Procedure : 2014/2254(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0230/2015

Ingediende teksten :

A8-0230/2015

Debatten :

PV 07/09/2015 - 21
CRE 07/09/2015 - 21

Stemmingen :

PV 08/09/2015 - 5.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0286

VERSLAG     
PDF 557kWORD 313k
22.7.2015
PE 546.782v02-00 A8-0230/2015

over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2013-2014)

(2014/2254(INI))

Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

Rapporteur: Laura Ferrara

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie constitutionele zaken
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
 ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid
 ADVIES van de Commissie verzoekschriften
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE STEMMING

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2013-2014)

(2014/2254(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien de preambule van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name het tweede en het vierde tot en met zevende streepje ervan,

–   gezien onder meer artikel 2, artikel 3, lid 3, tweede alinea, en de artikelen  6, 7 en 9 VEU,

–   gezien artikel 168 VWEU, en in het bijzonder lid 7 daarvan,

–   gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000 (hierna "het Handvest"), dat op 12 december 2007 in Straatsburg is uitgevaardigd en met het Verdrag van Lissabon in december 2009 in werking is getreden,

–   gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens die in 1948 werd aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN,

–   gezien de VN-verdragen tot bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en de rechtspraak van de VN-verdragsorganen,

–   gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, dat is goedgekeurd in New York op 13 december 2006 en door de EU is geratificeerd op 23 december 2010,

–   gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, dat op 20 november 1989 te New-York werd aangenomen,

–   gezien de volgende algemene opmerkingen van het VN-Comité voor de rechten van het kind: 7 (2005) over de uitvoering van de rechten van jonge kinderen, nr. 9 (2006) over de rechten van kinderen met een handicap, nr. 10 (2007) over de rechten van kinderen in het jeugdstrafrecht, nr. 12 (2009) over het recht van kinderen om te worden gehoord, nr. 13 (2011) over het recht van kinderen om vrij van alle vormen van geweld te zijn, nr. 14 (2013) over het recht van kinderen om zijn of haar belangen als eerste overweging te laten nemen,

–   gezien het VN-Verdrag van 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) en het actieprogramma van Peking, zijn resoluties van 25 februari 2014 met aanbevelingen aan de Commissie inzake het bestrijden van geweld tegen vrouwen(1) en van 6 februari 2014 over de mededeling van de Commissie "Naar het uitbannen van vrouwelijke genitale verminking"(2), en de conclusies van de Raad van 5 juni 2014 over de preventie en bestrijding van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes, met inbegrip van vrouwelijke genitale verminking,

–   gezien het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, de verdragen, aanbevelingen, resoluties en verslagen van de Parlementaire Vergadering, het Comité van Ministers, de Commissaris voor de Rechten van de Mens en de Commissie van Venetië van de Raad van Europa,

–   gezien het verslag van Cephas Lumina, de onafhankelijke deskundige van de Raad voor de mensenrechten over de effecten van buitenlandse schuld en andere desbetreffende internationale financiële plichten van de staten op de volledige uitoefening van alle mensenrechten, met name economische, sociale en culturele rechten (Addendum, Mission to Greece, UN A/HRC/25/50/Add.1),

–   gezien het verslag van april 2013 van de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechten van migranten over het beheer van de buitengrenzen van de EU en de gevolgen daarvan voor de mensenrechten van migranten,

–   gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 26 juni 2014 waarin wordt opgeroepen tot de oprichting van een intergouvernementele werkgroep met een onbeperkte samenstelling met als mandaat "de ontwikkeling van een internationaal, juridisch bindend instrument voor de regulering, in het kader van het internationaal recht met betrekking tot de rechten van de mens, van de activiteiten van transnationale en andere ondernemingen",

–   gezien de strategische richtsnoeren voor de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht die de Europese Raad op 27 juni 2014 heeft vastgesteld,

–   gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Overeenkomst van Istanbul),

–   gezien het Europees Sociaal Handvest, zoals gewijzigd in 1996, en de jurisprudentie van het Europees Comité voor Sociale Rechten,

–   gezien het Kaderverdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van nationale minderheden en het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden,

–   gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming(3),

–   gezien aanbeveling van de Raad van 9 december 2013 over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten(4),

–   gezien het pakket richtlijnen over de procedurele verdedigingsrechten in de EU(5),

–   gezien Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht(6),

–   gezien het strategisch kader voor mensenrechten en democratie en het bijbehorende actieplan, die door de Raad zijn aangenomen op 25 juni 2012,

–   gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(7),

–   gezien de conclusies van de Raad van de Europese Unie en de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 16 december 2014 over toezien op de eerbiediging van de rechtsstaat,

–   gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking)(8),

–   gezien Richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten(9),

–   gezien Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers hiervan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad(10),

–   gezien Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(11),

–   gezien Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad(12),

–   gezien Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(13),

–   gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (COM(2008)0229),

–   gezien de uitspraken en arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de jurisprudentie van nationale constitutionele hoven, waarin het Handvest als één van de referenties voor de interpretatie van het nationaal recht wordt gebruikt,

–   gezien de politieke leidraad voor de nieuwe Europese Commissie die de voorzitter Juncker op 15 juli 2014 voor het Parlement heeft toegelicht,

–   gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (algemene verordening gegevensbescherming) (COM(2012)0011),

–   gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (COM(2012)0010),

–   gezien de Europese strategie voor de uitroeiing van mensenhandel (2012-2016) (COM(2012)0286), in het bijzonder de bepalingen over de financiering van de uitwerking van richtsnoeren voor kinderbeschermingssystemen en over de uitwisseling van beste praktijken,

–   gezien Aanbeveling 2013/112/EU van de Commissie van 20 februari 2013 getiteld "Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken"(14),

–   gezien de richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de uitoefening van alle mensenrechten door lesbische, homoseksuele, biseksuele, transgender en interseksuele mensen (LGBTI), die de Raad Buitenlandse Zaken op 24 juni 2013 heeft aangenomen,

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020" (COM(2011) 173) en de conclusies van de Europese Raad van 24 juni 2011,

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Verdere stappen bij de uitvoering van de nationale strategieën voor integratie van de Roma" (COM(2013) 454),

–   gezien het door de Commissie opgestelde corruptiebestrijdingsverslag van de EU (COM(2014)0038),

–   gezien het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid (COM(2008)0426),

–   gezien de resolutie van het Europees Parlement van 12 december 2013 over de geboekte vooruitgang bij de uitvoering van de nationale strategieën voor integratie van de Roma(15),

–   gezien de resolutie van het Europees Parlement van 4 februari 2014 over de EU-routekaart tegen homofobie en discriminatie wegens seksuele gerichtheid of genderidentiteit(16),

–   gezien de resoluties van het Europees Parlement over gendergelijkheid,

–   gezien de resolutie van het Europees Parlement van 14 september 2011 over een EU-strategie inzake dakloosheid(17),

–   gezien het verslag van de senaat van de Verenigde Staten over het CIA-programma voor detentie en ondervraging,

–   gezien zijn resolutie van 12 september 2013 over de situatie van niet-begeleide minderjarigen in de EU(18),

–   gezien zijn resoluties over de grondrechten en de mensenrechten, met name die van 27 februari 2014 over de situatie van de grondrechten in de EU (2012)(19),

–   gezien zijn resoluties inzake migratie, met name de meest recente van 17 december 2014 over de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie(20),

–   gezien zijn resolutie van 8 juni 2005 over de bescherming van minderheden en maatregelen ter bestrijding van discriminatie in een uitgebreid Europa(21),

–   gezien zijn resolutie van 27 november 2014 over het 25-jarig bestaan van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind,(22)

–   gezien zijn resolutie van 4 juli 2013 over de toezichtprogramma's van de NSA in de VS, nationale intelligentiediensten en de gevolgen voor de privacy van EU-onderdanen(23), waarin het zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken opdraagt deze kwestie grondig te onderzoeken en zijn resolutie van 12 maart 2014 over het surveillanceprogramma van de NSA in de VS, toezichthoudende instanties in verschillende lidstaten en gevolgen voor de grondrechten van EU-burgers(24),

–   gezien zijn resolutie van 11 februari 2015 over het verslag van de senaat van de VS over het gebruik van foltering door de CIA(25),

–   gezien zijn resolutie van 11 september 2013 over Europese talen die met uitsterven worden bedreigd en taalkundige verscheidenheid in de Europese Unie(26),

–   Resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2014 over het inwinnen van het advies van het Hof van Justitie over de verenigbaarheid met de Verdragen van de Overeenkomst tussen Canada en de Europese Unie inzake de doorgifte en verwerking van gegevens uit het Passenger Name Record(27),

–   gezien zijn resoluties van 11 september 2012(28) en 10 oktober 2013(29) over het veronderstelde vervoer en illegaal vasthouden van gevangenen in Europese landen door de CIA,

–   gezien zijn resoluties over het detentiecentrum van Guantanamo,

–   gezien zijn resolutie van 21 mei 2013 over het EU-Handvest: vaststelling van normen voor de vrijheid van de media in de gehele EU(30),

–   gezien het advies 2/2013 van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake de overeenkomst inzake toetreding van de EU tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en van de fundamentele vrijheden (EVRM),

–   gezien het arrest van het Hof van Justitie van 8 april 2014 in gevoegde zaken C-293/12 en C-594/12 Digital Rights Ireland en Seitlinger e.a., tot nietigverklaring van Richtlijn 2006/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronische communicatiediensten of van openbare communicatienetwerken en tot wijziging van richtlijn 2002/58/EG,

–   gezien de hoorzittingen met Frans Timmermans voor het Parlement op 7 oktober 2014 en 11 februari 2015,

–   gezien de hoorzitting met Dimitris Avramopoulos voor het Parlement op 30 september 2014,

–   gezien de jaarlijkse conferentie van het Bureau voor de grondrechten van de Europese Unie (FRA) van 10 november 2014 met als thema "Grondrechten en immigratie in de EU", en met name het themaverslag van het FRA "Legal entry channels to the EU for persons in need of international protection: a toolbox",

–   gezien de activiteiten, de jaarverslagen en de onderzoeken van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) en het FRA en de grootschalige onderzoeken van het FRA op het gebied van discriminatie van en haatdelicten tegen Joden in de EU-lidstaten, geweld tegen vrouwen in de EU en ervaringen van LGBT-personen op het gebied van discriminatie, geweld en pesten,

–   gezien de bijdragen van de ngo's die deelnemen aan het grondrechtenplatform van het FRA voor het maatschappelijk middenveld,

–   gezien de rapporten en onderzoeken van niet-gouvernementele organisaties (ngo's) op gebied van mensenrechten en de studies op dit gebied die zijn aangevraagd door de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, met name de studie van beleidsondersteunende afdeling C over het effect van de crisis op de grondrechten in de lidstaten van de EU;

–   gezien zijn studies over het effect van de crisis op de grondrechten in de lidstaten van de EU,

–   gezien de beginselen betreffende de rechtspositie van nationale instellingen voor de bescherming en bevordering van de rechten van de mens (de "beginselen van Parijs"), aangehecht aan resolutie 48/134 van de Algemene Vergadering van de VN, 

–   gezien het verslag (2012/2130(INI)) van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken,

–   gezien de mededeling van de Commissie met als titel "Strategie voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten door de Europese Unie" (COM(2010)0573) en de operationele richtsnoeren voor het in aanmerking nemen van grondrechten in effectbeoordelingen door de Commissie (SEC(2011)0567),

–   gezien de mededeling van de Commissie over een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat (COM(2014)0158) en de conclusies van de Raad van 16 december 2014 over toezien op de eerbiediging van de rechtsstaat,

–   gezien het verslag-2013 van de Commissie over de toepassing van het EU-Handvest van de grondrechten in 2012 (COM(2014)0224) en de bijbehorende werkdocumenten,

–   gezien het verslag-2013 van de Commissie over het burgerschap van de Unie - EU-burgers: uw rechten, uw toekomst (COM)2013)0269),

–   gezien de mededeling van de Commissie met als titel "Verdere stappen bij de uitvoering van de nationale strategieën voor integratie van de Roma" (COM(2014)0209) en het voorstel voor een aanbeveling van de Raad over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten (COM(2013)9),

–   gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van Commissie constitutionele zaken, de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de Commissie verzoekschriften (A6-0230/2015),

A.  overwegende dat men gedeeltelijk is begonnen met de bouw van Europa om te vermijden dat de dramatische gevolgen van de Tweede Wereldoorlog en de vervolging en onderdrukking door het naziregime zich zouden herhalen, en om achteruitgang op het gebied van de democratie en de rechtstaat te vermijden door het bevorderen, eerbiedigen en beschermen van de mensenrechten;

B.   overwegende dat het eerbiedigen en bevorderen van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden, de democratie en de in de EU-Verdragen en internationale mensenrechteninstrumenten (Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, EVRM, Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten enz.) vastgelegde waarden en beginselen verplicht zijn voor de Unie en haar lidstaten en centraal moeten staan in de Europese structuur;

C.  overwegende dat deze rechten moeten zijn gewaarborgd voor iedereen die zich op het grondgebied van de EU bevindt, waaronder door misbruiken en schendingen door de publieke autoriteiten, ongeacht het territoriale bevoegdheidsniveau, tegen te gaan;

D.  overwegende dat eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot een minderheid behoren, de waarden zijn waarop de Unie volgens artikel 2 VEU berust, waarden die de lidstaten gemeen hebben en die de EU en iedere afzonderlijke lidstaat in al hun beleid, zowel intern als extern, moeten eerbiedigen; overwegende dat ingevolge artikel 17 VEU de Commissie moet zorgen voor de toepassing van de Verdragen;

E.   overwegende dat op de EU volgens artikel 6 VEU de verantwoordelijkheid rust om de grondrechten uit te dragen en te doen respecteren bij de aansturing van haar eigen optreden, ongeacht haar bevoegdheden; overwegende dat lidstaten ook worden aangemoedigd dit te doen;

F.   overwegende dat een herziening van de EU-Verdragen nodig is om de bescherming van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten te versterken;

G.  overwegende dat overeenkomstig de preambule van het VEU de lidstaten hun gehechtheid hebben bevestigd aan de sociale grondrechten zoals omschreven in het Europees Sociaal Handvest; overwegende dat in artikel 151 VWEU ook een expliciete verwijzing is opgenomen naar de sociale grondrechten zoals die bijvoorbeeld zijn vastgelegd in het Europees Sociaal Handvest;

H.  overwegende dat met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie volledig is geïntegreerd in de Verdragen en daardoor dus juridisch bindend is voor de instellingen, organen en agentschappen van de EU, alsook voor de lidstaten in het kader van de tenuitvoerlegging van EU-wetgeving; overwegende dat een echte grondrechtencultuur moet worden ontwikkeld, bevorderd en versterkt binnen de instellingen van de Unie, maar ook in de lidstaten, met name wanneer ze het recht van de Unie, zowel intern als in betrekkingen met derde landen, toepassen en ten uitvoer leggen;

I.    overwegende dat de artikelen 2 en 3 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie het recht op leven en het recht op menselijke integriteit erkennen;

J.    overwegende dat artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie alle onmenselijke en vernederende behandelingen verbiedt;

K.  overwegende dat de artikelen 8, 9, 10, 19 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, alsook de jurisprudentie van het Hof van Justitie het belang van de sociale grondrechten erkennen en derhalve onderstrepen dat deze rechten en met name de vakbondsrechten, zoals het recht van staking, vereniging en vergadering evenzeer moeten worden beschermd als de andere door het Handvest erkende grondrechten;

L.   overwegende dat de Unie op grond van artikel 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verplicht is om de culturele, godsdienstige en taalkundige verscheidenheid te eerbiedigen, en dat artikel 21 discriminatie op grond van taal en/of het behoren tot een nationale minderheid verbiedt;

M.  overwegende dat artikel 33 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie het gezin beschermt op juridisch, economisch en sociaal vlak;

N.  overwegende dat het recht op een hoog niveau van milieubescherming volgens de artikelen 37 en 38 van het Handvest intrinsiek samenhangt met de implementatie van het beleid van de Unie;

O.  overwegende dat de lidstaten het waarborgniveau dat hun eigen grondwet ten aanzien van bepaalde rechten biedt niet mogen verlagen onder het voorwendsel dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of andere instrumenten van het EU-recht op dat punt een nog lager beschermingsniveau bieden;

P.   overwegende dat erkend wordt dat de nationale (gerechtelijke, wetshandhavings- en bestuurlijke) overheden essentiële actoren zijn in de effectieve handhaving van de rechten en vrijheden die zijn neergelegd in het Handvest;

Q.  overwegende dat de totstandbrenging van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht overeenkomstig Titel V VWEU de volle eerbiediging van de grondrechten veronderstelt, door zowel de EU als iedere lidstaat afzonderlijk;

R.   overwegende dat de mens, als burger of ingezetene, centraal moet worden gesteld in de EU en dat de door het Handvest erkende persoonlijke, civiele, politieke, economische en sociale rechten niet alleen ten doel hebben de Europese burgers en ingezetenen te beschermen tegen inmenging, misbruik en geweld, maar voorwaarden zijn om ervoor te zorgen dat het individu zich volledig en in alle rust kan ontplooien;

S.   overwegende dat de rechtsstaat de ruggengraat van de Europese liberale democratie vormt en, als een gemeenschappelijk element van de constitutionele tradities van alle lidstaten, een van de beginselen is waarop de EU is gegrondvest;

T.   overwegende dat de manier waarop de rechtsstaat op nationaal niveau wordt ontplooid, een belangrijke rol speelt in het wederzijdse vertrouwen tussen lidstaten en hun rechtsstelsels, en dat het bijgevolg levensnoodzakelijk is om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht overeenkomstig Titel V VWEU tot stand te brengen;

U.  overwegende dat de grondrechten slechts kunnen worden beschermd als de rechtsstaat wordt geëerbiedigd en dat deze eerbiediging des te belangrijker is binnen de EU aangezien alle rechten en plichten die voortvloeien uit de Verdragen en het internationale recht hiervan volledig afhankelijk zijn;

V.  overwegende dat de EU en haar lidstaten zijn betrokken bij een mondiaal proces voor het behalen van nieuwe doelstellingen voor duurzame ontwikkeling die eraan herinneren dat de mensenrechten universeel, ondeelbaar en onvervreemdbaar zijn;

W.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van deze waarden en beginselen moet berusten op een effectieve toetsing van de naleving van de in het Handvest gewaarborgde rechten, onder meer bij de uitwerking van wetsvoorstellen;

X.  overwegende dat de EU een periode van ernstige economische en financiële crisis doormaakt en dat de impact hiervan, in combinatie met bepaalde maatregelen, o.a. de drastische besparingen op de begroting die in sommige lidstaten zijn ondernomen om de crisis aan te pakken, een negatief effect heeft op de leefomstandigheden van de EU-burgers – met een toename van de werkloosheid, het armoedepeil, de ongelijkheden en de onzekere arbeidsvoorwaarden en een beperking van de toegang tot en de kwaliteit van de diensten – en zo op het welzijn van de burgers;

Y.  overwegende dat bijna een derde van de bij het Parlement ingediende verzoekschriften betrekking heeft op veronderstelde schendingen van de grondrechten die in het Handvest worden genoemd en kwesties betreft als burgerschap, de vier vrijheden, werkgelegenheid, economische omstandigheden, milieu- en consumentenbescherming, rechtsstelsels, stemrecht en democratische participatie, transparantie van de besluitvorming, handicaps, rechten van het kind, toegang tot onderwijs of taalgerelateerde rechten; overwegende dat in sommige van deze verzoekschriften vragen worden gesteld over gezondheidskwesties en toegang tot gezondheidszorg en gezondheidsdiensten, maar ook over het recht op werk als rechtstreeks gevolg van de economische crisis; overwegende dat verzoekschriften gewoonlijk de eerste indicatoren zijn voor de situatie op het gebied van grondrechten in de lidstaten;

Z.   overwegende dat de EU uitgaat van de veronderstelling en het wederzijdse vertrouwen dat de lidstaten zich schikken naar democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, als vervat in het EVRM en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name wat betreft de ontwikkeling van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht en het beginsel van wederzijdse erkenning;

Aa. overwegende dat werklozen of personen die in armoede leven of worden uitgesloten aanzienlijk worden belemmerd in hun toegang tot en het uitoefenen van hun grondrechten; dit onderstreept dat het belangrijk is om de toegang tot basisdiensten, met name sociale en financiële diensten, te waarborgen voor deze personen in een kwetsbare situatie;

Ab. overwegende dat na de recente terreuraanslagen binnen de EU bepaalde beleidsmaatregelen en acties op het gebied van terreurbestrijding de fundamentele rechten en vrijheden ernstig in het gedrang kunnen brengen; overwegende dat het cruciaal is te waken over het evenwicht tussen bescherming van de vrijheden en de grondrechten van de Europese burgers en het versterken van de veiligheid; overwegende dat de EU en haar lidstaten de plicht hebben de Europese burgers te beschermen en er tegelijk voor te zorgen dat bij het ontwerp en de uitvoering van veiligheidsbeleid de grondrechten van de burgers worden geëerbiedigd; overwegende dat de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid in dit verband een prioriteit moeten zijn opdat het uitgevoerde beleid geen afbreuk doet aan de burgerlijke vrijheden;

Ac. overwegende dat duizenden mensen omkomen in het Middellandse Zeegebied op een nog nooit eerder geziene manier en dat de EU een zeer grote verantwoordelijkheid heeft in het nemen van maatregelen om levens te redden, mensensmokkelaars een halt toe te roepen, migranten legale toegangskanalen aan te bieden en asielzoekers en vluchtelingen bij te staan en te beschermen;

Ad. herinnert eraan dat in 2014 bijna 3 500 migranten zijn gestorven of verdwenen tijdens hun poging om het Europese grondgebied te bereiken, waardoor het aantal doden of vermisten gedurende de voorbije twintig jaar in totaal 30 000 bedraagt; overwegende dat de migratieroute naar Europa, volgens de Internationale Organisatie voor migratie de gevaarlijkste ter wereld is geworden voor migranten;

Ae. overwegende dat jaarlijks ongeveer 1 000 asielaanvragen rechtstreeks zijn verbonden aan genitale verminking;

Af. overwegende dat het recht op asiel wordt gewaarborgd door het Verdrag inzake de status van vluchtelingen (het Verdrag van Genève) van 1951 en door het protocol van 31 januari 1967;

Ag. overwegende dat de uitingen van extreem nationalisme, racisme, vreemdelingenhaat en onverdraagzaamheid nog niet uit onze gemeenschappen zijn verdwenen; dat zij integendeel, zeker na de recente terreuraanslagen, in veel lidstaten blijken toe te nemen, waarbij zowel traditionele minderheden als nieuwe nationale minderheden worden geviseerd;

Ah. overwegende dat, krachtens artikel 49 VEU, elke Europese staat die de in artikel 2 bedoelde waarden eerbiedigt en zich ertoe verbindt deze uit te dragen, kan verzoeken lid te worden van de Unie; overwegende dat de naleving van de Kopenhagencriteria een essentiële voorwaarde is voor toetreding tot de EU; overwegende dat de verplichtingen die in het kader van de criteria van Kopenhagen op kandidaat-lidstaten rusten niet alleen maar elementaire pretoetredingsvoorwaarden zijn, maar op grond van artikel 2 VEU moeten blijven gelden nadat een land tot de EU is toegetreden; overwegende dat alle lidstaten in dit licht voortdurend moeten worden beoordeeld om te controleren of zij de basiswaarden van de EU, te weten eerbiediging van de grondrechten, democratische instellingen en de rechtsstaat, permanent naleven; alsook overwegende de noodzaak om een gefaseerd correctiemechanisme in te voeren, teneinde de leemte tussen de optie van politieke dialoog en de nucleaire optie van artikel 7 VEU op te vullen en een antwoord te bieden op het "Kopenhagendilemma" binnen het kader van de huidige Verdragen;

Ai.  overwegende dat aangezien geen duidelijke gemeenschappelijke indicatoren voorhanden zijn, de situatie op het gebied van de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten in een lidstaat voortdurend opnieuw ter discussie wordt gesteld op grond van politieke en institutionele overwegingen; overwegende dat het gebrek aan bindende procedures te vaak leidt tot het uitblijven van actie of een niet-naleving van de Verdragen en de Europese waarden, waaraan de Europese instellingen medeplichtig zijn;

