tot economische groei enerzijds, en sociale integratie, onderwijs en duurzame ontwikkeling anderzijds, in sommige lidstaten kan worden verbeterd, geschraagd door een zinvolle dialoog met partners en belanghebbenden; benadrukt dat een duidelijke strategie ter verbetering van het institutionele kader wat betreft de administratieve capaciteit en de kwaliteit van de rechtspraak van doorslaggevend belang is voor de verwezenlijking van deze prioriteiten;

38.    benadrukt het belang van het ESF, met de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, waarmee steun moet worden gegeven aan een zo groot mogelijk aantal levensvatbare projecten voor het scheppen van banen, bijvoorbeeld in de vorm van bedrijfsinitiatieven;

39.    waarschuwt ervoor dat door de alarmerende jeugdwerkloosheidscijfers het verlies van een hele generatie dreigt, in het bijzonder in minder ontwikkelde regio's en de regio's die het zwaarst getroffen zijn door de crisis en de werkloosheid; hamert erop dat het bevorderen van de integratie van jongeren op de arbeidsmarkt een topprioriteit moet blijven, waarbij de actieve bijdrage van de EU onontbeerlijk is en waaraan het geïntegreerde gebruik van het ESF, het EFRO, het Cohesiefonds en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief een belangrijke bijdrage kan leveren; is van mening dat in dit verband een meer resultaatgerichte aanpak moet worden gevolgd om een optimaal gebruik van de beschikbare middelen te waarborgen, waardoor de werkgelegenheid en het concurrentievermogen worden bevorderd, er meer inkomsten worden gegenereerd en de hele EU-economie wordt begunstigd; onderstreept in dit opzicht de essentiële rol van de jongerengarantie om jongeren tot 25 jaar te helpen een hoogwaardige baan te vinden of de opleiding te volgen en de vaardigheden en ervaring te verwerven die zij nodig hebben om een baan te vinden; benadrukt dat alle middelen die nodig zijn om de jongerengarantie en de overige maatregelen van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ten uitvoer te leggen, zo snel mogelijk moeten worden vrijgemaakt; is van mening dat gebruik moet worden gemaakt van duidelijke, direct begrijpelijke effectindicatoren, waarmee de bijdrage van EU-fondsen aan groei en werkgelegenheid goed kan worden gemeten;

40.    wijst erop dat voort moet worden geijverd om nog andere manieren te vinden om de resultaten op het gebied van jeugdwerkgelegenheid te verbeteren, aangezien die resultaten ondanks de aanneming van de ESF-verordening en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief niet goed waren; onderstreept de politieke toezegging van de EU om onmiddellijke steun te verlenen aan de integratie van jongeren op de arbeidsmarkt;

41.    benadrukt dat, vanwege wijzigingen in de productiepatronen en de vergrijzing van de bevolking, de rol van het ESF en van de investeringen in de aanpassing van de vaardigheden van werknemers aanzienlijk is toegenomen; is er in dit verband stellig van overtuigd dat het ESF een aanvulling moet vormen op het nationaal beleid van de lidstaten; dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan ervoor te zorgen dat de beschikbare middelen zo doelmatig en efficiënt mogelijk worden aangewend om de inzetbaarheid van de werknemers, sociale integratie en gendergelijkheid te waarborgen; onderstreept tegelijkertijd dat uit hoofde van het ESF gefinancierde opleidingsprogramma's ook afgestemd moeten worden op de behoeften van ondernemers en personeel op leidinggevend niveau, teneinde een duurzame ontwikkeling van bedrijven te waarborgen, met name van kmo's, die de meeste banen in de Unie genereren;

42.    roept de lidstaten en de Commissie op te blijven werken aan de verbetering en verdieping van het Eures-platform als doeltreffend hulpmiddel om de mobiliteit van werknemers in Europa, in het bijzonder de grensoverschrijdende mobiliteit, te bevorderen door hun kennis van de arbeidsmarkt van de Unie te verbeteren, hen te informeren over de arbeidskansen en hen te helpen met de formaliteiten; moedigt de lidstaten aan Eures-netwerken te ontwikkelen en te ondersteunen, niet in de laatste plaats omdat grensarbeiders de eersten zijn die te maken hebben met problemen en moeilijkheden om hun beroepskwalificaties erkend te krijgen; stelt vast dat deze netwerken, doordat zij de openbare diensten voor arbeidsvoorziening, sociale partners, lokale en regionale overheden en overige particuliere belanghebbenden verenigen, de grensoverschrijdende mobiliteit vergemakkelijken en ondersteunen;

43.    beklemtoont de noodzaak om bij het scheppen van hoogwaardige banen gebruik te maken van nieuwe technologieën; is van oordeel dat de Commissie een verband moet leggen tussen de terugdringing van de werkloosheid en de instrumenten van de Digitale Agenda en Horizon 2020;

44.    merkt op dat het aantal voortijdige schoolverlaters in de Unie nog steeds hoog is, hetgeen van invloed is op de jeugdwerkloosheid; benadrukt dat dit probleem moet worden opgelost door onderwijsprogramma's en curricula te moderniseren en daarbij gebruik te maken van het ESF;

45.    wijst erop dat het zonder effectieve samenwerking tussen onderwijsinstellingen en spelers op de arbeidsmarkt onmogelijk zal zijn om de hoge werkloosheid onder jonge afgestudeerden in de EU te verhelpen; benadrukt met name dat door het bijbrengen van de kennis en vaardigheden die op de arbeidsmarkt nodig zijn, de arbeidsparticipatie van jongeren gestegen is en de sociale verschillen verkleind zijn;

46.    onderstreept het belang van de genderdimensie voor banengroei; dringt er bij de Commissie op aan voldoende financiering toe te wijzen voor de aanpak van werkloosheid onder vrouwen; is van oordeel dat vrouwen kunnen profiteren van technologische vooruitgang waardoor ze flexibelere werktijden kunnen krijgen, en dringt er bij de Commissie op aan hierin te investeren;

47.    herhaalt dat er opvang voor jonge kinderen moet worden gecreëerd om de aanwezigheid van vrouwen op de arbeidsmarkt te bevorderen, en vraagt de Commissie derhalve om innovatieve projecten in dit verband te ondersteunen; wijst erop dat investeringen in de openbare infrastructuur, zoals voorzieningen voor kinderopvang, de kansen verhogen voor vrouwen om actief deel te nemen aan de economie en de arbeidsmarkt;

48.    verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten om, met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen met betrekking tot werkgelegenheid en sociale integratie, rekening te houden met de behoeften van vrouwen die terugkeren van zwangerschapsverlof, werkgevers te motiveren om vrouwen aan te werven na hun zwangerschapsverlof, flexibele werkregelingen te vergemakkelijken en bijscholing (voor een leven lang leren) te bevorderen om vrouwen in staat te stellen hun professionele carrière op soepele wijze te hervatten;

Governance van het beleid

49.    benadrukt dat het cohesiebeleid moet worden gevoerd in een geest van een goed functionerend systeem van multilevel governance en doeltreffend moet zijn gestructureerd om aan de behoeften van burgers en bedrijven te voldoen, alsook voorzien moet zijn van een transparant en innovatief stelsel van overheidsaanbestedingen, hetgeen allemaal van cruciaal belang is om de impact van het beleid te vergroten; benadrukt in dit verband dat, niettegenstaande het belang van op het niveau van de EU en de lidstaten genomen besluiten, de lokale en regionale autoriteiten vaak de hoofdverantwoordelijkheid hebben voor overheidsinvesteringen, en dat het cohesiebeleid een essentieel instrument is aan de hand waarvan deze autoriteiten een belangrijke rol in de EU kunnen vervullen; wijst in dit verband nogmaals op de noodzaak van een brede tenuitvoerlegging van het partnerschapsbeginsel zoals omschreven in de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen en de gedragscode inzake partnerschap;

50.    beveelt aan om de middelen en kennis van het cohesiebeleid aan te wenden om de administratieve capaciteit van overheidsautoriteiten aanzienlijk te versterken, met name op lokaal en regionaal niveau, onder meer door meer gebruik te maken van nieuwe technologieën en te streven naar beter gestroomlijnde procedures, zodat zij beter in staat worden gesteld om de burgers kwaliteitsdiensten te verlenen; verzoekt de Commissie te omschrijven welke vormen van administratieve bijstand kunnen worden verleend bij belangrijke kwesties, zoals de formulering van doelstellingen van initiatieven, de beoordeling van de resultaten hiervan aan de hand van geschikte indicatoren, en de vaststelling van vervolgmaatregelen, teneinde bij te dragen aan de totstandbrenging van een administratieve cultuur op basis van toezicht en evaluatie in de gehele EU; acht het belangrijk dat de lokale en regionale autoriteiten worden bijgestaan op het gebied van innovatieve financiële instrumenten, die van cruciaal belang zijn om tot meer middelen en investeringen te komen, en op het gebied van overheidsaanbestedingen, die steeds meer moeten dienen als een overheidsinstrument om innovatie en creativiteit te stimuleren;

51.    betreurt dat het zesde cohesieverslag geen uitgebreide beoordeling omvat van de resultaten van Jaspers, de faciliteit voor technische bijstand, waarmee de lidstaten in de periode 2007-2013 van de nodige technische bijstand werden voorzien om hoogwaardige, grote projecten voor te bereiden die in aanmerking kwamen voor medefinanciering met EU-middelen; is ingenomen met de oprichting van het netwerkplatform Jaspers voor activiteiten voor capaciteitsopbouw in 2013 en de oprichting in 2014 van het netwerk- en competentiecentrum voor de levering van gespecialiseerde expertise bij de voorbereiding van projecten in de programmeringsperiode 2014-2020; verwelkomt de oprichting van een competentiecentrum voor de opbouw van bestuurlijke capaciteit betreffende de ESIF, dat moet bijdragen aan de versterking van de capaciteit van alle autoriteiten in de lidstaten die betrokken zijn bij het beheer en de tenuitvoerlegging van de ESIF;

52.    is ingenomen met het feit dat de Commissie steeds meer aandacht besteedt aan de rol van bestuur en is het ermee eens dat goed bestuur en hoogwaardige overheidsdiensten, die onder meer vrij zijn van corruptie, van essentieel belang zijn voor een stabiel investeringsklimaat; vraagt om grote ambities om uitgaven in het kader van het cohesiebeleid minder gevoelig te maken voor frauduleus gebruik en om fraudebestrijdingsmaatregelen strikt toe te passen;

53.    is ervan overtuigd dat de gedragscode inzake partnerschap de deelname aan alle stadia in de regio's qua vorm en inhoud ten goede komt, en ten volle moet worden toegepast, aangezien deze van fundamenteel belang is om het cohesiebeleid meer effect te laten sorteren en de impact ervan in het veld te consolideren; feliciteert de lidstaten en de regio's die erin zijn geslaagd hun partners in overeenstemming met de gedragscode inzake partnerschap bij de voorbereiding van de partnerschapsovereenkomsten en de operationele programma's te betrekken; spreekt echter diepe bezorgdheid uit over de talrijke gevallen van gebrekkige toepassing van het partnerschapsbeginsel, en roept de Commissie op geen programma's goed te keuren waarbij de partners onvoldoende zijn betrokken; onderstreept het belang om ruchtbaarheid te geven aan voorbeelden van goede werkwijzen bij de organisatie van partnerschappen, zoals beschreven in de gedragscode; roept de Commissie bovendien op het Parlement regelmatig een verslag voor te leggen met een beoordeling van de stand van zaken van de tenuitvoerlegging van het partnerschapsbeginsel;

Territoriale dimensie

54.    wijst met bezorgdheid op het relatieve gebrek aan verwijzingen naar de territoriale benadering, met name naar grensoverschrijdende samenwerking, in het zesde cohesieverslag, ondanks het feit dat dit een essentieel instrument is om de economische, sociale en territoriale cohesie te versterken; wijst erop dat de opneming van alle grensoverschrijdende en macro-regionale aspecten een verrijkend effect zou hebben gehad, bijv. voor wat infrastructuur, arbeidsmarkten en mobiliteit, het milieu (inclusief een gemeenschappelijk rampenbestrijdingsplan), watergebruik en afvoer van afvalwater, afvalbeheer, gezondheidszorg, onderzoek en ontwikkeling, toerisme, openbare dienstverlening en bestuur betreft, aangezien al deze gebieden opvallende grensoverschrijdende elementen en mogelijkheden bevatten; is van mening dat de Europese grens- en grensoverschrijdende regio's in de programmeringsperiode 2014-2020 aanzienlijke vooruitgang zullen boeken voor wat het doorbreken van de crisis betreft, door slimmer, inclusiever en duurzamer op te treden;

55.    onderstreept dat de geïntegreerde en territoriale aanpak van essentieel belang is, met name voor milieu- en energieaangelegenheden;

