Procedure : 2014/2145(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0190/2015

Ingediende teksten :

A8-0190/2015

Debatten :

PV 24/06/2015 - 20
CRE 24/06/2015 - 20

Stemmingen :

PV 24/06/2015 - 23.5
CRE 24/06/2015 - 23.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0238

VERSLAG     
PDF 355kWORD 319k
17.6.2015
PE 546.753v03-00 A8-0190/2015

over de evaluatie van het kader voor economische governance: balans en uitdagingen

(2014/2145(INI))

Commissie economische en monetaire zaken

Rapporteur: Pervenche Berès

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 MINDERHEIDSSTANDPUNT
 MINDERHEIDSSTANDPUNT
 ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
 ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming
 ADVIES van de Commissie constitutionele zaken
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de evaluatie van het kader voor economische governance: balans en uitdagingen

(2014/2145(INI))

Het Europees Parlement,

–       gezien Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 21 mei 2013 betreffende de versterking van het economische en budgettaire toezicht op lidstaten in de eurozone die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden ten aanzien van hun financiële stabiliteit(1),

–       gezien Verordening (EU) nr. 473/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende gemeenschappelijke voorschriften voor het monitoren en beoordelen van ontwerpbegrotingsplannen en voor het garanderen van de correctie van buitensporige tekorten van de lidstaten van de eurozone(2),

–       gezien de brief van de toenmalige vicevoorzitter van de Commissie, Olli Rehn, van 3 juli 2013 over de toepassing van artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid,

–       gezien Verordening (EU) nr. 1175/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid(3),

–       gezien Verordening (EU) nr. 1177/2011 van de Raad van 8 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten(4),

–       gezien Verordening (EU) nr. 1173/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 inzake de effectieve handhaving van het begrotingstoezicht in het eurogebied(5), gezien Richtlijn 2011/85/EU van de Raad van 8 november 2011 tot vaststelling van voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten(6),

–       gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden(7),

–       gezien Verordening (EU) nr. 1174/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende handhavingsmaatregelen voor de correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden in het eurogebied(8),

–       gezien zijn Resolutie van 13 maart 2014 betreffende het onderzoeksrapport over de rol en werkzaamheden van de trojka (de Europese Centrale Bank (ECB), de Commissie en het Internationaal Monetair Fonds) met betrekking tot de landen die vallen onder een programma voor de eurozone(9),

–       gezien zijn resolutie van 12 december 2013 over grondwettelijke problemen in verband met meerlagige governance in de Europese Unie(10),

–       gezien zijn resolutie van 1 december 2011 over het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid(11),

–       gezien zijn resolutie van 6 juli 2011 over de financiële, economische en sociale crisis: aanbevelingen voor te nemen maatregelen en initiatieven(12),

–       gezien de mededeling van de Commissie van 28 november 2014 getiteld "Evaluatie van de economische governance – Verslag over de toepassing van de Verordeningen (EU) nr. 1173/2011, 1174/2011, 1175/2011, 1176/2011, 1177/2011, 472/2013 en 473/2013" (COM(2014)0905),

–       gezien de mededeling van de Commissie van 13 januari 2015 getiteld "Het optimaal benutten van de flexibiliteit binnen de bestaande regels van het stabiliteits- en groeipact" (COM(2015)0012),

–       gezien het Zesde verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie van de Commissie van 23 juli 2014 (COM(2014)0473),

–       gezien de conclusies van de bijeenkomsten van de Europese Raad in juni en december 2014,

–       gezien de conclusies van de Europese top van oktober 2014,

–       gezien de toespraak op 15 juli 2014 van de voorzitter van de Commissie Jean-Claude Juncker in het Europees Parlement,

–       gezien de toespraak van 22 augustus 2014 van de president van de ECB Mario Draghi tijdens het jaarlijkse symposium van centrale banken in Jackson Hole,

–       gezien het ECB Occasional Paper nr. 157 van november 2014 getiteld "The identification of fiscal and macroeconomic imbalances – unexploited synergies under the strengthened EU governance framework",

–       gezien OESO-werkdocument nr. 163 inzake sociale zaken, arbeid en migratie van 9 december 2014 getiteld "Trends in income inequality and its impact on economic growth",

–       gezien het werkdocument van het IMF van september 2013 getiteld "Towards a fiscal union for the euro area",

–       gezien de voorstellen van de Raad van Bestuur van de ECB van 10 juni 2010 getiteld "Reinforcing Economic Governance in the Euro Area",

–       gezien de mededeling van de Commissie van 13 januari 2015 getiteld "Optimaal benutten van de flexibiliteit binnen de bestaande regels van het stabiliteits- en groeipact" (COM(2015)0012),

–       gezien de conclusies van de Raad over het "Zesde verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie: investeren in groei en werkgelegenheid", dat is goedgekeurd door de Raad Algemene Zaken (Cohesie) van 19 november 2014,

–       gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–       gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie constitutionele zaken (A8‑0190/2015),

A.     overwegende dat de economische governance in de eurozone, die bedoeld was om onhoudbare overheidsfinanciën te voorkomen en het fiscaal beleid te coördineren, van start is gegaan met een stabiliteits- en groeipact dat bestond uit twee eenvoudige regels om negatieve gevolgen voor de EMU als geheel te voorkomen;

B.     overwegende dat er onmiddellijk na de invoering van de euro consolidatiemoeheid is ontstaan met betrekking tot de tenuitvoerlegging van deze regels, hetgeen de basis heeft gevormd voor een element van de huidige crisis in de EMU;

C.     overwegende dat het oorspronkelijke stabiliteits- en groeipact in de periode 2003‑2005 is hervormd, waarbij een aantal verfijningen en meer flexibiliteit werd ingevoerd en waarbij onvoldoende de problemen werden aangepakt van de zwakke handhavingsbepalingen en coördinatie;

D.     overwegende dat, toen diverse landen het gevaar liepen hun schuldverplichtingen niet te kunnen nakomen, wat zou hebben geleid tot een wereldwijde verspreiding van de crisis en tot een depressie, de situatie kon worden voorkomen door de instelling van ad‑hocmechanismen als de EFSF en het EFSM;

E.     overwegende dat om een herhaling van een crisis als deze te voorkomen, evenals de verspreiding van de crisis naar andere landen via de bankensector, een aantal maatregelen zijn genomen, waaronder de oprichting van de bankenunie, de instelling van het ESM, verbeterde wetgeving inzake economisch bestuur in de vorm van het sixpack en het twopack, het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de economische en monetaire unie, en het Europees Semester, die moeten worden gezien als één pakket;

F.     overwegende dat, volgens de laatste voorjaarsprognose van de Commissie, het bruto binnenlands product (bbp) in de eurozone na twee opeenvolgende jaren van negatieve groei naar verwachting zal stijgen, hetgeen betekent dat het economisch herstel langzaam van de grond komt en verder moet worden versterkt, omdat de output gap groot zal blijven;

G.     overwegende dat er enorme verschillen blijven bestaan tussen de lidstaten op het gebied van schuldratio's, tekortratio's, werkloosheidspercentages, saldo's op de lopende rekening en niveaus van sociale bescherming, ook na de tenuitvoerlegging van de programma's, door de verschillen in de oorzaken en het startpunt van de crises en in de ambitie, de impact en de nationale verantwoordelijkheid bij het uitvoeren van de tussen de instellingen en de betrokken lidstaten overeengekomen maatregelen;

H.     overwegende dat de investeringen in de eurozone zijn afgenomen met 17 % ten opzichte van de periode voor de crisis en dat zij zwak blijven; overwegende dat zowel een gebrek aan toekomstgerichte, groeibevorderende investeringen als onhoudbare publieke en private schulden een fnuikende last vormen voor toekomstige generaties;

I.      overwegende dat een Europees investeringsplan, als een belangrijk instrument om met name particuliere investeringen te bevorderen, wordt opgezet om de komende drie jaar 315 miljard euro aan nieuwe investeringen te genereren; overwegende dat, indien de voorgestelde financiële doelstellingen worden verwezenlijkt, dit plan slechts één element is om het geaccumuleerde investeringstekort weg te werken, samen met de tenuitvoerlegging van structurele hervormingen om een investeerdersvriendelijke omgeving in de lidstaten te creëren;

Evaluatie van het huidige kader voor economische governance

1.      verwelkomt de mededeling van de Commissie van 28 november 2014 over de evaluatie van de economische governance; is van mening dat de beoordeling door de Commissie een beeld geeft van de manier waarop en de mate waarin de verschillende instrumenten en procedures zijn gebruikt en ten uitvoer gelegd;

2.      benadrukt dat in het stelsel voor economische governance het voorkomen van buitensporige tekorten en schulden en buitensporige macro-economische onevenwichtigheden, alsmede de coördinatie van het economisch beleid, centraal staat; onderstreept daarom het feit dat de centrale vraag bij de evaluatie is of het nieuwe kader voor economische governance het weerstandsvermogen van de EMU heeft vergroot, in het bijzonder het vermogen om te voorkomen dat lidstaten hun schuldverplichtingen niet nakomen en tegelijkertijd bij te dragen tot een nauwere coördinatie en convergentie van het economisch beleid van de lidstaten en een hoog niveau van transparantie, geloofwaardigheid en democratische verantwoording;

3.      neemt kennis van het feit dat in sommige lidstaten vooruitgang is geboekt met de aanpak van het schuldniveau of het verlaten van de buitensporigtekortprocedure;

4.      is het eens met de analyse van de Commissie dat delen van het nieuwe kader hebben geleid tot resultaten, maar dat in normale economische tijden slechts beperkt conclusies kunnen worden getrokken over de effectiviteit van de verordeningen;

5.      erkent dat een beoordeling van de toepassing van het sixpack en het twopack in dit stadium slechts een partiële beoordeling is en niet los kan worden gezien van het Europees Semester, het VWEU en het Begrotingspact;

6.      is verheugd dat het sixpack en het twopack het toepassingsgebied van het Stabiliteits- en Groeipact hebben verbreed door de toevoeging van procedures om macro-economische onevenwichtigheden binnen en tussen lidstaten te voorkomen en te corrigeren en de te grote nadruk op het tekortcriterium in te ruilen voor een criterium dat zowel het tekort als de totale schuld in aanmerking neemt, en zo te proberen mogelijke problemen te ontdekken en te corrigeren en het ontstaan van crises te voorkomen in een zo vroeg mogelijk stadium, alsmede flexibiliteit mogelijk te maken in de vorm van clausules voor structurele hervormingen, investeringen en nadelige conjunctuurvoorwaarden; herinnert eraan dat flexibiliteit het preventieve karakter van het pact niet in gevaar mag brengen;

7.      onderstreept het feit dat het scorebord belangrijk is om macro-economische onevenwichtigheden in een vroeg stadium vast te stellen en dat duurzame structurele hervormingen belangrijk zijn om macro-economische onevenwichtigheden weg te nemen;

8.      benadrukt het feit dat een consistente, eerlijke uitvoering van het kader in alle landen en op langdurige wijze bijdraagt tot geloofwaardigheid; verzoekt de Commissie en de Raad om de wijzigingen van het stabiliteits- en groeipact in het kader van het sixpack en het twopack toe te passen en ernaar te handelen, met name met betrekking tot de handhavingsbepalingen;

9.      is van mening dat de huidige economische situatie met haar broze groei en hoge werkloosheid dringende, veelomvattende en daadkrachtige maatregelen vergt in het kader van een holistische aanpak op basis van groeivriendelijke begrotingsconsolidatie, structurele hervormingen en een bevordering van de investeringen om te komen tot het herstel van een duurzame groei en van het concurrentievermogen, om innovatie te bevorderen en werkloosheid te bestrijden en tegelijk het risico van een voortdurende lage inflatie of een mogelijk gevaar van deflatiedruk, alsmede voortdurende macro-economische onevenwichten aan te pakken; benadrukt het feit dat het kader voor economische governance een kerncomponent van deze holistische aanpak moet zijn, om deze uitdagingen te kunnen aanpakken;

10.    stemt in met de opmerking van commissaris Thyssen dat landen die voorzien in hoogwaardige banen, betere sociale bescherming en investeringen in menselijk kapitaal beter bestand zijn tegen economische crises; verzoekt de Commissie dit standpunt naar voren te brengen in alle beleidsmaatregelen in het kader van het Europees semester en in alle landenspecifieke aanbevelingen;

11.    benadrukt dat het huidige kader voor economische governance ten uitvoer moet worden gelegd en indien nodig verbeterd om te zorgen voor fiscale stabiliteit, om een behoorlijk debat mogelijk te maken over een algemene beoordeling van de eurozone als geheel met ruimte voor groeivriendelijke begrotingsverantwoordelijkheid, om het perspectief van de eurozone op het gebied van economische convergentie te verbeteren en om de verschillende economische en begrotingssituaties van de lidstaten op gelijke voet aan te pakken; benadrukt het feit dat het huidige kader lijdt onder een gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel op nationaal niveau, beperkte aandacht voor het internationale economische perspectief en een passend mechanisme voor het afleggen van democratische verantwoording;