Aj.  overwegende dat het recht om verzoekschriften in te dienen een hechte band tussen de burgers van de EU en het Europees Parlement heeft gesmeed; overwegende dat het Europese burgerinitiatief een nieuwe, directe band tussen de burgers van de EU en de instellingen van de EU tot stand heeft gebracht en de ontwikkeling van de grondrechten en de burgerrechten kan versterken; overwegende dat artikel 44 van het Handvest en artikel 227 VWEU het petitierecht waarborgen als één van de rechten waarmee burgers hun grondrechten kunnen doen gelden;

Ak. overwegende dat vrouwen nog steeds te maken hebben met talloze vormen van discriminatie in de Unie en te vaak slachtoffer zijn van agressie en geweld, met name seksueel geweld;

Al.  overwegende dat geweld tegen vrouwen de meest voorkomende schending is van de mensenrechten in de EU en in de rest van de wereld, die alle lagen van de bevolking treft, ongeacht leeftijd, opleidingsniveau, inkomen, maatschappelijke positie en land van herkomst of verblijf, en een van de belangrijkste obstakels voor de gelijkheid van vrouwen en mannen is;

Am. overwegende dat uit een onderzoek van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten uit 2014 blijkt dat de meeste vrouwelijke slachtoffers van geweld geen aangifte doen bij de politie;

An. overwegende dat seksuele en reproductieve gezondheid en rechten op fundamentele mensenrechten gebaseerd zijn en essentiële elementen van de menselijke waardigheid vormen(31); overwegende dat de ontzegging van een levensreddende abortus een ernstige schending van de mensenrechten inhoudt;

Ao. overwegende dat de handel in en de seksuele uitbuiting van vrouwen en meisjes een duidelijke schending vormen van de mensenrechten en de menselijke waardigheid en van de basisbeginselen van recht en democratie; overwegende dat vrouwen tegenwoordig nog kwetsbaarder zijn voor deze risico's door de toegenomen economische onzekerheid en het grotere risico op werkloosheid en armoede;

Ap. overwegende dat geweld tegen vrouwen niet expliciet als vorm van discriminatie op grond van geslacht is opgenomen in de Europese wetgeving, en als idee slechts in drie nationale rechtsstelsels te vinden is (die van Spanje, Zweden en Duitsland) en dat geweld tegen vrouwen daardoor niet als een belangrijk probleem voor de gelijkheid wordt beschouwd; overwegende dat de lidstaten de definitie van geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld op ad-hocbasis bekijken en dat die definitie sterk verschilt in de nationale wetgevingen, waardoor de gegevens niet kunnen worden vergeleken;

Aq. overwegende dat de lidstaten niet vrij zijn van de verschrikking van genitale verminking, waarvan reeds 500 000 personen slachtoffer zijn geworden in de Unie en die nog 180 000 slachtoffers dreigt te eisen;

Ar. overwegende dat er in de EU en de lidstaten nog talloze inbreuken op de grondrechten plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en uit de verslagen van de Commissie, van het FRA, van ngo's, van de Raad van Europa en van de VN, zoals schendingen van het recht op vrijheid van vereniging en meningsuiting van maatschappelijke organisaties, de institutionele discriminatie van LGBTI door het verbod op trouwen en antipropagandawetgeving, en de nog steeds hoge mate van discriminatie en talrijke haatdelicten die worden aangewakkerd door racisme, vreemdelingenhaat, religieuze onverdraagzaamheid of vooroordelen over de handicap, seksuele gerichtheid of genderidentiteit van een persoon; overwegende dat de Commissie, de Raad en de lidstaten deze schendingen gezien de ernst en de frequentie ervan onvoldoende aanpakken;

As. overwegende dat maatschappijen waarin de grondrechten volledig worden geëerbiedigd en beschermd, gemakkelijker een dynamische, concurrerende economie kunnen ontwikkelen;

At. overwegende dat Roma, de grootste etnische minderheid in Europa, nog steeds het slachtoffer zijn van ernstige discriminatie, racistisch geweld, haattaal, armoede en uitsluiting;

Au. overwegende dat het externe optreden van de EU gebaseerd is op dezelfde beginselen die aan de grondslag van de oprichting en ontwikkeling van de EU liggen, met name democratie, solidariteit, menselijke waardigheid en alle grondrechten; overwegende dat specifieke richtsnoeren inzake mensenrechten zijn opgenomen in het buitenlandse beleid van de EU, maar niet in haar binnenlandse beleid, wat zou kunnen leiden tot beschuldigingen over het hanteren van twee maten en gewichten; overwegende dat het bevorderen van de grondrechten door de Unie in het kader van haar extern optreden moet worden aangevuld met een strikt intern beleid en een systematisch toezicht op de eerbiediging van deze rechten binnen het grondgebied van de Unie zelf;

Av. overwegende dat de bepalingen inzake de bescherming van persoonsgegevens in overeenstemming moeten zijn met de beginselen van doelbinding, noodzakelijkheid en evenredigheid, met inbegrip van bij het onderhandelen en sluiten van overeenkomsten zoals wordt onderstreept in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 6 april 2014 tot nietigverklaring van Richtlijn 2006/24/EG en de adviezen van de EDPS;

Aw. overwegende dat het recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, evenals de bescherming van persoonsgegevens zijn vastgelegd in het Handvest en dus deel uitmaken van het primaire recht van de EU;

Ax. overwegende dat nieuwe technologieën gevolgen kunnen hebben voor de grondrechten en met name voor het recht op eerbiediging van het privéleven en op de bescherming van persoonsgegevens, zoals is bepaald in de artikelen 7 en 8 van het Handvest;

Ay. overwegende dat de grootschalige toegang tot internet de mogelijkheden om de fysieke en morele integriteit van vrouwen te schenden, bijvoorbeeld via grooming, verder vergroot;

Az. overwegende dat persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer, gezien de snelle ontwikkeling van digitale technologieën (toenemend gebruik van internet, internettoepassingen en sociale netwerken), beter moeten worden beschermd, teneinde hun vertrouwelijkheid en bescherming te waarborgen;

Ba. overwegende dat fundamentele vrijheden, mensenrechten en gelijke kansen gegarandeerd moeten zijn voor alle burgers van de EU, met inbegrip van personen die tot een nationale of taalminderheid behoren;

Bb. overwegende dat volgens ngo's jaarlijks ten minste 850 kinderen jonger dan 15 jaar in Europa sterven ten gevolge van mishandeling;

Bc. overwegende dat volgens een onderzoek van het FRA over discriminatie en haatmisdrijven tegen LGBTI, naast de discriminatie en het geweld waarvan zij het slachtoffer zijn, ongeveer de helft van de ondervraagde LGBTI "van mening is dat politici in het land waar zij wonen veelvuldig kwetsend taalgebruik jegens LGBTI bezigen";

Bd. overwegende dat LGBTI het slachtoffer zijn van institutionele discriminatie, door een verbod op geregistreerd partnerschap of door het bestaan van wetten die het profileren van de seksuele voorkeur verbieden;

Be. overwegende dat personen met een handicap slachtoffer zijn van meervoudige discriminatie waardoor ze hun grondrechten niet ten volle kunnen genieten;

Bf.  overwegende dat het armoedecijfer onder mensen met een handicap 70% hoger is dan het gemiddelde, mede als gevolg van de beperkte toegang tot de arbeidsmarkt;

Bg. overwegende dat een seculiere en neutrale staat de beste waarborg is voor het voorkomen van discriminatie jegens de verschillende religieuze gemeenschappen die erin vertegenwoordigd zijn;

Bh. overwegende dat persvrijheid en de vrijheid voor maatschappelijke organisaties zoals ngo's om hun activiteiten uit te voeren, een essentieel onderdeel zijn van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten; deze vrijheid is in verschillende lidstaten ernstig aangetast door de aanneming van nationale wetten of rechtstreekse maatregelen;

Bi.  overwegende dat het Handvest erkent dat ouderen het recht hebben om "een waardig en zelfstandig leven te leiden en aan het maatschappelijke en culturele leven deel te nemen";

Bj.  overwegende dat de bestraffing van daders met straffen die passen bij het misdrijf, zeker ontmoedigend werkt voor personen die de grondrechten schenden, maar dat preventie (via maatregelen op het vlak van onderwijs en cultuur) het hoofddoel blijft en de voorkeur krijgt boven ingrijpen achteraf;

Bk. overwegende dat gespecialiseerde instellingen zoals de nationale mensenrechteninstellingen of organen voor de bevordering van gelijke behandeling doeltreffend moeten zijn om burgers te kunnen helpen om hun grondrechten beter af te dwingen bij de tenuitvoerlegging van het EU-recht door de lidstaten;

Bl.  overwegende dat het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en bij verkiezingen voor het Europees Parlement in de lidstaat van verblijf erkend wordt in de artikelen 39 en 40 van het Handvest; overwegende dat uitoefening van het recht op mobiliteit dat recht niet mag belemmeren;

Bm. veroordeelt de lauwe reactie van de Commissie en de lidstaten op de praktijken van massale internet- en telecomspionage die zijn blootgelegd door Edward Snowden in het kader van het NSA-Prism-programma waarbij ook Europese lidstaten betrokken zijn, teneinde de beschermingsnormen ten aanzien van de Europese burgers of onderdanen van derde landen die in Europa wonen te doen eerbiedigen;

1.   acht het essentieel dat de volle eerbiediging van de in artikel 2 VEU bedoelde gemeenschappelijke Europese waarden in de Europese en in de nationale wetgeving en het overheidsbeleid, en bij de uitvoering ervan, wordt gewaarborgd, waarbij het subsidiariteitsbeginsel ten volle moet worden geëerbiedigd;

2.   verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat alle EU-wetgeving, met inbegrip van de economische en financiële aanpassingsprogramma's, ten uitvoer wordt gelegd overeenkomstig het Handvest van de grondrechten en het Europees Sociaal Handvest (artikel 151 VWEU);

3.   herinnert aan de verplichting tot toetreding tot het EVRM, zoals bepaald in artikel 6 VEU; neemt kennis van het advies 2/2013 van het Hof van Justitie van de EU; vraagt de Commissie en de Raad om de nodige instrumenten in te voeren om ervoor te zorgen dat aan die verplichting als verankerd in de Verdragen onmiddellijk wordt voldaan; is van mening dat hierbij volledige transparantie in acht moet worden genomen, omdat dit een bijkomend mechanisme oplevert om te zorgen voor reële eerbiediging en om de bescherming van individuen tegen schendingen van hun grondrechten, inclusief het recht op een effectieve voorziening te handhaven, alsmede om de Europese instellingen meer rekenschap te laten afleggen voor hun handelen en nalaten ten aanzien van de grondrechten;

4.   begroet met instemming de benoeming van de eerste vicevoorzitter van de Commissie met bevoegdheden inzake de rechtsstaat en het Handvest en neemt kennis van zijn engagement voor een behoorlijke handhaving van het bestaande kader; verwacht dat op korte termijn een interne strategie wordt uitgevaardigd over de grondrechten, in nauwe samenwerking met de andere instellingen en in overleg met een ruime vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties en met andere belanghebbende partijen; is van mening dat de strategie moet worden gebaseerd op artikelen 2, 6 en 7 VEU en moeten consistent zijn met de beginselen en doelstellingen in artikelen 8 en 10 VWEU; betreurt het gebrek aan politieke wil om artikel 7 VEU in te zetten tegen lidstaten die zich schuldig maken aan schendingen van de grondrechten, om ze te straffen en als afschrikkende maatregel;

5.  benadrukt de noodzaak om bestaande mechanismen ten volle te benutten om de eerbiediging, bescherming en bevordering van de in artikel 2 van het EU-Verdrag en in het Handvest van de grondrechten bedoelde grondrechten en waarden van de Unie te waarborgen, benadrukt het feit dat alle desbetreffende instrumenten die momenteel in de Verdragen zijn vastgesteld, dringend moeten worden toegepast en ten uitvoer moeten worden gelegd;

6.   benadrukt het feit dat ten volle gebruik moet worden gemaakt van de bestaande mechanismen, met de uitvoering van objectieve evaluaties en onderzoeken en de inleiding van inbreukprocedures, indien hiertoe voldoende redenen bestaan;

7.   onderstreept de noodzaak van mogelijke verdragswijzigingen om de bescherming van de grondrechten in de EU-Verdragen verder te versterken;

8.   neemt kennis van de mededeling van de Commissie over een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat, die een eerste poging is om de bestaande leemten in de preventie en oplossing van inbreuken op de grondrechten en de beginselen van de rechtsstaat in de lidstaten te verhelpen; neemt kennis van de intentie van de Commissie om het Europees Parlement en de Raad regelmatig op de hoogte te houden van de vooruitgang die in elke fase wordt geboekt; is evenwel van mening dat het voorgestelde kader mogelijk geen toereikend of doeltreffend afschrikmiddel is voor de voorkoming en oplossing van schendingen van de grondrechten in de lidstaten, doordat de Commissie dit kader heeft gepresenteerd in de vorm van een niet-bindende mededeling, waarin niet wordt gespecificeerd wanneer het kader moet worden geactiveerd;

9.   vraagt de Commissie dit kader ten uitvoer te leggen en verder te verbeteren, teneinde:

a)   het op te nemen in de interne strategie voor de grondrechten, aangezien de rechtsstaat een absolute voorwaarde is voor de bescherming van de grondrechten in de Europese Unie en haar lidstaten;

b)   de deskundigheid van de Raad van Europa beter te benutten en een formele samenwerking tot stand te brengen op het gebied van de rechtsstaat en grondrechten;

c)  de criteria voor de toepassing ervan duidelijk te omschrijven, en te zorgen dat door de proactieve en transparante activering van het kader concrete inbreuken op de grondrechten succesvol worden voorkomen; in het bijzonder de criteria vast te leggen voor "duidelijk gevaar voor een ernstige schending" en "ernstige en voortdurende schending" op basis van onder andere de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens; te overwegen deze criteria zo vast te stellen dat elke schending automatisch het kader activeert;

d)   indien het FRA systematische of ernstige schendingen van artikel 2 VEU vaststelt, inbreukprocedures in te leiden, die ook kunnen leiden tot financiële sancties overeenkomstig artikel 260 VWEU;

e)   te zorgen voor de automatische opstarting van de procedure overeenkomstig artikel 7 VEU, wanneer de kwestie niet met het in het kader vastgestelde driefasenproces wordt opgelost, en te specificeren welke andere rechten dan het stemrecht in de Raad die op grond van de toepassing van de Verdragen aan de betreffende lidstaat zijn verleend, kunnen worden opgeschort, en de mogelijkheid te overwegen van verdere sancties om de effectieve werking van het kader te garanderen, met inachtneming van het Europees recht en de grondrechten;

f)    te bepalen dat alle wetgevingsvoorstellen, beleidsmaatregelen en acties van de EU, ook in de economische sfeer en op het gebied van buitenlandse betrekkingen, en alle maatregelen die met Europese middelen worden gefinancierd, moeten stroken met het Handvest en vooraf en achteraf zorgvuldig moeten worden geanalyseerd op hun effecten op de grondrechten, alsmede een proactief actieplan op te nemen om de efficiënte toepassing te garanderen van de bestaande normen en de gebieden te identificeren waar hervormingen nodig zijn; is in verband hiermee van mening dat de Commissie, de Raad en het Parlement bij de opstelling van wetgeving en de ontwikkeling van beleid ten volle gebruik moeten maken van de externe onafhankelijke deskundigheid van het FRA;

g)   in samenwerking met het FRA en de nationale mensenrechteninstanties in de lidstaten en met de input van de breedst mogelijke vertegenwoordiging van het maatschappelijk middenveld een databank te ontwikkelen die alle beschikbare gegevens verzamelt en publiceert over de situatie van de grondrechten in de EU en in de afzonderlijke lidstaten;

10. dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat bovengenoemde interne strategie vergezeld gaat van een duidelijk en gedetailleerd nieuw mechanisme, dat naar behoren gebaseerd is op het internationale en het Europese recht en waarbij alle door artikel 2 VEU beschermde waarden worden geëerbiedigd, om te zorgen voor coherentie met het strategisch kader voor mensenrechten en democratie dat in de buitenlandse betrekkingen van de EU reeds wordt gehanteerd en de Europese instellingen en de lidstaten rekenschap te laten afleggen voor hun acties en tekortkomingen, wat de grondrechten betreft; is van mening dat met dit mechanisme moet kunnen worden gecontroleerd in hoeverre alle EU-lidstaten de grondrechten eerbiedigen en een systematische en geïnstitutionaliseerde dialoog moet worden ingesteld, ingeval de grondrechten door een of meer lidstaten worden geschonden; is van mening dat de Commissie, om de bepalingen in de Verdragen volledig te benutten:

a)   een scorebord moet invoeren op basis van gemeenschappelijke en objectieve indicatoren om de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten te meten; merkt op dat deze indicatoren de politieke criteria van Kopenhagen moeten weerspiegelen die door toetredende landen moeten worden nageleefd, alsook de waarden en rechten die zijn vastgelegd in artikel 2 van de Verdragen en het Handvest van de grondrechten, en dat zij moeten worden opgesteld op basis van bestaande normen; is in verband hiermee van mening dat de Commissie moet overwegen het EU-scorebord voor justitie uit te breiden met een periodieke beoordeling per land van de eerbiediging van de grondrechten en de rechtsstaat;

b)   moet zorgen voor permanente monitoring, op basis van het ingevoerde scorebord en een in samenwerking met de Raad en het Parlement te ontwikkelen systeem van jaarlijkse landenbeoordelingen op het gebied van overeenstemming met de rechtsstaat en de situatie van de grondrechten in alle lidstaten van de Europese Unie, dat gebaseerd moet zijn op gegevens van het FRA, de Raad van Europa en zijn Commissie van Venetië en ngo's;

c)   in verband hiermee een herziening moet voorstellen van de FRA-verordening, om het FRA meer bevoegdheden te verlenen en te voorzien van meer personeel en financiële middelen, zodat het de situatie in de lidstaten kan controleren en een jaarlijks monitoringverslag kan publiceren met een gedetailleerde beoordeling van de prestatie van elke lidstaat;

d)   een formele waarschuwing moet geven, als de indicatoren, op basis van het ingevoerde scorebord en bovengenoemd jaarlijks monitoringverslag, aangeven dat de lidstaten de rechtsstaat of de grondrechten schenden; is van mening dat deze formele waarschuwing systematisch gepaard moet gaan met de opstarting van een geïnstitutionaliseerde dialoog waaraan wordt deelgenomen - naast de Commissie en de lidstaat in kwestie - door de Raad, het Europees Parlement en het parlement van de lidstaat in kwestie;

e)   moet bijdragen tot een verbetering van de coördinatie tussen de EU-instellingen en -agentschappen, de Raad van Europa, de Verenigde Naties en organisaties van het maatschappelijk middenveld; de samenwerking tussen de EU-instellingen en de lidstaten moet intensiveren, inclusief tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen;

11. juicht het feit toe dat de Raad debatten gaat organiseren over de rechtsstaat; is echter van mening dat dergelijke debatten niet de meest doeltreffende manier zijn om gevallen van niet-naleving van de fundamentele waarden van de Europese Unie op te lossen; betreurt het feit dat het Parlement niet werd ingelicht over of betrokken bij de organisatie van deze debatten; verzoekt de Raad om haar debatten te baseren op de resultaten van de jaarlijkse en speciale rapporten van de Europese Commissie, het Europees Parlement, de maatschappelijke organisaties, de Raad van Europa en haar Commissie van Venetië en andere al dan niet institutionele belanghebbenden;

12.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om een ​​onderzoek uit te voeren naar de aantijgingen van schending van de door het Handvest gewaarborgde grondrechten en gevolg te geven aan deze aantijgingen, mochten ze bewezen worden; verzoekt de Commissie met name om inbreukprocedures in te leiden wanneer lidstaten ervan worden verdacht in strijd met deze rechten te hebben gehandeld;

13.  verzoekt de Commissie om meer voorrang te geven aan de voorbereidingen voor de toetreding van de Unie tot het op 18 oktober 1961 in Turijn ondertekende en op 3 mei 1996 in Straatsburg herziene Europees Sociaal Handvest;

14. verzoekt de lidstaten om nationale mensenrechteninstanties in te stellen en te versterken in overeenstemming met de beginselen van Parijs zodat mensenrechten op nationaal niveau op een onafhankelijke manier worden bevorderd en beschermd;

15. vraagt dat een grotere coördinatie en samenhang wordt gegarandeerd tussen de activiteiten van het Europees Parlement, de Raad van Europa, het FRA en het EIGE;

16.  is bezorgd over de verontrustende ontwikkelingen in de Europese Unie wat betreft schendingen van de grondrechten, met name op het gebied van immigratie en asiel, discriminatie en intolerantie jegens bepaalde bevolkingsgroepen, alsook over de aanvallen tegen of het onder druk zetten van ngo's die de rechten van deze (bevolkings-) groepen verdedigen; wijst op de terughoudendheid van de lidstaten om deze vrijheden en grondrechten te doen eerbiedigen, met name wanneer het gaat om de rechten van Roma, vrouwen, LGBTI, asielzoekers, migranten en andere kwetsbare bevolkingsgroepen;

17.  verzoekt de Raad een gemeenschappelijke basis te vinden voor de juiste inhoud van de beginselen en normen die voortvloeien uit de rechtsstaat en die van land tot land verschillen, en om, als uitgangspunt voor het debat, de reeds bestaande omschrijving van rechtsstaat van het Europees Hof van Justitie te nemen, die de volgende elementen omvat: ; legaliteit, met inbegrip van een transparant, controleerbaar, democratisch en pluriform wetgevingsproces, rechtszekerheid; een verbod op willekeur van de uitvoerende macht; onafhankelijke en onpartijdige rechters; onafhankelijke en doeltreffende rechterlijke toetsing, met inbegrip van de eerbiediging van de grondrechten; en gelijkheid voor de wet;

18.  herinnert eraan dat eerbiediging van de rechtsstaat een voorwaarde is voor de bescherming van grondrechten en dat veiligheidsmaatregelen geen afbreuk aan de grondrechten mogen doen, overeenkomstig artikel 52 van het Handvest; herinnert er eveneens aan dat krachtens artikel 6 van het Handvest eenieder recht heeft op vrijheid en veiligheid van zijn persoon;

19.  verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten ervoor te zorgen dat de grondrechten en -beginselen, zoals met name vastgelegd in de Verdragen, het Handvest en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, vanaf de ontwerpfase worden geïntegreerd in binnenlandse veiligheidsbeleidsmaatregelen, zoals wordt voorgesteld in het focusverslag van het FRA getiteld "Embedding fundamental rights in the security agenda"; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan om sociale-integratie- en non-discriminatiemaatregelen op te nemen in toekomstige interne veiligheidsstrategieën;

20.  verzoekt de Commissie om met de steun van het FRA de acties en programma's op het gebied van bewustmaking, onderwijs en opleiding met betrekking tot de grondrechten te versterken; die programma's moeten de cohesie en het vertrouwen tussen alle sociale partners bevorderen en moeten de organisaties van het maatschappelijk middenveld, de nationale mensenrechtenorganisaties en de nationale bureaus voor gelijkheid en discriminatiebestrijding betrekken;

21. benadrukt dat de rol van de Commissie als hoedster van de Verdragen niet alleen inhoudt dat zij ervoor zorgt dat wetgeving door de lidstaten wordt omgezet maar ook betekent dat zij toeziet op de volledige en correcte toepassing van wetten, met name met het oog op de bescherming van de grondrechten van burgers; betreurt de effectieve beperking van het toepassingsgebied van het Handvest als gevolg van een al te strikte uitlegging van artikel 51 in die zin dat handhaving van het EU-recht buiten dit toepassingsgebied valt; is van mening dat deze benadering moet worden herzien om tegemoet te komen aan de verwachtingen van de EU-burgers ten aanzien van hun grondrechten; herinnert eraan dat de verwachtingen van de burgers verder reiken dan de strikte uitlegging van het Handvest en dat het doel moet zijn deze rechten zo effectief mogelijk te maken; betreurt het daarom dat de Commissie in talrijke antwoorden op verzoekschriften waarin de mogelijke schending van grondrechten wordt aangekaart, zegt niet over de nodige bevoegdheden te beschikken; dringt er in dit verband op aan een mechanisme uit te werken voor toezicht, systematische evaluatie en het opstellen van aanbevelingen, om de algemene eerbiediging van de fundamentele waarden in de lidstaten te stimuleren;

