Procedure : 2014/2210(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0223/2015

Ingediende teksten :

A8-0223/2015

Debatten :

PV 07/09/2015 - 26
CRE 07/09/2015 - 26

Stemmingen :

PV 08/09/2015 - 5.10
CRE 08/09/2015 - 5.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0290

VERSLAG     
PDF 270kWORD 271k
30.6.2015
PE 544.219v03-00 A8-0223/2015

over familiebedrijven in Europa

(2014/2210(INI))

Commissie industrie, onderzoek en energie

Rapporteur: Angelika Niebler

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
 ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over familiebedrijven in Europa

(2014/2210(INI))

Het Europees Parlement,

–       gezien artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–       gezien de in 2003 door de Europese Commissie vastgestelde criteria voor de definitie van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's),

–       gezien het "Actieplan ondernemerschap 2020" van de Europese Commissie (COM(2012)0795),

–       gezien het verslag van de deskundigengroep voor de Europese Commissie van 2009 getiteld "Overview of family-business-relevant issues: research, policy measures and existing studies",

–       gezien zijn resolutie van 5 februari 2013 over betere toegang tot financiering voor kmo's(1),

–       gezien zijn resolutie van 15 januari 2014 over de herindustrialisering van Europa ter bevordering van concurrentievermogen en duurzaamheid(2),

–       gezien de mededeling van de Commissie "Denk eerst klein" Een "Small Business Act" voor Europa" (COM(2008)0394),

–       gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–       gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0223/2015),

A.     overwegende dat eigendom overeenkomstig artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie wordt beschermd;

B.     overwegende dat familiebedrijven in het algemeen altijd een groot aandeel hebben gehad in bloeiperioden van de Europese economie en een beduidende rol spelen bij economische groei en een belangrijke factor zijn voor sociale ontwikkeling, terugdringing van werkloosheid met name onder jongeren, en investering in menselijk kapitaal; overwegende dat de multigenerationele aard van familiebedrijven de stabiliteit van de economie versterkt; overwegende dat familiebedrijven een essentiële rol spelen in de ontwikkeling van gebieden met betrekking tot werkgelegenheid, kennisoverdracht en regionale organisatie; overwegende dat gericht beleid ten behoeve van het familiebedrijf ondernemerschap kan stimuleren en Europese families kan motiveren om hun eigen familiebedrijf te starten;

C.     overwegende dat volgens het Ernst and Young Family Business Yearbook 2014 85 % van alle Europese ondernemingen familiebedrijven zijn die zorgen voor 60 % van de banen in de particuliere sector;

D.     overwegende dat familiebedrijven verschillend in omvang zijn, waardoor zij met uiteenlopende moeilijkheden en problemen worden geconfronteerd;

E.     overwegende dat familiebedrijven kleine, middelgrote of grote ondernemingen, en beursgenoteerde of niet-beursgenoteerde ondernemingen kunnen zijn; overwegende dat zij min of meer gelijkgesteld worden met kmo's, daargelaten dat er ook zeer grote multinationals bestaan die familiebedrijven zijn; overwegende dat in sommige EU-lidstaten een groot deel van de totale omzet van alle ondernemingen voor rekening komt van enkele weinige familiebedrijven die zodoende een belangrijke bijdrage leveren aan de instandhouding, ook in tijden van crisis, en het scheppen van werkgelegenheid en groei en het economische succes van die landen; overwegende dat veel familiebedrijven die niet meer onder de kmo-definitie vallen, maar ook verre van een groot concern zijn, niet in aanmerking komen voor bepaalde financieringsmogelijkheden en administratieve vrijstellingen; overwegende dat dit onvermijdelijk onnodige bureaucratie in de hand werkt, ook voor middelgrote familiebedrijven een zware belasting;

F.     overwegende dat een aanzienlijk aantal familiebedrijven actief is in meer dan één land, hetgeen betekent dat het familiebedrijf als ondernemingsvorm een transnationale dimensie heeft;

G.     overwegende dat directe belastingen en erfrecht onder de bevoegdheden van de lidstaten vallen en dat sommige lidstaten maatregelen hebben getroffen om familiebedrijven te steunen en hun problemen te verlichten;

H.     overwegende dat familiebedrijven blijk geven van een hoge integriteit ten aanzien van de waarden die ten grondslag liggen aan hun bedrijfsactiviteiten en hoge normen hanteren waar het gaat om hun verantwoordelijkheid jegens hun werknemers en het milieu, wat ook een gunstig klimaat schept voor het werk/levensevenwicht; overwegende dat familiebedrijven ervoor zorgen dat knowhow en vaardigheden worden overgedragen en overwegende dat zij in bepaalde regio's ontegenzeggelijk een maatschappelijk bindmiddel vormen;

I.      overwegende dat het familiebedrijf in de landbouw het meest gangbare bedrijfsmodel is en familiebedrijven in sterke mate bijdragen aan het voorkomen van de ontvolking van plattelandsgebieden en in veel gevallen de enige bron van werkgelegenheid vormen in achtergebleven regio's van Europa, met name in minder sterk geïndustrialiseerde regio's; overwegende dat familieboerderijen een succesvol model zijn gebleken, omdat daar het beginsel van de ecologisch-sociale kringloopeconomie actief in praktijk wordt gebracht en vrouwen als bedrijfsleidsters in landbouwbedrijven niet alleen een ondernemende geest meebrengen, maar ook beschikken over specifieke communicatieve en sociale vaardigheden;

J.      overwegende dat het werk van de deskundigengroep van de Commissie inzake familiebedrijven al meer dan vijf jaar geleden werd afgerond en sindsdien op EU-niveau geen nieuw initiatief werd ontplooid; overwegende dat er nog altijd een gebrek is aan onderzoek en gegevens op nationaal en Europees niveau om meer inzicht te krijgen in de specifieke behoeften en structuren van familiebedrijven;

K.     overwegende dat er geen Europawijde juridisch bindende, concrete, eenvoudige en uniforme definitie voor familiebedrijf bestaat;

L.     overwegende dat het door het ontbreken van een definitie niet mogelijk is om vergelijkbare gegevens te verzamelen in de EU-lidstaten en aldus de aandacht te vestigen op de bijzondere situatie en economische prestaties van familiebedrijven; overwegende dat dit gemis van betrouwbare en vergelijkbare gegevens de beleidsvorming kan belemmeren en verhinderen dat aan de behoeften van familiebedrijven wordt tegemoetgekomen;

M.    overwegende dat familiebedrijven, naast hun economische beduiding, ook een belangrijke rol in sociale zin spelen;

N.     overwegende dat niet in alle 28 EU-lidstaten verenigingen of andere structuren voor belangenvertegenwoordiging bestaan die zich nadrukkelijk inzetten voor de belangen van familiebedrijven;

O.     overwegende dat de inspanningen op EU-niveau met betrekking tot het stimuleren van ondernemerschap en startende bedrijven moeten worden versterkt en gepaard moeten gaan met meer aandacht voor het faciliteren en stimuleren van het voortbestaan op de lange termijn van familiebedrijven;

P.     overwegende dat het familiebedrijfsmodel ongelijk is verspreid over de lidstaten van de EU; overwegende dat een aanzienlijk deel van de familiebedrijven in Europa een transnationale dimensie heeft waarbij activiteiten worden ontplooid in verschillende lidstaten;

Q.     overwegende dat vrouwen in de EU per uur gemiddeld 16 % minder verdienen dan mannen, dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in leidinggevende posities en topfuncties en dat voor vrouwen en mannen niet dezelfde arbeidspraktijken en beloningsstelsels gelden, hetgeen hun financiële onafhankelijkheid, hun volwaardige participatie op de arbeidsmarkt en het evenwicht tussen werk en privéleven in de weg staat;

R.     overwegende dat vrouwen veelal een onderbelichte rol spelen of alleen in naam een belangrijke functie vervullen, en dat er onvoldoende recht wordt gedaan aan hun functie- en salarisniveau, met alle gevolgen van dien op het vlak van afdrachten, pensioenen en sociale rechten, alsmede wat betreft erkenning van kwalificaties, zoals blijkt uit gegevens over de loonkloof en de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen(3);

Belang voor de economie

1.      benadrukt dat familiebedrijven blijk geven van een grote sociale verantwoordelijkheid jegens hun personeel en van een actief en verantwoord beheer van hulpbronnen, en zich bij de bezinning op de economische toekomst van hun onderneming in principe laten leiden door een duurzame langetermijnvisie (door zich te gedragen als "eervolle ondernemer" of verantwoordelijke eigenaar), en derhalve een belangrijke bijdrage leveren aan hun lokale gemeenschap en het concurrentievermogen van Europa en hoogwaardige werkgelegenheid scheppen en in stand houden;