56.    is ingenomen met de invoering van nieuwe instrumenten voor de coördinatie van belanghebbenden en de integratie van EU-beleid, en voor de toespitsing van investeringen op de werkelijke behoeften in het veld, zoals de geïntegreerde territoriale investeringen en de vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkelingsinstrumenten, waarmee evenwichtige territoriale ontwikkeling wordt nagestreefd; wijst op het belang van de goedkeuring van instrumenten om de territoriale impact van beleidsmaatregelen te beoordelen, met als belangrijkste doelstelling de territoriale impact van EU-beleidsmaatregelen op lokale en regionale autoriteiten te onderzoeken en meer aandacht te besteden aan die impact in het wetgevingsproces, en erkent de bestaande uitdagingen voor de tenuitvoerlegging van geïntegreerd territoriaal beleid, gezien de resterende regelgevingsverschillen binnen de EU-fondsen en de sterk uiteenlopende omvang van de bevoegdheden van regionale en lokale gemeenschappen binnen de lidstaten en de beheersautoriteiten; verzoekt om een algemene, geïntegreerde EU-investeringsstrategie, waarvan de Europese stedelijke agenda een deel uitmaakt, en een versterking van de Territoriale Agenda van de EU 2020 die werd goedgekeurd tijdens het Hongaarse voorzitterschap in 2011 en naar verwachting door de voorzitterschappen van 2015 zal worden geëvalueerd; is van mening dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan het versterken van de rol van kleine en middelgrote stedelijke gebieden;

57.    stelt met bezorgdheid vast dat er te weinig aanwijzingen zijn over de wijze waarop de beginselen en prioriteiten van de Territoriale Agenda van de EU 2020 in aanmerking zijn genomen bij de tenuitvoerlegging van de programma's van het cohesiebeleid in de periode 2007-2013; dringt erop aan in de periode 2014-2020 adequate evaluatiemechanismen in te zetten om een beoordeling te kunnen maken van de territoriale dimensie van het cohesiebeleid;

58.    keurt desalniettemin goed dat stadsbeleid in het verslag wordt benadrukt, gezien het belang van steden in de gemondialiseerde economie en hun potentiële impact op het gebied van duurzaamheid; wijst erop dat de Europese regio's en steden zich inzetten voor de overgang naar een groenere groei, zoals verankerd in het Burgemeestersconvenant; beveelt aan om de grootste verschillen in ontwikkeling tussen plattelandsgebieden en stedelijke gebieden ook naar behoren aan te pakken, evenals de problematiek in grootstedelijke regio's, die zowel veerkrachtig als kwetsbaar zijn;

59.    betreurt dat polycentrische territoriale ontwikkeling in het zesde cohesieverslag niet wordt genoemd als essentieel element voor het bereiken van territoriale cohesie en territoriaal concurrentievermogen in overeenstemming met de Territoriale Agenda van de EU 2020 en het ESPON-verslag 2013 getiteld "Making Europe Open and Polycentric" (Europa open en polycentrisch maken); benadrukt de rol van kleine en middelgrote steden en het belang om de functionele banden van stedelijke centra met de omliggende gebieden te versterken om evenwichtige territoriale ontwikkeling te bereiken;

60.    verzoekt om een striktere naleving van artikel 174 VWEU inzake territoriale cohesie, met name ten aanzien van plattelandsgebieden, waarbij passende aandacht wordt besteed aan het belangrijke verband tussen cohesiebeleid en plattelandsontwikkeling, in het bijzonder met betrekking tot gebieden die een industriële overgang doormaken en regio's die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, zoals ultraperifere regio's, de meest noordelijke regio's met een geringe bevolkingsdichtheid, alsmede insulaire, grensoverschrijdende en berggebieden; beveelt aan om tevens aandacht te besteden aan andere demografische problemen met grote gevolgen op regionaal niveau, zoals ontvolking, vergrijzing en een zeer verspreid wonende bevolking; verzoekt de Commissie om bij de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid bijzondere aandacht te besteden aan de regio's die het in geografisch en demografisch opzicht het moeilijkst hebben;

61.    is van mening dat in het zesde cohesieverslag onvoldoende aandacht wordt besteed aan Europese territoriale samenwerking, aangezien dit sinds de programmeringsperiode 2007-2013 een volwaardige doelstelling van het cohesiebeleid is; herinnert aan het potentieel van de Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), niet alleen als een instrument voor het beheer van grensoverschrijdende governance, maar ook als een manier om bij te dragen aan een volledig geïntegreerde territoriale ontwikkeling;

62.    verzoekt om nauwere coördinatie tussen het cohesiebeleid, het pretoetredingsinstrument en het EU-nabuurschapsbeleid, evenals om een betere beoordeling en verspreiding van de projectresultaten;

Het cohesiebeleid op de lange termijn

63.    herinnert eraan, met het oog op al het bovengenoemde, dat het debat inzake het EU-cohesiebeleid een nieuwe impuls moet krijgen; stelt dat 2019, het jaar waarin verkiezingen van het Europees Parlement zullen worden gehouden, van doorslaggevend belang zal zijn, aangezien het nieuw verkozen Parlement en de nieuwe Commissie dan te maken krijgen met de beëindiging van de Europa 2020-strategie en een nieuw MFK, alsook met de waarborging van de toekomst van het cohesiebeleid na 2020 met een passende begroting en de opstelling van nieuwe wetgeving voor het cohesiebeleid; merkt op dat in het debat over het cohesiebeleid rekening moet worden gehouden met de ernstige tijdsdruk en vertraging aan het begin van de huidige programmeringsperiode;

64.    benadrukt het cruciale belang van administratieve capaciteit; verzoekt de beleidsmakers op alle bestuursniveaus gerichte technische bijstand voor de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid in het algemeen te bevorderen, en in het bijzonder voor een ruimer gebruik van de financiële instrumenten in combinatie met de ESIF;

65.    is van mening dat cohesiebeleidsmaatregelen een essentiële rol moeten spelen om de interne verschillen in concurrentievermogen en de structurele onevenwichtigheden te verkleinen in de regio's die daar het meest behoefte aan hebben; dringt er bij de Commissie op aan voorfinanciering te overwegen om in de periode 2014-2020 voor de betrokken lidstaten maximale benutting van fondsen te vergemakkelijken en daarbij altijd te waarborgen dat het beginsel van budgettaire verantwoordelijkheid wordt geëerbiedigd;

66.    verzoekt de lidstaten om in hun nationale parlementen regelmatig politieke debatten op hoog niveau te voeren over de doeltreffendheid, efficiëntie en tijdige tenuitvoerlegging van de ESIF en over de bijdrage van het cohesiebeleid aan de verwezenlijking van de macro-economische doelstellingen;

67.    verzoekt om regelmatige Raadsvergaderingen met de ministers voor cohesiebeleid, teneinde te voorzien in de behoefte om toezicht te houden op en het hoofd te bieden aan de voortdurende uitdagingen voor de economische, sociale en territoriale cohesie van de EU;

°

°         °

68.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

 PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.

(2)

 PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.

(3)

 PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470.

(4)

 PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.

(5)

 PB L 347 van 20.12.2013, blz. 303.

(6)

 PB L 347 van 20.12.2013, blz. 281.

(7)

 PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.

(8)

 PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(9)

 Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0002.

(10)

           angenomen teksten, P7_TA(2014)0015.

(11)

            Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0132.

(12)

            Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0133.

(13)

            Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0068.

(14)

            PB C 19 van 21.1.2015, blz. 9.

(15)

            Nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.

(16)

            Voorstel voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020, COM(2015)0015, 21.1.2015.

(17)

            Besluit van de Commissie inzake de niet-automatische overdracht van 2014 naar 2015 en inzake de wederopvoering van vastleggingskredieten in 2015, C(2015)0827, 11.2.2015.


TOELICHTING

Achtergrond

Overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie moet de Europese Commissie iedere drie jaar een cohesieverslag indienen "over de geboekte vooruitgang ten aanzien van de verwezenlijking van economische, sociale en territoriale samenhang...". De publicatie van het zesde cohesieverslag heeft vertraging opgelopen vanwege de vaststelling van het nieuwe wetgevingskader voor cohesiebeleid 2014-2020; de oorspronkelijke structuur ervan is gewijzigd en weerspiegelt nu de Europa 2020-strategie.

Resultaten en uitdagingen van het cohesiebeleid in de context van de economische en financiële crisis

Achteraf gezien blijkt uit het zesde cohesieverslag dat het cohesiebeleid in de programmeringsperiode 2007-2013 de gevolgen van de sterke daling van de overheidsinvesteringen, namelijk meer dan 60 % in sommige lidstaten en 20 % als EU-gemiddelde, heeft verzacht. De cohesie-investeringen hebben stabiliteit gebracht aan de regio's door de fondsenstroom te waarborgen toen de nationale publieke en private investeringen terugliepen of zelfs werden stopgezet. De regionale verschillen zijn onlangs echter toegenomen en de sinds 2000 verkregen werkgelegenheidswinst, alsook het concurrentievermogen van bepaalde lidstaten, zijn met name in de zuidelijke lidstaten weer verloren gegaan.

Met het oog op de toekomst wordt in het verslag gewezen op de belangrijkste doelstellingen van de cohesie-investeringen voor 2014-2020: energie-efficiëntie, werkgelegenheid en kmo's - gebieden waar het potentieel voor het scheppen van duurzame werkgelegenheid inderdaad veelbelovend is. Volgens de rapporteur moet worden benadrukt dat het cohesiebeleid, gezien de oorspronkelijke rol en de instrumenten ervan zoals vastgelegd in het Verdrag, van zichzelf het belangrijkste investeringsbeleid is op het gebied van slimme, duurzame en inclusieve groei in de hele EU. Het cohesiebeleid mag derhalve niet louter worden beschouwd als een instrument voor andere sectorale strategieën. De op de lange termijn gerichte geïntegreerde multilevelgovernance-aanpak van het cohesiebeleid biedt juist wezenlijke meerwaarde voor de tenuitvoerlegging van en betrokkenheid bij EU-maatregelen die een zuiver sectorale beleidsaanpak niet kan bieden.

In dit verband is de rapporteur ingenomen met het nieuwe EU-investeringsplan voor Europa ter aanvulling van de structurele en cohesie-investeringen. De ervaring die is opgedaan bij de gezamenlijke initiatieven met financiële instrumenten van het cohesiebeleid, zoals JEREMIE, kan nuttig zijn, daar het toegenomen gebruik van financiële instrumenten centraal staat in dit nieuwe investeringsplan. Tegelijkertijd moet wel duidelijk worden aangegeven dat dit nieuwe investeringsinitiatief noch de begroting, noch de strategische programmering op de lange termijn van het cohesiebeleid op negatieve wijze mag beïnvloeden, aangezien dit niet alleen de ontwikkeling van de regio's in gevaar brengt, maar ook de doeltreffendheid van de 350 miljard euro aan investeringen voor regionale ontwikkeling in 2014-2020 in het kader van het cohesiebeleid. Voorts dient te worden opgemerkt dat de regio's met de dringendste behoefte aan stimulansen voor investeringen vaak de regio's zijn met minder administratieve capaciteit en absorptievermogen, die niet voor het nieuwe investeringsplan in aanmerking zullen komen.

Doeltreffendheid, efficiëntie en prestatiegerichtheid van het cohesiebeleid

De nieuwe maatregelen ter verbetering van de doeltreffendheid en prestatiegerichtheid omvatten thematische concentratie, met name op innovatie, de digitale en koolstofarme economie, onderwijs en kmo-ondersteuning. De rapporteur eist een zekere mate van flexibiliteit voor de regio's, afhankelijk van hun lokale situatie, met name in de context van de ernstige crisis. Er zijn voortdurende inspanningen nodig om de procedures te vereenvoudigen en de administratieve lasten te verminderen, teneinde de toegankelijkheid en absorptie van financiële middelen te vergroten en de foutenpercentages -die vaak te wijten zijn aan ingewikkelde regels inzake overheidsaanbestedingen en staatssteun en niet aan het cohesiebeleid- zo laag mogelijk te houden.

De koppeling met het Europees Semester en de landenspecifieke aanbevelingen kan tevens een bijdrage leveren aan doeltreffendere cohesie-investeringen. In dit verband moet worden gewezen op de belangrijke rol van het Europees Parlement om onderzoek te doen naar de volledige procedure die kan leiden tot een opschorting van de vastleggingen of betalingen van de ESIF. De rapporteur eist volledige naleving van artikel 23, lid 15, van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen, waarin de Commissie en de Raad worden verzocht het Parlement tijdig transparante informatie te verstrekken.

Werkgelegenheid, kmo's, jongeren en onderwijs

In artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie is uiteengezet dat volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang doelstellingen van de EU zijn. Daarnaast is een van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie dat 75 % van de mensen tussen de 20 en 64 jaar werk heeft tegen 2020. Sinds het begin van de crisis lijkt dit echter moeilijker te realiseren, gezien het feit dat de werkloosheid in de EU sinds begin 2010 hoger dan 9,5 % is en in een groot aantal lidstaten zelfs hoger dan 15 % in 2014.