22. herinnert aan het cruciale belang van de tijdige en correcte omzetting en tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving, in het bijzonder van wetgeving die de mensenrechten beïnvloedt en ontwikkelt;

Vrijheid en veiligheid

Vrijheid van meningsuiting en de media

23.  wijst er eens te meer op dat de vrijheid van meningsuiting, informatie en media van fundamenteel belang is voor het waarborgen van de democratie en de rechtsstaat; veroordeelt ten stelligste elke tegen journalisten en media gerichte vorm van geweld, druk of bedreiging, ook wanneer het gaat om de bekendmaking van hun bronnen en informatie over schendingen van grondrechten door overheden en staten; verzoekt de lidstaten geen maatregelen toe te passen die deze vrijheden belemmeren; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om de richtlijn inzake audiovisuele mediadiensten te herzien en te wijzigen op basis van de door het Parlement in zijn resolutie van 22 mei 2013 uiteengezette lijnen;

24.  benadrukt dat publieke, onafhankelijke, vrije, gevarieerde en pluriforme media, samen met journalisten, zowel online als offline, een basisonderdeel vormen van de democratie; is van mening dat media-eigendom en -beheer niet geconcentreerd mogen zijn; benadrukt in verband hiermee het feit dat transparantie van media-eigendom cruciaal is voor het controleren van investeringen die invloed kunnen hebben op de verstrekte informatie; vraagt de ontwikkeling van adequate en billijke economische regels, om ook online pluriformiteit van de media te garanderen; verzoekt de Commissie om een actieplan op te stellen om ervoor te zorgen dat alle media voldoen aan minimumeisen op het gebied van onafhankelijkheid en kwaliteit;

25.     spreekt zijn bezorgdheid uit over de toenemende repressieve maatregelen in sommige lidstaten tegen sociale bewegingen en betogingen, de vrijheid van vergadering en de vrije meningsuiting, met name het gebruik van buitensporig geweld tegen vreedzame demonstranten en het beperkte aantal politiële en gerechtelijke onderzoeken op dit gebied; verzoekt de lidstaten de vrijheid van vergadering te beschermen en geen maatregelen te nemen die de uitoefening van de fundamentele rechten en vrijheden, zoals het recht van demonstratie, staking, vergadering, vereniging en vrije meningsuiting, in gevaar brengen of zelfs strafbaar stellen; uit zijn grote bezorgdheid over nationale wetgeving van diverse lidstaten die gevolgen heeft voor de uitoefening van grondrechten in openbare ruimten en die het recht van vergadering beperkt; verzoekt de Commissie de ernstige aantasting van de grondrechten als gevolg van nationale wetgeving die om veiligheidsredenen beperkingen stelt aan de uitoefening van grondrechten in openbare ruimten, te monitoren en aan te pakken;

26.  merkt op dat een aantal terroristische voorvallen de EU en haar lidstaten ertoe hebben gebracht hun antiterroristische en antiradicaliseringsmaatregelen te verscherpen; dringt er bij de EU en de nationale autoriteiten op aan bij de vaststelling van deze maatregelen de principes van democratie, rechtstaat en fundamentele rechten ten volle te eerbiedigen, met name het recht op verdediging in rechte, het vermoeden van onschuld, het recht op een eerlijk proces en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en op de bescherming van persoonsgegevens; vraagt de lidstaten en de Commissie om voor elk nationaal wetgevings- of regelgevingsontwerp of -voorstel in het kader van terrorismebestrijding met volledige transparantie te onderzoeken of het in overeenstemming is met artikel 2 VEU en het Handvest;

27.  erkent dat de sterke verspreiding van transnationale cybercriminaliteit en cyberterrorisme ernstige uitdagingen op het gebied van en zorgen over de bescherming van de grondrechten in de onlineomgeving met zich meebrengt; acht het van cruciaal belang dat de Unie een grondige expertise ontwikkelt op het gebied van cyberveiligheid teneinde de naleving van de artikelen 7 en 8 van het Handvest op het internet te bevorderen;

28.  feliciteert de Amerikaanse Senaat met het rapport inzake de detentie- en ondervragingsprogramma's van de CIA; roept de lidstaten op tot een beleid van nultolerantie ten aanzien van foltering of andere onmenselijke en vernederende behandelingen op hun grondgebied; herhaalt zijn verzoeken aan de lidstaten om ervoor te zorgen dat verantwoording wordt afgelegd over schendingen van de grondrechten in het kader van het vervoer en het illegaal vasthouden van gevangenen in de Europese Unie door de CIA; dringt er bij de lidstaten op aan open en transparante onderzoeken uit te voeren om de waarheid te achterhalen over het gebruik van hun grondgebied en luchtruim en hun volledige medewerking te verlenen aan het onderzoek hierover van het Europees Parlement, dat onlangs opnieuw is opgestart, en de follow-up hiervan; roept op tot de bescherming van personen die zulke schendingen aan het licht brengen, zoals journalisten en klokkenluiders;

29. uit zijn bezorgdheid over de herhaalde berichten over schendingen van EU-grondrechten, met name van de EU-gegevensbeschermingswetgeving, die zouden zijn begaan door de inlichtingenactiviteiten van lidstaten en derde landen, waarbij de elektronische communicatiegegevens van Europese burgers kunnen worden opgeslagen en ingekeken; veroordeelt met klem de massale afluisterpraktijken zoals die sinds 2013 aan het licht zijn gekomen en betreurt het feit dat deze praktijken blijven doorgaan; verzoekt om opheldering ten aanzien van deze activiteiten, met name ten aanzien van de huidige betrokkenheid en activiteiten van de diensten van bepaalde lidstaten; verzoekt de Commissie en de lidstaten volledig rekening te houden met de eisen en aanbevelingen van het Parlement, dat deze heeft uiteengezet in zijn resolutie van 12 maart 2014 over het surveillanceprogramma van het NSA, surveillance-instanties in de verschillende lidstaten en hun impact op de grondrechten van de burgers en op de trans-Atlantische samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken; verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat de activiteiten van hun inlichtingendiensten stroken met de verplichtingen ten aanzien van de grondrechten en onderworpen zijn aan parlementaire en wettelijke controle;

30.  geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de vaststelling van nationale wetgeving door de lidstaten die alles en iedereen omvattende surveillance toestaat, en wijst opnieuw op de noodzaak om veiligheidsinstrumenten te gebruiken die gericht, strikt noodzakelijk en evenredig zijn in een democratische samenleving; herhaalt zijn verzoek aan de EU en haar lidstaten om een systeem van bescherming voor klokkenluiders in het leven roepen;

31.  betreurt dat de burgers onvoldoende op de hoogte zijn van hun rechten op het gebied van gegevensbescherming en de persoonlijke levenssfeer en van de gerechtelijke verhaalmechanismen; benadrukt in dit opzicht de rol van de nationale gegevensbeschermingsautoriteiten bij de bevordering en de bekendmaking van deze rechten; is van mening dat het van cruciaal belang is dat burgers en in het bijzonder kinderen leren hoe ze hun gegevens kunnen beschermen, inclusief op het internet, en vertrouwd worden gemaakt met de gevaren waaraan zij blootgesteld kunnen worden; verzoekt de lidstaten om vooral in scholen bewustmakingscampagnes op te zetten; benadrukt dat in het licht van de snelle technologische ontwikkelingen en het toenemende aantal cyberaanvallen bijzondere aandacht moet worden besteed aan de bescherming van persoonsgegevens op het internet, met een sterke focus op de beveiliging van de verwerking en opslag, onderstreept het feit dat, hoewel het recht om te worden vergeten niet absoluut is en moet worden afgewogen tegen andere grondrechten, personen het recht moeten hebben om hun onlinepersoonsgegevens te laten corrigeren; onderstreept zijn ernstige bezorgdheid over de moeilijkheden die de meerderheid van de internetgebruikers ondervindt wanneer zij hun rechten in de digitale wereld willen doen gelden; roept de Raad op snel voortgang te maken met het pakket gegevensbescherming teneinde in de hele Unie een hoog niveau van gegevensbescherming te waarborgen;

32.  herinnert eraan dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat hun inlichtingendiensten binnen de wet opereren en de Verdragen en het Handvest volledig in acht nemen; verzoekt de lidstaten in dit verband ervoor te zorgen dat nationale wetgeving de verzameling en analyse van persoonsgegevens (met inbegrip van zogeheten metadata) alleen toestaat met instemming van de betrokkene of op basis van een gerechtelijk bevel dat is afgegeven op grond van een redelijk vermoeden dat het doelwit is betrokken bij een criminele activiteit;

33.  benadrukt dat onrechtmatige verzameling en verwerking van gegevens op dezelfde wijze moet worden bestraft als schendingen van de traditionele vertrouwelijkheid van correspondentie; staat erop dat het creëren van "achterdeuren" en het gebruik van andere technieken om beveiligingsmaatregelen te verzwakken of te omzeilen of bestaande zwakke punten daarvan te exploiteren ten strengste worden verboden;

34.  is gekant tegen de druk die door zowel publieke als particuliere actoren wordt uitgeoefend op particuliere bedrijven om toegang te krijgen tot de gegevens van internetgebruikers, de inhoud op het internet te controleren of het beginsel van netneutraliteit opnieuw ter discussie te stellen;

35. onderstreept dat het waarborgen van de grondrechten in de hedendaagse informatiemaatschappij een essentieel doel van de EU moet zijn, nu het toenemende gebruik van informatie- en communicatietechnologie (ICT) zorgt voor nieuwe dreigingen voor de uitoefening van grondrechten op internet, waarvan de bescherming moet worden versterkt door deze rechten in de onlinewereld op dezelfde manier en in dezelfde mate te beschermen en te bevorderen als in de offlinewereld;

36.  dringt er bij de Commissie op aan de toepassing van bestaande EU-wetgeving op dit gebied intensief te bewaken en is van mening dat de lidstaten de bepalingen van hun strafrecht in de praktijk moeten brengen door schendingen van deze wetgeving doeltreffend te onderzoeken en te vervolgen teneinde de eerbiediging van de grondrechten van de slachtoffers te waarborgen;

37.  roept de Commissie en de lidstaten op de grootste waakzaamheid te betrachten waar het gaat om de mogelijke effecten van bepaalde nieuwe technologieën, zoals drones, op de grondrechten van de burgers en meer in het bijzonder op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van persoonsgegevens;

38.  benadrukt de zeer belangrijke rol van het onderwijs om radicalisering en de toename van onverdraagzaamheid en extremisme onder jongeren te voorkomen;

39. betreurt de gevallen van discriminatie en zelfs geweld door de politiediensten tegen minderheidsgroepen zoals migranten, Roma, LGBTI of mensen met een handicap in bepaalde lidstaten; spoort de lidstaten ertoe aan deze gevallen te onderzoeken en te bestraffen; is van mening dat de politiediensten sterker bewust moeten worden gemaakt en moeten worden opgeleid in het onderkennen van de discriminatie en het geweld waarvan deze minderheden het slachtoffer worden; verzoekt de lidstaten om het vertrouwen van minderheden in de politiediensten te herstellen en minderheden aan te moedigen om aangifte te doen van gevallen van discriminatie en geweld; roept de autoriteiten in de lidstaten er eveneens toe op om de discriminerende etnische profielen waarvan bepaalde politiediensten gebruikmaken te bestrijden;

Vrijheid van godsdienst en geweten

40.  verwijst naar artikel 10 van het Handvest, waar de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst wordt beschermd, inclusief de vrijheid de godsdienst te belijden van zijn keuze en om van godsdienst of overtuiging te veranderen; is van mening dat hieronder ook de vrijheid van niet-gelovigen valt; veroordeelt elke vorm van discriminatie of onverdraagzaamheid en vraagt een verbod op elke vorm van discriminatie op grond hiervan; betreurt in verband hiermee de recente voorvallen van antisemitische en anti-islamdiscriminatie en -geweld; verzoekt de lidstaten, inclusief de regionale autoriteiten, om de vrijheid van godsdienst of overtuiging met alle beschikbare middelen te beschermen en om tolerantie en interculturele dialoog door middel van effectief beleid te bevorderen, met aanscherping van het antidiscriminatiebeleid waar nodig; herinnert aan het belang van een seculiere en neutrale staat als buffer tegen elke vorm van discriminatie van deze of gene religieuze, atheïstische of agnostische gemeenschap, waarin voor alle religies en overtuigingen een gelijke behandeling is gewaarborgd; uit zijn bezorgdheid over de toepassing van wetten inzake blasfemie en belediging van religies in de Europese Unie, die ernstige gevolgen kunnen hebben voor de vrijheid van meningsuiting, en dringt er bij de lidstaten op aan deze wetten af te schaffen; veroordeelt met klem de aanvallen die zijn gericht op gebedshuizen en roept de lidstaten op deze misdaden niet onbestraft te laten;

41.  dringt aan op eerbiediging van de godsdiensts- en geloofsvrijheid in het bezette deel van Cyprus, waar meer dan vijfhonderd religieuze en culturele monumenten op instorten staan;

42.  is zeer ongerust over de opleving van het antisemitisme in Europa en de banalisering van uitspraken waarin de Holocaust wordt ontkend of gerelativeerd; is bezorgd dat veel leden van de Joodse gemeenschap Europa willen verlaten vanwege een klimaat van groeiend antisemitisme en discriminatie en geweld gericht tegen de Joodse gemeenschap;

43. is zeer bezorgd over de toename van anti-islambetogingen, aanvallen tegen moskeeën en de veelvuldige verwarring van de islam met het religieuze fanatisme van een zeer kleine minderheid; betreurt de discriminatie en het geweld waar de moslimgemeenschap het slachtoffer van is; roept de lidstaten op deze praktijken stelselmatig te veroordelen en in dit opzicht een beleid van nultolerantie te voeren;

Gelijkheid en non-discriminatie

44.  betreurt het diep dat de Raad het voorstel voor een richtlijn betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid van 2008 nog steeds niet heeft vastgesteld; is ingenomen met het feit dat de Commissie deze richtlijn prioriteit heeft gegeven, herhaalt zijn oproep aan de Raad om het voorstel zo snel mogelijk vast te stellen;

45.  herinnert eraan dat pluralisme, non-discriminatie en tolerantie volgens artikel 2 VEU behoren tot de waarden die ten grondslag liggen aan de Unie; is van mening dat alleen beleid dat gericht is op de bevordering zowel van formele als van inhoudelijke gelijkheid en op de bestrijding van alle vormen van vooringenomenheid en discriminatie, een coherente samenleving kan bevorderen, door een einde te maken aan alle vooroordelen die schadelijk zijn voor de sociale integratie; betreurt het feit dat er zelfs vandaag in de EU nog steeds gevallen zijn van discriminatie, marginalisatie en zelfs geweld en misbruik, met name op basis van gender, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of persoonlijke overtuigingen, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele oriëntatie;

46. is van mening dat de Unie en de lidstaten zich krachtiger moeten inzetten voor de bestrijding van discriminatie en de bescherming van culturele, godsdienstige en taalkundige diversiteit en maatregelen moeten bevorderen voor een verbetering van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, de rechten van het kind, de rechten van ouderen, de rechten van personen met een handicap, de rechten van LGBTI en de rechten van personen die behoren tot een nationale minderheid; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan om meervoudige discriminatie op te nemen in het gelijkheidsbeleid;

47. verzoekt de Commissie en de Raad om te erkennen dat er behoefte is aan betrouwbare en vergelijkbare gegevens over gelijkheid voor het meten van discriminatie, uitgesplitst naar discriminatiegrond, teneinde beleidsmakers te informeren en de tenuitvoerlegging van de discriminatiebestrijdingswetgeving te evalueren en beter te kunnen handhaven; verzoekt de Commissie om consequente beginselen voor het verzamelen van gegevens over gelijkheid op basis van zelfidentificatie, EU-normen op het gebied van gegevensbescherming en het raadplegen van de relevante gemeenschappen vast te stellen; verzoekt de lidstaten gegevens te verzamelen voor alle discriminatiegronden;

48. spoort de EU ertoe aan een richtlijn aan te nemen waarin discriminatie op grond van geslacht wordt veroordeeld en waarin de strijd wordt aangebonden met vooroordelen en clichés met betrekking tot genderidentiteit in het onderwijs en in de media;

Bescherming van minderheden

49. verzoekt meer consistentie van de Europese Unie op het gebied van de bescherming van minderheden; is er stellig van overtuigd dat alle lidstaten en kandidaat-lidstaten aan dezelfde beginselen en criteria dienen te voldoen om het hanteren van een dubbele standaard te vermijden; vraagt daarom de instelling van een doeltreffend mechanisme voor het controleren en waarborgen van de grondrechten van alle soorten minderheden, zowel in de kandidaat-lidstaten als in de EU-lidstaten;

50.  onderstreept dat de Europese Unie een gebied moet zijn waar etnische, culturele en taalkundige diversiteit worden geëerbiedigd; verzoekt de EU-instellingen een alomvattend EU-beschermingssysteem voor nationale, etnische en taalkundige minderheden uit te werken om hun gelijke behandeling te waarborgen, rekening houdend met de toepasselijke internationale wettelijke normen en bestaande goede praktijken, en verzoekt de lidstaten te zorgen voor de effectieve gelijkheid van deze minderheden, in het bijzonder op het gebied van taal, onderwijs en cultuur; verzoekt alle lidstaten die dat nog niet hebben gedaan om het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden te ratificeren en effectief ten uitvoer te leggen; herinnert ook aan de noodzaak om de beginselen die in het kader van de OVSE zijn ontwikkeld ten uitvoer te leggen;

51.  veroordeelt alle vormen van discriminatie op grond van taalgebruik en verzoekt alle lidstaten die dat nog niet hebben gedaan om het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden te ratificeren en effectief ten uitvoer te leggen; dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan om alle noodzakelijke maatregelen te nemen om onevenredige administratieve of wettelijke belemmeringen die de taalkundige diversiteit op Europees of nationaal niveau in de weg staan aan te pakken;

52.  benadrukt dat de beginselen van menselijke waardigheid en gelijkheid voor de wet en het verbod op discriminatie op welke grond dan ook het fundament van de rechtsstaat vormen; verzoekt de lidstaten om een nationaal wetgevingskader vast te stellen voor de bestrijding van alle vormen van discriminatie en om de effectieve toepassing van het bestaande EU-rechtskader te waarborgen;

Situatie van Roma

53.  betreurt de trend van toenemende anti-Romagevoelens in de Europese Unie en uit zijn bezorgdheid over de situatie van de Roma in de EU en de talrijke gevallen van vervolging, geweld, stigmatisering, discriminatie en uitzetting, die in strijd zijn met de grondrechten en het EU-recht; dringt er bij de Commissie op aan om actie te blijven ondernemen tegen lidstaten die geïnstitutionaliseerde discriminatie en segregatie toestaan; roept de lidstaten nogmaals op tot een doeltreffende tenuitvoerlegging van strategieën om werkelijke integratie te bevorderen en tot doelgerichte integratiemaatregelen, met name op het gebied van bescherming van de grondrechten, onderwijs, werkgelegenheid, huisvesting en gezondheidszorg, alsmede om geweld, haatuitingen en discriminatie jegens de Roma te bestrijden, overeenkomstig de aanbeveling van de Raad van dinsdag 9 december 2014 over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten;

54.  benadrukt dat de nationale strategieën voor integratie van de Roma adequaat ten uitvoer moeten worden gelegd door geïntegreerd beleid te ontwikkelen waarbij lokale autoriteiten, niet-gouvernementele organen en Romagemeenschappen bij de lopende dialoog worden betrokken; verzoekt de Commissie te zorgen voor monitoring en een betere coördinatie van de tenuitvoerlegging; verzoekt de lidstaten samen met vertegenwoordigers van de Romabevolking te werken aan het beheer, de bewaking en de beoordeling van projecten die hun gemeenschappen aangaan, gebruik makend van de beschikbare middelen, inclusief middelen van de EU, terwijl zij strikt toezicht houden op de eerbiediging van de grondrechten van de Roma, inclusief de vrijheid van verkeer, overeenkomstig Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden;

55. betreurt de bestaande discriminatie van Roma in nationale onderwijsstelsels en op de arbeidsmarkt; wijst op de toenemende kwetsbaarheid in het bijzonder van Romavrouwen en -kinderen voor meervoudige gelijktijdige schendingen van hun grondrechten; wijst andermaal op het belang van bescherming en bevordering van gelijke toegang tot alle rechten voor Romakinderen;

56. dringt er bij de lidstaten op aan om de noodzakelijke wetswijzigingen inzake sterilisatie vast te stellen en om onder dwang gesteriliseerde Romavrouwen en vrouwen met een geestelijke handicap financieel te compenseren, overeenkomstig de jurisprudentie van het EHRM;

Geweld tegen vrouwen en gelijkheid tussen vrouwen en mannen

57.  spoort de EU en de lidstaten aan elke vorm van geweld en discriminatie tegen vrouwen te bestrijden en te vervolgen; verzoekt de lidstaten met name om elke vorm van huiselijk geweld en seksuele uitbuiting, ook in het geval van vluchtelingen en migrantenkinderen, alsmede vroegtijdige of gedwongen huwelijken doeltreffend te bestrijden;

58. geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de omvang en de verschijningsvormen van geweld tegen vrouwen in de EU, zoals is gedocumenteerd in de EU-brede enquête van het FRA waaruit blijkt dat een op de drie vrouwen sinds hun vijftiende te maken heeft gehad met fysiek en/of seksueel geweld en dat elk jaar naar schatting 3,7 miljoen vrouwen in de EU slachtoffer zijn van seksueel geweld; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom de bestaande wetgeving te evalueren en de kwestie van geweld tegen vrouwen hoog op de agenda te houden, aangezien gendergerelateerd geweld niet mag worden getolereerd; verzoekt de Commissie de ratificaties op nationaal niveau te stimuleren en de procedure voor de toetreding van de Unie tot de Overeenkomst van Istanbul zo snel mogelijk op te starten; onderstreept dat de onmiddellijke toetreding van alle lidstaten tot het Verdrag van Istanbul zal leiden tot de ontwikkeling van geïntegreerd beleid en de internationale samenwerking bij de bestrijding van elke vorm van geweld tegen vrouwen, inclusief seksuele intimidatie zowel online als offline, zal bevorderen;

59.  roept de lidstaten ertoe op om netwerken op te richten van opvangcentra voor vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van mensenhandel en prostitutie, waar deze vrouwen psychologische, medische, sociale en juridische bijstand kunnen krijgen, en om maatregelen in te voeren om slachtoffers een stabiele baan met daarbij horende rechten te helpen vinden;

60. is diep verontrust over de voortzetting van de praktijk van genitale verminking, die een ernstige vorm van geweld tegen vrouwen en meisjes is en een onaanvaardbare schending van hun recht op lichamelijke integriteit; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan de grootst mogelijke waakzaamheid te betrachten en deze praktijk op hun grondgebied te bestrijden om zo snel mogelijk een einde hieraan te maken; vraagt met name dat de lidstaten een krachtige en afschrikkende aanpak hanteren door mensen die met migranten werken een opleiding te geven en de daders van genitale verminking effectief en systematisch te vervolgen en te straffen en vindt dat in dit opzicht een nultolerantiebeleid moet worden toegepast; wijst erop dat dit moet samengaan met voorlichtings- en bewustmakingscampagnes die op de betrokken groepen gericht zijn; is verheugd dat de Europese asielwetgeving slachtoffers van genitale verminking als kwetsbare personen beschouwt en genitale verminking tot de criteria rekent die bij een asielaanvraag in aanmerking moeten worden genomen;

61.  verzoekt de Commissie de continuïteit van de verzameling van gegevens over de prevalentie en aard van geweld tegen vrouwen te waarborgen als basis voor robuust beleid om geweld te voorkomen en tegemoet te komen aan de behoeften van slachtoffers, onder meer door de tenuitvoerlegging van de EU-slachtofferrichtlijn (2012/29/EU) te beoordelen en bewustmakingscampagnes te organiseren tegen seksuele intimidatie; is van mening dat bij de gegevensverzameling moet worden voortgebouwd op de eerste door het FRA uitgevoerde EU-brede enquête en dat de gegevensverzameling gebaseerd moet zijn op samenwerking tussen de Commissie (met inbegrip van Eurostat), het FRA en het Europees Instituut voor gendergelijkheid; herhaalt het in zijn resolutie van 25 februari 2014 met aanbevelingen aan de Commissie inzake het bestrijden van geweld tegen vrouwen (2013/2004(INL)) gedane verzoek aan de Commissie om een wetgevingsvoorstel in te dienen met maatregelen om het beleid van de lidstaten inzake het voorkomen van geweld tegen vrouwen en meisjes, inclusief genitale verminking bij vrouwen, te bevorderen en ondersteunen; verzoekt de Commissie om 2016 uit te roepen tot het jaar van de bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes;

62.  verzoekt de EU en de lidstaten om elke vorm van geweld tegen vrouwen te bestrijden en te vervolgen; verzoekt de Commissie een wetgevingsinitiatief voor het verbieden van geweld tegen vrouwen in de EU te presenteren; 

63. verzoekt de Commissie de samenleving bewust te maken teneinde een cultuur van respect en tolerantie te stimuleren waarin vrouwen op geen enkele wijze worden gediscrimineerd; verzoekt de lidstaten bovendien ervoor te zorgen dat de nationale strategieën om de seksuele en reproductieve rechten van de vrouw te eerbiedigen en te beschermen worden uitgevoerd; beklemtoont dat de Unie een belangrijke rol speelt bij het vergroten van het bewustzijn en het bevorderen van beste praktijken op dit gebied, aangezien gezondheid een fundamenteel mensenrecht is dat van essentieel belang is voor de uitoefening van andere mensenrechten.