12.    benadrukt het feit dat de huidige situatie nauwere en inclusieve economische coördinatie vergt waarbij de eurozone wordt beschouwd als geheel en het nationale verantwoordelijkheidsgevoel en de democratische verantwoordingsplicht met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de regels wordt verbeterd (om het vertrouwen te herstellen, de convergentie tussen de lidstaten te bevorderen, de fiscale duurzaamheid te verbeteren, duurzame structurele hervormingen aan te moedigen de investeringen een impuls te geven), alsmede een snelle reactie om de meest in het oog springende weeffouten weg te werken, de effectiviteit van het kader voor economische governance te vergroten en te zorgen voor een consistente en eerlijke tenuitvoerlegging van het kader in alle landen en op langdurige wijze;

13.    benadrukt het belang van eenvoudige en transparante procedures voor economische governance en waarschuwt ervoor dat de huidige complexiteit van het kader en het gebrek aan tenuitvoerlegging ervan en aan een gevoel van verantwoordelijkheid ervoor schadelijk is voor de effectiviteit ervan en voor de aanvaarding ervan door de nationale parlementen, de lokale autoriteiten, de sociale partners en de burgers in de lidstaten;

14.    erkent dat enige voortgang is geboekt ten aanzien van de doelstelling op middellange termijn en dat een grotere betrokkenheid is bewerkstelligd bij het nationale debat in lidstaten van de eurozone, mede dankzij de bijdrage van de nationale begrotingsinstanties die optreden als onafhankelijke organen die nagaan of er overeenstemming is met de begrotingsregels en de macro-economische vooruitzichten; verzoekt de Commissie een overzicht in te dienen van de structuur en de werking van de nationale begrotingsinstanties in de lidstaten en van de manier waarop deze instanties het gevoel van verantwoordelijkheid op nationaal niveau kunnen verbeteren;

15.    beschouwt het kader voor economische governance als een essentieel politiek initiatief ter onderbouwing van de fundamenten van de Europa 2020-doelstellingen en de vlaggenschipinitiatieven die erop gericht zijn het onbenutte groeipotentieel van de interne markt volledig te benutten; is van mening dat de lidstaten door het groeipotentieel van de interne markt aan te boren gemakkelijker de doelstellingen van het kader voor economische governance zullen kunnen verwezenlijken; is voorts van mening dat consumenten en bedrijven de belangrijkste actoren op de interne markt zijn;

Beste toepassing van de flexibiliteit binnen de huidige regels

16.    erkent dat het stabiliteits- en groeipact, dat is vastgesteld om de houdbaarheid van de overheidsfinanciën van de lidstaten die deelnemen aan de economische en monetaire unie te waarborgen, de lidstaten toestaat indien nodig een anticyclisch beleid te voeren, alsmede budgettaire ruimte om ervoor te zorgen dat de automatische stabilisatoren naar behoren kunnen werken; onderstreept het feit dat niet alle lidstaten overschotten realiseerden toen de economie goed draaide en dat sommige bestaande flexibiliteitsclausules waarin in de wetgeving was voorzien, de afgelopen jaren niet volledig zijn benut;

17.    is ingenomen met het feit dat de Commissie in haar interpretatieve mededeling over flexibiliteit erkent dat de manier waarop de huidige begrotingsregels worden geïnterpreteerd één element is voor het overbruggen van de investeringskloof in de EU en voor het faciliteren van de tenuitvoerlegging van groeibevorderende, duurzame en sociaal evenwichtige structurele hervormingen; merkt op dat in de mededeling geen veranderingen worden aangebracht wat de berekening van het deficit betreft, maar dat voor bepaalde investeringen wel een tijdelijke afwijking van de middellangetermijndoelstelling (MTD) van de betrokken lidstaat of van het aanpassingstraject richting MTD kan worden gerechtvaardigd;

18.    ondersteunt alle door de Commissie voorgestelde prikkels om het nieuwe Europese Fonds voor strategische investeringen (EFSI) te financieren, hoofdzakelijk door nationale bijdragen aan het fonds begrotingsneutraal te maken ten aanzien van het behalen van de MTD en van de vereiste inspanning op het gebied van begrotingsaanpassing, zonder wijziging hiervan in het preventieve of het correctieve deel van het stabiliteits- en groeipact; merkt op dat de Commissie voornemens is geen buitensporigtekortprocedure te starten, als het deficit van een lidstaat louter als gevolg van de bijkomende bijdrage aan het EFSI tijdelijk licht het maximale deficit van 3 % overschrijdt; vestigt de aandacht op de belangrijke bijdrage die het stabiliteits- en groeipact levert aan het opbouwen van vertrouwen voor het aantrekken van buitenlandse investeringen; benadrukt het feit dat de additionaliteit van de EFSI-financiering belangrijk is, omdat reeds geplande projecten in geen geval enkel mogen worden vervangen door projecten die door het EFSI worden gefinancierd en dat het netto-investeringsniveau daadwerkelijk moet worden verhoogd;

19.    is tevreden met het feit dat de mededeling van de Commissie is bedoeld om het toepassingsgebied van de investeringsclausule te verduidelijken, hetgeen in het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact ruimte biedt voor enige mate van tijdelijke flexibiliteit in de vorm van een tijdelijke afwijking van de MTD, op voorwaarde dat de afwijking niet leidt tot een overschrijding van de tekortreferentiewaarde van 3 % en een passende veiligheidsmarge wordt ingebouwd, om investeringsprogramma's door de lidstaten te faciliteren, met name wat betreft bestedingen voor projecten in het kader van het structuur- en cohesiebeleid, met inbegrip van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, trans-Europese netwerken en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, en cofinanciering in het kader van het EFSI;

20.    is van mening dat een voorwaarde voor de toepassing van de clausule inzake structurele hervormingen in het preventieve deel en de inoverwegingneming van structurele-hervormingsplannen in het correctieve deel, bestaat in de formele goedkeuring door de nationale parlementen van een hervorming en de feitelijke tenuitvoerlegging hiervan, met het oog op meer efficiëntie en een groter gevoel van verantwoordelijkheid; benadrukt het feit dat de sociale partners in alle fasen bij het hervormingsproces moeten worden betrokken;

21.    vraagt een intensievere dialoog tussen de Commissie en de lidstaten over de inhoud en de vorm van de structurele hervormingen die het geschiktst en het doeltreffendst zijn en die de Commissie in de landenspecifieke aanbevelingen moet voorstellen, welke verenigbaar moeten zijn met het Verdrag en de secundaire wetgeving, op basis van een kosten-batenanalyse, een resultaatgerichte evaluatie en een tijdsbestek, en moeten bijdragen tot het halen van de MTD;

22.    moedigt de financiële commissies van de nationale parlementen aan de voor economische governance bevoegde Europese commissarissen stelselmatig uit te nodigen voor een openbaar debat in hun kamer alvorens de ontwerpbegrotingen van de lidstaten goed te keuren;

23.    is van mening dat de structurele hervormingen die zijn vastgelegd in de nationale hervormingsprogramma's, op middellange en lange termijn een positief economisch, sociaal en ecologisch rendement moeten hebben en de effectiviteit en efficiëntie van de bestuurlijke capaciteit moeten verbeteren;

24.    merkt op dat, omdat dit had kunnen leiden tot een onderneming waarbij alle soorten van hypothesen worden gedefinieerd, met als gevaar dat diegene over het hoofd wordt gezien die zich daadwerkelijk zal voordoen, in de mededeling niet wordt ingegaan op de aard van "ongebruikelijke gebeurtenissen" waarover een lidstaat geen controle heeft en in geval waarvan een lidstaat tijdelijk zou mogen afwijken van het aanpassingstraject met het oog op de verwezenlijking van zijn MTD; onderstreept het feit dat soortgelijke situaties moeten worden behandeld op soortgelijke wijze;

25.    pleit ervoor om de economische en sociale samenhang te vergroten door het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds te versterken, teneinde banen met rechten te vrijwaren en te creëren door maatregelen te steunen ter bestrijding van de werkloosheid en armoede;

26.    onderstreept dat het voor de aanvaarding door het publiek van het kader voor economische governance belangrijk is dat de economische groei wordt gestimuleerd en nieuwe banen, vooral voor jongeren, worden gecreëerd;

27.    stelt met grote bezorgdheid vast dat de langdurige werkloosheid in de loop van de crisis is verdubbeld; merkt voorts op dat deze toename nog sterker was onder laaggeschoolde werknemers; verzoekt de Commissie in haar beleid en in haar landenspecifieke aanbevelingen aandacht te besteden aan de bestrijding van de langdurige werkloosheid;

28.    is van mening dat aan de toenemende ongelijkheid in Europa de grootst mogelijke aandacht moet worden besteed in het economisch kader van de Unie; is van mening dat verdubbeling van de inspanningen voor het scheppen van meer hoogwaardige banen in Europa een van de beste manieren is om de toenemende ongelijkheid aan te pakken;

Nauwere samenwerking, economische convergentie en stroomlijnen van het Europees Semester

29.    dringt er bij de Commissie op aan het stabiliteits- en groeipact volledig toe te passen en te zorgen voor een eerlijke tenuitvoerlegging ervan, overeenkomstig haar recente evaluatie van het sixpack en het twopack en de mededeling over flexibiliteit; is van mening dat het Europees Semester waar nodig en indien mogelijk moet worden gestroomlijnd en versterkt binnen het bestaande wetgevingskader; benadrukt het feit dat elke toekomstige stroomlijning en aanscherping in deze zin in elk geval stabiliteitsgericht moet zijn;

30.    is van mening dat de mededeling van de Commissie verduidelijkt waar er ruimte bestaat voor flexibiliteit in de huidige wetgeving; is tevreden met de inspanning meer duidelijkheid te scheppen op dit complexe gebied en verwacht dat de Commissie de in de bestaande regels ingebouwde flexibiliteit gebruikt overeenkomstig de mededeling, waarbij de voorspelbaarheid, transparantie en doeltreffendheid van het kader voor economische governance garandeert;

31.    dringt er bij de Commissie en de Raad op aan het begrotingskader en het macro-economische kader beter te definiëren, teneinde een vroeger en consistenter debat onder alle belanghebbenden mogelijk te maken, waarbij rekening moet worden gehouden met de Europese belangen die door deze kaders worden gediend, de noodzaak om de convergentie tussen lidstaten van de eurozone te vergroten, de beraadslaging in de nationale parlementen en de rol van de sociale partners of van de lokale autoriteiten ten aanzien van de verantwoordelijkheid voor duurzame en sociaal evenwichtige structurele hervormingen;

32.    benadrukt het feit dat de jaarlijkse groeianalyse en de landenspecifieke aanbevelingen beter moeten worden uitgevoerd en dat hierin rekening moet worden gehouden met een beoordeling van de begrotingssituatie en ‑vooruitzichten, zowel in de eurozone als geheel als in de afzonderlijke lidstaten; suggereert dat algemene evaluatie waarin is voorzien in Verordening (EU) nr. 473/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende gemeenschappelijke voorschriften voor het monitoren en beoordelen van ontwerpbegrotingsplannen en voor het garanderen van de correctie van buitensporige tekorten van de lidstaten van de eurozone, wordt besproken tijdens een debat in de plenaire vergadering van het Europees Parlement, met deelname van de Raad, de voorzitter van de Eurogroep en de Commissie, vóór de voorjaarstop van de Raad, en dat zij in de loop van het Europees Semester naar behoren ten uitvoer wordt gelegd;

33.    merkt op dat het Europees Semester een belangrijk instrument is geworden om hervormingen uit te voeren op nationaal niveau en op het niveau van de EU, door ervoor te zorgen dat de EU en haar lidstaten hun economisch beleid coördineren; betreurt evenwel het gebrek aan een gevoel van verantwoordelijkheid, met als gevolg een onbevredigend tenuitvoerleggingspeil van de landenspecifieke aanbevelingen;

34.    is van mening dat het Europees Semester moet worden gestroomlijnd en versterkt, zonder wijziging van het bestaande wetgevingskader, en dat de documenten in verband met het Semester beter moeten worden gecoördineerd, om te zorgen voor meer focus, effectiviteit en verantwoordelijkheidsgevoel met betrekking tot het halen van de Europese doelstellingen inzake goede economische governance;

35.    vraagt dat de landenspecifieke aanbevelingen waar dit relevant is beter worden gecoördineerd met de aanbevelingen inzake de buitensporigtekortprocedure, om te zorgen voor consistentie tussen de bewaking van de begrotingspositie en de economische beleidscoördinatie;

36.    is voorstander van een versterkt proces op EU- en nationaal niveau voor de uitwerking, follow-up en monitoring van landenspecifieke aanbevelingen, mede om de daadwerkelijke uitvoering en kwaliteit ervan in de realiteit te controleren;

37.    herinnert eraan dat de Commissie op grond van de wetgeving verplicht is bij de opstelling van haar aanbevelingen onder andere rekening te houden met de 2020-doelstellingen en dat in de wetgeving het principe is vervat dat de Raad de aanbevelingen en voorstellen van de Commissie in de regel moet volgen of zijn standpunt publiek moet verklaren;