De werkgelegenheidssituatie van jongeren is bijzonder zorgelijk: in het tweede kwartaal van 2014 bedroeg het werkloosheidspercentage voor jongeren in de EU 21,7 %, meer dan twee keer zo hoog als dat voor volwassenen (9,0 %), wat betekent dat er in deze periode meer dan vijf miljoen mensen onder de 25 jaar werkloos waren in de 28 EU-lidstaten. Het aantal jonge Europeanen (tussen de 15 en 24 jaar) zonder werk, scholing of opleiding (NEET's) is ook onaanvaardbaar hoog.

De steun die het cohesiebeleid biedt aan kmo's is eveneens van zeer groot belang, daar kmo's de ruggengraat van de groei en werkgelegenheid in de EU vormen en in de periode 2002-2010 85 % van de netto-groei van de werkgelegenheid hebben gecreëerd. Tegen deze achtergrond worden de synergieën tussen de Structuurfondsen en het programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en voor kmo's (Cosme) en het Horizon 2020-kaderprogramma in de periode 2014-2020 versterkt door middel van regionale strategieën voor slimme specialisatie.

Tenuitvoerlegging en betalingsproblemen

De rapporteur herinnert eraan dat de partnerschapsovereenkomsten eind augustus 2014 hadden moeten worden vastgesteld en de operationele programma's uiterlijk eind januari 2015, overeenkomstig de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen. De programmering heeft echter duidelijk vertraging opgelopen, aangezien er eind 2014 slechts iets meer dan 100 operationele programma's waren vastgesteld. Er zijn twee scenario's mogelijk voor de vaststelling van de programma's, die allebei inhouden dat de start van de uitvoering verdere vertraging oploopt, namelijk: i) de overdrachtsprocedure voor de programma's die voor 31 december 2014 "klaar voor goedkeuring" worden geacht, en ii) de procedure van herbudgettering van de ongebruikte toewijzingen in 2014 voor de Europese structuur- en investeringsfondsen – met als gevolg een technische herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) – voor de programma's die eind 2014 "niet klaar voor goedkeuring" worden geacht.

Overeenkomstig het door de Commissie gepresenteerde tijdschema kunnen de operationele programma's tussen 15 februari en 31 maart 2015 worden vastgesteld volgens de overdrachtsprocedure en na 1 mei 2015 volgens de herbudgetteringsprocedure. Het Parlement heeft zijn ernstige bezorgdheid uitgesproken over de aanzienlijke vertraging bij de uitvoering van het cohesiebeleid voor de periode 2014-2020, door te benadrukken dat deze vertragingen het moeilijker maken voor de nationale, regionale en lokale autoriteiten om de ESIF op effectieve wijze te plannen en ten uitvoer te leggen. De rapporteur deelt deze bezorgdheid. Hij verzoekt de Commissie daarom het Parlement zo snel mogelijk maatregelen voor te stellen om de tenuitvoerlegging van de operationele programma's te bevorderen, samen met het geplande tijdschema.

Er is niet alleen sprake van vertraging bij de uitvoering van het cohesiebeleid voor de programmeringsperiode 2014-2020, maar tevens van achterstallige betalingen (circa 25 miljard euro) met betrekking tot de programmeringsperiode 2007-2013. De Commissie wordt derhalve ook verzocht toe te lichten welke gevolgen deze betalingsachterstand voor de start van de uitvoering van de nieuwe operationele programma's zal hebben, en oplossingen aan te reiken om de schade zo veel mogelijk te beperken.

Het cohesiebeleid zal naar verwachting bijdragen tot duurzame groei en werkgelegenheid, maar het steeds weer opduikende probleem van betalingsachterstand dat leidt tot achterstallige betalingen, de uitvoering van programma's belemmert en de begrotingen van de begunstigden en de lidstaten belast, is onaanvaardbaar. Begrotingsdiscipline is niet hetzelfde als het verspillen van overheidsgeld en houdt ook in dat rekeningen op tijd moeten worden betaald. De rapporteur is derhalve van mening dat dit deel van het probleem een van de grootste en meest urgente uitdagingen is.

Governancekwesties

De middelen en kennis van het cohesiebeleid moeten worden aangewend om de administratieve capaciteit van de overheidsautoriteiten aanzienlijk te versterken, met name op lokaal en regionaal niveau, zodat zij beter in staat worden gesteld om de burgers kwaliteitsdiensten te verlenen, onder meer door meer gebruik te maken van nieuwe technologieën en te streven naar beter gestroomlijnde procedures. Het is belangrijk dat de lokale en regionale autoriteiten worden bijgestaan op het gebied van innovatieve financiële instrumenten, die van cruciaal belang zijn om tot meer middelen en investeringen te komen, alsook op het gebied van overheidsaanbestedingen, die steeds meer moeten dienen als een overheidsinstrument om innovatie en creativiteit te stimuleren.

De rapporteur onderstreept dat de gedragscode inzake partnerschap de deelname aan programmeringsactiviteiten in de regio's qua vorm en inhoud ten goede komt, en van fundamenteel belang is om het cohesiebeleid meer effect te laten sorteren en de impact ervan te consolideren.

Territoriale dimensie

In het zesde cohesieverslag wordt de mogelijkheid om de problemen en het potentieel van met name grensoverschrijdende samenwerking nader toe te lichten, niet benut. Er wordt slechts een korte beschrijving gegeven, maar de resultaten ervan worden niet gepresenteerd. Voorts ontbreken -op enkele uitzonderingen na- de kwalitatieve aspecten volledig, hoewel de tekst voldoende mogelijkheden biedt om hierop in te gaan (zie specifieke vakken voor specifieke onderwerpen/gebieden zoals steden, maritieme en ultraperifere regio's). Daarnaast zou, vanuit thematisch en kwalitatief oogpunt, de opneming van grensoverschrijdende aspecten een verrijking zijn geweest voor de inhoud van bepaalde hoofdstukken, zoals infrastructuur, arbeidsmarkt en mobiliteit, milieu, watergebruik en afvoer van afvalwater, afvalbeheer, gezondheidszorg, onderzoek en ontwikkeling, toerisme, openbare dienstverlening en governance. Al deze gebieden omvatten opvallende grensoverschrijdende elementen en mogelijkheden. De rapporteur is van mening dat de Europese territoriale samenwerking een belangrijke bijdrage kan leveren aan de Europese integratie.

Tot slot mag niet worden vergeten dat deze overwegingen verband houden met de kwesties inzake de Europese territoriale samenwerking en het instrument van de Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS). Met name de component van grensoverschrijdende samenwerking van de Europese territoriale samenwerking is van invloed op de cohesie van grensoverschrijdende regio's. De rapporteur stelt daarom voor om in de toekomst een beoordeling van de cohesie van de grensoverschrijdende regio's in Europa in het cohesieverslag op te nemen, met inbegrip van een analyse van de belangrijkste problemen voor deze regio's, alsmede een beoordeling van de impact van de operationele programma's inzake grensoverschrijdende samenwerking. Dit instrument moet niet in de laatste plaats meer aandacht krijgen omdat het samenwerking bevordert, ervaringen van de autoriteiten van alle lidstaten bundelt en in de richting gaat van een administratief systeem dat steeds meer gebaseerd is op gedeelde waarden en werkwijzen. In dit verband moet ook de externe dimensie van het cohesiebeleid in aanmerking worden genomen.

Het cohesiebeleid op de lange termijn

Uw rapporteur wil bijzondere aandacht schenken aan de toekomst van het cohesiebeleid na 2020. Aangezien de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid 2014-2020 pas net van start is gegaan maar nu al problemen ondervindt vanwege de vertraagde vaststelling van de programma's, dient de correcte tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid 2014-2020 centraal te staan. Niettemin mag niet uit het oog worden verloren dat in het jaar 2019 een groot aantal belangrijke kwesties tegelijk zal moeten worden aangepakt, omdat het nieuwe Parlement en de nieuwe Commissie dan te maken krijgen met de beëindiging van de Europa 2020-strategie, een nieuw MFK, de opstelling van nieuwe wetgeving voor het cohesiebeleid na 2020, enzovoort. Gezien de ernstige tijdsdruk dringt de rapporteur erop aan om nu al over het cohesiebeleid na 2020 na te denken, teneinde de gemeenschappen en burgers centraal te stellen in het cohesiebeleid na 2020, met het oog op de verwezenlijking van hun gemeenschappelijke welzijn op basis van het welzijn van het individu.


ADVIES van de Begrotingscommissie (16.4.2015)

aan de Commissie regionale ontwikkeling

inzake investeringen ter bevordering van banen en groei: bevordering van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie

(2014/2245(INI))

Rapporteur voor advies: Jean-Paul Denanot

SUGGESTIES

De Begrotingscommissie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie regionale ontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is ingenomen met het feit dat het cohesiebeleid de afgelopen jaren in staat gebleken is de negatieve gevolgen van de economische en financiële crisis op de hoeveelheid overheidsinvesteringen in de lidstaten te temperen, onder meer door de nationale behoefte aan cofinanciering te verminderen en een aanzienlijk deel van de middelen uit het cohesiefonds te richten op maatregelen met een direct en onmiddellijk effect op de groei en de werkgelegenheid; onderstreept de positieve bijdrage van andere beleidsmaatregelen en -instrumenten op andere terreinen dan cohesie aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie; is ervan overtuigd dat deze gunstige effecten de komende paar jaar zullen blijven groeien, als gevolg van de gebruikelijke vertraging tussen maatregel en effect, en het feit dat middelen uit de periode 2007-2013 tot eind 2016 mogen worden gebruikt;

2.  benadrukt het belang van het door de Commissie opgestelde investeringsplan, aangezien dit de eerste stap is in het in evenwicht brengen van het ontoereikende volume aan overheids- en particuliere investeringen in de Unie, die ernstige bedreiging vormt voor het verwezenlijken van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie; benadrukt dat de daling van investeringen als gevolg van de economische crisis het scherpst was in de armste regio's; herinnert er echter aan dat het plan-Juncker slechts goed is voor potentiële investeringen ten bedrage van 315 miljard EUR over een periode van drie jaar, terwijl de Europese Unie volgens de Commissie te kampen heeft met een investeringstekort van ten minste 300 miljard EUR per jaar; benadrukt derhalve dat het nodig is om in de begroting van de EU en die van de lidstaten opnieuw extra manoeuvreerruimte op te nemen voor investeringen; benadrukt dat door het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) gegarandeerde projecten dienen bij te dragen aan de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen van de EU, moeten voldoen aan de doelstellingen van het cohesiebeleid zoals uiteengezet in artikel 174 VWEU, en in overeenstemming moeten zijn met de beginselen van additionaliteit, economische levensvatbaarheid en goed financieel beheer; wijst er in dit verband nogmaals op dat de financiële bijdragen van lidstaten in de vorm van eenmalige maatregelen aan het EFSI ter ondersteuning van specifieke investeringsplatforms en nationale stimuleringsbanken en die ondersteund worden door de EU-garantie, vallen onder de volledige reeks van bestaande regels van het stabiliteits- en groeipact;

3.  wijst erop dat, ondanks de crisis en het feit dat lokale financiën onder grote druk stonden, de lokale en regionale autoriteiten moesten blijven tegemoetkomen aan de behoeften van burgers ten aanzien van beter toegankelijke overheidsdiensten van hogere kwaliteit;

4.  onderstreept dat de herindustrialisatie van Europa van groot belang is om te kunnen waarborgen dat de industriële productie goed is voor een aandeel van ten minste 20 % van het bbp van de lidstaten tot 2020; wijst er derhalve op dat het van groot belang is dat de beginselen inzake concurrentievermogen, duurzaamheid en betrouwbaarheid van de regelgeving proactief worden gesteund en versterkt teneinde de werkgelegenheid en groei in Europa te stimuleren;

5.  wijst er nogmaals op dat het probleem van aanhoudende betalingsachterstanden vaker voorkomt bij het cohesiebeleid dan op enig ander beleidsterrein van de EU, waarbij eind 2014 24,8 miljard EUR aan facturen openstond voor het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en het Cohesiefonds (CF) voor de periode 2007-2013, wat neerkomt op een stijging van 5,6 % ten opzichte van 2013; spoort de Commissie aan om alle beschikbare middelen aan te wenden om deze openstaande facturen te betalen; onderstreept dat hierdoor eerst en vooral de kleinste en kwetsbaarste begunstigden van het cohesiebeleid, zoals kmo's, ngo's en verenigingen, worden getroffen omdat hun mogelijkheden om uitgaven voor te financieren beperkt zijn;

6.  is verheugd over het feit dat de Raad, de Commissie en het Parlement zijn overeengekomen om het aantal openstaande facturen, met name in verband met het cohesiebeleid, terug te brengen tot het structurele niveau in de loop van het huidige meerjarig financieel kader (MFK), zoals is vastgesteld in de gezamenlijke verklaring bij het begrotingsakkoord van 2015, en neemt kennis van het op 23 maart 2015 ontvangen "Elementen voor een betalingsplan om de EU-begroting op een houdbaar niveau te brengen" van de Commissie; herinnert de Commissie aan haar toezegging om zo snel mogelijk met een betalingsplan te komen, en in elk geval vóór de indiening van de ontwerpbegroting voor 2016; herinnert alle instellingen voorts aan hun toezegging om in te stemmen met een dergelijk plan en om dit met ingang van 2015 en vóór de tussentijdse herziening van het MFK uit te voeren;