2.      benadrukt dat familiebedrijven een eigen geschiedenis hebben en op grond daarvan zeer nauw verbonden zijn met hun plaats van vestiging en derhalve ook in landelijke en minder aantrekkelijke gebieden werkgelegenheid scheppen en in stand houden, waardoor ze de vergrijzing en ontvolking waarmee grote gebieden in de Europese Unie te kampen hebben, helpen bestrijden; verzoekt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor de noodzakelijke kostenefficiënte infrastructuur om concurrentievermogen, innovatie, groei en duurzaamheid van de ondernemingen, en dan met name micro-ondernemingen en startende ondernemingen, te waarborgen en sectoroverschrijdende en grensoverschrijdende samenwerking te bevorderen en aldus deze ondernemingen te helpen groeien en internationaliseren;

3.      erkent dat familiebedrijven de grootste bron van werkgelegenheid in de particuliere sector zijn; stelt in dit verband dat wat gunstig is voor de continuïteit, de vernieuwing en de groei van familiebedrijven ook gunstig is voor de continuïteit, de vernieuwing en de bloei van de Europese economie;

4.      stelt vast dat met name zeer gespecialiseerde familiebedrijven een belangrijke rol spelen als innovator en toeleverancier van grotere ondernemingen en de ondernemingen waaraan zij leveren materiële zekerheid bieden vanwege de langetermijn- en intergenerationele aanpak van hun economische activiteiten en dat zij zodoende een niet onaanzienlijke bijdrage leveren aan de economische groei;

5.      wijst de Commissie erop dat de meeste familiebedrijven kmo's zijn(4) en dat het daarom van cruciaal belang is dat het beginsel "Denk eerst klein" wordt toegepast teneinde de Europese wetgeving beter aan te passen aan de reële omstandigheden en behoeften van deze bedrijven en hen in staat te stellen te profiteren van de steunprogramma's en de maatregelen ter verlichting van de administratieve lasten.

6.      stelt vast dat familiebedrijven een belangrijke rol kunnen spelen bij het aanmoedigen van minderheden en ondervertegenwoordigde groepen om deel te nemen aan hun plaatselijke economie;

7.      wijst erop dat de grotere mate van vertrouwen tussen familieleden ervoor zorgt dat familiebedrijven zeer flexibel zijn en zich snel kunnen aanpassen aan veranderingen in de ecosociale omgeving; stelt tegelijkertijd vast dat het voor geruime tijd opereren in een nichemarkt familiebedrijven in staat stelt te excelleren in het vaststellen van nieuwe mogelijkheden en innovatie;

Financiering

8.      stelt vast dat familiebedrijven vaak een duidelijk hoger eigenvermogensaandeel hebben dan niet-familiebedrijven, dat dit hogere eigenvermogensaandeel bijdraagt tot de economische stabiliteit van de onderneming en de gehele economie en tegelijkertijd ruimte creëert voor verdere investeringen in de onderneming, die daarom niet verder moet worden beperkt;

9.      verzoekt de lidstaten in deze context ervoor te zorgen dat nationale regelingen inzake erf-, schenkings- en ondernemingsbelasting eerder een ondersteunend dan discriminerend effect hebben op de voor familiebedrijven zo belangrijke financiering met eigen vermogen; herinnert eraan dat directe belastingen en erfrecht onder de bevoegdheden van de lidstaten vallen; roept de lidstaten dan ook op om de bevoordeling van schulden binnen hun fiscale stelsels te onderzoeken, en daarbij het effect op de financieringsstructuur van bedrijven en het investeringspeil te beoordelen en te zorgen voor gelijke behandeling van aandelenfinanciering ten opzichte van schuldfinanciering, zodat de bedrijfsopvolging en het langetermijnperspectief van familiebedrijven niet worden belemmerd; vraagt de Commissie en de lidstaten alle fiscale discriminatie van financiering met eigen vermogen te beoordelen tegen een achtergrond van eerlijke concurrentie;

10.    benadrukt dat het waarborgen van de bedrijfsfinanciering op lange termijn een cruciale concurrentiefactor is geworden; benadrukt in dit verband het belang van internationaal stabiele financiële marktstructuren; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de regulering van de financiële markten niet leidt tot onnodige lasten voor ondernemingen;

11.    vraagt de Commissie te overwegen de begunstigden van alle bestaande instrumenten voor kmo's en/of ondernemers, met name het Cosme-programma, uit te breiden naar middelgrote familiebedrijven;

12.    onderstreept dat vanwege de financiële crisis en de ongunstige conjunctuur een groot deel van de functies van familiebedrijven ondergefinancierd zijn en dat het van belang is dat familiebedrijven open en eenvoudige toegang hebben tot alternatieve bronnen van financiering;

13.    wijst in dit kader op het belang van het stimuleren van alternatieve vormen van kredietverlening, zoals kredietunies, aan familiebedrijven;

Uitdagingen

14.    stelt vast dat 35 % van de ondernemingen die niet in buitenlandse markten investeren, dit doet vanwege een gebrek aan kennis van die markten en gemis aan ervaring met internationalisering; verzoekt de Commissie en de lidstaten derhalve met name kleinere familiebedrijven informatie te verschaffen over de mogelijkheden van internationalisering via het internationaliseringsportaal voor kmo's en het Europese platform voor clustersamenwerking en te zorgen voor een betere uitwisseling van ervaringen en goede praktijken, zoals mogelijkheden voor internationalisering per internet; verzoekt de lidstaten bovendien ondersteunende diensten voor geplande internationaliseringen aan te bieden, bijvoorbeeld in de vorm van informatie voor ondernemingen of exportkredietgaranties, handelsbelemmeringen weg te nemen en specifiek onderwijs te bevorderen voor een ondernemerschapscultuur binnen het familiebedrijf;

15.    constateert dat de toegenomen internationalisering van familiebedrijven meer kansen biedt voor economische groei en het creëren van meer werkgelegenheid; vraagt de Commissie en de lidstaten daarom kleinere familiebedrijven hulp te bieden om beter gebruik te kunnen maken van de digitale infrastructuur;

16.    erkent dat de fiscale, wettelijke en administratieve omgeving waarin familiebedrijven (en door de eigenaar geleide ondernemingen) opereren, wordt bepaald door het gecombineerde effect van vennootschaps- en privaatrecht;

17.    stelt vast dat 87 % van de familieondernemers ervan overtuigd is dat het behoud van de zeggenschap over het bedrijf een van de belangrijkste succesfactoren is(5); stelt vast dat volgens het "Actieplan ondernemerschap 2020"(6) van de Commissie de overdracht van het eigendom van een onderneming en de overdracht van het beheer daarvan aan de volgende generatie de grootste uitdaging is die een familiebedrijf kan tegenkomen;

18.    merkt op dat innoveren en mensen aantrekken met de juiste vaardigheden en aanleg voor kleine en middelgrote familiebedrijven steeds weer een opgave is; roept de Commissie en de lidstaten dan ook op kleinere familiebedrijven de nodige stimulansen te bieden om risico's aan te gaan voor groei, en hen te motiveren hun personeel op te leiden en gebruik te maken van externe kennis;

19.    vraagt de lidstaten om de administratieve procedures en fiscale stelsels te vereenvoudigen, met name rekening houdende met de specifieke uitdagingen van kleine en middelgrote ondernemingen en familiebedrijven;

20.    dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan actie te ondernemen om digitaal ondernemerschap en digitale vaardigheden te ontwikkelen, zodat familiebedrijven volledig kunnen profiteren van het gebruik van digitale technologieën;

21.    vraagt de lidstaten het rechtskader voor de overdracht van familiebedrijven te verbeteren alsook speciale financieringsinstrumenten voor overdrachten in het leven te roepen en zodoende liquiditeitsproblemen te voorkomen, zodat het voortbestaan van familiebedrijven wordt gewaarborgd en gedwongen verkoop wordt vermeden; vraagt de Commissie en de lidstaten specifieke opleidingen voor familiebedrijven te bevorderen op het gebied van de overdracht van ondernemingen, bestuursstructuren, eigendomsstrategieën en innovatiestrategie, met name in landen waar het concept familiebedrijf historisch gezien nog niet zo gevestigd is, die zouden bijdragen aan succes op langere termijn, vooral op het punt van bedrijfsoverdracht;