38.    maakt zich zorgen door de toename van de schuld in landen die al een hoog schuldpeil hebben, hetgeen in sterke tegenspraak is met de regel van 1/20 inzake schuldvermindering; verzoekt de Commissie uit te leggen hoe zij voornemens is deze contradictie aan te pakken en ervoor te zorgen dat de schuldratio's worden verminderd tot houdbare niveaus, overeenkomstig het stabiliteits- en groeipact;

39.    steunt de driepijlerstrategie van de Commissie (groeibevorderende investeringen, fiscale consolidatie en structurele hervormingen) die in de jaarlijkse groeianalyse 2015 wordt gepresenteerd en vraagt dat deze concreter wordt gemaakt in het kader van de algemene evaluatie van de begrotingssituatie en ‑vooruitzichten in de eurozone en in de landenspecifieke aanbevelingen;

40.    erkent dat er behoefte is aan een onafhankelijke en pluriforme analyse van de economische vooruitzichten van de lidstaten op het niveau van de EU; dringt er in verband hiermee op aan de eenheid binnen de Commissie die bekendstaat als de economisch hoofdanalist, verder te ontwikkelen, om te zorgen voor een objectieve, onafhankelijke en transparante analyse van de relevante data, die publiek moet worden gemaakt en die moet dienen als basis voor een debat en besluitvorming in de Commissie, de Raad en het Europees Parlement op basis van feiten; verlangt dat de economisch hoofdanalist tijdig alle relevante documenten krijgt toegezonden om zijn taken te kunnen uitvoeren; benadrukt het feit dat de nationale begrotingsinstanties een nuttige rol spelen, zowel op nationaal niveau als op het niveau van de EU, en moedigt de oprichting aan van een Europees netwerk;

41.    herinnert eraan dat de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden bedoeld is crises te voorkomen door een vroege identificering van schadelijke macro-economische onevenwichtigheden op basis van een objectieve beoordeling van de ontwikkeling van de belangrijkste macro-economische variabelen; is van mening dat de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden moet worden gebruikt om op doelmatige en doeltreffende wijze de ontwikkeling te beoordelen van de belangrijkste macro-economische variabelen, zowel in landen met een tekort als in landen met een overschot, met name wat de versterking betreft van het concurrentievermogen en het beter rekening houden met de eurozone als geheel, inclusief de overloopeffecten; herinnert eraan dat macro-economisch toezicht ook bestemd is voor de identificatie van landen die in de toekomst waarschijnlijk te maken zullen krijgen met een onevenwicht en om dit te voorkomen door tijdig duurzame en sociaal evenwichtige structurele hervormingen te starten, op een moment dat er nog ruimte is om in te grijpen;

42.    onderstreept het feit dat de Commissie een duidelijk onderscheid maakt tussen het preventieve en het correctieve deel van het stabiliteits- en groeipact, met name wat investeringen betreft die het mogelijk maken tijdelijk af te wijken van de MTD of van het bijbehorende aanpassingstraject, binnen de grenzen van de in het preventieve deel opgenomen veiligheidsmarge; verzoekt de Commissie en de Raad op dit gebied consistent te zijn met het resultaat wat het standpunt betreft van de medewetgever inzake de verordening betreffende het Europese Fonds voor strategische investeringen;

43.    verzoekt de Commissie in haar analyses rekening te houden met alle belangrijke factoren, inclusief reële groei, inflatie en de overheidsinvesteringen en werkloosheidscijfers op lange termijn, wanneer zij de economische en fiscale situaties van de lidstaten beoordeelt, en verzoekt haar dringend de investeringskloof in de EU aan te pakken door de uitgaven te verschuiven naar de investeringen die het productiefst zijn en het bevorderlijkst voor duurzame groei en banen;

44.    verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de manier waarop in de buitensporigtekortprocedure rekening wordt gehouden met effectieve maatregelen, gebaseerd is op duidelijke, numerieke criteria op het gebied van kwantiteit en kwaliteit;

45.    wijst er nogmaals op dat de focus op structurele tekorten sinds de hervorming van het SGP in 2005, in combinatie met de invoering van een uitgavenregel bij de hervorming van 2011, maar ook het concept "output gap" dat moeilijk te kwantificeren is, onzekerheid, complexiteit en flexibiliteitsmarges creëren en zo leiden tot een discretionaire tenuitvoerlegging van het stabiliteits- en groeipact; vreest dat de berekening van potentiële groei en output, die ten grondslag ligt aan de beoordeling van de structurele tekorten, en de berekening van de uitgavenregel gebaseerd zijn op diverse twijfelachtige aannamen die leiden tot aanzienlijke bijstellingen tussen de najaars- en voorjaarsprognoses van de Commissie, hetgeen leidt tot verschillende berekeningen en uiteenlopende beoordelingen wat betreft de tenuitvoerlegging van het stabiliteits- en groeipact;

46.    dringt er bij de Commissie op aan om, bij de monitoring en beoordeling van de begrotingssituaties van de lidstaten, rekening te houden met de praktische gevolgen van overeengekomen begrotingsmaatregelen en ‑hervormingen; verzoekt de Commissie te streven naar de uitstippeling van een voorspelbaar, samenhangend beleid, haar analyse te baseren op harde feiten en betrouwbare data en de grootste voorzichtigheid aan de dag te leggen bij het gebruik van ramingen met betrekking tot concepten als geschatte potentiële groei van het bbp en output gaps;

47.    onderstreept het belang van nieuwe groei en nieuwe banen voor de aanvaarding van het kader voor economische governance door het publiek en verzoekt de Commissie daarom om het ondernemersklimaat in Europa te verbeteren en daarbij bijzondere aandacht te schenken aan kmo's, het verminderen van administratieve lasten en het verbeteren van de toegang tot financiering; herinnert in dit verband aan de noodzaak om kmo's de nodige ondersteuning te geven zodat zij ook toegang kunnen krijgen tot niet-EU-markten, zoals de VS, Canada, China en India;

Democratische verantwoordingsplicht en toekomstige uitdagingen bij de verdieping van de economische governance

48.    is van mening dat een verdiepte en veerkrachtigere EMU dringend behoefte heeft aan minder complexiteit, een groter gevoel van verantwoordelijkheid en meer transparantie, in plaats van aan de loutere toevoeging van nieuwe lagen regelgeving bovenop degene die reeds bestaat; onderstreept het feit dat er, aangezien de verantwoordelijkheden op het gebied van de EMU worden gedeeld door het nationale en het Europese niveau, bijzondere aandacht aan moet worden besteed dat, wat economische governance betreft, wordt gezorgd voor coherentie en de aflegging van verantwoording, zowel op nationaal als op Europees niveau; is voorts van mening dat een grote rol moet worden gespeeld door instellingen die democratische verantwoording moeten afleggen en onderstreept het feit dat er behoefte is aan voortdurende betrokkenheid van de parlementen, waarbij de verantwoordelijkheden moeten worden opgenomen op het niveau waar de besluiten worden genomen of uitgevoerd;

49.    erkent op basis van de huidige situatie dat het kader voor economische governance moet worden vereenvoudigd, beter moet worden gehandhaafd en, waar nodig, moet worden aangevuld, zodat de EU en de eurozone kunnen beantwoorden aan de uitdagingen op het gebied van convergentie, duurzame groei, volledige werkgelegenheid, welzijn van de burgers, concurrentievermogen, gezonde en duurzame overheidsfinanciën, toekomstgerichte, duurzame investeringen met een hoog sociaaleconomisch rendement en vertrouwen;

50.    is van mening dat er, aangezien de parlementaire inbreng in de richtsnoeren voor het economisch beleid een belangrijk aspect is van ieder democratisch systeem, kan worden gezorgd voor meer legitimiteit op Europees niveau door de vaststelling van convergentierichtsnoeren met gerichte prioriteiten voor de komende jaren, in het kader van een medebeslissingsprocedure die bij de volgende verdragswijziging moet worden ingevoerd;

51.    herinnert aan de resoluties van het Europees Parlement waarin wordt gespecificeerd dat de oprichting van het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) en het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur ("begrotingspact") buiten de structuur van de instellingen van de Unie om een stap terug betekent voor de politieke integratie van de Unie, en dringt er bijgevolg op aan dat het ESM en het begrotingspact volledig in het communautaire kader worden geïntegreerd op basis van een beoordeling van de ervaring van de uitvoering ervan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de EMU en dat zij vervolgens formeel verantwoording zijn verschuldigd aan het Parlement;

52.    herinnert aan zijn verzoek om de ontwikkeling van opties inzake een nieuw rechtskader voor toekomstige macro-economische aanpassingsprogramma's, ter vervanging van de trojka, om de transparantie van deze programma's en het gevoel van verantwoordelijkheid ervoor te vergroten en ervoor te zorgen dat alle EU-besluiten indien mogelijk worden genomen volgens de communautaire methode; is van mening dat er consistentie moet zijn tussen het karakter van het gebruikte stabiliteitsmechanisme en de instelling die belast is met het in gang zetten ervan en erkent tegelijk dat, aangezien de financiële hulp wordt gegarandeerd door de lidstaten van de eurozone, deze een woordje mee te spreken hebben over de toekenning ervan;

53.    verlangt dat het besluitvormingsproces van de Eurogroep opnieuw wordt beoordeeld teneinde te zorgen voor voldoende democratische verantwoordingsplicht; is ingenomen met het feit dat de voorzitter van de Eurogroep regelmatig deelneemt aan de vergaderingen van de ECON-commissie op dezelfde manier als de voorzitter van de Ecofin-Raad, zodat wordt bijgedragen tot een vergelijkbaar niveau inzake het afleggen van democratische verantwoording;

54.    herinnert eraan dat het sixpack en het twopack gebaseerd zijn op een grotere rol voor een onafhankelijk commissaris, die moet zorgen voor een eerlijke en niet-discriminerende toepassing van de regels, is van mening dat in geval van bijkomende stappen met betrekking tot de institutionele organisatie van de economische governance, bijvoorbeeld een versterking van de rol van de commissaris voor Economische en Monetaire Zaken of de oprichting van een Europese Thesaurie, de scheiding der machten tussen de verschillende instellingen moet worden geëerbiedigd en dat deze stappen moeten worden gekoppeld aan adequate middelen op het gebied van de aflegging van democratische rekenschap en democratische legitimiteit, met betrokkenheid van het Europees Parlement;

55.    herinnert eraan dat de bankunie het resultaat was van de politieke wil om nieuwe financiële crises te voorkomen, om de vicieuze cirkel tussen staten en banken te doorbreken en om de negatieve overloopeffecten van een overheidsschuldencrisis tot een minimum te beperken en dat dezelfde wil vereist is voor de verwezenlijking van en verdiepte EMU;

56.    verzoekt de Commissie een ambitieuze routekaart in te dienen voor de totstandbrenging van een verdiepte economische en monetaire unie waarin rekening wordt gehouden met de voorstellen in dit verslag, op basis van het door de eurozonetop verleende en de Europese Raad bevestigde mandaat om "de volgende stappen voor te bereiden met het oog op een betere economische governance in de eurozone" alsmede van eerder werk zoals het verslag-Thyssen van 20 november 2012 met als titel "Naar een echte Economische en Monetaire Unie", de mededeling van de Commissie van 28 november 2012 met als titel "Blauwdruk voor een hechte economische en monetaire unie. Aanzet tot een Europees debat" en het eindverslag van de vier voorzitters van 5 december 2012;

57.    verzoekt de belanghebbenden bij deze noodzakelijke volgende stap van de EMU om rekening te houden met de voorzienbare toekomstige uitbreiding van de eurozone en om alle opties te onderzoeken om de EMU te verdiepen en te versterken en om haar veerkrachtiger te maken en bevorderlijk voor groei, banen en stabiliteit, bijvoorbeeld:

a) sterkere mechanismen voor de aflegging van democratische verantwoording, zowel op EU-niveau als op het niveau van de lidstaten, waarbij de verantwoordelijkheden moeten worden opgenomen op het niveau waar de besluiten worden genomen, op basis van volgens de medebeslissingsprocedure vastgestelde convergentierichtsnoeren, met een formalisering van de controlerende rol van het Europees Parlement in het kader van het Europees Semester in een interinstitutioneel akkoord, waarbij ervoor wordt gezorgd dat alle nationale parlementen van de eurozone alle stappen van het Europees semester volgen;

b) een sociale dimensie die erop is gericht de socialemarkteconomie van Europa te behouden, met eerbiediging van het recht op collectieve onderhandelingen en de garantie dat het sociaal beleid van de lidstaten wordt gecoördineerd, inclusief een mechanisme voor een minimumloon of ‑inkomen dat eigen is aan en waartoe besloten wordt door elke lidstaat, ondersteuning van de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting, de re-integratie van werknemers op de arbeidsmarkt en vrijwillige mobiliteit en flexibiliteit tussen beroepen en lidstaten;

c) een fiscale capaciteit van de eurozone op basis van specifieke eigen middelen, die de lidstaten in het kader van de begroting van de Unie met controle door het Europees Parlement moet helpen bij de tenuitvoerlegging van de overeengekomen structurele hervormingen op basis van bepaalde voorwaarden, inclusief de effectieve uitvoering van de nationale hervormingsprogramma's; is in verband hiermee tevreden met het werk van de EU-groep eigen middelen, onder het voorzitterschap van Mario Monti;

d) een vergroting van de veerkracht van de EMU om het hoofd te bieden aan economische schokken en noodsituaties die rechtstreeks verband houden met de monetaire unie, waarbij elke vorm van permanente fiscale transfers wordt voorkomen;

e) op het gebied van belastingen, een engagement voor maatregelen voor heel Europa tegen belastingfraude en ‑ontwijking en tegen agressieve belastingplanning door bedrijven, samenwerking tussen de nationale belastinginstanties voor de uitwisseling van informatie over belastingontwijking en belastingfraude, maatregelen om te komen tot een convergentie van het belastingbeleid van de lidstaten, een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting, eenvoudigere en transparantere belastingstelsels en rapportage per land door bedrijven, met uitzondering van kmo's;

f)  stapsgewijze voltooiing van de bankunie;

g) opname van het ESM en het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de wetgeving van de Unie, in combinatie met een verbeterde coördinatie van het economisch beleid, reële convergentie, een handhaving van gemeenschappelijke regels en een duidelijk engagement voor economisch en sociaal duurzame structurele hervormingen;

h) aanpak van zwakke plekken in het huidige kader, dat het mogelijk maakt dat op bepaalde delen van het Verdrag wordt toegezien door het Hof, terwijl andere zijn uitgesloten;

i)  een grotere externe rol van de eurozone, onder meer door de vertegenwoordiging van de eurozone op te waarderen;