7.  maakt zich zorgen over de ernstige vertragingen die in dit verband begin 2015 zijn opgetreden in de programmering voor de periode 2014-2020; onderstreept het feit dat de voorgestelde herziening van de MFK-maxima(1) waarbij 11,2 miljard EUR aan vastleggingen uit hoofde van artikel 19, lid 2, van de MFK-verordening wordt overgedragen voor het subtotaal in rubriek 1b en de overdracht(2) van 8,5 miljard EUR aan vastleggingen uit hoofde van artikel 13, lid 2, onder a), van het Financieel Reglement in de periode van 2014 tot 2015 weliswaar voorkomen dat deze betalingskredieten in rubriek 1b worden geannuleerd, maar het onderliggende probleem van de vertragingen in verband met de programmering niet werkelijk oplossen en evenmin afdoen aan het feit dat de chronisch vertraagde tenuitvoerlegging en de stelselmatige achterstallige betalingen ernstige problemen kunnen opleveren voor de uiteindelijke begunstigden;

8.  is ingenomen met een ruimer gebruik van financiële instrumenten in het cohesiebeleid, zoals leningen en garanties, teneinde investeringen aan te wakkeren en aan te trekken, nieuwe banen te scheppen om duurzame groei op het niveau van de Unie te bevorderen en de doelmatigheid van de openbare financiering te vergroten; moedigt de lidstaten en de regionale autoriteiten aan ten volle gebruik te maken van deze aanvullende financieringsmogelijkheden, zoals de mogelijkheid om garanties uit hoofde van het nieuwe kmo-initiatief te gebruiken om projecten met een verhoogd risico te dekken; onderstreept de noodzaak te zorgen voor transparantie, verantwoording en toezicht voor wat dergelijke financiële instrumenten betreft;

9.  neemt kennis van de grotere thematische concentratie van middelen voor een beperkt aantal prioriteiten waarmee groei en banen kunnen worden gecreëerd, klimaatverandering en energieafhankelijkheid kunnen worden aangepakt en armoede en sociale uitsluiting kunnen worden bestreden, alsook van de verscherpte aandacht voor resultaten en meetbaarheid in de programma's voor de periode 2014-2020, die moeten bijdragen aan een verdere vergroting van de doelmatigheid en doeltreffendheid van het cohesiebeleid; onderstreept desondanks dat dit beginsel flexibel moet worden toegepast, met volledige eerbiediging van territoriale, economische en sociale kenmerken, teneinde de kloof tussen de ontwikkelingsniveaus van de diverse regio's van de Unie te verkleinen;

10. is het eens met de analyse van de Commissie dat het evenwicht tussen economische en sociale prioriteiten, met name de nadruk op economische groei enerzijds en sociale integratie, onderwijs en duurzame ontwikkeling anderzijds, in sommige lidstaten zou kunnen worden verbeterd, geschraagd door een zinvolle dialoog met partners en belanghebbenden; beklemtoont dat een duidelijke strategie ter verbetering van het institutionele kader wat betreft de administratieve capaciteit en de kwaliteit van de rechtspraak van doorslaggevend belang is voor de verwezenlijking van deze prioriteiten;

11. is verheugd over het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI), dat is ontwikkeld voor het bieden van speciale financiering ter ondersteuning van de uitvoering van de Jongerengarantie, en roept de lidstaten op om meer aandacht te schenken aan de uitvoering van projecten die gericht zijn op het beperken van de werkloosheid in deze leeftijdscategorie in gebieden met een bijzonder hoge jeugdwerkloosheid; verzoekt de Commissie zich te houden aan haar toezegging om voortdurend toezicht te houden, door verslag uit te brengen via jaarverslagen en evaluaties ter beoordeling van de doeltreffendheid, efficiëntie en het effect van de gezamenlijke bijstand van het ESF en van de specifieke toewijzing voor het YEI, met inbegrip van de tenuitvoerlegging van de jongerengarantie (artikel 19 en bijlage II van de ESF-verordening, artikelen 47-59 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen);

12. verzoekt de Commissie, voor wat de maatregelen om doeltreffendheid van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) te koppelen aan gezond economisch bestuur betreft, zich rekenschap te geven van de verschillen in basisvoorwaarden in elke lidstaat en de inspanningen die geleverd moeten worden om aan de voorwaarden te voldoen, alsmede er zorg voor te dragen dat de meest noodlijdende regio's niet worden benadeeld en dat bepaalde lokale en regionale autoriteiten niet worden bestraft voor specifieke uitdagingen waarmee lidstaten op nationaal niveau worstelen;

13. spreekt nogmaals de stellige overtuiging uit dat een ware, grondige tussentijdse herziening van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad inzake het MFK, die uiterlijk eind 2016 door de Commissie moet worden ingediend, de ideale gelegenheid zou zijn om ervoor te zorgen dat deze een nauwkeurige afspiegeling vormt van de prioriteiten van de Unie, waarin met name de gevolgen voor de begroting van de vertragingen bij de tenuitvoerlegging van de structuurfondsen, de jeugdwerkloosheid in Europa, de financiering van het EFSI en nieuwe voorstellen op het gebied van eigen middelen van de Unie worden behandeld, en hierin de meest dringende behoeften in de lidstaten en de regio's voor de resterende jaren van het MFK alsook het aanhoudende probleem van betalingsverplichtingen en de mogelijke gevolgen voor de betalingen van de vertraagde tenuitvoerlegging van operationele programma's op het vlak van cohesiebeleid worden aangepakt;

14. juicht de inspanningen van de Commissie om goed bestuur te waarborgen toe en benadrukt dat de grote ambities om de fraudegevoeligheid van uitgaven in het kader van het cohesiebeleid te verminderen en fraudebestrijdingsmaatregelen strikt toe te passen, moeten worden gehandhaafd;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.4.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

4

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jean Arthuis, Reimer Böge, Lefteris Christoforou, Jean-Paul Denanot, Gérard Deprez, José Manuel Fernandes, Eider Gardiazabal Rubial, Ingeborg Gräßle, Iris Hoffmann, Monika Hohlmeier, Zbigniew Kuźmiuk, Vladimír Maňka, Ernest Maragall, Sophie Montel, Siegfried Mureșan, Younous Omarjee, Pina Picierno, Paul Rübig, Patricija Šulin, Eleftherios Synadinos, Indrek Tarand, Isabelle Thomas, Inese Vaidere, Marco Valli, Daniele Viotti, Marco Zanni

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Bernd Kölmel, Andrey Novakov, Ivan Štefanec, Nils Torvalds, Derek Vaughan, Tomáš Zdechovský

(1)

Voorstel voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020, COM(2015)15 final, 21.1.2015.

(2)

Besluit van de Commissie inzake de niet-automatische overdracht van 2014 naar 2015 en inzake de wederopvoering van vastleggingskredieten in 2015, C(2015)827 final, 11.2.2015.


ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (20.4.2015)

aan de Commissie regionale ontwikkeling

inzake investeringen ter bevordering van banen en groei: bevordering van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie

(2014/2245(INI))

Rapporteur voor advies: Danuta Jazłowiecka

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie regionale ontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat de financiële crisis in sommige lidstaten gevolgen heeft gehad voor het cohesiebeleid en geleid heeft tot nog hogere werkloosheids- percentages, toegenomen armoede, sociale uitsluiting en grotere verschillen tussen de regio's in de Unie;

B.  overwegende dat uit de meest recente cijfers over 2013 blijkt dat de langdurige werkloosheid in de Unie zich met 5,1 % van de beroepsbevolking op een historisch hoog peil bevindt; overwegende dat langdurige werkloosheid cruciale gevolgen heeft voor iemands levensloop en een structureel karakter kan krijgen, vooral in perifere regio's.

C. overwegende dat de overheidsinvesteringen in de Unie recentelijk in reële termen zijn afgenomen met 15 %, en overwegende dat vele regio's, met name de regio's die kampen met een demografische problematiek, geen passende bijdrage hebben kunnen leveren aan de verwezenlijking van de Europa 2020-doelstellingen, met name de kerndoelstelling van een werkgelegenheidspercentage van 75 % tegen 2020, de doelstelling om het aantal mensen in armoede met 20 miljoen te verminderen, en de doelstelling om voortijdig schoolverlaten terug te dringen;

D. overwegende dat regio's die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen over het algemeen een hoger werkloosheidspercentage, minder economische groei en een gebrek aan investeringen hebben, hetgeen tot structurele verschillen in de Unie leidt; overwegende dat het werkgelegenheidspercentage in deze regio's gemiddeld ongeveer 10 procentpunt onder de nationale doelstelling ligt, waar dat in meer ontwikkelde regio's slechts 3 procentpunt is;

E.  overwegende dat de Europese Structuur- en Investeringsfondsen (ESIF) nog steeds een van de belangrijkste investeringsinstrumenten van de Unie zijn, met het potentieel om de ongelijkheden en structurele onevenwichtigheden tussen de regio's te verkleinen, negatieve trends van de economische crisis op te vangen en om degelijke en duurzame werkgelegenheid te scheppen, alsook duurzame groei te verwezenlijken, met name in regio's die daar het meeste behoefte aan hebben, mits op efficiënte wijze aangewend; overwegende dat het Europees Sociaal Fonds (ESF) het belangrijkste instrument is voor investeringen in menselijk kapitaal, bevordering van de integratie op de arbeidsmarkt en bestrijding van armoede en sociale uitsluiting;

F.  overwegende dat de sociaaleconomische onevenwichtigheden tussen lidstaten verder zijn toegenomen, terwijl het omgekeerde het geval is met betrekking tot de doelstelling van regionale convergentie; overwegende dat de kern-periferie-kloof voor werkloosheid is toegenomen van 3,5 % in 2000 tot 10 % in 2013; overwegende dat deze divergentie het risico van versplintering verhoogt en een bedreiging vormt voor de economische stabiliteit en de sociale cohesie van de Unie; overwegende dat in het zesde cohesieverslag de rol van de ESIF wordt benadrukt bij het bestrijden van ongelijkheid, met name tijdens de crisis;

1.  acht het betreurenswaardig dat het werkgelegenheidscheppend potentieel van de Unie-fondsen nog steeds onvoldoende is, en merkt op dat het verder moet worden versterkt aan de hand van een meer efficiënte en resultaatgerichte beleidsvorming en -tenuitvoerlegging; uit in dit verband zijn bezorgdheid over de vertraging bij de goedkeuring en implementatie van operationele programma's voor de programmeringsperiode 2014-2020, en roept de Commissie en de lidstaten op het proces te versnellen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de toegang tot financiering voor alle begunstigden, te vergemakkelijken, en met name voor mkb-bedrijven, die 80 % van de nieuwe banen in de Unie hebben gegenereerd;

2.  verzoekt de Commissie en de lidstaten beleidsmaatregelen te treffen die zijn toegesneden op het creëren van hoogwaardige banen voor langdurig werklozen, oudere werklozen, vrouwen en andere prioritaire groepen die bijzonder hard zijn getroffen door de crisis;

3.  acht het betreurenswaardig dat het werkloosheidspercentage onder jongeren in sommige lidstaten te hoog blijft, met name in de lidstaten die het zwaarst getroffen zijn door de economische crisis; dringt er bij de lidstaten op aan onverwijld zo goed mogelijk gebruik te maken van de middelen die beschikbaar zijn in het kader van het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, met name de 1 miljard EUR aan voorfinanciering –wanneer deze is vrijgekomen – om de toegang tot de arbeidsmarkt van jongeren te vergemakkelijken; moedigt de lidstaten aan beschikbare fondsen van de Unie te benutten om nationale programma's die gericht zijn op stimulering van cohesie, regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid, en bevordering van de ondernemingsgeest, met name onder jongeren, aan te vullen en verbeteren; dringt er in dit verband tevens bij de Europese instellingen voor hoger onderwijs op aan meer inspanningen te verrichten om hun programma's aan te passen aan de behoeften op de arbeidsmarkt, en in de samenleving in het algemeen, en individuele begeleidings- en coachingsprogramma's te ontwikkelen, hetgeen kan bijdragen aan de bestrijding van grootschalige jeugdwerkloosheid;

4.  merkt op dat het aantal voortijdige schoolverlaters in de Unie nog steeds hoog is, dat dit probleem van invloed is op de jeugdwerkloosheid; benadrukt dat dit probleem moet worden opgelost door onderwijsprogramma's en curricula te moderniseren, en daarbij gebruik te maken van het ESF;

5.  onderstreept het belang van de genderdimensie voor banengroei; dringt er bij de Commissie op aan voldoende financiering toe te wijzen voor de aanpak van de werkloosheid onder vrouwen; is van oordeel dat vrouwen kunnen profiteren van technologische vooruitgang waardoor ze flexibelere werktijden kunnen verkrijgen, en dringt er bij de Commissie op aan hierin te investeren;

6.  dringt er bij de Commissie op aan bijzondere aandacht te schenken aan de situatie van minderheidsgroepen in de Unie, omdat zij te lijden hebben van alle vormen van sociale uitsluiting, waardoor zij eerder worden getroffen door structurele werkloosheid; is van mening dat bij iedere ontwikkeling van het beleid gericht op sociale cohesie in de Unie rekening moet worden gehouden met de integratie van minderheden;

7.  benadrukt dat, vanwege wijzigingen in de productiepatronen en de vergrijzing van de bevolking, de rol van het ESF en de investeringen in de aanpassing van de vaardigheden van de werknemers, aanzienlijk zijn toegenomen; is er in dit verband stellig van overtuigd dat het ESF het nationaal beleid van de lidstaten moet aanvullen; dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan om ervoor te zorgen dat de beschikbare middelen zo doelmatig en efficiënt mogelijk worden gebruikt om de inzetbaarheid van de werknemers, sociale integratie en gendergelijkheid te waarborgen; onderstreept tegelijkertijd dat uit hoofde van het ESF gefinancierde opleidingsprogramma's ook afgestemd moeten zijn op de behoeften van ondernemers en personeel op leidinggevend niveau om een duurzame ontwikkeling van bedrijven te waarborgen, met name van het mkb, dat de meeste banen in de Unie creëert.

