Procedure : 2015/2074(BUD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0217/2015

Ingediende teksten :

A8-0217/2015

Debatten :

PV 07/07/2015 - 13
CRE 07/07/2015 - 13

Stemmingen :

PV 08/07/2015 - 4.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0263

VERSLAG     
PDF 908kWORD 1032k
26.6.2015
PE 560.602v02-00 A8-0217/2015

over het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2016

(2015/2074(BUD))

Begrotingscommissie

Rapporteur: José Manuel Fernandes

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2016

(2015/2074(BUD))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 312 en 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, goedgekeurd door de Commissie op xx juni 2015 (COM(2015)0000),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3),

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2015 over de algemene richtsnoeren voor het opstellen van de begroting voor 2016, afdeling III – Commissie(4),

–  gezien de conclusies van de Raad van 17 februari 2015 betreffende de begrotingsrichtsnoeren voor 2016,

–  gezien titel II, hoofdstuk 8, van zijn Reglement,

–  gezien de brieven van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie internationale handel, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie constitutionele zaken,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0217/2015),

Ontwerpbegroting 2016: eerbiediging van de toezeggingen en de financieringsprioriteiten

1.  herinnert eraan dat het Parlement in zijn resolutie van 11 maart 2015 de schepping van degelijke en kwaliteitsvolle werkgelegenheid en de ontwikkeling van ondernemingen en ondernemerschap voor slimme, duurzame en inclusieve groei in de gehele Unie, samen met interne en externe solidariteit binnen een veilig Europa, als zijn kernprioriteiten voor de begroting 2016 heeft vastgesteld; herhaalt zijn gehechtheid aan de eerbiediging van zowel juridische als politieke toezeggingen en zijn verzoek aan de instellingen om hun beloften na te komen;

2.  onderstreept in dit verband dat in het meerjarig financieel kader (MFK) voor 2014-2020 niet alleen maxima voor alle rubrieken zijn vastgesteld, maar dat er ook is voorzien in specifieke en maximale flexibiliteit om de Unie in staat te stellen haar juridische verplichtingen na te komen, alsook in speciale instrumenten om de Unie in staat te stellen op specifieke onvoorziene omstandigheden te reageren of om duidelijk omschreven uitgaven boven de maxima te financieren;

3.  is ingenomen met het feit dat de Commissie in haar ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 de bovengenoemde prioriteiten bekrachtigt en meer EU-steun voorstelt voor investeringen, kennis, banen en op groei gerichte programma's, en met name voor een symbolisch mobiliteitsprogramma zoals Erasmus+; is van mening dat de ontwerpbegroting 2016 een welkome stap is om de lidstaten te helpen structurele problemen aan te pakken, met name het teruglopende concurrentievermogen; is tevreden dat, naast terecht verwachte verhogingen in rubriek 3 (Veiligheid en burgerschap) en rubriek 4 (Europa als wereldspeler), de Commissie de uitdaging aangaat in te spelen op nieuwe ontwikkelingen zoals de crisis in Oekraïne, Syrië en de Middellandse Zee, door te reageren op behoeften van de EU en de lidstaten op het gebied van veiligheid en migratie en door blijk te geven van een sterke politieke wil op het gebied van extern optreden en van begrotingstoezeggingen ten aanzien van landen van oorsprong en doorvoer;

4.  is ingenomen met de opname van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) in de ontwerpbegroting 2016, en in het bijzonder met de beschikbaarstelling van de overkoepelende marge voor vastleggingen, om een deel van de vereiste uitgaven voor het EFSI-Garantiefonds van 8 miljard EUR te dekken, in plaats van enkel middelen weg te snoeien bij Horizon 2020 en de Connecting Europe Facility (CEF); benadrukt dat het Parlement ernaar gestreefd heeft de maximale omvang van de gevolgen voor deze twee programma's tot een minimum te herleiden en dat het door de cowetgevers bereikte akkoord deze besnoeiingen verder met in totaal 1 miljard EUR vermindert, waarbij onder meer fundamenteel onderzoek buiten schot is gebleven; verwacht dat de definitieve EFSI-overeenkomst zo spoedig mogelijk in de begroting 2016 tot uiting komt, op basis van een nota van wijzigingen;

5.  herinnert er echter aan dat het besluit over de jaarlijkse kredieten die worden toegestaan voor de oprichting van het EFSI-Garantiefonds alleen door de begrotingsautoriteit zullen worden genomen in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure; verbindt zich er in deze context toe de bezuinigingen die Horizon 2020 en de CEF treffen en nog steeds aanzienlijk blijven, verder te compenseren zodat deze programma's volledig de doelstellingen kunnen verwezenlijken die pas twee jaar geleden naar aanleiding van de onderhandelingen over hun respectieve rechtsgronden zijn overeengekomen; is tevens van plan nauwlettend te onderzoeken of deze besparingen moeten worden geconcentreerd in de jaren 2016-2018, zoals voorgesteld door de Commissie, of verder moeten worden gespreid over de jaren 2019-2020 om zo de gevolgen voor deze programma’s te beperken;

6.  betreurt dat het programma voor het concurrentievermogen van bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen (COSME) in 2016 een nominale verlaging van de vastleggingskredieten ondergaat ten opzichte van 2015; wijst op het uiterst negatieve signaal dat van een dergelijke verlaging zou uitgaan op een ogenblik dat het potentieel van kmo's om te innoveren en banen te creëren hard nodig is om het herstel in de EU te bevorderen, de investeringskloof te verkleinen en bij te dragen aan de toekomstige welvaart van de Unie; herinnert eraan dat de bevordering van ondernemerschap, de verbetering van het concurrentievermogen en van de toegang tot markten van ondernemingen in de Unie, met inbegrip van sociale ondernemingen, en de verbetering van de toegang tot financiering voor kmo's die in aanzienlijke mate bijdragen aan de economie en het concurrentievermogen van Europa, prioriteiten zijn die duidelijk worden gedeeld door alle instellingen en die de rechtvaardiging vormden om de kredieten voor COSME de afgelopen twee jaar vervroegd beschikbaar te stellen en te verhogen, waarbij rekening werd gehouden met het hoge uitvoeringspercentage van het programma; is daarom van plan erop toe te zien dat dit programma in 2016 een positieve ontwikkeling kent;

7.  herhaalt zijn bezorgdheid over de financiering van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI) als een essentieel instrument voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid in de Unie, wat een topprioriteit is voor alle Europese besluitvormers; wijst op de vervroegde financiering van het YEI en de aanvullende toewijzing in 2014 en 2015; betreurt dat er voor 2016 geen nieuwe vastleggingen worden voorgesteld; herinnert eraan dat het MFK voorziet in een overkoepelende marge voor vastleggingen die vanaf 2016 boven de maxima beschikbaar worden gesteld voor beleidsdoelstellingen met betrekking tot groei en werkgelegenheid, en in het bijzonder werkgelegenheid voor jongeren; herinnert er bijgevolg aan dat in de verordening betreffende het Europees Sociaal Fonds is bepaald dat de middelen voor het YEI voor de jaren 2016-2020 in het kader van de begrotingsprocedure naar boven kunnen worden herzien; pleit daarom voor de voortzetting van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en daarbij gebruik te maken van alle flexibiliteit waarin het MFK voorziet, en is van plan ervoor te zorgen dat de begroting 2016 in de nodige bedragen voorziet;

8.  merkt op dat, dankzij een tijdig akkoord over de herprogrammering van de vastleggingen onder gedeeld beheer in het kader van het MFK 2014-2020 als gevolg van de laattijdige goedkeuring van de relevante regels en programma's, de Commissie in haar ontwerpbegroting 2016 (rubriek 2 en 3) 4,5 miljard EUR aan vastleggingskredieten heeft opgenomen die in 2014 niet konden worden gebruikt; herinnert eraan dat de gewijzigde begroting nr. 1/2015 al een overdracht van 16,5 miljard EUR van 2014 naar 2015 in rubriek 1b, 2 en 3 mogelijk heeft gemaakt; benadrukt dat dit echter zuivere overdrachten zijn van reeds voor 2014 overeengekomen kredieten en daarom, met het oog op vergelijking, in mindering moeten worden gebracht bij de beoordeling van de ontwikkeling van de begroting 2016 ten opzichte van de begroting 2015; wijst er daarom op dat de betrokken programma's in feite profiteren van meer vastleggingskredieten in de ontwerpbegroting 2016;

9.  is bezorgd over de vertraging bij de start van nieuwe programma's uit hoofde van het MFK 2014-2020 als gevolg van de late goedkeuring van de rechtsgronden en de operationele programma's, alsook van het tekort aan betalingskredieten in 2014; verbindt zich ertoe na te gaan of de gevraagde vastleggings- en betalingskredieten deze nieuwe programma's echt in staat zullen stellen op kruissnelheid te komen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan alle noodzakelijke maatregelen te nemen om de vertraging bij de uitvoering weg te werken;

10.  merkt op dat de ontwerpbegroting van de EU voor 2016 voorziet in 153,5 miljard EUR aan vastleggingskredieten (inclusief 4,5 miljard EUR geherprogrammeerd van 2014) en 143,5 miljard EUR aan betalingskredieten; wijst erop dat, zonder rekening te houden met de herprogrammering in 2015 en 2016, dit overeenkomt met een stijging van +2,4 % voor de vastleggingskredieten en van +1,6 % voor de betalingskredieten ten opzichte van de begroting 2015; benadrukt dat deze globaal genomen lichte verhogingen, overeenkomstig de krijtlijnen van het MFK en met inflatiecorrectie, in reële cijfers nauwelijks een verhoging inhouden, wat betekent dat doelmatigheid en doeltreffendheid van de uitgaven uitermate belangrijk zijn;

11.  onderstreept dat de Commissie een marge laat van 2,2 miljard EUR aan vastleggingskredieten (waarvan 1,2 miljard EUR in rubriek 2) en van 1,6 miljard EUR aan betalingskredieten onder de maxima van het MFK; herinnert eraan dat de beschikbare marges aan vastleggings- en betalingskredieten alsook niet-uitgevoerde betalingen worden opgenomen in de totale marges die de daaropvolgende jaren kunnen worden gebruikt, mocht dit nodig zijn; merkt op dat de overkoepelende marge voor vastleggingen voor de eerste maal beschikbaar wordt gesteld en dat een deel ervan zal worden gebruikt voor het EFSI; is in beginsel ingenomen met het voorgestelde gebruik van het flexibiliteitsinstrument voor duidelijk geïdentificeerde uitgaven in het kader van nieuwe EU-initiatieven op het gebied van asiel en migratie, die niet kunnen worden gefinancierd binnen de grenzen van rubriek 3; is van plan gebruik te maken van een deel van de resterende marges en van de desbetreffende flexibiliteitsbepalingen van het MFK om cruciale prioriteiten te versterken;

Betalingen: het vertrouwen herstellen

12.  herinnert eraan dat de gebrekkige betalingen, die grotendeels het gevolg zijn van te lage maxima en te weinig betalingskredieten, in 2014 een ongekend hoog niveau hebben bereikt en in 2015 nog steeds een pijnpunt zijn; vreest dat dit nog steeds een bedreiging zal zijn voor de adequate uitvoering van de nieuwe programma's van het MFK 2014-2020 en de begunstigden zal bestraffen, met name lokale, regionale en nationale autoriteiten, die worden geconfronteerd met economische en sociale beperkingen; is, hoewel het een actief beheer van de betalingen door de Commissie steunt, bezorgd over het uitstellen van de oproep tot het indienen van voorstellen, de vermindering van de voorfinanciering en de te late betalingen, wat nadelig kan zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van economische, sociale en territoriale samenhang; herhaalt zijn bezorgdheid over de ad-hocverlagingen van de betalingskredieten die de Raad in zijn lezing van de jaarlijkse begroting heeft doorgevoerd, onder meer bij programma's voor concurrentievermogen voor groei en banen in rubriek 1a;

13.  is verheugd over het feit dat de ontwerpbegroting van de EU de gemeenschappelijke verklaring betreffende een betalingsplan 2015-2016 weerspiegelt die tussen het Parlement, de Raad en de Commissie is overeengekomen na de gezamenlijke diagnose en verbintenis van de drie instellingen om deze achterstand te verminderen; herinnert eraan dat artikel 310 VWEU voorschrijft dat de ontvangsten en uitgaven op de EU-begroting in evenwicht moeten zijn; merkt op dat volgens de ramingen van de Commissie de in de ontwerpbegroting gevraagde betalingskredieten de betalingsachterstand zouden terugbrengen tot een draaglijk niveau van ongeveer 2 miljard EUR; verbindt zich er bijgevolg toe het voorstel van de Commissie volledig te steunen en verwacht dat de Raad zijn toezeggingen op dit gebied nakomt;

14.  benadrukt dat het Parlement, de Raad en de Commissie zich ertoe hebben verbonden te voorkomen dat er zich in de toekomst aan het eind van het jaar een onhoudbare betalingsachterstand opstapelt, waarbij de afspraken die in het kader van het meerjarig financieel kader en de jaarlijkse begrotingsprocedures zijn gemaakt, volledig worden geëerbiedigd en uitgevoerd; wijst in dit verband nogmaals op de noodzaak om strikt en actief toe te zien op de ontwikkeling van deze achterstand; herhaalt zijn bezorgdheid over het feit dat de specifieke kenmerken van de betalingscycli het peil van de betalingskredieten extra onder druk zetten, met name aan het eind van het MFK; herinnert de Commissie aan haar toezegging in de gemeenschappelijke verklaring betreffende een betalingsplan om haar prognose-instrumenten voor de middellange en lange termijn verder te ontwikkelen en een systeem voor vroegtijdige waarschuwing in te voeren, zodat de eerste betalingsprognoses in juli kunnen worden gedaan en de begrotingsautoriteit in de toekomst naar behoren onderbouwde beslissingen kan nemen;

15.  is verheugd over het feit dat de balans binnen de totale betalingskredieten uiteindelijk merkbaar verschuift van de voltooiing van de eerdere programma's 2007-2013 naar de uitvoering van de nieuwe programma's 2014-2020; benadrukt evenwel dat het bedrag aan betalingskredieten in de ontwerpbegroting 2016, met name voor rubriek 1b, laag is in vergelijking met het niveau van de vastleggingen, wat het risico inhoudt op een soortgelijke betalingsachterstand aan het eind van het huidige MFK; vraagt zich bijgevolg af in hoeverre dit in overeenstemming is met het langetermijnperspectief van het betalingsplan;

Rubriek 1a – Concurrentievermogen voor groei en banen

16.  merkt op dat in vergelijking met 2015 het voorstel van de Commissie voor 2016 overeenkomt met een verhoging van de vastleggingskredieten onder rubriek 1a van +6,1 % tot 18,6 miljard EUR; wijst erop dat de verhoging van de vastleggingskredieten grotendeels toe te schrijven is aan de integratie van EFSI en verhogingen voor Erasmus+ en de Connecting Europe Facility (CEF) en, in mindere mate, aan verhogingen voor douane, Fiscalis en fraudebestrijding, alsook voor werkgelegenheid en sociale innovatie; is van plan bijzondere aandacht te besteden aan het verminderen van de ongelijkheden tussen het stelsel van leercontracten en het hoger onderwijs in Europa, met name door te zorgen voor gelijke toegang tot mobiliteit;

17.  betreurt evenwel de verlaging van de kredieten voor grote infrastructuurprojecten, Horizon 2020 en COSME, alsook de tragere voortgang van CEF vervoer als gevolg van de herindeling in het EFSI; herinnert eraan dat het oorspronkelijke voorstel van de Commissie voor het EFSI zou hebben geleid tot een besnoeiing van 170 miljoen EUR voor Horizon 2020 in 2016 ten opzichte van 2015, en dat daarmee een tegenstrijdig signaal zou zijn gegeven voor een programma dat op ruime schaal wordt erkend als een prioritair vlaggenschip in het kader van het huidige MFK; betreurt het domino-effect op de financiering van onderzoek, met name op het gebied van energie, kmo's, klimaat en milieu, sociale wetenschappen en maatschappelijke wetenschappen; verbindt zich ertoe de voorgestelde verlagingen voor deze programma's verder te compenseren via verhogingen in de loop van de begrotingsprocedure door gebruik te maken van de nog beschikbare marge van 200 miljoen EUR onder het maximum voor rubriek 1a; onderstreept dat middelen voor investeringen, onderzoek, ontwikkeling en innovatie bij uitstek moeten worden ingezet op gebieden waar de grootste toegevoegde waarde kan worden gecreëerd, zoals verbetering van de energie-efficiëntie, ICT, subsidie voor fundamenteel onderzoek alsmede technologie voor koolstofarme en hernieuwbare energie;

18.  herhaalt zijn steun voor het ITER-programma en is vastbesloten te zorgen voor passende financiering; is evenwel bezorgd over het feit dat door de in november 2015 geplande presentatie van een herzien tijdschema en een herziene financiële planning voor ITER, de begrotingsautoriteit niet in staat zal zijn rekening te houden met de nieuwe informatie in de jaarlijkse begrotingsprocedure voor 2016; dringt er bovendien bij ITER en de Europese gemeenschappelijke onderneming "Fusion for Energy" op aan onverwijld de verlangde verslagen over de kwijting 2013 in te dienen en gevolg te geven aan de desbetreffende aanbevelingen van het Parlement;

19.  onderstreept dat het beschikbaar stellen van te weinig betalingskredieten in het verleden de kloof tussen de vastleggingen en betalingen in meerdere programma's onder rubriek 1a heeft vergroot, wat heeft bijgedragen aan de sterke stijging van de RAL ten opzichte van de andere rubrieken; is bezorgd over het feit dat de Commissie het bedrag van de voorfinanciering heeft moeten verlagen, en, erger nog, nieuwe oproepen tot het indienen van voorstellen en de ondertekening van contracten heeft moeten uitstellen; merkt bijvoorbeeld op dat de Commissie voor Horizon 2020 raamt dat "in een normaal uitvoeringsscenario zonder beperkingen voor de betalingskredieten, tegen eind 2014 ongeveer 1 miljard EUR meer zou zijn uitgegeven"; herhaalt, hoewel het ingenomen is met de inspanningen van de Commissie om de situatie van de betalingen onder controle te houden, dat het in geen geval een vertraging van de programma's voor de periode 2014-2020 zal dulden die wordt gezien als een manier om de betalingsproblemen op te lossen;

20.  is daarom verheugd over de verhoging van de betalingskredieten met +11,4 % tot 17,5 miljard EUR ten opzichte van 2015, en over de verhoging van de verhouding betalingen/vastleggingen voor 2016; merkt met name op dat voor meerdere programma's (Copernicus, Erasmus+, Horizon 2020, CEF vervoer, nucleaire veiligheid en ontmanteling) de betalingskredieten hoger zijn dan de vastleggingskredieten;

Rubriek 1b – Economische, sociale en territoriale samenhang

21.  neemt kennis van de voorgestelde 50,8 miljard EUR aan vastleggingskredieten (+3,2 % ten opzichte van 2015, waarbij de gevolgen van de herprogrammering geneutraliseerd zijn) en 49,1 miljard EUR aan betalingskredieten (-4 %) voor rubriek 1b, waarbij een kleine marge van 15,3 miljoen EUR onder het maximum voor vastleggingen wordt gelaten; herinnert eraan dat het cohesiebeleid het voornaamste investeringsbeleid van de EU is dat gericht is op het terugdringen van de ongelijkheden tussen Europese regio's door de economische, sociale en territoriale samenhang te vergroten; benadrukt dat instrumenten zoals het ESF, het EFRO, het Cohesiefonds of het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief van fundamenteel belang zijn om convergentie, verkleining van de ontwikkelingskloof en het ondersteunen van de creatie van hoogwaardige en duurzame banen te bevorderen; wijst op de cruciale rol van het cohesiebeleid van de EU bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie;

22.  benadrukt het feit dat 44 % van de voor 2016 voorgestelde betalingskredieten bestemd zijn voor nog niet gehonoreerde betalingsaanvragen uit vorige programmeringsperioden, waardoor slechts 26,8 miljard EUR aan betalingskredieten overblijft voor de lancering van de nieuwe cohesieprogramma's 2014-2020; beschouwt de voorgestelde betalingskredieten bijgevolg als het absolute minimum dat nodig is in deze rubriek;

23.  herinnert eraan dat er in de begroting 2016 een bedrag van 21,6 miljard EUR nodig is om de betalingsachterstand voor de cohesieprogramma's 2007-2013 te herleiden van 24,7 miljard EUR eind 2014 en 20 miljard EUR eind 2015 tot ongeveer 2 miljard EUR eind 2016, zoals beschreven in de beoordeling door de Commissie die is gevoegd bij de gemeenschappelijke verklaring betreffende een betalingsplan 2015-2016; dringt erop aan dat een dergelijke "abnormale" accumulatie van onbetaalde rekeningen in de toekomst wordt voorkomen om de geloofwaardigheid van de EU niet in het gedrang te brengen;

24.  benadrukt dat, naast zijn pleidooi om het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief voort te zetten, een efficiëntere en snellere uitvoering ervan in de lidstaten van cruciaal belang is; moedigt de lidstaten en de Commissie aan alle nodige maatregelen te nemen om de nationale jongerengarantieregelingen prioritair uit te voeren, indien van toepassing met inachtneming van de aanbevelingen van speciaal verslag nr. 3/2015 van de Europese Rekenkamer; herhaalt dat de onlangs goedgekeurde verhoging van de voorfinanciering tot 30 %, die sterk wordt gesteund door het Parlement, afhankelijk is van een snelle indiening van de tussentijdse betalingsaanvragen door de lidstaten binnen een jaar, wat in 2016 concrete vorm moeten aannemen; benadrukt dat de hogere voorfinanciering voor het YEI geen negatieve gevolgen mag hebben voor de uitvoering van andere onderdelen van het ESF;

Rubriek 2 – Duurzame groei: natuurlijke hulpbronnen

25.  neemt kennis van de voorgestelde 63,1 miljard EUR aan vastleggingskredieten (-0,1 % ten opzichte van 2015, waarbij de gevolgen van de herprogrammering geneutraliseerd zijn) en 55,9 miljard EUR aan betalingskredieten (-0,2 %) voor rubriek 2, waarbij een marge van 1,2 miljard EUR onder het maximum voor vastleggingen wordt gelaten, en een marge van 1,1 miljard EUR onder het maximum voor het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF); wijst erop dat het mechanisme voor financiële discipline uitsluitend wordt toegepast om de reserve voor crisissituaties in de landbouwsector aan te leggen; kijkt uit naar de nota van wijzigingen van de Commissie, die in oktober wordt verwacht en gebaseerd moet zijn op geactualiseerde informatie over de financiering van het ELGF; benadrukt dat overdrachten tussen de twee pijlers van het GLB leiden tot een totale verhoging van het bedrag dat voor plattelandsontwikkeling beschikbaar is;

26.  onderstreept dat de ontwerpbegroting 2016 een daling van de behoeften voor interventies op de landbouwmarkten vertoont ten opzichte van de begroting 2015, die hoofdzakelijk toe te schrijven is aan het effect in 2015 van noodmaatregelen met betrekking tot het Russische embargo op de invoer van bepaalde landbouwproducten uit de EU; merkt op dat er volgens de Commissie geen verdere maatregelen nodig zijn in het kader van de begroting 2016; vestigt de aandacht op de doelstellingen inzake verbetering van het concurrentievermogen en de duurzaamheid van de Europese landbouw en wenst dat er middelen worden uitgetrokken om deze doelstellingen te verwezenlijken;

27.  onderstreept het feit dat het hervormde gemeenschappelijk visserijbeleid wordt gekenmerkt door een ambitieus rechtskader om de uitdagingen van verantwoorde visserij het hoofd te bieden, onder meer via de verzameling van gegevens, en is verheugd dat het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij een overdracht van ongebruikte kredieten van 2014 naar 2015 heeft gekend en dat, met neutralisering van de gevolgen van deze herprogrammering, de vastleggingskredieten voor dit Fonds in 2016 verder stijgen; merkt evenwel op dat de geleidelijke afhandeling van de betalingen voor het vorige programma slechts gedeeltelijk wordt gecompenseerd door de opname van het nieuwe programma, wat dus resulteert in lagere kredieten voor 2016;

28.  is ingenomen met de stijging van de kredieten voor het LIFE-programma voor milieu en klimaatverandering, zowel bij de vastleggingen als bij de betalingen; is ingenomen met de eerste stappen voor de vergroening van de EU-begroting, en wijst op de noodzaak om het tempo ervan op te drijven;

Rubriek 3 – Veiligheid en burgerschap

29.  is ingenomen met het feit dat in de ontwerpbegroting 2016 de steun voor alle programma's in rubriek 3 wordt verhoogd en zo uitkomt op 2,5 miljard EUR aan vastleggingskredieten (+12,6 % ten opzichte van de begroting 2015, waarbij de gevolgen van de herprogrammering geneutraliseerd zijn) en 2,3 miljard EUR aan betalingskredieten (+9,7 %); wijst erop dat dit geen enkele marge laat voor verdere verhogingen of proefprojecten en voorbereidende acties in rubriek 3; is van mening dat, in de huidige geopolitieke situatie en met name als gevolg van de toenemende druk van migratiestromen, het niveau van de maxima voor wat veruit de kleinste rubriek van het MFK is, wel eens achterhaald zou kunnen zijn en moet worden aangepakt in het kader van de herziening van het MFK na de verkiezingen;

30.  is ingenomen met de door de Commissie voorgestelde Europese agenda inzake migratie en herhaalt zijn steun voor de verhoging van de middelen van de EU en de ontwikkeling van een cultuur van eerlijke lastenverdeling en solidariteit op het gebied van asiel, migratie en het beheer van de buitengrenzen; looft daarom de verhoging van de vastleggingskredieten voor het Fonds voor interne veiligheid en het Fonds voor asiel, migratie en integratie, met inbegrip van de ontwikkeling van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (CEAS); is ingenomen met het voorstel van de Commissie om 124 miljoen EUR uit het flexibiliteitsinstrument beschikbaar te stellen om het hoofd te bieden aan de huidige migratiegolven in het Middellandse Zeegebied; vraagt zich af of de voorgestelde middelen toereikend zullen zijn; onderstreept dat het noodzakelijk is de bestemming van deze middelen strikt te controleren;