58.    dringt erop aan dat eventuele verdere maatregelen in EMU-verband worden opgesteld op basis van de "1+1 voorzitters"-benadering, inclusief de Voorzitter van het EP, die voor alle vergaderingen moet worden uitgenodigd, volledig moet worden geïnformeerd en het recht moet hebben om aan de debatten deel te nemen; merkt op dat de voorzitter van de Commissie heeft aangegeven voornemens te zijn om tijdens de voorbereiding van het rapport van de vier voorzitters de inbreng van de Voorzitter van het Europees Parlement in zijn overwegingen mee te nemen;

59.    verzoekt zijn Voorzitter vooraf overleg te plegen met de fractievoorzitters of de specifiek door hun fracties of het Parlement aangewezen leden, om het Parlement te vertegenwoordigen bij zijn toekomstige taak, op grond van het met deze resolutie verleende mandaat, onder andere met betrekking tot de kwesties in de analytische nota van de vier voorzitters met als titel "Voorbereiding van de volgende stappen met het oog op een betere economische governance in de eurozone";

60.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan voorzitters van de Raad, de Commissie, de Eurogroep en de ECB, alsmede aan de parlementen van de lidstaten.

(1)

PB L 140 van 27.5.2013, blz. 1.

(2)

PB L 140 van 27.5.2013, blz. 11.

(3)

PB L 306 van 23.11.2011, blz. 12.

(4)

PB L 306 van 23.11.2011, blz. 33.

(5)

PB L 306 van 23.11.2011, blz. 1.

(6)

PB L 306 van 23.11.2011, blz. 41.

(7)

PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25.

(8)

PB L 306 van 23.11.2011, blz. 8.

(9)

Aangenomen teksten, P7_TA (2014)0239.

(10)

Aangenomen teksten, P7_TA (2013)0598.

(11)

PB C 165 E van 11.6.2013, blz. 24.

(12)

PB C 33 E van 5.2.2013, blz. 140.


TOELICHTING

In vervolg op het mandaat dat de coördinatoren van de ECON-commissie in september 2014 ontvingen, vormt dit verslag een bijdrage aan de doeltreffendheid van het rechtskader, met name wat betreft de vraag of de bepalingen die van toepassing zijn op de besluitvorming solide genoeg zijn gebleken en of er vooruitgang is geboekt bij het waarborgen van nauwere coördinatie van het economische beleid en de voortgaande convergentie van de economische prestaties van de lidstaten overeenkomstig het VWEU. Sindsdien hebben zich drie belangrijke ontwikkelingen voorgedaan: het verzoek van de top van de eurozone op 24 oktober 2014 aan de voorzitter van de Commissie om de werkzaamheden betreffende het verslag van vier voorzitters te hervatten, de publicatie door de Commissie van twee mededelingen, één over het "Evaluatie van de economische governance"-verslag over de toepassing van verordeningen van 28 november 2014 en één over "Het optimaal benutten van de flexibiliteit binnen de bestaande regels van het stabiliteits- en groeipact".

Het verslag is opgesteld in een context waarin de euro meer dan zeven jaar na het begin van de crisis is gered dankzij stappen die niemand op voorhand had kunnen vermoeden, waaronder de herziening van het stabiliteits- en groeipact (SGP), het begrotingspact, de totstandkoming van een Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM), de bankenunie en de leidende rol van de Europese Centrale Bank (ECB). Daarnaast is er in Europa en in de eurozone sprake van een situatie waarbij, volgens de laatste cijfers van Eurostat, het werkloosheidspercentage in november 2014 11,5 % bedroeg, de jaarlijkse inflatie naar verwachting in december 2014 is gedaald tot ‑0,2 %, terwijl er volgens de najaarsprognose van de Europese Commissie in 2014 sprake zal zijn van matige economische groei (+0,8 %).

Het verslag is opgesteld tegen deze achtergrond en op basis van de analyse van de eerste jaren waarin het kader voor economische governance ten uitvoer is gelegd, daar het kader tijdens de crisis is aangepast. Het onvolledige karakter van de Economische en Monetaire Unie (EMU) en de matige prestaties van de eurozone sinds 2011 hebben, met de kennis van vandaag, aanleiding gegeven tot een debat over de beleidsmix die na de soevereine schuldencrisis is vastgesteld, aangezien de eurozone is achtergebleven bij haar tegenhangers. In deze geest wordt in een economische verhandeling(1) van de Commissie waarin de eurozone tussen 2011 en 2013 wordt geanalyseerd, geconcludeerd dat de gelijktijdige consolidatie in de landen van de eurozone – na het expansieve beleid waartoe door de G20 werd besloten na het faillissement van Lehman Brothers – "zeer negatieve effecten" en "aanzienlijke negatieve overloopeffecten" heeft gehad. In het verslag wordt erop gewezen dat de nieuwe bepalingen geen mogelijkheid boden om voldoende rekening te houden met het cumulatieve, Europa-brede effect van nationale beleidsmaatregelen, met name van het begrotingsbeleid van de lidstaten, en dat zij derhalve geen oplossing boden voor de risico's die voortvloeiden uit de groeiende divergentie tussen economieën van de eurozone, de dreigende deflatie, de lage groei en de hoge werkloosheid.

In dit licht wordt in het verslag gesteld dat de negatieve effecten van het gelijktijdige restrictieve begrotingsbeleid in heel Europa op de groeivooruitzichten aanzienlijk is onderschat. Daarnaast zijn de flexibiliteitsclausules waarin het SGP voorziet voor de uitvoering van anticyclisch economisch beleid wanneer de groei onder het potentieel blijft, niet ten volle benut of hebben deze, tot op heden, mede wegens een te enge interpretatie, niet genoeg ruimte geboden voor manoeuvres om de problemen waarvoor de EU zich gesteld zag het hoofd te bieden.

De sterke nadruk bij de beoordeling van de tenuitvoerlegging van de SGP-bepalingen op het structureel tekort, die heeft geleid tot willekeurige interpretaties aangezien deze indicator berust op diverse twijfelachtige aannames, moet derhalve ter discussie worden gesteld. De tendens van consolidatie gedurende de afgelopen jaren, waar deze beoordeling van de tenuitvoerlegging van het SGP de ruimte voor bood, is in sommige gevallen schadelijk geweest voor de financiering van structurele hervormingen, inclusief investeringen die al eerder gedaan hadden moeten worden, en heeft wellicht geleid tot tegenstrijdige beleidsaanbevelingen voor de verwezenlijking van de EU 2020-doelstellingen.

In dit verband heeft de Commissie twee mededelingen opgesteld waarin het kader wordt gedefinieerd van de te bespreken vraagstukken. De mededeling betreffende flexibiliteit is interpretatief van aard en direct toepasbaar, en beoogt de bevordering van investeringen en groei binnen het kader van de bestaande regelgeving. Deze mededeling, waarin de nationale bijdragen aan het EFSI als begrotingsneutraal ten aanzien van het SGP worden beschouwd, vormt een ondersteuning van het door de Commissie gelanceerde investeringsplan. De rapporteur is van mening dat er meer vooruitgang moet worden geboekt, met name door een symmetrische benadering te hanteren voor bijdragen om projecten te cofinancieren in het kader van het EFSI door middel van een bredere "investeringsclausule" in het preventieve en het correctieve deel. In deze mededeling wordt eveneens een nieuwe manier voorgesteld om bij de beoordeling van de begrotingssituatie van de lidstaten rekening te houden met de kosten van de tenuitvoerlegging van structurele hervormingen. De desbetreffende bepalingen zouden de tenuitvoerlegging van hervormingen door de lidstaten kunnen verbeteren en het gevoel van zeggenschap in de lidstaten kunnen vergroten, op voorwaarde dat in het preventieve deel en het correctieve deel dezelfde benadering wordt gehanteerd.

De tweede mededeling vormt een soort statistische waarneming met betrekking tot de vraag op welke wijze gebruik is gemaakt van de verschillende procedures die krachtens het sixpack en het twopack zijn ingevoerd: er wordt erkend dat er "mogelijke gebieden voor verbetering zijn, wat betreft transparantie en de complexiteit van besluitvorming", maar ook wat betreft "het effect van de regels op groei, onevenwichtigheden en convergentie", terwijl "de Commissie voornemens is dit de komende maanden met het Europees Parlement en de Raad te bespreken".

Deze verschuiving is nog groter geworden door het op 22 januari 2015 door de ECB genomen besluit om het programma voor de opkoop van activa uit te breiden. Dit programma zal ook door de centrale regeringen in de eurozone uitgegeven obligaties omvatten en oplopen tot 60 miljard euro per maand tot ten minste september 2016.

De rapporteur is er stellig van overtuigd dat het Europees Parlement deze kans moet benutten om bij te dragen aan het debat over een betere functionering van de EMU, waarbij ook geanticipeerd moet worden op de discussie die in de nabije toekomst zal worden gestart op basis van het verslag van vier voorzitters.

In dit verband is het wenselijk dat enkele belangrijke punten aan de orde worden gesteld:

1) De eurozone beschikt niet over een deugdelijke beoordeling van haar algemene economische situatie, een gezamenlijke diagnose, hetgeen voor landen die dezelfde munt delen wel het geval zou moeten zijn. Dit is duidelijk gebleken uit het optreden van grote verschillen die door de huidige crisis en de interventie van de trojka nog groter zijn geworden, alsook uit de historische daling van investeringen in de EU. De EMU beschikt klaarblijkelijk niet over geschikte instrumenten voor een adequaat debat over de koers die de verschillende lidstaten zouden moeten volgen ten aanzien van hun begrotingssituatie. Dit is een belangrijk element van het debat dat sinds de oprichting van de EMU is gevoerd. Er is geprobeerd een oplossing te vinden door middel van verschillende instrumenten, waaronder aanvankelijk de globale richtsnoeren voor het economisch beleid. De gedachte was toen dat een oplossing mogelijk zou zijn binnen het Europees semester, met de jaarlijkse groeianalyse en de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden. Toegegeven zij dat deze laatste procedure het mogelijk heeft gemaakt een overzicht te krijgen van de "tekortlanden" en de "overschotlanden", hoewel dit niet heeft geleid tot een brede discussie onder de belanghebbenden en de procedure in wezen een instrument lijkt te zijn voor een discussie van de Commissie met de lidstaten over hun verwachte structurele hervormingen. Nu de economie van de EU zich duidelijk in de gevarenzone bevindt en een scenario naar Japans voorbeeld opdoemt, lijkt de tijd rijp om dit debat te voeren en er de juiste instrumenten voor in het leven te roepen. In zekere zin wordt dit debat geopend met de huidige discussie over het "begrotingsstandpunt van de eurozone", maar het is zaak te bepalen of dit slechts een optelsom van nationale begrotingsstandpunten moet zijn of dat het een toekomstgerichte politieke benadering kan zijn die het mogelijk maakt de dynamische rol te definiëren die iedere afzonderlijke speler zou kunnen vervullen om het best mogelijke resultaat voor het geheel te bereiken. Met het oog hierop stelt de rapporteur voor om de door de Commissie opgestelde aanbevelingen voor de eurozone een bindend karakter te geven en deze in een eerder stadium, tijdens de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad, vast te stellen.