8.  roept de lidstaten en de Commissie op te blijven werken aan de verbetering en verdieping van het Eures-platform als doeltreffend hulpmiddel om de mobiliteit van werknemers in Europa, in het bijzonder de grensoverschrijdende mobiliteit, te vergemakkelijken door hun kennis van de arbeidsmarkt van de Unie te verbeteren, hen te informeren over de arbeidskansen en hen te helpen met de formaliteiten; moedigt de lidstaten aan Eures-netwerken te ontwikkelen en te ondersteunen, niet in de laatste plaats omdat grensarbeiders de eersten zijn die te maken hebben met problemen en moeilijkheden om hun beroepskwalificaties erkend te krijgen; stelt vast dat deze netwerken, doordat zij de openbare diensten voor arbeidsvoorziening, sociale partners, lokale en regionale overheden en overige particuliere belanghebbenden verenigen, de grensoverschrijdende mobiliteit vergemakkelijken en ondersteunen;

9.  beklemtoont de noodzaak om bij het scheppen van hoogwaardige banen gebruik te maken van nieuwe technologieën; is van oordeel dat de Commissie een verband moet leggen tussen terugdringing van de werkloosheid en de instrumenten van de digitale agenda en Horizon 2020.

10. benadrukt dat de Unie moet investeren in ondernemingen en startende ondernemers moet ondersteunen, in het bijzonder mkb-bedrijven die 99 % van de ondernemingen in de Unie vormen en goed zijn voor 80 % van de nieuwe arbeidsplaatsen, door hun toegang tot financiering te vergemakkelijken, door de administratieve rompslomp te verminderen, door de regelgeving in het REFIT-programma te vereenvoudigen, en door te zorgen voor een gunstige omgeving en het juiste regelgevingskader, ook voor start-ups; benadrukt dat dergelijke maatregelen niet mogen leiden tot aantasting van sociale en arbeidsrechten in de EU; is derhalve verheugd over het voornemen om het nieuwe Europese Fonds voor Strategische Investeringen op te zetten als een instrument ter aanvulling van het cohesiebeleid, met het potentieel om binnen drie jaar 1,3 miljoen aanvullende banen te scheppen;

11. beklemtoont dat het cohesiebeleid moet worden ingezet om slimme en duurzame groei te verwezenlijken in die regio's die daar het meest behoefte aan hebben, door de oprichting en ontwikkeling van micro-ondernemingen en mkb-bedrijven te ondersteunen via een reeks maatregelen en financiële instrumenten;

12. dringt er bij de lidstaten op aan om, met het oog op de verwezenlijking van sociaaleconomische convergentie, ervoor te zorgen dat ook in perifere en kleine regio's de nodige capaciteiten, zoals personele middelen, aanwezig zijn om de beschikbare fondsen op te nemen;

13. dringt er bij de lidstaten op aan om, gelet op de negatieve gevolgen van de vergrijzing van de bevolking en andere demografische uitdagingen voor de arbeidsmarkt, projecten te ontwikkelen die bevolkingsafname aanpakken en mobiliteit ondersteunen;

14. dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat er gericht wordt geïnvesteerd in economisch zwakkere regio's die kampen met hoge werkloosheid, alsmede in mkb-bedrijven in dergelijke regio's, omdat zij beperkt toegang hebben tot financiering, om ervoor te zorgen dat deze inspanningen tot concrete verbeteringen leiden waar zij het hardst nodig zijn, waarbij de keuze op passende wijze afhangt van de economische eigenschappen van de investeringen; deelt de visie van de Commissie dat groeiende sectoren als de digitale economie, groene sectoren en gezondheidszorg, behoefte hebben aan gekwalificeerde werknemers;

15. herinnert eraan dat afstemming van de lonen op de productiviteit niet alleen van belang is voor de sociale cohesie, maar ook zorgt voor een sterke economie en een productieve beroepsbevolking;

16. benadrukt de rol van territoriale cohesie en onderstreept in dit verband het belang van investeringen in grensoverschrijdende infrastructuur, zoals binnenwateren, vanwege hun rol bij de stimulering van de sociaaleconomische ontwikkeling van regio's.

17. is van mening dat cohesiebeleidsmaatregelen een essentiële rol moeten spelen om de interne verschillen in concurrentievermogen en de structurele onevenwichtigheden te verkleinen in regio's die daar het meest behoefte aan hebben; dringt er bij de Commissie op aan prefinanciering te overwegen om in de periode 2014-2020 voor de betrokken lidstaten maximale benutting van fondsen te vergemakkelijken en daarbij altijd te waarborgen dat het beginsel van budgettaire verantwoordelijkheid wordt geëerbiedigd;

18. is van mening dat begrotingsdiscipline van cruciaal belang is voor de verwezenlijking van groei en het creëren van werkgelegenheid die slim en duurzaam is; roept op tot een hernieuwde nadruk op betere bestedingen en fraudebestrijding;

19. benadrukt dat het beleid inzake groei en werkgelegenheid tot gedifferentieerde territoriale effecten heeft geleid, afhankelijk van de specifieke situatie van iedere regio, en dat de regionale verschillen sinds het begin van de crisis groter zijn geworden; benadrukt dat er in de landenspecifieke aanbevelingen rekening moet worden gehouden met territoriale verschillen binnen de lidstaten om groei en werkgelegenheid te stimuleren met behoud van de territoriale samenhang;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.4.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

39

13

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laura Agea, Guillaume Balas, Tiziana Beghin, Brando Benifei, Mara Bizzotto, Vilija Blinkevičiūtė, Enrique Calvet Chambon, David Casa, Ole Christensen, Martina Dlabajová, Lampros Fountoulis, Elena Gentile, Arne Gericke, Danuta Jazłowiecka, Rina Ronja Kari, Jan Keller, Ádám Kósa, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Jean Lambert, Jérôme Lavrilleux, Patrick Le Hyaric, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Javi López, Thomas Mann, Dominique Martin, Anthea McIntyre, Joëlle Mélin, Elisabeth Morin-Chartier, Georgi Pirinski, Marek Plura, Terry Reintke, Maria João Rodrigues, Claude Rolin, Anne Sander, Sven Schulze, Siôn Simon, Jutta Steinruck, Romana Tomc, Ulrike Trebesius, Ulla Tørnæs, Marita Ulvskog, Renate Weber, Tatjana Ždanoka, Jana Žitňanská, Inês Cristina Zuber

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Amjad Bashir, Elmar Brok, Tania González Peñas, Eva Kaili, Neoklis Sylikiotis, Ivo Vajgl

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Maria Grapini, Ivan Jakovčić


ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie (23.3.2015)

aan de Commissie regionale ontwikkeling

inzake investeringen ter bevordering van banen en groei: bevordering van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie

(2014/2245(INI))

Rapporteur voor advies: Neoklis Sylikiotis

SUGGESTIES

De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie regionale samenwerking onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt dat de financiële crisis de economische, sociale en territoriale cohesie in de EU onder druk zet en nog meer verschillen onder de lidstaten en de regio's bewerkstelligt; herinnert eraan dat sinds het begin van de crisis meer dan 3,8 miljoen banen in de maakindustrie in de EU verloren zijn gegaan(1); benadrukt dat het versterking van het expansiebeleid van de EU, met duidelijke aanwijzing van prioriteiten, nodig is en wijst erop dat de regionale verschillen moeten worden verkleind en de EU-brede doelstellingen van groei en banen moeten worden gehaald;

2.  wijst erop dat er substantiële inspanningen nodig zijn om de EU weer op koers te brengen voor het verwezenlijken van de doelstelling van 20 % re-industrialisatie tegen 2020; vraagt om versterking en vernieuwing van de industriële structuur in de Europese Unie om het concurrentievermogen, de groei en de werkgelegenheid te bevorderen; benadrukt dat hiervoor investeringen in digitale, energie- en vervoersinfrastructuur noodzakelijk zijn, evenals in – op langere termijn gezien, maar net zo urgent– onderwijs, onderzoek en het verbeteren van de vaardigheden van de werknemers;

3.  erkent dat de investeringen in het kader van het expansiebeleid de negatieve gevolgen van de economische en financiële crisis hebben helpen beperken en in bepaalde Europese landen een belangrijk onderdeel van de investeringsbegroting zijn geworden; erkent de inspanningen van de Commissie om deze investeringen te verleggen naar gebieden die het hardst zijn getroffen door de crisis;

4.  onderstreept dat in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie het doel om de economische, sociale en territoriale cohesie en de solidariteit tussen de lidstaten te bevorderen, is vastgelegd;

5.  benadrukt dat de doelen van de Europa 2020-strategie ten volle in het cohesiebeleid in aanmerking moeten worden genomen; onderstreept dat de investeringen in het kader van het cohesiebeleid gericht moeten zijn op groei, meer innovatie, kmo's, de digitale economie en een koolstofarme bio-economie; wijst erop dat met name investeringen in deze sectoren het potentieel hebben om niet alleen bestaande banen veilig te stellen, maar ook om voor groei en nieuwe banen te zorgen;

6.  benadrukt dat de industriële sector, en met name de maakindustrie, een cruciale rol speelt in de Europese economie, aangezien deze sector goed is voor 80 % van de export en voor 80 % van de uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling; merkt echter op dat tussen 2007 en 2012 alleen al door het regionaal beleid van de EU naar schatting 594 000 nieuwe banen zijn gecreëerd(2);

7.  acht het raadzaam om het cohesiebeleid te moderniseren; bepleit dat vernieuwing van de industrie en industriële structuren en ondersteuning van innovatie in het cohesiebeleid centraal worden gesteld, zodat er meer werkgelegenheid komt in de gehele Unie;

8.  benadrukt het belang van de vereenvoudiging van het beheer en de procedures van cohesiebeleidprogramma's; beklemtoont dat de administratieve lasten die voortvloeien uit de verschillende beheer- en toezichtsprocedures redelijk moeten blijven in verhouding tot de hoogte van de financiering die uit cohesiebeleidsprogramma's wordt verkregen;

9.  onderstreept dat kmo's 99 % van de bedrijfsstructuur in de EU uitmaken en goed zijn voor 80 % van de banen in de EU;

10. is van mening dat verdere maatregelen en investeringen nodig zijn om de industriële sector in meerdere lidstaten te versterken, de toegang tot investeringskapitaal en krediet voor fabrikanten te vergemakkelijken, en de werkloosheid tegen te gaan; onderstreept de noodzaak van een aanpak op basis van de specifieke kracht van de regio's waardoor economische groei bereikbaar wordt;

11. is van mening dat alle nieuwe projecten en investeringen die in het kader van het cohesiebeleid worden uitgevoerd, gericht moeten zijn op maximale resultaten en effecten, en respecteert het nieuwe prestatiekader dat slimme, duurzame en inclusieve groei moet stimuleren; onderstreept tevens dat nieuwe projecten en investeringen die door EU-fondsen worden gestimuleerd, gericht zouden moeten zijn op het creëren van nieuwe jobs; benadrukt derhalve dat de lidstaten hun beleid moeten richten op het scheppen van hoogwaardige en duurzame banen bij de uitvoering van hun operationele programma's voor de huidige financieringsperiode, teneinde maatregelen te nemen tegen de hoge jeugdwerkloosheid en de regio's in staat te stellen gezonde en duurzame economieën te ontwikkelen; herinnert eraan dat investeringen en projecten rekening moeten houden met de bescherming van het milieu, in het bijzonder om het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en de toepassing van energie-efficiëntiemaatregelen te bevorderen; herinnert eraan dat de markt voor milieuvriendelijke producten en diensten tegen 2020 naar verwachting zal zijn verdubbeld tot ongeveer 2 biljoen EUR per jaar;