64. acht het zeer verontrustend dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in de besluitvormingsprocessen, in ondernemingen en ondernemingsraden, in de wetenschap en de politiek, zowel op nationaal als op internationaal niveau (grote bedrijven, nationale en Europese verkiezingen), maar vooral op lokaal niveau; vraagt vrouwen te steunen bij hun professionele ontwikkeling en hun inspanningen om in leidinggevende functies te worden aangesteld en verzoekt de Europese instellingen meer aandacht te besteden aan het feit dat slechts 17,8 % van de posities in de bestuursraden van de grootste beursgenoteerde ondernemingen in de EU wordt bekleed door een vrouw;

65. verzoekt de Raad een einde te maken aan de impasse rond de richtlijn inzake zwangerschapsverlof, daar deze kan zorgen voor echte, concrete gelijkheid van vrouwen en mannen en voor harmonisatie op EU-niveau;

66.  herinnert eraan dat meer dan de helft van de afgestudeerden met een postdoctoraal diploma vrouwen zijn en dat dit gegeven niet weerspiegeld wordt op de arbeidsmarkt, met name in hoge, leidinggevende functies; verzoekt de lidstaten daarom alle nodige stappen te ondernemen om te zorgen voor gelijke participatie van vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt en vrouwen te helpen hoge posities te verwerven en vooral om zo snel mogelijk een akkoord te bereiken over het voorstel voor een richtlijn inzake de verbetering van de man-vrouwverhouding bij niet-uitvoerende bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen en daarmee samenhangende maatregelen; betreurt dat in de EU voor gelijk werk het inkomen van vrouwen nog steeds gemiddeld 16 % lager ligt dan dat van mannen; verzoekt de EU daarom haar inspanningen voor de gelijkheid van vrouwen en mannen op het gebied van beloningen, overeenkomstig artikel 157 VWEU, pensioenen en deelname aan de arbeidsmarkt, ook in topmanagementfuncties, voort te zetten; is van mening dat deze actie moet helpen armoede te bestrijden en ervoor te zorgen dat Europa al het beschikbare talent ten volle benut; betreurt het feit dat de werkloosheid bij vrouwen nog steeds aanzienlijk hoger ligt dan die bij mannen en benadrukt het feit dat de financiële onafhankelijkheid van vrouwen een component moet zijn van de strijd tegen armoede;

67.  verzoekt de Commissie om het toezicht op de naleving van het beginsel van gelijkheid van mannen en vrouwen, zoals opgenomen in de Europese wetgeving, te versterken; roept de lidstaten ertoe op over te gaan tot eenzelfde onderzoek met betrekking tot hun nationale wetgeving;

68. onderkent dat seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) grondrechten zijn en een wezenlijk bestanddeel vormen van de menselijke waardigheid, gendergelijkheid en zelfbeschikking; dringt er bij de Commissie op aan om seksuele en reproductieve gezondheid en rechten als fundamentele mensenrechten in haar volgende EU-gezondheidsstrategie op te nemen, teneinde de samenhang tussen het interne en het externe beleid van de EU inzake de grondrechten te waarborgen, zoals het Parlement op 10 maart 2015 heeft gevraagd;

69. erkent dat het weigeren van een levensreddende abortus een ernstige schending van de grondrechten betekent;

70. roept de lidstaten ertoe op in samenwerking met de Commissie het recht te erkennen op toegang tot veilige en moderne voorbehoedsmiddelen en seksuele voorlichting op school; dringt er bij de Commissie op aan het nationale beleid aan te vullen om de volksgezondheid te verbeteren en het Europees Parlement daarvan steeds op de hoogte te houden;

Kinderrechten

71.  veroordeelt krachtig elke vorm van geweld tegen kinderen en mishandeling van kinderen; verzoekt de lidstaten, als staten die partij zijn bij het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, passende maatregelen te nemen om kinderen te beschermen tegen elke vorm van fysiek en psychisch geweld, waaronder fysiek en seksuele mishandeling, een gedwongen huwelijk, kinderarbeid en seksuele uitbuiting;

72. veroordeelt met klem de seksuele uitbuiting van kinderen en met name het groeiende verschijnsel van kinderpornografie op het internet; dringt er bij de Unie en de lidstaten op aan hun krachten te bundelen in de strijd tegen deze zeer ernstige schendingen van de rechten van het kind en om terdege rekening te houden met de eisen van het Parlement zoals geformuleerd in zijn resolutie van 11 maart 2015 over de strijd tegen kinderpornografie op internet; herhaalt zijn verzoek aan de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan om de richtlijn betreffende seksueel misbruik, seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie om te zetten; roept tevens de Unie en de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan op om het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik te ratificeren;

73. verzoekt de lidstaten om Richtlijn 2011/93/EU ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie ten uitvoer te leggen en de wettelijke mogelijkheden, technische vaardigheden en financiële middelen van wetshandhavingsautoriteiten te versterken zodat er meer kan worden samengewerkt, onder meer met Europol, teneinde netwerken van plegers van seksueel misbruik van kinderen doeltreffender te kunnen oprollen en daarbij de rechten en de veiligheid van de betrokken kinderen voorop te stellen;

74.  beklemtoont de rol van beroepsbeoefenaars die werken met kinderen, zoals onderwijzers, opvoeders en kinderartsen, bij het opmerken van tekenen van fysiek en psychisch geweld tegen kinderen, inclusief cyberpesten; roept de lidstaten op om deze beroepsbeoefenaars op te leiden in en bewust te maken van deze problematiek; roept de lidstaten tevens op om telefoonlijnen in te stellen waar kinderen elk geval van mishandeling, seksueel geweld, intimidatie of pesterij waarvan zij het slachtoffer zijn, kunnen aangeven;

75.  is van mening dat persoonsgegevens van kinderen op internet naar behoren moeten worden beschermd en dat kinderen op een kindvriendelijke wijze moeten worden voorgelicht over de gevaren en de gevolgen van onlinegebruik van hun persoonsgegevens; verzoekt de lidstaten om vooral in scholen bewustmakingscampagnes op te zetten; benadrukt dat onlineprofilering van kinderen verboden moet worden;

76.  veroordeelt elke vorm van discriminatie tegen kinderen en verzoekt de Commissie en de lidstaten eendrachtig op te treden om discriminatie tegen kinderen uit te bannen; verzoekt de lidstaten en de Commissie met name om kinderen expliciet als prioriteit te beschouwen bij het programmeren en uitvoeren van regionaal en cohesiebeleid;

77.  verzoekt de lidstaten om voor effectieve toegang tot justitie te zorgen voor alle kinderen, ongeacht of ze verdachte, dader, slachtoffer of partij in een procedure zijn; bevestigt het belang van het versterken van de procedurele waarborgen voor kinderen in strafzaken, met name in het kader van de lopende gesprekken over een richtlijn betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure;

78.  is bezorgd over het toenemende aantal gevallen van ontvoeringen naar het buitenland van kinderen door een ouder; benadrukt in dat opzicht het belang van de bemiddelende rol van het Europees Parlement voor kinderen die het slachtoffer zijn van ontvoering naar het buitenland door een ouder; onderstreept het belang van een gemeenschappelijke EU-benadering om vermiste kinderen terug te vinden in de EU; verzoekt de lidstaten de politiële en justitiële samenwerking in grensoverschrijdende gevallen waarbij vermiste kinderen betrokken zijn op te voeren en hotlines te ontwikkelen voor het opsporen van vermiste kinderen;

79.  herinnert eraan dat het belang van het kind, zoals opgenomen in artikel 24 van het Verdrag, altijd een eerste overweging moet zijn bij al het beleid en elke maatregel met betrekking tot kinderen; herinnert eraan dat het recht op onderwijs is opgenomen in het Handvest en dat onderwijs van wezenlijk belang is, zowel voor het welzijn en de persoonlijke ontwikkeling van het kind als voor de toekomst van de samenleving; is van mening dat onderwijs voor kinderen uit arme gezinnen een essentiële voorwaarde is om kinderen uit een situatie van armoede te halen; roept de lidstaten derhalve op kwaliteitsvol onderwijs voor iedereen te bevorderen;

80. benadrukt dat de belangen en de rechten van kinderen van EU-burgers naar behoren moeten worden beschermd, niet alleen binnen de Unie maar ook daarbuiten, en roept daarom op tot nauwere samenwerking met de instanties die verantwoordelijk zijn voor het welzijn van kinderen in Noordse landen die niet tot de EU behoren; is van mening dat alle partners van de EU (met inbegrip van leden van de EER) het Verdrag van Den Haag van 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen zouden moeten ratificeren;

81.  erkent dat de financiële en economische crisis de verwezenlijking van de rechten en het welzijn van kinderen ernstig heeft belemmerd; verzoekt de lidstaten hun inspanningen voor de bestrijding van de armoede onder en sociale uitsluiting van kinderen op te voeren door de aanbeveling van de Commissie getiteld "Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken" effectief ten uitvoer te leggen met behulp van geïntegreerde strategieën om de toegang tot toereikende middelen, de toegang tot betaalbare, hoogwaardige diensten en de deelname van kinderen aan besluitvorming die hen aangaat te verbeteren; verzoekt de Commissie verdere maatregelen te nemen om toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van de aanbeveling;

82.  vraagt de Commissie om in 2015 een ambitieuze en alomvattende opvolger van de EU-agenda voor de rechten van het kind voor te stellen; verzoekt de Commissie om te zorgen voor de effectieve integratie van kinderrechten in alle wetgeving, beleid en financiële beslissingen van de EU; verzoekt de Commissie om jaarlijks verslag uit te brengen over de geboekte vooruitgang op het gebied van kinderrechten en om het acquis van de EU op het gebied van kinderrechten volledig ten uitvoer te leggen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het mandaat en de middelen van de coördinator voor de rechten van het kind in verhouding staan tot de toezegging van de EU dat zij die rechten stelselmatig en daadwerkelijk zal integreren in alle beleid; verzoekt de Commissie om de aangekondigde EU-richtsnoeren voor geïntegreerde kinderbeschermingssystemen vast te stellen;

83. is ingenomen met de tendens om gedwongen huwelijken in de lidstaten strafbaar te stellen; vraagt de lidstaten om zich waakzaam te tonen en werknemers die met kinderen in aanraking komen, zoals onderwijzers en opvoeders, op te leiden en bewust te maken opdat zij kinderen die het gevaar lopen meegenomen te worden naar hun land van herkomst om daar gedwongen te trouwen, kunnen opmerken;

Rechten van LGBTI

84.  veroordeelt in de meest krachtige bewoordingen de discriminatie en het geweld binnen het EU-gebied tegen LGBTI, die worden aangewakkerd door wetten en maatregelen die de grondrechten van LGBTI inperken; vraagt de Commissie en de lidstaten wetten en maatregelen in te voeren om de homo- en transfobie tegen te gaan; verzoekt de Commissie in dit verband om te komen met een actieplan of strategie op EU-niveau tegen homofobie en voor gelijkheid op grond van seksuele geaardheid en genderidentiteit, zoals herhaaldelijk is gevraagd door het Europees Parlement en zoals beloofd door commissaris Jourová tijdens de hoorzittingen met kandidaat-commissarissen; herinnert in verband hiermee aan zijn resolutie van 4 februari 2014 over de EU-routekaart tegen homofobie en discriminatie wegens seksuele gerichtheid of genderidentiteit; benadrukt evenwel dat dit omvattende beleid de bevoegdheden van de Europese Unie, van haar agentschappen en van haar lidstaten moet eerbiedigen;

85. is van mening dat de grondrechten van LGBTI waarschijnlijk beter zullen worden beschermd wanneer LGBTI toegang hebben tot wettelijke instituties als samenwonen, geregistreerd partnerschap en huwelijk; verheugt zich over het feit dat dit momenteel in 19 lidstaten mogelijk is, en vraagt de andere lidstaten te overwegen het voorbeeld van deze landen te volgen; herhaalt bovendien zijn verzoek aan de Commissie om een voorstel in te dienen voor een ambitieuze verordening om te zorgen voor de wederzijdse erkenning van documenten van de burgerlijke stand (inclusief wettelijke geslachtserkenning, huwelijken en geregistreerde partnerschappen) en de juridische gevolgen hiervan, met het oog op het wegnemen van discriminerende wettelijke en administratieve belemmeringen waar burgers mee te kampen hebben wanneer ze hun recht op vrij verkeer uitoefenen;

86. spoort de lidstaten aan om zich waakzaam en standvastig te tonen en belediging en stigmatisering van LGBTI in de openbare ruimte door bekleders van een openbaar ambt te bestraffen;

87.  spoort de EU-lidstaten aan om vakbonden en werkgeversorganisaties te steunen bij hun inspanningen om diversiteits- en non-discriminatiebeleid met een focus op LGBTI vast te stellen;

88. is van mening dat de overheden van de lidstaten de procedures voor mensen die van geslacht zijn veranderd om hun nieuwe sekse te laten erkennen in officiële documenten moeten vereenvoudigen; herhaalt zijn veroordeling van elke juridische erkenningsprocedure waarin transgenders worden gedwongen tot sterilisatie;

89.  betreurt het dat transgenders in de meeste lidstaten nog steeds als personen met een psychische aandoening worden beschouwd en roept deze lidstaten op hun nationale classificatiesystemen voor psychische aandoeningen te herzien en ervoor te zorgen dat medisch noodzakelijke behandelingen beschikbaar blijven voor alle transgenders;

90. is ingenomen met het initiatief van de Commissie om erop aan te sturen dat transgenderidentiteiten uit de pathologische sfeer worden getrokken bij de herziening van de internationale classificatie van ziekten (ICD) van de Wereldgezondheidsorganisatie; verzoekt de Commissie meer inspanningen te verrichten om te voorkomen dat gendervariatie bij kinderen een nieuwe diagnose in de ICD wordt;

91. betreurt het sterk dat chirurgische ingrepen met het oog op genitale "normalisering" van interseksuele kinderen veel voorkomen, terwijl die uit medisch oogpunt niet noodzakelijk zijn; is in dit verband ingenomen met de Maltese wet inzake genderidentiteit, genderexpressie en geslachtskenmerken van april 2015, die dergelijke ingrepen bij interseksuele kinderen verbiedt en het beginsel van zelfbeschikking van interseksuele personen versterkt, en verzoekt andere lidstaten het voorbeeld van Malta te volgen;

Rechten van personen met een handicap

92.  betreurt dat mensen met een handicap ook thans nog discriminatie en uitsluiting ondervinden; vraagt de Commissie, de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten uitvoering te geven aan de Europese strategie inzake handicaps en de desbetreffende Europese wetgeving te bewaken en toe te passen; roept de Commissie in dit verband op het wetgevingsinitiatief voor een Accessibility Act weer ter hand te nemen en in de vorm te gieten van een horizontaal instrument dat vooruitgang mogelijk maakt bij de bescherming van personen met een handicap en ervoor kan zorgen dat alle onder de bevoegdheid van de EU vallende beleidsgebieden in overeenstemming zijn met dit doel; vraagt de Commissie ook te zorgen voor maximale synergie tussen de Europese strategie inzake handicaps en de bepalingen van het CEDAW en het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, teneinde het effectieve genot en de daadwerkelijke uitoefening van de erkende rechten te waarborgen, ook door middel van de harmonisering en tenuitvoerlegging van het rechtskader en door middel van culturele en beleidsmaatregelen;

93.  dringt er bij de Commissie op aan de lidstaten richtsnoeren te verstrekken voor een optimale benutting van de Europese fondsen overeenkomstig de verplichtingen van de EU op grond van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en steun te verlenen aan en nauw samen te werken met ngo's en organisaties om ervoor te zorgen dat het verdrag naar behoren ten uitvoer wordt gelegd; verzoekt de EU en de lidstaten om de toegang van personen met een handicap, inclusief psychosociale handicaps, tot werkgelegenheid en opleiding te verbeteren en om zelfstandig wonen en deïnstitutionaliseringsprogramma's overeenkomstig artikel 26 van het Handvest te ondersteunen;

94.  benadrukt het feit dat het recht moet worden geëerbiedigd van personen met een handicap op politieke participatie bij verkiezingen; verzoekt de Commissie in verband hiermee een beoordeling van de verenigbaarheid met het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap op te nemen in haar verslaglegging over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 93/109/EG en Richtlijn 94/80/EG, waarin het recht om te stemmen en zich kandidaat te stellen voor de verkiezingen voor het Europees Parlement en gemeenteraadsverkiezingen is neergelegd; betreurt dat een behoorlijk aantal personen met een handicap van wie men de rechtsbevoegdheid heeft afgenomen, ook geen stemrecht meer heeft; roept de lidstaten daarom op om hun wetgeving aan te passen teneinde personen met een handicap die geen rechtsbevoegdheid hebben, niet systematisch het stemrecht te ontzeggen, maar veeleer een onderzoek uit te voeren per geval en personen met een handicap hulp te verlenen bij het stemproces;

95. roept de Commissie op om na te gaan of Europese wethandelingen stroken met de vereisten van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap en om elk toekomstig voorstel middels een effectbeoordeling te toetsen aan dit verdrag;

96. veroordeelt het gebruik van fysieke dwang en de gedwongen toediening van medicijnen bij geestelijk gehandicapten en roept de Europese Unie en de lidstaten ertoe op beleid vast te stellen op het gebied van sociale integratie;

97. betreurt het feit dat personen met een handicap nog steeds belemmeringen ondervinden bij de toegang tot de markt van goederen en diensten binnen de Europese Unie; is van mening dat deze belemmeringen van een dergelijke aard zijn dat zij de participatie van deze mensen aan de samenleving in de weg staan en een schending vormen van hun rechten, met name als Europees burger; vraagt de Commissie om snel vooruitgang te boeken met het bevorderen van de toegankelijkheid binnen de Europese Unie opdat zo snel mogelijk een wetshandeling kan worden aangenomen;

98.  verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten om personen met een handicap nauw te betrekken, onder meer via hun vertegenwoordigende organisaties, bij het besluitvormingsproces op hun respectieve bevoegdheidsgebieden, in overeenstemming met artikel 4, lid 3, van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap;

99.  verzoekt de EU-lidstaten en -instellingen ervoor te zorgen dat mogelijkheden om te participeren in raadplegingsprocessen duidelijk en breed worden gepubliceerd in toegankelijke media, dat input ook in andere formaten kan worden gegeven, zoals braille of "easy-to read", en dat openbare hoorzittingen en bijeenkomsten waarin over voorgestelde wetgeving en voorgesteld beleid wordt gediscussieerd beter toegankelijk worden;

100. verzoekt de Commissie om de gegevensverzameling over handicaps te harmoniseren door sociale enquêtes op EU-niveau uit te voeren overeenkomstig de vereisten van artikel 31 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; benadrukt dat bij deze gegevensverzameling gebruik methodologieën moeten worden gebruik die alle personen met een handicap bestrijken, onder wie ook personen met ernstige handicaps en personen die in instellingen wonen;

Discriminatie op grond van leeftijd

101.     betreurt het dat veel ouderen dagelijks te maken hebben met discriminatie en schending van hun grondrechten, met name bij de toegang tot een toereikend inkomen, arbeid, gezondheidszorg en basisgoederen en -diensten; herinnert eraan dat artikel 25 van het Handvest van de grondrechten bepaalt dat ouderen het recht hebben om een waardig en zelfstandig leven te leiden en om aan het maatschappelijke en culturele leven deel te nemen; verzoekt de Commissie om een strategie inzake demografische veranderingen te ontwikkelen voor de toepassing van artikel 25 van het Handvest van de grondrechten;

102. is bezorgd over het feit dat mishandeling, verwaarlozing en misbruik van ouderen courant is in de lidstaten; roept de lidstaten op maatregelen te nemen om misbruik van en alle vormen van geweld tegen ouderen te bestrijden en hun onafhankelijkheid te bevorderen door de renovatie en toegankelijkheid van huisvesting te steunen; wijst er nogmaals op dat oudere vrouwen vaker onder de armoedegrens leven als gevolg van de loon- en later ook de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen;

103. verzoekt de lidstaten de integratie van jongere werknemers op de arbeidsmarkt te garanderen, in het bijzonder van hen die zijn getroffen door de economische crisis, onder meer door de organisatie en het ter beschikking stellen van opleidingen die de sociale promotie van jongeren beogen;

104. roept op tot eerbiediging van de menselijke waardigheid aan het levenseinde, met name door ervoor te zorgen dat in levenstestamenten vastgelegde beslissingen worden erkend en gerespecteerd;

105. is bezorgd over het feit dat de bezuinigingen van de lidstaten op overheidsuitgaven en pensioenen er in grote mate toe bijdragen dat de armoede onder ouderen toeneemt, aangezien hun beschikbare inkomen door die bezuinigingen daalt, hun levensomstandigheden verslechteren, ongelijkheden ontstaan wat betreft de betaalbaarheid van diensten en het aantal ouderen waarvan het inkomen net boven de armoedegrens ligt toeneemt;

Haatmisdrijven en haattaal

106. betreurt de door racisme, xenofobie, religieuze intolerantie of vooroordelen tegen personen met een handicap, geslacht, seksuele geaardheid of genderidentiteit ingegeven incidenten van haattaal en haatmisdrijven die dagelijks in de EU plaatsvinden; verzoekt de lidstaten de grondrechten te beschermen en begrip, acceptatie en tolerantie tussen de verschillende gemeenschappen op hun grondgebied te bevorderen; verzoekt de EU om de bestrijding van haatmisdrijven op de eerste plaats te stellen bij het formuleren van beleid tegen discriminatie en op het terrein van justitie, verzoekt de Commissie en de lidstaten om de strijd tegen haatmisdrijven en discriminerende houdingen en gedragingen te versterken door het ontwikkelen van een alomvattende strategie ter bestrijding van haatmisdrijven, door vooroordelen ingegeven geweld en discriminatie;

107. is bezorgd over het steeds vaker voorkomen van haattaal op het internet en verzoekt de lidstaten een eenvoudige procedure in te voeren aan de hand waarvan burgers haatdragende inhoud op het internet kunnen melden;

108. betoont zich bezorgd over de strafrechtelijke onderzoeken en veroordelingen die in de lidstaten worden ingesteld en uitgesproken in verband met haatmisdrijven; verzoekt de lidstaten alle gepaste maatregelen te nemen om mensen ertoe aan te moedigen om van deze misdrijven aangifte te doen, inclusief door te zorgen voor adequate bescherming, aangezien bevindingen van de grootschalige onderzoeken van het FRA consequent hebben aangetoond dat slachtoffers van misdaden aarzelen om naar voren te komen en aangifte te doen bij de politie;

109. spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat diverse lidstaten de bepalingen van Kaderbesluit 2008/913/JBZ niet correct hebben omgezet en verzoekt de lidstaten de EU-normen volledig om te zetten en uit te voeren en te zorgen voor de handhaving van nationale wetgeving voor het bestraffen van alle vormen van haatmisdrijven en aanzetten tot haat en intimidatie en voor het systematisch activeren van de vervolging van deze strafbare feiten; verzoekt de Commissie om toezicht te houden op de correcte omzetting van het kaderbesluit en inbreukprocedures in te leiden tegen lidstaten die daar niet in zijn geslaagd; dringt voorts aan op herziening van het kaderbesluit teneinde alle vormen van haatmisdrijven en misdrijven die zijn ingegeven door vooroordelen of discriminatie te bestrijken en duidelijk consistente normen voor onderzoek en vervolging vast te stellen;