22.    onderstreept dat het belangrijk is dat familiebedrijven een directe koppeling hebben met educatieve activiteiten die hen continu informeren over de meest geavanceerde praktijken van goed bedrijfsbeheer; benadrukt dat familiebedrijven een belangrijke bijdrage leveren aan het succes van hervormingen in het beroepsonderwijs en de stijging van het aantal stageplaatsen; stelt vast dat goed werkende stelsels voor beroepsopleiding op de lange termijn kunnen bijdragen tot het aanpakken van het tekort aan vakmensen en de bestrijding van de jeugdwerkloosheid; merkt op dat de Commissie en de lidstaten beste praktijken moeten uitwisselen voor de wijze waarop beroepsopleidingsstelsels de best mogelijke kadervoorwaarden kunnen bieden om te investeren in stageplaatsen;

23.    wijst voorts op de noodzaak om andere problemen waar familiebedrijven mee kampen aan te pakken, zoals problemen bij het vinden en behouden van goed opgeleide arbeidskrachten, en op het belang van beter onderwijs in ondernemerschap en familiebedrijf-specifieke managementopleidingen;

24.    benadrukt het belang van de door de EU gefinancierde opleidingsprogramma's voor kleine ondernemers, die eigenaren van familiebedrijven in staat stellen hun bedrijven aan te passen aan een snel veranderende omgeving als gevolg van de toenemende wereldwijde economische integratie, de opkomst van nieuwe technologieën en de focus op een koolstofarme en groenere economie;

25.    merkt op dat het bevorderen van ondernemerschap op scholen en in andere educatieve contexten van cruciaal belang is voor de ontwikkeling van meer ondernemingsgeest; merkt verder op dat onderwijs ook ruimte zou moeten bieden aan specifieke kwesties met betrekking tot familiebedrijven, zoals eigendom, opvolging en familiebestuur, tezamen met meer algemene informatie zoals het belang van innovatie als middel om het bedrijf opnieuw uit te vinden;

26.    vraagt de lidstaten met klem rekening te houden met de informele en onzichtbare werkzaamheden die worden verricht door familieleden, ook binnen familiebedrijven, en spoort de lidstaten aan in een duidelijk wettelijk kader te voorzien;

27.    benadrukt dat de bijdrage van familiebedrijven aan innovatie kan worden vergroot door hun deelname aan privaat-publieke partnerschappen en clusters te bevorderen en door hun samenwerking met onderzoeksinstellingen aan te moedigen;

Vooruitzichten

28.    vraagt de Commissie om in het kader van betere regelgeving een analyse te verrichten van de bestaande wetgeving die van invloed is op familiebedrijven teneinde problemen en barrières voor groei vast te stellen;

29.    verzoekt de Commissie opdracht te geven tot het uitvoeren van periodieke en voldoende gefinancierde studies waarin het belang van eigendom voor het welslagen en het voortbestaan van een onderneming wordt geanalyseerd en wordt aangetoond met welke specifieke uitdagingen familiebedrijven te maken krijgen, en het Europees Parlement een in samenwerking met Eurostat uit te werken statistisch werkbare definitie van het begrip "familiebedrijf" voor te stellen, rekening houdende met de verschillende omstandigheden in de respectieve lidstaten; verzoekt de Commissie bovendien om gebruik te maken van de bestaande "task force small and medium-sized enterprise data" om voldoende gegevens te verkrijgen over familiebedrijven in de afzonderlijke lidstaten, aan de hand waarvan de situatie van familiebedrijven onderling en die van familiebedrijven ten opzichte van niet-familiebedrijven zich laten vergelijken en de uitwisseling van kennis en goede praktijken over de gehele EU kan worden bevorderd, bijvoorbeeld door opzetten van een centraal aanspreekpunt voor familiebedrijven bij de Commissie en door een zo goed mogelijk gebruik van programma's als "Erasmus voor jonge ondernemers", en door voorzieningen te treffen voor meer gerichte bijstand;

30.    verzoekt de Commissie om aan de hand van een effectbeoordeling na te gaan of het mogelijk is de Europese definitie van kmo's uit 2003 uit te breiden en daarbij naast louter kwantitatieve criteria ook kwalitatieve criteria te hanteren waarin ook rekening wordt gehouden met de eigendom van de onderneming en de verwevenheid tussen eigendom, zeggenschap en leiding, alsook met het feit dat het risico en de aansprakelijkheid in één hand zijn, de sociale verantwoordelijkheid van een onderneming en meer algemeen met het persoonlijke karakter van de bedrijfsvoering, ook met het oog op de inspraak van werknemers in de bedrijfsactiviteiten, alsmede na te gaan welke gevolgen een dergelijke wijziging kan hebben voor familiebedrijven, bijvoorbeeld bij overheidssteun of subsidiabiliteit;

31.    verzoekt de Commissie in de tussentijd als onderdeel van haar effectbeoordeling, een haalbaarheidsstudie te laten verrichten naar een "familiebedrijf-test" (bijvoorbeeld voor het beleid ten aanzien van eigendom, bestuursstructuur en privacy), naar voorbeeld van de kmo-test, en deze test bij gebleken haalbaarheid zo spoedig mogelijk in te voeren, om de gevolgen van bepaalde rechtshandelingen voor familiebedrijven reeds bij de voorbereiding ervan te kunnen vaststellen, onder vermijding van onnodige bureaucratie en lastige obstakels voor familiebedrijven, en zich daarbij te richten op de gecombineerde effecten van het ondernemings- en het privaatrecht;

32.    wijst erop dat verschillen in bijvoorbeeld fiscale regelgeving, subsidieregelingen of implementatie van Europese wetgeving in aan elkaar grenzende landen problemen kunnen veroorzaken in de grensstreek voor ondernemers zoals familiebedrijven; verzoekt de lidstaten daarom voorgenomen nationale regelgeving en de voorgenomen wijze van implementatie van Europese wetgeving te toetsen op de effecten op ondernemers zoals familiebedrijven in grensregio's;

33.    verzoekt de Commissie een interne permanente werkgroep op te richten die zich specifiek bezighoudt met de behoeften en bijzondere kenmerken van familiebedrijven, regelmatig verslag uitbrengt aan het Parlement en de lidstaten, de uitwisseling van goede praktijken tussen organisaties van familiebedrijven in de lidstaten aanmoedigt en richtsnoeren en standaardteksten en ‑oplossingen voor familiebedrijven verspreidt om specifieke problemen te overwinnen; vraagt de Commissie ook een one‑stop shop te openen voor bedrijven die op Europees niveau als aanspreekpunt kan dienen voor familiebedrijven en hun belangenorganisaties en behulpzaam kan zijn bij specifieke kwesties in verband met vooral Europese wetgeving en toegang tot EU-financiering;

34.    onderstreept de rol van de vrouw als manager en leidinggevende in het familiebedrijf; vraagt de Commissie onderzoek te laten verrichten naar de aanwezigheid van vrouwen in familiebedrijven in Europa en de mogelijkheden te evalueren die door familiebedrijven worden geboden voor empowerment van vrouwen, gelijke kansen en evenwicht tussen werk en privéleven; stelt dat vrouwen evenveel recht als mannen hebben om een familiebedrijf over te nemen, waarvoor vereist is dat er een gelijkheidscultuur heerst die recht doet aan het vrouwelijk ondernemerschap en de rol van de vrouw als manager en leidinggevende in het familiebedrijf; benadrukt dat familiebedrijven moeten voldoen aan de wettelijke bepalingen met betrekking tot de sociale zekerheid, pensioenbijdragen en normen voor veilige arbeidsomstandigheden voor werknemers;

35.    wijst de lidstaten en de lokale en regionale overheden andermaal op het belang van voldoende hoogwaardige en betaalbare zorg voor kinderen, ouderen en andere hulpbehoevenden en van fiscale prikkels voor ondernemingen en andere compenserende maatregelen om vrouwen en mannen die als werknemer, zelfstandige of leidinggevende in een familiebedrijf werken, te helpen om werk en gezin te combineren;

36.    wijst op de noodzaak van afzonderlijk en behoorlijk betaald moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof, afgestemd op de behoeften van werknemers, zelfstandigen en ondernemers;

37.    verzoekt de Commissie en de lidstaten het Europees ambassadeursnetwerk voor vrouwelijk ondernemerschap en het Europees netwerk van mentoren voor vrouwelijke ondernemers te steunen om er meer bekendheid aan te geven;