12. verwelkomt het voorstel voor een kapitaalmarktenunie en beschouwt dit als een belangrijk instrument om het investeringsplan voor Europa aan te vullen, de toegang van kleine en middelgrote ondernemingen tot krediet te verbeteren en alternatieve financieringsbronnen voor bankleningen te ontwikkelen, onder meer door beursintroducties te verbeteren;

13. dringt erop aan dat de kapitaalmarktenunie snel invulling krijgt en in werking wordt gesteld, zodat deze steun kan bieden aan de ontwikkeling door de industrie van Europese markten voor onderhandse effecten en aan de benutting van langetermijninvesteringsfondsen; gelooft dat een succesvolle kapitaalmarktenunie de versnippering van de financiële markten in de EU zal verminderen en op die manier zal bijdragen tot het terugdringen van de financieringskosten;

14. benadrukt dat de investeringen moeten worden gericht op gebieden die multipliereffecten op groei en de creatie van banen kunnen genereren, zoals innovatie en onderwijs;

15. benadrukt het belang van regionale financiering voor kleine en middelgrote ondernemingen, die als regionale motor fungeren voor banenschepping, slimme groei en overgang naar digitale en koolstofarme economieën;

16. onderstreept het belang van de financiering uit hoofde van het cohesiebeleid voor de overgang naar een koolstofarme economie en het halen van de doelstellingen voor verminderde CO2-uitstoot, energie-efficiëntie en gebruik van hernieuwbare energiebronnen voor 2020 en 2030;

17. merkt op dat in de rapportage over met EU-middelen gefinancierde projecten de focus doorgaans ligt op de uitgaven zelf en op naleving van administratieve regelgeving, en niet op het behalen van tastbare resultaten, waardoor er weinig bekend wordt omtrent de effectiviteit van EU-subsidies; onderstreept in dit verband dat het belangrijk is stelselmatig informatie te vergaren omtrent het effect van de EU-fondsen, om aan de hand daarvan te kunnen uitmaken welke maatregelen het doeltreffendst zijn om de economische ontwikkeling van de EU-regio's te bevorderen;

18. dringt aan op betere coördinatie van de overheidsinvesteringen door de lidstaten en plaatselijke en regionale overheden, en dringt tevens aan op een stabieler en beter regelgevingskader op nationaal en EU-niveau om de EU aantrekkelijker te maken voor met name particuliere investeringen, aangezien het anders onmogelijk is om het aandeel van de industrie in het bbp tegen 2020 op te voeren tot niet minder dan 20 %; onderstreept dat het belangrijk is om EU-investeringen te concentreren op innovatieve sectoren en thematische prioriteiten, zoals onderzoek en innovatie, steun aan kleine en middelgrote ondernemingen en de ontwikkeling van een koolstofarme economie, teneinde de effecten van de investeringen op de economische groei en de creatie van banen te maximaliseren; is krachtig voorstander van een benadering waarin O&O gericht wordt op verkleining van de innovatiekloof binnen de Unie, doordat de minder begunstigde regio's de mogelijkheid krijgen om innovatieve oplossingen die in de vooroplopende regio's zijn ontwikkeld, over te nemen, aan te vullen en aan te passen; dringt ook aan op nadere verduidelijking en spoedige invulling van het "slimme specialisatie"-concept, dat het potentieel heeft om de duurzame groei van de EU-regio's aan te jagen;

19. dringt aan op een inclusieve industriële strategie die bijzondere aandacht besteedt aan regio's die met leegloop en vergrijzing kampen; stelt dat die strategie uiteindelijk tot doel moet hebben de werkloosheid terug te dringen, en te zorgen voor mededinging, duurzame ontwikkeling en groei, en schepping van meer banen;

20. benadrukt dat de financiering voor onderzoek en ontwikkeling verder moet worden verhoogd om innovatieve en productieve onderzoeksactiviteiten mogelijk te maken; wenst daarom dat bestaande financieringsmaatregelen, dat wil zeggen de financieringen uit de Europese structuur- en investeringsfondsen respectievelijk Horizon 2020, beter op elkaar worden afgestemd, zoals bepaald in Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad;

21. roept de lidstaten op spoed te zetten achter het Europees jeugdgarantieplan, omdat buitenproportioneel veel jongeren die nog aan hun carrière moeten beginnen, door de crisis geen werk kunnen vinden, en de jeugdwerkloosheid in de helft van de regio's zorgwekkende proporties heeft aangenomen;

22. dringt er met het oog op verbetering van de werkgelegenheidssituatie, op aan dat bij uitvaardigen van wet- en regelgeving rekening wordt gehouden met kmo's, en dat er gezorgd wordt voor gemakkelijker toegang tot krediet voor de ondernemingen die, ongeacht hun omvang, werkgelegenheid scheppen;

23. dringt met het oog op het verbeteren van het innovatieklimaat, de uitwisseling van kennis en ideeën en het Europese concurrentievermogen en het innovatievermogen van ondernemingen aan op de voltooiing van de digitale eengemaakte markt;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.3.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

47

7

9

Bij de eindstemming aanwezige leden

Bendt Bendtsen, Reinhard Bütikofer, Pilar del Castillo Vera, Christian Ehler, Fredrick Federley, Ashley Fox, Adam Gierek, Juan Carlos Girauta Vidal, Theresa Griffin, Marek Józef Gróbarczyk, András Gyürk, Roger Helmer, Dawid Bohdan Jackiewicz, Eva Kaili, Barbara Kappel, Krišjānis Kariņš, Seán Kelly, Jeppe Kofod, Miapetra Kumpula-Natri, Janusz Lewandowski, Ernest Maragall, Edouard Martin, Nadine Morano, Dan Nica, Angelika Niebler, Miroslav Poche, Miloslav Ransdorf, Michel Reimon, Herbert Reul, Paul Rübig, Algirdas Saudargas, Jean-Luc Schaffhauser, Neoklis Sylikiotis, Dario Tamburrano, Evžen Tošenovský, Claude Turmes, Miguel Urbán Crespo, Vladimir Urutchev, Adina-Ioana Vălean, Kathleen Van Brempt, Henna Virkkunen, Martina Werner, Hermann Winkler, Flavio Zanonato, Carlos Zorrinho

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Pervenche Berès, Simona Bonafè, Cornelia Ernst, Yannick Jadot, Werner Langen, Morten Messerschmidt, Clare Moody, Dominique Riquet, Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández, Anne Sander, Maria Spyraki, Paul Tang, Pavel Telička, Anneleen Van Bossuyt, Cora van Nieuwenhuizen

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Isabella Adinolfi, Ignazio Corrao, Antanas Guoga

(1)

Industrialiseer Scorebord 2013, werkdocument van de diensten van de Commissie, (SWD(2013)0346 , 20 september 2013), p.6.

(2)

"Making Europe's regions and cities more competitive, fostering growth and creating jobs". http://europa.eu/pol/pdf/flipbook/en/regional_policy_en.pdf - blz. 6


ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs (26.3.2015)

aan de Commissie regionale ontwikkeling

inzake investeringen ter bevordering van banen en groei: bevordering van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie

(2014/2245(INI))

Rapporteur voor advies: Silvia Costa

SUGGESTIES

De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de ten principale bevoegde Commissie regionale ontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herinnert eraan dat het cohesiebeleid van de EU slechts op doeltreffende wijze kan bijdragen tot de vermindering van de hoge jeugdwerkloosheid als het volledig aansluit bij de Europa 2020-strategie, en met name de kerndoelstellingen voor onderwijs om het aantal voortijdige schoolverlaters met 10% te reduceren en het aantal jongeren met een hogeronderwijsdiploma of een gelijkwaardige beroepsopleiding met ten minste 40% te doen toenemen, alsook de benchmark van gemiddeld ten minste 15% van de volwassenen die aan een leven lang leren deelnemen en ten minste 95% van de kinderen die aan voor- en vroegschoolse educatie deelnemen, waardoor de validering van vaardigheden en opgedane ervaring wordt erkend;

2.  wijst erop dat de doelstellingen van de Europa 2020-strategie, en met name die inzake onderwijs en het verminderen van het percentage voortijdige schoolverlaters, slechts kunnen worden verwezenlijkt als de toegang tot onderwijsinfrastructuur en de kwaliteit van de socioculturele diensten in de regio's van de EU worden verbeterd, in het bijzonder in regio's die met economische stagnatie te kampen hebben; herinnert eraan hoe belangrijk onderwijs is om meer sociale en regionale cohesie tot stand te brengen en het democratische bewustzijn en de participatie van jongeren te vergroten;

3.  onderstreept dat 12% van de leeftijdsgroep tussen 18 en 24 jaar de school voortijdig verlaat; vraagt de EU de voornaamste factoren te inventariseren die tot voortijdig schoolverlaten leiden en de kenmerken van het verschijnsel op nationaal, regionaal en lokaal niveau door te lichten als basis voor gericht en doeltreffend, wetenschappelijk onderbouwd beleid; is van mening dat beleid ter bestrijding van voortijdig schoolverlaten een hele reeks factoren moet aanpakken, waaronder onderwijs- en sociale uitdagingen die eventueel tot dit verschijnsel kunnen leiden;

4.  wijst erop dat het zonder effectieve samenwerking tussen onderwijsinstellingen en spelers op de arbeidsmarkt onmogelijk zal zijn om de hoge werkloosheid onder jonge afgestudeerden in de EU te verhelpen; benadrukt met name dat door het bijbrengen van de kennis en vaardigheden die op de arbeidsmarkt nodig zijn, de arbeidsparticipatie van jongeren gestegen is en de sociale verschillen verkleind zijn;

5.  betreurt het dat er momenteel te weinig middelen naar onderwijs gaan, en benadrukt dat er meer moet worden geïnvesteerd in het moderniseren van de onderwijsstelsels wat beroepsopleiding en formeel en informeel onderwijs betreft; herhaalt dat dit ook geldt voor het renoveren van schoolgebouwen en het verschaffen van nieuwe technologie voor onderwijs en onderzoek (toegang tot onderzoeksgegevensbanken, IT-opleidingen en e-learning);

6.  onderstreept hoe belangrijk het is de banden tussen onderwijs, onderzoek en bedrijfsleven op regionaal, lokaal, nationaal en internationaal niveau aan te halen; vraagt de lidstaten zo snel mogelijk gevolg te geven aan onderwijsgerelateerde landenspecifieke aanbevelingen (CSR's) in het kader van het Europees semester en andere aanbevelingen van de Commissie;

7.  benadrukt het belang van een leven lang leren en – teneinde gekwalificeerd onderwijzend personeel aan te trekken en te houden – betere opleidings- en arbeidsomstandigheden voor onderzoekers en docenten als essentiële factoren voor economische groei; wijst erop hoe belangrijk het is dat jongeren digitale vaardigheden opdoen en dat leraren daartoe worden opgeleid, aangezien die vaardigheden steeds belangrijker worden op de Europese arbeidsmarkt;

8.  benadrukt dat de behoeften van de arbeidsmarkt snel aan het veranderen zijn, en dat jongeren het steeds moeilijker hebben om de overgang van school naar beroepsleven te maken en daardoor vaak meer risico op werkloosheid lopen; herhaalt dat het belangrijk is in menselijk kapitaal en mensen, en met name de jongeren in Europa, te investeren teneinde hun inzetbaarheid te vergroten en hun beroepskwalificatietraject te verbeteren; vraagt dat het EU-vaardighedenpanorama, dat de vraag naar banen en vaardigheden in kaart brengt, wordt verbeterd, en dat de onderwijs- en opleidingsstelsels van de lidstaten dienovereenkomstig worden hervormd zodat mensen de juiste vaardigheden voor de juiste baan kunnen verwerven;

9.  benadrukt dat partnerschappen tussen de onderwijswereld en het werkgelegenheidsbeleid moeten worden bevorderd door alle belanghebbenden, zoals de sociale partners, beleidsmakers, onderwijsaanbieders en werkgevers erbij te betrekken;

10. is ingenomen met het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, dat is ingevoerd om de jongerengarantieregeling te versterken, met name in regio's met een werkloosheidspercentage van meer dan 25%, en wijst erop dat dit een doeltreffend instrument is om de jeugdwerkloosheid te verminderen en op middellange en lange termijn zal dienen als fundamentele structurele hervorming; roept de lidstaten op om nauw met de belanghebbenden, en met name werkgevers en kmo's, samen te gaan werken en bij de uitvoering van de regeling ten volle gebruik te maken van het Europees Sociaal Fonds, het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en andere structuurfondsen en daarvoor infrastructuur te creëren;

11. vraagt de Commissie er door de uitwisseling van good practices voor te helpen zorgen dat de jongerengarantieregeling op efficiënte wijze ten uitvoer wordt gelegd; wijst erop dat de begrote middelen voor de jongerengarantieregeling in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief op 31 december 2015 komen te vervallen; vraagt de Commissie het nodige te doen opdat het programma kan worden voortgezet;