110. verzoekt de Commissie om ondersteuning van opleidingsprogramma's voor rechtshandhavings- en gerechtelijke instanties, alsook van de desbetreffende EU-agentschappen, met het oog op het voorkomen en het bestrijden van discriminerende praktijken en haatmisdrijven; verzoekt de lidstaten om de voor onderzoek en vervolging bevoegde autoriteiten uit te rusten met praktische instrumenten en vaardigheden om de strafbare feiten die onder dit kaderbesluit vallen op te sporen en aan te pakken, en voor de interactie en communicatie met slachtoffers;

111. stelt bezorgd de opkomst vast van politieke partijen die hun politieke programma's baseren op uitsluiting op grond van etnie, seksuele oriëntatie of religie;

112. is zeer bezorgd over de toenemende banalisering van racistische en xenofobe handelingen en uitlatingen door de steeds zichtbaardere aanwezigheid van racistische en xenofobe groeperingen in de publieke ruimte, waarvan sommige het statuut van politieke partij hebben verworven of trachten te verwerven;

113. is ten zeerste verontrust over de opkomst van racistische, xenofobe en islamofobe politieke partijen, die de huidige economische en sociale crisis als voorwendsel gebruiken

114. veroordeelt met klem de praktijken van intimidatie en vervolging van minderheden, met name van Roma en migranten, die worden toegepast door paramilitaire groeperingen, waarvan sommige rechtstreekse banden hebben met een politieke partij; spoort de lidstaten ertoe aan dergelijke praktijken te verbieden en te bestraffen;

Daklozen

115. is ongerust over het aantal personen dat als gevolg van de economische crisis zijn woning heeft verloren; is van mening dat daklozen deel moeten blijven uitmaken van de maatschappij en daarom hun isolement en marginalisering moet worden bestreden; roept in dit kader de lidstaten op om een ambitieus beleid voor steunverlening aan deze personen vast te stellen; herinnert eraan dat daklozen kwetsbaar zijn en herhaalt zijn oproep aan de lidstaten om deze personen niet te stigmatiseren als misdadigers; vraagt de lidstaten elke wet of elk beleid in die zin te schrappen; verzoekt de lidstaten nationale strategieën uit te werken ter bestrijding van het fenomeen van daklozen op hun grondgebied; herinnert eraan dat het recht op bijstand bij huisvesting voor de meest hulpbehoevenden is opgenomen in het Handvest van de grondrechten;

De rechten van migranten en van personen die om internationale bescherming verzoeken

116. betreurt het herhaalde en tragische verlies van mensenlevens op de Middellandse Zee en de rol die wordt gespeeld door mensensmokkelaars en -handelaars, die migranten hun grondrechten ontzeggen; wijst erop dat de EU en de lidstaten meer moeten ondernemen om bijkomende tragedies op zee te voorkomen; verzoekt de EU en haar lidstaten solidariteit en eerbiediging van de grondrechten van migranten en asielzoekers centraal te plaatsen in het EU-migratiebeleid, waarbij het met name

–    het feit benadrukt dat de grondrechten moeten worden gemainstreamd in alle aspecten van het EU-migratiebeleid en dat een grondige evaluatie moet worden uitgevoerd van de impact van de maatregelen en mechanismen op het gebied van migratie, asiel en grensbeheer op de grondrechten van de migranten; de lidstaten met name verzoekt de rechten te eerbiedigen van kwetsbare migranten;

–    het feit onderstreept dat de EU moet zorgen voor een holistische aanpak, die de coherentie van de interne en de externe beleidsmaatregelen van de EU zal versterken; erop aandringt om de eerbiediging van de rechten van migranten in elke bilaterale of multilaterale samenwerkingsovereenkomst met niet-EU-landen centraal te stellen, met inbegrip van overnameovereenkomsten, mobiliteitspartnerschappen en overeenkomsten inzake technische bijstand;

–    de lidstaten herinnert aan hun internationale verplichting om hulp te bieden aan personen die op zee in nood verkeren;

–    bij de lidstaten aandringt op wijziging of herziening van alle wetgeving die personen die hulp verlenen aan migranten in nood op zee strafbaar stelt;

–    het grondrecht onderstreept om asiel te zoeken; de EU en de lidstaten ertoe aanmoedigt nieuwe, veilige en wettelijke mogelijkheden en kanalen open te stellen voor asielzoekers die de Europese Unie in willen en hiervoor voldoende middelen uit te trekken, om de aan pogingen tot illegale binnenkomst inherente risico's te verminderen en de netwerken van mensensmokkel en mensenhandel te bestrijden die profiteren van het in gevaar brengen van het leven van migranten en van hun seksuele uitbuiting en hun uitbuiting op het gebied van arbeid;

–    alle lidstaten verzoekt deel te nemen aan EU-hervestigingsprogramma's en het gebruik aanmoedigt van humanitaire visa;

–    er bij de lidstaten op aandringt behoorlijke onthaalvoorwaarden te garanderen overeenkomstig de bestaande grondrechten en asielwetgeving, met bijzondere aandacht voor kwetsbare groepen en voor het verminderen van het risico van sociale uitsluiting van asielzoekers; de Commissie verzoekt de tenuitvoerlegging van het Gemeenschappelijk Europees Asielsysteem (GEAS), met name Richtlijn 2013/32/EU, te controleren, met bijzondere aandacht voor asielzoekers die behoefte hebben aan bijzondere procedurele waarborgen;

–    de invoering vraagt van een effectief en geharmoniseerd EU-asielstelsel, voor een billijke verdeling van de asielzoekers over de lidstaten;

–    de gemelde incidenten van gewelddadige terugdringoperaties aan de EU-grenzen betreurt; de lidstaten herinnert aan hun verplichting het principe van non-refoulement, dat is erkend in het Verdrag van Genève en door het EHRM, en het verbod op collectieve uitzettingen overeenkomstig artikel 19 van het Handvest van de grondrechten te eerbiedigen; de Commissie, haar agentschappen en de lidstaten verzoekt de naleving van deze en andere internationale en EU-verplichtingen te garanderen;

117. veroordeelt met klem de grensbeveiliging van de Europese Unie door middel van zelfs muren en prikkeldraad en het gebrek aan legale kanalen om de Europese Unie binnen te komen, waardoor talrijke asielzoekers en migranten worden gedwongen zich te bedienen van steeds gevaarlijkere toegangskanalen en zich over te leveren aan mensensmokkelaars en -handelaars;

118. verzoekt bij grenscontroles de grondrechten in aanmerking te nemen en benadrukt het belang van democratisch toezicht door het Parlement op Frontex-operaties;

119. vraagt de opschorting van alle activiteiten waarvan is vastgesteld dat zij schending inhouden van de grondrechten overeenkomstig het EU-recht of het Frontex-mandaat;

120. benadrukt de negatieve gevolgen die de Dublinverordening heeft op de werkelijke toegang tot internationale bescherming, omdat er geen echt gemeenschappelijk Europees asielsysteem is, met name als gevolg van de jurisprudentie van het Hof van Justitie en het EVRM; veroordeelt het feit dat de herziening van de verordening niet heeft geleid tot de opschorting van deze verordening of ten minste tot het schrappen van het beginsel van terugkeer naar het eerste land van binnenkomst in de EU; veroordeelt ook het feit dat de Commissie en de lidstaten niet hebben gezocht naar een mogelijk alternatief dat gebaseerd is op solidariteit tussen de lidstaten;

121. roept de lidstaten op de Internationale Conventie inzake de bescherming van de rechten van arbeidsmigranten en hun gezinsleden te ratificeren;

122. veroordeelt het automatische beroep dat wordt gedaan op onwettelijke detentie voor irreguliere migranten, inclusief asielzoekers, onbegeleide minderjarigen en staatlozen; vraagt de lidstaten de bepalingen van de terugkeerrichtlijn na te leven, met inbegrip van de eerbiediging van de menselijke waardigheid en van het beginsel dat het belang van het kind voorop staat, en van het internationale en het EU-recht; brengt in herinnering dat de detentie van migranten een laatste redmiddel moet blijven en dringt er bij de lidstaten op aan om alternatieve maatregelen uit te voeren; veroordeelt de ontstellende detentievoorwaarden in sommige lidstaten en dringt er bij de Commissie op aan deze onverwijld aan te pakken; wijst er nogmaals op dat moet worden gegarandeerd dat irreguliere migranten het recht wordt verleend op een effectieve voorziening in geval van schending van hun rechten;

123. vraagt de lidstaten en de Commissie de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat er sprake is van transparante informatie over de detentie van migranten en asielzoekers in talrijke lidstaten, en dringt er bij de Europese Commissie op aan een voorstel in te dienen tot herziening van Verordening (EG) nr. 862/2007 zodat deze ook van toepassing wordt op statistieken over de werking van detentiesystemen en -installaties;

124. benadrukt het belang van democratische controle op elke vorm van vrijheidsberoving krachtens de desbetreffende immigratie- en asielwetten; nodigt de Europese en nationale vertegenwoordigers uit om regelmatig een bezoek te brengen aan de locaties voor opvang en detentie van migranten en asielzoekers, en nodigt de lidstaten en de Europese Commissie uit om ngo's en journalisten gemakkelijker toegang te bieden tot deze locaties;

125. verzoekt om een betere controle van de werking van de opvang- en detentiecentra voor immigranten en de behandeling die ze in deze centra krijgen, alsook van de asielprocedures van de lidstaten; waarschuwt voor de onverwijlde uitzettingen en de gewelddadige incidenten in verschillende gebieden in het zuiden van Europa waar dergelijke uitzettingen worden uitgevoerd en spoort de Commissie daarom aan de geplande desbetreffende politieke dialoog met de staten die dergelijke praktijken uitvoeren onmiddellijk te openen om de rechtsstaat te beschermen;

126. verzoekt de Europese Unie en haar lidstaten concrete maatregelen en beste praktijken vast te stellen om gelijke behandeling en sociale integratie te bevorderen met het oog op een betere integratie van migranten in de maatschappij; herinnert er in dit verband aan dat het essentieel is om negatieve stereotypen en verkeerde informatie over migranten te bestrijden door tegenargumenten te ontwikkelen die in de eerste plaats gericht moeten zijn op scholen en jongeren en die de positieve effecten van migratie in de kijker zetten;

127. is van mening dat kinderen van migranten in het bijzonder kwetsbaar zijn, met name wanneer ze niet worden begeleid; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de resolutie van het Parlement van 12 september 2013 over de situatie van niet-begeleide minderjarigen in de EU ten uitvoer te leggen; verzoekt de lidstaten het GEAS-pakket onverkort toe te passen om de situatie van niet-begeleide minderjarigen in de EU te verbeteren; is verheugd over het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-648/11 waarin wordt bepaald dat de verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van een asielverzoek dat door een niet-begeleide minderjarige is ingediend in verschillende lidstaten, de lidstaat is waar deze minderjarige zich bevindt nadat hij er een asielverzoek heeft ingediend; herinnert eraan dat niet-begeleide minderjarigen in de eerste plaats kinderen zijn en dat de lidstaten en de EU zich in de omgang met hen niet moeten laten leiden door het immigratiebeleid, maar door de bescherming van kinderen;

128. vraagt een evaluatie van de manier waarop middelen die bestemd zijn en gebruikt worden voor binnenlandse zaken, worden besteed, in het bijzonder middelen die worden verleend voor het onthaal van asielzoekers; roept de EU op om actie te ondernemen, als zou blijken dat middelen zijn gebruikt voor activiteiten die niet stroken met de grondrechten;

129. dringt aan op bijstandverlening aan de lidstaten die aan de buitengrenzen van de Unie zijn gelegen, teneinde hen in staat te stellen een oplossing te vinden voor de systemische lacunes in de opvangfaciliteiten en asielprocedures, die door het toenemende aantal asielzoekers alsmaar groter zijn geworden;

130. verzoekt de Europese Unie erop toe te zien dat haar eigen functionarissen verantwoording afleggen voor de door hen gepleegde schendingen van de grondrechten; verzoekt in het bijzonder ervoor te zorgen dat een onderzoek wordt geopend naar aanleiding van de aantijgingen die duiden op mogelijke schendingen in het kader van de door het agentschap Frontex gecoördineerde operaties en dat passende, disciplinaire of andere maatregelen worden genomen tegen degenen die schuldig worden bevonden aan deze schendingen; pleit derhalve voor het instellen van het veiligehavenbeginsel bij Frontex, zoals vereist door de Europese Ombudsman in het kader van haar onderzoek OI/5/2012/BEH-MHZ en voor het openbaar maken van de bevindingen van de onderzoeken die zijn uitgevoerd op basis van de aantijgingen van schending van de mensenrechten; verzoekt bovendien om de activiteiten van het agentschap op te schorten als blijkt dat tijdens deze activiteiten grondrechten zijn geschonden, zoals bepaald in artikel 3, lid 1, sub a), van Verordening (EU) 1168/2011;

131. verzoekt de lidstaten het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van mensenhandel onverwijld te ratificeren

132. verzoekt de lidstaten om daadwerkelijke toegang te garanderen tot internationale bescherming voor vrouwen die het slachtoffer zijn van vervolging op grond van geslacht; verzoekt de lidstaten om de richtsnoeren van de Europese Commissie te volgen voor de toepassing van Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging, met name wat betreft de onmiddellijke toekenning van een zelfstandige verblijfstitel aan gezinsleden die in het kader van gezinshereniging het land zijn binnengekomen en in bijzonder moeilijke omstandigheden verkeren, zoals in het geval van huiselijk geweld;

133. is verheugd dat de Europese asielwetgeving slachtoffers van genitale verminking als kwetsbare personen beschouwt en genitale verminking tot de criteria rekent die bij een asielaanvraag in aanmerking moeten worden genomen; vraagt de lidstaten om de beroepsbeoefenaren die in contact komen met migranten zodanig op te leiden dat zij erachter kunnen komen welke vrouwen en meisjes wellicht genitale verminking in hun land van herkomst hebben ondergaan;

134. onderstreept dat het in de Verdragen neergelegde en door Richtlijn 2004/38/EG inzake vrij verkeer gewaarborgde recht op vrij verkeer en verblijf van EU-burgers en hun familieleden een van de fundamentele rechten van de Europese burgers is; wijst elke poging om aan dit verworven recht te tornen van de hand, met name de wederinvoering van grenscontroles in de Schengenzone buiten de Schengengrenscode, en dringt erop aan dat iedere inbreuk bij het Hof van Justitie aanhangig wordt gemaakt; uit zijn bezorgdheid over de toenemende trend van snelle uitzettingen van EU-burgers uit de lidstaat waar zij verblijven, wanneer zij hun baan en inkomen verliezen, met schending van het bestaande kader; is van mening dat dit indruist tegen de geest van het recht op vrij verkeer;

Solidariteit in de economiche crisis

135. betreurt de manier waarop de financiële, economische en overheidsschuldcrisis, samen met de opgelegde budgettaire beperkingen, een negatief effect heeft op de economische, civiele, sociale en culturele rechten, vaak met als gevolg toenemende werkloosheid, armoede en onzekere arbeids- en levensomstandigheden, alsmede uitsluiting en isolement, met name in de lidstaten waar economische aanpassingsprogramma's zijn goedgekeurd, en onderstreept het feit dat er in een recente nota van Eurostat op is gewezen dat een op vier Europeanen tegenwoordig het risico loopt van armoede en uitsluiting;

136. merkt op dat de economische crisis en de maatregelen die zijn genomen om deze aan te pakken, een effect hebben op het recht van toegang tot basisvoorzieningen als onderwijs, huisvesting, gezondheidszorg en sociale zekerheid, alsmede negatieve gevolgen voor de algemene gezondheidstoestand van de bevolking in sommige lidstaten; wijst erop dat het recht op bescherming tegen armoede en sociale uitsluiting, als vastgelegd in artikel 30 van het Europees Sociaal Handvest, moet worden geëerbiedigd; roept alle lidstaten op tot de invoering van steunmaatregelen, overeenkomstig de nationale praktijken, om hun burgers behoorlijke levensomstandigheden te bezorgen en sociale uitsluiting te bestrijden;

137. benadrukt het feit dat de EU-instellingen, alsmede de lidstaten die structurele hervormingen van hun sociale en economische stelsels ten uitvoer leggen, steeds verplicht zijn het Handvest na te leven en hun internationale verplichtingen na te komen en dus aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de genomen besluiten; herhaalt zijn oproep om de economische aanpassingsprogramma's af te stemmen op de in artikel 151 VWEU aangegeven doelstellingen van de Unie, met inbegrip van de bevordering van de werkgelegenheid en de verbetering van de levensomstandigheden en de arbeidsvoorwaarden; herhaalt dat volledige democratische controle moet worden gegarandeerd, via de effectieve betrokkenheid van de parlementen, op de door de EU-instellingen en de lidstaten als reactie op de crisis genomen maatregelen;

138.verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten om de effecten van voorgestelde of uitgevoerde bezuinigingsmaatregelen op de grondrechten te bekijken en daarbij aandacht te schenken aan genderkwesties, rekening houdend met de onevenredige gevolgen van bezuinigingen voor vrouwen; verzoekt de EU-instellingen om meteen remediërende maatregelen te treffen wanneer bezuinigingsmaatregelen tot nadelige gevolgen hebben geleid voor de economische, sociale en culturele rechten van vrouwen;

139. vraagt de EU-instellingen en de lidstaten na te gaan welk effect de voorgestelde of toegepaste maatregelen tegen de crisis op de fundamentele rechten en vrijheden, inclusief sociale en arbeidsrechten, hebben, en zulk effect indien nodig onmiddellijk weg te nemen wanneer situaties aan het licht komen waarin de bescherming van de rechten achteruit is gegaan of het internationaal recht, met inbegrip van de verdragen en aanbevelingen van de IAO, is geschonden;

140 vraagt de EU-instellingen en de lidstaten om bij de invoering en tenuitvoerlegging van corrigerende maatregelen en besparingen op de begroting een beoordeling uit te voeren van het effect op de grondrechten en te garanderen dat er nog steeds voldoende middelen ter beschikking worden gesteld om de eerbiediging van de grondrechten te waarborgen en te zorgen voor een essentieel minimumniveau van de civiele, economische, culturele en sociale rechten, met bijzondere aandacht voor de meest kwetsbare en sociaal achtergestelde groepen;

141. verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten om te erkennen dat langetermijninvesteringen in sociale integratie vruchten afwerpen, aangezien ze de hoge kostprijs van discriminatie en ongelijkheid wegnemen; verzoekt de lidstaten om passende overheidsinvesteringen om onderwijs en gezondheidszorg te ondersteunen en ervoor te zorgen dat de toegang tot de rechter en het halen van verhaal in gevallen van discriminatie niet worden aangetast door drastische bezuinigingen op de financiering van de begrotingen van organen voor gelijke behandeling; verzoekt de EU en de nationale instellingen de sociale integratie niet te ondermijnen door begrotingsmaatregelen die gevolgen hebben voor de werking van gemeenschapsorganisaties die zich inzetten voor gelijkheid;

142. verzoekt de Commissie te overwegen om de toetreding tot het Europees Sociaal Handvest voor te stellen teneinde de sociale rechten van de Europese burgers effectief te beschermen; verzoekt de lidstaten de uitbreiding te bevorderen van de sociale rechten in het Handvest van de EU naar andere, in het herziene Sociaal Handvest van de Raad van Europa opgenomen sociale rechten, zoals het recht op arbeid, het recht op een billijke beloning en het recht op bescherming tegen armoede en sociale uitsluiting;

Criminaliteit en corruptiebestrijding

143. herhaalt dat corruptiecriminaliteit, met name georganiseerde criminaliteit, een ernstige schending is van de grondrechten, alsmede de democratie en de rechtsstaat in gevaar brengt; onderstreept dat corruptie, waarbij publieke middelen aan andere publieke doeleinden worden toegekend dan waarvoor zij zijn bestemd, het niveau en de kwaliteit van de openbare diensten ondermijnt, zodat de billijke behandeling van alle burgers ernstig wordt geschaad; verzoekt de lidstaten en de Europese instellingen met klem om doelmatige instrumenten in te zetten voor het voorkomen, bestrijden en bestraffen van corruptie en misdaad en de besteding van Europese en nationale openbare middelen, regelmatig te blijven toetsen; roept de lidstaten en de instellingen derhalve op om de instelling van de Europese officier van justitie te vergemakkelijken en te versnellen en daarbij voldoende waarborgen voor onafhankelijkheid en efficiëntie te bieden;

144. onderstreept dat corruptie sterke afbreuk doet aan de grondrechten; vraagt de lidstaten en de instellingen om doelmatige instrumenten in te zetten tegen de corruptie en de besteding van Europese en nationale openbare middelen, regelmatig te toetsen; onderstreept dat meer transparantie en een bredere toegang tot openbare documenten voor burgers en journalisten efficiënte manieren zijn om corruptie bloot te leggen en te bestrijden;

145.dringt er bij de Commissie op aan een strategie voor corruptiebestrijding vast te stellen die wordt aangevuld met effectieve instrumenten; vraagt alle lidstaten en de EU om zich bij het "Open Government Partnership" te voegen en concrete strategieën uit te denken om transparantie te bevorderen, burgers te emanciperen en corruptie te bestrijden; verzoekt de lidstaten om gevolg te geven aan de aanbevelingen in het Commissieverslag over de bestrijding van corruptie en aan zijn resolutie van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen: aanbevelingen inzake de benodigde acties en initiatieven en om de politiële en justitiële samenwerking ter bestrijding van corruptie te versterken;

146. dringt er bij de lidstaten op aan meer inspanningen te leveren in de strijd tegen alle vormen van ernstige georganiseerde criminaliteit, waaronder mensenhandel, seksueel misbruik en seksuele uitbuiting, foltering en dwangarbeid, met name tegen vrouwen en kinderen;

147. roept de Commissie op een lijst met strafbare feiten op te stellen ter bestrijding van door individuen of georganiseerde criminele groeperingen begane milieumisdrijven, die van invloed zijn op het recht van mens, de gezondheid, het leven en het genot van een gezonde leefomgeving, alsmede op de economie en op het gebruik van publieke middelen; dringt er bij de Commissie op aan de doeltreffende tenuitvoerlegging in de EU van het recht op toegang tot de rechter te evalueren in het licht van het recht van alle mensen, zowel huidige als komende generaties, om te leven in een voor hun gezondheid en welzijn bevorderlijke omgeving;

148. stelt voor een Europese code ter preventie van corruptie in te stellen, evenals een transparant indicatorensysteem voor de aanwezigheid van corruptie in de lidstaten en de geboekte vooruitgang bij het uitbannen van corruptie en een jaarlijks vergelijkend verslag over de toestand van deze smet op Europees niveau;

149. verzoekt de Commissie en de lidstaten om een einde te maken aan belastingconcurrentie en om schadelijke fiscale praktijken, belastingontduiking en belastingontwijking in de EU, die afbreuk doen aan het vermogen van de lidstaten om hun beschikbare middelen maximaal te benutten teneinde hun economische, sociale en culturele rechten ten volle te verwezenlijken, effectief te bestrijden;

150. veroordeelt het groeiende verschijnsel van mensenhandel, in het bijzonder mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting, en verzoekt de EU en de lidstaten om maatregelen te nemen in overeenstemming met de EU-richtlijn om de vraag, die de voedingsbodem is voor alle vormen van uitbuiting en mensenhandel, te doen afnemen.