2) De meeste waarnemers, maar ook de Commissie, erkennen inmiddels dat de buitensporige complexiteit van de economische governance schadelijk is voor de democratie, de transparantie en de zeggenschap op dit vlak. Er moet worden onderkend dat dit het gevolg is van een gebrek aan vertrouwen dat ertoe leidde dat nieuwe regels bovenop reeds bestaande regels werden gestapeld. Dit heeft zich tevens vertaald naar een tamelijk indringende follow-up van de "structurele hervormingen" in de lidstaten door de Commissie, die in sommige gevallen wellicht contraproductief is. Na de invoering van de euro is de druk om te hervormen in de meeste lidstaten afgenomen, maar de huidige crisis heeft hen wakker geschud. De beste manier om de hervormingen te verwezenlijken zonder de democratie, de sociale dialoog en de eigen zeggenschap, die immers ook deel uitmaken van het concurrentievermogen van de EU, in gevaar te brengen, is de lidstaten toe te staan de hervormingen uit te voeren op basis van een gemeenschappelijk begrip van de situatie. Dit is nodig om uiteindelijk succes te kunnen boeken en daarbij te waarborgen dat de regels worden geëerbiedigd. Het kan werken mits wordt onderkend dat deugdelijke hervormingen op nationaal niveau moeten worden gedefinieerd op grond van de algemene strategie van de EU, dat sommige hervormingen langetermijneffecten hebben en dat in de huidige economische situatie moet worden gezocht naar het juiste evenwicht tussen structurele hervormingen en begrotingsdiscipline.

3) De huidige regels en sancties inzake economische governance zijn in wezen gebaseerd op concepten, te beginnen met de "output gaps", waarover belangrijke controverses bestaan onder deskundigen, met inbegrip van Martti Hetemäki, voorzitter van de Europese Adviescommissie voor statistische governance (ESGAB) of Stefan Kapferer van de OESO, zoals bleek tijdens hun recente optreden in de ECON-commissie. De rol van de "output gap" is zelfs toegenomen door de laatste mededeling van de Commissie over flexibiliteit. Deze situatie is niet evenwichtig en moet worden opgehelderd ofwel door consensus te bereiken over deze concepten ofwel door ze te veranderen, maar in ieder geval door de ECB, de OESO en het IMF bij deze taak te betrekken.

4) Na de tenuitvoerlegging van het huidige kader voor economische governance in de huidige economische context, komen er nu discussies op gang over de duurzaamheid van sommige regels die in het verleden zijn goedgekeurd. In het naderende debat zullen deze regels eveneens nauwkeurig onder de loep moeten worden genomen. Uiteraard betreft het allereerst de 1/20‑regel inzake schuldreductie maar eveneens de regel inzake 0,5 % jaarlijkse structurele aanpassing.

5) Het Europees Parlement heeft aan het einde van het vorige mandaat het debat op gang gebracht over de legitimiteit en de doeltreffendheid van de door de trojka geleide steunprogramma's. Uit de presentatie van zijn programma als voorzitter van de Commissie ten overstaan van het Europees Parlement, bleek dat Jean-Claude Juncker niet voornemens is de trojka als zodanig te handhaven. Dit wordt ondersteund door het advies van de advocaat-generaal van het Europees Hof van Justitie over de rechtmatigheid van het rechtstreekse monetaire transacties (OMT)-programma van de ECB. Bijgevolg en ter ondersteuning van het pleidooi van het Parlement om het ESM op te nemen in het Verdrag, moet er opnieuw worden nagedacht en duidelijkheid worden verschaft over de verantwoordelijkheid en de instrumenten van de verschillende belanghebbenden.

6) Een kader voor economische governance kan evenwel niet uitsluitend worden beoordeeld op grond van de resultaten ("output-legitimiteit"); er moet tevens worden gekeken naar de democratische verantwoordingsplicht. Gezien het toenemende gevoel dat er in het versterkte kader voor economische governance sprake is van een democratisch tekort, wordt er in het verslag voor gepleit dat er een einde komt aan louter intergouvernementele regelingen en dat, in plaats daarvan, grotere betrokkenheid van het Europees Parlement op Europees niveau een noodzakelijke voorwaarde wordt voor de vergroting van de democratische legitimiteit. Gezien het feit dat de democratische verantwoordingsplicht bovendien is verzwakt door de buitensporige complexiteit van het kader, wordt de Commissie in het verslag verzocht om in het voorjaar te komen met een ambitieus wetgevingsprogramma inzake de hervorming van het kader.

7) Tot slot kan de economische governance van de EMU niet worden besproken zonder na te denken over de periode na de crisis. Iedere eerlijke waarnemer kan vaststellen dat het debat over een verdieping van de EMU al te lang is uitgesteld. Tijdens de laatste zittingsperiode is dit debat gestimuleerd door middel van de blauwdrukmededeling van de Commissie, het verslag van de vier voorzitters dat werd beoordeeld door het Europees Parlement met de aanbevelingen aan de Commissie inzake het verslag van de voorzitters van de Europese Raad, de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en de Eurogroep "Naar een echte Economische en Monetaire Unie", dat wil zeggen het verslag-Thyssen. Doch uiteindelijk hebben de besluitvormers eerst gewacht op de Duitse parlementsverkiezingen en vervolgens op de verkiezingen voor het Europees Parlement. Inmiddels heeft de verkiezingsuitslag in Griekenland de aard van het debat veranderd en het lijkt erop dat het debat uiteindelijk zal plaatsvinden na de parlementsverkiezingen in het Verenigd Koninkrijk. De tijd is gekomen voorbereidingen te treffen voor deze taak waarvoor Jean-Claude Juncker een nieuw mandaat heeft ontvangen, samen met de voorzitters van de Europese Raad, de Eurogroep en de ECB. Het Europees Parlement moet volledig worden betrokken bij deze onderhandelingen en er moet worden gewaarborgd dat geen enkele resterende optie ter zijde wordt geschoven om de EMU uit te rusten en te versterken, inclusief op onder meer en ten minste vier gebieden: een begrotingscapaciteit, vernieuwde steunmechanismen, een sociale dimensie en een democratische pijler. De EU en de eurozone moeten een "too little too late"-scenario dit keer koste wat kost vermijden en ervoor zorgen dat de Europese burgers het beste uit de euro halen.

(1)

"Fiscal consolidations and spillovers in the euro area periphery and core", Jan in ’t Veld, Economic Papers 506, Europese Commissie, oktober 2013, http://ec.europa.eu/economy_finance/publications/economic_paper/2013/pdf/ecp506_en.pdf


MINDERHEIDSSTANDPUNT

overeenkomstig artikel 56, lid 3, van het Reglement

ingediend door Bernd Lucke

Het verslag had tot doel de huidige situatie van de begrotingsgovernance te analyseren. Daarbij ging het er vooral om het functioneren van de huidige regels van de economische governance te evalueren en toekomstige uitdagingen te beschrijven.

Dit doel bereikt het verslag absoluut niet.

Het verslag bevat geen systematische analyse van de status quo. In plaats daarvan staat het bol van de normatieve gemeenplaatsen en heeft het zich losgezongen van het toepasselijke Europees recht, met name van de "no‑bail‑out"-clausule (artikel 125 VWEU).

Het verslag dringt aan op centralisering van het economisch beleid en communautarisering van de aansprakelijkheid in de eurozone. Dit heeft een grote kloof tussen verantwoordingsplicht en aansprakelijkheid tot gevolg.

Volgens het nog steeds in deze vorm geldende Verdrag van Maastricht berust economische governance in de Monetaire Unie op eigen verantwoordelijkheid voor het begrotingsbeleid.

Dit komt tot uitdrukking in de no‑bail‑out-clausule, die geschraagd wordt door twee eenvoudige begrotingsregels.

Deze regels zijn sinds hun aanvang al in meer dan 90 gevallen geschonden. Vanaf de start van de reddingsoperatie via het EFSF in 2010 is het no‑bail‑out-beginsel losgelaten en ad absurdum gevoerd.

Alleen de geloofwaardige keuze voor een staatsbankroet, door middel van terugkeer naar de no‑bail‑out-clausule, kan ervoor zorgen dat elke lidstaat een verantwoordelijk beleid voert en niet op de gemeenschap teert.


MINDERHEIDSSTANDPUNT

overeenkomstig artikel 56, lid 3, van het Reglement

ingediend door Beatrix von Storch

Sinds 1999 is de Europese economische governance steeds gecompliceerder geworden, en toch heeft zij niet tot noemenswaardige resultaten geleid. Als gevolg van de financiële, economische en vertrouwenscrisis zijn de afgelopen vijf jaar zoveel nieuwe EU-wetten met zo weinig alternatieven gecreëerd als nooit tevoren. De naam zegt het al: een "Europese economische governance" leidt onherroepelijk tot verlies van nationale zelfstandigheid op economisch, financieel, sociaal en begrotingsgebied, de gebieden waarop de lidstaten soevereine beslissingen nemen. Sinds jaar en dag is er gerede twijfel over de grondwettelijkheid van een Europese economische governance. Daar stoort dit initiatiefverslag zich echter niet aan. Via het sturingsinstrument van de Europese economische governance wil de EU in de toekomst diep kunnen ingrijpen in de nationale begrotingsplanning van de lidstaten en wil zij bij de nationale belastingwetgeving, de loonontwikkeling en de sociale zekerheid kunnen meebeslissen. Bindende aanbevelingen voor specifieke landen vormen een rechtstreekse aanval op het subsidiariteitsbeginsel. De concrete voorstellen voor een Europese economische governance hebben daarnaast betrekking op de opstelling van een centrale EU-begroting, een Europese werkloosheidsverzekering, de uitgifte van euro-obligaties en een institutionele versterking van de Eurogroep. Daarmee ben ik het niet eens.


ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (1.4.2015)

aan de Commissie economische en monetaire zaken

inzake de evaluatie van het kader voor economische governance

balans en uitdagingen

(2014/2145(INI))

Rapporteur voor advies: Anne Sander

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat, overeenkomstig artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Unie zich inzet "voor de duurzame ontwikkeling van Europa, op basis van een evenwichtige economische groei en van prijsstabiliteit, een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen die gericht is op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang, en van een hoog niveau van bescherming"; overwegende dat het van essentieel belang is om de sociale dimensie van economische governance op de diverse niveaus van de Unie te waarborgen, zoals vastgelegd in artikel 9 VWEU; overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 1 december 2011 over het Europees Semester voor economische beleidscoördinatie stelde dat "elke vernieuwing of opwaardering wat de organisatie en het besluitvormingsproces binnen de Raad en/of de Commissie betreft, hand in hand moet gaan met meer democratische legitimiteit en een behoorlijke verantwoordingsplicht bij het Europees Parlement";

1.  onderstreept dat ernaar moet worden gestreefd van het kader voor economische governance van de Europese Unie een sturend instrument te maken om grote economische onevenwichtigheden te corrigeren, met inbegrip van de werkloosheidspercentages, die hebben geleid tot aanzienlijke dalingen van de groei en een toenemende ongelijkheid, en die de Europese economie in gevaar hebben gebracht; herinnert eraan dat de totale schuld van de EU‑28 is gedaald van 4,5 % van het bbp in 2011 tot naar verwachting circa 3 % van het bbp in 2014; herinnert er echter aan dat het economische evenwicht in de gehele cyclus zou moeten leiden tot een doeltreffendere verhoging van de intelligente, duurzame en inclusieve groei, die in de afgelopen jaren bescheiden is gebleven en is gestagneerd, en die naar verwachting onder de 1,5% zal blijven volgens de groeiprognoses van het bbp van de EU; wijst erop dat maatregelen ter waarborging van een duurzame en inclusieve groei tevens gericht moeten zijn op een doeltreffendere verwezenlijking en bevordering van de doelstellingen van de EU 2020-strategie inzake werkgelegenheid en armoede, omdat de vooruitgang ontoereikend is geweest;

2.  stemt in met de opmerking van commissaris Thyssen dat landen die voorzien in hoogwaardige banen, betere sociale bescherming en investeringen in menselijk kapitaal beter bestand zijn tegen economische crises; verzoekt de Commissie dit standpunt naar voren te brengen in alle beleidsmaatregelen in het kader van het Europees semester en in alle landenspecifieke aanbevelingen;

3.  is ingenomen met de evaluatie van de doeltreffendheid van dit kader met de bedoeling na te gaan of de de lidstaten en de Commissie de governanceregels doeltreffend en uniform toepassen; stelt voor dat de evaluatie de gelegenheid voor een gedachtewisseling biedt, vooral met de bevoegde commissies van het Europees Parlement, over de werkingsregels en de manieren waarop het kader doeltreffender, socialer en democratischer kan worden gemaakt, met name ten aanzien van de verwezenlijking van de EU 2020-doelstellingen; is van mening dat de evaluatie maatregelen moet omvatten die het vertrouwen in de economie vergroten als een voorwaarde voor particuliere investeringen, die op hun beurt de voornaamste drijvende kracht zijn achter het scheppen van banen;

4.  onderstreept dat solidariteit de kernwaarde is waarop de Europese Unie en het EU-kader voor economische governance gebaseerd zijn; is van mening dat deze evaluatie moet worden aangegrepen om het kader voor economische governance verder te verbeteren, onder andere met het oog op een betere coördinatie met het Europees sociaal acquis en de verbetering van de Europese sociale governance ten einde de werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting terug te dringen; benadrukt in dit verband het belang van een beter systeem van coördinatie voor de gehele eurozone;