12. benadrukt dat in het kader van de jongerengarantieregelingen ondernemersvaardigheden moeten worden ontwikkeld; is evenwel van mening dat vroegtijdige interventie en activering en, in veel gevallen, hervormingen nodig zijn, zoals het verbeteren van het beroepsonderwijs en de beroepsopleiding, en dat de uitwisseling van best practices met betrekking tot duaal onderwijs kan bijdragen tot structurele veranderingen op de arbeidsmarkt en meer werkgelegenheid;

13. is ingenomen met het nieuwe Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI); hoopt dat onderwijs en opleiding als strategische investeringen worden beschouwd en dus deel uitmaken van de prioritaire acties;

14. vraagt de Commissie het volledige potentieel van cultuur bij het bevorderen van duurzame economische ontwikkeling, het concurrentievermogen van regio's en meer sociale cohesie te erkennen; wijst in het bijzonder op de rol van de culturele en creatieve sectoren (CCI's) en de digitalisering van cultureel erfgoed als strategische drijvende krachten voor economisch herstel en groei in de EU en voor regionale ontwikkeling, aangezien zij momenteel, direct of indirect, goed zijn voor ruim 7 miljoen banen;

15. benadrukt hoe belangrijk de culturele sector is voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid, aangezien deze sector zeer aantrekkelijk is voor jongeren en hun meer kansen op een baan biedt; herinnert ook aan de rol die cultuur speelt bij het scheppen van meer en betere banen door onderwijs, ontwikkeling van vaardigheden, opleiding en informeel leren; wenst dat de instrumenten van het cohesiebeleid worden gebruikt om het aantal banen in de culturele en creatieve sectoren te verbeteren en te vergroten;

16. vraagt de Commissie na te gaan in hoeverre geld uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Europees Sociaal Fonds kan worden gebruikt om culturele activiteiten in de lidstaten, en met name de creatieve sector, te bevorderen; vraagt de Commissie ten laatste samen met het tussentijds verslag over het programma Creatief Europa, d.w.z. uiterlijk op 31 december 2017, een verslag over de bevindingen van de evaluatie voor te leggen aan het Parlement;

17. herinnert aan het belang van cultuur en materieel en immaterieel cultureel erfgoed voor stads- en plattelandsvernieuwing, voor de aantrekkelijkheid van steden en regio's en voor economische ontwikkeling door cultuurtoerisme en creatieve kmo's; vraagt dat er regionale cultuurhubs worden opgericht waarin steden en regio's kunnen samenwerken om hun cultureel erfgoed te promoten en te beschermen en er een economische troef van te maken;

18. vraagt de Commissie zich ertoe te verbinden al het nodige te doen om te zorgen voor een effectieve bescherming van de materiële en immateriële goederen die het culturele erfgoed van Europa vormen en van essentieel belang zijn ter bevordering van culturele en sociaal-economische ontwikkeling die put uit en bijdraagt tot een gemeenschappelijke Europese identiteit en de culturele verscheidenheid van de Europese landen, regio's en steden; vraagt de steden en regio's van de EU de instrumenten van het cohesiebeleid daartoe te gebruiken;

19. is van mening dat het maximum van 5 miljoen EUR (of 10 miljoen EUR van de totale kosten als het gaat om locaties die op de lijst van Unesco staan) dat de Commissie op basis van de totale projectkosten heeft vastgesteld, te rigide is en zal resulteren in minder steun voor cultureel erfgoed, niet het minst doordat documentatie- en beheerskosten en niet-reduceerbare kosten (bv. btw) niet kunnen worden afgetrokken en doordat er minder ruimte wordt gelaten voor publiek-private samenwerking en investeringen in cultuur, die van essentieel belang zijn voor de sociale en economische ontwikkeling in de EU;

20. benadrukt dat er in de EU-wetgeving geen rechtsgrondslag voor deze aanpak bestaat, en vraagt de Commissie in dit verband het besluit te herzien en in de thematische handleidingen te verduidelijken hoe artikel 3, onder e), van Verordening (EU) nr. 1301/2013 (EFRO) moet worden uitgelegd met betrekking tot investeringen in de ontwikkeling van het eigen potentieel door middel van permanente investeringen in installaties en kleinschalige infrastructuur voor cultuur en duurzaam toerisme;

21. vraagt de lidstaten een groter deel van hun begroting en van de middelen voor regionale ontwikkeling toe te wijzen aan cultuur en cultureel erfgoed, teneinde regio's aantrekkelijk te maken, hun effectieve en integrale ontwikkeling te bevorderen en hun potentieel te benutten;

22. wijst op het belang van vereenvoudiging en beveelt aan dat de Commissie en de lidstaten zich blijven inspannen om de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid te vereenvoudigen, met het oog op beter gerichte beleidsresultaten en minder administratieve rompslomp op alle niveaus; benadrukt het belang van platformen voor de uitwisseling van best practices bij de tenuitvoerlegging.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.3.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

3

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Isabella Adinolfi, Dominique Bilde, Andrea Bocskor, Silvia Costa, Mircea Diaconu, Damian Drăghici, Angel Dzhambazki, Jill Evans, Emmanouil Glezos, Giorgos Grammatikakis, Petra Kammerevert, Andrew Lewer, Svetoslav Hristov Malinov, Fernando Maura Barandiarán, Luigi Morgano, Momchil Nekov, Michaela Šojdrová, Helga Trüpel, Sabine Verheyen, Julie Ward, Bogdan Brunon Wenta, Theodoros Zagorakis, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver, Krystyna Łybacka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Sylvie Guillaume, György Hölvényi, Dietmar Köster, Ilhan Kyuchyuk, Ernest Maragall, Emma McClarkin, Martina Michels


ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (1.4.2015)

aan de Commissie regionale ontwikkeling

inzake investeringen ter bevordering van banen en groei: bevordering van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie

(2014/2245(INI))

Rapporteur voor advies: Julie Girling

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie regionale ontwikkeling onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat vrouwen van oudsher meer door werkloosheid worden getroffen dan mannen – ook al behalen vrouwen vandaag 59 % van de nieuwe diploma's(1), een percentage dat niet in overeenstemming is met het geringe aantal vrouwen op leidinggevende posten; overwegende dat het werkgelegenheidspercentage bij vrouwen lichtjes gestegen is in de afgelopen vijf jaar, van 60 % tot 63 %, en dat het werkloosheidspercentage bij vrouwen in de EU 10 % bedraagt, met grote verschillen naargelang de regio (ook al nemen deze verschillen sterk af)(2); overwegende dat vrouwen weliswaar een baan vinden maar dat deze vaak niet strookt met het behaalde diploma wat de beroepskwalificatie en het loons- en premieniveau betreft;

B.  overwegende dat slechts 29 % van de vrouwen afgestudeerd is in de informatica en slechts 4 % een rechtstreekse baan vindt in de ICT-sector(3); overwegende dat volgens cijfers van de Commissie meer vrouwen dan mannen tertiair onderwijs volgen; overwegende dat vrouwen echter nog steeds ondervertegenwoordigd zijn in bètastudies (wetenschap, technologie, engineering en wiskunde), wat de economische kansen voor vrouwen beperkt, ook al is er geen wetenschappelijk bewijs dat mannen voor deze studies meer begaafd zouden zijn dan vrouwen;

C. overwegende dat vrouwen vaker een laag inkomen hebben (21,2 % ten opzichte van 13,3 % van de mannen in 2010), met name vrouwelijke werknemers met een laag opleidingsniveau en vrouwen die werken met een tijdelijk contract(4);

D. overwegende dat de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen laat zien dat in de hele EU de pensioenen van vrouwen gemiddeld 39 % lager zijn dan die van mannen;

E.  overwegende dat vrouwen vaker door armoede en sociale uitsluiting worden getroffen dan mannen en dat dit nog meer geldt voor vrouwen boven de 60 jaar (22,2 % tegenover 17,3 % voor mannen in 2010)(5);

F.  overwegende dat gelijke kansen tussen mannen en vrouwen een belangrijk instrument vormt voor economische ontwikkeling en sociale samenhang;

G. overwegende dat het cohesiebeleid het belangrijkste instrument is voor de uitvoering van maatregelen tegen werkloosheid en sociale uitsluiting en afhankelijk is van investeringen voor onderwijs en het vergroten van onderwijscapaciteiten;

H. overwegende dat door de tijd gebleken is dat plattelandsgebieden te kampen hebben met een reeks economische en sociale problemen, zoals een slecht ontwikkelde ondernemersgeest, een lage participatie van volwassenen aan permanente educatie en opleiding, het gebrek aan bijscholing en het hoge percentage personen dat in landbouw voor eigen gebruik werkzaam is;

I.   overwegende dat de participatiegraad van vrouwen nog steeds laag is in vergelijking met het in de Europa 2020-strategie vastgestelde doel (11,5 % onder het streefpercentage van 75 %)(6);

J.   overwegende dat uit prognoses van de OESO blijkt dat een gelijke deelname van vrouwen en mannen aan het arbeidsproces het bbp per hoofd van de bevolking tegen 2030 met ongeveer 12.4 % zou doen stijgen;

K. overwegende dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn binnen het ondernemerschap en slechts 30 % van alle startende ondernemingen in Europa door vrouwen is opgericht(7);

L.  overwegende dat twee derden van de Europeanen in steden wonen die productieve en innoverende centra zijn, maar die tegelijk zorgen voor een concentratie van de sociaal uitgeslotenen en dat steden dus de eerste plaats zijn waar sociale uitsluiting moet worden aangepakt;

M. overwegende dat een alleenstaande moeder of ouder nog steeds benadeeld wordt op de arbeidsmarkt;

N. overwegende dat gelijke kansen voor vrouwen en mannen en het beginsel van gendermainstreaming uitdrukkelijk in de verordeningen inzake de structuurfondsen zijn vastgelegd als dimensies die dwars door de planning en uitvoering van beleid lopen;

O. overwegende dat familiebedrijven vrouwen een hoger loon betalen dan kmo's en hun de kans bieden om toegang te krijgen tot overwegend mannelijke sectoren; overwegende dat vrouwen die in familiebedrijven werken, vaker in leidinggevende functies terechtkomen; overwegende dat de Europese Unie en de lidstaten moeten worden aangemoedigd om dit soort activiteiten te bevorderen en vrouwen aan te zetten om eerder voor een baan in een familiebedrijf te kiezen;

P.  overwegende dat de bevordering van gelijkheid niet alleen een kwestie is van rechtvaardigheid en grondrechten maar ook een concurrentiefactor, aangezien de talenten van alle vrouwen die van de arbeidsmarkt worden uitgesloten onbenut blijven, een situatie die niet strookt met het bevorderen van de kenniseconomie.

1.  betreurt het dat de lidstaten niet meer hebben gedaan om de loonkloof tussen mannen en vrouwen te dichten; stelt bezorgd vast dat vrouwen in de EU gemiddeld 16,4 % minder verdienen dan mannen die gelijkwaardig werk verrichten en per jaar 59 dagen gratis werk verrichten, wat vrouwen in een economisch ondergeschikte positie duwt en hen soms afhankelijk maakt van hun partner; benadrukt het belang van maatregelen voor het dichten van de loonkloof tussen mannen en vrouwen, die ook heeft geleid tot een pensioenkloof van 39 % tussen mannen en vrouwen in de EU; benadrukt dat in negen lidstaten dit verschil is toegenomen in de laatste vijf jaar; merkt op dat uit de beoordeling van de Europese meerwaarde blijkt dat een vermindering van de loonkloof tussen mannen en vrouwen van 1 % zou leiden tot een stijging van 0,1 % in de economische groei; merkt op dat bedrijven aan concurrentiekracht kunnen winnen indien vrouwen toegang krijgen tot leidinggevende functies; vraagt de lidstaten dat zij hun statistieken over de loonkloof tussen mannen en vrouwen verbeteren en actualiseren;

2.  vraagt de Commissie dat zij loontransparantie vereist voor de banen die ze creëert of financiert in het kader van het cohesiebeleid, en zo een einde maakt aan ongerechtvaardigde ongelijke beloning;

3.  meent dat de Unie zich bij alle fasen van de uitvoering van de ESI-fondsen moet richten op het opheffen van ongelijkheden en op het bevorderen van gelijkheid tussen mannen en vrouwen en de integratie van het genderperspectief, alsmede op het bestrijden van discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid;

4.  verzoekt om meervoudige discriminatie te erkennen en aan te pakken, dit wil zeggen niet enkel ongelijkheid op basis van geslacht, maar ook op basis van religie of geloof, sociale afkomst, seksuele geaardheid, leeftijd, etnische oorsprong en handicap, teneinde een relevant en efficiënt beleid van sociale inclusie tot stand te brengen;