Omstandigheden in gevangenissen en andere justitiële inrichtingen

151. herinnert eraan dat de nationale overheden de grondrechten van gevangenen moeten waarborgen; betreurt de omstandigheden in de gevangenissen en andere justitiële inrichtingen in tal van lidstaten, zoals overbevolkte cellen en slechte behandeling van gevangenen; acht het ten zeerste geboden dat door de EU een instrument wordt ingevoerd dat de uitvoering van de aanbevelingen van het Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen (CPT) en van de uitspraken van het EHRM moet waarborgen;

152. herinnert eraan dat het misbruik van vrijheidsberovende maatregelen leidt tot overbevolkte gevangenissen in heel Europa, wat ingaat tegen de grondrechten van personen en schadelijk is voor het wederzijdse vertrouwen dat nodig is als grondslag voor justitiële samenwerking in Europa; herhaalt dat de lidstaten hun op internationale en Europese fora aangegane verplichtingen moeten nakomen om vaker gebruik te maken van proeftijdmaatregelen en van sancties als alternatief voor gevangenisstraffen en om van maatschappelijke re-integratie het uiteindelijke doel van een periode van opsluiting te maken; verzoekt dan ook de lidstaten strategieën vast te stellen die opleidingen en arbeid voor gevangenen tijdens hun detentie bevorderen;

153. herhaalt de aanbevelingen van de resolutie van de Commissie van 27 februari 2014 betreffende de herziening van het Europees aanhoudingsbevel (2013/2109(INL)), met name wat betreft de invoering van een evenredigheidscontrole en een uitzondering voor de grondrechten in het Europees aanhoudingsbevel of maatregelen voor wederzijdse erkenning in het algemeen;

154 betreurt dat de drie kaderbesluiten betreffende de overdracht van gevangenen, proefperiodes en alternatieve straffen en het Europees toezichtbevel, die een groot potentieel hebben om de overbevolking in gevangenissen te verminderen, slechts door enkele lidstaten zijn uitgevoerd;

155. verzoekt de Commissie te onderzoeken welke gevolgen detentiebeleid en strafrechtelijke stelsels hebben voor kinderen; wijst erop dat in de hele EU de rechten van kinderen rechtstreeks in het geding komen wanneer zij met hun ouders in detentiecentra wonen; benadrukt dat naar schatting jaarlijks 800 000 kinderen in de EU van een gedetineerde ouder gescheiden worden, wat meervoudige gevolgen heeft voor de rechten van het kind;

Justitie

156. wijst erop dat de ontwikkeling van een Europese rechtsruimte die is gebaseerd op wederzijdse erkenning en juridische waarborgen en die de verschillende rechtsstelsels in de lidstaten op elkaar afstemt, met name op het gebied van strafrecht, een van de voornaamste prioriteiten van de Europese instellingen op de agenda voor justitie van de EU voor 2020 moet blijven; is van mening dat de bevordering van de effectieve en voorbeeldige toepassing van het Handvest en de secundaire EU-wetgeving inzake de grondrechten cruciaal is voor het vertrouwen van de burgers in de goede werking van de Europese rechtsruimte;

157. wijst erop dat het recht van toegang tot de rechter en tot een onafhankelijke en onpartijdige rechtbank van wezenlijk belang is voor de bescherming van de grondrechten, die alleen effectief zijn, als zij afdwingbaar zijn, voor de democratie en voor de rechtsstaat; wijst er andermaal op dat het belangrijk is te garanderen dat zowel het civiele als het strafrechtelijke rechtsstelsel efficiënt is en dat de onafhankelijkheid van het gerecht gegarandeerd is;

158.is ingenomen met het Europese e-justitieportaal, dat wordt beheerd door de Commissie en beroepsbeoefenaars en het publiek informatie biedt over rechtssystemen en dat een handig instrument is om de toegang tot de rechter te verbeteren, met een afzonderlijk onderdeel over de grondrechten, waarin burgers informatie krijgen over waar zij terechtkunnen als hun grondrechten worden geschonden.

159. is ingenomen met de stappen die op Europees niveau al zijn ondernomen om de waarborgen in strafzaken van de lidstaten te harmoniseren en met de positieve gevolgen hiervan voor de burgers; herhaalt het feit dat het belangrijk is EU-wetgeving inzake procedurele rechten goed te keuren die in overeenstemming is met de hoogste normen op het gebied van bescherming die zijn opgenomen in het Handvest, de internationale mensenrechtenverdragen en het constitutioneel recht van de lidstaten;

160. betreurt het gebrek aan toegang tot juridische bijstand in veel lidstaten en het feit dat dit gevolgen heeft voor het recht van toegang tot het gerecht van personen die beschikken over onvoldoende middelen; is van mening dat het essentieel is dat de EU een sterke en alomvattende richtlijn inzake rechtsbijstand vaststelt;

161. roept de Europese Unie en de lidstaten op om maatregelen te nemen ter ondersteuning en bescherming van klokkenluiders die illegale acties aan de kaak stellen;

Burgerschap

162. is van mening dat actief en participerend EU-burgerschap dient te worden aangemoedigd door middel van toegang tot documenten en informatie, transparantie, goed bestuur en beheer en democratische participatie en vertegenwoordiging, waarbij beslissingen zo dicht mogelijk bij de burgers van de Unie moeten worden genomen; wijst op de noodzaak ervoor te zorgen dat het maatschappelijk middenveld als volwaardige partij deelneemt aan de besluitvorming op Europees niveau, als gewaarborgd door artikel 11 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en benadrukt in dit verband het belang van de beginselen van transparantie en dialoog; merkt op dat het recht van burgers op toegang tot documenten die in het bezit zijn van overheidsinstellingen burgers emancipeert en tin staat stelt om de openbare autoriteiten te controleren, te evalueren en verantwoording te laten afleggen; betreurt in verband hiermee het feit dat de herziening van Verordening (EG) nr. 1049/2001 is vastgelopen en herhaalt zijn verzoek aan de Commissie en de Raad om de werkzaamheden te hervatten, rekening houdend met de voorstellen van het Parlement;

163. verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat er informatiecampagnes worden gehouden over Europees burgerschap en de daaraan verbonden rechten: het recht op diplomatieke en consulaire bescherming, het recht een verzoekschrift in te dienen, het recht een klacht in te dienen bij de Europese Ombudsman, het recht zijn stem uit te brengen en kandidaat te zijn bij de Europese verkiezingen en het recht een burgerinitiatief in te dienen;

164. is ingenomen met de rol van de Europese ombudsman in het streven naar goed bestuur en transparantie van de instellingen en organen van de Unie;

165. veroordeelt het feit dat meer dan 15 miljoen onderdanen van derde landen en 500 000 staatlozen in de Europese Unie het slachtoffer zijn van discriminatie omdat hun burgerschap niet wordt erkend; eist dat de Unie en haar lidstaten het grondrecht op burgerschap eerbiedigen en roept met name de lidstaten op het Verdrag van 1961 tot beperking der staatloosheid, alsook het Europese Verdrag van 1997 inzake nationaliteit te ratificeren en volledig uit te voeren;

166. herinnert eraan dat het informeren van de burgers over hun grondrechten integraal deel uitmaakt van het recht op goed bestuur, als vastgesteld in het Handvest; verzoekt de lidstaten er in het bijzonder voor te zorgen dat de meest hulpbehoevenden weten wat hun rechten zijn en hulp krijgen bij het afdwingen ervan;

167. is van mening dat staatlozen en onderdanen van derde landen die voor onbepaalde tijd in de lidstaten wonen het recht moeten hebben om hun stem uit te brengen in plaatselijke en Europese verkiezingen;

168. verzoekt de Commissie om stappen te ondernemen om het recht op goed bestuur te bestendigen door de code van goed administratief gedrag van de EU om te vormen tot een juridisch bindende verordening;

169. verzoekt de Commissie en de lidstaten om er via hun beleid voor te zorgen dat de grondrechten binnen de Europese Unie naar behoren worden nageleefd, gewaarborgd, beschermd en verder ontwikkeld; roept de lidstaten op hernieuwde inspanningen te ondernemen om het petitierecht en het recht om zich tot de ombudsman te wenden, te erkennen als een middel om burgers in staat te stellen hun rechten te doen gelden;

170. uit, op basis van de honderden verzoekschriften die elk jaar worden ingediend, zijn bezorgdheid over de tekortkomingen bij de feitelijke tenuitvoerlegging in de lidstaten, zowel naar de letter als naar de geest, van de bepalingen van de Europese milieuwetgeving, zoals de richtlijnen inzake de milieueffectbeoordeling en de strategische milieubeoordeling; verzoekt de Commissie om nauwlettender toezicht te houden op de inhoud van zulke procedures, in het bijzonder wanneer er over specifieke gevallen verzoekschriften worden ingediend;

171. wijst nogmaals op het belang van het Europese burgerinitiatief, als nieuw burgerrecht dat is ingevoerd met het Verdrag van Lissabon en dat de participatieve democratie in de EU moet versterken; merkt op dat het burgerinitiatief een krachtig instrument is dat de Europese burgers een rechtstreeks democratisch recht verleent om bij te dragen aan het besluitvormingsproces van de EU, als aanvulling op het recht van Europese burgers om verzoekschriften in te dienen bij het Europees Parlement en om verhaal te halen bij de Europese ombudsman;

172. verzoekt de Commissie om de rol van de Europese burgerinitiatieven te versterken door een burgervriendelijke aanpak te hanteren om alle tekortkomingen van dit instrument weg te werken bij de komende herziening van Verordening 211/2011, en om tegelijkertijd de voorlichtingscampagnes voor de burgers over het gebruik van het burgerinitiatief en de invloed die ermee kan worden uitgeoefend op het beleidsvormingsproces van de EU te verbeteren;

Slachtoffers van misdrijven

173. beschouwt de bescherming van de slachtoffers van een misdaad als een prioriteit; verzoekt de lidstaten de slachtofferrichtlijn van de EU (Richtlijn 2012/29/EU) onverwijld naar behoren ten uitvoer te leggen, om de uiterste termijn voor de omzetting, 16 november 2015, te halen en verzoekt de Commissie en de lidstaten overeenkomstig artikel 28 van de richtlijn te zorgen voor de verzameling van vergelijkbare gegevens over de omzetting ervan, met name de manier waarop slachtoffers, inclusief slachtoffers van misdrijven die zijn gepleegd met een motief van discriminatie, toegang hebben gehad tot hun rechten; is van mening dat er nog veel moet worden gedaan om de slachtoffers van een misdaad te ondersteunen, door hen te informeren over hun rechten en te zorgen voor effectieve verwijzingssystemen en voor opleiding voor politieagenten en rechtsbeoefenaars over het opbouwen van een vertrouwensrelatie met de slachtoffers, zoals onderzoek van het FRA inzake slachtofferhulp heeft aangetoond; is ingenomen met de aanneming in 2013 van een verordening betreffende de wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken;

174. verzoekt de Commissie en de lidstaten van de EU om te zorgen voor de meest kwalitatieve verzameling van vergelijkbare gegevens over de omzetting van de slachtofferrichtlijn van de EU (Richtlijn 2012/29/EU) en over hoe slachtoffers, met inbegrip van slachtoffers van misdrijven die zijn ingegeven door vooroordelen en discriminatie, toegang hebben tot hun rechten ingevolge artikel 28 van de richtlijn;

175. verzoekt de Commissie en de lidstaten bij het ontwerpen van hun beleid rekening te houden met demografische ontwikkelingen en veranderingen in de omvang en de samenstelling van huishoudens; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat hun sociaal en werkgelegenheidsbeleid niet discriminerend zijn op grond van de omvang en de samenstelling van huishoudens;

176. wijst op het rechtsvacuüm dat met betrekking tot de toegang van burgers tot rechtsmiddelen kan ontstaan wanneer lidstaten EU-wetgeving die rechtstreeks betrekking op hen heeft niet of te laat omzetten; wijst op de noodzaak van coördinatie van maatregelen op alle niveaus om de grondrechten te beschermen en te bevorderen, waarbij de EU-instellingen, de lidstaten, de regionale en lokale overheden, ngo's en het maatschappelijk middenveld moeten worden betrokken;

177. beklemtoont dat de institutionele transparantie, democratische verantwoording en openheid in de EU moeten worden bevorderd en verzoekt de bevoegde EU-instellingen en alle lidstaten met klem om:

     –   meer hun best te doen voor een spoedige herziening van Verordening (EG) nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie om te zorgen voor een zo groot mogelijke transparantie en vereenvoudigde procedures voor toegang van het publiek tot informatie en documenten; roept de Commissie in dit verband op het wetgevingsinitiatief voor een Accessibility Act weer ter hand te nemen en in de vorm te gieten van een horizontaal instrument dat vooruitgang mogelijk maakt bij de bescherming van personen met een handicap en ervoor kan zorgen dat alle onder de bevoegdheid van de EU vallende beleidsgebieden in overeenstemming zijn met dit doel;

     –   gedurende deze zittingsperiode een herziening van de verordening over het Europees burgerinitiatief (Verordening (EU) nr. 211/2011) voor te leggen, teneinde de werking ervan te verbeteren en de administratieve, organisatorische en financiële hinderpalen uit de weg te ruimen die erin resulteren dat niet alle Europese burgers hun democratische invloed kunnen doen gelden door middel van burgerinitiatieven zoals bedoeld in de Verdragen; spoort de Commissie ook aan in haar voorstel de nodige bepalingen op te nemen om uit te sluiten dat bepaalde groepen burgers, zoals blinden of zij die in het buitenland wonen, het recht wordt ontnomen om burgerinitiatieven te ondersteunen, aangezien een dergelijke uitsluiting de gelijkheid tussen en de betrokkenheid van burgers beperkt;

     –   te komen met een herziening van Richtlijn 93/109/EG tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement ten behoeve van burgers van de Unie die verblijven in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn, teneinde deze specifieke groep burgers in staat te stellen om in hun land van verblijf deel te nemen aan de Europese verkiezingen; verzoekt de lidstaten om al hun burgers de mogelijkheid te bieden hun stem uit te brengen bij de Europese verkiezingen, ook wanneer ze niet in de EU wonen, met name aan de hand van een tijdige voorlichtingscampagne;

     –   aandacht te besteden aan het groeiende bevolkingssegment dat volledig uit zijn rechten is ontzet bij nationale verkiezingen, omdat het noch in het thuisland noch in het land van verblijf kan stemmen.

178.               verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0126.

(2)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0105.

(3)

PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.

(4)

PB C 378 van 24.12.2013, blz. 1.

(5)

 Richtlijn 2010/64/EU van 20 oktober 2010, Richtlijn 2012/13/EU van 22 mei 2012, Richtlijn 2013/48/EU van 22 oktober 2013.

(6)

PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55.

(7)

PB C 303 E van 2.12.2000, blz. 16.

(8)

PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.

(9)

PB L 373 van 21.12.2004, blz. 37.

(10)

PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1.

(11)

PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

(12)

PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1.

(13)

PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.

(14)

PB L 59 van 2.3.2013, blz. 5.

(15)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0594.

(16)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0062.

(17)

PB C 51E van 22.2.2013, blz. 101.

(18)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0387.

(19)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0173.

(20)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0105.

(21)

PB C 124E van 25.5.2006, blz. 405.

(22)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0070.

(23)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0322.

(24)

Aangenomen teksten, P7_TA (2014)0230.

(25)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0031.

(26)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0350.

(27)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0058.

(28)

PB C 353E van 3.12.2013, blz. 1

(29)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0418.

(30)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0203.

(31)

Paragrafen 7.2 en 7.3 van het ICPD-actieprogramma.


TOELICHTING

Dit verslag over de situatie van de grondrechten in de EU in de jaren 2013 en 2014 komt op een moment dat bij de instellingen bijzondere aandacht en gevoeligheid leeft voor de eerbiediging van de grondrechten in de Europese Unie van vandaag. De nieuwe zittingsperiode is sinds kort begonnen en de nieuwe Commissie heeft zich net geïnstalleerd; voor haar spelen de grondrechten een belangrijke rol, getuige het mandaat van de eerste vicevoorzitter en haar rol als hoedster van de grondrechten in de Europese Unie.

Het Handvest van de grondrechten kent een aantal persoonlijke, civiele, politieke, economische en sociale rechten toe aan de burgers en inwoners van de EU. Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon komt aan het Handvest dezelfde bindende werking toe als aan de verdragen.

Alle burgers en inwoners van de EU moeten zich ongeacht geslacht, religie, seksuele oriëntatie en huidskleur op de in het handvest vervatte rechten kunnen beroepen. Helaas brengen de institutionele partijen en de ngo's alarmerende rapporten uit over talloze inbreuken op de grondrechten die zich binnen de lidstaten van de Europese Unie nog steeds voordoen.

Dat is onaanvaardbaar. Er moet door de Europese instellingen en de lidstaten krachtig en resoluut worden opgetreden om zulke schendingen te voorkomen en een halt toe te roepen. Teveel maatregelen zijn er in het verleden al door dit Parlement voorgesteld zonder dat daaraan het nodige gevolg werd gegeven, en teveel schendingen van de grondrechten hebben zich al voorgedaan die niet werden verhinderd of die zelfs nog voortduren.

In dit verslag wil de rapporteur de voorstellen en aanbevelingen die dit Parlement in eerdere verslagen over de situatie van de grondrechten heeft gedaan, als vertrekpunt nemen en nieuwe oplossingen voorstellen. Het verslag omvat twee delen, een eerste deel waarin de institutionele kwesties worden behandeld, en een tweede waarin de situatie van specifieke grondrechten aan de orde komt.

De rapporteur heeft bij dit werk de belangrijkste institutionele spelers geraadpleegd zoals het Bureau voor de grondrechten en de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa, de nationale ombudsmannen en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties, die allen werden verzocht een vragenlijst in te vullen over de situatie van de grondrechten in hun respectieve gebieden en landen.

In het eerste deel van het verslag stelt de rapporteur voor een echte en speciale interne strategie van de grondrechten van de EU op te zetten, gebaseerd op de toepassing van artikel 2 VEU, die alle organen van de Unie die werkzaam zijn op het gebied van eerbiediging van de grondrechten moet omvatten. Daarbij moet de samenhang met het strategisch kader voor mensenrechten en democratie in de externe betrekkingen bewaard blijven, en ook het zogenoemde "dilemma van Kopenhagen" worden opgelost, dat wil zeggen niet alleen in landen die tot de EU toetreden moet de eerbiediging van de grondrechten en de rechtsstaat zorgvuldig worden getoetst, maar ook in de landen die al hoog en breed lidstaat zijn. Wil deze voorgestelde strategie ook werkelijk effectief zijn dan moet er tevens een mechanisme komen waarvan voldoende afschrikkende werking uitgaat om situaties van inbreuk op de grondrechten in de lidstaten te verhinderen en uit te bannen.

In het tweede deel van het verslag gaat de rapporteur nader in op een aantal schendingen waaraan zij een prioritair belang toekent vanwege de actuele politieke problematiek rond bijvoorbeeld vrijheid van meningsuiting, het nodige juiste evenwicht tussen eerbiedigen van de grondrechten en waarborgen van de collectieve veiligheid, de effecten van het bezuinigingsbeleid en van de corruptie op de grondrechten, en de toestand in de gevangenissen. Ook worden kwesties aangeroerd waarvoor de EU volledig bevoegd is, zoals de bestrijding van discriminatie en de bescherming van rechten van migranten en vluchtelingen.


ADVIES van de Commissie constitutionele zaken (13.5.2015)

aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

inzake de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2013-2014)

(2014/2254(INI))

Rapporteur voor advies: Ramón Jáuregui Atondo

SUGGESTIES

De Commissie constitutionele zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herinnert eraan dat de bescherming en de volledige ontwikkeling van de grondrechten verder moet worden bevorderd en versterkt uit hoofde van de Verdragen en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en dat - meer in het bijzonder - de waarden van de Europese Unie, zoals die zijn verankerd in artikel 2 en alle relevante artikelen van het VEU door de EU, haar instellingen en alle lidstaten moeten worden geëerbiedigd en bevorderd; beklemtoont dat de Europese instellingen hierbij het voortouw moeten nemen en onderstreept dat de lidstaten bij de implementatie van deze verplichtingen het goede voorbeeld moeten geven;

2.  benadrukt dat de toetreding van de EU tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) een waardevolle bijdrage levert aan het waarborgen van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van de burgers van de Unie en de lidstaten; neemt kennis van advies nr. 2/2013 van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarin het Hof heeft geconcludeerd dat de ontwerpovereenkomst inzake de toetreding van de EU tot het EVRM niet verenigbaar is met het EU-recht; verzoekt de Commissie en de Raad zo spoedig mogelijk tegemoet te komen aan de bezwaren die door het Hof naar voren zijn gebracht, teneinde volledig te voldoen aan de verplichting om toe te treden tot het EVRM zoals neergelegd in artikel 6, lid 2, VEU en op zo kort mogelijke termijn opnieuw onderhandelingen te voeren op een wijze die een meerwaarde betekent voor de bescherming van de rechten in de EU;

3.  vestigt de aandacht op het feit dat alle wetgevingsvoorstellen, met inbegrip van internationale overeenkomsten en in het algemeen alle EU-beleidsmaatregelen, aan een zorgvuldig onderzoek moeten worden onderworpen om te waarborgen dat ze in overeenstemming zijn met het Handvest van de grondrechten; verzoekt de lidstaten en de Commissie ervoor te zorgen dat alle EU-wetgeving, in het bijzonder de economische en financiële aanpassingsprogramma's, die een negatieve uitwerking hebben gehad op de levensomstandigheden van grote aantallen mensen, continu ten uitvoer wordt gelegd overeenkomstig het Handvest van de grondrechten en het Europees Sociaal Handvest (artikel 151 VWEU), met name wat de aspecten betreft die verband houden met de bescherming van de economische en sociale rechten;

4.  is van mening dat schendingen, misbruik en ongelijkheden in de lidstaten de democratie en de rechtsstaat, alsmede het vertrouwen van de burgers in de EU-instellingen, ondermijnen; benadrukt de rol die het Parlement als enige rechtstreeks verkozen instelling toekomt bij het zorgvuldig onderzoeken van de wetgevingsvoorstellen en beleidsmaatregelen om te waarborgen dat ze in overeenstemming zijn met het Handvest; verzoekt de Uniewetgever om de EU-waarden te bevorderen, zoals vereist uit hoofde van artikel 3 VEU, en meer bepaald inclusie en gelijkheid, zoals vereist uit hoofde van de artikelen 8, 9 en 10 VWEU;

5.  herinnert in dit verband eens te meer aan de noodzaak om de samenhang tussen de interne en externe aspecten, met inbegrip van internationale overeenkomsten, van de bescherming en bevordering van de mensenrechten in de Europese Unie te waarborgen, en onderstreept dat de wetgeving en de beleidsvorming op het gebied van veiligheid en justitie, alsook de externe dimensie van het beleid van de Unie, in overeenstemming moeten zijn met het Handvest van de grondrechten en het EVRM, aangezien het doel van het veiligheids- en justitiebeleid moet zijn het waarborgen en beschermen van de vrijheid en de grondrechten;

6.  onderstreept de noodzaak om ervoor te zorgen dat de rechtsstaat in alle lidstaten op een doeltreffende en samenhangende wijze wordt beschermd en dat schendingen van de grondrechten worden voorkomen, en onderkent dat de rechtsstaat een belangrijke rol speelt bij het voorkomen van schendingen van de grondrechten; brengt in herinnering dat de grondrechten een essentieel onderdeel vormen van de EU-waarden en dat in artikel 7 VEU een mechanisme is opgenomen om te reageren op een ernstige en voortdurende schending, of het evidente risico van een ernstige schending, door een lidstaat van de waarden zoals bedoeld in artikel 2 VEU, en onderstreept dat artikel 7 op uniforme wijze voor alle lidstaten moet gelden om een gelijke behandeling te waarborgen;

7.  is derhalve verheugd over het door de Commissie op 11 maart 2014 vastgestelde nieuwe EU-kader voor de verbetering van de bescherming van de rechtsstaat, alsmede over het besluit van de Raad Algemene Zaken van 16 december 2014 betreffende de instelling van een regelmatige dialoog tussen de lidstaten in de Raad over de rechtsstatelijkheid in de EU, aangezien beide mechanismen moeten worden toegepast voordat een procedure overeenkomstig artikel 7 VEU kan worden ingeleid, en verzoekt de Commissie en de Raad het Parlement regelmatig te informeren;

8.  wijst echter tegelijkertijd op de grote hindernissen voor de toepassing hiervan, in het bijzonder op het feit dat de formele vaststelling van een ernstige en voortdurende schending van de grondrechten van de Unie in een lidstaat overeenkomstig artikel 7, lid 2, VEU eenparigheid van stemmen in de Raad vereist;

9.  spoort de EU-instellingen en de lidstaten aan om aanvullende mechanismen vast te stellen om de naleving van de grondrechten en de rechtsstaat in de lidstaten doeltreffend te controleren; is van mening dat, onverminderd de reeds bestaande mechanismen voor ernstige en voortdurende schendingen, dit voorgestelde alternatief:

    (a)  het mandaat van het Bureau voor de grondrechten van de Europese Unie moet verruimen, zodat het ook bevoegd wordt voor het toezicht op de situatie van de grondrechten en de rechtsstaat in elke lidstaat, zowel overeenkomstig de wetgeving van de Europese Unie als daarbuiten, en teneinde het in staat te stellen informatie over schendingen van de grondrechten door een lidstaat openbaar te maken;