31.  wijst er nadrukkelijk op dat het voorstel om EASO slechts zes nieuwe personeelsleden te geven duidelijk onvoldoende is, gezien het grote aantal migranten dat op de zuidkusten van de Unie arriveert en de steeds grotere rol die EASO moet vervullen bij het beheer van asiel; verzoekt derhalve om EASO voor 2016 voldoende personele en financiële middelen te geven zodat dit agentschap zijn taken en werkzaamheden effectief kan verrichten;

32.  is van mening dat de begrotingsimpact en de extra taken als gevolg van de maatregelen die als onderdeel van de Europese agenda voor migratie en de Europese agenda voor veiligheid met betrekking tot Europol zijn gepresenteerd, in detail door de Commissie moeten worden beoordeeld om de begrotingsautoriteit in staat te stellen de budgettaire en personele behoeften van het agentschap naar behoren bij te stellen; wijst nadrukkelijk op de rol van Europol in de grensoverschrijdende ondersteuning van de lidstaten en in de informatie-uitwisseling; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat het agentschap in 2016 over voldoende financiële en personele middelen beschikt om zijn taken en werkzaamheden effectief te kunnen verrichten;

33.  is van mening dat het personeel van de betrokken agentschappen niet mag worden verminderd of herschikt, en dat ze hun personeel behoorlijk moeten toewijzen om tegemoet te komen aan hun toenemende verantwoordelijkheden;

34.  herinnert tevens aan de krachtige steun die het Parlement blijft uitspreken voor adequate financiering van programma's op het gebied van cultuur en media; is daarom verheugd over de verhoging van de kredieten voor het programma Creatief Europa, met inbegrip van multimedia-acties, ten opzichte van de begroting 2015, maar maakt voorbehoud bij de administratieve scheiding tussen de onderdelen cultuur en media; steunt ook de voorgestelde verhoging voor het programma "Europa voor de burger" omdat dit programma van cruciaal belang is voor de participatie van de burger aan het democratisch proces in Europa; is van mening dat het Europees burgerinitiatief (EBI) een centraal instrument is voor participerende democratie in de EU en dringt erop aan dat de zichtbaarheid en toegankelijkheid ervan wordt verbeterd; benadrukt de positieve rol van pan-Europese netwerken van lokale en nationale media, zoals EuranetPlus;

35.  benadrukt dat de veiligheid van levensmiddelen en diervoeders, de bescherming van de consument en gezondheid gebieden zijn die van cruciaal belang zijn voor de burgers van de EU; waardeert daarom de verhoging van de vastleggingskredieten voor de programma's levensmiddelen en diervoeders, gezondheid en consumenten ten opzichte van de begroting 2015;

Rubriek 4 – Europa als wereldspeler

36.  is ingenomen met de globale verhoging van de financiering voor rubriek 4, die uitkomt op 8,9 miljard EUR aan vastleggingskredieten (+5,6 % ten opzichte van de begroting 2015), waarbij een marge wordt gelaten van 261,3 miljoen EUR onder het maximum; merkt op dat hieruit een hoge mate van solidariteit met derde landen blijkt; is van mening dat de Europese begroting van fundamenteel belang is om mensen in nood te bereiken en de fundamentele Europese waarden te bevorderen; is ingenomen met het feit dat de economische en sociale problemen die de EU de afgelopen jaren heeft gekend, geen afbreuk hebben gedaan aan de aandacht voor de rest van de wereld; is evenwel van oordeel dat er hoogstwaarschijnlijk nog extra middelen zullen moeten worden uitgetrokken voor bepaalde prioritaire gebieden, zoals het Europees nabuurschapsinstrument, met inbegrip van de steun aan het vredesproces in het Midden-Oosten, Palestina en de UNRWA, vanwege de aanhoudende humanitaire en politieke crisis in deze regio en daarbuiten;

37.  is ingenomen met de door de Commissie gevraagde verhoging van de kredieten voor alle programma's in rubriek 4 (+28,5 % tot 9,5 miljard EUR), waarbij de betalingskredieten hoger zijn dan de vastleggingskredieten, met name op het gebied van ontwikkeling, humanitaire hulp en bijstand van de EU voor Palestina en de UNRWA; is van mening dat deze verhogingen volledig gerechtvaardigd zijn om de gevolgen te herstellen van de dramatische betalingstekorten in deze rubriek in 2014 en 2015, waardoor de Commissie de voorfinancieringen moest verlagen en juridische verbintenissen moest uitstellen; herinnert eraan dat in 2015 in rubriek 4, 1,7 miljoen EUR aan rente voor te late betalingen moest worden betaald; verwacht dat de kloof tussen vastleggings- en betalingskredieten geleidelijk zal verkleinen en de betalingsachterstand tot een normaal niveau zal worden teruggebracht; benadrukt dat een dergelijke stap onontbeerlijk is voor de financiële gezondheid van de kwetsbare begunstigden en voor de betrouwbaarheid van de EU als partner van internationale organisaties;

38.  is van mening dat externe financieringsinstrumenten middelen aanreiken om, op een veelzijdige manier en in combinatie met de respectieve doelstellingen, de onderliggende oorzaken van deze interne veiligheids- en migratie-uitdagingen aan te pakken die in de begroting van volgend jaar centraal staan, waarbij met name aandacht moet worden besteed aan de zuidelijke en oostelijke buitengrenzen van de Unie en meer in het algemeen aan door conflicten getroffen gebieden; wijst in het bijzonder op het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking en het Europees nabuurschapsinstrument, maar ook op beleidsmaatregelen die een beperktere stijging kennen zoals humanitaire hulp, het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede, het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en het Europees instrument voor democratie en mensenrechten; verzoekt de Commissie duidelijk vast te stellen welke gebieden kunnen helpen bij de aanpak van deze actuele problemen en waar mogelijke verhogingen op efficiënte wijze kunnen worden opgenomen; herinnert er in dit verband aan dat het belangrijk is bijstand te verlenen om armoede terug te dringen en uiteindelijk uit te bannen, en mensenrechten, gendergelijkheid, sociale samenhang en bestrijding van ongelijkheid centraal te plaatsen in de externe steun van de EU;

39.  onderstreept de aanzienlijke toename van het bedrag dat in de begroting 2016 als voorziening moet worden opgenomen voor het garantiefonds voor operaties ten behoeve van derde landen dat wordt beheerd door de Europese Investeringsbank, en merkt op dat dit het gevolg is van onder meer de start van leningen voor macrofinanciële bijstand aan Oekraïne;

40.  verzoekt de Commissie en de EDEO ervoor te zorgen dat een holistische benadering wordt toegepast ten aanzien van strategische landen die relatief veel financiering uit diverse EU-bronnen ontvangen, zoals Oekraïne en Tunesië; is van mening dat de EU meer politieke en economische invloed kan bereiken door te zorgen voor meer samenhang en coördinatie tussen de belangrijkste actoren in de EU en op het terrein, door procedures te vereenvoudigen en te verkorten en door een duidelijker beeld te schetsen van het optreden van de EU;

Rubriek 5 – Administratie

41.  merkt op dat de uitgaven van rubriek 5 ten opzichte van de begroting 2015 stijgen met 2,9 % tot 8 908,7 miljoen EUR, en dat deze stijging globaal genomen bestemd is voor de administratieve uitgaven van de instellingen (+2,2 %) en voor de pensioenen en de Europese scholen (+5,4 %); merkt op dat er een marge van 574,3 miljoen EUR onder het maximum wordt gelaten; onderstreept dat het aandeel van rubriek 5 in de EU-begroting stabiel blijft op 5,8 %; herinnert er evenwel aan dat dit cijfer geen rekening houdt met technische bijstand die als operationele uitgaven wordt beschouwd;

Speciale instrumenten

42.  herhaalt dat speciale instrumenten van cruciaal belang zijn voor de volledige eerbiediging en uitvoering van het MFK en dat ze door hun specifieke karakter buiten en bovenop de maxima moeten worden geteld, zowel voor de vastleggingen als voor de betalingen, met name bij de berekening van de totale marge voor betalingen; is ingenomen met de voorgestelde pariteit tussen de vastleggings- en de betalingskredieten voor de reserve voor noodhulp; merkt op dat de bedragen die in de ontwerpbegroting 2016 zijn gereserveerd voor de reserve voor noodhulp (EAR), het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) en het Solidariteitsfonds van de EU (SFEU) grotendeels stabiel zijn gebleven of lichtjes zijn gestegen;

Proefprojecten – voorbereidende acties

43.  onderstreept hoe essentieel proefprojecten en voorbereidende acties zijn om politieke prioriteiten te formuleren en nieuwe initiatieven in te voeren die kunnen uitmonden in permanente EU-acties en -programma's, met inbegrip van initiatieven die willen inspelen op de economische, ecologische en sociale veranderingen binnen de EU; stelt met bezorgdheid vast dat de Commissie niet heeft voorzien in kredieten voor de voortzetting van zeer succesvolle proefprojecten en voorbereidende acties, met name in rubriek 3; is van plan een evenwichtig pakket van proefprojecten en voorbereidende acties vast te stellen; merkt op dat in het huidige voorstel de marge voor sommige rubrieken vrij beperkt is of er zelfs helemaal geen marge is, en is van plan mogelijkheden te onderzoeken om ruimte te maken voor eventuele proefprojecten en voorbereidende acties;

Gedecentraliseerde agentschappen

44.  onderstreept de cruciale rol die gedecentraliseerde agentschappen spelen bij de beleidsvorming van de EU en is vastbesloten geval per geval de budgettaire en personeelsbehoeften van alle agentschappen te beoordelen om te zorgen voor adequate kredieten en personeel voor alle agentschappen, met name voor de agentschappen die onlangs nieuwe taken hebben gekregen of omwille van beleidsprioriteiten of andere redenen met een hogere werkdruk kampen; is met name vastbesloten de agentschappen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken de nodige middelen te verstrekken om het hoofd te kunnen bieden aan de huidige migratieproblematiek; benadrukt eens te meer zijn verzet tegen de herindelingspool en verwacht tijdens de begrotingsprocedure een oplossing te vinden om een einde te maken aan de bijkomende personeelsinkrimping bij de gedecentraliseerde agentschappen; herhaalt verder zijn voornemen gebruik te maken van de interinstitutionele werkgroep over gedecentraliseerde agentschappen om overeenstemming te bereiken tussen de instellingen over de behandeling van de agentschappen in begrotingstermen, ook met het oog op het overleg over de begroting 2016;

o

o    o

45.  roept op tot langdurige inspanningen om begrotingssteun te leveren voor passende opleidingen en omscholing in sectoren waar een tekort aan werknemers heerst en in belangrijke sectoren met een hoog banenscheppend potentieel, zoals de groene economie, de kringloopeconomie, de gezondheidszorg en de ict-sector; benadrukt dat in het kader van de begroting 2016 passende steun moet worden verleend aan de bevordering van sociale inclusie en aan maatregelen die tot doel hebben armoede uit te bannen en de positie te verstevigen van personen die in armoede en sociale uitsluiting leven; herinnert eraan dat gendergelijkheid deel moet uitmaken van het EU-beleid en aan de orde moet worden gesteld in het begrotingsproces; dringt aan op financiële ondersteuning van programma's ter bevordering van werkgelegenheid en sociale inclusie voor personen met een meervoudige benadeelde positie, zoals langdurig werklozen, personen met een handicap, personen van een minderheid en niet-actieve en ontmoedigde personen;

46.  herinnert eraan dat, met programma's die naar verwachting op kruissnelheid zullen komen, met de integratie van nieuwe belangrijke initiatieven op het gebied van investeringen en migratie, met de mogelijkheid om een regeling te treffen voor kwesties uit het verleden zoals betalingen en speciale instrumenten, en met de eerste toepassing van nieuwe MFK-bepalingen zoals de overkoepelende marge voor vastleggingen, de begrotingsprocedure 2016 een testcase vormt voor de houding van de Raad ten aanzien van het betalingsplan alsook voor de beoordeling van het huidige MFK; herinnert de Commissie aan haar wettelijke verplichting om uiterlijk eind 2016 een herziening van het MFK voor te stellen en deze begrotingsherziening te laten samenvallen met een wetgevingsvoorstel voor de herziening van Verordening nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de periode 2014-2020; herinnert eraan dat de Commissie parallel met dit proces ook nieuwe initiatieven voor eigen middelen moet beoordelen op basis van de resultaten van de werkgroep op hoog niveau inzake eigen middelen, die in 2016 moeten worden voorgesteld;

47.  erkent de brede consensus tot dusver bij de behandeling van de ontwerpen van gewijzigde begroting 2015 en bij de onderhandelingen over het betalingsplan, waaruit een gemeenschappelijke wil blijkt om het MFK na te leven, de rechtsgronden waarover zorgvuldig onderhandeld is toe te passen en te zorgen voor de financiering van nieuwe programma's; dringt aan op voortzetting van de geest van samenwerking tussen de Commissie en de twee takken van de begrotingsautoriteit van de EU, en hoopt dat dit uiteindelijk zal leiden tot het aanpakken van de oorzaken van de zich opstapelende betalingsachterstand die zijn ingebed in de begrotingsprocedure; verwacht dat dezelfde geest alom tegenwoordig zal zijn in de onderhandelingen over de begroting 2016 en bij het vinden van middelen om het hoofd te bieden aan nieuwe en onvoorziene toekomstige uitdagingen;

48.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE I: GEZAMENLIJKE VERKLARING OVER DE DATA VOOR DE BEGROTINGSPROCEDURE EN REGELS VOOR DE WERKING VAN HET BEMIDDELINGSCOMITÉ IN 2015

A.  Overeenkomstig deel A van de bijlage bij het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer komen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie voor de begrotingsprocedure voor 2016 de volgende belangrijke data overeen:

1.  op 14 juli wordt een trialoog belegd vóór de vaststelling van het standpunt van de Raad;

2.  de Raad tracht voor week 38 (derde week van september) zijn standpunt vast te stellen en aan het Europees Parlement toe te zenden, opdat tijdig een akkoord met het Europees Parlement kan worden bereikt;

3.  de Begrotingscommissie van het Europees Parlement tracht uiterlijk aan het eind van week 42 (medio oktober) amendementen op het standpunt van de Raad aan te nemen;

4.  op 19 oktober wordt, voorafgaand aan de lezing door het Europees Parlement, een trialoog belegd;

5.  het Europees Parlement stelt in week 44 (plenaire vergadering van 26-29 oktober) zijn lezing vast;

6.  de bemiddelingsperiode begint op 29 oktober. Overeenkomstig artikel 314, punt 4, letter c), van het VWEU verstrijkt de voor bemiddeling voorziene periode op 18 november 2015;

7.  het bemiddelingscomité vergadert op 9 november in het Europees Parlement, op 13 november in de Raad en kan, indien nodig, ook nadien nog bijeenkomen; de bijeenkomsten van het bemiddelingscomité worden voorbereid tijdens trialogen. Een eerste trialoog staat gepland op 11 november. Tijdens de bemiddelingsperiode van 21 dagen kunnen nog andere trialogen worden belegd.

B.  De regels voor de werking van het bemiddelingscomité staan in deel E van de bijlage bij bovengenoemd Interinstitutioneel Akkoord.

BIJLAGE II: GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING BETREFFENDE EEN BETALINGSPLAN 2015-2016

Voortbouwend op de in december 2014 overeengekomen gezamenlijke verklaring over een betalingsplan, als onderdeel van het akkoord over de begrotingen voor 2014 en 2015, hebben de drie instellingen gezamenlijk een beoordeling gemaakt van de stand van zaken en de vooruitzichten voor de betalingen in de EU-begroting op basis van het document dat op 23 maart 2015 door de Commissie is toegezonden.

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie zijn het eens over de onderstaande punten:

1.  Stand van zaken

Het Europees Parlement en de Raad nemen nota van de grondige beoordeling die de Commissie maakt in haar document "Elementen voor een betalingsplan om de EU-begroting terug op een duurzaam spoor te brengen" (bijlage) als analytische basis voor het bepalen van de belangrijkste oorzaken van het groeiende aantal uitstaande betalingsaanvragen op het eind van het jaar, en voor het bereiken van de beoogde vermindering van het aantal onbetaalde rekeningen, met bijzondere aandacht voor de uitvoering van de cohesiebeleidsprogramma's in de periode 2007-2013.

a)  De beperking op de in de voorbije begrotingen toegestane betalingskredieten heeft, samen met de uitvoeringscyclus van de cohesieprogramma's, geresulteerd in de geleidelijke opbouw van een onhoudbare achterstand van uitstaande betalingsaanvragen op het eind van het jaar, die eind 2014 een recordpeil van 24,7 miljard EUR bereikte. De instellingen erkennen evenwel dat de moeilijke beslissingen in verband met de begrotingen voor 2014 en 2015 de achterstand grotendeels gestabiliseerd hebben.

b)  Bovendien heeft het betalingstekort geleid tot een vertraging in de uitvoering van de programma's voor de periode 2014-2020 in andere begrotingsonderdelen, met name om contractuele verplichtingen uit vroegere vastleggingen na te komen, en zodoende het risico op nalatigheidsinteresten te vermijden; en dit net op het moment dat essentiële programma's worden verondersteld bij te dragen aan groei en banen in Europa en de rol van de Unie op het internationale toneel veilig te stellen.

2.  Vooruitzichten

c)  Het Europees Parlement en de Raad nemen nota van de door de Commissie voorgestelde vooruitzichten voor 2015 en 2016: de analyse geeft aan dat het mogelijk zou kunnen zijn om de achterstand op het eind van het jaar wat betreft uitstaande betalingsaanvragen voor de cohesieprogramma's voor 2007-2013 tegen eind 2016 terug te brengen tot een niveau van ongeveer 2 miljard EUR, er in het bijzonder rekening mee houdend dat de cohesieprogramma's de afsluitingsfase naderen, en mits voldoende betalingskredieten worden toegekend in de begroting voor 2016. Dit zou negatieve gevolgen en onnodige vertragingen voor de uitvoering van de programma's voor 2014‑2020 moeten helpen voorkomen.

d)  Het Europees Parlement en de Raad onderstrepen dat zij ernaar streven de onhoudbare achterstand van uitstaande betalingsaanvragen voor de cohesieprogramma's voor 2007-2013 geleidelijk aan weg te werken. Zij nemen zich voor ten volle samen te werken om in de begroting voor 2016 een niveau van betalingskredieten toe te kennen dat toelaat deze doelstelling te bereiken. Zij zullen in hun beraadslagingen rekening houden met de huidige vooruitzichten, die door de Commissie moeten worden meegenomen en verder verfijnd in haar ramingen voor de ontwerpbegroting voor 2016.

e)  De Commissie zal nauwlettend blijven toezien op de ontwikkeling van de achterstand en indien nodig passende maatregelen voorstellen om te zorgen voor een geordende ontwikkeling van betalingskredieten die verenigbaar is met de toegekende vastleggingskredieten.

f)  De drie instellingen herinneren aan hun belofte om de staat van uitvoering van de betalingen gedurende heel 2015 actief te monitoren. Zij bevestigen hun bereidheid om in het kader van hun regelmatige gedachtewisselingen specifieke interinstitutionele vergaderingen te organiseren op 26 mei, 14 juli en 19 oktober, om een duurzaam begrotingsproces te waarborgen. In dit opzicht moet op die interinstitutionele vergaderingen ook worden gesproken over de prognoses op langere termijn inzake de verwachte evolutie van de betalingen tot het einde van het huidige MFK; de Commissie wordt verzocht om hiervoor zo nodig alternatieve scenario's voor te leggen.

g)  De Commissie zal, om de monitoring van de stand van zaken voor de programma's voor 2007-2013 te vergemakkelijken, in juli en oktober verslagen voorleggen over de uitvoering van de begroting, zowel in vergelijking met de maandelijkse vooruitzichten voor het huidige jaar als in vergelijking met de vooruitzichten voor het voorgaande jaar, alsmede over de evolutie van de achterstand wat betreft uitstaande betalingsaanvragen in rubriek 1b.

h)  Het Europees Parlement en de Raad streven ernaar een dergelijke opbouw van betalingsachterstand in de toekomst te vermijden, en roepen de Commissie daarom op om de uitvoering van de programma's voor 2014-2020 nauwlettend in de gaten te houden en een systeem voor vroegtijdige waarschuwing op te zetten. Om dit resultaat te bereiken zal de Commissie passende instrumenten ontwikkelen om in de loop van de begrotingsprocedure lopende betalingsprognoses te verstrekken, per onderdeel en per rubriek voor rubriek 1b, en onderdelen 2 en 5, en per programma voor rubriek 1a en onderdelen 3 en 4, waarbij wordt gefocust op de jaren N en N+1, met inbegrip van de evolutie van onbetaalde rekeningen en uitstaande verplichtingen (RALs); deze prognoses zullen regelmatig worden bijgewerkt op basis van begrotingsbeslissingen en eventuele relevante ontwikkelingen die van invloed zijn op het betalingsprofiel van de programma's; in juli zullen betalingsprognoses worden voorgesteld in het kader van de voorziene interinstitutionele vergaderingen, als bedoeld in de derde alinea van punt 36 van de bijlage bij het IIA.

i)  Hierdoor zou de begrotingsautoriteit tijdig de nodige beslissingen moeten kunnen nemen, teneinde de toekomstige opbouw van een onhoudbare achterstand aan uitstaande betalingsaanvragen op het einde van het jaar te voorkomen, zonder daarbij afbreuk te doen aan de uitvoering van de akkoorden die zijn bereikt als onderdeel van het meerjarig financieel kader en van de jaarlijkse begrotingsprocedures.

BIJLAGE BIJ BIJLAGE II: ELEMENTS FOR A PAYMENT PLAN TO BRING THE EU BUDGET BACK ONTO A SUSTAINABLE TRACK

Table of Contents

Executive summary

1.  Background

2.  State of play at the end of 2014

2.1.  Implementation at the end of 2014

2.2.  Mitigating measures taken in 2014

3.  Terminology

3.1.  Project cycle

3.2.  Outstanding commitments (RAL)

3.3.  Cash flow constraints vs. shortage of payment appropriations

3.4.  Backlog of outstanding payment claims at year-end

4.  Heading 1b: evolution of backlog and outlook

4.1.  Implementing the structural funds 2007-2013

4.2.  Payment claims profile for the 2007-2013 programming period

4.3.  Components and types of backlog

4.4.  Outlook for 2007-2013 payments (claims) in 2015 and 2016

4.5.  Payment claims expected for 2016

4.6.  Summary of information used to calculate the payment claims and the backlogs

4.7.  Payment at closure

5.  Other headings: outlook for the 2007-2013 programmes

5.1.  Overview

5.2.  Shared management programmes in heading 2 and 3

5.2.1.  Heading 2

5.2.2.  Heading 3

5.3.  Direct management programmes in heading 1a and 4

5.3.1.  Heading 1a

5.3.2.  Heading 4

6.  Outlook for 2014-2020 programmes

7.  Conclusions

Annex 1: information sent by the Commission on 15 December 2014

Annex 2: Heading 1b: latest forecasts from Member States

Executive summary

The increasing gap between the authorised payment appropriations and the past commitments taken by the European Institutions has been one of the main developments regarding the implementation of the EU budget, in particular since 2012. This payments gap has led to a number of negative consequences in the different areas of expenditure and most notably to a growing backlog of outstanding payment claims for the 2007-2013 Cohesion policy programmes (heading 1b), which reached an unprecedented peak at the end of 2014.

This growing backlog of outstanding payment claims is due to the intersection of the peak in the 2007-2013 programme cycle with the drop in 2014 in the payment ceiling of the multiannual financial framework (MFF), in a general environment of public finance consolidation at national level. Two different factors are therefore key to understand this evolution.

Firstly, the cyclical increase of payment claims driven by the sustained implementation of the 2007-2013 Cohesion policy programmes, to be paid in the first years of the 2014-2020 MFF. After a slow start of the programmes in 2007-2009, resulting (inter alia) from the effects of the financial crisis and counter measures taken, implementation has accelerated since 2012, with payment claims increasing yearly to a historic record of EUR 61 billion in 2013 in the field of Cohesion policy, driven by deadlines for implementation and the automatic decommitment rules set out in the Cohesion policy legislation(5).

It has been difficult to accommodate such a steep increase in payment claims for the 2007-2013 Cohesion policy in the EU budget, with other programmes at cruising speed, a lower ceiling for payments in 2014, and against the backdrop of ongoing fiscal consolidation in Member States.

Indeed, the second key factor to explain this development is the significant reduction in the payment ceilings in the new MFF, which is particularly sharp (EUR 8 billion lower) in 2014. The resulting shortage of payment appropriations affects not only Cohesion (heading 1b), but also other areas of expenditure and in particular the policy areas of Growth and Jobs (heading 1a), Global Europe (heading 4) and Security (heading 3).

In order to face this challenge, the Commission put in place measures to ensure an active management of the scarce payment appropriations, namely: speeding up action to recover any undue amounts; limiting idle amounts on fiduciary accounts; reducing pre-financing percentages; making best use of maximum payment deadlines allowed; postponing calls for proposals/tenders and related contracting and giving higher priorities to countries under financial assistance.

Moreover, the budgetary authority was timely informed of the different challenges and developments and different amending budgets were proposed to increase the authorised payment appropriations.

Despite the reinforcements in payment appropriations through amending budgets authorised by Parliament and Council(6), and despite the active management of available payment appropriations by the Commission, the backlog of outstanding payment claims has kept growing: for the 2007-2013 Cohesion policy alone it reached EUR 24.7 billion at the end of 2014(7).

Thanks to the mitigating measures undertaken by the Commission, the build-up of a backlog was to a large extent contained in the other policy areas managed directly by the Commission. Most of the payment appropriations available in 2014 were used to honour contractual obligations stemming from the previous programming period and thus minimise penalties for late payments, which nonetheless showed a fivefold annual increase (to EUR 3 million)(8). While these actions avoided larger negative financial impact for the EU budget, they entailed shifting a number of payments due-dates to 2015, with an impact on legitimate expectations from stakeholders who may have had to postpone the start of their project and/or to temporarily co-finance it to a higher degree.