5.  benadrukt dat als gevolg van de economische crisis gelijkheid steeds minder belangrijk wordt geacht op vele gebieden; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat de economische crisis niet wordt gebruikt als een argument om situaties van ongelijkheid tussen mannen en vrouwen te bestendigen en dat er zelfs tijdens een dergelijke crisis verder moet worden gewerkt aan gelijkheid;

6.  doet een beroep op de lidstaten om deze dynamiek te veranderen door actief beleid te voeren ten behoeve van de gelijkheid in de vorm van programma's en begrotingen die tot doel hebben op deze manier het bbp per hoofd van de bevolking te verhogen;

7.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de Europese structuurfondsen actief te gebruiken als instrument om meer gelijkheid tussen mannen en vrouwen tot stand te brengen; vraagt de lidstaten en de Commissie een genderanalyse uit te voeren en te werken met genderbewust budgetteren om te komen tot een gendergelijke verdeling van financiële middelen;

8.  verzoekt de Commissie om in Eurostat statistische indicatoren per staat op te nemen met als doel de invloed van gelijkheid op de economische vooruitgang te meten zowel voor wat betreft de effectieve arbeidsmarktparticipatie van vrouwen als de mate waarin vrouwen leidinggevende posten bekleden en directiefuncties uitoefenen;

9.  erkent dat kmo's een aanzienlijke bijdrage leveren aan de Europese economie, met name door banen te creëren; betreurt het dat er veel minder vrouwen dan mannen aan het hoofd staan van kmo's; merkt op dat 5 % van de bestuursraden in de EU een vrouw als voorzitter hebben en dat van de bestuursleden in de EU 18,6 % vrouw is; betreurt het dat in de periode 2003-2013 het percentage vrouwelijke ondernemers maar licht is gestegen, van 10 % naar 10,4 %;

10. vraagt de lidstaten dat zij optimale werkwijzen uitwisselen om vrouwen aan te moedigen om kmo´s op te starten, dat zij strategieën ontwikkelen voor de bevordering van vrouwelijk ondernemerschap en dat zij de toegang tot financiële steun voor vrouwelijke ondernemers vergemakkelijken; vindt het goed dat het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) steun verleent aan door vrouwen geleide kmo's en steun bevordert voor activiteiten die gericht zijn op scholing en toegang tot financiering; verzoekt het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) om voorrang te geven aan het verzamelen van informatie over ondernemerschap bij vrouwen, en in het bijzonder over de toegang tot financiering en tot economische netwerken;

11. betreurt dat er zo weinig wordt gedaan om de deelname van vrouwen in besluitvormingsorganen te bevorderen, of om vrouwen aan te moedigen om hun eigen bedrijf te beginnen; stelt vast dat discriminatie op grond van zwangerschap bijvoorbeeld, zeer vaak wordt gebruikt om vrouwen uit te sluiten van de private en publieke arbeidsmarkt;

12. merkt op dat de ondervertegenwoordiging van vrouwen in bètastudies zijn oorsprong vindt in genderstereotypen; dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan om de toegang te bevorderen van vrouwen in sectoren die traditioneel als “mannelijk” worden beschouwd, met name de wetenschappen en nieuwe technologieën, vooral door middel van informatie- en bewustmakingscampagnes, om ten volle te kunnen profiteren van het menselijk kapitaal dat Europese vrouwen vertegenwoordigen;

13. merkt op dat vrouwen vaker deeltijds, in laagbetaalde of onzekere banen werken, wat gunstig kan zijn voor moeders die van zwangerschapsverlof terugkeren, maar ook kan leiden tot armoede onder werkenden en een genderkloof op het gebied van pensioenen; merkt op dat het aantal vrouwen met een deeltijdbaan in Europa vier keer zo hoog is als het aantal mannen met een deeltijdbaan(8); is bezorgd over de verschillen in de cijfers inzake deeltijds werken tussen de lidstaten; vraagt de Commissie dat zij een geactualiseerde diepgaande analyse verricht van de verschillende soorten arbeid, onder meer vergelijkingen binnen de lidstaten en tussen de lidstaten onderling, teneinde op geslacht gebaseerde onrechtvaardigheden in arbeidscontracten in kaart te brengen, met name betreffende deeltijds werken;

14. herhaalt dat opvang voor jonge kinderen moet worden gecreëerd, om de aanwezigheid van vrouwen op de arbeidsmarkt te versterken en vraagt daarom aan de Commissie dat zij innovatieve projecten in dit verband ondersteunt; wijst erop dat investeringen in openbare infrastructuur, zoals voorzieningen voor kinderopvang, de kansen verhogen voor vrouwen om actief deel te nemen aan de economie en de arbeidsmarkt;

15. beveelt de Commissie aan om in het kader van het cohesiebeleid, een groter deel van de EFRO- en FSE-middelen toe te wijzen aan projecten die vrouwen in staat stellen toegang te krijgen tot kwalitatief onderwijs en kwalitatieve banen;

16. stelt vast dat er onder de vrouwelijke bevolking sprake is van een sterke tendens van migratie van het platteland naar de stad op zoek naar werk, waardoor er een onevenwichtige man-vrouwverhouding inzake arbeid wordt gecreëerd in plattelandsgebieden; onderstreept de impact hiervan op de economie en de demografie en beklemtoont dat de plattelandseconomie moet worden ontwikkeld op een manier die het potentieel van mannen en vrouwen benut en waarbij sectoren waarin gewoonlijk voornamelijk vrouwen werken, dezelfde status krijgen als het werk dat voornamelijk door mannen wordt verricht; meent dat hieraan moet worden bijgedragen door middel van programma's die het vrouwelijk ondernemerschap ondersteunen en voorzieningen om de diensten die in plattelandsgebieden beschikbaar zijn, zoals kinderopvang, ouderenzorg, gezondheidszorg en onderwijs, op elkaar af te stemmen; vraagt tevens om langetermijnmaatregelen ter bestrijding van de factoren die ertoe leiden dat vrouwen en mannen in verschillende branches terechtkomen, met als doel het bereiken van gelijkheid op de arbeidsmarkt; verzoekt de lidstaten en de Commissie ondernemerschap bij vrouwen in plattelandsgebieden te bevorderen;

17. benadrukt dat het essentieel is om te starten met de uitvoering van programma's die gericht zijn op het ontwikkelen van ondernemers- en leidinggevende vaardigheden bij vrouwen, teneinde het aantal ondernemingen, zowel in plattelands- als stedelijke gebieden, te doen toenemen; onderstreept het belang van het bevorderen van gelijke kansen op het gebied van werkgelegenheid door vrouwen, met name vrouwen in plattelandsgebieden, te stimuleren om een eigen bedrijf op te starten;

18. verzoekt de Commissie en de lidstaten te onderzoeken of er genderclausules kunnen worden opgenomen in aankondigingen van aanbestedingen van overheidsopdrachten om bedrijven aan te moedigen gendergelijkheid in hun rangen na te streven en tegelijkertijd te voldoen aan de EU-wetgeving inzake mededinging;

19. wijst erop dat er een aanzienlijke digitale genderkloof bestaat, die moet worden aangepakt door de toegang voor vrouwen tot opleidingsprogramma's inzake nieuwe technologieën te vergemakkelijken en te bevorderen;

20. vraagt de lidstaten dat zij voorrang geven aan de digitale economische agenda en benadrukt dat volledige breedbandtoegang een essentieel element is om opties te bieden aan vrouwen, mannen en ondernemingen op het gebied van flexibele arbeidsregelingen en thuiswerk; verzoekt de lidstaten, de Commissie en de lokale en regionale overheden om steun te verlenen aan investeringen in de opleiding van vrouwen in de ICT-sector zodat het combineren van werk en gezinsleven eenvoudiger wordt;

21. vraagt de EU-instellingen en de lidstaten dat zij voor het behalen van de doelstellingen met betrekking tot werkgelegenheid en sociale integratie, rekening houden met de behoeften van vrouwen die terugkeren van zwangerschapsverlof, werkgevers motiveren om vrouwen aan te werven na hun zwangerschapsverlof, flexibele werkregelingen vergemakkelijken en bijscholing (voor een leven lang leren) bevorderen om vrouwen in staat te stellen soepel hun professionele carrière te hervatten;

22. verzoekt de Commissie, de lidstaten en de lokale en regionale overheden om in hun investeringsprogramma's rekening te houden met maatregelen ter bescherming van vrouwen en erop toe te zien dat de middelen worden gebruikt voor daadwerkelijke werkgelegenheid en meer beroepsmogelijkheden en niet voor andere doeleinden;

23. verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten om systematisch het gebruik van e-learning platforms te stimuleren, teneinde ondernemersvaardigheden bij vrouwen, evenals ondernemerschap in grensgebieden, te ontwikkelen; heeft bijzondere aandacht voor de noodzaak om een netwerk voor grensoverschrijdend partnerschap op te zetten, gebaseerd op dialoog en communicatie tussen partnerinstellingen en met het doel openbare debatten te organiseren over ondernemerschap bij vrouwen en grensoverschrijdend ondernemerschap;

24. verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten om, met het oog op het bereiken van de doelstellingen inzake de capaciteitsverhoging van vroege kinderopvang, beter gebruik te maken van zowel kwantitatieve als kwalitatieve indicatoren, teneinde voor alle kinderen gelijke toegang tot hoogwaardige zorg en kwalitatief onderwijs te garanderen;

25. dringt er bij lidstaten op aan om investeringen te bevorderen in opleidingsprogramma's die tot doel hebben vrouwen te helpen bij hun integratie in de arbeidsmarkt, met name vrouwen die zich eerder voltijds hebben toegelegd op de zorg voor hun kinderen of andere afhankelijke personen, alsook in opvangdiensten voor kinderen en ouderen en afhankelijke personen, die zowel toegankelijk als betaalbaar zijn en die werken op tijdstippen die aangepast zijn aan voltijds werkenden, teneinde de combinatie van werk en gezin te vereenvoudigen en ook werkloosheid en sociale uitsluiting te bestrijden;

26. roept de lidstaten op om genderbewust budgetteren te introduceren in de programmering van het cohesiebeleid, teneinde niet alleen de specifiek op vrouwen gerichte programma's te analyseren, maar ook alle overheidsprogramma's en beleidsmaatregelen en na te gaan wat het effect daarvan is op de toewijzing van middelen en de welke bijdrage dit levert aan de gelijkheid tussen vrouwen en mannen;

27. vraagt de lidstaten genderbewust budgetteren toe te passen en uit te breiden en verzoekt de Commissie de uitwisseling van optimale praktijken inzake genderbewust budgetteren te bevorderen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

31.3.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

32

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Maria Arena, Catherine Bearder, Beatriz Becerra Basterrechea, Malin Björk, Vilija Blinkevičiūtė, Anna Maria Corazza Bildt, Viorica Dăncilă, Iratxe García Pérez, Anna Hedh, Elisabeth Köstinger, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Angelika Mlinar, Krisztina Morvai, Maria Noichl, Marijana Petir, Terry Reintke, Michaela Šojdrová, Ernest Urtasun, Ángela Vallina, Elissavet Vozemberg, Jadwiga Wiśniewska, Anna Záborská, Jana Žitňanská, Inês Cristina Zuber

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Rosa Estaràs Ferragut, Julie Girling, Constance Le Grip, Marc Tarabella, Julie Ward, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Bart Staes

(1)

Verslag over gelijke kansen voor mannen en vrouwen - 2014.

(2)

cijfers van Eurostat voor 2008 en 2013).

(3)

Verslag van de Commissie (2013), Women active in the ICT sector.

(4)

Ibidem.

(5)

http://www.europarl.europa.eu/eplibrary/Pauvrete-dans-l-Union-europeenne.pdf

(6)

Eurostat, Labour Force Survey (LFS), 2014 (tweede kwartaal)

(7)

Actieplan Ondernemerschap 2020 - De ondernemingsgeest in Europa nieuw leven inblazen (COM(2012)0795)

(8)

Verslag over de gelijkheid van vrouwen en mannen 2014, Europese Commissie, DG Justitie en Consumenten.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

5.5.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

32

1

6

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pascal Arimont, José Blanco López, Franc Bogovič, Victor Boştinaru, Mercedes Bresso, Andrea Cozzolino, Rosa D’Amato, Tamás Deutsch, Michela Giuffrida, Anna Hedh, Krzysztof Hetman, Ivan Jakovčić, Marc Joulaud, Constanze Krehl, Martina Michels, Iskra Mihaylova, Andrey Novakov, Mirosław Piotrowski, Stanislav Polčák, Terry Reintke, Liliana Rodrigues, Fernando Ruas, Monika Smolková, Maria Spyraki, Olaf Stuger, Ruža Tomašić, Ramón Luis Valcárcel Siso, Ángela Vallina, Matthijs van Miltenburg, Lambert van Nistelrooij, Derek Vaughan, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Isabella Adinolfi, Enrique Calvet Chambon, Josu Juaristi Abaunz, Ivana Maletić, Miroslav Mikolášik, Bronis Ropė, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Ulrike Trebesius

Juridische mededeling