     (b)  de Commissie in staat moet stellen om, op basis van de conclusies van de verslagen van het Bureau voor de grondrechten, inbreukprocedures in te leiden voor inbreuken op grond van artikel 2 VEU, teneinde in de praktijk voor een hoog niveau van bescherming van de grondrechten in de lidstaten te zorgen;

10. wijst erop dat de EU-instellingen en nationale parlementen zowel onderling moeten samenwerken als met de Raad van Europa en andere organisaties; onderstreept dat de bescherming van de rechten van minderheden een fundamenteel beginsel van de democratie is en betreurt alle vormen van discriminatie van minderheden en kwetsbare personen en gemeenschappen, zoals bedoeld in artikel 2 VEU, en neemt nota van het besluit van de Raad om de mensenrechtensituatie in de Europese Unie te zullen monitoren;

11. herinnert aan het cruciale belang van de tijdige en correcte omzetting en tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving, in het bijzonder van wetgeving die de mensenrechten beïnvloedt en ontwikkelt;

12. beklemtoont dat de institutionele transparantie, democratische verantwoording en openheid in de EU moeten worden bevorderd en verzoekt de bevoegde EU-instellingen en alle lidstaten met klem om:

       meer hun best te doen voor een spoedige herziening van Verordening (EG) nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie om te zorgen voor een zo groot mogelijke transparantie en vereenvoudigde procedures voor toegang van het publiek tot informatie en documenten; roept de Commissie in dit verband op het wetgevingsinitiatief voor een Accessibility Act weer ter hand te nemen en in de vorm te gieten van een horizontaal instrument dat vooruitgang mogelijk maakt bij de bescherming van personen met een handicap en ervoor kan zorgen dat alle onder de bevoegdheid van de EU vallende beleidsgebieden in overeenstemming zijn met dit doel;

     –   gedurende deze zittingsperiode een herziening van de verordening over het Europees burgerinitiatief (Verordening (EU) nr. 211/2011) voor te leggen, teneinde de werking ervan te verbeteren en de administratieve, organisatorische en financiële hinderpalen uit de weg te ruimen die erin resulteren dat niet alle Europese burgers hun democratische invloed kunnen doen gelden door middel van burgerinitiatieven zoals bedoeld in de Verdragen; spoort de Commissie ook aan in haar voorstel de nodige bepalingen op te nemen om uit te sluiten dat bepaalde groepen burgers, zoals blinden of zij die in het buitenland wonen, het recht wordt ontnomen om burgerinitiatieven te ondersteunen, aangezien een dergelijke uitsluiting de gelijkheid tussen en de betrokkenheid van burgers beperkt;

     –   te komen met een herziening van Richtlijn 93/109/EG tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement ten behoeve van burgers van de Unie die verblijven in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn, teneinde deze specifieke groep burgers in staat te stellen om in hun land van verblijf deel te nemen aan de Europese verkiezingen; verzoekt de lidstaten om al hun burgers de mogelijkheid te bieden hun stem uit te brengen bij de Europese verkiezingen, ook wanneer ze niet in de EU wonen, met name aan de hand van een tijdige voorlichtingscampagne;

     –   aandacht te besteden aan het groeiende bevolkingssegment dat volledig uit zijn rechten is ontzet bij nationale verkiezingen, omdat het noch in het thuisland noch in het land van verblijf kan stemmen.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

5.5.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

20

2

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Mercedes Bresso, Fabio Massimo Castaldo, Kostas Chrysogonos, Richard Corbett, Esteban González Pons, Danuta Maria Hübner, Ramón Jáuregui Atondo, Jo Leinen, Morten Messerschmidt, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Paulo Rangel, György Schöpflin, Pedro Silva Pereira, Barbara Spinelli, Claudia Tapardel, Josep-Maria Terricabras, Kazimierz Michał Ujazdowski

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Max Andersson, Sylvie Goulard, David McAllister, Cristian Dan Preda, Viviane Reding


ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (6.5.2015)

aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

inzake de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2013-2014)

(2014/2254(INL))

Rapporteur voor advies: Daniela Aiuto

(Initiatief – artikel 46 van het Reglement)

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) is bepaald dat de Unie berust op de waarden van eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren;

B.  overwegende dat gelijkheid van mannen en vrouwen een grondrecht is en een gemeenschappelijk grondbeginsel van de Europese Unie, maar dat deze gelijkheid nog lang niet is verwezenlijkt; overwegende dat de artikelen 21 en 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie discriminatie op grond van geslacht verbieden en overwegende dat geweld tegen vrouwen een brute uiting is van de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen en een van de meest voorkomende vormen van schending van de grondrechten in Europa;

C. overwegende dat artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie alle onmenselijke en vernederende behandelingen verbiedt;

D. overwegende dat seksuele en reproductieve gezondheid en rechten op fundamentele mensenrechten gebaseerd zijn en essentiële elementen van de menselijke waardigheid vormen(1); overwegende dat de ontzegging van een levensreddende abortus een ernstige schending van de mensenrechten inhoudt;

E.  overwegende dat er de afgelopen jaren weliswaar enige vooruitgang is geboekt op bepaalde gebieden, maar dat een op de twee vrouwen op een bepaald moment in haar leven wordt blootgesteld aan een of meerdere vormen van seksuele intimidatie en dat na haar vijftiende een op de drie vrouwen in de EU op een bepaald moment in haar leven het slachtoffer wordt van fysiek en/of seksueel geweld(2); overwegende dat ongeveer 500 000 vrouwen in de EU genitale verminking hebben ondergaan(3), en overwegende dat geweld tegen vrouwen en meisjes een belangrijke belemmering voor gendergelijkheid en een schending van de grondrechten vormt, en nog steeds een van de meest voorkomende vormen van schending van de mensenrechten in de EU is;

F.  overwegende dat uit een onderzoek van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten uit 2014 blijkt dat de meeste vrouwelijke slachtoffers van geweld geen aangifte doen bij de politie;

G. overwegende dat geweld tegen vrouwen niet expliciet als vorm van discriminatie op grond van geslacht is opgenomen in de Europese wetgeving, en slechts in drie nationale rechtsstelsels te vinden is (die van Spanje, Zweden en Duitsland) en dat geweld tegen vrouwen daardoor niet als een belangrijk probleem voor de gelijkheid wordt beschouwd; overwegende dat de lidstaten de definitie van geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld op ad-hocbasis bekijken en dat die definitie sterk verschilt in de nationale wetgevingen, waardoor de gegevens niet kunnen worden vergeleken;

H. overwegende dat de bestraffing van daders met straffen die passen bij het misdrijf, zeker ontmoedigend werkt voor personen die de grondrechten schenden, maar dat preventie (via maatregelen op het vlak van onderwijs en cultuur) het hoofddoel blijft en de voorkeur krijgt boven ingrijpen achteraf;

I.   overwegende dat geweld tegen vrouwen de meest voorkomende schending is van de mensenrechten in de Europese Unie en in de rest van de wereld, die alle lagen van de bevolking treft, ongeacht leeftijd, opleidingsniveau, inkomen, maatschappelijke positie en land van herkomst of verblijf, en een van de belangrijkste obstakels voor de gelijkheid van vrouwen en mannen is;

J.   overwegende dat het geweld tegen vrouwen en meisjes tot uiting komt in fysieke en psychologische geweldpleging, verkrachting, kindermishandeling, misbruik dat samenhangt met religieuze of andere overtuigingen, seksuele intimidatie en stalking en huiselijk geweld, mede als gevolg van nieuwe technologieën en internet, via misogyne taal, dreigementen en onlinelaster, en dat dit geweld soms uitmondt in feminicide en/of zogenaamde eerwraak, en een schending is van het fundamentele recht van vrouwen op waardigheid, gelijke behandeling en toegang tot de rechter, zoals vastgelegd door de VN; overwegende dat vrouwen en meisjes recht hebben op het gelijkwaardige genot en de gelijkwaardige bescherming van alle fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal, cultureel, maatschappelijk en elk ander vlak(4);

K. overwegende dat toegang tot rechtspraak een mensenrecht is en dat een gelijke toegang tot de rechter voor mannen en vrouwen van fundamenteel belang is voor de totstandbrenging van gendergelijkheid; overwegende dat vrouwen vaak worden geconfronteerd met sociaaleconomische belemmeringen die hun toegang tot rechtspraak bemoeilijken, zoals financiële afhankelijkheid, een gebrek aan financiële middelen of juridische bijstand en culturele stereotypen die leiden tot angst en schaamte, alsook met procedurele belemmeringen zoals lange strafrechtelijke procedures, discriminerende praktijken en lage veroordelingspercentages; overwegende dat vrouwen met een handicap, vrouwen uit landelijke gebieden, vrouwen uit minderheden, migrantenvrouwen, vluchtelingenvrouwen of LGBTI-vrouwen en -meisjes nog meer moeten opboksen tegen institutionele vooroordelen bij de toegang tot rechtspraak dan andere vrouwen;

L.  overwegende dat de handel in en de seksuele uitbuiting van vrouwen en meisjes een duidelijke schending vormen van de mensenrechten en de menselijke waardigheid en van de basisbeginselen van recht en democratie; overwegende dat vrouwen tegenwoordig nog kwetsbaarder zijn voor deze dreiging vanwege de toegenomen economische onzekerheid en het grotere risico op werkloosheid en armoede;

M. overwegende dat de moeilijkheden om een evenwicht te vinden tussen werk en gezin en de onderwaardering van de vaardigheden en het werk van vrouwen op een arbeidsmarkt die traditioneel een onderscheid maakt tussen mannen en vrouwen, enkele van de complexe oorzaken zijn van de aanhoudende loon- en pensioenkloof tussen mannen en vrouwen;

N. overwegende dat genderdiscriminatie de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt schaadt, en met name van oudere vrouwen, alleenstaande ouders, vrouwen met een handicap, migrantenvrouwen en vrouwen uit etnische en culturele minderheden;

O. overwegende dat de grootschalige toegang tot internet de mogelijkheden om de fysieke en morele integriteit van vrouwen te schenden, bijvoorbeeld via grooming, verder vergroot;

P.  overwegende dat discriminatie op grond van geslacht nog steeds aanhoudt en ernstige gevolgen heeft voor privé-, gezins- en beroepsleven, en dat dit zich vaak voordoet op het vlak van onderwijs, scholing en diensten; overwegende dat vrouwen ook vaak blootstaan aan meervoudige discriminatie op andere gronden dan geslacht, zoals etnische afkomst, geloofsovertuiging, sociale klasse, seksuele geaardheid, religie en handicaps;

Q. overwegende dat de economische crisis en het bezuinigingsbeleid dat in veel EU-lidstaten gevoerd is, geleid hebben tot een inkrimping van de beschikbare begroting en het afbouwen van overheidsdiensten die slachtoffers van geweld tegen vrouwen helpen, met nadelige gevolgen die de fundamentele rechten ondermijnen en vrouwen kwetsbaarder maken voor armoede, uitsluiting, discriminatie en geweld;

1.  dringt er bij de Commissie op aan om seksuele en reproductieve gezondheid en rechten als fundamentele mensenrechten in haar volgende EU-gezondheidsstrategie op te nemen, teneinde de samenhang tussen het interne en het externe beleid van de EU inzake de grondrechten te waarborgen, zoals het Parlement op 10 maart 2015 heeft gevraagd(5);

2.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om het recht op toegang tot veilige en moderne voorbehoedsmiddelen en seksuele voorlichting op school te erkennen;

3.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de nationale strategieën ter eerbiediging en waarborging van de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten van de vrouw worden uitgevoerd; beklemtoont dat de Unie een belangrijke rol speelt bij het vergroten van het bewustzijn en het bevorderen van beste praktijken op dit gebied, aangezien gezondheid een fundamenteel mensenrecht is dat van essentieel belang is voor de uitoefening van andere mensenrechten.

4.  verzoekt de Commissie om specifieke maatregelen aan te wijzen die de lidstaten kunnen nemen ter bestrijding van meervoudige discriminatie;

5.  verzoekt de Commissie werk te maken van een strategie en een actieplan tot bestrijding van alle vormen van gendergerelateerd geweld en homofobie, waarbij preventie meer nadruk krijgt en bescherming en bijstand voor de slachtoffers gewaarborgd wordt, en waarbij het accent ligt op de meest kwetsbaren, zoals minderjarigen, ouderen, mensen met een handicap, vluchtelingen, asielzoekers en slachtoffers van discriminatie; verzoekt de Commissie om een concrete en ambitieuze strategie voor gendergelijkheid voor de periode na 2015 voor te stellen;

6.  roept de lidstaten ertoe op om netwerken op te richten van opvangcentra voor vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van mensenhandel en prostitutie, waar deze vrouwen psychologische, medische, sociale en juridische bijstand kunnen krijgen, en om maatregelen in te voeren om slachtoffers een stabiele baan met daarbij horende rechten te helpen vinden;

7.  veroordeelt met klem iedere vorm van psychisch of fysiek geweld tegen vrouwen, waaronder seksueel geweld; roept de EU en de lidstaten op ervoor te zorgen dat de slachtoffers hulp en bescherming krijgen;

8.  roept de lidstaten op Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten en Richtlijn 2011/99/EU betreffende het Europees beschermingsbevel volledig ten uitvoer te leggen;

9.  beschouwt geweld jegens vrouwen, zoals eremoord, kindhuwelijken, vrouwenhandel, vrouwelijke genitale verminking en huiselijk geweld, als een ernstige schending van de mensenrechten die in geen geval mag worden gerechtvaardigd door godsdienst, cultuur of traditie;

10. onderstreept dat er om geweld tegen vrouwen en straffeloosheid op een doeltreffende manier te bestrijden in de maatschappij een gedragswijziging ten opzichte van vrouwen en meisjes nodig is, omdat vrouwen al te vaak in een ondergeschikte rol worden voorgesteld en geweld tegen vrouwen te vaak wordt getolereerd of geringschat;

11. verzoekt de lidstaten om de toegang van vrouwelijke geweldsslachtoffers tot de rechter te vereenvoudigen en daarbij de uitwisseling van goede praktijken te bevorderen.

12. wijst erop dat de gendergerelateerde belemmeringen voor de toegang tot rechtspraak in de lidstaten, zowel op sociaaleconomisch als procedureel vlak, moeten worden aangepakt en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om stappen te ondernemen om deze belemmeringen weg te werken; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de vergaring van naar geslacht opgesplitste gegevens over de belemmeringen voor de toegang tot rechtspraak te verbeteren;

13. dringt bij de Commissie en de lidstaten aan op ratificatie van de Overeenkomst van Istanbul, die een krachtig instrument is om geweld tegen vrouwen en meisjes, met inbegrip van verkrachting binnen het huwelijk, huiselijk geweld en vrouwelijke genitale verminking, op een omvattende manier aan te pakken;

14. is diep verontrust over de voortzetting van de praktijk van genitale verminking, die een ernstige vorm van geweld tegen vrouwen en meisjes is en een onaanvaardbare schending van hun recht op lichamelijke integriteit; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan de grootst mogelijke waakzaamheid te betrachten en deze praktijk op hun grondgebied te bestrijden om zo snel mogelijk een einde hieraan te maken; vraagt met name dat de lidstaten een krachtige en afschrikkende aanpak hanteren door mensen die met migranten werken een opleiding te geven en de daders van genitale verminking effectief en systematisch te vervolgen en te straffen en vindt dat in dit opzicht een nultolerantiebeleid moet worden toegepast; wijst erop dat dit moet samengaan met voorlichtings- en bewustmakingscampagnes die op de betrokken groepen gericht zijn; is verheugd dat de Europese asielwetgeving slachtoffers van genitale verminking als kwetsbare personen beschouwt en genitale verminking tot de criteria rekent die bij een asielaanvraag in aanmerking moeten worden genomen;

15. verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten om de effecten van voorgestelde of uitgevoerde bezuinigingsmaatregelen op de grondrechten te bekijken en daarbij aandacht te schenken aan genderkwesties, rekening houdend met de onevenredige gevolgen van bezuinigingen voor vrouwen; verzoekt de EU-instellingen om meteen remediërende maatregelen te treffen wanneer bezuinigingsmaatregelen tot nadelige gevolgen hebben geleid voor de economische, sociale en culturele rechten van vrouwen;

16 wijst erop dat nog steeds te veel vrouwen het slachtoffer zijn van seksuele intimidatie, met name op het werk, en dat geen enkele sector van de arbeidsmarkt van dit fenomeen gespaard blijft; vraagt de lidstaten bewustmakingscampagnes op te zetten die zowel op de particuliere als op de publieke sector zijn gericht; verzoekt de lidstaten ook straffeloosheid op dit gebied te bestrijden;

17. acht het zeer verontrustend dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in de besluitvormingsprocessen, in ondernemingen en ondernemingsraden, in de wetenschap en de politiek, zowel op nationaal als op internationaal niveau (grote bedrijven, nationale en Europese verkiezingen), maar vooral op lokaal niveau; vraagt vrouwen te steunen bij hun professionele ontwikkeling en hun inspanningen om in leidinggevende functies te worden aangesteld en verzoekt de Europese instellingen meer aandacht te besteden aan het feit dat slechts 17,8 % van de posities in de bestuursraden van de grootste beursgenoteerde ondernemingen in de EU wordt bekleed door een vrouw;

18. is ingenomen met het feit dat het verslag over de tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten een specifiek hoofdstuk bevat over de Richtlijn inzake de verbetering van de man-vrouwverhouding bij niet-uitvoerende bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen, als maatregel om de grondrechten te bevorderen teneinde tot werkelijke gelijkheid van mannen en vrouwen in raden van bestuur te komen;

19. verzoekt de Commissie de samenleving bewust te maken teneinde een cultuur van respect en tolerantie te stimuleren waarin vrouwen op geen enkele wijze worden gediscrimineerd;

20. herinnert eraan dat meer dan de helft van de afgestudeerden met een postdoctoraal diploma vrouwen zijn; is van mening dat er zolang er geen sprake is van een evenwichtige vertegenwoordiging van vrouwen in hoge leidinggevende functies, maatregelen voor positieve discriminatie moeten worden getroffen; vraagt de lidstaten alle nodige maatregelen te nemen om het aantal vrouwen op hoge posities te vergroten;

21. herinnert eraan dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen een onaanvaardbare vorm van discriminatie is die in strijd is met de Verdragen (artikel 157 VWEU) betreurt dat in de EU, voor gelijk werk, het inkomen van vrouwen gemiddeld nog steeds 16 % lager ligt dan dat van mannen; dringt er bij de lidstaten op aan te waarborgen dat het beginsel van gelijk loon voor gelijk werk in alle sectoren van de arbeidsmarkt wordt nageleefd;

22. verzoekt de Commissie constant toezicht te houden op de situatie van de eerbiediging van de grondrechten, en wel met uitgesplitste gegevens voor mannen en vrouwen;

23. verzoekt de lidstaten hun instellingen voor gendergelijkheid onafhankelijkheid en financiële autonomie te verlenen, zodat ze het vereiste personeel kunnen aanstellen en met gezag kunnen opereren; benadrukt dat het belangrijk is dat de lidstaten met het Parlement samenwerken op het gebied van de bevordering van gendergelijkheid om actieplannen en gerichte aanbevelingen uit te voeren teneinde de mate van gendergelijkheid te verbeteren, geweld tegen vrouwen te bestrijden en te zorgen voor een hogere mate van inclusie van vrouwen in de samenleving, ongeacht de lidstaat waar vrouwen zich bevinden;

24. roept de Europese Commissie ertoe op om meer financiering vrij te maken voor projecten en partnerschappen tussen de lidstaten en niet-gouvernementele organisaties die over aantoonbare ervaring beschikken om vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van mensenhandel en prostitutie te helpen;

25. verzoekt de Commissie en de lidstaten bij het ontwerpen van hun begrotingsbeleid, socialezekerheids- en publieke diensten rekening te houden met demografische ontwikkelingen en veranderingen in de omvang en samenstelling van huishoudens; merkt op dat het aantal eenpersoonshuishoudens in de meeste lidstaten toeneemt, maar dat de meeste beleidsmaatregelen hen direct of indirect discrimineren en onevenredig benadelen; is van mening dat mensen niet mogen worden bestraft of beloond voor de omvang en samenstelling van hun huishouden; verlangt daarom dat beleidsmaatregelen neutraal zijn ten opzichte van de omvang en samenstelling van huishoudens;

26. verzoekt de lidstaten en de EU-instellingen hun medewerking te verlenen aan het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) en het Bureau voor de grondrechten, gezien hun wens om gezamenlijk de strijd aan te binden tegen geweld en genderdiscriminatie.

27. verzoekt de lidstaten om socialemediatrollen, die met hun onlinepesterijen vrouwen onevenredig treffen, harder aan te pakken;

28. verzoekt de Commissie en de lidstaten de rol van formeel en informeel onderwijs te erkennen en te bevorderen om voor gendergelijkheid te zorgen door de positie van vrouwen en mensen die zichzelf als LGBTI zien te versterken en zo hun grondrechten te beschermen;

29. verzoekt de lidstaten hun nationale wetgeving te herzien om bepalingen die discriminatie van vrouwen inhouden te schrappen, zoals onlangs gebeurd is met de bepalingen van de nationale pensioenregeling van een lidstaat, waarin de "normale pensioengerechtigde leeftijd" verschilde naargelang van het geslacht van de aanvrager en, wat vrouwelijke aanvragers betreft, naargelang van het aantal door de betrokkene opgevoede kinderen(6);

30. verzoekt de EU en de lidstaten om het onvervreemdbare recht van vrouwen en meisjes op lichamelijke integriteit en op het nemen van hun eigen beslissingen te erkennen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

6.5.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

27

5

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Maria Arena, Catherine Bearder, Beatriz Becerra Basterrechea, Malin Björk, Vilija Blinkevičiūtė, Anna Maria Corazza Bildt, Viorica Dăncilă, Iratxe García Pérez, Anna Hedh, Mary Honeyball, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Elisabeth Köstinger, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Angelika Mlinar, Angelika Niebler, Maria Noichl, Marijana Petir, Terry Reintke, Liliana Rodrigues, Jordi Sebastià, Michaela Šojdrová, Ernest Urtasun, Ángela Vallina, Beatrix von Storch, Anna Záborská, Jana Žitňanská, Inês Cristina Zuber

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Rosa Estaràs Ferragut, Constance Le Grip, Georg Mayer, Branislav Škripek, Monika Vana, Julie Ward

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Isabella Adinolfi

(1)

Paragrafen 7.2 en 7.3 van het ICPD-actieprogramma.

(2)

Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) "Violence against women: an EU-wide survey. Main results’ (2014) http://fra.europa.eu/sites/default/files/fra-2014-vaw-survey-main-results_en.pdf

(3)

Zoals aangetoond door de Europese Commissie in een studie getiteld "European Commission actions to combat violence against women" (januari 2015).

(4)

Artikelen 1 en 3 van de Verklaring van de Verenigde Naties over de uitbanning van geweld tegen vrouwen van 20 december 1993 (A/RES/48/104).

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0050.

(6)

Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 April 2013, Blanka Soukupová/Ministerstvo zemědělství, EU:C:2013:223.