The closure stage of the 2007-2013 Cohesion programmes is approaching. In 2014, the total level of payment claims received decreased to EUR 53 billion (from EUR 61 billion in 2013). In their latest forecasts (January 2015), Member States expect to submit payment claims of around EUR 48 billion in 2015 and EUR 18 billion in 2016. However, these figures cannot be taken at face value, since in 2015-2016 there will be a capping of payable claims at 95% of the whole financial envelope of the programme as established by the relevant legislation(9). The resulting payable claims for 2015 are estimated by the Commission at some EUR 35 billion and up to EUR 3.5 billion for 2016.

The 2015 budget authorises almost EUR 40 billion in payment appropriations for the 2007-2013 Cohesion policy. This budget will cover both backlog payments (EUR 24.7 billion consuming 62% of the 2007-13 Cohesion policy budget) and new claims arrived in due time to be paid (estimated at EUR 35 billion). As a result, the backlog at the end of 2015 is estimated to decrease to a level of EUR 20 billion.

At this stage, the Commission estimates that up to EUR 23.5 billion will be needed to cover the remaining payment claims before the closure and to phase out the backlog. In its Draft Budget 2016, the Commission will fine-tune the payment appropriations for heading 1b, in order to ensure that this is achieved together with a proper implementation of the 2014-2020 programmes.

Budget year 2015 for the Cohesion policy (EUR billion)

Payment appropriations available in Budget 2015

(1)

39.5

-  Of which end-2014 backlog

(2)

24.7

-  Of which forecasts 2015 capped at 95% threshold

(3)

~35

Expected backlog end-2015

(4)=(1)-(2)-(3)

~20

Budget year 2016 for the Cohesion policy (EUR billion)

Expected backlog end-2015

(1)

~20

Maximum remaining payment claims expected to be received in 2016 before closure

(2)

~3.5

Maximum payment claims to be covered in the 2016 budget

(3)=(1)+(2)

~23.5

Likewise, the level of payment appropriations to be proposed for the other policy areas in the 2016 budget should allow to meet obligations stemming from past commitments and minimise the risk of late interest payments, but also to ensure an adequate level of implementation and contracting for the 2014-2020 programmes.

The multi-annual character of a significant share of the EU budget explains the existence of a time gap between the moment when the commitment is recorded and the actual payment against this commitment. The build-up of a structural volume of outstanding commitments (known as "RAL", the French acronym of "reste à liquider") is therefore normal and expected. Given the legal deadline for the payment of claims by the Commission(10), the year-end concentration of claims linked to the requirement to avoid decommitment and possible interruptions, a certain amount of outstanding payment claims at year-end is considered as 'normal'. However, the growing size of the backlog over the last few years has reached 'abnormal' levels(11), which pre-empt a significant and growing share of the budget of the following year and are not sustainable in terms of sound financial management.

The Commission estimates that about half of the backlog of outstanding payment claims in Cohesion policy at the end of 2013 and 2014 was 'abnormal', this means linked to the shortage of payment appropriations authorised in the budget, creating a 'snowball effect'. With the closure stage approaching, lower payment levels will be needed in 2015 and 2016 and the backlog will automatically decrease. The level of interruptions and suspensions is also foreseen to decrease as the programmes are reaching the closure. With payment appropriations of some EUR 21.5 billion for the 2007-2013 programmes in 2016, the backlog is forecasted to be around EUR 2 billion at the end of 2016.

Cohesion policy programmes 2007-2013: evolution of the backlog of outstanding payment claims at year-end 2007-2016

 

The need for phasing out the 'abnormal' backlog which has built up has been acknowledged by the two arms of the budgetary authority, the Council and the European Parliament, which jointly agreed during the negotiations on the 2015 budget to "reduce the level of unpaid bills, with a particular focus on cohesion policy, at year-end down to its structural level in the course of the current MFF" and "engage to implement, as of 2015, a plan to reduce the level of unpaid bills corresponding to the implementation of the 2007-2013 programmes to the commonly agreed level by the mid-term review of the current multiannual financial framework" .

This document provides a solid basis for a common understanding by the two arms of the Budgetary Authority, which are expected to endeavour to take decisions that allow the phasing out of the 'abnormal' backlog of unpaid bills for 2007-2013 programmes by the end of 2016.

This payment plan also provides the opportunity to draw some lessons on the budget management for the future:

1.  The agreement on amending budget 2/2014(12) at the end of 2014 was very important to largely stabilise the backlog of outstanding payment claims at a level which can be phased out over two years. The institutions have taken their responsibility in the face of a very difficult fiscal situation in many Member States.

2.  Measures of active budget management taken by the Commission have proven indispensable to deal with a shortage of payment appropriations in many policy areas. These measures will need to be maintained as long as necessary in order to avoid disproportionate disruptions for beneficiaries and/or the payment of penalty interest.

3.  Although there is a recurrent cycle in the implementation of Cohesion policy programmes, the size of peaks and troughs can be smoothened by implementing programmes as quickly as possible at an early stage in the programming period. This is especially desirable in the current economic conditions when investment is badly needed to stimulate economic recovery and competitiveness.

4.  Regular submission of claims is needed. Member States should avoid unnecessary administrative delays in sending their payment claims throughout the year. Regular submission of claims improves budgetary management and helps minimising the backlog at year-end.

5.  On the other hand, sufficient budgeting of payment appropriations is a necessary condition to properly implement the budget and avoid the accumulation of an unsustainable level of outstanding payment claims at year-end. In addition to this, the "specific and maximum flexibility", mentioned in the European Council conclusions and the statement of President Barroso in February 2013, will need to be applied in order to comply with Union's legal obligations. Furthermore, decisions of the budgetary authority should, as much as possible, allow for a smooth payment profile over the duration of the MFF.

6.  Forecasting capacity has to be reinforced. In addition to the various analyses already provided(13), the Commission will further improve its medium and long-term forecasts in order to identify at an early stage, to the extent possible, likely problems. In particular it will inform the two arms of the budgetary authority as soon as it identifies any developments in the implementation of the 2014-2020 programmes which present a risk for a smooth payment profile.

1.  Background

Since 2011, the Commission has been confronted with a growing level of outstanding payment claims at the end of the year, despite the full use of the payment ceilings in 2013 and 2014 and the recourse to the contingency margin for payments in 2014. While virtually all the payment appropriations authorised in the annual budgets have been used up, the backlog of outstanding payment claims at the end of the year for the Cohesion policy (heading 1b) and specific programmes in other headings (such as heading 4 "global Europe") has increased steadily.

The Commission has followed up on the invitation from Parliament and Council to monitor the situation throughout the year and ad-hoc inter-institutional meetings have taken place over the last years to share the assessment on the state of play. Since 2011, the Commission had to present draft amending budgets (DAB) aimed at increasing significantly the level of payment appropriations to address payment shortages. Initial lower levels of authorised payment appropriations have led to recurrent DABs, which have made more complex the decision-making process on the draft budget, which should be the main subject for Conciliation. Amending budgets were voted late, increasing the difficulty to manage the payment process.

Against the backdrop of consistently higher levels of commitment appropriations, the graph below illustrates the increasingly tight annual payment budgets and ceilings and the progressive reduction of the gap between payment ceiling and the voted appropriations, culminating in the need to use the contingency margin in 2014.

 

In December 2014, in the framework of the agreement reached on the 2014 and 2015 budgets, the European Parliament and the Council agreed the following joint statement:

The institutions agree to the objective to reduce the level of unpaid bills, with a particular focus on cohesion policy, at year-end down to its structural level in the course of the current MFF.

In order to reach this objective:

•  the Commission agrees to present, along with the joint conclusions on Budget 2015, a most up to date forecast of the level of unpaid bills by end 2014; the Commission will update these figures and provide alternative scenarios in March 2015 when a global picture of the level of unpaid bills at the end of 2014, for the main policy areas, will be available;

•  on this basis, the three institutions will endeavour to agree on a maximum target level of unpaid bills at year-end which can be considered as sustainable;

•  on this basis and while respecting the MFF Regulation, the agreed financial envelopes of the programmes as well as any other binding agreement, the three institutions will engage to implement, as of 2015, a plan to reduce the level of unpaid bills corresponding to the implementation of the 2007-2013 programmes to the commonly agreed level by the mid-term review of the current multiannual financial framework. Such a plan will be agreed by the three institutions in due time before the presentation of the draft budget 2016. Given the exceptionally high level of unpaid bills, the three institutions agree to consider any possible means to reduce the level of those bills.

•  

Every year, the Commission agrees to accompany its draft budget by a document evaluating the level of unpaid bills and explaining how the draft budget will allow for the reduction of this level and by how much. This annual document will take stock of the progress made so far and propose adjustments to the plan in line with updated figures.

As an immediate follow-up to the joint statement, on 15 December 2014 the Commission presented an updated forecast of the level of outstanding payment claims by end 2014, which is set out in Annex 1.

The present document provides an overview of the state of implementation at the end of 2014, focussing on the backlog of the 2007-2013 programmes of the Cohesion policy, in view of reducing it to an agreed level by the mid-term review of the current multiannual financial framework in 2016. The document also addresses the evolution of the backlog of the other headings, although the problem of backlog is much less acute in terms of absolute size than in heading 1b: the backlog of outstanding payment claims in other headings at the end of 2014 stood at some EUR 1.8 billion.

2.  State of play at the end of 2014

2.1.  Implementation at the end of 2014

At the end of 2014, the implementation of payment appropriations (before carryovers) amounted to EUR 134.6 billion (99% of the final authorised appropriations in the 2014 budget). The under-implementation of payments (after carryovers) is the lowest ever recorded at amounted to EUR 32 million, as compared to EUR 107 million in 2013 and EUR 66 million in 2012. Such a high level of implementation, despite the late adoption of draft amending budget 3/2014, is a confirmation of the tight constraints imposed on payment appropriations, particularly for the completion of the 2007-2013 programmes. In many cases, the corresponding budget lines were also reinforced with appropriations initially foreseen for paying the pre-financing of newly adopted 2014-2020 programmes.

During 2014, the payment appropriations for the 2007-2013 Cohesion programmes were reinforced by EUR 4.6 billion, of which EUR 2.5 billion through draft amending budget 3/2014, EUR 0.6 billion through the end-of-year transfer(14) and EUR 1.5 billion through internal transfers from the 2014-2020 programmes. These reinforcements contributed to stabilising the backlog of the 2007-2013 Cohesion programmes at the end of 2014.

A large amount of unused commitment appropriations were carried over or reprogrammed to 2015, not only for the Cohesion policy but also for the programmes under rural development (heading 2) and the migration and security funds (heading 3). As a consequence, the amount of outstanding commitments (RAL) decreased to EUR 189 billion at the end of 2014, a reduction of EUR 32 billion in comparison with the RAL at the end of 2013. However, this decrease is somewhat artificial as it results mostly from the under-implementation of the commitment appropriations for 2014-2020 programmes carried over and reprogrammed to 2015 and later years, when it will "reappear". Had all appropriations for the new programmes been committed in 2014, the RAL would have remained much closer to the 2013 level (EUR 224 billion).

The graph below shows the evolution of the level of RAL over the period 2007-2014 and the projection for the level of RAL at the end of 2015, for the budget as a whole, as well as for programmes under shared management in headings 1b, 2 and 3 and the other programmes/headings. As shown in the graph, the overall level of RAL at the end of 2015 is expected to return to a level comparable to that at the end of 2013. However, the graph also shows the distinction between the programmes under shared management in headings 1b, 2 and 3, for which the RAL at the end of 2015 is expected to go down compared to 2013, and the other programmes/headings, for which the RAL at the end of 2015 is expected to go up.

 

2.2.  Mitigating measures taken in 2014

On 28 May 2014, the Commission presented its draft amending budget 3/2014, requesting additional payment appropriations for 2014. After a lengthy adoption process, DAB 3/2014 was finally approved on 17 December 2014. Awaiting the adoption of the amending budget, during the year 2014 the Commission has put in place a series of mitigating measures in order to honour legal obligations stemming from past commitments while launching the new generation of programmes, within an exceptionally tight budgetary framework.

So as to implement the agreed policies with the appropriations authorised in the budget, the Commission followed an approach of actively managing the budget, bearing in mind three main principles:

•  Minimise the financial impact for the EU budget of interests for late payments and potential liabilities;

•  Maximise the implementation of programmes;

•  Minimise the potentially negative impact of decisions on third parties and the economy as a whole.

Accordingly, the measures to ensure an active management of the scarce payment appropriations included the following: pro-actively recovering any undue amounts; limiting idle amounts on fiduciary accounts; reducing pre-financing percentages; making best use of maximum payment deadlines allowed; postponing calls for proposals/tenders and related contracting.

These mitigating measures helped the Commission to protect its status as a first-class investor and its reputation as a reliable and secure partner. The Commission managed to minimise, as far as possible, the negative effects of payment shortages, for instance in terms of limiting the amount of interests on late payments. Despite an almost fivefold increase compared to 2013, the amount of interests paid at the end of 2014 still remains limited (EUR 3 million). The relative sharper increase for heading 1a (Competitiveness for Growth and Jobs) and heading 4 (Global Europe), as shown in the table below, illustrates the pressure on payment appropriations.

Interests paid on late payments (in EUR)

 

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Heading 1a

294 855

157 950

173 748

329 615

137 906

243 748

1 047 488

Heading 1b

1 440

5 324

6 220

11 255

31 726

71 620

103 960

Heading 2

27 819

1 807

9 576

15 713

61 879

30 991

61 985

Heading 3

13 417

59 852

48 673

50 397

29 375

13 060

7 252

Heading 4

250 204

178 468

257 818

1 266 425

335 820

247 786

1 797 825

Heading 5

43 915

442 678

237 367

60 825

142 254

46 187

8 614

Total

631 651

846 079

733 403

1 734 230

738 960

653 392

3 027 124

Interest for late payments in Cohesion policy (heading 1B) is not significant as shared management represents the major part of this heading and shared management does not lead to late interest. However, in terms of credibility, the non-respect of the regulatory deadlines for shared management policies is highly prejudicial.

3.  Terminology

This section explains a number of definitions used in this document.

3.1.  Project cycle

Before approving an operational programme or a project, the Commission reserves the appropriations by creating a commitment on a budget line for a defined amount. This transaction consumes part of the authorised commitment appropriations.

Very often, the signature of the contract for the project or the approval of the operational programme leads to a certain level of pre-financing, which allows the beneficiary to start the project without borrowing. Reaching defined milestones allows the beneficiary to submit interim payment claims and to be reimbursed for expenditure incurred linked to the programme.

However, in the case of major programmes such as research (Horizon 2020), the structural funds, the European Fisheries Fund and rural development, once a certain stage of implementation is reached, interim payment claims no longer lead to payments as they are covered by the pre-financing. Furthermore, a percentage of the total funds committed for the project or the programme is only paid at the closure when the Commission has verified that all the work has been carried out in accordance with the initial agreement. If that is not the case, the funds are partly decommitted. In certain cases, the Commission may also issue recovery orders to recover payments which were not justified.

3.2.  Outstanding commitments (RAL)

Outstanding commitments are usually referred to as 'RAL' from the French acronym for "Reste à Liquider". It is the part of a commitment that has not been consumed by any payment at a given point in time. In multiannual projects, commitments are made at the start of the project with a limited pre-financing while interim payments are made at a later stage, when the project is being implemented and the final payment is made at closure.

A large part of the EU budget concerns investments, whose implementation is spread over a number of years. The difference between commitment and payment appropriations authorised in the annual budget determines the change in the overall level of RAL. In turn, the speed at which commitments grow and the pace of programme implementation determine the normal evolution of RAL. However, the RAL further increases when insufficient payment appropriations are budgeted, regardless of the pace of implementation. In this latter case, the effect is to increase the level of outstanding payment claims at the end of the year.

The ratio between RAL and the commitments of the year is a good indicator to compare the size of the RAL of specific programmes with their financial envelope. For example, programmes and actions with an annual character, such as Erasmus or Humanitarian Aid, have a RAL/commitments ratio below one, which indicates that most commitments are paid within a year. Cohesion programmes, on the other hand, typically have a RAL/commitments ratio between 2½ and 3, which reflects the impact of the automatic decommitment rules set out in the legislation (the so-called "N+2" / "N+3" rules, see section 4.1 below). Certain programmes under heading 4 have a higher ratio, due to the complex cycle of negotiations linked to implementation. In its payment requests, the Commission takes these indicators into account.

3.3.  Cash flow constraints vs. shortage of payment appropriations

The Commission cash-flow is mostly determined by the amounts called in from Member States on a monthly basis according to the own resources rules. The Commission is not allowed to borrow money to cover cash-flow shortages. Cash-flow constraints may lead to temporary delays in payments to beneficiaries of EU funds despite the fact that sufficient payment appropriations are authorised in the budget for the financial year. This may happen, usually in the first part of the year, because the sum of outstanding payment claims at the end of the previous year and those to be paid in the first months of the current year (for instance for the European Agricultural Guarantee Fund) are larger than the maximum monthly inflow of own resources made available to the Commission. As the backlog from the previous year is phased out and the monthly inflow of resources continues later in the year, the cash-flow constraint is no longer binding in the following months of the year.

Cash flow constraints at the beginning of the year are amplified by the shortage of payment appropriations, since the monthly call for funds is based on the revenue provided for in the authorised budget as it stands, before the adoption of amending budgets increasing the level of payments, which usually takes place towards the end of the year.

Depending on the precise date of adoption (i.e. before or after 16 November of the year in question), the corresponding additional call for own resources to cover the additional payment appropriations authorised in amending budgets adopted at the end of the year might lead to cash availability only in the beginning of the next financial year, leading to possible difficulties in implementing the amending budgets in the same year.

3.4.  Backlog of outstanding payment claims at year-end

At the end of every year, there is a backlog of outstanding payment claims, i.e. claims that have been sent by the beneficiaries of EU funds and need to be paid within a defined delay (in general in less than 2 months) but that have yet not been paid(15). That is because of one of the following three reasons:

a)  Ongoing interruptions/suspensions: Payments were interrupted/suspended for certain beneficiaries/programmes. Interruptions of payments are normally short term formal actions by which the Commission delays the payment waiting for missing information or checks of the management and control system.

b)   Timing: Payment claims not paid because they were transmitted in the very last days of the year, leaving insufficient time for processing before year-end.

c)   Lack of credits: Payment claims unpaid because authorised payment appropriations on the relevant budget line were exhausted.

Part of the backlog is considered “normal” (see points a and b). The growth of the "abnormal" backlog of outstanding payment claims, most of which is in Cohesion policy, is associated with the shortage of payment appropriations (point c), whereas the cash-flow constraints in the beginning of the year (see section 3.3 above) also have an impact. Section 4 further develops the case of the Cohesion policy.

4.  Heading 1b: evolution of backlog and outlook

This chapter looks at the specific case of the Cohesion policy (heading 1b). First, it sets out the main features of the structural funds and it explains how specific events in the past or in relation with the legislation created the present difficult situation. It then explores how a "normal" backlog could be defined and provides a detailed analysis of the situation at the end of 2014.

4.1.  Implementing the structural funds 2007-2013

Structural funds 2007-2013: main features

Projects financed out of heading 1b are organised in operational programmes. These operational programmes are proposed by Member States, and negotiated and adopted by the Commission at the beginning of the period for the whole duration of the period. Each operational programme is implemented in shared management through individual projects. This means that Member States implement the funds. The Commission participates in monitoring committees, where it has an advisory role in the project selection and monitors project implementation through annual implementation reports.

Programmes are co-financed by the EU budget; this means that the Commission does not pay the entire cost of the programme. Member States must find "match-funding" to finance part of the programmes.

Once a programme is adopted, the European Union has contracted a legal obligation for the whole period. The Commission committed automatically the appropriations on an annual basis before the end of April from 2007 to 2013, based on the financial plan of the programme and not on the actual implementation of the projects of the programme. While the EU payments can never exceed the EU budget commitments, expenditure is eligible from the beginning of the period (i.e. even before the adoption of the programme) until the end of the eligibility period.

After the approval of the programme, the Commission pays pre-financing. These payments are made automatically to the Member State and remain at its disposal until its clearing at the closure.

As the implementation of the various projects is ongoing, the Member States submit interim payments through their certifying authority. The interim payment claims are paid by the Commission based on the co-financing rate in force and provided that no interruption or suspension is decided.

This mechanism works as long as the total of pre-financing paid by the Commission and interim payment claims submitted by Member States for the programmes does not reach 95% of the share of the allocation of the programmes. Once this threshold is reached, the Member State may still send its payment claims but they are used to clear any outstanding prefinancing. The remainder will be settled at closure of the programme. Member States need to justify eligible expenditure to cover the amount of pre-financing received at the beginning of the period and the amount retained for closure (5% of the total allocation).

After the end of the eligibility period, a period of 15 months is then foreseen to prepare and submit the closure documents to the Commission and request the final payment to be settled. Before the final payment can be done, the Commission examines the closure package (i.e. closure declaration, Final Implementation Report and final claim). Given that these documents are expected by 31 March 2017, the decision on the closure (and the related final payments) will occur between 2017 and 2019.

Based on the outcome of this exercise, the 5% retained for the closure are used to pay the outstanding payment claims. Otherwise, the Commission does not pay the full amount at the closure. The amount that is not paid will be decommitted. If corrections are higher than 5%, the Commission will recover the amount unduly paid.

The N+2/N+3 rule

The N+2/N+3 rule was first established for the programming period 2000-2006. The rule foresees that a commitment made at year N has to be covered by the same amount of pre-financing and interim payment claims before 31 December N+2 (N+2 rule). For example, a commitment made in 2012 has to be fully covered by payment claims before 31 December 2014. The amount not covered is decommitted, which means that the Member State loses the funding. At present, however, there is no history of significant N+2/N+3 decommitments in the entire history of the structural funds.

The purpose of the rule is to ensure financial discipline in managing the EU funds. As commitments are made automatically once a programme has been approved, the rule obliges the Member States to implement the projects in a dynamic manner and to avoid problems at the very end of the cycle. Its existence also enables having a smoother profile of payments by obliging the Member States to submit payment claims at regular intervals. However, as explained in the next chapter, "softening" of the rule, especially in the wake of the financial crisis of 2008, reduced its regulatory effect.

This rule is at the source of the year-end concentration of payment claims: Member States have to send their payment claims before 31 December midnight, through a specific IT system. Although they are legally required to send their claims regularly throughout the year(16), experience form the past shows that many wait for the last weeks to send large amounts.

4.2.  Payment claims profile for the 2007-2013 programming period

Main drivers of the payment cycle

At the beginning of the period, significant amounts of pre-financing are paid, followed during some years by a relatively low level of interim payments as programmes set up their structures and start implementation of projects. As the N+2/N+3 rule only begins to produce its effects at the earliest at the end of the third year of the programming period, there is no pressure at the start of the framework to submit claims. Moreover, the pre-financing still covers a large part of the commitments made at the beginning of the programming period. About 2-3 years before the end of the programming period, the annual level of interim payments begins to increase as programmes reach maturity and payments claims are at cruising speed. A peak is observed at the end of the period/beginning of the following programming period, followed by a decrease to nearly zero in the following years when programmes reach the 95% threshold. As mentioned above, closure payments are made between one and three years after the end of the eligibility period.

Derogations

Three developments in the legislative framework applicable to the 2007-2013 programming period amplified the cyclical character level of interim payments:

1.  The switch from N+3 to N+2. As part of the global compromise establishing the 2007-2013 MFF, the new Member States as well as Greece and Portugal were submitted to a N+3 rule for the 2007-2010 commitment tranches and then to an N+2 rule until the end of the period. This means that by the end of 2013, these Member States had to cover two commitment tranches: the 2010 tranche and the one of 2011. Of course, Member States did not wait necessarily until the decommitment deadline to implement the programmes and to submit their payment claims, so there was not a doubling of payment claims in 2013. Nevertheless, this rule reinforced strongly the peak of 2013 with a spill-over effect on the following years through the accumulation of a growing backlog.

2.  The Member States were required to carry out a compliance check on their control systems for the funds. The results of the compliance check had to be approved by the Commission. Interim payment claims could be submitted, but only reimbursed by the Commission following approval of the compliance assessment. While most of the programmes were adopted in 2007, the submission of claims (or at least their reimbursements by the Commission) was delayed, with nearly no interim payment made in 2008.

3.  As a response to the financial crisis, there were strong calls from Member States to neutralise the 2007 commitment tranche for the N+2/N+3 rule. This was accepted by the Commission but instead of postponing the decommitment threshold of the 2007 tranche by one year, the N+2/N+3 rules were weakened further through an unanimous vote in Council to spread the obligation related to 2007 tranche in six sixths over the whole period. This so-called "Greek rule" made it possible to submit fewer payment claims in the beginning of the period, balanced by more payment claims at the end of the period.

In addition, also in response to the crisis, the eligibility period of expenditure for the 2000-2006 programmes was extended from late 2008 to 2009 (by modifying the Commission decision approving the programme) and therefore Member States continued to focus on the implementation of the 2000-2006 programmes. As a result, implementation of 2007-2013 programmes and the related submissions of 2007-2013 interim payment claims were delayed.

Comparing the 2000-2006 programmes with the 2007-2013 programmes

Whereas the 2007-2013 programming period switched from N+3 to N+2 at the end of the fourth year, the 2000-2006 programming period only had an N+2 rule, albeit with some adjustments in 2004 because of the accession of 10 Member States.

The chart below compares the cumulated interim payments for the 2000-2006 period which were made over the years 2001-2007 as a percentage of the total envelope, with the cumulated interim payments for the 2007-2013 programmes which were made from 2008 to 2014, again as a percentage of the total envelope.

Chart 1: Annual pattern of cumulative interim payments (with 1-year time-lag): 2000-2006 (EU-15) vs. 2007-2013 period (% of total envelope excluding pre-financing)

 

As shown in the chart, the cumulative payments for the 2007-2013 programmes consistently remained below the level experienced in the 2000-2006 period, albeit with a catching up towards the end of the period. This delayed profile for the 2007-2013 programmes resulted from the combination of factors set out above. It explains the under-execution of payment appropriations and the payment ceiling at the beginning of the period, as the payment profile for the 2000-2006 programmes had been used as reference for establishing the ceilings.

However, when the payment claims started catching up at a later stage, the payments were strongly constrained by the level of authorised payment appropriations and/or by the payment ceiling which led to building up of the backlog.