38.    stelt vast dat de familieboerderijen, vanwege het grondbezit gebonden zijn aan een bepaalde locatie; verzoekt de Commissie en de lidstaten derhalve ervoor te zorgen dat het voortbestaan van deze familiebedrijven met name niet door buitensporige bureaucratie in gevaar wordt gebracht; wijst op de belangrijke rol van vrouwen in familieboerderijen en dringt er bij de lidstaten op aan steun te bieden voor beroepsopleiding en na- en bijscholing, met name voor boerinnen, zodat de directe inbreng van vrouwen in familieboerderijen verder wordt bevorderd;

39.    verzoekt de Commissie de ondernemingsgeest in de gehele EU sterker te bevorderen, met in het achterhoofd het belang van familiebedrijven binnen de EU-economie, en een omgeving te creëren voor economische topprestaties;

40.    verzoekt de Commissie met spoed een mededeling uit te brengen met een analyse van de rol van het familiebedrijf, met het oog op verbetering van het concurrentievermogen van de Europese economie tegen 2020, en op een uit te stippelen stappenplan met daarin de geëigende maatregelen voor versterking van de economische positie en ontwikkeling van het familiebedrijf in de EU, bewustmaking van de specifieke uitdagingen die het familiebedrijf wachten, en vergroting van hun concurrentiekracht, internationale vooruitzichten en werkgelegenheidspotentieel;

41.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0036.

(2)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0032.

(3)

http://ec.europa.eu/justice/gender-equality/files/gender_pay_gap/140319_gpg_nl.pdf

(4)

Eindverslag van de deskundigengroep "Overview of Family Business Relevant Issues", november 2009.

(5)

European Family Business Barometer, juni 2014.

(6)

COM(2012)0795.


TOELICHTING

Het bevorderen van werkgelegenheid, groei en investeringen is de topprioriteit van de politieke richtsnoeren voor de volgende Europese Commissie, die Commissievoorzitter Juncker aan het begin van zijn ambt, in de zomer van 2014 voorstelde – en terecht: door de financiële en economische crisis zijn in de gehele EU nog steeds ongeveer 25 miljoen mensen werkloos. Meer dan 5 miljoen werklozen zijn jonger dan 25. Het bruto binnenlands product is tijdens de crisis in enkele EU-lidstaten met dubbele cijfers gekrompen(1).

De eerste – weliswaar kleine – successen van het strenger economisch en budgettair toezicht van de EU zijn reeds zichtbaar; de Europese economie komt langzaam weer op gang. De Europese Commissie voorspelde voor 2015 een groei van het bruto binnenlands product (bbp) van 1,3 % (ten opzichte van 1,1 % in het afgelopen jaar) en voor 2016 een groei van 1,9 % (ten opzichte van 1,7 % in het afgelopen jaar). Maar Europa kan meer doen; ons potentieel is nog lang niet volledig benut. Het is belangrijk een positief investeringsklimaat te scheppen voor onze ondernemingen en meer algemeen in de gehele EU een sterker gevoel voor ondernemerschap te ontwikkelen.

Met name familiebedrijven kunnen een doorslaggevende rol spelen in het overwinnen van de financiële en economische crisis en de heropleving van de economie. Meer dan 60 % van alle ondernemingen in de Europese Unie zijn familiebedrijven. Zij zorgen voor 40 tot 50 % van de banen in de particuliere sector. Dit concludeerde de deskundigengroep van de Europese Commissie reeds in haar eindverslag van 2009.

Familiebedrijven denken sterker op de lange termijn dan ondernemingen die niet door de eigenaar worden geleid. Zij willen er namelijk voor zorgen dat zij ook onder leiding van de volgende generaties economisch succesvol zijn. In veel lidstaten vindt men gevestigde bedrijven die al drie, vier of vijf generaties in de familie zijn. Dit succesverhaal moet natuurlijk worden voortgezet. Vanwege hun geschiedenis blijven veel familiebedrijven uitermate trouw aan hun vestigingsplaats. Zodoende leveren zij een essentiële bijdrage aan het veiligstellen van het Europese concurrentievermogen en aan het scheppen van werkgelegenheid.

Hoe belangrijk de rol van familiebedrijven in onze economie ook moge zijn, de politiek schenkt er weinig aandacht aan. De Europese Commissie stelde bijvoorbeeld in 2003 op Europees niveau al een definitie van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) vast. Een deskundigengroep van de Europese Commissie probeerde dit voorbeeld in 2009 te volgen en een definitie van familiebedrijven vast te stellen. Deze is echter niet juridisch bindend en wordt in de verschillende lidstaten niet toegepast. Als gevolg hiervan kunnen veel familiebedrijven die niet meer onder de kmo-definitie vallen, maar ook verre van een groot concern zijn, niet profiteren van bepaalde steunmogelijkheden en aan de andere kant ook niet worden vrijgesteld van bepaalde voorwaarden. Dit leidt onvermijdelijk tot onnodige bureaucratie, die ook met name voor familiebedrijven een grote last is.

Bovendien doen veel familiebedrijven grote moeite om beneden de door de Commissie vastgestelde criteria voor kmo's te blijven. De gevolgen hiervan zijn duidelijk: er worden geen nieuwe werknemers in dienst genomen en een stijging van de winst of de omzet, en daarmee automatisch ook een verdere groei, wordt tegengegaan.

Een ander probleem dat voortvloeit uit het gebrek aan een definitie is dat het moeilijk is een vergelijking te maken van de situatie waarin familiebedrijven in de diverse EU-lidstaten verkeren. De deskundigengroep van de Commissie stelde in het kader van haar mandaat in 2009 vast dat in de gehele EU meer dan negentig verschillende definities bestaan voor familiebedrijven. Een vergelijking van de specifieke kenmerken, problemen of andere zaken is derhalve onmogelijk.

Alle familiebedrijven staan echter vroeger of later voor een belangrijke uitdaging: de kwestie van opvolging aan de top van de onderneming. Jaarlijks worden in Europa ongeveer 450 000 ondernemingen overgedragen, waar in totaal ongeveer 2 miljoen mensen werkzaam zijn. Vanwege de vele moeilijkheden die dergelijke overdrachten van ondernemingen met zich meebrengen, moeten naar schatting elk jaar tot 150 000 ondernemingen hun deuren sluiten en gaan ongeveer 600 000 banen verloren(2). De politiek moet zorgen voor de juiste voorwaarden om dit verlies aan werkgelegenheid te voorkomen. Met name nationale regelingen inzake erf-, schenkings- en ondernemingsbelasting bemoeilijken de overdrachten van ondernemingen binnen de familie. Veel familieondernemers kiezen voor een oplossing in de vorm van een stichting of voor de "inkoop" van externe directeuren. Op die manier moet de familie echter de zeggenschap over de onderneming grotendeels uit handen geven. Het behoud van deze zeggenschap is vanuit het oogpunt van de onderneming echter een van de belangrijkste succesfactoren.

Meer dan zes jaar na de afronding van de werkzaamheden van de deskundigengroep van de Commissie inzake familiebedrijven is het dus de hoogste tijd om wederom de nadruk te leggen op deze belangrijke groep ondernemingen. Er is een dringende behoefte aan gegevens, cijfers en feiten uit de afzonderlijke lidstaten om de problemen en uitdagingen van familiebedrijven beter te kunnen begrijpen en de uitwisseling van goede praktijken te bevorderen. Het is waarschijnlijk niet nodig dat (afgezien van de nationale regels ten aanzien van belastingkwesties) concrete wettelijke regelingen op Europese niveau getroffen worden. Veeleer moet deze belangrijke groep ondernemingen onder de aandacht van de politiek worden gebracht en moet waar nodig bijstand worden verleend. Een mogelijke eerste stap is om bij wijze van overgang een "familiebedrijf-test" in te voeren en in het kader van een effectbeoordeling van wetgeving uit te voeren om te kunnen vaststellen of de voorgenomen wijzigingen van de Uniewetgeving gevolgen hebben voor familiebedrijven en hun structuren en zo ja, welke.

(1)

Estland, Letland, Litouwen, bron: Europese Commissie

(2)

Actieplan ondernemerschap 2020, COM(2012)0795.


ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (11.5.2015)

aan de Commissie industrie, onderzoek en energie

inzake familiebedrijven in Europa

(2014/2210(INI))

Rapporteur voor advies: Marita Ulvskog

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie industrie, onderzoek en energie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A  overwegende dat onder familieleden verwanten tot de vierde graad worden verstaan en overwegende dat ook niet samenlevende verwanten, gescheiden levende echtgenoten en ongehuwd samenwonenden worden gezien als familie;

B.  overwegende dat het familiebedrijf een corporatie kan zijn en dat het werk in een familiebedrijf niet onbezoldigd is;

C. overwegende dat familiebedrijven goed zijn voor meer dan 60 % van alle Europese bedrijven, voorzien in tussen de 40 % en 50 % van alle banen en qua omvang variëren van kleine bedrijven tot corporaties, waardoor zij met uiteenlopende problemen en moeilijkheden te kampen hebben; overwegende dat het bij het merendeel van de familiebedrijven gaat om kmo's die werk verschaffen aan twee derde van de werknemers in de Europese Unie en verantwoordelijk zijn voor 85 % van de nieuwe banen in Europa; overwegende dat nieuwe ondernemingen gemiddeld twee nieuwe banen scheppen en dat uitbreiding van bestaande bedrijven circa vijf nieuwe banen oplevert;

D. overwegende dat het bij het merendeel van de familiebedrijven om kmo´s gaat en overwegende dat de grootte van een familiebedrijf een van de belangrijkste gegevens zou moeten vormen waarmee in de definitie van een dergelijk bedrijf rekening moet worden gehouden;

E.  overwegende dat familiebedrijven een essentiële rol spelen in de regionale ontwikkeling als het gaat om werkgelegenheid en ruimtelijke ordening;

F.  overwegende dat familiebedrijven vaker over een langetermijnoriëntatie beschikken, en een essentiële bijdrage aan de economie leveren door voor stabiliteit op de lange termijn te zorgen, hetgeen verband houdt met hun sociale verantwoordelijkheid, hun hoge mate van verantwoordelijkheid als eigenaren, hun bijzondere plicht jegens de lokale en regionale gemeenschap en economie, en sterke waarden die geworteld zijn in de Europese traditie van "eervolle kooplieden", en overwegende dat familiebedrijven, hoewel zij in grote mate lijden onder de economische crisis, de crisis in het algemeen met meer vastberadenheid tegemoet treden en daarom minder snel geneigd zijn werknemers te ontslaan; overwegende, in dit verband, dat de Europese Unie familiebedrijven ondersteunt met initiatieven als de zogenaamde "familieovereenkomsten"; overwegende dat familiebedrijven in sterke mate bijdragen aan het voorkomen van de ontvolking van plattelandsgebieden en in veel gevallen de enige bron van werkgelegenheid vormen in de meest achtergestelde regio’s van Europa, met name in minder sterk geïndustrialiseerde regio's;

G. overwegende dat de inspanningen op EU-niveau met betrekking tot het stimuleren van ondernemerschap en startende bedrijven moeten worden versterkt en gepaard moeten gaan met meer aandacht voor het faciliteren en stimuleren van het voortbestaan op de lange termijn van familiebedrijven;

H. overwegende dat het van cruciaal belang is om het wettelijk klimaat voor opvolging (overdracht van het bedrijf binnen de familie) te verbeteren, met speciale aandacht voor de reikwijdte en omvang van de uiteenlopende benaderingswijzen betreffende successierechten en vermogensbelasting in de hele EU, daarbij in gedachte houdend dat er in de EU elk jaar 480 000 ondernemingen worden overgedragen, waarbij meer dan 2 miljoen banen in het geding zijn; overwegende dat vanwege de vele moeilijkheden die dergelijke overdrachten met zich meebrengen, naar schatting elk jaar 150 000 ondernemingen hun deuren sluiten, waardoor er 600 000 banen verloren gaan(1);

I.   overwegende dat successierechten met name voor kleine en middelgrote familiebedrijven een ernstig probleem vormen, en er de oorzaak van zijn dat sommige zelfs inkrimpen of worden geliquideerd;

J.   overwegende dat een gemeenschappelijke Europese definitie van een familiebedrijf niet alleen nodig is om de kwaliteit van de verzamelde statistische gegevens over de prestaties van de sector te verbeteren, maar ook om beleidsmakers beter te kunnen laten inspelen op de behoeften van familiebedrijven en de samenleving;

K. overwegende dat familiebedrijven ervoor zorgen dat knowhow en vaardigheden worden overgedragen en overwegende dat zij in bepaalde regio´s ontegenzeggelijk een maatschappelijk bindmiddel vormen;

L.  overwegende dat familieboerderijen familiebedrijven zijn die als succesformule kunnen dienen omdat ze het beginsel van de ecologisch en sociaal duurzame kringloopeconomie in de praktijk brengen;

M. overwegende dat onderwijs in ondernemerschap een belangrijke bijdrage kan leveren aan de verbetering van de werkgelegenheidperspectieven van jongeren, aangezien de kans groter is dat zij hun eigen bedrijf opzetten en hun bedrijven doorgaans innovatiever en succesvoller zijn dan die welke worden geleid door personen die geen onderwijs in ondernemerschap hebben genoten; overwegende dat deze jongeren ook minder risico lopen om werkloos te raken, vaker over vast werk beschikken, en betere en beter betaalde banen hebben;

N. overwegende dat het familiebedrijfsmodel ongelijk is verspreid over de lidstaten van de EU; overwegende dat een aanzienlijk deel van de familiebedrijven in Europa een transnationale dimensie heeft waarbij activiteiten worden ontplooid in verschillende lidstaten;

1.  merkt op dat er in de hele EU meer dan 90 definities van het begrip "familiebedrijf" in omloop zijn; is ingenomen met de inspanningen om tot een EU-definitie van "familiebedrijf" te komen, en dringt aan op verdere inspanningen om een officiële definitie vast te stellen, waarbij rekening moet worden gehouden met het vennootschapsrecht, de bijzonderheden binnen de lidstaten wat betreft het helpen waarborgen van sociale rechten, sociale zekerheid, pensioenrechten, regels inzake medebeslissing en gezondheid en veiligheid op het werk; benadrukt dat een eenvoudige, duidelijke definitie die gemakkelijk toepasbaar is en tussen landen kan worden vergeleken, zou helpen om beter inzicht te krijgen in het verschijnsel familiebedrijf en de uitdagingen waar familiebedrijven voor staan en een duidelijk beeld te krijgen van hun bijdrage aan de samenleving, en het mogelijk zou maken om specifieke en doeltreffende maatregelen te treffen;

2.  dringt er bij de Commissie op aan zich te blijven inzetten voor een gemeenschappelijke EU-definitie van een "familiebedrijf" door een effectbeoordeling uit te voeren van een mogelijke herziening van de Europese definitie van kmo´s uit 2003, door de omvang van een familiebedrijf als een van de belangrijkste elementen van deze definitie te beschouwen, aangezien met een "one-size-fits-all"-benadering van regelgeving niet voldoende kan worden ingespeeld op de uiteenlopende behoeften van familiebedrijven en de samenleving, in het bijzonder met betrekking tot belastingen en toegang tot financiering, en door een lijst op te stellen van gemeenschappelijke indicatoren op basis waarvan familiebedrijven kunnen worden beschreven en statistieken kunnen worden geproduceerd met betrekking tot de bijdrage van familiebedrijven aan de werkgelegenheid, teneinde een beter inzicht te krijgen in het hebben van een familiebedrijf en beter beleid te helpen ontwikkelen dat de toegang tot markten en financiering voor familiebedrijven bevordert;

wijst erop dat de definitie eenvoudig, duidelijk en gemakkelijk toepasbaar moet zijn in alle lidstaten;

3.  doet een beroep op degenen die werken aan een EU-definitie van "familiebedrijf" om ervoor te zorgen dat de definitie rekening houdt met de diversiteit van gezinnen in EU-samenlevingen, niet discrimineert tussen gezinsvormen, en het begrip "familie" niet beperkt tot een man, een vrouw en hun biologische kinderen;

4.  verzoekt de lidstaten om, gezien het feit dat het eigenaarschap een fundamentele kwestie vormt voor familiebedrijven, te overwegen veranderingen door te voeren in hun belastingstelsel en vennootschapswetgeving, waardoor een bedrijf effectiever en soepeler kan worden overgedragen of behouden binnen de familie; beveelt aan om, als voorbeeld van goede praktijken die moeten worden gedeeld en bevorderd, de schenkings- en successierechten te verlagen, een gunstige fiscale behandeling van geherinvesteerde winsten in te voeren ten opzichte van de behandeling van schuldfinanciering, en het gebruik van aandelen zonder stemrecht te bevorderen als een manier om de toegang tot financiering te verbeteren zonder de controle over het bedrijf te verliezen;