5.  dringt erop aan dat het Europees semester doeltreffender wordt bij het voorkomen van crises door bij te dragen tot de coördinatie van het economisch en sociaal beleid van de lidstaten en hun beleid voor het scheppen van betere en duurzamere banen en voor het stimuleren van de groei; is in dit verband verheugd over het voorstel van de Commissie om haar optreden toe te spitsen, niet alleen op de budgettaire verantwoordelijkheid, maar ook op investeringen – in het bijzonder sociale investeringen om het scheppen van duurzame banen te ondersteunen, om voor meer sociale samenhang en gendergelijkheid te zorgen en om de armoede te bestrijden – en op structurele hervormingen ten einde de hervorming van de markteconomie koppelen aan de sociale vooruitgang; herinnert eraan dat het Parlement herhaaldelijk heeft verklaard dat de voorgestelde structurele hervormingen ambitieus, economisch doeltreffend en sociaal verantwoord moeten zijn;

6.  onderstreept het feit dat een evenwicht tussen het werkgelegenheidsbeleid en het economische beleid, overeenkomstig de artikelen 121 en 148 VWEU, noodzakelijk is voor een positieve ontwikkeling van de EU; herinnert eraan dat, om te voldoen aan de in artikel 9 VWEU uiteengezette doelstellingen, evenveel aandacht moet worden besteed aan het economisch beleid, het sociaal beleid en het werkgelegenheidsbeleid, en onderstreept derhalve de noodzaak om economische en sociale onevenwichtigheden te voorkomen en aldus voor een volledig coherent overheidsbeleid te zorgen; dringt in dit verband erop aan evenveel aandacht aan economische vrijheden en sociale en burgerrechten te besteden, overeenkomstig de EU-Verdragen;

7.  pleit ervoor om de economische en sociale samenhang te vergroten door het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds te versterken, ten einde banen met rechten te vrijwaren en te creëren door maatregelen te steunen ter bestrijding van de werkloosheid en armoede;

8.  onderstreept de noodzaak van een betere samenwerking tussen de aan de Raad werkgelegenheid, sociaal beleid, volksgezondheid en consumentenzaken en de Raad economische en financiële zaken verwante organisaties, en stelt derhalve voor om gezamenlijke bijeenkomsten van de Raad werkgelegenheid, sociaal beleid, volksgezondheid en consumentenzaken en de Raad economische en financiële zaken te organiseren om gecoördineerde sociale en economische beleidsmaatregelen te bevorderen die gericht zijn op het concurrentievermogen, het scheppen van betere en duurzame banen, het bestrijden van de werkloosheid en het terugdringen van ongelijkheid, armoede en sociale uitsluiting ten einde de inclusieve groei in Europa te bevorderen;

9.  onderstreept dat het scorebord van sociale indicatoren in het rapport over het waarschuwingsmechanisme belangrijk is om in een vroeg stadium de sociale weerslag te herkennen van maatregelen die dienen om de macro-economische onevenwichtigheden te corrigeren; doet een beroep op de Commissie om de reikwijdte en doeltreffendheid hiervan te evalueren; moedigt de Commissie ertoe aan om evenveel rekening te houden met sociale overwegingen als met economische overwegingen, maar ook om bij het ontwikkelen van landenspecifieke aanbevelingen en het evalueren van de tenuitvoerlegging ervan in de lidstaten aandacht te besteden aan betere en duurzame banen, werkgelegenheid op de lange termijn en voor jongeren, armoede onder kinderen en de bijzonder sociale situatie in elke lidstaat; doet een beroep op de lidstaten om de sociale indicatoren als een mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing te gebruiken ten einde toekomstige sociale en economische recessies te voorkomen;

10. benadrukt dat het waarschuwingsmechanisme een signaal moet afgeven bij buitensporige ongelijkheid, omdat deze samenlevingen destabiliseert en een bedreiging vormt voor de cohesie en de economische prestaties; onderstreept dat een toename van de ongelijkheid, zoals die zich in de EU voordoet en gestaafd wordt door de landenverslagen in het kader van het Europees semester, ernstige risico's voor de democratie inhoudt; wijst op de waarschuwing van het IMF en de IAO dat een verdere toename van de ongelijkheid in de EU onze samenlevingen zou kunnen ontwrichten;

11. verzoekt de lidstaten om de landenspecifieke aanbevelingen ten uitvoer te leggen om de duurzame groei dankzij betere, duurzame banen en sociale cohesie te ondersteunen en om voortgang te boeken op weg naar de Europa 2020-doelstellingen; verzoekt de Commissie om aan het Europees Parlement een jaarlijkse evaluatie voor te leggen van de voortgang die bij de doeltreffende tenuitvoerlegging van deze aanbevelingen wordt geboekt en de weerslag ervan op de schulden en tekorten van de lidstaten en op de sociale indicatoren; wijst erop dat de evaluatie moet worden opgenomen als bijlage bij het jaarlijkse verslag over de groei;

12. herinnert de Commissie eraan dat, hoewel de lonen worden gezien als een belangrijk onderdeel van het oplossen van de macro-economische onevenwichtigheden, deze niet slechts een instrument van economische aanpassing zijn, maar bovenal het inkomen vormen waarvan de werknemers moeten leven; doet, in het kader van de evaluatie van de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen, een beroep op de Commissie om een effectbeoordeling uit te voeren, opdat de aanbevelingen op loongebied de armoede onder werkenden en de loonongelijkheid binnen de lidstaten niet vergroten en opdat de lidstaten worden aangemoedigd de belastingdruk van arbeid weg te nemen ten einde de groei te stimuleren en de werkgelegenheidspercentages op te trekken; moedigt de lidstaten aan om minimumloonstelsels te overwegen overeenkomstig de gebruiken en tradities van elke lidstaat en om de aanbeveling van de Raad van 24 juni 1992 te volgen inzake gemeenschappelijke criteria met betrekking tot toereikende inkomsten en prestaties in de stelsels van sociale bescherming;

13. verzoekt de Commissie om in samenwerking met de EIB, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de verschillende regio's, criteria vast te leggen die kmo's – die meer dan 80% van de banen in de EU hebben gecreëerd en de drijvende kracht zijn achter duurzame en inclusieve groei en het scheppen van werkgelegenheid – toegang verlenen tot financieringen in het kader van het Europees Fonds voor strategische investeringen, in combinatie met het Europees Investeringsfonds; wijst erop dat, indien de selectiecriteria voor projecten samen met de deelnamevereisten zo snel mogelijk worden vastgelegd, acties kunnen worden voorbereid en beter kunnen worden gecoördineerd, ook door de kmo's; onderstreept dat het voor de aanvaarding door het publiek van het kader voor economische governance belangrijk is dat de economische groei wordt gestimuleerd en nieuwe banen, vooral voor jongeren, worden gecreëerd; verzoekt de Commissie derhalve om maatregelen te nemen die het vertrouwen in de economie doen toenemen en het ondernemingsklimaat verbeteren, met bijzondere aandacht voor kmo's, en die de bureaucratie met handhaving van dezelfde niveaus van sociale bescherming terugdringen en de toegang tot financiering verbeteren;

14. herinnert eraan dat bij het concipiëren en doorvoeren van structurele hervormingen een toereikend niveau van sociale bescherming moet worden gehandhaafd – waarbij tegelijkertijd de bevoegdheden, sociale en arbeidsnormen en werknemersrechten in de lidstaten, de kwaliteit van de werkgelegenheid en betere en duurzame banen worden gerespecteerd – als een middel om te zorgen voor sociale samenhang, concurrentievermogen en weerstandsvermogen tegen economische en financiële crises; moedigt de lidstaten aan om optimale praktijken met elkaar te delen en om het wederzijds leren en de solidariteit ook op regionaal en lokaal niveau te bevorderen; verzoekt de lidstaten, ten einde te streven naar een doeltreffender en gerichter begrotingsbeleid, hun arbeidsmarkt en hun socialezekerheidsstelsels, alsmede hun onderwijsstelsels te moderniseren; is van mening dat met arbeidsmarkthervormingen interne flexibiliteitsmaatregelen moeten worden ingevoerd om de werkgelegenheid in tijden van economische ontwrichting te handhaven, de arbeidskwaliteit en ‑zekerheid moeten worden gewaarborgd bij wisseling van baan, en moet worden gezorgd voor stelsels van werkeloosheidsuitkering die gebaseerd zijn op realistische activeringsvereisten welke zorgen voor toereikende steun voor ontslagen werknemers en gekoppeld zijn aan een herintegratiebeleid volgens de gebruiken en tradities van de lidstaten; wijst erop dat de doeltreffende en toenemende integratie van de arbeidsmarkten van de EU een doelstelling op de middellange termijn blijft om de sociale vooruitgang en de terugdringing van de armoede in een evenwichtige, competitieve omgeving te bevorderen;

15. dringt er bij de lidstaten op een om de urgente situatie inzake de jeugdwerkloosheid aan te pakken, niet alleen door een daadwerkelijke impuls aan de reële economie (middels stimulering van de vraag en de levering van goederen en diensten) en de arbeidsmarkt te geven, maar ook door op doeltreffende en gerichte wijze het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief ten uitvoer te leggen; doet een beroep op de lidstaten om alle beschikbare middelen in te zetten, met name via investeringen in menselijk kapitaal, vooral in het onderwijs en de beroepsopleiding, om de jeugdwerkgelegenheid te ondersteunen dankzij een betere afstemming tussen vaardigheden en banen;

16. moedigt de lidstaten aan om, in het licht van de vergrijzende bevolking en de hervormingen van de pensioenstelsels, voorrang te geven aan maatregelen ten behoeve van oudere werknemers; roept de Commissie op om de criteria voor het gebruik van EU-middelen voor oudere werknemers vast te leggen en de controle hiervan te intensiveren, en meer maatregelen te nemen ter bevordering van werkgelegenheid voor ouderen;

17. stelt met grote bezorgdheid vast dat de langdurige werkloosheid in de loop van de crisis is verdubbeld; merkt voorts op dat deze toename nog sterker was onder laaggeschoolde werknemers; verzoekt de Commissie in haar beleid en in haar landenspecifieke aanbevelingen aandacht te besteden aan de bestrijding van de langdurige werkloosheid;

18. is van mening dat aan de toenemende ongelijkheid in Europa de grootst mogelijke aandacht moet worden besteed in het economisch kader van de Unie; is van mening dat verdubbeling van de inspanningen voor het scheppen van meer hoogwaardige banen in Europa een van de beste manieren is om de toenemende ongelijkheid aan te pakken;

19. wijst op het tekort aan democratische controle van de procedure van het Europees semester; beveelt, met het oog op het versterken van de verantwoordingsplicht inzake het kader voor economische governance, het vergroten van de kwaliteit van en de eigen inbreng in het proces van het Europees semester en het verkleinen van de groeiende kloof tussen de instellingen en de burgers van de EU, aan om het Europees Parlement, de nationale parlementen, de maatschappelijke organisaties en de sociale partners meer te betrekken bij de economische dialoog tussen de lidstaten en de Commissie, en meer in het bijzonder bij het gehele proces van het Europees semester, waarbij ervoor wordt gezorgd dat de betrokkenen niet worden geconfronteerd met onnodige administratieve rompslomp of kosten;

20. Beveelt aan dat de Commissie, met het oog op meer transparantie en democratie in het proces van het Europees semester en voorafgaand aan de bekendmaking van de jaarlijkse groeianalyse, een debat organiseert met vertegenwoordigers van het Europees Parlement over de algemene richtlijnen en richtsnoeren van de analyse; doet een beroep op de Europese Raad om niet in te stemmen met de landenspecifieke aanbevelingen zonder rekening te houden met het standpunt van het Europees Parlement;

21. dringt andermaal aan op de sluiting van een interinstitutioneel akkoord om het Parlement te betrekken bij de opstelling en goedkeuring van de jaarlijkse groeianalyse en de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en de werkgelegenheid;

22. herinnert eraan dat de Commissie en het Europees Parlement de lidstaten hebben verzocht hun nationale parlementen en nationale maatschappelijke organisaties te betrekken bij de uitwerking van hun nationale hervormingsprogramma's en stabiliteits- en convergentieprogramma's; verzoekt de lidstaten om ten minste hun nationale parlementen in kennis te stellen van de inhoud van hun nationale hervormingsprogramma's en stabiliteits- en convergentieprogramma's, en tevens rekening te houden met de mening van de meest representatieve sociale organisaties en het maatschappelijk middenveld; verzoekt de lidstaten om de Europese instellingen op de hoogte te houden van de ontwikkeling van deze nationale debatten, indien nodig;

23. dringt erop aan dat er tussen de bekendmaking van de jaarlijkse groeianalyse en de Europese Raad van maart, en voordat de Europese Raad de landenspecifieke aanbevelingen goedkeurt, een debat plaatsvindt tussen de Commissie, de Raad en het Europees Parlement in aanwezigheid van de sociale organisaties en het maatschappelijk middenveld op Europees niveau;