Evolution of backlog 2007-2014

The following chart(17) shows the evolution of the backlog for the 2007-2013 programmes over the period 2007-2016.

Chart 2: Cohesion policy programmes 2007-2013: evolution of the outstanding payment claims at year-end (in EUR billion)

 

As shown in the chart, the backlog for the 2007-2013 programmes started to increase in 2011, when it reached a level of EUR 11 billion, and arriving at a peak of EUR 24.7 billion in 2014. As explained below, the projections show a still high level of the backlog at the end of 2015, before returning to a "normal" and sustainable backlog at the end of 2016.

4.3.  Components and types of backlog

Over the year, the Commission receives the following payment claims for the structural funds:

a)  Eligible payment claims that are covered by payments in the course of the year.

b)  Payment claims that have already been covered by the pre-financing at the beginning of the programming period and that are consequently not followed by additional payments.

c)  Payment claims which can only be paid after the closure will have to wait until the Commission and the beneficiary reach an agreement on the closure.

d)  Payment claims not paid because they were transmitted in the very last days of the year, too late to be processed before year-end.

e)  Payment claims which are interrupted/suspended for certain beneficiaries. Suspensions or interruptions of payments are normally short term formal actions by which the Commission delays the payment waiting for missing information or checks of the management and control system.

f)  Payment claims unpaid at year-end because authorised payment appropriations on the relevant budget line were exhausted.

g)  

The last four categories (from c to f) remain outstanding claims at year-end, but the backlog includes outstanding payment claims according to reasons d, e and f. A certain level of outstanding payment claims at the end of the year is considered 'normal' when they correspond to reason d and e. The "abnormal" backlog only includes outstanding payment claims according to reason f.

The following chart illustrates the flow of payment claims for heading 1b, from the submission by the Member States via the identification of "payable claims" to the "normal" and "abnormal" backlog.

 

Year-end concentration of claims and time to pay

There is a very high concentration of payment claims sent by Member States in the month of December, ranging from 27% to 35% of the annual total over the period 2011-2014. For each payment claim received, the Commission needs to carry out controls before proceeding with the disbursement. The larger the number of claims received in the last weeks of the year, the higher the risk of claims not being reimbursed before the end of the year.

For this reason, the Commission regularly encourages Member States to send their claims more regularly throughout the year.

The following chart shows the monthly evolution of the submission of payment claims for the 2007-2013 programmes between 2011 and 2014.

Chart 3a: Monthly pattern of cumulative interim payment claim submission for 2007-2013 period (in % of total)

 

This chart above shows clearly a recurrent very steep increase of the request of payment claims at the end of the year.

Chart 3b: Concentration of payment claims submission during the last two months of the year (percentage received in November and December) between 2011 and 2014

 

The charts illustrate that more and more claims have arrived late in the year, due to the growing pressure of the N+2 rule. The removal of the N+3 rule in 2013 meant that all Member States had an N+2 rule except Romania, Slovakia and Croatia. It had a major impact on the volume of claims received in that year. The amount of claims arriving too late to be paid in the year depends on the total amount of claims received in the year and on its profile within the year.

Impact of interruptions and suspensions

The Commission uses a number of preventive mechanisms to protect the EU budget before it makes payments to Member States when it is aware of potential deficiencies. These are especially valuable for improving control systems in the Member States and thus reducing the need for future financial corrections by the Commission.

As a consequence, some payment claims are not immediately payable as they have been interrupted or suspended by the Commission pending improvements in the control systems to be made. While most of these claims will ultimately not be rejected, they cannot be paid immediately.

In accordance with the regulation(18), the Commission may:

•  interrupt the payment deadline for a maximum period of 6 months for 2007-13 programmes if there is evidence to suggest a significant deficiency in the functioning of the management and control systems of the Member State concerned; or if the Commission services have to carry out additional verifications following information that expenditure in a certified statement of expenditure is linked to a serious irregularity which has not been corrected.

•  suspend all or part of an interim payment to a Member State for 2007-13 programmes if there is evidence of serious deficiency in the management and control system of the programme and the Member State has not taken the necessary corrective measures; or if expenditure in a certified statement of expenditure is linked to a serious irregularity which has not been corrected; or in case of serious breach by a Member State of its management and control obligations. Where the required measures are not taken by the Member State, the Commission may impose a financial correction.

Estimating the "normal" backlog

As explained before, the "normal" backlog is the total of the claims that are interrupted or suspended and the claims that arrive too late to be paid in the year. Claims arriving during the last ten calendar days of the year can be considered as claims arriving too late to be paid as the Commission must have sufficient insurance that it will be able to fully execute the appropriations available in the budget. However, some of the claims interrupted or suspended are also part of the claims arriving too late to be paid and should not be counted twice.

Accordingly, the "normal" backlog will grow with the total number of claims received over the year and its relative concentration over the last days of the year.

For the 2010-2014 period, the chart below gives an overview of the payment claims received, the backlog at year-end and the claims arriving too late to be paid or suspended.

Chart 4 Heading 1b: Claims, backlog, suspensions 2010-2014

 

Over the last three years (2012-2014), the "normal" backlog (i.e. payment claims received in the last ten days of the year or interrupted or suspended claims even if they have been received before the last ten days) can be estimated at about half the value of the total backlog reached at the end of each year. The other half was linked to the shortage of payment appropriations authorised in the budget, which has created a "snowball effect"(19).

With the declining level of claims expected in 2015 and 2016, the expected reduction of cases interrupted/suspended and the absence of pressure from the N+2 rule at end 2015(20), the "normal" backlog is also expected to decline sharply.

4.4.  Outlook for 2007-2013 payments (claims) in 2015 and 2016

2015 and 2016 estimate based on Member States' forecasts

The Regulation governing the 2007-2013 Funds(21) requires Member States to send the Commission a forecast of their likely interim payment claims for the year N and the year N+1 at the latest by 30 April of year N. During the last years, Member States have agreed to update of this information in September of year N, in order to assess more accurately the growing level of outstanding payment claims (backlog) and the significant concentration of payment claims submitted in the last months of the year.

However, the new Regulation governing the 2014-2020 Funds(22) requires the Member States to send their forecast of interim payment applications for the year N and N+1 by 31 January of year N (with an update by 31 July). This new deadline has been applied on voluntary basis by Member States in 2015 for their 2007-13 programmes on the basis of a request of the Commission, confirmed in December 2014. According to the data received by the Commission as at 3 March 2015, Member States currently estimate to submit around EUR 48 billion of payment claims (both payable and non-payable) in 2015 and around EUR 18 billion in 2016(23).

As previously explained, not all payment claims will directly result in payments because of the need to take into account the "95% ceiling" in payments set by Article 79 of Regulation 1083/2006(24). As more and more programmes reach the "95% ceiling", this correction will become far more significant in 2015 and later years. Consequently, the actual figures of the expected payable claims are lower than those forecasted by Member States, because the claims above the 95% ceiling are considered at closure only. Based on these capped forecasts, the Commission expects to receive a total amount of payable payment claims of around EUR 35 billion in 2015. The corresponding figure for 2016 is currently around EUR 3 billion. This amount for 2016 will become more precise (and could be slightly higher) once Member States submit missing data or revise transmitted data for some operational programmes.

Annex 2 provides more details regarding the Member States' forecasts of payment claims to be submitted in 2015 and 2016 for the 2007-2013 Cohesion programmes.

Commission estimate based on execution

At the end of 2014, the total amount of pre-financing and interim payments made was EUR 266.1 billion. The total envelope for the programmes of the Cohesion policy 2007-2013 is EUR 347.3 billion. Taking into account the decommitments already made so far and the decommitment risk due to the implementation of the N+2/N+3 rule at the end of 2014 but still pending confirmation (a total maximum amount of some EUR 0.9 billion since the beginning of the period), the maximum amount still to be paid is around EUR 80.3 billion. However, 5% of the amounts of each programme have to be paid only at the closure (EUR 17.3 billion).

Consequently, the expected level of interim payment claims still to be paid in 2015 or the following years is around EUR 63 billion or 18% of the total envelope, which includes the backlog at the end of 2014 (EUR 24.7 billion). The maximum level of payable new payment claims to be received in 2015 or in the following years, before the closure, is EUR 38.3 billion. If an amount up to EUR 35 billion of payment claims are to be received in 2015, the remaining amount of up to EUR 3.5 billion would be received in 2016.

Estimated backlog at the end of 2015 based on corrected Member States' forecasts

The level of payment appropriations authorised in the 2015 budget is EUR 39.5 billion. This amount will cover both the pre-2015 backlog (EUR 24.7 billion) and the new claims (estimated at EUR 35 billion). Consequently, the expected backlog at the end of 2015 would amount to EUR 20 billion, of which at least about half of it or about EUR 10 billion would remain as abnormal backlog.

In EUR billion 

Backlog end 2014(adjusted)

 

Member States' forecasts of 2015 claims corrected by 95% threshold

Payment appropriations authorised in the 2015 budget

Forecasted backlog end 2015

24.7

~35

39.5

~20

4.5.  Payment claims expected for 2016

As set out above, the backlog at the end of 2015 is expected to be around EUR 20 billion, provided Member States' forecasts prove accurate. Furthermore, up to EUR 3.5 billion of payable claims are still expected before the closure of the programmes. Given this relatively limited amount of payment claims and since there will be no N+2 pressure anymore, there is no reason to assume that a large amount of these payment claims will arrive too late to be paid in 2016.

The Commission will fine-tune its request in the 2016 Draft Budget, taking into account the "normal" backlog at the end of 2016. This "normal" backlog – covering the very late submission of claims and the remaining interruptions/suspensions – would however be very low compared to previous years, since the level of new claims to be received in 2016 is also very low and the Commission expects Member States to correct deficiencies and submit "clean" claims. It could be in the order of magnitude of EUR 2 billion. This "normal" backlog at year-end 2016 will therefore have to be covered in the 2017 budget. The amount to be included in the 2016 budget would therefore be around EUR 21.5 billion.

4.6.  Summary of information used to calculate the payment claims and the backlogs

The following table summarizes the information on the envelope of the programme, the expected use of the budget appropriations available in the budget 2015 and the maximum payment claims expected in 2016.

Outstanding interim payments 2015-2017 (EUR billion)

Envelope of the programme

(1)

347.3

-  Of which pre-financing and interim payments made until end-2014

(2)

266.1

-  Of which reserved for closure (5%) and decommitments made

(3)

18.2

Maximum amount of payable interim payments (2015-2017)

(4)=(1)-(2)-(3)

~63.0

-  Of which backlog end-2014 (outstanding payment claims)

(5)

24.7

-  Of which maximum amount of payable interim payments in 2015-2017

(6)=(4)-(5)

38.3

Budget year 2015, EUR billion

Appropriations available Budget 2015

(1)

39.5

-  Of which end-2014 backlog

(2)

24.7

-  Of which forecasts 2015 corrected by 95% threshold

(3)

~35

Expected backlog end-2015

(4)=(1)-(2)-(3)

~20

Budget year 2016, EUR billion

Expected backlog end-2015

(1)

~20

Maximum remaining payment claims expected to be received in 2016 before closure

(2)

~3.5

Maximum payment claims to be covered in the 2016 budget

(3)=(1)+(2)

~23.5

4.7.  Payment at closure

The closure of structural funds has its own payment dynamics. Each Member State sends its closure documents by programme at the latest by 31 March 2017. The Commission informs the Member State of its opinion on the content of the closure declaration within five months of the date of its receipt, provided that all information has been submitted in the initial closure document(25). As a rule, payments for the closure will occur only after 2016. The total amount reserved for the closure (5% of the overall allocation) is EUR 17.3 billion, but the level of payments will be influenced by the quality of implementation of the programme during the whole period. Possible closure decommitments in the Cohesion policy may reduce the needs for payments.

As an indicative estimate, for the period 2000-2006, the percentage of de-commitment at closure was 2.6% of the total envelope for the European Social Fund (ESF) and 0.9% for the European Regional Development Fund (ERDF). However, for ESF there are still some EUR 0.5 billion of RAL that is related to problematic cases with irregularities, and consequently the Commission estimates that the final percentage of decommitments at the closure will be around 3% for that Fund. The Commission does not exclude that decommitments at closure could be higher than in the past period so the above mentioned estimate should be considered as a prudent indication.

Closure requests are not taken into account in the analysis of the reduction of the normal part of the backlog, as most of them are paid in 2017-2019 or subsequent years and will in any event not all lead to payments, since unduly paid amounts will first be cleared before the final payment will be made.

5.  Other headings: outlook for the 2007-2013 programmes

5.1.  Overview

Following the detailed analysis of the specific case of the Cohesion policy (heading 1b) as set out in section 4 above, this section looks at the situation in the other headings, which can be summarised as follows:

-  Appropriations for the European Agricultural Guarantee Fund (heading 2) are non-differentiated whereby payments and commitments are budgeted at the same level. Consequently, there is no backlog at year-end;

-  The management of Rural Development, the European Fisheries Fund (heading 2) and the Asylum, Migration, Borders and Security funds (heading 3) is shared with Member States, in a manner similar to Cohesion policy. Whereas Rural Development so far had no backlog, this is not the case for the other funds;

-  Most of the other programmes (headings 1a and 4) are managed by the Commission. In view of payment shortages, many of these programmes have been subject to the mitigating measures which the Commission has put in place during 2014 (and in some case already in 2013), ranging from reduction of pre-financing (with due consideration of the type and financial soundness of implementing partners, recipients and beneficiaries), to postponement of final payments or budget support payments, abstaining from launching new commitments, and delaying contracting. Most of these mitigating measures, however, only postpone the time of disbursement, while commitments still have to be honoured.

The table below provides an overview of the evolution of the backlog for headings 1a and 4. Whereas there is a clear upward trend for the backlog for heading 4, which in 2014 reached its highest level in recent years, the evolution of heading 1a is less clear.

Backlog at year-end (in EUR million)

 

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Heading 1a

1 679

507

291

628

604

567

551

541

Heading 4

172

178

284

226

387

367

389

630

5.2.  Shared management programmes in heading 2 and 3

5.2.1.  Heading 2

European Agricultural Guarantee Fund (EAGF)

There is no backlog for the European Agricultural Guarantee Fund (EAGF) as the fund is based on non-differentiated appropriations.

European Agricultural Fund for Rural development (EAFRD)

So far there has been no backlog for Rural Development: the Commission has always been able to pay all payment claims in time. Taking into account the size of the Rural Development programme and the 95% rule which also applies, the maximum level of interim payments which might still be paid before the closure is around EUR 8.7 billion for the 2007-2013 period. The payment appropriations authorised in the 2015 budget for the 2007-2013 programmes amount to EUR 5.9 billion. The remaining amount of EUR 2.8 billion is due to be paid in 2016, following the submission by the Member States of the final quarterly declaration, due in January 2016.

The total amount reserved for the closure is around EUR 4.8 billion. The actual amount to be paid will depend on the decommitments. As an illustration, by applying the 1.5% rate of decommitments experienced during of the previous 2000-2006 closure period, some EUR 1.5 billion would be decommitted. Closure payments are expected to take place between 2016 and 2019.

European Fisheries Fund (EFF)

The EFF management mode is similar to the Cohesion policy (heading 1b). However, since it has no N+3 rule, the EFF did not encounter the specific problem of the transformation of the N+3 rule to the N+2 rule between the commitment tranche 2010 and the commitment tranche 2011. Moreover, it did not have the "Greek rule" either, although the start of the programmes was also slightly delayed by the obligations related to the management and control systems. Nevertheless, in recent years, the EFF backlog has been very important. At the beginning of 2014, the level of the backlog was at the level of the voted payment appropriations for the programmes 2007-2013.

As to the timing of payment claims during the year, throughout 2010-2014 two-thirds of the annual payment claims were received in the months November and December. The following chart shows the level of the backlog from 2011 to 2014 for the programmes 2007-2013 of the EFF together with the initial payment appropriations of the following year.

 

The main reason behind the reduction of the EFF backlog at the end of 2014 has been the redeployment of all available payment appropriations within the budget chapter (including all payment appropriations for the EMFF shared management – due to the delay in the adoption of the new legal basis) and the reinforcements received in the draft amending budget 3/2014 (adopted as amending budget 2/2014) and in the end-of-year transfer.

The higher level of payments authorised in the 2015 budget should allow reducing the backlog to its normal level of around EUR 0.1 billion.

5.2.2.  Heading 3

Asylum, Migration, Borders and Security policies

The common asylum and immigration policies in the 2007-2013 period were mainly implemented through the General Programme “Solidarity and Management of Migration Flows” (SOLID). This General Programme consisted of four instruments: External Borders Fund (EBF), European Return Fund (RF), European Refugee Fund (ERF) and European Fund for the Integration of third-country nationals (EIF).

The following graph shows the growing level of outstanding payment claims at year-end for the programmes in the field of asylum, migration, borders and security.

 

The RAL has increased from EUR 150 million at the beginning of 2007 to EUR 2.6 billion in 2014, despite EUR 300 million decommitted during the period 2007-2014. Some EUR 1.9 billion remains to be paid on the programmes 2007-2013. The payment appropriations authorised for the programmes in the 2015 budget are slightly above EUR 600 million, including the appropriations for the initial and annual pre-financing payments of the new programmes 2014-2020.

Taking into account the amount which will be paid at the closure (estimated at some EUR 1 billion) and the fact that second pre-financings could not be paid in 2013 and 2014 due to lack of payment appropriations, the payment needs to reduce the backlog for the programmes 2007-2013 to a normal level at the end of 2016 are estimated at around EUR 235 million.

5.3.  Direct management programmes in heading 1a and 4

5.3.1.  Heading 1a

This section gives an overview of the payments situation of the programmes under heading 1a at the end of 2014.

Outstanding payment claims at year-end

The chart below shows the evolution of the outstanding payment claims at year-end for the main programmes under heading 1a.

 

The high level of outstanding payment claims at the end of 2007 mainly results from the project cycle of the 6th Framework Programme for Research (FP-6), and the particularly high number of open commitments at that time. In addition, the research contracts stipulated that audit certificates were required before cost claims could finally be paid.

The mitigating measures taken by the Commission in 2014 (see section 2.2 above) to address the shortage of payment appropriations prevented the increase of outstanding payment claims at the end of 2014. Measures included the reduction the level of pre-financing and delaying the signature of new contracts/grant agreements, thus shifting part of the payments to the following year. While containing the level of outstanding payment claims, a resulting side-effect of those measures has been the slowing down of the implementation of the 2014-2020 programmes. In some cases, more drastic measures had to be taken as to give priority to payments addressed to the more vulnerable beneficiaries.

Evolution of outstanding commitments (RAL)

The broadly stable level of outstanding payment claims at year-end for programmes under heading 1a is in sharp contrast with the clear upward trend in the level of outstanding commitments (RAL), as shown in the chart below:

 

To a large extent, the increasing RAL in heading 1a results from the widening gap between the commitment and payment appropriations for research, the largest spending programme in this heading. This is illustrated in the chart below, which shows the declining pattern of the ratio between payments and commitments.

 

As an example of how projects in heading 1a are being implemented, the project cycle for the Research programmes is described below.

Project cycle Research

Research programmes are implemented through multiannual work programmes which include calls for proposals, public procurements, studies, experts groups, participation in international organisations, seminars and workshops, evaluation and monitoring. Around 90% of the research programmes are related with calls for proposals, the remaining 10% with other activities.

The annual work programme for year N is adopted by the Commission in the middle of year N-1. From the second half of year N-1 the calls for proposals are launched. In most cases the submission of proposals usually takes place within three months after the publication of the call for proposals. Global commitments are made after the adoption of the work programme in year N and at the latest before the contract negotiations (usually at the time of the call deadline). The evaluation of proposals (three months) and selection (one-two months) are followed by the contract negotiation (from one to six months) and signature (up to a few months). The Commission / executive agency has eight months between the call deadline and the grant signature (the so-called "time to grant"), of which five months to inform the applicants about the outcome of scientific evaluation and three months for preparation of the grant agreement. Once the individual commitment is made and contract is signed, the pre-financing should be paid within 30 days from the signature of the agreement or from 10 days before the starting date of the action whichever is the latest. Following the structural measures taken by Research DGs in 2014, in many cases, the pre-financing of the year N commitment is now paid in year N+1 instead of year N. Interim payments are based on financial statements and linked to periodic reports, usually every 18 months. The final payment of 10% is paid on acceptance of the final report.

For all other actions foreseen in the work programme, the provisional commitments are made in year N and the advance payments are paid the same year. The rest is paid in year N+1.

Payment shortages Research: practical consequences

In order to manage the shortage of payment appropriations within the Research programmes, in 2014 a total amount of EUR 236.5 million was transferred from "Horizon 2020" 2014-2020 lines to reinforce 2007-2013 completion budget lines for the same programmes, delaying the pre-financing of the Horizon 2020 calls launched in 2014 to 2015. This was not the case in previous years, and results in a delay in the implementation of new programmes.

Research takes time and withholding signature of contracts and funding is not consistent with the objective of enhanced research efforts to support economic growth. The increase in the level of payment appropriations authorised for Horizon 2020 in the 2015 budget is expected to allow a partial catching up of this key programme.

Erasmus+

Erasmus+ provides a good example of an annual programme for which the level of payments closely follows the level of commitments, since the lifecycle of most actions is linked to the academic calendar.

Because of the payments shortage, however, the increase in payment appropriations in 2014 did not match the increase of commitment appropriations which is set to continue over the 2014-2020 period. This shortfall in payments in 2014 can also be seen in the ratio between payments and commitments in the chart below.

 

As a result, in 2014 it was not possible to pay part of the second pre-financing to National Agencies, which are meant to finance mobility actions. While the situation should improve slightly, Erasmus+ is expected to still be confronted with similar constraints in 2015.

Transport and Energy

The chart below shows the growing divergence between the level of commitments and payments for the Transport and Energy policy areas.

 

The payment appropriations authorised in the 2015 budget will suffice to cover the first pre-financing of the 2014-2020 projects and to partially tackle the 2007-2013 RAL, which is estimated at more than EUR 2 billion.

European Economic Recovery Plan (EERP)

Compared to the high level of commitments in 2009 and 2010, the implementation of payments for this programme started slowly since EERP projects mostly consist of large-scale infrastructure projects.

 

In particular in 2014, payment appropriations were not sufficient to cover all the payment claims received during the year, even after the late adoption of draft amending budget 3/2014 which provided additional payment appropriations. At the end of 2014, the RAL still stood at EUR 2 billion, half of the amount initially committed for the EERP. The level of payment appropriations authorised in 2015 amounts to EUR 407 million, which is expected to cover estimated needs for the year.

5.3.2.  Heading 4

The chart below shows the level of outstanding commitments (RAL) for programmes under heading 4 since 2007.

 

Heading 4 comprises short-term crisis-response instruments, longer-term instruments which use multiannual programming, and ad-hoc instruments such as Macro-Financial loan and grant assistance. Three large instruments (the Instrument for Pre-accession Assistance II (IPA), the European Neighbourhood Instrument (ENI) and the Development Cooperation Instrument (DCI)), using multiannual programming, account for 73% of expenditure under this heading. The support to third countries which is funded under these programmes typically has a life-cycle of around 6-8 years. The crisis-response instruments (Humanitarian Aid, Instrument contributing to Stability and Peace, Common Foreign and Security Policy) and the Macro-Financial Assistance, on the other hand, have much shorter payment cycles of 12-18 months.

Since 2013, most instruments in heading 4 experienced serious shortages in payment appropriations, affecting first the humanitarian and crisis-related instruments with fast-disbursing implementation cycles, and thereafter instruments such as the Development Cooperation Instrument and the European Neighbourhood Instrument where the payments are mostly related to existing contracts and commitments. The situation worsened in 2014, due to the overall reduction in the available payments compared to 2013. For some of the programmes, the reinforcement through draft amending budget 3/2014 (and other actions such as transfers)(26) came very late and was insufficient to cover the outstanding backlog.

Measures put in place (see section 2.2 above) could only partly mitigate the effects of the payment shortage by postponing the time of disbursement, while past commitments still have to be honoured.

Outstanding payment claims at year-end

Overall, the outstanding payment claims at year-end 2014 for heading 4 increased considerably. This is mostly due to a sharp increase of claims and the lack of related payment appropriations as in the case of the European Neighbourhood Instrument and the Development Cooperation Instrument, as shown in the chart below.

 

On the other hand, the reinforcements in payment appropriations authorised in the 2013 and 2014 budgets allowed redressing the level of outstanding payment claims for Humanitarian Aid(27):

 

As set out above, the RAL of heading 4 and of the three large long-term instruments in particular, has been steadily rising over the past five years, in line with the commitment levels of the previous MFF. Programmes initially committed in 2010, for example, will have been formalised with the beneficiary third country during 2011, and contracts concluded up to 2014. It follows that many of these larger programmes, committed at a time when commitments were rising steeply, now need to be paid for. The level of payment appropriations authorised in the 2015 budget is expected to reduce the gap, which should help to stabilise the situation but the situation will continue to be tense and both the gap and RAL is still expected to increase for many instruments such as the Development Cooperation Instrument.

6.  outlook for 2014-2020 programmes

The 2016 budget will have to include sufficient payment appropriations not only to phase out the abnormal level of outstanding payment claims stemming from commitments related to 2007-2013 programmes, but also for the 2014-2020 programmes in heading 1a and 4, whose implementation has been hampered by the payment shortages. The 2016 budget must also include the necessary payment appropriations for other funds, such as rural development (heading 2) to avoid the creation of a new backlog which did not exist in the past.

The Commission will assess the 2016 payment needs for the 2014-2020 programmes in the 2016 Draft Budget.

7.  Conclusions

In recent years, and particularly in 2014, the level of payment appropriations was insufficient to cover incoming payment claims. In turn, this led to a growing backlog of outstanding payment claims at year-end, in particular for the 2007-2013 programmes of the Cohesion policy. The Commission took a number of mitigating measures to minimise the negative effects of payment shortages, by meeting, as far as possible, obligations stemming from past commitments. However, as a side-effect, implementation of the 2014-2020 programmes was hampered.

Payment appropriations in the 2015 budget are expected to lead to a reduction in the backlog of outstanding payment claims for the 2007-2013 programmes. The Commission has identified the payment level necessary to phase out the abnormal level of outstanding payment claims for the 2007-2013 programmes by the end of 2016. In its draft budget 2016, the Commission will propose payment appropriations, accordingly.