5.  merkt op dat de overdracht van het bedrijf binnen de familie vaak neerkomt op het doorgeven van sociaal en cultureel kapitaal en van kennis die van generatie op generatie is opgebouwd en dient te worden behouden en bevorderd; wijst er evenwel op dat volgens recente cijfers van 2011 naar schatting elk jaar ongeveer 450 000 bedrijven in de EU op zoek zijn naar opvolgers, met gevolgen voor tot 2 miljoen werknemers; vraagt aandacht voor het feit dat als gevolg van inefficiënte bedrijfsoverdrachten in de EU elk jaar ongeveer 150 000 bedrijven en 600 000 banen verloren dreigen te gaan; benadrukt dat goede praktijken met betrekking tot de tijdige aankondiging van bedrijfsoverdrachten in dit verband van essentieel belang zijn; pleit voor bedrijfsovernames door werknemers als een van de mogelijke oplossingen voor het bedrijfsopvolgingsprobleem van deze Europese kmo's; wijst erop dat goed ontworpen modellen voor financiële participatie van werknemers voor de lange termijn eveneens zouden kunnen bijdragen aan het behoud van deze kleine ondernemingen en de versterking van de regionale economieën en werkgelegenheid in de gehele EU;

6.  dringt er bij de bevoegde autoriteiten op het niveau van de lidstaten op aan om ondernemerschap te stimuleren en "mini-onderneming"-projecten op scholen te bevorderen, gezien het hoge werkgelegenheidspotentieel van familiebedrijven; merkt op dat familiebedrijven het grootste ondernemerschapspotentieel vertegenwoordigen en de natuurlijke broedplaatsen zijn voor toekomstige ondernemers en dat er derhalve een groeiende behoefte is aan het verbeteren van hun innovatie- en ontwikkelingsvermogen; benadrukt bovendien dat het, met het oog op professionalisering van het beheer van familiebedrijven, van essentieel belang is om voor zowel startende als bestaande familiebedrijven onderwijs in ondernemerschap te bevorderen en innovatie en vooruitgang te stimuleren, vooral op bestuurlijk niveau, met inbegrip van opleidingen op het gebied van human resources, loopbaanplanning en managementvaardigheden, die zullen bijdragen tot het aantrekken en behouden van goed opgeleide arbeidskrachten;

7.  wijst er bezorgd op dat de financiële crisis en de daaropvolgende recessie met name Europese micro-ondernemingen en kmo's, waaronder veel familiebedrijven, zwaar heeft getroffen, en benadrukt het belang van EU-steun om de economische groei aan te zwengelen door het scheppen van kwalitatief hoogwaardige banen te stimuleren; wijst voorts op de noodzaak om een gunstig regelgevingskader te bevorderen, in het bijzonder wat betreft de toegang tot financiering, belastingen en inclusieve sociale zekerheid voor alle spelers binnen kmo-structuren; benadrukt dat gerichte steun voor een gezonde herstructurering belangrijke positieve effecten kan hebben op het behoud van banen, en wijst er voorts op dat het belangrijk is om administratieve procedures voor familiebedrijven te vereenvoudigen, onder meer door het gebruik van one-stop-shop-oplossingen; benadrukt het werkgelegenheidspotentieel van kmo´s in nieuwe en opkomende sectoren zoals de kringloopeconomie; onderstreept dat de overgang van een bedrijf van de ene generatie op de andere de belangrijkste uitdaging is waar familiebedrijven mee worden geconfronteerd en dat het daarom belangrijk is dat de lidstaten het rechtskader voor bedrijfsopvolging bij familiebedrijven proberen te verbeteren en de financiering van deze opvolging vergemakkelijken, teneinde liquiditeitsproblemen en gedwongen verkoop te voorkomen en het voortbestaan van familiebedrijven te verzekeren; benadrukt tegelijkertijd dat het rechtskader niet mag toestaan dat de rechten van werknemers, met inbegrip van hun sociale rechten, worden beperkt;

8.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat familiebedrijven beter geïnformeerd worden over de internationale ontwikkelingsmogelijkheden en te zorgen voor een betere uitwisseling van ervaringen en goede praktijken, met name door middel van het Eures-programma ter bevordering van de grensoverschrijdende mobiliteit op de arbeidsmarkten, en zo de levensvatbaarheid en welvarendheid van familiebedrijven, die belangrijke werkverschaffers zijn, te stimuleren; onderstreept het belang van Eures-T voor het verstrekken van advies over de mogelijkheden inzake beroepsmobiliteit in grensregio´s en voor het verlenen van bijstand aan grenspendelaars bij juridische, administratieve en fiscale problemen ten gevolge van hun mobiliteit;

9.  wijst voorts op de noodzaak om andere problemen waar familiebedrijven mee kampen aan te pakken, zoals problemen bij het vinden en behouden van goed opgeleide arbeidskrachten, en op het belang van beter onderwijs in ondernemerschap en familiebedrijf-specifieke managementopleidingen;

10. vestigt de aandacht op de belangrijke rol van familieboerderijen in de plattelandsgebieden van een groot aantal lidstaten en dringt bij de lidstaten aan op ondersteuning van bedrijfsopleidingen die specifiek gericht zijn op boeren; dringt in dit verband met name aan op steun voor opleidingsprojecten die bestemd zijn voor jonge ondernemers die familieboerderijen leiden en die gericht zijn op hun succesvolle betrokkenheid bij agrarische en regionale organisaties;

11. dringt er bij de Commissie op aan om het voortbestaan op lange termijn van familiebedrijven te vergemakkelijken en te stimuleren en meer nadruk te leggen op het bieden van ondersteuning en begeleiding om de overdracht van en opvolging binnen familiebedrijven te vergemakkelijken;

12. benadrukt dat familiebedrijven door het overlappen van de familie-, eigendoms- en zakelijke elementen, bepaalde specifieke kenmerken hebben waarmee rekening moet worden gehouden; onderstreept echter de noodzaak om op een eerlijke en maatschappelijk verantwoorde wijze iets te doen aan arbeidsrechtkwesties, sociaal beleid en sociale rechten zoals een beter genderevenwicht in bestuursraden, een gezonde balans tussen werk en privéleven en financiële participatie van werknemers;

13. vraagt de lidstaten toepasbare en aanvaardbare oplossingen te vinden ten aanzien van successierechten voor familiebedrijven om ervoor te zorgen dat de betaling van deze successierechten het bedrijf niet in liquiditeitsproblemen brengt of een negatief effect heeft op het aantal werknemers of de duurzame ontwikkeling van het bedrijf onder de verantwoordelijkheid van de volgende generatie;

14. roept de Commissie op om te blijven streven naar een betere uitvoering van reeds bestaande EU-aanbevelingen(2) met betrekking tot de vereenvoudiging van het fiscale en regelgevingskader, teneinde het wettelijk klimaat voor opvolging te verbeteren;

15. roept de Commissie en de lidstaten op tot verdere stimulering van de uitwisseling van beste praktijken ter ondersteuning van overdrachten van familiebedrijven, met name op het vlak van regelgeving;

16. is van mening dat het raadzaam is om de toetreding te stimuleren van professionele externe managers om het beheer van het familiebedrijf te verbeteren;

17. roept de Commissie en de lidstaten op om financiële participatie van werknemers te stimuleren, in lijn met de groeiende publieke erkenning van het nut van een dergelijke participatie in het licht van de financiële en economische crisis;

18. roept de Commissie op tot het actief bevorderen van gendergelijkheid in familiebedrijven met betrekking tot ondernemerschap, vaardigheden, leiderschap, overdracht en opvolging; verzoekt haar daartoe de bestaande administratieve structuren op het niveau van de lidstaten te benutten om de opzet te bevorderen van een one-stop-shop voor vrouwelijke ondernemers; roept tevens op tot het bieden van betere kinderopvang voor "ondernemende moeders";

19. wijst de Commissie erop dat de meeste familiebedrijven kmo's zijn en dat het daarom van cruciaal belang is dat het beginsel "Denk eerst klein" wordt toegepast teneinde de Europese wetgeving beter aan te passen aan de reële omstandigheden en behoeften van deze bedrijven en hen in staat te stellen te profiteren van de steunprogramma's en de maatregelen ter verlichting van de administratieve lasten;

20. wijst de Commissie op de noodzaak van evenwichtige concurrentievoorwaarden voor alle bedrijven die in de EU actief zijn, terwijl het unieke karakter van familiebedrijven moet worden geëerbiedigd en bevorderd;