ADVIES van de Commissie verzoekschriften (5.5.2015)

aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

inzake de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2013-2014)

(2014/2254(INI))

Rapporteur voor advies: Soledad Cabezón Ruiz

SUGGESTIES

De Commissie verzoekschriften verzoekt de ten principale bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

–   gezien het tweede deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie ("Non-discriminatie en burgerschap van de Unie") en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   gezien het recht om verzoekschriften in te dienen, dat is vastgelegd in artikel 227 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en de artikelen 215 tot en met 218 van zijn Reglement,

–   gezien artikel 53 van zijn Reglement,

–   gezien zijn eerdere resoluties over de beraadslagingen van de Commissie verzoekschriften,

–   gezien het verslag van de Commissie van 8 mei 2013 getiteld "Verslag over het EU-burgerschap 2013 – EU-burgers: uw rechten, uw toekomst" COM(2013)0269,

–   gezien het advies van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 december 2014 over de ontwerpovereenkomst inzake de toetreding van de Europese Unie tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) (advies 2/13) en de problemen die het ziet bij de verenigbaarheid ervan met het EU-recht,

A. overwegende dat de rechten die inherent zijn aan het burgerschap van de Unie opgenomen zijn in de Verdragen en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; overwegende dat het Verdrag van Lissabon de afdwingbaarheid van grondrechten heeft verbeterd wat betreft de tenuitvoerlegging van het EU-recht door de lidstaten op nationaal niveau; overwegende dat de inwerkingtreding van het Handvest in combinatie met het Verdrag van Lissabon hooggespannen verwachtingen creëerde bij de EU-burgers, die hoopten dat een nieuw tijdperk van versterkte rechten was aangebroken in Europa; overwegende dat in artikel 51 van het Handvest wordt bepaald dat de lidstaten en de instellingen, organen en agentschappen van de EU deze rechten dienen te eerbiedigen en de beginselen dienen na te leven en de toepassing ervan dienen te bevorderen, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden; overwegende dat genoemd artikel door de Commissie wordt beschouwd als een beperking van de uitvoering van haar rol als hoedster van de verdragen; overwegende dat de toetreding van de Europese Unie tot het EVRM haar verbintenis om de grondrechten te beschermen zal versterken;

B.  overwegende dat het bevorderen van de beginselen van democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden alsmede eerbied voor de menselijke waardigheid op het internationale toneel alleen oprecht kan zijn als deze beginselen ten volle en in ieder opzicht worden geëerbiedigd en toegepast in de lidstaten van de EU zelf; overwegende dat het vertrouwen in het gerechtelijk apparaat in sommige lidstaten volgens de Eurobarometer uiterst gering is;

C. overwegende dat bijna een derde van de bij het Parlement ingediende verzoekschriften betrekking heeft op veronderstelde schendingen van de grondrechten die in het Handvest worden genoemd en kwesties betreft als burgerschap, de vier vrijheden, werkgelegenheid, economische omstandigheden, milieu- en consumentenbescherming, rechtsstelsels, stemrecht en democratische participatie, transparantie van de besluitvorming, handicaps, rechten van het kind, toegang tot onderwijs of taalgerelateerde rechten; overwegende dat in sommige van deze verzoekschriften vragen worden gesteld over gezondheidskwesties en toegang tot gezondheidszorg en gezondheidsdiensten, maar ook over het recht op werk als rechtstreeks gevolg van de economische crisis; overwegende dat verzoekschriften gewoonlijk de eerste indicatoren zijn voor de situatie op het gebied van grondrechten in de lidstaten;

D. overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie een belangrijke rol speelt in de bescherming van de grondrechten in de Europese Unie, met name via de toepassing van de algemene rechtsbeginselen; overwegende dat de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens doorgaans met elkaar in overeenstemming zijn; overwegende dat de toetreding van de EU tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens opnieuw moet worden bekeken na het advies van het HvJEU van 18 december 2014;

E.  overwegende dat het recht om verzoekschriften in te dienen een hechte band tussen de burgers van de EU en het Europees Parlement heeft gesmeed; overwegende dat het Europese burgerinitiatief een nieuwe, directe band tussen de burgers van de EU en de instellingen van de EU tot stand heeft gebracht en de ontwikkeling van de grondrechten en de burgerrechten kan versterken; overwegende dat artikel 44 van het Handvest en artikel 227 van het VWEU het petitierecht waarborgen als één van de rechten waarmee burgers hun grondrechten kunnen doen gelden;

F.  overwegende dat erkend wordt dat de nationale (gerechtelijke, wetshandhavings- en bestuurlijke) overheden essentiële actoren zijn in de effectieve handhaving van de rechten en vrijheden die zijn neergelegd in het Handvest;

G. overwegende dat de Commissie waakzaam moet blijven ten aanzien van de niet-omzetting of onjuiste omzetting van EU-wetgeving door de lidstaten; overwegende dat de Europese burgers onvoldoende zijn geïnformeerd over de grondrechten die zij genieten;

H. overwegende dat gespecialiseerde instellingen zoals de nationale mensenrechteninstellingen of organen voor de bevordering van gelijke behandeling doeltreffend moeten zijn om burgers te kunnen helpen om hun grondrechten beter af te dwingen bij de tenuitvoerlegging van het EU-recht door de lidstaten;

I.   overwegende dat de economische crisis en de bezuinigingsmaatregelen in de vorm van bezuinigingen op openbare diensten, afschaffing van arbeidsrechten, privatiseringen en lagere overheidsuitgaven, ook een negatieve invloed hebben gehad op de algemene toegang tot kwaliteitsonderwijs in de zin van artikel 14 van het Handvest, het recht op behoorlijk werk zoals erkend in artikel 31, het recht op gezondheidszorg zoals erkend in artikel 35, het recht op eigendom zoals erkend in artikel 17 en het recht op sociale zekerheid en sociale bijstand zoals erkend in artikel 34;

J.   overwegende dat het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en bij verkiezingen voor het Europees Parlement in de lidstaat van verblijf erkend wordt in de artikelen 39 en 40 van het Handvest; overwegende dat uitoefening van het recht op mobiliteit dat recht niet mag belemmeren;

K. overwegende dat artikel 21 van het Handvest het recht erkent op non-discriminatie op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid; overwegende dat de EU krachtens artikel 19, lid 1, VWEU wetgeving kan aannemen ter bestrijding van specifieke soorten discriminatie;

L.  overwegende dat het recht op goed bestuur binnen de Unie is neergelegd in het Handvest; overwegende dat hierin ook het recht op toegang tot de documenten van de drie belangrijkste EU-instellingen wordt vermeld; overwegende dat de Europese ombudsman de garantie belichaamt dat deze rechten worden geëerbiedigd;

M. overwegende dat het armoedecijfer onder mensen met een handicap 70% hoger is dan het gemiddelde, mede als gevolg van de beperkte toegang tot de arbeidsmarkt;

N. overwegende dat het recht op een hoog niveau van milieubescherming volgens de artikelen 37 en 38 van het Handvest intrinsiek samenhangt met de implementatie van het beleid van de Unie;

1.  betreurt het dat discriminatie van minderheden, waaronder etnische en nationale minderheden, steeds weer voorkomt, en is van mening dat de menselijke waardigheid onschendbaar is; dringt erop aan de antidiscriminatierichtlijn, betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid, in de Raad opnieuw op gang te brengen; onderstreept het feit dat specifieke behoeften van de meest kwetsbare burgers, zoals minderheden, op een passende manier moeten worden aangepakt; roept de Raad en de Commissie ertoe op om doeltreffend en verantwoordelijk op te treden om de waarden van de Unie te verdedigen tegenover lidstaten die hun verplichtingen uit hoofde van de Verdragen op dit gebied niet volledig nakomen;

2.  betreurt het dat in verschillende lidstaten wordt aangezet tot wetgeving die een beperking van de vrijheid van vergadering, vereniging en meningsuiting of van het recht op collectieve onderhandelingen en collectieve actie inhoudt, waardoor het moeilijk of zelfs onmogelijk wordt de bepalingen van het Handvest van de grondrechten daadwerkelijk na te leven;

3.  verzoekt de Commissie er dringend voor te zorgen dat de lidstaten Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer van burgers omzetten en correct toepassen, gezien de regelmaat waarmee verzoekschriften worden ontvangen over problemen op dit gebied waarmee burgers, hun echtgenoten en kinderen worden geconfronteerd; wijst op de toename van het aantal verzoekschriften uit verschillende lidstaten over geschillen rond het ouderlijk gezag over kinderen in een grensoverschrijdende context, in het kader van de Verordening Brussel II bis, en met name van verzoekschriften tegen de overheden van bepaalde lidstaten met betrekking tot de intrekking van het ouderlijk gezag van ouders die hun recht van vrij verkeer binnen de EU hebben uitgeoefend;

4.  onderstreept de noodzaak van mogelijke verdragswijzigingen om de bescherming van de grondrechten in de EU-Verdragen verder te versterken;

5.  verzoekt de lidstaten en de EU-instellingen om zich volledig in te zetten voor de bescherming van de rechten van het kind in grensoverschrijdende gezinsconflicten; benadrukt dat de rechten van het kind moeten worden bevorderd in al het EU-beleid, om ervoor te zorgen dat altijd rekening worden gehouden met het belang van het kind;

6.  benadrukt dat de belangen en de rechten van kinderen van EU-burgers naar behoren moeten worden beschermd, niet alleen binnen de Unie maar ook daarbuiten, en roept daarom op tot nauwere samenwerking met de instanties die verantwoordelijk zijn voor het welzijn van kinderen in Noordse landen die niet tot de EU behoren; is van mening dat alle partners van de EU (met inbegrip van leden van de EER) het Verdrag van Den Haag van 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen zouden moeten ratificeren;

7.  roept op tot meer nadruk op de bescherming van de rechten van het kind, met name met betrekking tot hulp aan kinderen die uit huis worden geplaatst terwijl ze in het buitenland wonen; is van mening dat het VN-kinderrechtenverdrag ten grondslag moet liggen aan alle geschillen inzake het ouderlijk gezag waarbij gezinnen betrokken zijn die niet in hun eigen land wonen, aangezien hierin speciale aandacht wordt besteed aan het behoud van de identiteit van het kind;

8.  dringt erop aan dat de Overeenkomst van Istanboel door alle lidstaten wordt geratificeerd, zodat 2016 tot het jaar van de bestrijding van geweld tegen vrouwen kan worden uitroepen;

9.  benadrukt dat de rol van de Commissie als hoedster van de Verdragen niet alleen inhoudt dat zij ervoor zorgt dat wetgeving door de lidstaten wordt omgezet maar ook betekent dat zij toeziet op de volledige en correcte toepassing van wetten, met name met het oog op de bescherming van de grondrechten van burgers; betreurt de effectieve beperking van het toepassingsgebied van het Handvest als gevolg van een al te strikte uitlegging van artikel 51 in die zin dat handhaving van het EU-recht buiten dit toepassingsgebied valt; is van mening dat deze benadering moet worden herzien om tegemoet te komen aan de verwachtingen van de EU-burgers ten aanzien van hun grondrechten; herinnert eraan dat de verwachtingen van de burgers verder reiken dan de strikte uitlegging van het Handvest en dat het doel moet zijn deze rechten zo effectief mogelijk te maken; betreurt het daarom dat de Commissie in talrijke antwoorden op verzoekschriften waarin de mogelijke schending van grondrechten wordt aangekaart, zegt niet over de nodige bevoegdheden te beschikken; dringt er in dit verband op aan een mechanisme uit te werken voor toezicht, systematische evaluatie en het opstellen van aanbevelingen, om de algemene eerbiediging van de fundamentele waarden in de lidstaten te stimuleren;

10. herinnert eraan dat de eerbiediging van de grondrechten ook gegarandeerd moet zijn voor burgers van derde landen die op EU-grondgebied verblijven, en dat onmiddellijke uitzetting, detentie van onbepaalde duur in een uitzetcentrum en het ontzeggen van basisgezondheidszorg schendingen van het Handvest van de grondrechten zijn;

11. wijst op het rechtsvacuüm dat met betrekking tot de toegang van burgers tot rechtsmiddelen kan ontstaan wanneer lidstaten EU-wetgeving die rechtstreeks betrekking op hen heeft niet of te laat omzetten; wijst op de noodzaak van coördinatie van maatregelen op alle niveaus om de grondrechten te beschermen en te bevorderen, waarbij de EU-instellingen, de lidstaten, de regionale en lokale overheden, ngo's en het maatschappelijk middenveld moeten worden betrokken;

12. wijst erop dat de burger vaak niet weet tot welke instantie hij zich moet wenden wanneer er sprake is van schending van grondrechten en benadrukt het belang van duidelijke en toegankelijke informatie gericht op het vermijden van verwarring over de reikwijdte en toepasbaarheid van het Handvest van de grondrechten of de procedure voor verhaal;

13. herinnert de Commissie aan haar institutionele plicht om klachten van burgers over mogelijke schendingen van de grondrechten door de EU en door de lidstaten bij de toepassing van het EU-recht, maar ook met betrekking tot situaties in de lidstaten waarin de grondrechten systematisch niet beschermd worden, te analyseren;

14. roept de lidstaten op om onder volledige eerbieding van het subsidiariteitsbeginsel alle noodzakelijke maatregelen te treffen om te waarborgen dat de grondrechten inzake algemene toegang tot kwalitatief hoogstaande gezondheidszorg, justitie, sociale dienstverlening en kwaliteitsonderwijs weer voor alle burgers van de EU gaan gelden, met name voor de 122 miljoen met armoede en sociale uitsluiting bedreigde Europeanen, en dat de fysieke en immateriële hindernissen waarmee personen met een handicap te maken hebben, uit de weg worden geruimd; benadrukt dat betaalbare toegang tot energie voor elk huishouden van essentieel belang is en dat er gerichte maatregelen moeten worden getroffen; roept de lidstaten ook op milieubescherming te erkennen als een essentiële factor voor de waarborging van het grondrecht op gezondheidsbescherming;

15. verzoekt de lidstaten en de Commissie om bestaande belemmeringen op de interne markt weg te nemen teneinde de volledige uitoefening van het recht op vrij verkeer mogelijk te maken;

16. herinnert eraan dat de overdraagbaarheid van socialezekerheids- en werkloosheidsuitkeringen , pensioenrechten en rechten betreffende gezondheidszorg, met name voor personen met een handicap, en de erkenning van beroepskwalificaties en studiepunten een belangrijke rol spelen als het erom gaat de grondrechten en burgerlijke vrijheden ten volle te waarborgen, met inbegrip van volledige mobiliteit van werknemers, die de afgelopen jaren is toegenomen vanwege de economische crisis; merkt evenwel op dat veel burgers nog steeds op problemen stuiten bij de uitoefening van die rechten; herinnert eraan dat de wederzijdse erkenning van academische kwalificaties van cruciaal belang is om werkelijke mobiliteit van de Europese burgers te waarborgen;

17. verzoekt de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aan te nemen om ervoor te zorgen dat alle EU-burgers die de kiesgerechtigde leeftijd hebben bereikt hun stemrecht kunnen uitoefenen bij nationale en regionale verkiezingen die hen betreffen;

18. roept de lidstaten en de Commissie op bij het voorstellen van wetgeving naar een evenwicht te streven tussen maatregelen ter bestrijding van terrorisme en bescherming van de grondrechten, zodat dit laatste niet in het gedrang komt;

19. is bijzonder bezorgd over de recente vaststelling in een aantal lidstaten van wetgeving die het erkende grondrecht op vrijheid van meningsuiting en vergadering inperkt; is van mening dat dergelijke wetgeving die de burgerrechten ondermijnt, tot een trend van democratische achteruitgang leidt;

20. betreurt en veroordeelt de LGBTI-fobe wetgeving die in enkele lidstaten is aangenomen en die neerkomt op beperking van het recht op non-discriminatie op grond van seksuele geaardheid en op vrije meningsuiting van lesbiennes, homoseksuelen, transseksuelen en biseksuelen, alsook een schending betekent van het recht van iedere burger om te huwen en een gezin te stichten;

21. verzoekt de Raad een einde te maken aan de impasse rond de richtlijn inzake zwangerschapsverlof, daar deze kan zorgen voor echte, concrete gelijkheid van vrouwen en mannen en voor harmonisatie op EU-niveau;

22. roept de Commissie op het wetgevingsinitiatief voor een Accessibility Act weer ter hand te nemen en in de vorm te gieten van een horizontaal instrument dat betere bescherming mogelijk maakt van personen met een handicap, en te zorgen voor cohesie tussen alle beleidsgebieden van de EU;

23. verzoekt de Commissie om stappen te ondernemen om het recht op goed bestuur te bestendigen door de code van goed administratief gedrag van de EU om te vormen tot een juridisch bindende verordening;

24. verzoekt de Commissie en de lidstaten om er via hun beleid voor te zorgen dat de grondrechten binnen de Europese Unie naar behoren worden nageleefd, gewaarborgd, beschermd en verder ontwikkeld; roept de lidstaten op hernieuwde inspanningen te ondernemen om het petitierecht en het recht om zich tot de ombudsman te wenden, te erkennen als een middel om burgers in staat te stellen hun rechten te doen gelden;

25. uit, op basis van de honderden verzoekschriften die elk jaar worden ingediend, zijn bezorgdheid over de tekortkomingen bij de concrete tenuitvoerlegging in de lidstaten, zowel naar de letter als naar de geest, van de bepalingen van de Europese milieuwetgeving, zoals de richtlijnen inzake de milieueffectbeoordeling en de strategische milieubeoordeling; verzoekt de Commissie om nauwlettender toezicht te houden op de inhoud van zulke procedures, in het bijzonder wanneer er over specifieke gevallen verzoekschriften worden ingediend;

26. wijst nogmaals op het belang van het Europese burgerinitiatief, als nieuw burgerrecht dat is ingevoerd met het Verdrag van Lissabon en dat de participatieve democratie in de EU moet versterken; merkt op dat het burgerinitiatief een krachtig instrument is dat de Europese burgers een rechtstreeks democratisch recht verleent om bij te dragen aan het besluitvormingsproces van de EU, als aanvulling op het recht van Europese burgers om verzoekschriften in te dienen bij het Europees Parlement en om verhaal te halen bij de Europese ombudsman;

27. verzoekt de Commissie om de rol van de Europese burgerinitiatieven te versterken door een burgervriendelijke aanpak te hanteren om alle tekortkomingen van dit instrument weg te werken bij de komende herziening van Verordening 211/2011, en om tegelijkertijd de voorlichtingscampagnes voor de burgers over het gebruik van het burgerinitiatief en de invloed die ermee kan worden uitgeoefend op het beleidsvormingsproces van de EU te verbeteren;

28. verzoekt alle EU-instellingen en lidstaten om de eerbiediging van de beginselen van democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden alsmede de eerbied voor de menselijke waardigheid te waarborgen, zowel in de lidstaten van de EU als op het wereldtoneel;

29. steunt het programma voor justitiële opleidingen van de EU voor nationale rechters, die essentiële actoren zijn in de handhaving van de burgerrechten; waarschuwt voor het risico dat het recht op een doeltreffende voorziening in rechte niet wordt geëerbiedigd wanneer nationale gerechtelijke procedures onaanvaardbare vertragingen oplopen; is van mening dat om het beginsel van een gelijke behandeling in rechte en effectieve toegang tot de rechter te eerbiedigen, sociaaleconomische belemmeringen voor deze toegang, zoals buitensporige gerechtskosten en heffingen, in elke lidstaat moeten worden aangepakt; neemt nota van de rechtsonzekerheid die wordt gecreëerd door bepalingen met terugwerkende kracht in nieuwe wetgeving van de lidstaten en door voortdurende veranderingen op hetzelfde regelgevingsgebied, hetgeen de toegang tot de rechter de facto belemmert; roept de lidstaten op de effectieve tenuitvoerlegging van het recht op toegang tot de rechter en een onafhankelijke, billijke, effectieve, onpartijdige rechtsbedeling binnen een redelijke termijn te waarborgen;

30. verzoekt de Commissie om rekening te houden met het verslag-Göncz van 17 februari 2014 over de evaluatie van de rechtspleging met betrekking tot strafrechtspleging en de rechtsstaat, waarin het gebrek aan beschikbare gegevens over nationale rechtssystemen wordt betreurd en de lidstaten derhalve wordt gevraagd ten volle met de instellingen van de EU en de Raad van Europa samen te werken en op gezette tijden onpartijdige, betrouwbare, objectieve en vergelijkbare gegevens met betrekking tot hun rechtssystemen te verzamelen en te verstrekken; verzoekt om een doeltreffend mechanisme voor regelmatige evaluatie van de eerbiediging van de in artikel 2 VEU neergelegde fundamentele waarden van de EU door de lidstaten, dat als basis kan dienen voor een instrument voor vroegtijdige waarschuwing, en wijst erop dat de Commissie bevoegd is om tegen een lidstaat die een krachtens de Verdragen op hem rustende verplichting niet nakomt een zaak aanhangig te maken bij het Hof van Justitie van de Europese Unie;

31. is ingenomen met het Europese e-justitieportaal, dat wordt beheerd door de Commissie en beroepsbeoefenaars en het publiek informatie biedt over rechtssystemen en dat een handig instrument is om de toegang tot de rechter te verbeteren, met een afzonderlijk onderdeel over de grondrechten, waarin burgers informatie krijgen over waar zij terechtkunnen als hun grondrechten worden geschonden.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.4.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

30

0

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marina Albiol Guzmán, Margrete Auken, Beatriz Becerra Basterrechea, Heinz K. Becker, Soledad Cabezón Ruiz, Andrea Cozzolino, Pál Csáky, Miriam Dalli, Eleonora Evi, Sylvie Goddyn, Peter Jahr, Rikke Karlsson, Jude Kirton-Darling, Svetoslav Hristov Malinov, Notis Marias, Edouard Martin, Roberta Metsola, Julia Pitera, Gabriele Preuß, Laurențiu Rebega, Sofia Sakorafa, Jarosław Wałęsa, Cecilia Wikström, Tatjana Ždanoka

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Michela Giuffrida, Jérôme Lavrilleux, Josep-Maria Terricabras, Ángela Vallina, Rainer Wieland

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Isabella Adinolfi, Paul Brannen


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

2.7.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

32

25

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Martina Anderson, Heinz K. Becker, Michał Boni, Ignazio Corrao, Rachida Dati, Frank Engel, Tanja Fajon, Laura Ferrara, Monika Flašíková Beňová, Lorenzo Fontana, Kinga Gál, Ana Gomes, Nathalie Griesbeck, Sylvie Guillaume, Jussi Halla-aho, Monika Hohlmeier, Brice Hortefeux, Filiz Hyusmenova, Sophia in ‘t Veld, Iliana Iotova, Eva Joly, Timothy Kirkhope, Barbara Kudrycka, Kashetu Kyenge, Marju Lauristin, Juan Fernando López Aguilar, Monica Macovei, Louis Michel, Claude Moraes, Péter Niedermüller, Judith Sargentini, Birgit Sippel, Branislav Škripek, Csaba Sógor, Helga Stevens, Traian Ungureanu, Marie-Christine Vergiat, Udo Voigt, Josef Weidenholzer

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Laura Agea, Marina Albiol Guzmán, Carlos Coelho, Pál Csáky, Miriam Dalli, Gérard Deprez, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Marek Jurek, Jeroen Lenaers, Ulrike Lunacek, Andrejs Mamikins, Angelika Mlinar, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Kati Piri, Barbara Spinelli, Jaromír Štětina, Josep-Maria Terricabras, Róża Gräfin von Thun und Hohenstein, Elissavet Vozemberg

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Daniela Aiuto, Jude Kirton-Darling, Momchil Nekov, Charles Tannock, Romana Tomc, Mihai Ţurcanu


HOOFDELIJKE STEMMING

32

+

ALDE

Gérard Deprez, Nathalie Griesbeck, Louis Michel, Angelika Mlinar, Maite Pagazaurtundúa Ruiz

ECR

 

EFDD

Laura Agea, Daniela Aiuto, Ignazio Corrao, Laura Ferrara

EFN

 

EPP

 

GREENS/EFA

Eva Joly, Ulrike Lunacek, Judith Sargentini, Josep-Maria Terricabras,

GUE/NGL

Marina Albiol Guzmán, Martina Anderson, Barbara Spinelli, Marie-Christine Vergiat

NI

Juan Fernando López Aguilar

S&D

Miriam Dalli, Tanja Fajon, Monika Flašíková Beňová, Ana Gomes, Sylvie Guillaume, Iliana Iotova, Jude Kirton-Darling, Kashetu Kyenge, Marju Lauristin, Andrejs Mamikins, Momchil Nekov, Péter Niedermüller, Kati Piri, Birgit Sippel

25

-

ALDE

 

ECR

Jussi Halla-aho, Marek Jurek, Timothy Kirkhope, Branislav Škripek, Helga Stevens, Charles Tannock

EFDD

 

EFN

Lorenzo Fontana

EPP

Heinz K. Becker, Michal Boni, Carlos Coelho, Pál Csáky, Rachida Dati, Frank Engel, Kinga Gál, Brice Hortefeux, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Barbara Kudrycka, Jeroen Lenaers, Monica Macovei, Jaromír Štětina, Csaba Sógor, Róża Gräfin von Thun und Hohenstein, Romana Tomc, Mihai Ţurcanu, Elissavet Vozemberg

GREENS/EFA

 

GUE/NGL

 

S&D

 

1

0

NI

VOIGT UDO

Key to symbols:

+ : voor

-  : tegen

0  : onthoudingen

Juridische mededeling