The Commission considers that, on this basis, the three institutions can engage to implement a plan to reduce the level of unpaid bills corresponding to the implementation of the 2007-2013 programmes to a sustainable level by the end of 2016.

Annex 1: information sent by the Commission on 15 December 2014

On 15 December 2014, the Commission presented the expected backlog for 2007-2013 Cohesion programmes at the end of 2014 and 2015, as follows:

 

2010

2011

2012

2013

2014 (*)

2015 (*)

Backlog of unpaid bills at year-end (EUR billion)

 

6.1

10.8

16.2

23.4

Up to

25 (1)

19 (2)

(*) Commission estimates based on adjusted Member States’ forecasts

(1) Taking account of additional payment appropriations in Draft Amending Budget 3/2014 as finally approved.(2) Taking account of additional payment appropriations in Draft Amending Budget 3/2014 as finally approved and payment appropriations authorised in the budget 2015.

The Commission also gave a breakdown of the expected backlog for 2007-2013 Cohesion programmes at end-2014. As set out in the table below, the total level of payment claims actually received by year-end 2014 was some EUR 1.5 billion below the forecasts prepared by the Member States, and some EUR 2.5 billion above the upper range forecasted by the Commission.

EXPECTED BACKLOG AT THE END OF 2014

EUR billion

(1)

Payment claims received by end of 2013 and not paid by end-2013 (backlog)

23.4

(2)

Payment claims received by end November 2014

31.4

(3) = (1) + (2)

Payment claims requested by end-November to be paid in 2014

54.8

(4)

Authorised level of payment appropriations (with Amending Budget 3/2014)

49.4

(5) = (3) – (4)

Backlog by end of November 2014, requested to be paid by end-2014

5.4

 

 

Forecast

Actual realisation

 

Member States' forecasts of payment claims to be submitted in December 2014

23

21.5

 

Commission forecasts of payment claims to be submitted in December 2014

18 - 19

21.5

Forecast for backlog of unpaid bills at the end of 2014: up to EUR 25 billion.

Finally, the Commission presented by country the Member States' estimates of payment claims to be submitted for the Cohesion policy in 2014 (EUR 54,33 billion), the payment claims sent up to 31 October 2014 (EUR 31,36 billion) and as a consequence, the payment claims to be submitted in November and December (EUR 22,97 billion).

The Commission added that "Taking into account the average error rates observed in the 'gross' forecasts of Member States over recent years and the 95% ceiling in payments before closure required by Art. 79 of Reg. 1083/2006, the Commission estimates at EUR 18-19 billion the claims to be received in December". This is consistent with the tables set out above.

Annex 2: Heading 1b: latest forecasts from Member States

This annex sets out the latest forecasts from the Member States as regards the submission of payment claims for the 2007-2013 Cohesion programmes in 2015 and 2016, making a distinction between gross forecasts (listed by Member States) and capped forecasts (see explanation in section 4.4).

Member States' forecasts (in EUR billion)

Period 2007-2013

 

2015*

Gross forecasts

2016

Gross forecast

AT

Austria

0,09

0,00

BE

Belgium

0,24

0,06

BG

Bulgaria

1,35

0,00

CY

Cyprus

0,06

0,00

CZ

Czech Republic

4,01

3,75

DE

Germany

2,43

0,95

DK

Denmark

0,04

0,03

EE

Estonia

0,09

0,00

ES

Spain

4,65

1,74

FI

Finland

0,21

0,02

FR

France

1,92

0,34

GR

Greece

0,75

0,00

HR

Croatia

0,22

0,31

HU

Hungary

3,86

1,24

IE

Ireland

0,03

0,01

IT

Italy

5,07

1,44

LT

Lithuania

0,09

0,00

LU

Luxemburg

0,01

0,00

LV

Latvia

0,54

0,09

MT

Malta

0,14

0,04

NL

Netherlands

0,21

0,10

PL

Poland

8,92

3,99

PT

Portugal

0,52

0,06

RO

Romania

6,64

2,81

SE

Sweden

0,11

0,00

SI

Slovenia

0,38

0,18

SK

Slovakia

2,68

0,64

UK

United Kingdom

1,52

0,25

CB

Territorial Cooperation

1,16

0,25

TOTAL

 

47,93

18,32

TOTAL CAPPED FORECASTS***

34,74

2,95**

*  The figures of 2015 forecasts are calculated using - for the Operational Programmes for which Member States have not sent any forecast in January 2015 - the related forecasts sent in September 2014.

**  The maximum payable amount in 2016 is EUR 3,5 billion of which EUR 3 billion is already confirmed by Member States at this stage.

*** Capping is the application of the 95% rule which foresees that interim payments may only be paid before the closure as long as the sum of payments is lower than 95% of the allocation of the programmes.

8.6.2015

ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking

aan de Begrotingscommissie

inzake het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2016

(2015/2074(BUD))

Rapporteur voor advies: Arne Lietz

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  vestigt de aandacht op het feit dat de VN binnenkort een mondiaal ontwikkelingskader voor de periode tot 2030 zal goedkeuren, waarbij de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) centraal staan, alsmede een kader voor mondiale klimaatmaatregelen voor dezelfde periode; wijst erop dat 2015 hierdoor een jaar van cruciaal belang wordt voor de toekomst van de mensheid en de Aarde; benadrukt dat de EU er mede voor moet helpen zorgen dat de conferentie over ontwikkelingsfinanciering van Addis Ababa van 13 tot 16 juli 2015 tot een goed resultaat leidt en dat de SDG's succesvol worden goedgekeurd en doorgevoerd, onder meer door het nemen van begrotingsbesluiten waarmee ten volle gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden die er zijn om middelen vrij te maken voor ontwikkelingshulp; herinnert aan de verplichting om het beginsel van samenhang in het ontwikkelingsbeleid na te leven;

2.  herinnert aan de collectieve en individuele toezeggingen van de lidstaten van de EU om hun officiële ontwikkelingshulp (ODA) te verhogen tot 0,7% van hun bruto nationaal inkomen (BNI), waarvan minstens 0,2% van het BNI voor minst ontwikkelde landen (LDC's), of, in het geval van landen die in 2004 of daarna tot de EU zijn toegetreden, om hun ODA te verhogen tot 0,33% van hun BNI; wijst erop dat de ontwikkelingshulp van de EU bijdraagt aan deze streefdoelen en daarmee de grote ODA-tekorten van de meeste lidstaten helpt verminderen; herinnert eraan dat minstens 50% van de ODA van de EU moet worden toegewezen aan LDC's;

3.  herinnert aan de toezegging van de ontwikkelde landen om nieuwe en aanvullende klimaatfinanciering uit verschillende bronnen te leveren aan ontwikkelingslanden, voor een totaalbedrag per jaar van 100 miljard USD tegen 2020; benadrukt dat het beginsel van aanvullendheid moet worden nageleefd en wijst erop dat het toegenomen gebruik van ontwikkelingshulp van de EU voor het nastreven van doelstellingen die nauw verband houden met het klimaat inhoudt dat het totale volume van ontwikkelingshulp met een minstens zo groot bedrag verhoogd moet worden; wijst er nogmaals op dat de ontwikkelingshulp van de EU doeltreffender moet worden besteed en dat de ODA gericht moet zijn op sectoren waar die het hardst nodig is, met name capaciteitsopbouw, goed bestuur, gezondheid, onderwijs, landbouw, watervoorziening en energie;

4.  benadrukt dat de financiële middelen voor het redden van vluchtelingen en het opzetten van structuren voor het opvangen van de grote aantallen vluchtelingen in het gebied rond de Middellandse Zee een aanvullend karakter hebben;

5.  vestigt de aandacht op de humanitaire noodsituaties in Syrië, Irak, Zuid-Sudan, de Centraal-Afrikaanse Republiek, Jemen en Oekraïne, en op de situaties in de landen die het ergst zijn getroffen door natuurrampen, zoals Haïti en Nepal, of door het Ebola-virus; benadrukt dat de uitdagingen waarmee de EU als speler op het wereldtoneel mee te maken heeft verergerd worden door het complexe karakter van de crises; waarschuwt voor de politieke gevolgen van verregaande bezuinigingen en dringt erop aan dat de uitzonderlijk grote omvang van de huidige wereldwijde humanitaire noden weerspiegeld wordt in de financiering voor het directoraat-generaal voor Humanitaire Hulp en Civiele Bescherming (ECHO);

6.  benadrukt dat meer aandacht moet worden besteed aan het vraagstuk van ontwikkeling en dat de financieringsbronnen verduidelijkt moeten worden in het nieuwe actieplan voor de bestrijding van illegale migratie; wenst dat er voldoende middelen worden uitgetrokken om de oorzaken van illegale migratie bij de wortel aan te pakken en wijst er nadrukkelijk op dat de reactie op de korte termijn geconcentreerd moet zijn op het waarborgen van humanitaire hulp en van samenhang in het ontwikkelingsbeleid;

7.  herinnert eraan dat eerbiediging van het beginsel van samenhang in het ontwikkelingsbeleid in alle externe acties van de Europese Unie nageleefd moet worden, zodat de ontwikkelingsprogramma's een zo groot mogelijke impact hebben;

8.  verzoekt de Raad met klem bij elk voorstel een financieel memorandum te voegen, opdat de toewijzing van humanitaire hulp volledig transparant geschiedt;

9.  benadrukt dat het van belang is de betalingskredieten in het hoofdstuk voor humanitaire hulp te handhaven op een niveau dat ten minste even hoog is als dat van de vastleggingskredieten, om te voorkomen dat de situatie van de afgelopen jaren zich opnieuw voordoet waarbij een ernstig en voortdurend tekort aan middelen voor betalingen de uitvoering van noodinterventies bemoeilijkte en leidde tot de ophoping van onbetaalde rekeningen, met nadelige gevolgen voor onder meer de uitvoerende partners; wijst erop dat ook de reserve voor noodhulp van afdoende kredieten moet worden voorzien;

10.  benadrukt dat het herstellen van de rechtsstaat en het bevorderen van de menselijke ontwikkeling in een mislukte staat veel duurder en ingrijpender is en dringt er derhalve op aan dat er in de begroting 2016 extra aandacht wordt besteed aan de Sahel-regio, de Hoorn van Afrika en Centraal-Amerika;

11.  is bezorgd over de diverse schattingen van de uitstaande betalingen op het gebied van humanitaire hulp, terwijl de vastleggingen steeds groter worden; benadrukt dat er voldoende begrotingsmiddelen beschikbaar moeten zijn om de EU in staat te stellen haar humanitaire hulpacties voort te zetten; dringt daarom aan op verhoging van de financiële middelen voor humanitaire hulp en vermindering van het risico op rampen; verzet zich fel tegen elke hertoewijzing van geld dat bestemd is voor ontwikkelingshulp en humanitaire steun;

12.  benadrukt dat het van belang is dat de Raad zijn toezeggingen om geld toe te wijzen en te reserveren voor elke maatregel die hij neemt, gestand doet; staat erop dat geld dat niet is uitgegeven op de begrotingen 2014 en 2015 automatisch naar het begrotingsjaar 2016 wordt overgedragen;

13.  dringt er bij de EU en de lidstaten op aan een agenda inzake doeltreffendheid van ontwikkelingshulp na te streven door via betere coördinatie tussen de verschillende mechanismen voor en donoren van ontwikkelingshulp de eigen inbreng van de partnerlanden te bevorderen, de afstemming met de ontwikkelingsstrategieën van de partnerlanden te verbeteren en te zorgen voor meer wederzijdse verantwoording en minder versnippering van de hulp;

14.  dringt erop aan dat het op ontwikkeling gerichte karakter van ODA gehandhaafd wordt, onder meer door middel van een transparant en verantwoord rapportagesysteem;

15.  verzoekt de Commissie, die aangegeven heeft dat zij het gebruik van gemengde financiering in de komende jaren aanzienlijk wil uitbreiden, uitvoering te geven aan de aanbevelingen in het speciaal verslag van de Rekenkamer over het combineren van subsidies en leningen, en om dit combinatiemechanisme te evalueren, met name wat betreft ontwikkeling en financiële additionaliteit, transparantie en verantwoordingsplicht;

16.  verzoekt de Commissie te blijven streven naar een gebruikersvriendelijke en voldoende gedetailleerde informatie- en gegevensverstrekking over de door de EU verleende ontwikkelingshulp;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

1.6.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

20

1

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Beatriz Becerra Basterrechea, Ignazio Corrao, Charles Goerens, Enrique Guerrero Salom, Heidi Hautala, Maria Heubuch, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Arne Lietz, Linda McAvan, Norbert Neuser, Maurice Ponga, Cristian Dan Preda, Elly Schlein, Pedro Silva Pereira, Davor Ivo Stier, Paavo Väyrynen, Bogdan Brunon Wenta, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Bernd Lucke, Louis-Joseph Manscour, Paul Rübig, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Miguel Urbán Crespo, Dennis de Jong

17.6.2015

ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

aan de Begrotingscommissie

inzake het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2016

(2015/2074(BUD))

Rapporteur voor advies: Deirdre Clune

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt dat de begroting 2016 een belangrijke rol moet spelen om de bijdrage van de Unie aan inclusieve en duurzame groei en werkgelegenheid te versterken, met name door vastberaden de strijd aan te binden met jeugdwerkloosheid en armoede en zo de verwezenlijking van de prioriteiten en doelstellingen van de Europa 2020-strategie te steunen; benadrukt hierbij het belang van de tussentijdse herziening van de Europa 2020-strategie om ervoor te zorgen dat de doelstellingen voor werkgelegenheid en de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting kunnen worden verwezenlijkt;

2.  is er stellig van overtuigd dat de EU-financiering, met name uit hoofde van het ESF, niet mag worden gebruikt om nationale maatregelen te subsidiëren, maar moet dienen als bijkomende steun, ter aanvulling of versterking van nationale programma's in de lidstaten;

3  dringt aan op financiële ondersteuning van programma's ter bevordering van werkgelegenheid en sociale inclusie voor personen met een meervoudige benadeelde positie, zoals langdurig werklozen, personen met een handicap, personen van een minderheid en niet-actieve en ontmoedigde personen;

4.  herinnert eraan dat inclusieve en duurzame groei van cruciaal belang is voor meer werkgelegenheid en welvaart en dat de structuurfondsen op doeltreffendere en productievere wijze gericht moeten worden op de bevordering van duurzame groei en werkgelegenheid; benadrukt het belang van onderzoek en innovatie voor het bevorderen van groei en werkgelegenheid; vraagt dat wordt voorzien in toereikende financiering voor onderzoek inzake sociale wetenschappen;

5.  benadrukt het belang van adequate financiering, een goed begrotingsbeheer en, waar mogelijk, meer prefinanciering van de programma's uit hoofde van het meerjarig financieel kader 2014-2020 die gericht zijn op de aanpak van werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting, zoals het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI), het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG), de verschillende onderdelen van het programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI), en het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD);

6.  benadrukt dat in het kader van de begroting 2016 passende steun moet worden verleend aan de bevordering van sociale inclusie en aan maatregelen die tot doel hebben armoede uit te bannen en de positie te verstevigen van personen die in armoede en sociale uitsluiting leven;

7.  dringt erop aan passende maatregelen voor te stellen en uit te voeren om de niet eerder vertoonde opstapeling van onbetaalde vorderingen uit de voorgaande programmeringsperiode aan te pakken;

8.  benadrukt dat de EU-begroting steun moet verlenen aan maatregelen op het gebied van beroepsopleiding en beroepskwalificaties, stageplaatsen en het direct scheppen van kwalitatief hoogwaardige banen om tegemoet te komen aan de behoeften van de arbeidsmarkt;

9.  benadrukt dat de begroting 2016 alle maatregelen moet financieren ter bevordering van ondernemerschap in micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, waaronder sociaal ondernemerschap en innovatieve sociale ondernemingen en zelfstandigen, en ter bevordering van de participatie van vrouwen;

10.  benadrukt dat de begroting voor 2016 moet worden ingezet om een hoog preventie- en beschermingsniveau voor werknemers te garanderen en het hoofd te bieden aan de nieuwe uitdagingen op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk die zich blijven voordoen;

11.  wijst erop dat micro-, kleine en middelgrote ondernemingen in de EU het grootste deel van de werknemers in dienst hebben en dat de gebrekkige toegang tot financiering een van de voornaamste obstakels is om dergelijke ondernemingen op te richten en draaiende te houden; stelt dan ook voor om de microfinancieringsfaciliteit aanzienlijk te versterken en de bijgaande begeleidende ondersteuning verder te ontwikkelen en stelselmatig te waarborgen; stelt voor het potentieel van de financiële instrumenten in het kader van het ESF met de nodige transparantie en verantwoordingsplicht verder te benutten, en te overwegen de steun van de EIB aan kleine en middelgrote ondernemingen uit te breiden;

12.  benadrukt dat de steun voor sociale inclusie, met name van personen met een handicap en gemarginaliseerde gemeenschappen, een belangrijk onderdeel van het Europese beleid vormt waarvoor uitgebreide steun uit de begroting vereist is; benadrukt dat, behalve in het kader van het ESF, de sociale dimensie duidelijker zichtbaar moet zijn bij de andere instrumenten van het cohesiebeleid;

13.  benadrukt dat de Europese begroting steun moet bieden aan de bevordering van de voltooiing van de interne markt, het concurrentievermogen en de sociale convergentie, de ontwikkeling van een beleid voor maatschappelijk verantwoord ondernemen en het toezicht op de naleving van wettelijke sociale normen door bedrijven om het scheppen van degelijke, duurzame banen met passende arbeidsbescherming te waarborgen;

14.  roept op tot langdurige inspanningen om begrotingssteun te leveren voor passende opleidingen en omscholing in sectoren waar een tekort aan werknemers heerst en in belangrijke sectoren met een hoog banenscheppend potentieel, zoals de groene economie, de kringloopeconomie, de gezondheidszorg en de ict-sector;

15.  benadrukt dat de bevordering van een ondernemerschapscultuur en steun voor ondernemers een centraal onderdeel moeten vormen van het begrotingsbeleid van de EU;

16.  verzoekt de Commissie het Europees Parlement stelselmatig en uitgebreid te informeren over de uitvoeringsfasen van de proefprojecten.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.6.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

40

7

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laura Agea, Guillaume Balas, Mara Bizzotto, Vilija Blinkevičiūtė, Enrique Calvet Chambon, David Casa, Jane Collins, Martina Dlabajová, Lampros Fountoulis, Elena Gentile, Marian Harkin, Danuta Jazłowiecka, Rina Ronja Kari, Jan Keller, Jean Lambert, Jérôme Lavrilleux, Patrick Le Hyaric, Verónica Lope Fontagné, Javi López, Thomas Mann, Dominique Martin, Anthea McIntyre, Elisabeth Morin-Chartier, Emilian Pavel, Georgi Pirinski, Terry Reintke, Sofia Ribeiro, Maria João Rodrigues, Anne Sander, Sven Schulze, Siôn Simon, Jutta Steinruck, Romana Tomc, Ulrike Trebesius, Marita Ulvskog, Renate Weber, Tatjana Ždanoka

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Georges Bach, Amjad Bashir, Heinz K. Becker, Deirdre Clune, Sergio Gutiérrez Prieto, Csaba Sógor, Helga Stevens, Neoklis Sylikiotis, Ivo Vajgl

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Josef Weidenholzer, Marco Zanni

17.6.2015

ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

aan de Begrotingscommissie

inzake het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2016

(2015/2074(BUD))

Rapporteur voor advies: Giovanni La Via

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herinnert eraan dat het van groot belang is om klimaat- en hulpbronnenefficiëntie te integreren in al het beleid van de EU, teneinde de doelstellingen van de Europa 2020-strategie te verwezenlijken;

2.  wijst op het grote belang voor de Europese Unie om de crisis te boven te komen; benadrukt in dit verband dat de lidstaten milieu- en klimaatvriendelijk beleid moeten opvatten als een kans om groei te bevorderen en dat met name de correcte uitvoering van milieuwetgeving en projecten die uit hoofde van Horizon 2020 gefinancierd worden, het scheppen van groene banen en economische groei bij het mkb zal bevorderen;

3.  wijst erop dat kleinere programma's op het gebied van milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid niet verwaarloosd mogen worden in vergelijking met programma's waar het publiek en de politiek meer aandacht voor hebben;

4.  benadrukt dat de overgang naar een circulaire, koolstofarme economie een absolute noodzaak is; onderstreept dat er niet alleen voldoende middelen moeten worden uitgetrokken om die overgang mogelijk te maken, maar dat er ook op moet worden toegezien dat door de EU gefinancierde projecten die overgang niet negatief beïnvloeden;

5.  benadrukt dat de wereldwijd toepasselijke doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, waarover in 2015 overeenstemming moet worden bereikt, naar behoren tot uiting moeten komen in de EU-begroting;

6.  beklemtoont daarnaast het belang van gezondheid als waarde op zich en als voorwaarde voor het stimuleren van groei in de hele EU;

7.  wijst erop dat het derde jaar van het Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2014-2020 van zeer groot belang zal zijn voor de succesvolle tenuitvoerlegging van de nieuwe meerjarige programma's (het derde meerjarige actieprogramma van de EU op het gebied van gezondheid voor de periode 2014-2020, het LIFE-programma voor het milieu en klimaatactie 2014-2020, het Uniemechanisme voor civiele bescherming 2014-2020) die binnen de bevoegdheid van deze commissie vallen, omdat ze dan volledig ontplooid zullen zijn; wijst tegen deze achtergrond op het feit dat het, gezien de aanhoudende economische en budgettaire beperkingen op nationaal niveau, van wezenlijk belang is om op de EU-begroting de nodige kredieten te reserveren en te garanderen om het potentieel en de Europese meerwaarde van deze nieuwe programma's volledig te verwezenlijken;

8.  benadrukt daarom dat de middelen van 2016 voor deze programma's minstens moeten worden gehandhaafd op het niveau van de voorgaande EU-begroting;

9.  vestigt de aandacht op de factoren die een bedreiging vormen voor ontelbare bosecosystemen; is van mening dat er via EU-steunprogramma's en -maatregelen, voldoende financiële middelen moeten worden uitgetrokken voor de evaluatie van de ecologische en fytosanitaire toestand van de bossen en voor hun herstel, met inbegrip van herbebossing;

10.  pleit voor meer verantwoordelijkheid van de Unie voor de bescherming van natuurlijke hulpbronnen in het Natura 2000-netwerk, met name wat betreft de financiering daarvan; merkt op dat verschillende lidstaten moeilijkheden ondervinden bij het beheer van gebieden die zijn opgenomen in het Natura 2000-netwerk, vanwege het feit dat er geen specifiek financieringsinstrument is voor het beheer van die gebieden, als aanvulling op de opneming van de biodiversiteitsproblematiek in het sectoraal beleid;

11.  benadrukt bovendien dat rubriek 3, hoewel het de kleinste rubriek van het MFK is wat betreft financiële toewijzingen, kwesties omvat van cruciaal belang voor de Europese burgers, zoals programma's voor volksgezondheid, consumentenbescherming en het instrument voor civiele bescherming;

12.  roept de delegatie van het Parlement op nadruk te leggen op het belang van volledige tenuitvoerlegging van de begrotingslijnen voor milieu, klimaatverandering, volksgezondheid en voedselveiligheid, ondanks hun financiële omvang;

13.  wijst erop dat wijzigingen ter vermindering van de begrotingsprogrammering voor deze lijnen verworpen moeten worden en dat een juist evenwicht moet worden gevonden tussen vastleggings- en betalingskredieten om het potentieel van deze beleidsmaatregelen volledig te kunnen benutten;

14.  benadrukt dat er, nu de EU is toegetreden tot de Overeenkomst van 1973 inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES), middelen moeten worden toegewezen om de jaarlijkse bijdrage van de Unie aan het CITES Trust Fund te betalen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de voortrekkersrol van de EU in de strijd tegen criminaliteit met betrekking tot wilde flora en fauna in stand te houden door programma's op te zetten en te financieren tegen stroperij, smokkel en illegale handel in wilde dieren en planten;

15.  verzoekt om voldoende middelen voor het "Wildlife Crisis Window" van het EU-instrument voor biodiversiteit (Biodiversity for Life - B4Life) om de inspanningen van de EU op het gebied van de bestrijding van stroperij en illegale handel te kunnen opvoeren;

16.  herinnert eraan dat de gedecentraliseerde agentschappen die binnen de bevoegdheid van de commissie ENVI vallen (Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, Europees Geneesmiddelenbureau, Europees Milieuagentschap, Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding, Europees Agentschap voor chemische stoffen) een cruciale rol spelen en benadrukt dat hun takenpakket voortdurend in omvang toeneemt, als gevolg van wetgeving, verzoeken van de Commissie en andere EU-initiatieven, en dat deze agentschappen van de nodige financiële en personele middelen moeten worden voorzien, zodat ze hun mandaat kunnen vervullen en dergelijke taken kunnen uitvoeren; stelt tegen deze achtergrond met bezorgdheid vast dat de meeste van deze agentschappen de afgelopen jaren aanzienlijke personeelsinkrimpingen hebben ondergaan en dat de Commissie van hen verwacht dat zij hun personeelsbestand nog verder reduceren;

17.  wijst erop dat die agentschappen daarom passende middelen nodig hebben en over voldoende flexibiliteit moeten kunnen beschikken om onverwachte pieken in de werklast te kunnen opvangen;

18.  spreekt dit jaar, net zoals in het verleden, zijn krachtige steun uit voor een aanpak waarbij de individuele behoeften van gedecentraliseerde agentschappen van geval tot geval worden beoordeeld;

19.  verwelkomt in dit verband de werkzaamheden van de Interinstitutionele werkgroep over de middelen voor de gedecentraliseerde agentschappen met betrekking tot begrotingskwesties en menselijke hulpbronnen, die met een aantal waardevolle conclusies zeker heeft bijgedragen aan dit proces.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