21. benadrukt dat familiebedrijven eveneens de verantwoordelijkheid hebben om passende stageplaatsen of vergelijkbare beroepsbevorderende leerplaatsen aan te bieden en de bij- en nascholing van werknemers binnen hun bedrijf moeten bevorderen om het tekort aan vakkrachten tegen te gaan en het concept van een leven lang leren te ondersteunen;

22. benadrukt het belang van de door de EU gefinancierde opleidingsprogramma's voor kleine ondernemers, die eigenaren van familiebedrijven in staat stellen hun bedrijven aan te passen aan een snel veranderende omgeving als gevolg van de toenemende wereldwijde economische integratie, de opkomst van nieuwe technologieën en de focus op een koolstofarme en groenere economie;

23. dringt er bij de Commissie op aan een niet-wetgevende Europese familiestrategie op te stellen waarin volledig rekening wordt gehouden met de rol van ouders in familiebedrijven, waaronder de sociale en economische betekenis van "mompreneurs" en hun specifieke bijdrage aan de tenuitvoerlegging van beginselen op het gebied van eerlijk management, sociaal verantwoord ondernemen en een nieuwe, duurzame werkcultuur;

24. verzoekt de Commissie om binnen DG Ondernemingen een speciale eenheid op te zetten voor het ondersteunen en voorlichten van familiebedrijven, met inbegrip van een centraal aanspreekpunt in elke lidstaat om te helpen bij het aanvragen van EU-subsidies en EU-financiering, en voor het bieden van bedrijfsondersteuning;

25. verzoekt de Commissie om in het Europees semester aanbevelingen aan de lidstaten op te nemen over hoe een eerlijk familiebedrijfsvriendelijk klimaat kan worden gecreëerd, met name op het gebied van belastingen, bedrijfsoverdracht en onderwijs in ondernemerschap;

26. roept de Commissie op om in de gehele EU actief het familiebedrijfsmodel te promoten en er informatie over te verspreiden, bijvoorbeeld door het opzetten van een centraal aanspreekpunt voor familiebedrijven bij de Commissie en door het bevorderen van de overdracht van knowhow en beste praktijken tussen de lidstaten, en door zo goed mogelijk gebruik te maken van programma's zoals "Erasmus voor jonge ondernemers";

27. moedigt de lidstaten aan een duidelijk rechtskader te bieden voor de formele en informele incidentele indienstneming van familieleden;

28. moedigt de lidstaten aan om vergelijkbare sociale voorzieningen te treffen voor eigenaren en werknemers van familiebedrijven, als stimulans voor overdrachten van familiebedrijven.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

7.5.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

20

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Guillaume Balas, Tiziana Beghin, Brando Benifei, Vilija Blinkevičiūtė, Enrique Calvet Chambon, Martina Dlabajová, Elena Gentile, Arne Gericke, Marian Harkin, Danuta Jazłowiecka, Agnes Jongerius, Rina Ronja Kari, Ádám Kósa, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Zdzisław Krasnodębski, Kostadinka Kuneva, Jérôme Lavrilleux, Patrick Le Hyaric, Verónica Lope Fontagné, Javi López, Thomas Mann, Dominique Martin, Elisabeth Morin-Chartier, Georgi Pirinski, Terry Reintke, Sofia Ribeiro, Claude Rolin, Anne Sander, Sven Schulze, Jutta Steinruck, Romana Tomc, Ulla Tørnæs, Marita Ulvskog, Renate Weber, Tatjana Ždanoka, Jana Žitňanská, Inês Cristina Zuber

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Georges Bach, Heinz K. Becker, Karima Delli, Tania González Peñas, Marju Lauristin, Helga Stevens, Ivo Vajgl, Tom Vandenkendelaere

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Andrea Cozzolino, Rosa D’Amato

(1)

Actieplan Ondernemerschap 2020, COM(2012)0795

(2)

De aanbeveling van 1994, de mededeling van 1998 en het forum van Lille, de Good Practice Guide (Gids voor goede praktijken) van 2003, de mededeling van de Commissie van 2006: Continuïteit door een nieuwe start.


ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (3.3.2015)

aan de Commissie industrie, onderzoek en energie

inzake familiebedrijven in Europa

(2014/2210(INI))

Rapporteur voor advies: Daniela Aiuto

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie industrie, onderzoek en energie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat de inbreng van vrouwen in familiebedrijven toeneemt en dat vrouwen een belangrijk element vormen dankzij hun hoge opleidingsniveau en bewezen managementcapaciteiten bij de vaststelling van strategieën, de besluitvorming, de leiding over het bedrijf en het zoeken naar geschikte oplossingen voor de problemen die zich voordoen;

B.  overwegende dat er vrij weinig gegevens zijn over vrouwen in familiebedrijven, omdat het concept familiebedrijf nauwelijks in de literatuur aan bod komt;

C. overwegende dat familiebedrijven, middenstandsbedrijven onder familieleiding en soortgelijke start-ups vrouwen goede mogelijkheden bieden voor hun carrière en persoonlijke ontwikkeling, ook al onderkennen vrouwen deze mogelijkheden vaak niet bij gebrek aan vrouwelijke rolmodellen;

D. overwegende dat vrouwen bij hun inbreng in familiebedrijven op aanzienlijke moeilijkheden stuiten en zowel "verticale" als "horizontale" gendersegregatie tegenkomen, ondanks het hoge opleidingsniveau van vrouwen, die 60 % van de afgestudeerden aan de universiteit uitmaken;

E.  overwegende dat in veel landen nog steeds het wijdverbreide culturele probleem bestaat dat mannen op alle terreinen, en niet alleen in het beroepsleven, de voorkeur krijgen als het om topposities gaat;

F.  overwegende dat familieboerenbedrijven een succesvol model zijn gebleken, omdat daar het beginsel van de ecosociale kringloopeconomie in praktijk wordt gebracht en vrouwen als bedrijfsleidster in een boerenbedrijf ondernemingsgeest inbrengen;

G. overwegende dat vrouwen in de EU per uur gemiddeld 16 % minder verdienen dan mannen, dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in leidinggevende posities en topfuncties en dat voor vrouwen en mannen niet dezelfde arbeidspraktijken en beloningsstelsels gelden, hetgeen hun financiële onafhankelijkheid, hun volwaardige participatie op de arbeidsmarkt en het evenwicht tussen werk en privéleven in de weg staat;

H. overwegende dat vrouwen veelal een onderbelichte rol spelen of alleen in naam een belangrijke functie vervullen, en dat er onvoldoende recht wordt gedaan aan hun functie- en salarisniveau, met alle gevolgen van dien op het vlak van afdrachten, pensioenen en sociale rechten, alsmede wat betreft erkenning van kwalificaties, zoals blijkt uit gegevens over de loonkloof en de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen(1);

I.   overwegende dat vrouwen in veel Europese landen vaak alleen in naam een functie vervullen omdat dat belastingvoordelen oplevert of omdat de mannelijke ondernemer om juridische redenen geen positie in het bedrijf kan bekleden of het bedrijf niet op zijn naam kan zetten;

J.   overwegende dat vrouwen niet gemakkelijk de leiding van een familiebedrijf overnemen omdat daarbij de voorkeur wordt gegeven aan een zoon, en de dochters zeer vaak worden gepasseerd;

K. overwegende dat moeders die tevens ondernemer willen zijn, soms gedwongen zijn om hun rol als moeder ondergeschikt te maken of zelfs om af te zien van het moederschap om leiding aan het bedrijf te kunnen geven;

L.  overwegende dat ongeveer 60 % van alle Europese ondernemingen familiebedrijven zijn;

M. overwegende dat het een voornaam punt van zorg voor een familiebedrijf is dat er bij de generatiewisseling een bekwame opvolger in de familie wordt gevonden, maar dat door genderstereotypen zonen voor de opvolging de voorkeur krijgen boven dochters;

N. overwegende dat erkenning geboden is voor de fundamentele voorbeeldfunctie die uitgaat van een goed bestuurd familiebedrijf en voor de betekenis van familiebedrijven voor de duurzaamheid van de Europese economie en de sociale markteconomie in Europa;

1.  pleit voor een betere inzet van maatregelen ter bevordering van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep en van positieve maatregelen om de participatie van het ondervertegenwoordigde geslacht te bevorderen, teneinde horizontale en verticale segregatie en discriminatie bij beloning en functietoewijzing (vrouwen die onzichtbaar zijn of louter in naam een belangrijke functie vervullen) te voorkomen, met name wat betreft managementtaken en leidinggevende functies, en vrouwen en mannen gelijke kansen, sociale rechten, gezondheidsperspectieven, lonen en pensioenen te bieden;