24. onderstreept in dit verband de noodzaak van een gunstig klimaat voor overheidsinvesteringen, met name gezien de weerslag van de nieuwe ESR 2010-standaarden voor jaarrekeningen op het investeringsvermogen van bepaalde overheidsdiensten; verzoekt derhalve de besluitvorming van de Europese Centrale Bank aan te passen; wijst op de voorstellen om de lidstaten actief te betrekken bij de uitvoering van het plan-Juncker; verzoekt de lidstaten bij het opstellen van hun begroting speciale aandacht te besteden aan sociale investeringen, zoals onderwijs en een leven lang leren, en aan het creëren van banen en het stimuleren van het ondernemerschap; verzoekt de Commissie om in dit verband de mogelijkheid te bestuderen van grote begrotingsflexibiliteit binnen de regels van het kader voor economische governance, vooral in tijden van ernstige economische en financiële crises;

25. wijst op de analytische nota "Voorbereiding van de volgende stappen met het oog op een betere economische governance in de eurozone", die door de vier voorzitters is voorgelegd; verzoekt de voorzitters van de vier instellingen een ambitieuze routekaart voor te leggen met de wettelijke en institutionele stappen die nodig zijn om een optimale toekomst voor de eurozone, de EU en haar burgers tot stand te brengen; onderstreept dat het Parlement zijn volledige rol moet vervullen bij de aanstaande discussies en besluitvorming via een door de plenaire vergadering aan te nemen resolutie die de basis moet vormen voor de bijdrage van de Voorzitter aan de routekaart.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

1.4.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

38

13

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laura Agea, Guillaume Balas, Brando Benifei, Enrique Calvet Chambon, Martina Dlabajová, Arne Gericke, Marian Harkin, Danuta Jazłowiecka, Agnes Jongerius, Rina Ronja Kari, Jan Keller, Ádám Kósa, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Zdzisław Krasnodębski, Jean Lambert, Jérôme Lavrilleux, Patrick Le Hyaric, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Javi López, Thomas Mann, Dominique Martin, Anthea McIntyre, Joëlle Mélin, Elisabeth Morin-Chartier, Emilian Pavel, Georgi Pirinski, Sofia Ribeiro, Claude Rolin, Anne Sander, Sven Schulze, Siôn Simon, Jutta Steinruck, Romana Tomc, Ulrike Trebesius, Marita Ulvskog, Renate Weber, Tatjana Ždanoka, Jana Žitňanská, Inês Cristina Zuber

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Daniela Aiuto, Maria Arena, Georges Bach, Elmar Brok, Karima Delli, Sergio Gutiérrez Prieto, Joachim Schuster, Neoklis Sylikiotis, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Ivo Vajgl

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Eleonora Evi


ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (18.3.2015)

aan de Commissie economische en monetaire zaken

over de evaluatie van het economische bestuurskader: inventarisatie en uitdagingen

(2014/2145(INI))

Rapporteur voor advies: Ildikó Gáll-Pelcz

SUGGESTIES

De Commissie interne markt en consumentenbescherming verzoekt de ten principale bevoegde Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat als gevolg van de economische en financiële crisis de investeringen in de EU met circa 15 % zijn gedaald ten opzichte van de piek in 2007;

B.  overwegende dat deze investeringskloof het economisch herstel, het scheppen van banen, de langetermijngroei en het concurrentievermogen van onze industriële sector en van de interne markt als geheel belemmert en de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie in gevaar brengt;

C. overwegende dat de evaluatie en verbetering van het economische bestuurskader gebaseerd moet zijn op een holistische aanpak via een reeks aan elkaar gekoppelde en samenhangende beleidsmaatregelen die slimme, duurzame en inclusieve groei en ook concurrentievermogen bevorderen en betere en duurzame banen scheppen, in plaats van alleen gericht te zijn op het terugdringen van tekorten, en overwegende dat het benutten van de voordelen van een goed werkende, doeltreffende en evenwichtige interne markt met een versterkte industriële basis ook van essentieel belang is om deze doelstellingen te verwezenlijken;

D. overwegende dat de Commissie moet toezien op de interne markt, rekening houdend met de kwaliteit van de toepassing van voor het kader voor economisch bestuur relevante maatregelen; overwegende dat de Commissie in de jaarlijkse governancecontrole en het scorebord van de interne markt belemmeringen voor de tenuitvoerlegging van internemarktwetgeving moet opnemen; overwegende dat in het kader van het toezicht moet worden beoordeeld in welke mate consumenten en bedrijven baat hebben bij de interne markt en dat daarbij rekening moet worden gehouden met de uitdagingen waarvoor consumenten en bedrijven op de interne markt staan, met name op gebieden waar lidstaten internemarktwetgeving niet ten uitvoer hebben gelegd of niet hebben gehandhaafd;

E.  overwegende dat de voltooiing van de interne markt op het gebied van overheidsopdrachten en consumentenbescherming zou bijdragen tot een toename van het bbp met 300 miljard euro per jaar;

F.  overwegende dat er een Europees investeringsplan wordt ontwikkeld om in de komende drie jaar 315 miljard euro aan nieuwe investeringen aan te trekken;

G. overwegende dat de Europese Unie te maken heeft met een diepe concurrentiekrachtcrisis, zowel in een steeds uitdagender wereldeconomie als in de interne markt, waarin alleen concurrerende economieën banen zullen kunnen scheppen en de levensstandaard van hun burgers zullen kunnen verhogen;

1.  is ingenomen met het feit dat in de mededeling van de Commissie "Een investeringsplan voor Europa" (COM(2014)0903), de mededeling van de Commissie "Optimaal benutten van de flexibiliteit binnen de bestaande regels van het stabiliteits- en groeipact" (COM(2015)0012) en het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen (COM(2015)0010) wordt gewezen op de noodzaak om, als prioriteit, de evaluatie van het economische bestuurskader rechtstreeks te koppelen aan de behoeften van de reële economie en om de interne markt te voltooien en een digitale interne markt tot stand te brengen;

2.  beschouwt het economische bestuurskader als een essentieel politiek initiatief ter onderbouwing van de fundamenten van de Europa 2020-doelstellingen en de vlaggenschipinitiatieven die erop gericht zijn het onbenutte groeipotentieel van de interne markt volledig te benutten; is van mening dat de lidstaten door het groeipotentieel van de interne markt aan te boren gemakkelijker de doelstellingen van het economische bestuurskader zullen kunnen verwezenlijken; is voorts van mening dat consumenten en bedrijven de belangrijkste actoren op de interne markt zijn;

3.  benadrukt dat de interne markt de sleutel tot groei en banen is en dat het belangrijkste groeigebied de digitale interne markt is, een echte markt voor grensoverschrijdende onlineverkoop van goederen, diensten en overheidsopdrachten;

4.  onderstreept het feit dat de economische crisis duidelijk heeft aangetoond dat het belangrijk is om de economie van de Europese Unie en de lidstaten te versterken en in hogere mate te baseren op onderzoek en innovatie, technologie en kennis, door markttoegang en mobiliteit voor zowel consumenten als bedrijven te faciliteren, de digitale interne markt verder te ontwikkelen en de versnippering van de interne markt in de EU tegen te gaan door middel van een correcte tenuitvoerlegging en handhaving van de internemarktwetgeving door de lidstaten, en investeringen in de reële economie te bevorderen, met name in sectoren die bijdragen tot duurzame ontwikkeling, hulpbronnenefficiëntie en energietransitie, en tegelijkertijd een werkgelegenheidsintensieve groei en economische convergentie tussen de lidstaten te bevorderen en de kloof tussen de eurolanden en de niet-eurolanden te overbruggen;

5.  is van mening dat de evaluatie van het Europese economische bestuurskader hand in hand moet gaan met de evaluatie van de overkoepelende Europa 2020-strategie en het Europees semester teneinde duurzame en concurrerende groei te bevorderen; verzoekt daarom om een nieuwe benadering van de interne markt en de digitale interne markt in het kader van de evaluatie van de Europa 2020-strategie door prioritaire sectoren/doelstellingen voor de interne markt te integreren in een nieuwe, vereenvoudigde reeks richtsnoeren, kerndoelen of vlaggenschipinitiatieven;

6.  verwelkomt de evaluatie van de doeltreffendheid van dit kader met de bedoeling na te gaan of de Commissie, de Raad en de lidstaten de governance-regels daadwerkelijk en uniform toepassen; is van mening dat deze evaluatie alleen waar dat relevant is, de aanzet dient te geven tot een herbeoordeling van het bestuurskader van de interne markt en dat moet worden onderzocht of er tussen de twee processen synergie-effecten mogelijk zijn;

7.  herhaalt dat de procedures ervoor moeten zorgen dat het Europees Parlement op passende wijze bij de economische governance-cyclus wordt betrokken, zodat de weg wordt vrijgemaakt voor de goedkeuring door het Parlement en de Raad van de maatregelen die nodig zijn om het internemarktbestuur te versterken, en in het bijzonder de maatregelen op de gebieden waarop het regelgevingskader van de Unie is vastgesteld overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedure zoals bepaald in artikel 294 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

8.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie en de Raad om een interinstitutionele overeenkomst met het Parlement te sluiten om de rol van het Parlement in het gehele proces van het Europees semester volledig te garanderen;

9.  is van mening dat in het economische bestuurskader inclusief, transparanter en minder complex moet zijn, rekening moet houden met de specifieke kenmerken van landen, en dat de politieke prioriteiten ook op omvattender wijze moeten worden besproken met relevante belanghebbenden, onafhankelijk van gevestigde belangen;

10. is van mening dat de nationale parlementen meer moeten worden betrokken bij de effectieve uitvoering van maatregelen die zijn vastgelegd in het economische bestuurskader en in de context van de internemarktwetgeving;

11. onderstreept het belang van nieuwe groei en nieuwe banen voor de aanvaarding van het economische bestuurskader door het publiek en verzoekt de Commissie daarom om het ondernemersklimaat in Europa te verbeteren en daarbij bijzondere aandacht te schenken aan het mkb, het verminderen van administratieve lasten en het verbeteren van de toegang tot financiering; herinnert in dit verband aan de noodzaak om het mkb de nodige ondersteuning te geven zodat het ook toegang kan krijgen tot niet-EU-markten, zoals de VS, Canada, China en India;

12. dringt erop aan dat de evaluatie van hoe het met de interne markt is gesteld, deel moet uitmaken van het economische bestuurskader, zodat de basis wordt gelegd voor een jaarlijkse internemarktcyclus door de interne markt als pijler binnen het Europees semester te versterken; merkt op dat zo'n geïntegreerd beleidskader een nuttige bijdrage kan leveren aan het vaststellen van belemmeringen voor de werking van de interne markt, en de toepassing van de EU-regels inzake economische governance kan helpen verbeteren; onderstreept dat de volledige tenuitvoerlegging van de herziene richtlijnen inzake overheidsopdrachten, en met name de regels inzake gunningscriteria, overheden kan helpen om openbare middelen beter te besteden en op de lange termijn onnodige sociale en milieukosten te vermijden, hetgeen een positief effect zal hebben op de stabiliteit van de overheidsfinanciën;

13. is sterk de mening toegedaan dat de inspanningen zich moeten concentreren op de belangrijkste prioriteiten van de pijlers binnen het Europees semester; benadrukt hoe belangrijk het is te focussen op gebieden die aanzienlijke Europese meerwaarde opleveren in overeenstemming met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid; verzoekt de Commissie met de lidstaten samen te werken om na te gaan hoe deze beginselen op een effectievere wijze kunnen worden toegepast;

14. verzoekt de Commissie aan het Europees Parlement een jaarlijks verslag over de integratie van de interne markt voor te leggen, waarin met name wordt ingegaan op belangrijke gebieden met het grootste potentieel voor groei en het scheppen van betere en duurzame banen en wordt beoordeeld of de lidstaten de landenspecifieke aanbevelingen effectief uitvoeren en de internemarktwetgeving effectief ten uitvoer leggen en handhaven, en wijst erop dat deze beoordeling een bijdrage aan de jaarlijkse groeianalyse kan leveren;

15. herinnert eraan dat goed economisch bestuur pas daadwerkelijk effect kan opleveren als alle belanghebbende partijen daarbij worden betrokken; benadrukt de EU, de lidstaten, de regio's, gemeenten en belanghebbende partijen de uitvoering en ontwikkeling van beleid op holistische wijze moeten aanpakken; verzoekt de Commissie en de lidstaten het democratische beginsel van de maatschappelijke dialoog te waarborgen door de belanghebbenden op gestructureerde wijze bij het economisch bestuur, en met name bij het Europees semester, te betrekken.