17.6.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

51

10

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pilar Ayuso, Zoltán Balczó, Lynn Boylan, Nessa Childers, Birgit Collin-Langen, Mireille D’Ornano, Seb Dance, Angélique Delahaye, Jørn Dohrmann, Stefan Eck, Bas Eickhout, Eleonora Evi, José Inácio Faria, Karl-Heinz Florenz, Iratxe García Pérez, Elisabetta Gardini, Gerben-Jan Gerbrandy, Jens Gieseke, Julie Girling, Sylvie Goddyn, Matthias Groote, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, Anneli Jäätteenmäki, Jean-François Jalkh, Benedek Jávor, Karin Kadenbach, Kateřina Konečná, Giovanni La Via, Peter Liese, Norbert Lins, Susanne Melior, Miroslav Mikolášik, Massimo Paolucci, Piernicola Pedicini, Pavel Poc, Marcus Pretzell, Frédérique Ries, Annie Schreijer-Pierik, Renate Sommer, Dubravka Šuica, Tibor Szanyi, Glenis Willmott, Jadwiga Wiśniewska, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Nikos Androulakis, Paul Brannen, Nicola Caputo, Mark Demesmaeker, Damian Drăghici, Fredrick Federley, Olle Ludvigsson, Anthea McIntyre, James Nicholson, Marit Paulsen, Morten Helveg Petersen, Gabriele Preuß, Bart Staes, Keith Taylor, Claude Turmes, Tom Vandenkendelaere

16.6.2015

ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie

aan de Begrotingscommissie

inzake de begroting 2016 - mandaat voor de trialoog

(2015/2074(BUD))

Rapporteur voor advies: Anneleen Van Bossuyt

SUGGESTIES

De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is van mening dat de begroting 2016 vooral gericht moet zijn op initiatieven die bijdragen tot slimme, innoverende, duurzame en inclusieve groei en werkgelegenheid in de Unie en dat bij budgettaire beslissingen voorrang moet worden verleend aan programma's die rechtstreeks aan deze doelstellingen bijdragen; is verontrust over de aanzienlijke verlagingen in eerdere begrotingsprocedures;

2.  benadrukt dat Horizon 2020 en andere EU-steun voor onderzoek en innovatie een duidelijke Europese toegevoegde waarde hebben, in het bijzonder door de financiering van onderzoekssamenwerking op het gebied van grote maatschappelijke uitdagingen en door een kritische massa te creëren voor het verwezenlijken van wetenschappelijke doorbraken; verwacht dat de regels zijn vereenvoudigd om de procedures minder complex te maken voor de begunstigden;

3.  spoort de lidstaten ertoe aan een groter percentage van hun bbp te besteden aan onderzoek, teneinde het in de Europa 2020-strategie neergelegde doel om 3 % van het bbp te investeren in onderzoek en innovatie, te bereiken en benadrukt dat er op programma's in het kader van de Europa 2020-strategie die doeltreffend zijn in die zin dat zij groei en duurzame werkgelegenheid opleveren, niet bezuinigd mag worden; en dat de budgetten hiervoor gerespecteerd moeten worden, zoals overeengekomen in het meerjarig financieel kader (MFK);

4.  vestigt de aandacht op de noodzaak van een evenwichtigere verdeling tussen de lidstaten van de kredieten voor het Horizon 2020-kaderprogramma en op het feit dat diverse cohesielanden nettobetalers aan het kaderprogramma zijn; herinnert eraan dat alle landen en regio's betrokken moeten zijn bij het initiatief "Innovatie-Unie" en dat moet worden vermeden dat er een "innovatiekloof" ontstaat tussen landen en regio's die meer innoveren en andere die dat minder doen;

5.  onderstreept dat de begroting op efficiënte wijze moet worden gebruikt; dringt aan op een gedetailleerde beoordeling van alle begrotingslijnen en op een betere controle achteraf van de toegewezen middelen;

6.  wijst op de aanzienlijke impact van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) op de begroting 2016; is van mening dat de financiering voor Horizon 2020 en de Connecting Europe-faciliteit (CEF) volledig moet worden gehandhaafd en niet mag worden beïnvloed door de financiering van het EFSI, en dat de lidstaten alle nodige hulp moeten krijgen om die middelen volledig te gebruiken;

7.  wijst op de noodzaak om meer steun te verlenen aan micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (mkmo's) en starters teneinde hun productiviteit in een stabiel ondernemingsklimaat in de Europese economie te stimuleren;

8.  onderstreept dat de verplichtingen die in het meerjarig financieel kader 2014-2020 overeengekomen zijn, volledig moeten worden nagekomen; spreekt zijn verontrusting uit over het onaanvaardbare en toenemende aantal onbetaalde rekeningen; stelt vast dat de rente op de in 2014 uitstaande betalingen ten opzichte van 2012 meer dan verzevenvoudigd is; dringt aan op onmiddellijke actie om de achterstand aan nog uitstaande betalingen in te lopen; herinnert de Raad en de Commissie eraan om bij het nemen van besluiten over de begroting 2016 het onvermijdelijke verband tussen vastleggingen en betalingen in gedachten te houden;

9.  onderstreept dat middelen voor investeringen, onderzoek, ontwikkeling en innovatie bij uitstek moeten worden ingezet op gebieden waar de grootste toegevoegde waarde kan worden gecreëerd, zoals verbetering van de energie-efficiëntie, ICT, subsidie voor fundamenteel onderzoek alsmede technologie voor koolstofarme en hernieuwbare energie;

10.  benadrukt dat grotere voorrang moet worden verleend aan die delen van de begroting die bedoeld zijn om de continuïteit van de voorziening in Europa te verbeteren door de inzet van hernieuwbare energie te steunen en een netwerk van elektriciteitsinterconnectoren op te bouwen dat een ongehinderde energiestroom tussen de lidstaten en compatibiliteit van de lidstaten met Europese stroomnetten waarborgt en de integratie van de Europese energiemarkt ondersteunt;

11.  verzoekt de Commissie voldoende financiële middelen toe te wijzen voor infrastructuurinvesteringen in snelle en supersnelle breedbandnetwerken en in dat kader ook steun te verlenen aan "smart cities", opgezet via partnerschappen tussen plaatselijke overheden en exploitanten;

12.  moedigt de Commissie aan om met een ambitieus maar realistisch voorstel over de circulaire economie te komen, dat gepaard moet gaan met middelen op de begroting 2016, in het bijzonder ter stimulering van onderzoek en innovatie;

13.  benadrukt dat de overgang naar een circulaire, koolstofarme economie een absolute noodzaak is; benadrukt dat er niet alleen voldoende middelen moeten worden uitgetrokken om die overgang mogelijk te maken, maar dat door de Unie gefinancierde projecten ook geen nadelige gevolgen mogen hebben voor die overgang;

14.  moedigt de Commissie aan te zoeken naar manieren om de basis te leggen voor een nieuwe beleidsstrategie voor de creatieve en culturele sector in de Unie, bijvoorbeeld met behulp van proefprojecten in die sector;

15.  dringt erop aan dat het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) van de nodige middelen wordt voorzien om de taken te kunnen uitvoeren die hem door de wetgevende autoriteiten van de EU zijn toegewezen en de bepalingen van de verordening betreffende de integriteit en transparantie van de groothandelsmarkt voor energie (REMIT) volledig te kunnen implementeren en handhaven; waarschuwt dat het niet-nemen van deze maatregelen ernstige nadelige gevolgen zou hebben voor het vertrouwen in het vermogen van de instellingen van de Unie om hun taken te kunnen uitoefenen, voor het vertrouwen van consumenten in de energiemarkt van de Unie en voor de energieprijs voor consumenten; is van mening dat zulks ook geldt voor de bevoegdheden van het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (BEREC);

16.  verzoekt de Commissie te waarborgen dat de voltooiing van de digitale interne markt de digitale toegang en connectiviteit voor alle burgers van de Unie omvat en dat in de strategie van de Commissie middelen worden toegewezen aan het overbruggen van geografische afgelegenheid en het uit de weg ruimen van obstakels voor toegang voor de minst begunstigde groepen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.6.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

48

2

6

Bij de eindstemming aanwezige leden

Zigmantas Balčytis, Bendt Bendtsen, Reinhard Bütikofer, Jerzy Buzek, Philippe De Backer, Christian Ehler, Fredrick Federley, Ashley Fox, Adam Gierek, Theresa Griffin, Marek Józef Gróbarczyk, András Gyürk, Roger Helmer, Eva Kaili, Barbara Kappel, Krišjānis Kariņš, Seán Kelly, Jeppe Kofod, Miapetra Kumpula-Natri, Janusz Lewandowski, Ernest Maragall, Edouard Martin, Nadine Morano, Dan Nica, Aldo Patriciello, Morten Helveg Petersen, Miroslav Poche, Miloslav Ransdorf, Michel Reimon, Herbert Reul, Paul Rübig, Algirdas Saudargas, Dario Tamburrano, Evžen Tošenovský, Miguel Urbán Crespo, Vladimir Urutchev, Kathleen Van Brempt, Martina Werner, Flavio Zanonato

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Michał Boni, Lefteris Christoforou, David Coburn, Miriam Dalli, João Ferreira, Gerben-Jan Gerbrandy, Françoise Grossetête, Constanze Krehl, Olle Ludvigsson, Svetoslav Hristov Malinov, Piernicola Pedicini, Sofia Sakorafa, Anne Sander, Maria Spyraki, Mihai Ţurcanu, Anneleen Van Bossuyt

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Bart Staes

5.6.2015

ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming

aan de Begrotingscommissie

inzake het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2016

(2015/2074(BUD))

Rapporteur voor advies: Ildikó Gáll-Pelcz

SUGGESTIES

De Commissie interne markt en consumentenbescherming verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herinnert eraan dat de interne markt een zeer belangrijk, prioritair beleidsterrein voor economische groei is; is ervan overtuigd dat de inspanningen om de economische crisis in de Unie aan te pakken gebaseerd moeten zijn op een sterkere, meer geïntegreerde en eengemaakte interne markt, wat passende middelen uit de begroting vergt;

2.  is van mening dat een adequate financiering van het consumentenbeleid van het grootste belang is voor alle inspanningen om het consumentenvertrouwen in een transparantere interne markt te vergroten; dringt er daarom op aan de nadruk te leggen op zowel het versterken van de veiligheid van de consument als op de aanpassing van de rechten van de consument aan de maatschappelijke, technologische en economische veranderingen;

3.  benadrukt dat een evenwichtige begroting een doeltreffende ondersteuning kan zijn voor de werking van de douane-unie en de bestrijding van fraude, waarbij zowel de bescherming van de klanten als eerlijke mededinging die de terugvordering van eigen middelen mogelijk maakt, worden gewaarborgd; benadrukt daarom dat alle maatregelen in verband met het IPR-actieplan en de administratieve hervormingen op het gebied van de douanecontroles volledig moeten worden gefinancierd;

4.  herinnert aan het belang van de financiering van het Internemarktforum (SMF); verzoekt de Commissie in het afgeleid recht een rechtsgrond vast te stellen om ervoor te zorgen dat het Internemarktforum na 2016 kan blijven bestaan;

5.  is van mening dat de lidstaten moeten voorzien in voldoende financiële middelen voor SOLVIT, zodat alle burgers en bedrijven in de EU toegang hebben tot advies over kwesties zoals de oprichting van een bedrijf, handel en diensten, gezinsuitkeringen, visa en verblijfsrechten; meent dat het netwerk van Europese Consumentencentra eveneens naar behoren moet worden gefinancierd, zodat het zijn taak, te weten het geven van voorlichting aan de burgers over hun consumentenrechten in Europa, kan blijven vervullen;

6.  benadrukt dat in 2016 in krachtige steun voor het COSME-programma en het Enterprise Europe Network moet worden voorzien, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de belemmeringen die kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) ondervinden door de economische en financiële beperkingen van de EU en bij de toegang tot nieuwe markten en tot overheidsopdrachten; is van mening dat de Unie de kmo's moet blijven helpen door hun gemakkelijker toegang te geven tot informatie over de mogelijkheden die de interne markt zowel buiten hun eigen lidstaat als over de grenzen van de Unie heen biedt;

7.  overweegt de noodzaak van nieuwe financieringsbronnen voor kmo's, met name voor de financiering van de deelname van kmo's aan beurzen op derde markten waar zij hun nationale producten en diensten kunnen promoten; benadrukt de noodzaak van een fonds voor de financiering van onderzoek en de aankoop van hoogtechnologische uitrusting voor kmo's;

8.  benadrukt het belang van normen voor concurrentiële ondernemingen en kmo's, die een essentiële rol vervullen bij de technologische vooruitgang in de EU; benadrukt daarom de behoefte aan adequate financiering ter ondersteuning van de normalisatiewerkzaamheden van het Europees Comité voor Normalisatie (CEN), het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie (CENELEC) en het Europees Instituut voor telecommunicatienormen (ETSI);

9.  verzoekt, nu de e-Call-verordening is aangenomen, om passende middelen voor het Europese GNSS-Agentschap, opdat de verordening volledig ten uitvoer kan worden gelegd;

10.  benadrukt dat het nodig is het meertalige instrument voor het platform voor online geschillenbeslechting (ODR) te financieren; is van mening dat goed werkende systemen voor online geschillenbeslechting in de gehele EU er enerzijds consumenten zullen toe aanzetten oplossingen te zoeken voor de problemen die ze ondervinden wanneer ze in de interne markt goederen en diensten kopen, en anderzijds de online handel zullen stimuleren, met name bij ondernemers in andere lidstaten; is van mening dat de toename van e-handel en grensoverschrijdende aankopen in de EU nieuwe zakelijke mogelijkheden en meer economische groei inhoudt.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

4.6.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

29

0

6

Bij de eindstemming aanwezige leden

Dita Charanzová, Carlos Coelho, Lara Comi, Anna Maria Corazza Bildt, Daniel Dalton, Nicola Danti, Pascal Durand, Evelyne Gebhardt, Maria Grapini, Robert Jarosław Iwaszkiewicz, Liisa Jaakonsaari, Antonio López-Istúriz White, Jiří Pospíšil, Marcus Pretzell, Robert Rochefort, Virginie Rozière, Christel Schaldemose, Olga Sehnalová, Ivan Štefanec, Catherine Stihler, Mylène Troszczynski, Mihai Ţurcanu, Anneleen Van Bossuyt, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Lucy Anderson, Pascal Arimont, Cristian-Silviu Buşoi, Birgit Collin-Langen, Filiz Hyusmenova, Jens Nilsson, Adam Szejnfeld, Marc Tarabella, Ulrike Trebesius, Ulla Tørnæs

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Andrey Kovatchev

18.6.2015

ADVIES van de Commissie regionale ontwikkeling

aan de Begrotingscommissie

inzake het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2016

(2015/2074(BUD))

Rapporteur voor advies: Maria Spyraki

SUGGESTIES

De Commissie regionale ontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt dat het cohesiebeleid staat voor het belangrijkste investeringsbeleid van de EU in de reële economie, en wijst op het doel van dit beleid krachtens VWEU om de ongelijkheden tussen de Europese regio's weg te werken door de economische, sociale en territoriale samenhang te versterken; onderstreept het langetermijnperspectief ervan, hetgeen suggereert dat de resultaten afhankelijk zijn van de prioriteitstelling, de toepassing van een passend prestatiekader en degelijk beheer en efficiënte controlesystemen; herinnert eraan dat dit beleid in verscheidene lidstaten een essentiële en zelfs de belangrijkste financieringsbron is voor investeringen die synergieën tot stand brengen, en een multipliereffect heeft op economische groei, nieuwe banen en duurzame ontwikkeling; is zich ervan bewust dat sommige lidstaten vanwege de financiële crisis nog steeds moeite hebben om bepaalde projecten mede te financieren, en verlangt dan ook dat er volledig gebruik wordt gemaakt van alle mogelijkheden die lidstaten met tijdelijke begrotingsproblemen worden geboden in het wetgevingskader;

2.  benadrukt dat het cohesiebeleid bijna een derde van de totale EU-begroting beslaat en via de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) het juiste kader biedt om de doelstellingen van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei te helpen halen; wijst erop dat de rol van het Europese Fonds voor strategische investeringen erin bestaat om particulier kapitaal aan te trekken, waardoor er een aanvullende financieringsbron beschikbaar komt en er een grotere synergie kan ontstaan tussen de verschillende instrumenten; benadrukt in dit verband dat de herziening van het meerjarig financieel kader niet mag leiden tot een vermindering van de eerder toegewezen nationale portefeuilles;

3.  vestigt de aandacht op het feit dat vanwege de verlate goedkeuring van de operationele programma's 2014-2020 OGB nr. 2/2015 moest worden goedgekeurd, en toont zich bezorgd over de langzame start van de tenuitvoerlegging van het beleid in de huidige programmeringsperiode; benadrukt in dit verband dat een aanzienlijk deel van de niet-gebruikte vastleggingen van 2014 zal worden toegewezen voor 2015, waarmee druk wordt uitgeoefend op diverse lidstaten om met die toewijzingen verbintenissen aan te gaan en de middelen te absorberen; verzoekt de Commissie samen met de lidstaten actieplannen op te stellen en uit te voeren voor een snellere tenuitvoerlegging van de ESI-fondsen, en maatregelen voor te stellen om waar mogelijk te vermijden dat middelen in 2017 geannuleerd moeten worden omdat er te laat begonnen is met de tenuitvoerlegging; verzoekt de lidstaten in dit verband zo snel mogelijk alle nodige maatregelen te nemen op het vlak van financieel beheer, zodat er kan worden begonnen met het sturen van betalingsaanvragen en vermeden wordt dat die zich opeenhopen in de komende jaren;

4.  wijst erop dat de vastleggingskredieten voor het cohesiebeleid voor 2016 uitgesplitst per jaar meer dan 46 miljard euro bedragen (bijlage VI van de verordening inzake gemeenschappelijke bepalingen), en onderstreept dat coördinatie tussen alle financieringsbronnen cruciaal is om meerwaarde te creëren en het concurrentievermogen op de lange termijn aan te wakkeren;

5.  maakt zich ernstige zorgen over het terugkerende probleem van betalingsachterstanden, vooral in het kader van het cohesiebeleid (24,7 miljard euro aan het eind van 2014(28)), een verschijnsel dat niet te rijmen valt met gezond financieel beheer en de tenuitvoerlegging van de ESI-fondsen in gevaar brengt; benadrukt dat het gevaar bestaat dat het "sneeuwbaleffect" van zich ophopende onbetaalde facturen aan het eind van het begrotingsjaar in stand wordt gehouden, tenzij er zo snel mogelijk een tastbare en duurzame oplossing voor het probleem wordt gevonden via doeltreffende interinstitutionele samenwerking binnen de begrotingsprocedure; benadrukt dat betalingsachterstand ernstige negatieve gevolgen heeft voor de tenuitvoerlegging en een goed economisch bestuur, omdat de absorptiecapaciteit daardoor achteruitgaat en de doelmatigheid en doeltreffendheid van het cohesiebeleid en de EU-begroting als geheel in het gedrang komen, en hierdoor uiteindelijk praktische problemen ontstaan en de financiering van begunstigden wordt belemmerd;

6.  neemt nota van het document van de Commissie "Elementen voor een betalingsplan om de EU-begroting op een houdbaar niveau te brengen", dat op 16 april 2015 in het Parlement werd toegelicht; constateert met name dat volgens de door de Commissie gepresenteerde vooruitzichten de achterstand aan nog uitstaande betalingen onder rubriek 1a voor 2007-2013 aan het eind van 2015 kan worden teruggedrongen tot 20 miljard euro en voor eind 2016 op een houdbaar niveau van 2 miljard euro kan worden gebracht;

7.  verzoekt de Commissie niet alleen verslag uit te brengen aan het Parlement over kwantitatieve indicatoren zoals RAL ("Restant à liquider") en RAC ("Restant à contracter"), maar ook over de doelmatigheid en doeltreffendheid van de uitgegeven begrotingskredieten;

8.  wijst er nadrukkelijk op dat de begroting 2016 moet voorzien in de nodige middelen om de reeds aangegane verplichtingen na te komen en de beleidsprioriteiten van de Unie voor 2016 toe te passen, en onderstreept dat de geraamde verlaging van de betalingsachterstand en een minimale vertraging bij tussentijdse betalingen alleen mogelijk zullen zijn als er op de begroting voor 2016 voor voldoende betalingskredieten wordt gezorgd; dringt erop aan dat het betalingsplan dat eind mei is goedgekeurd door het Parlement, de Raad en de Commissie in overeenstemming met de gezamenlijke verklaring van het Parlement en de Raad in december 2014 in het kader van de overeenkomst over de begrotingen voor 2014 en 2015, zonder verdere vertraging ten uitvoer wordt gelegd; verwacht dat de Commissie zo snel mogelijke nadere details verschaft over de concrete maatregelen die moeten worden genomen; onderstreept dat deze situatie op passende en doeltreffende wijze moet worden aangepakt, aangezien de ophoping van openstaande betalingen de geloofwaardigheid, doeltreffendheid en duurzaamheid van het beleid in het gedrang brengt vanwege de negatieve gevolgen die een dergelijke ophoping heeft voor de begrotingen van de lidstaten;

9.  benadrukt dat de drie hoofdpijlers voor het economisch herstel en de groei in de EU – stimuleren van investeringen, versnellen van structurele hervormingen en toepassen van een op groei gerichte begrotingsconsolidering – die de Commissie in haar jaarlijkse groeianalyse 2015 heeft gedefinieerd, meer nadruk moeten krijgen; verzoekt de Commissie het gebruik van de ESI-fondsen voor structurele hervormingen en investeringen aan te moedigen en te bespoedigen;

10.  onderstreept dat er de komende jaren zichtbare vooruitgang moet worden geboekt om te komen tot een akkoord over de hervorming van het stelsel van eigen middelen voor de EU-begroting; wijst op het risico dat het betalingspatroon van de vorige programmeringsperiode zich tegen het eind van 2019 herhaalt, en verzoekt de Commissie in het kader van het betalingsplan mechanismen voor vroegtijdige waarschuwing te ontwikkelen om de ophoping van uitstaande betalingen zo veel mogelijk te voorkomen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

17.6.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

27

3

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pascal Arimont, José Blanco López, Franc Bogovič, Steeve Briois, Rosa D’Amato, Bill Etheridge, Michela Giuffrida, Ivan Jakovčić, Constanze Krehl, Martina Michels, Iskra Mihaylova, Andrey Novakov, Stanislav Polčák, Julia Reid, Terry Reintke, Monika Smolková, Maria Spyraki, Olaf Stuger, Ramón Luis Valcárcel Siso, Ángela Vallina, Monika Vana, Matthijs van Miltenburg, Lambert van Nistelrooij, Kerstin Westphal

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Petras Auštrevičius, Daniel Buda, Ivana Maletić, James Nicholson, Jan Olbrycht

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Edward Czesak, Jens Nilsson, Georgi Pirinski, Daniele Viotti

1.6.2015

ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

aan de Begrotingscommissie

inzake het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2016

(2015/2074(BUD))

Rapporteur voor advies: Jean-Paul Denanot

SUGGESTIES

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  wijst erop dat landbouw en plattelandsontwikkeling veel van de EU-doelen realiseren, bijdragen tot voedselzekerheid voor een groeiende wereldbevolking en een belangrijk deel van de algemene begroting voor 2016 uitmaken; dringt er, gezien het feit dat de landbouwbegroting in de loop der jaren een steeds kleiner deel van de totale begroting is gaan uitmaken, op aan dat die landbouwbegroting met kracht wordt verdedigd en op zijn allerminst in reële termen op het huidige niveau gehandhaafd wordt;

2.  constateert dat er voor de financiering voor plattelandsontwikkeling uit hoofde van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) in de begroting 2015 gesnoeid is in de vastleggingen en de betalingen; wijst erop dat Elfpo-projecten, waaronder de Leader-programma's, belangrijke aanjagers van plattelandsontwikkeling zijn, aangezien zij meer algemene voordelen opleveren voor de EU in haar geheel, met name in termen van groei, meerwaarde en banen, vooral wat betreft de rol die kleine en familiebedrijven spelen bij het scheppen van banen in plattelandsgebieden; verzoekt dat er goed wordt nagedacht over de uiteindelijke vastleggings- en betalingskredieten in de begroting 2016; dringt erop aan dat er bijzondere aandacht wordt besteed aan het stimuleren van generatiewissel in de landbouw, het ondersteunen van jonge landbouwers en innovatie; erkent in dit verband de mogelijkheden die Erasmus voor jonge ondernemers zou kunnen bieden voor jonge landbouwers, in de zin van vergemakkelijking van de kennisoverdracht, uitwisseling van informatie en beroepservaring;

3.  neemt kennis van het feit dat sommige lidstaten vertraging hebben opgelopen bij het valideren van hun operationele programma's en dat sommige van die lidstaten dat aan het einde van het eerste trimester van 2015 nog steeds niet hadden gedaan; moedigt de lidstaten nadrukkelijk aan om de operationele programma's snel ten uitvoer te leggen, opdat die in 2016 in werking kunnen treden; is van mening dat de begroting 2016 dus gekenmerkt zou moeten worden door een significante tempoverhoging bij de benutting van de kredieten in tussen de Commissie en de lidstaten gedeeld beheer; verzoekt derhalve om passende en toereikende vastleggings- en betalingskredieten voor het Elfpo;

4.  verzoekt om extra middelen voor de melksector, om de gevolgen van de aanhoudende prijsvolatiliteit in de sector, de afschaffing van het quotastelsel en het Russische embargo op te vangen; verzoekt om meer middelen voor de organisatie en consolidatie van producentenorganisaties in de groenten- en fruitsector, en wijst er voorts met klem op dat sommige specifieke onderafdelingen van de landbouw, zoals de bijenhouderij, meer financiering nodig hebben; benadrukt het belang van schoolmelk- en schoolfruitregelingen en stelt een verhoging van de kredieten ten belope van 20 miljoen EUR per jaar voor het schoolmelkprogramma voor, overeenkomstig de stemming in de Commissie landbouw; wijst nadrukkelijk op de noodzaak van steun voor de biologische landbouw en van regelingen voor geografische aanduidingen, waaronder regelingen inzake "gegarandeerde traditionele specialiteit";

5.  wijst erop dat het schoolfruit- en schoolmelkprogramma niet gebruikersvriendelijk zijn, ten dele als gevolg van de administratieve rompslomp die eraan verbonden is, en dat de acceptatie en uitvoering ervan niet optimaal zijn, waardoor het dringend noodzakelijk wordt de daarmee verbonden bureaucratische procedures te vereenvoudigen;