2.  acht het noodzakelijk dat door vrouwen in een familiebedrijf verworven vaardigheden worden erkend, zodat hun loopbaan in andersoortige ondernemingen daar wel bij vaart;

3.  dringt erop aan dat voor alle lidstaten een eenduidige definitie van familiebedrijf wordt vastgesteld, die mannen en vrouwen goede carrièremogelijkheden biedt, zoals aanbevolen in het eindverslag van de deskundigengroep "Overview of Family Business Relevant Issues" uit 2009;

4.  stelt dat vrouwen evenveel recht als mannen hebben om een familiebedrijf over te nemen, waarvoor vereist is dat er een gelijkheidscultuur heerst die recht doet aan het vrouwelijk ondernemerschap en de rol van de vrouw als manager en leidinggevende in het familiebedrijf, en dat er een klimaat wordt gecreëerd waarin vrouwelijke ondernemers en familiebedrijven kunnen floreren en waarin ondernemingszin wordt beloond;

5.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het Europees Ambassadeursnetwerk voor vrouwelijk ondernemerschap en het Europees Netwerk van mentoren voor vrouwelijke ondernemers te steunen om er meer bekendheid aan te geven;

6.  wijst op de belangrijke rol van vrouwen in familieboerenbedrijven en dringt er bij de lidstaten op aan dat zij steun geven voor beroepsopleiding en na- en bijscholing, met name voor boerinnen, zodat de directe inbreng van vrouwen in familieboerderijen verder wordt bevorderd; dringt in dit verband aan op steun voor met name scholingsprojecten die bestemd zijn voor bedrijfsleidsters van familieboerenbedrijven en die gericht zijn op een grotere professionele betrokkenheid van vrouwen bij agrarische en regionale organisaties;

7.  benadrukt de noodzaak van optimale arbeidsomstandigheden wat betreft gezondheid en veiligheid op het werk;

8.  bepleit dat de figuur "moeder/ondernemer" wordt gepropageerd om het recht op moederschap te waarborgen en financiële faciliteiten toe te kennen om gezin en bedrijf te kunnen combineren; pleit voor steunverlening voor gezinshulp en thuisopvang voor kinderen zodat vrouwelijke ondernemers werk en gezinsleven kunnen combineren;

9.  benadrukt dat verruiming van de mogelijkheden voor vrouwen in familiebedrijven zowel de vrouwen als de bedrijven ten goede zal komen;

10. dringt aan op alle mogelijke maatregelen om misbruik, dwang, chantage en/of onderwerping en geweld tegen vrouwen op het werk te voorkomen en te bestraffen, en wijst er daarbij op dat segregatie en discriminatie, naast fysiek geweld, vormen van mentaal en psychologisch geweld zijn;

11. wijst de lidstaten en de lagere overheden andermaal op het belang van voldoende hoogwaardige en betaalbare zorg voor kinderen, ouderen en andere hulpbehoevenden en van fiscale prikkels voor ondernemingen en andere compenserende maatregelen om vrouwen en mannen die als werknemer, zelfstandige of leidinggevende in een familiebedrijf werken, te helpen om werk en gezin te combineren;

12. verzoekt de Commissie om onderzoek te doen en statistische gegevens te verzamelen over de inbreng van vrouwen in familiebedrijven in Europa;

13. wijst op de noodzaak van afzonderlijk en behoorlijk betaald moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof, afgestemd op de behoeften van werknemers, zelfstandigen en ondernemers;

14. verlangt dat de Europese Unie en de lidstaten rekening houden met gelijke kansen voor mannen en vrouwen en nagaan of er positieve maatregelen kunnen worden genomen om de participatie van het ondervertegenwoordigde geslacht en de toegang van vouwen tot beroepsopleiding te bevorderen, telkens als er wetgeving op het gebied van familiebedrijven aan de orde is en met name als het om de richtlijn vrouwelijke bestuurders gaat;

15. onderstreept dat het wegnemen van alle verschillen tussen mannen en vrouwen in familiebedrijven ten goede zal komen aan de economie en de maatschappij als geheel; herinnert eraan dat de Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015 ten doel heeft de arbeidsparticipatie van vrouwen tot 75 % te verhogen (de doelstelling van de Europa 2020-strategie) en dat dit ook geldt voor categorieën vrouwen bij wie de participatiegraad het laagst is;

16. benadrukt de noodzaak om steunkaders op te zetten voor vrouwen die eigenaar/bedrijfsleider van een familiebedrijf zijn, om hun zelfvertrouwen en zelfeffectiviteit te vergroten;

17. wijst erop dat familiebedrijven gehouden zijn aan de vereisten van gelijke behandeling en gelijke kansen voor mannen en vrouwen op het werk, in het bestuur van de onderneming, en bij de besluitvorming en dat ze daartoe maatregelen moeten nemen om elke vorm van discriminatie te voorkomen en gendergelijkheid te bevorderen;

18. benadrukt dat er concrete voorstellen nodig zijn om een beter evenwicht tussen werk en gezins- en privéleven te bereiken door bevordering van een meer evenwichtige verdeling van werk, gezinstaken en sociale verantwoordelijkheden tussen mannen en vrouwen, met name wat betreft bijstand aan hulpbehoevenden en zorg voor de kinderen; merkt op de beschikbaarheid van ruimere kinderopvang niet alleen afhangt van overheidsmaatregelen om deze voorzieningen te creëren, maar ook van prikkels voor bedrijven om ook dit soort voorzieningen aan te bieden; wijst erop dat flexibele werktijden en een flexibele arbeidsorganisatie evenals deeltijdwerk oplossingen kunnen zijn om het combineren van werk en gezin te vergemakkelijken;

19. verzoekt de Raad zo spoedig mogelijk tot overeenstemming te komen om de Richtlijn inzake de verbetering van de man-vrouwverhouding bij niet-uitvoerende bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen te kunnen goedkeuren, zodat alle beursgenoteerde ondernemingen, met inbegrip van familiebedrijven, ten minste 40 % vrouwen in hun raad van bestuur moeten hebben.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

26.2.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

3

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Anna Maria Corazza Bildt, Viorica Dăncilă, Anna Hedh, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Elisabeth Köstinger, Vicky Maeijer, Angelika Mlinar, Krisztina Morvai, Maria Noichl, Marijana Petir, Liliana Rodrigues, Jordi Sebastià, Ernest Urtasun, Ángela Vallina, Beatrix von Storch, Jadwiga Wiśniewska, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Inés Ayala Sender, Linnéa Engström, Eleonora Forenza, Kostadinka Kuneva, Constance Le Grip, Dubravka Šuica, Marc Tarabella

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Rosa D’Amato, José Inácio Faria

(1)

http://ec.europa.eu/justice/gender-equality/files/gender_pay_gap/140319_gpg_nl.pdf


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.6.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

48

5

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Zigmantas Balčytis, Bendt Bendtsen, Reinhard Bütikofer, Jerzy Buzek, Philippe De Backer, Pilar del Castillo Vera, Christian Ehler, Fredrick Federley, Ashley Fox, Adam Gierek, Theresa Griffin, Marek Józef Gróbarczyk, András Gyürk, Roger Helmer, Eva Kaili, Barbara Kappel, Krišjānis Kariņš, Seán Kelly, Jeppe Kofod, Miapetra Kumpula-Natri, Janusz Lewandowski, Ernest Maragall, Edouard Martin, Nadine Morano, Dan Nica, Aldo Patriciello, Morten Helveg Petersen, Miroslav Poche, Miloslav Ransdorf, Michel Reimon, Herbert Reul, Paul Rübig, Algirdas Saudargas, Dario Tamburrano, Patrizia Toia, Evžen Tošenovský, Miguel Urbán Crespo, Vladimir Urutchev, Kathleen Van Brempt, Martina Werner, Flavio Zanonato

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Michał Boni, David Coburn, Miriam Dalli, João Ferreira, Gerben-Jan Gerbrandy, Françoise Grossetête, Janusz Korwin-Mikke, Constanze Krehl, Olle Ludvigsson, Piernicola Pedicini, Sofia Sakorafa, Maria Spyraki, Indrek Tarand, Mihai Ţurcanu, Anneleen Van Bossuyt

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Marietje Schaake, Bart Staes

Juridische mededeling