16. wijst op de mogelijkheid om extra publieke en private geldstromen te kanaliseren naar levensvatbare projecten met echte meerwaarde voor de Europese sociale markteconomie, en benadrukt dat essentiële sectoren van de interne markt – vervoer, energie, diensten en producten, onderzoek en innovatie – en de digitale interne markt de adequate (meest geschikte) schaal hebben om in aanmerking te komen in de pijplijn van investeringsprojecten;

17. is verheugd over de nieuwe speelruimte die wordt geboden door de investeringsbepaling die de Commissie heeft vastgesteld in haar mededeling over flexibiliteit; is van mening dat deze nieuwe mogelijkheid zoveel mogelijk moet worden benut om lidstaten ertoe aan te moedigen meer te investeren in projecten met een duidelijke Europese meerwaarde, zoals projecten die nauwer verband houden met de verdere ontwikkeling van de interne markt en de digitale interne markt; is van mening dat gerichte investeringen en hervormingen in essentiële groeisectoren van de interne markt en de modernisering van overheden – met name op het gebied van e‑overheid en e‑aanbesteding – moeten worden aangemerkt als structurele hervormingen;

18. maakt zich zorgen over de gebrekkige uitvoering van de landenspecifieke aanbevelingen (CSR's) in een aantal lidstaten, waar in 2013 slechts 12 % van de CSR's volledig is uitgevoerd; benadrukt dat een betere tenuitvoerlegging van de CSR's noodzakelijk is om groei en werkgelegenheid te bevorderen; verzoekt de Commissie de lidstaten de CSR's meer in eigen handen te laten nemen de nationale parlementen daar nauwer bij te betrekken;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

17.3.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

33

2

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Dita Charanzová, Carlos Coelho, Sergio Gaetano Cofferati, Lara Comi, Anna Maria Corazza Bildt, Daniel Dalton, Dennis de Jong, Pascal Durand, Vicky Ford, Ildikó Gáll-Pelcz, Antanas Guoga, Robert Jarosław Iwaszkiewicz, Liisa Jaakonsaari, Antonio López-Istúriz White, Jiří Maštálka, Eva Paunova, Jiří Pospíšil, Virginie Rozière, Christel Schaldemose, Olga Sehnalová, Mylène Troszczynski, Anneleen Van Bossuyt, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Lucy Anderson, Jussi Halla-aho, Kaja Kallas, Othmar Karas, Emma McClarkin, Jens Nilsson, Julia Reda, Adam Szejnfeld, Lambert van Nistelrooij, Josef Weidenholzer, Kerstin Westphal

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

José Blanco López, Andrea Bocskor, Roger Helmer, György Hölvényi, Emilian Pavel


ADVIES van de Commissie constitutionele zaken (19.3.2015)

aan de Commissie economische en monetaire zaken

inzake de evaluatie van het kader voor economisch bestuur: balans en uitdagingen

2014/2145(INI)

Rapporteur voor advies: Sylvie Goulard

SUGGESTIES

De Commissie constitutionele zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is van mening dat een wezenlijke verbetering van de democratische legitimiteit van de economische en monetaire unie (EMU), binnen het institutionele kader van de Unie en volgens de communautaire methode, absoluut noodzakelijk is; is van mening dat de op intergouvernementele verdragen gebaseerde wettelijke regelingen die tijdens de crisis ingevoerd zijn een belemmering voor de democratische legitimiteit van de EMU vormen; verlangt daarom dat het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM) zo spoedig mogelijk in het EU-acquis wordt verwerkt, rekening houdend met het feit dat het Reglement van het Europees Parlement voldoende speelruimte biedt om specifieke vormen van differentiatie te organiseren op basis van politieke overeenstemming binnen en tussen de politieke fracties, teneinde te voorzien in een behoorlijk toezicht op de EMU; dringt er tevens op aan dat de ter zake doende bepalingen van het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur (TSCG) uiterlijk binnen vijf jaar na de inwerkingtreding ervan in het juridisch kader van de Europese Unie worden opgenomen, na een grondige evaluatie van de toepassing;

2.  bepleit in dit verband een minder complexe, maar efficiëntere en transparantere economische governance, met als langetermijndoel verdieping van de integratie van de EU, terwijl op middellange termijn oplossingen worden geboden om de eurozone en de Unie in staat te stellen aan de huidige uitdagingen het hoofd te bieden;

3.  onderstreept dat de Eurogroep en de Eurotop informele configuraties zijn van respectievelijk de Raad Economische en Financiële Zaken en de Europese Raad en dat daar tijdens de financiële en economische crisis belangrijke besluiten genomen zijn op het gebied van de EMU, doch dat het die besluiten daardoor ontbreekt aan voldoende democratische legitimiteit;

4.  pleit voor een interinstitutioneel akkoord tussen het Parlement, de Commissie en de Raad om te verzekeren dat het Parlement de verschillende etappes in het Europees semester kan toetsen, te beginnen bij de jaarlijkse groeianalyse;

5.  acht het noodzakelijk dat de tenuitvoerlegging van de economische dialoog nauwlettend geëvalueerd wordt zodat een adequate parlementaire controle in alle stadia van de procedures (stabiliteits- en groeipact (SGP) en procedure voor macro-economische onevenwichtigheden (MIP)) verzekerd is;

6.  is tevreden over de inrichting van de interparlementaire conferentie over het economisch en financieel bestuur van de Europese Unie; wijst echter op de beperkingen hiervan wanneer het erom gaat de beleidsmakers verantwoording te laten afleggen ("accountability"); is van mening dat de parlementaire controle op het gebied van de EMU moet worden gedeeld tussen het nationale en het Europese niveau en dringt erop aan dat verantwoordelijkheid moet worden genomen op het niveau waar besluiten worden getroffen of ten uitvoer worden gelegd, waarbij de nationale parlementen de nationale overheden controleren en het Europees Parlement de uitvoerende macht van de EU controleert; acht dit de enige manier om te zorgen voor een grotere verantwoordingsplicht in de besluitvorming; is van mening dat deze grotere legitimiteit kan worden gewaarborgd via goedkeuring van de nationale hervormingsprogramma's en eventuele convergentiepartnerschappen door de nationale parlementen, evenals goedkeuring – via de medebeslissingsprocedure – van de brede Europese beleidsoriëntaties in de vorm van convergentierichtsnoeren, een nieuwe wetgevingshandeling van de EU waarmee een zeer beperkt aantal prioriteiten voor een overeengekomen periode worden vastgesteld om met name te worden gebruikt bij de goedkeuring van de jaarlijkse groeianalyse en de landenspecifieke aanbevelingen; benadrukt dat deze vorm van samenwerking niet moet worden gezien als een manier om een nieuw gemengd parlementair orgaan op te richten, hetgeen vanuit democratisch en constitutioneel oogpunt zowel ondoelmatig als onwettig zou zijn;

7.  betreurt het dat de nationale parlementen onvoldoende in staat zijn om controle en invloed uit te oefenen op het optreden van hun regering in de EU; is van oordeel dat de nationale parlementen een actievere rol in de beleidsvorming moeten spelen door de standpunten die hun regering bij de Commissie gaat inbrengen vooraf te toetsen en gestalte te geven;

8.  benadrukt dat het juridisch kader voor steunprogramma's moet worden geëvalueerd om te waarborgen dat het Parlement volledig wordt betrokken bij alle besluiten die onder bevoegdheid van de Commissie worden genomen, teneinde voor volledige democratische legitimiteit en verantwoording te zorgen; verzoekt de Commissie op gezette tijden verslag uit te brengen aan het Parlement over de besluiten die worden genomen wanneer zij de tenuitvoerlegging van programma's van de lidstaten controleert; onderstreept dat het Parlement onverwijld gevolg moet geven aan zijn resolutie van 13 maart 2014 over het onderzoek naar de rol en de werkzaamheden van de trojka (ECB; Commissie en IMF) met betrekking tot het programma voor de landen van de eurozone(1), en een nieuwe, afzonderlijke resolutie moet opstellen die volledig is gewijd aan dit probleem, op basis van en voortbouwend op het eerste onderzoek;

9.  is van mening dat het, om de houdbaarheid van de nationale overheidsfinanciën op de lange termijn te waarborgen, uiterst belangrijk is dat de Commissie de kwaliteit van overheidsfinanciën controleert, en met name verifieert dat nationale begrotingen op de toekomst zijn gericht, door samen met Eurostat investeringsuitgaven te identificeren en deze meer aan te moedigen dan consumptie-uitgaven;

10. is van mening dat een "volwaardige EMU" niet beperkt mag blijven tot een systeem van regels, maar begrotingscapaciteit moet krijgen als onderdeel van de begroting van de Unie, op basis van specifieke eigen middelen, ter ondersteuning van groei en sociale cohesie en om structurele verschillen en financiële noodsituaties aan te pakken die rechtstreeks verband houden met de monetaire unie, en daar waar structurele hervormingen nodig zijn;

11. is van mening dat de sociale dimensie van de EMU in aanmerking moet worden genomen en herinnert eraan dat in artikel 9 van het VWEU wordt bepaald dat "de Unie bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden rekening houdt met de eisen in verband met de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting ..."; herinnert er tevens aan dat in artikel 3 van het VEU wordt bepaald dat de Unie zich inzet voor "een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen die gericht is op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang"; is van mening dat het menselijk potentieel overeenkomstig het beginsel van de menselijke waardigheid zoals dat is verankerd in het Verdrag, niet mag worden verspild en moet worden beschouwd als een essentieel element van het concurrentievermogen; dringt erop aan dat in de hiërarchie van normen evenveel gewicht wordt toegekend aan de sociale rechten als aan de vrijheden van de interne markt;

12. verlangt dat de voorzitters van de vier instellingen een ambitieuze routekaart voorleggen met de wettelijke en institutionele stappen die nodig zijn om een optimale toekomst voor de eurozone, de EU en haar burgers tot stand te brengen; wijst erop dat het Parlement zich volledig zal inzetten bij het aanstaande overleg en de besluitvorming via een door de plenaire vergadering aan te nemen resolutie, die de basis zal vormen voor de bijdrage van de Voorzitter aan de routekaart, zoals beschreven in voetnoot 1 bij de analytische nota ter voorbereiding van de informele Europese Raad van 12 februari 2015 (Voorbereiding van de volgende stappen met het oog op een betere economische governance in de eurozone): "De voorzitter van de Commissie heeft aangegeven voornemens te zijn om tijdens de voorbereiding van het rapport van de vier voorzitters de inbreng van de Voorzitter van het Europees Parlement in zijn overwegingen mee te nemen";

13. is van mening dat een volwaardige EMU een versterking vereist van de rechtsstaat zoals bepaald in artikel 2 van het VEU; stelt dat de rechtsstaat gedefinieerd wordt als een institutioneel systeem waarin de overheid onderworpen is aan de wet en de gelijkheid van rechtspersonen wordt gewaarborgd door onafhankelijke rechtspraak; is van mening dat dit vraagstuk een van de prioriteiten zou moeten vormen die – samen met andere – in het kader van het verslag over "Mogelijke ontwikkelingen en aanpassingen van de huidige institutionele opbouw van de Europese Unie" worden behandeld, en dat hierbij ook moet worden gekeken naar inbreukprocedures en nietigverklaring van besluiten van de Commissie en de Raad; denkt dat participatie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (EHvJ) een duidelijke waarborg zal zijn dat de regels op uniforme wijze worden toegepast, ongeacht de omvang van de lidstaat; en dat de rechten van burgers en hun organisaties in de landen die onder het programma vallen, worden beschermd; stelt dat deze rol van het Hof van Justitie niet zal resulteren in een vertraging van de procedures voor economische governance, daar deze procedures geen opschortende werking hebben.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

17.3.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0.

12

3

7

Bij de eindstemming aanwezige leden

Kostas Chrysogonos, Richard Corbett, Pascal Durand, Esteban González Pons, Danuta Maria Hübner, Jo Leinen, Morten Messerschmidt, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, György Schöpflin, Pedro Silva Pereira, Barbara Spinelli, Rainer Wieland

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Max Andersson, Gerolf Annemans, Pervenche Berès, Sylvie Goulard, Roberto Gualtieri, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Marcus Pretzell

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Frank Engel, Markus Pieper, Adam Szejnfeld

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0239.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.6.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

33

25

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gerolf Annemans, Burkhard Balz, Pervenche Berès, Udo Bullmann, Esther de Lange, Fabio De Masi, Anneliese Dodds, Markus Ferber, Jonás Fernández, Elisa Ferreira, Sven Giegold, Roberto Gualtieri, Brian Hayes, Gunnar Hökmark, Danuta Maria Hübner, Cătălin Sorin Ivan, Diane James, Othmar Karas, Georgios Kyrtsos, Philippe Lamberts, Werner Langen, Bernd Lucke, Olle Ludvigsson, Ivana Maletić, Notis Marias, Fulvio Martusciello, Bernard Monot, Luděk Niedermayer, Stanisław Ożóg, Dimitrios Papadimoulis, Sirpa Pietikäinen, Pirkko Ruohonen-Lerner, Molly Scott Cato, Peter Simon, Theodor Dumitru Stolojan, Kay Swinburne, Paul Tang, Michael Theurer, Ramon Tremosa i Balcells, Ernest Urtasun, Marco Valli, Tom Vandenkendelaere, Cora van Nieuwenhuizen, Miguel Viegas, Jakob von Weizsäcker, Steven Woolfe, Pablo Zalba Bidegain, Marco Zanni, Sotirios Zarianopoulos

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Andrea Cozzolino, Barbara Kappel, Rina Ronja Kari, Thomas Mann, Siegfried Mureşan, Maria João Rodrigues, Siôn Simon, Beatrix von Storch

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Francisco Assis, Javi López

Juridische mededeling