6.  verzoekt om bijkomende financiering voor de olijfteelt en de olijfoliesector om de door de bacterie Xylella fastidiosa veroorzaakte schade voor landbouwers te compenseren, de preventiemaatregelen in Europa te versterken, de verspreiding van de verwoestende ziekte een halt toe te roepen, de sector te herstructureren en wetenschappelijk onderzoek naar de ziekteverwekker en -overbrenging te versterken;

7.  verzoekt dat de in 2014 verkregen inkomsten uit de superheffing voor melk uitsluitend worden gebruikt ter bescherming van de sector, met name in de regio's die het hardst zijn getroffen door de afschaffing van de quota; dringt er in dit verband op aan dat er een stabiliteitsfonds wordt opgericht ter ondersteuning van landbouwers in de meest afgelegen gebieden, de minst ontwikkelde gebieden en de berggebieden, en dat dit wordt geactiveerd zodra de producentenprijs beneden de productiekosten zakt;

8.  verzoekt de Commissie rekening te houden met de uitkomsten van de impactstudie naar de afschaffing van de melkquota en dienovereenkomstig adequate steun te bieden voor de overgang naar gemengde bedrijven (vlees en melk);

9.  stelt vast dat Europese producenten niet voldoende marktaandeel verwerven in landen waar nu de geneugten van wijndrinken worden ontdekt; benadrukt dat Europa tegelijkertijd een overvloed aan wijn heeft waarvoor het geen afzetmarkt vindt, waardoor de EU verplicht wordt ongeveer 500 miljoen EUR per jaar uit te geven aan het afvoeren, opslaan of distilleren van de wijnoverschotten; merkt op dat dit bedrag nuttiger besteed kan worden om de markt opnieuw in evenwicht te brengen, de kwaliteit te verbeteren en de verkoop van Europese wijnen buiten de EU te bevorderen;

10.  verzoekt om bijkomende financiering zodat Europese landbouwers hun producten lokaal kunnen verkopen om te zorgen voor grotere winstmarges;

11.  benadrukt dat de innovatie op landbouwgebied en het beleid ter bevordering van die innovatie in Europa momenteel een aantal duidelijke tekortkomingen vertonen; wijst erop dat in het bijzonder de hulpbronnenschaarste een van de problemen is die opgelost moeten worden om de innovatie een nieuwe impuls te geven; verzoekt derhalve om aanvullende financiering om innovatie in de landbouwsector te stimuleren waardoor deze competitiever wordt en de impact ervan op het milieu afneemt;

12.  wenst dat er voldoende middelen beschikbaar worden gesteld om alle onderdelen van de GLB-hervorming ten uitvoer te leggen, zoals vergroenings-, biodiversiteits- en plattelandsontwikkelingsprogramma's; verzoekt de Commissie snel haar goedkeuring te hechten aan gelijkwaardigheidscertificaten voor vergroeningsmaatregelen als deze door lidstaten worden voorgelegd; onderstreept dat vereenvoudiging van het GLB en vermindering van de administratieve rompslomp voor landbouwers en nationale autoriteiten noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat de landbouwbegroting doeltreffend wordt besteed, waarbij gestreefd wordt naar verlaging van de hoge foutenpercentages bij het gebruik van de fondsen; is dan ook ingenomen met de toezegging van de Commissie dat zij vereenvoudiging en subsidiariteit de komende jaren zal opnemen in de lijst van prioritaire doelstellingen;

13.  wenst dat er via het mechanisme voor financiële discipline middelen worden toegewezen aan de crisisreserve voor de landbouwsector in de begroting 2016 en dat niet-benutte bedragen volledig beschikbaar worden gesteld als rechtstreekse betalingen voor het volgende begrotingsjaar; verzoekt om alle beschikbare marges onder rubriek 2 te reserveren voor de landbouwsector, met name gezien het voortdurende Russische embargo, marktproblemen in de melksector en aanzienlijke risico's op het gebied van de planten- en dierengezondheid;

14.  stelt vast dat de Europese landbouw de afgelopen jaren steeds vaker te maken krijgt met crises (uitvoerverbod naar Rusland, zuivelcrisis, enz.); dringt er dan ook op aan het systeem van crisisfinanciering voor het GLB tegen het licht te houden en een solide en toereikende financiering voor komende crises op te bouwen, zonder dat dit ten koste van de jaarlijkse rechtstreekse betalingen gaat;

15.  merkt op dat er in het laatste quotajaar aanzienlijke middelen aan de zuivelsector zijn onttrokken als gevolg van de toepassing van de superheffing, en beveelt daarom aan deze middelen in de landbouwbegroting te houden, teneinde het concurrentievermogen van de zuivelsector te verbeteren;

16.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de significante prijsvolatiliteit van landbouwproducten in het oog te houden en de real-timeanalyse van sectorale markten te verbeteren, bijvoorbeeld door de waarnemingspost voor de melkmarkt te versterken; benadrukt dat prijsvolatiliteit voor bepaalde sectoren een blijvende uitdaging is die vaker voorkomt naarmate de markt meer geglobaliseerd is en die negatieve gevolgen heeft voor het inkomen van landbouwers, en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan daar waar nodig snel en doeltreffend in te grijpen, zodat de landbouwers in staat worden gesteld rechtstreeks prijsvolatiliteit tegen te gaan;

17.  herinnert aan de moeilijkheden die zich hebben voorgedaan in de eerdere begrotingsjaren waarin de kredieten verlaagd werden; is van mening dat elke poging tot verlaging van de kredieten voor landbouw zinloos en gevaarlijk is, aangezien daarmee de doelstellingen van het GLB ondermijnd zouden worden, de kwetsbaarheid van de sector zou toenemen en de inspanningen om het concurrentievermogen van de Europese landbouwsector in stand te houden, aanzienlijk zouden worden afgezwakt;

18.  wijst erop dat de suikerquotaregeling eind 2016 ten einde loopt en stelt dan ook voor dat de Commissie naar adequate instrumenten zoekt om gebrek aan evenwicht op de markt te voorkomen;

19.  vestigt de aandacht op de doelstellingen inzake verbetering van het concurrentievermogen en de duurzaamheid van de Europese landbouw en wenst dat er middelen worden uitgetrokken om deze doelstellingen te verwezenlijken;

20.  dringt erop aan dat middelen die gereserveerd zijn voor onderzoek in de agri-foodsector, met name uit de begroting voor Horizon 2020, als zodanig volledig beschikbaar blijven om innovatie in de landbouwsector te stimuleren;

21.  benadrukt het belang dat de landbouwcommissie en de landbouwsector hechten aan proefprojecten, zoals de Europese Waarnemingspost voor prijsmonitoring, zodat het makkelijker wordt om prijzen te vergelijken en er meer transparantie komt omtrent de wijze waarop voedselprijzen tot stand komen, en verzoekt om voortgezette steun; stelt tevens voor om verdere proefprojecten op te starten die de marketing en zichtbaarheid van Europese landbouwproducten kunnen helpen verbeteren, zoals nieuwe reclamecampagnes om schoolkinderen bewust te maken van de kwaliteitsregelingen van de EU; dringt er bij de Commissie op aan dat zij het Parlement en de Raad met regelmaat op de hoogte houdt van het gebruik van dit instrument en de desbetreffende bevindingen, en dat zij ervoor zorgt dat de relevante details ook aan een breder publiek ter beschikking worden gesteld; wijst op het belang van een proefproject in het kader waarvan wordt onderzocht welke hindernissen er voor landbouwbedrijven ontstaan als gevolg van de opeenstapeling van wettelijke bepalingen;

22.  wijst op het voortdurend verstoorde evenwicht in de voedseldistributieketen, waarin de positie van de primaire producenten aanzienlijk zwakker is dan die van andere actoren; verzoekt de Commissie met klem de oprichting van producentenorganisaties, met name in de veeteeltsector, te stimuleren als een van de middelen om oneerlijke handelspraktijken tegen te gaan, nauw toezicht te houden op buitensporige heffingen op voedselproducten en actie te ondernemen om voor meer transparantie te zorgen ten aanzien van prijzen en prijsmarges, met bijzondere aandacht voor de rol van de grote winkelketens en de zwakke positie van landbouwers in de levensmiddelenketen; benadrukt de waarde van een proefproject op dit gebied en verzoekt om een wetgevingsvoorstel, indien dat nodig is;

23.  dringt erop aan dat de rechtstreekse betalingen in de EU-28 zo snel mogelijk gelijk worden getrokken.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

28.5.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

26

11

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

John Stuart Agnew, Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, José Bové, Paul Brannen, Daniel Buda, Nicola Caputo, Viorica Dăncilă, Michel Dantin, Paolo De Castro, Albert Deß, Diane Dodds, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Edouard Ferrand, Luke Ming Flanagan, Beata Gosiewska, Martin Häusling, Anja Hazekamp, Esther Herranz García, Jan Huitema, Peter Jahr, Jarosław Kalinowski, Elisabeth Köstinger, Philippe Loiseau, Mairead McGuinness, Giulia Moi, Ulrike Müller, James Nicholson, Maria Noichl, Laurenţiu Rebega, Jens Rohde, Bronis Ropė, Jordi Sebastià, Lidia Senra Rodríguez, Czesław Adam Siekierski, Janusz Wojciechowski, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Pilar Ayuso, Jørn Dohrmann, Norbert Lins, Momchil Nekov, Stanislav Polčák, Annie Schreijer-Pierik, Molly Scott Cato, Hannu Takkula, Valdemar Tomaševski

18.6.2015

ADVIES van de Commissie visserij

aan de Begrotingscommissie

inzake het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2016

(2015/2074(BUD))

Rapporteur voor advies: Alain Cadec

SUGGESTIES

De Commissie visserij verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  merkt op dat er in het meerjarig financieel kader (MFK) 2014-2020 slechts een beperkte budgettaire speelruimte is voor rubriek 2 en met name voor de financiering van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) en het geïntegreerd maritiem beleid (GMB);

2.  herinnert eraan dat een toereikende begroting essentieel is voor het verwezenlijken van de ambitieuze GVB-doelstellingen; benadrukt dat deze begroting geconcentreerd is in Afdeling III en titel 11 daarvan, "Maritieme zaken en visserij"; herinnert eraan dat het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) (11.06) en de verplichte bijdragen aan de regionale organisaties voor het beheer van de visserij en andere internationale organisaties en overeenkomsten inzake duurzame visserij (11.03) het grootste deel van de begroting opslokken;

3.  herinnert eraan dat het Europees Bureau voor visserijcontrole (EBVC) een cruciale rol speelt bij de coördinatie en tenuitvoerlegging van het GVB door middel van het controlebeleid, en dat het EBVC deze rol slechts kan vervullen als het voldoende technische, economische en financiële middelen krijgt, hetgeen in de begroting tot uiting moet komen;

4.  wijst met klem op het belang van de sociaaleconomische dimensie van de visserij en de mariene economie voor de plaatselijke gemeenschappen en bepaalde maritieme en kustregio's; geeft uiting aan zijn bezorgdheid over het banenverlies in deze sectoren en het ontbreken van omschakelingsmogelijkheden; wenst dat het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief wordt gebruikt om de werkgelegenheid in deze sector te bevorderen;

5.  wijst er nadrukkelijk op dat de visbestanden op de juiste wijze beheerd moeten worden om instandhouding en herstel van die bestanden en van de mariene ecosystemen mogelijk te maken en te voorkomen dat er biodiversiteit verloren gaat, wat negatieve gevolgen zou hebben voor de toekomstige generaties en voor deze economische sector zelf; is van mening dat het Europees fonds voor strategische investeringen in dit verband een sleutelrol kan spelen;

6.  wijst op het grote belang van de financiering van het verzamelen van gegevens, die bepalend zijn om rationele besluiten betreffende het visserijbeleid te kunnen vaststellen;

7.  benadrukt dat het hervormde GVB een ambitieus rechtskader biedt om het hoofd te bieden aan de uitdagingen die voortvloeien uit het nastreven van verantwoorde visserij, waarvan zowel de regelgevings- als de begrotingsaspecten moeten worden ondersteund;

8.  maakt zich zorgen over de vraag of de lidstaten wel in staat zullen zijn het EFMZV ten volle te benutten en de doelstellingen van Europa 2020 en inzake "blauwe groei" te verwezenlijken; neemt kennis van het feit dat sommige landen vertraging hebben opgelopen bij het valideren van hun operationele programma's en dat sommige van die programma's aan het einde van het eerste trimester van 2015 nog steeds niet gevalideerd waren;

9.  vraagt de Commissie de middelen die voor de ontwikkeling van de blauwe economie bestemd zijn, strikt af te bakenen;

10.  verzoekt de lidstaten nadrukkelijk om de operationele programma's snel ten uitvoer te leggen, opdat die uiterlijk in 2016 volledig operationeel zijn; is van mening dat de begroting 2016 dus gekenmerkt zou moeten worden door een significante tempoverhoging bij de benutting van de kredieten in gedeeld beheer; verzoekt derhalve om passende en toereikende vastleggings- en betalingskredieten voor het EFMZV;

11.  herinnert aan de moeilijkheden die zich hebben voorgedaan in de eerdere begrotingsjaren waarin de kredieten verlaagd werden; is van mening dat elke poging tot verlaging van de kredieten voor titel 11, en met name voor het EFMZV, zinloos en gevaarlijk zou zijn, aangezien daarmee de doelstellingen van het GVB ondermijnd zouden worden, de duurzaamheid van een kwetsbare sector in gevaar zou worden gebracht en de inspanningen om mariene habitats te beschermen en te herstellen aanzienlijk zouden worden afgezwakt;

12.  wijst erop dat het nieuwe GVB pas enkele jaren geleden werd ingevoerd, met alles wat dat inhoudt qua paradigmaverandering in het visserijbeheer, zowel voor de lidstaten als voor de vissers, bijvoorbeeld met de aanlandingsplicht; wijst erop dat de aanpassing aan deze veranderingen een extra inspanning van de EU op het vlak van communicatie, opleiding en economische investeringen vergt opdat deze veranderingen verbreid worden en op correcte wijze worden geassimileerd;

13.  vestigt de aandacht op de begrotingsimpact van de overeenkomsten inzake duurzame visserij en wijst erop dat de prerogatieven van het Parlement op dit gebied gerespecteerd moeten worden, teneinde het algehele evenwicht tussen de doelstellingen van die overeenkomsten en hun begrotingsgevolgen te bewaren;

14.  zal de financiering van het GMB en de totstandbrenging van synergie tussen de visserij en de andere maritieme activiteiten aandachtig blijven volgen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

17.6.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

20

1

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Clara Eugenia Aguilera García, Renata Briano, Alain Cadec, Richard Corbett, Diane Dodds, Linnéa Engström, João Ferreira, Raymond Finch, Ian Hudghton, Carlos Iturgaiz, Werner Kuhn, António Marinho e Pinto, Gabriel Mato, Norica Nicolai, Ulrike Rodust, Remo Sernagiotto, Ricardo Serrão Santos, Isabelle Thomas, Peter van Dalen, Jarosław Wałęsa

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Izaskun Bilbao Barandica, José Blanco López, Marek Józef Gróbarczyk, Verónica Lope Fontagné, Francisco José Millán Mon

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Tim Aker

17.6.2015

ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs

aan de Begrotingscommissie

inzake het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2016

(2015/2074(BUD))

Rapporteur voor advies: Bogdan Andrzej Zdrojewski

SUGGESTIES

De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  is bezorgd over de impact die het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) zal hebben op onderzoeks- en innovatieprojecten, aangezien de komende 5 jaar 500 miljoen EUR uit Horizon 2020 zal worden gehaald;

B.  overwegende dat investeringen in middelbaar en hoger onderwijs, formele en informele beroepsopleidingen en onderzoek tot de centrale doelstellingen van het Europees Fonds voor strategische investeringen moeten behoren, aangezien deze investeringen een sleutelrol vervullen voor verbeterde sociale inclusie en duurzame economische groei, en op lange termijn het concurrentievermogen ondersteunen;

C.  overwegende dat in het EFSI prioriteit moet worden verleend aan de culturele en creatieve sector als geheel, aangezien deze sector deel uitmaakt van een opkomende economische sector waarbinnen banen kunnen worden geschept en kansen kunnen worden gecreëerd voor verdere economische en sociale ontwikkeling in Europa, op voorwaarde dat met de nodige investeringen wordt ingespeeld op de behoeften van deze sector;

D.  overwegende dat 2016 het derde jaar zal zijn van het meerjarig financieel kader (MFK) en dat het MFK halverwege geëvalueerd zal moeten worden om een einde te kunnen maken aan de onhoudbare situatie waarbij programma's die reeds zijn goedgekeurd en dus worden uitgevoerd, in de problemen komen door een gebrek aan middelen en het niet verstrekken van financiering door de Unie; acht het met name zorgelijk dat een vergelijkbare situatie zich kan voordoen bij de nieuwe programma's en dat dit, gezien het grote aantal burgers dat rechtstreeks bij dergelijke programma's is betrokken, in het bijzonder Erasmus+, zou leiden tot een gevaarlijk verlies aan geloofwaardigheid van de EU en het vertrouwen van de burgers in de EU-instellingen zou ondermijnen;

1.  herinnert aan het belang van programma's op het gebied van onderwijs en cultuur en de noodzaak hieraan voldoende vastleggings- en betalingskredieten toe te wijzen, om te waarborgen dat dergelijke programma's het beoogde aantal begunstigden bereiken en zo het gewenste effect sorteren terwijl de nadruk op transparantie blijft liggen, waarbij de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid in acht worden genomen; wijst nogmaals op zijn bezorgdheid over de tenuitvoerlegging van het geïntegreerde programma Creatief Europa naar aanleiding van de administratieve indeling van de onderdelen Cultuur en Media binnen dit programma en de daaruit voortvloeiende kwesties met betrekking tot het evenwicht tussen beleid en financiering;

2.  herhaalt tevens dat Erasmus+ en Creatief Europa moeten worden opengesteld voor kleinschaligere projecten die van wezenlijk belang zijn voor de creativiteit, mobiliteit en innovatie in Europa; is van mening dat vanaf nu bijzondere aandacht moet worden besteed aan kleinere projecten van Erasmus+ via kernactie 2 op scholen, omdat er sprake is geweest van een constante afname van het aantal kleinere projecten dat op dit gebied wordt geselecteerd, hetgeen volledig in tegenspraak is met de doelstellingen van de Unie voor wat de ontwikkeling van onderwijs en de mobiliteit op scholen betreft; is voorts van mening dat er voldoende nadruk moet worden gelegd op kleinere projecten in het kader van Creatief Europa, omdat die van wezenlijk belang zijn voor een zeer specifiek Europees kenmerk, waardoor artiesten en werknemers in de culturele sector in staat worden gesteld bijeen te komen en laboratoria voor ideeën, praktijken en innovatie te ontwikkelen;

3.  benadrukt dat het communicatiebeleid van de EU zo snel mogelijk moet worden verbeterd om de dialoog met de burger op effectievere wijze aan te gaan, waarbij zij in staat worden gesteld volledig gebruik te maken van hun recht om te worden geïnformeerd en betrokken bij de beleidsvorming van de EU, en om de werkingssfeer te vergroten; benadrukt in dit verband de positieve rol van pan-Europese netwerken van lokale en nationale media, zoals EuranetPlus; verzoekt de Commissie deze netwerken opnieuw duurzaam te financieren;

4.  wijst nogmaals op het belang van culturele samenwerking en diplomatie in de betrekkingen met buurlanden van de EU; verzoekt op basis hiervan om een coherente strategie ter ondersteuning van de mobiliteit van jongeren, artiesten, kunstenaars en andere beroepsbeoefenaars die werkzaam zijn in de culturele sector, in het kader van gezamenlijke culturele en onderwijsprojecten waarmee de EU haar cultuur en waarden onder de aandacht kan brengen; benadrukt het belang van projecten met partnerlanden, waarbij gebruik wordt gemaakt van de begrotingsonderdelen van rubriek IV;

5.  benadrukt het belang van de culturele en taalkundige verscheidenheid van de lidstaten en verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat deze verscheidenheid wordt gewaarborgd, versterkt en bevorderd;

6.  beziet met toenemende scepsis de niet-transparante contractuele betrekkingen van de Commissie ten aanzien van de financiering van Euronews, met name in het licht van de recente hernieuwing van de relevante partnerschapsovereenkomsten en de deelneming van nieuwe investeerders in Euronews;

7.  verzoekt de Commissie, in het kader van het EFSI, te overwegen om met EFSI-middelen medefinanciering te verstrekken aan de projecten die reeds worden gefinancierd door cohesiefondsen in de culturele en creatieve sector en gericht zijn op het waarborgen en bevorderen van het Europees cultureel erfgoed, waarbij de additionaliteit wordt gewaarborgd;

8.  roept de Commissie op de huidige beperking van 5 miljoen EUR (10 miljoen EUR voor Unesco-locaties) in het Europees fonds voor regionale ontwikkeling voor kleinschalige infrastructuurprojecten zo snel mogelijk te herzien, omdat deze beperking leidt tot minder mogelijkheden voor investeringen in cultuur, die van wezenlijk belang is voor de sociale en economische ontwikkeling in de EU;

9.  wijst erop dat de jeugdwerkloosheid momenteel zeer hoog is en verzoekt om ruime begrotingsmiddelen vrij te maken voor de aanpak van dit probleem, door de banden tussen onderwijs, onderzoek en innovatie te versterken, wat een cruciale rol speelt bij de aanwerving van jongeren, en door opleidingen aan te bieden aan werknemers en ambtenaren van lokale en nationale overheden, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan achterstandsgebieden.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.6.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

2

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Dominique Bilde, Andrea Bocskor, Silvia Costa, Mircea Diaconu, Damian Drăghici, Jill Evans, Petra Kammerevert, Rikke Karlsson, Andrew Lewer, Svetoslav Hristov Malinov, Curzio Maltese, Fernando Maura Barandiarán, Luigi Morgano, Momchil Nekov, Michaela Šojdrová, Yana Toom, Helga Trüpel, Sabine Verheyen, Julie Ward, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver, Krystyna Łybacka

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Norbert Erdős, Mary Honeyball, Marc Joulaud, Ernest Maragall

16.6.2015

ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

aan de Begrotingscommissie

inzake het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2016

(2015/2074(BUD))

Rapporteur voor advies: Barbara Matera

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat het Parlement, de Raad en de Commissie in november 2013 in het kader van een gezamenlijke verklaring zijn overeengekomen dat in de jaarlijkse begrotingsprocedures die worden toegepast voor het meerjarig financieel kader (MFK) 2014-2020, waar passend, genderelementen zullen worden geïntegreerd;

B.  overwegende dat genderstereotypen en de aanzienlijke loonkloof die er nog steeds bestaat tussen mannen en vrouwen ervoor kunnen zorgen dat vrouwen verhinderd of ontmoedigd worden om hun loopbaan op te starten of uit te bouwen, wat een negatieve invloed heeft op de economie alsook aanzienlijke gevolgen voor de werkgelegenheidsverruiming; overwegende dat toegang tot openbare diensten, die nog steeds een belangrijke werkgelegenheidssector voor vrouwen zijn, cruciaal is voor de economische onafhankelijkheid en de emancipatie van vrouwen; benadrukt dat de Commissie meer moet doen aan de bevordering van onderwijs en opleiding voor vrouwen en meisjes, met name op gebieden als wetenschap, technologie, engineering en wiskunde (STEM) en informatie- en communicatietechnologie (ICT), waar zich een aanzienlijke vaardigheidskloof voordoet en belangrijke kansen liggen voor toekomstige groei; overwegende dat er tegen 2025 naar schatting 7,7 miljoen banen zullen zijn waarvoor een diploma wetenschap, technologie, engineering of wiskunde nodig is en er tegen 2020 naar schatting 825 000 vacatures in de ICT-sector zullen zijn;

C.  overwegende dat geweld tegen vrouwen een belemmering vormt voor daadwerkelijke gelijkheid tussen vrouwen en mannen; overwegende dat er een gebrek aan beschikbare en vergelijkbare gegevens is op het vlak van geweld tegen vrouwen in de EU, maar dat het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) toegang biedt tot bestaande statistische gegevens en informatie;

D.  overwegende dat in overweging 10 van Verordening (EU) nr. 1381/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" voor de periode 2014-2020 wordt aangegeven dat "het van essentieel belang [is] dat bij de uitvoering van het programma de naam "Daphne" wordt behouden met betrekking tot de specifieke doelstelling die het voorkomen en bestrijden van geweld tegen kinderen, jongeren en vrouwen betreft, een en ander met als doel het profiel van de Daphne-programma's optimaal te behouden";

1.  herhaalt zijn verzoek om op een consistente manier te opteren voor genderbewuste budgettering in het kader van de hele begrotingsprocedure en het meerjarig financieel kader en om begrotingsuitgaven aan te wenden als effectief middel om de gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen; beveelt met het oog daarop aan dat er een externe werkgroep wordt ingesteld om de transparantie van het begrotingsproces met betrekking tot genderbewust budgetteren te vergroten;

2.  herinnert eraan dat de bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen volgens artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een fundamenteel beginsel van de EU is; herinnert eraan dat gendergelijkheid deel moet uitmaken van alle beleidsterreinen en aan de orde moet worden gesteld op alle niveaus van het begrotingsproces;

3.  verzoekt om invoering van genderbewust budgetteren in zowel Europese als nationale strategieën voor een doeltreffendere bevordering van gendergelijkheid; benadrukt dat er meer middelen specifiek moeten worden toegewezen voor de bestrijding van alle vormen van geweld en discriminatie jegens vrouwen en meisjes;

4.  roept de Commissie op financiering toe te wijzen aan programma's ter bevordering en ondersteuning van ondernemerschap bij vrouwen en de toegang tot microfinanciering, hoofdzakelijk in het kader van het programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen (COSME), het Europees Sociaal Fonds (ESF), het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI), de structuurfondsen en het EFSI;

5.  verzoekt de lidstaten gebruik te maken van de beschikbare ESF- en EFRO-middelen voor de bevordering van gendergelijkheid, meer bepaald op het gebied van werkgelegenheid, niet alleen door gendermainstreaming toe te passen, maar ook door maatregelen te nemen die rechtstreeks gericht zijn op kansarme vrouwen en daarbij naar behoren rekening te houden met de impact van de economische crisis, en door te investeren in hoogwaardige openbare diensten en met name te zorgen voor voldoende hoogwaardige en betaalbare diensten op het gebied van kinderopvang, bejaardenzorg en zorg voor afhankelijke personen; verzoekt om daadwerkelijke transparantie van de begroting voor de fondsen (ESF, PROGRESS, DAHPNE) die bestemd zijn voor gendergelijkheidsbeleid;

6.  benadrukt dat het nodig is om in het kader van het Erasmus+-programma onderwijscampagnes te steunen die tot doel hebben genderstereotypen te bestrijden en bewustwording te creëren omtrent gelijke rechten en kansen;

7.  roept de Commissie op een Europese waarnemingspost voor gendergerelateerd geweld op te zetten binnen het huidige EIGE en om hiertoe een bijkomend personeelslid aan te nemen in dit instituut; is van mening dat de begroting van het EIGE anderszins stabiel moet blijven;

8.  roept opnieuw op het Daphne-programma te behouden als afzonderlijke rubriek binnen het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap";

9.  vraagt andermaal om verdere ontwikkeling van genderspecifieke indicatoren en gegevens om de algemene begroting van de EU vanuit een genderperspectief te kunnen beoordelen en de inspanningen op het gebied van genderbewust budgetteren te monitoren.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.6.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

26

4

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Beatriz Becerra Basterrechea, Malin Björk, Anna Maria Corazza Bildt, Viorica Dăncilă, Iratxe García Pérez, Anna Hedh, Elisabeth Köstinger, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Angelika Mlinar, Maria Noichl, Marijana Petir, Terry Reintke, Liliana Rodrigues, Jordi Sebastià, Michaela Šojdrová, Ernest Urtasun, Elissavet Vozemberg, Jadwiga Wiśniewska, Anna Záborská, Jana Žitňanská

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Inés Ayala Sender, Izaskun Bilbao Barandica, Biljana Borzan, Louise Bours, Stefan Eck, Ildikó Gáll-Pelcz, Clare Moody, Branislav Škripek, Dubravka Šuica, Marc Tarabella

BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE BUITENLANDSE ZAKEN

Commissie buitenlandse zaken      Commissie buitenlandse zaken

- De Voorzitter -   - Lid -

Ref.: D(2015)26425

De heer Jean Arthuis

Voorzitter

Begrotingscommissie

Geachte voorzitter,

Door de laattijdige indiening van de ontwerpbegroting biedt het tijdschema dit jaar geen ruimte voor een formeel advies van onze commissie. Wij sturen u daarom namens de Commissie buitenlandse zaken deze brief met onze op- en aanmerkingen. Wij hopen ten zeerste dat de Begrotingscommissie onze opvattingen zal kunnen meenemen in haar verslag over het mandaat voor de trialoog. Wij hebben er begrip voor dat de pragmatische kalender voor de begrotingsprocedure onderwerp van interinstitutioneel overleg is, maar verzoeken u niettemin met klem om er bij de Commissie op aan te blijven dringen dat de ontwerpbegroting eerder in het jaar wordt ingediend, zodat onze commissie de komende jaren weer een regulier advies kan uitbrengen.

Het blijft onze primaire zorg dat de begroting de EU in staat stelt haar rol als mondiale speler te vervullen. De EU-begroting dient een getrouwe afspiegeling te zijn van de mondiale prioriteiten van de EU, met een dienovereenkomstige middelentoewijzing. In dit verband juichen wij de verhoging van de vastleggingskredieten in rubriek 4 met 5,6% ten opzichte van 2015 toe, waarmee eindelijk een begin wordt gemaakt met het wegwerken van de grote bezuinigingen in de eerste jaren van het meerjarig financieel kader. Gezien de labiele politieke situatie in onze directe omgeving en daarbuiten, zijn wij evenwel van mening dat op bepaalde prioritaire gebieden een verdere versterking geboden is.

Wij willen tevens benadrukken dat de aanzienlijke verhoging van de betalingskredieten voor rubriek 4, namelijk met 28,5%, ook een uiterst positieve ontwikkeling is die soelaas zal bieden met het oog op het tekort aan betalingskredieten dat de goede werking van een aantal financiële instrumenten in gevaar heeft gebracht. Het is werkelijk cruciaal dat deze verhoging in de definitieve begroting behouden blijft. Met name het Instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede heeft operationeel gezien zware klappen te verduren gehad. Daarnaast zijn wij er, gezien de lopende conflicten en de zich aftekenende dreigingen in het Middellandse Zeegebied, van overtuigd dat het voorgestelde bedrag van 82,4 miljoen EUR aan betalingskredieten verder moet worden opgetrokken, om de betalingsachterstand afdoende aan te pakken en daarnaast te voorzien in behoeften die zich in crisissituaties kunnen voordoen.

Een verantwoordelijke rol als mondiale speler vervullen houdt in dat er, steeds volgens de meer-voor-meer-benadering, voldoende steun wordt verstrekt aan de landen in onze nabuurschap, die voor enorme uitdagingen op alle belangrijke beleidsterreinen staan. Wij zijn in dit verband ingenomen met de politieke nadruk die in deze ontwerpbegroting wordt gelegd op de ontwikkelingen in onze nabuurschap, zowel in het oosten als in het Middellandse Zeegebied. Wij onderstrepen echter dat de vastleggingskredieten voor het Europees Nabuurschapsinstrument verder moeten worden verhoogd, gelet op de dringende noodzaak van EU-optreden in de betrokken landen. Het besluit om met de steun voor de Syrische regio boven de financiële planning voor 2016 uit te gaan, is een belangrijke stap die de omvang van de problemen waarmee we worden geconfronteerd duidelijk maakt, maar wij willen tegelijk benadrukken dat de problemen in Libië van kritieke aard zijn en dat er in deze context aan specifieke maatregelen moet worden gewerkt. Ook zouden wij graag een soortgelijk optreden in de oostelijke nabuurschap zien, in het bijzonder in Oekraïne. Wij juichen evenzo de toegenomen steun voor het Europees Instrument voor democratie en mensenrechten toe en vertrouwen erop dat de toewijzing van begrotingsmiddelen voor het actief verdedigen van de mensenrechten zal blijven stijgen. Wij moeten kritisch opmerken dat, net als in voorgaande jaren, de in de ontwerpbegroting vermelde bedragen niet voldoende zijn om de feitelijke financiering van veel programma's te dekken, en wij verzoeken u dan ook met klem om de basisvoorwaarden te scheppen voor een correctie in de definitieve begroting. In dit verband zij onderstreept dat consequente en grotere steun voor het vredesproces in het Midden-Oosten, de Palestijnse Autoriteit en UNWRA dringend geboden is.

Evenzo willen wij onze tevredenheid uitspreken over de grote inspanningen die door middel van een verhoging van de betalingskredieten gericht zijn op het oplossen van het probleem van eerder opgetreden onderbrekingen in de humanitaire hulpverlening. Niettemin willen we erop wijzen dat de aanhoudende humanitaire crises in de hele wereld een verdere versterking van dit instrument vereisen.

Met betrekking tot het budget van de Europese Dienst voor extern optreden stellen wij vast dat er nog steeds geen werk is gemaakt van de overheveling van de begrotingslijn voor speciale EU-vertegenwoordigers van de GBVB-begroting naar de EDEO-begroting. Hoewel de noodzaak van deze overheveling is vastgesteld in de EDEO-evaluatie, worden alle pogingen om hieraan uitvoering te geven al geruime tijd geblokkeerd. Wij zijn nog steeds van mening dat een goed geïntegreerd buitenlands beleid van de EU vereist dat de diplomatieke activiteiten van de EU op deze wijze worden geconsolideerd.

Wij zouden het zeer op prijs stellen als deze suggesties bij de voorbereiding van het verslag in aanmerking werden genomen.

Hoogachtend,

Elmar Brok              Cristian Dan Preda

(getekend)              (getekend)

BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE INTERNATIONALE HANDEL

Brief d.d. 16 juni 2015 van Reimer Böge (Commissie internationale handel), aan José Manuel Fernandes (Begrotingscommissie)

Vertaling

Betreft:  Mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2016

Geachte heer,

Als rapporteur van de Commissie internationale handel (INTA) voor de begroting 2016 zou ik u willen meedelen welke de prioriteiten van INTA zijn voor de begroting 2016, zoals overeengekomen door de coördinatoren van INTA op 15 juni 2015.

In de eerste plaats is INTA van mening dat de begroting van de Europese Unie met voldoende financiële middelen het feit moet ondersteunen dat de Commissie handel als een van de belangrijkste prioriteiten in haar werkprogramma vaststelt. Handel is niet alleen een krachtig instrument om groei en werkgelegenheid in Europa te creëren, maar ook een belangrijk instrument van het buitenlands beleid dat de ruimere internationale doelstellingen van de EU kan ondersteunen, waarbij Europese waarden zoals vrede, vrijheid en democratie in de hele wereld worden bevorderd. Handel kan fungeren als een instrument ter verbetering van de arbeids-, milieu-, en mensenrechtennormen. Om deze doelstellingen te bereiken, moeten voldoende financiële middelen worden toegewezen.

Om het hoofd te bieden aan de uitdagingen die het gevolg zijn van het veranderende geopolitieke landschap, zal het gemeenschappelijk handelsbeleid in de toekomst naar verwachting nog belangrijker worden. Voldoende financiële middelen uit de begroting van de Unie zijn onontbeerlijk om een deugdelijke strategie inzake het handels- en investeringsbeleid mogelijk te maken en ervoor te zorgen dat handel een doeltreffend instrument kan blijven om bij te dragen aan werkgelegenheid, economische groei en duurzame ontwikkeling.

Bovendien blijft de EU-agenda inzake handelsbesprekingen zeer ambitieus: TTIP, Japan, een investeringsovereenkomst met China, de ASEAN-landen, de ACS-landen, de modernisering van de associatieovereenkomsten met Mexico en Chili, de Overeenkomst inzake handel in diensten (TiSA), de WTO, enz. De huidige en komende onderhandelingen zullen veel middelen blijven vergen van de diensten van de Commissie, met name van DG Handel. De begroting voor de werkzaamheden op het gebied van handel moet dus voldoende worden verhoogd om ervoor te zorgen dat de EU in staat is om met succes te onderhandelen over haar ambitieuze handelsagenda.

Het is van fundamenteel belang dat onze handelsovereenkomsten goed worden beheerd. In dit verband deelt INTA het standpunt van de Rekenkamer in haar speciaal verslag nr. 02/2014 getiteld "Worden de preferentiële handelsregelingen naar behoren beheerd?", namelijk dat de Commissie extra inspanningen moet leveren met betrekking tot het toezicht op de uitvoering en de gevolgen van de handelsovereenkomsten die zij heeft gesloten. De EU zou hoe dan ook baat hebben bij de toewijzing van voldoende middelen voor tussentijdse evaluaties en evaluaties achteraf van de naleving door derde landen van hun verbintenissen ten aanzien van de EU. Deze evaluaties zouden een belangrijk onderdeel moeten worden van de begrotingslijnen in verband met handelsactiviteiten, omdat het van cruciaal belang is dat de Commissie kan aantonen dat de beleidskeuzes die de cowetgevers hebben gemaakt, daadwerkelijk de beoogde resultaten hebben opgeleverd.

De INTA-leden zijn bezorgd over het feit dat veel burgers in de Unie de globalisering gelijkstellen met een dalende Europese productie en banenverlies. Om de burgers weer aan boord te krijgen, moet de Commissie meer investeren in de ontwikkeling van een efficiëntere communicatiestrategie over het handelsbeleid van de Unie en over de voor- en nadelen van internationale handel.

In dit verband willen wij benadrukken dat ten volle gebruik moet worden gemaakt van alle beschikbare EU-middelen om de belangen van de burger te dienen en om de blijvende creatie van nieuwe hoogwaardige banen in de Unie te steunen.

INTA benadrukt dat in de begroting 2016 rekening moet worden gehouden met het succes van de 9e ministeriële conferentie van de Wereldhandelsorganisatie. Met name moeten er voldoende middelen worden toegewezen aan de programma's voor de uitvoering van de handelsfacilitatieovereenkomst door de ontwikkelingslanden en de minst ontwikkelde landen. Dit vereist de verlening van technische bijstand en capaciteitsopbouw aan de WTO-partners, vooral via "Aid for Trade".

Gezien de grote uitdagingen waarvoor het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) staat, blijft INTA benadrukken dat aan het ENB voldoende begrotingsmiddelen moeten worden toegewezen zodat passende handelsgerelateerde technische ondersteuning en bijstand ter beschikking kunnen worden gesteld van onze belangrijkste partners, met name die van het Oostelijk Partnerschap en de landen van na de Arabische Lente. INTA benadrukt dat het belang van het programma voor macrofinanciële bijstand (MFB) tot uiting moet komen in de begroting van de Unie, aangezien dit een buitengewoon nuttig instrument blijkt te zijn om partners in een precaire financiële situatie te steunen. Graag willen wij eraan herinneren dat het Europees Parlement op 15 april 2015 officieel het besluit heeft goedgekeurd inzake het derde MFB-programma voor Oekraïne voor een bedrag van maximaal 1,8 miljard EUR. Uit het steunpakket voor Oekraïne is gebleken dat enige flexibiliteit bij de toekenning van economische en financiële bijstand aan derde landen van cruciaal belang is, aangezien crises van diverse aard zich in de partnerlanden van de EU zeer snel kunnen ontwikkelen.

Tot slot is het belangrijk dat de begroting van de Unie voorziet in financiering voor initiatieven ter bevordering van de internationalisering van Europese kmo's. Er is echter nog veel werk, want slechts ongeveer 13 % van de Europese kmo's is momenteel buiten de EU actief. Met het oog op optimale efficiëntie en doeltreffendheid van de uitgaven van de EU voor de bevordering van de internationalisering en het concurrentievermogen van Europese kmo's, vragen de leden van INTA de Commissie de bestaande instrumenten te evalueren en te verbeteren, alsook ervoor te zorgen dat er voldoende controle en toezicht is op de verschillende activiteiten op dit gebied.

Hoogachtend,

Reimer BÖGE

BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE BURGERLIJKE VRIJHEDEN, JUSTITIE EN BINNENLANDSE ZAKEN

Brief d.d. 19 juni 2015 van Claude Moraes, voorzitter van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, aan Jean Arthuis, voorzitter van de Begrotingscommissie

Vertaling

IPOL-COM-LIBE D (2015) 27747

De heer Jean ARTHUIS

Voorzitter van de Begrotingscommissie

WIC M02024

Straatsburg

Betreft:     Prioriteiten van LIBE voor de begroting 2016

Mijnheer de voorzitter,

Met het oog op de trialoog in juli en gezien uw mandaat daarvoor wil ik u op de hoogte stellen van de prioriteiten van LIBE voor de begroting 2016.

Voor de LIBE-commissie is het van het grootste belang dat in de begroting voor volgend jaar de budgettaire mogelijkheden worden gecreëerd voor een adequate respons op de humanitaire uitdaging die uitgaat van het stijgende aantal aankomende mensen en het tragische verlies van mensenlevens, met name gezien de situatie in het Middellandse Zeegebied.

In de ontwerpbegroting 2016 worden positieve stappen in de goede richting gezet. Dat middelen uit het flexibiliteitsinstrument worden ingezet en een tijdelijk hervestigingsmechanisme wordt opgezet, moet worden toegejuicht. De LIBE-commissie is ook ingenomen met de voorgestelde substantiële verhoging van de middelen van het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) in de ontwerpbegroting 2016; in dit verband verzoeken wij de Commissie ervoor te zorgen dat er voor alle voorstellen op dit gebied adequate financiering beschikbaar is. Het Parlement hamert er consequent op dat alles in het werk moet worden gesteld om te voorkomen dat er nog meer mensen op zee om het leven komen, en dat de nodige middelen moeten worden verstrekt voor de correcte nakoming van de zoek- en reddingsverplichtingen.

Verder zijn de fracties in LIBE in meerderheid verheugd over de voorgestelde verhoging van de Frontex-begroting en steunen het voorstel van de Commissie om EASO, Frontex, Eurojust en Europol buiten de herindelingspool te houden. Onze commissie betreurt evenwel de verlaging van de EASO-begroting wegens niet-besteding van middelen in de voorgaande begrotingsperiode, en staat erop dat aan EASO voldoende middelen worden toegewezen, zodat dit bureau zijn taken kan uitvoeren en op een toegenomen werklast kan reageren. Onze commissie doet een hernieuwde oproep aan de Commissie om zich op de herindelingspool te bezinnen en de werklast en taken van elk van de agentschappen beter in aanmerking te nemen. De commissie stelt met klem dat er een adequate financiering moet worden gewaarborgd om te kunnen reageren op nieuwe uitdagingen op het gebied van migratie en interne veiligheid.

Onze commissie is van mening dat het budgettaire effect van de maatregelen die in het kader van de Europese Veiligheidsagenda zijn gepresenteerd, met name voor Europol en zijn taken op het gebied van terreurbestrijding, georganiseerde misdaad en cybercriminaliteit, nadere uitleg en uitwerking door de Commissie behoeft, zodat de medewetgevers beter weten wat een passende middelentoewijzing voor die doeleinden is.

Daarnaast verzoekt onze commissie om een betere financiering van de instrumenten voor het monitoren en bevorderen van de rechtsstaat en van een behoorlijke werking van het gerechtelijke systeem. In dit verband is het teleurstellend dat het budget van het Bureau voor de grondrechten, dat een centrale rol speelt bij het toezicht op de eerbiediging van de grondrechten, in het geheel niet is verhoogd.

Tot slot verzoeken wij de Commissie om de behoeften van het EMCDDA te evalueren, rekening houdend met de grotere werklast als gevolg van het toegenomen aantal nieuwe psychoactieve stoffen.

Hoogachtend,

Claude MORAES

BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE CONSTITUIONELE ZAKEN

Brief d.d. 18 juni 2015 van Danuta Maria Hübner, voorzitter van de Commissie constitutionele zaken, aan Jean Arthuis, voorzitter van de Begrotingscommissie

Vertaling

Betreft:  Prioriteiten van AFCO inzake het mandaat voor de trialoog over de begroting 2016

Mijnheer de voorzitter,

De Commissie constitutionele zaken, waarvan ik voorzitter ben, is zich ervan bewust dat de begrotingsprocedure dit jaar iets later van start is gegaan dan gebruikelijk, namelijk met de presentatie van de ontwerpbegroting 2016 van de Commissie op 27 mei 2015. Aangezien deze vertraging een zeer krap tijdschema oplegt voor de goedkeuring van uw verslag over het mandaat voor de trialoog over de begroting 2016, hebben de AFCO-coördinatoren op hun vergadering van 26 februari 2015 afgesproken onze bijdrage aan de voorbereiding van dit ontwerpverslag te leveren in de vorm van een brief waarin de prioriteiten van AFCO voor de begroting voor het volgende jaar worden uiteengezet.

De Commissie constitutionele zaken zou dan ook uw aandacht willen vestigen op de volgende prioritaire gebieden die dit jaar tijdens de begrotingsonderhandelingen moeten worden aangepakt:

- Tijdens een hoorzitting eerder dit jaar over de uitvoering van het Europees burgerinitiatief tot nu toe zijn we te weten gekomen welke belemmeringen de Europese burgers ondervinden bij de uitoefening van hun recht om een dergelijk initiatief te starten. Aangezien dit nieuwe instrument stilaan op kruissnelheid komt en we graag zouden hebben dat het wordt verbeterd ten behoeve van de burgers, vraagt AFCO dat dit programma, evenals de onderliggende communicatiestrategie, passende financiering krijgt om zijn doelstellingen te verwezenlijken, en dat het zichtbaarder wordt gemaakt door de invoering van een specifieke subpost in de begroting;

- Verder is AFCO ingenomen met het feit dat de Commissie heeft voorgesteld om de kredieten voor het programma "Europa voor de burger" en voor communicatie te verhogen, aangezien deze instrumenten van essentieel belang zijn om de processen van participatieve democratie in de EU te intensiveren en om het vertrouwen en het inzicht van de burgers in het Europees beleid en de Europese politiek te vergroten;

- Wat de begroting van het Parlement betreft, is het de moeite waard om te zorgen voor voldoende financiering voor programma's die de communicatie en interactie met de burgers bevorderen en hen inlichten over de werkzaamheden van het Parlement, alsook voor het versterken van programma's voor de uitwisseling van gegevens met de nationale parlementen.

Ik ben ervan overtuigd dat de Begrotingscommissie onze suggesties in aanmerking zal nemen bij het opstellen van het mandaat voor de trialoog over de begroting 2016.

Hoogachtend,

Danuta Hübner

CC:  José Manuel Fernandes, BUDG-rapporteur voor de begroting 2016 - Afdeling III - Commissie

  Gérard Deprez, BUDG-rapporteur voor de begroting 2016 - Overige afdelingen

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

23.6.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

29

4

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nedzhmi Ali, Jonathan Arnott, Jean Arthuis, Richard Ashworth, Reimer Böge, Lefteris Christoforou, Jean-Paul Denanot, Gérard Deprez, José Manuel Fernandes, Eider Gardiazabal Rubial, Jens Geier, Ingeborg Gräßle, Iris Hoffmann, Monika Hohlmeier, Bernd Kölmel, Zbigniew Kuźmiuk, Vladimír Maňka, Ernest Maragall, Sophie Montel, Siegfried Mureşan, Liadh Ní Riada, Jan Olbrycht, Younous Omarjee, Paul Rübig, Patricija Šulin, Eleftherios Synadinos, Paul Tang, Isabelle Thomas, Monika Vana, Daniele Viotti

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Janusz Lewandowski, Ivan Štefanec, Nils Torvalds, Derek Vaughan, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Tiziana Beghin, Marco Zullo

(1)

PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(2)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.

(3)

PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0061.

(5)

  This results from the so-called "N+2" / "N+3" rules whereby payments have to be made within two (N+2) or three (N+3) years after the corresponding commitments have been made. At the end of 2013, the two decommitment rules applied at the same time.

(6)

  The total additional payment appropriations authorised through amending budgets amounted to EUR 6.7 billion in 2012, EUR 11.6 billion in 2013 and EUR 3.5 billion in 2014.

(7)

  The backlog of outstanding payment claims for the 2007-2013 Cohesion programmes at year-end increased from EUR 11 billion in 2011 to EUR 16 billion in 2012, EUR 23.4 billion in 2013, and EUR 24.7 billion in 2014.

(8)

  It is to be noted that for shared management policies such as Cohesion policy (where the Commission reimburses Member States’ expenditure), interest for late payments does not apply.

(9)

  The remaining 5% is to be paid at the programme closure, which will take place in 2017-2019, after the Commission's assessment that the programme has been implemented successfully and that no correction needs to be made.

(10)

  Cohesion policy legislation provides for a regulatory deadline of 60 days.

(11)

  Definition of normal and abnormal backlog is in section 3.4 and 4.3.

(12)

  The amending budget 2/2014 was originally presented as draft amending budget 3/2014.

(13)

  Monthly reports on interim payments and pending claims, Budget Forecast Alert (twice a year)

(14)

  DEC 54/2014.

(15)

  Unpaid amounts resulting from the reduction of pre-financing rates to a rate below the legal/normal minimum are not included in the current definition of "outstanding payment claims": however, for a number of programmes, some reduction of pre-financing rates has been implemented in 2014 (in some case already in 2013) in order to postpone payments to a later date.

(16)

  Art. 87 of CR 1083/2006: " …requests for interim payments are grouped together, as far as possible, on 3 separate occasions a year"

(17)

  Identical to the one included in the executive summary.

(18)

  Articles 91 and 92 respectively of Regulation 1083/2006 for programming period 2007-2013.

(19)

  Due to the cash-flow constraints in the first months of the year (see section 3.3 above), part of the backlog might not be paid within the regulatory deadlines at the beginning of the year.

(20)

  Except for Croatia, Romania, Slovakia

(21)

  Article 76 of Council Regulation (EC) No 1083/2006 of 11 July 2006 laying down general provisions on the European Regional Development Fund, the European Social Fund and the Cohesion Fund and repealing Regulation (EC) No 1260/1999 (OJ L 210, 31.7.2006, p. 25).

(22)

  Article 112 of Regulation (EU) No 1303/2013 of the European Parliament and of the Council of 17 December 2013 laying down common provisions on the European Regional Development Fund, the European Social Fund, the Cohesion Fund, the European Agricultural Fund for Rural Development and the European Maritime and Fisheries Fund and laying down general provisions on the European Regional Development Fund, the European Social Fund, the Cohesion Fund and the European Maritime and Fisheries Fund and repealing Council Regulation (EC) No 1083/2006 (OJ L 347, 20.12.2013, p. 320).

(23)

  The forecasts submitted by Member States in January 2015 did not cover all operational programmes. For these cases, the Commission has used the forecasts received last September. Such an extrapolation of missing Member States' forecasts is not possible for 2016, since the forecasts submitted in September 2014 covered 2014 and 2015 only (not yet 2016). This means that the forecast for 2016 includes only the operational programmes for which the Member States transmitted the information and might have to be revised upward when the missing information is transmitted.

(24)

  Article 79 of Council Regulation (EC) No 1083/2006 lays down that "The cumulative total of pre-financing and interim payments made by the Commission shall not exceed 95% of the seven-year contribution from the Funds to the Operational Programme; the remaining 5% will only be paid at the closure of the Operational Programme."

(25)

  Article 89 of Council Regulation (EC) No 1083/2006 of 11 July 2006 laying down general provisions on the European Regional Development Fund, the European Social Fund and the Cohesion Fund and repealing Regulation (EC) No 1260/1999 (OJ L 210, 31.7.2006, p. 25).

(26)

  + EUR 406 million (net increase in payment appropriations) for Humanitarian Aid, + EUR 30 million for DCI and + EUR 250 million for ENI.

(27)

  The graph however does not reflect the impact of the reduced level of pre-financing.

(28)

Zie het document van de Commissie "Elementen voor een betalingsplan om de EU-begroting op een houdbaar niveau te brengen", dat op 16 april 2015 in het Parlement werd toegelicht;

Juridische mededeling