Procedure : 2015/2112(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0275/2015

Ingediende teksten :

A8-0275/2015

Debatten :

PV 14/10/2015 - 14
CRE 14/10/2015 - 14

Stemmingen :

PV 14/10/2015 - 15.8
CRE 14/10/2015 - 15.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0359

VERSLAG     
PDF 411kWORD 205k
30.9.2015
PE 557.269v03-00 A8-0275/2015

Op weg naar een nieuwe internationale klimaatovereenkomst in Parijs

(2015/2112(INI))

Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

Rapporteur: Gilles Pargneaux

(*)  Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 54 van het Reglement

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie(*)
 ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken
 ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking
 ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

Op weg naar een nieuwe internationale klimaatovereenkomst in Parijs

(2015/2112(INI))

Het Europees Parlement,

–    gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorend Protocol van Kyoto,

–    gezien de vijftiende conferentie van de partijen (COP 15) bij het UNFCCC en de vijfde conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP 5), die van 7 t/m 18 december 2009 in Kopenhagen (Denemarken) hebben plaatsgevonden, alsmede het akkoord van Kopenhagen,

–    gezien de zestiende conferentie van de partijen (COP 16) bij het UNFCCC en de zesde conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP 6), die van 29 november t/m 10 december 2010 in Cancún (Mexico) hebben plaatsgevonden, alsmede de akkoorden van Cancún,

–    gezien de zeventiende conferentie van de partijen (COP 17) bij het UNFCCC en de zevende conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP 7), die van 28 november t/m 9 december 2011 in Durban (Zuid-Afrika) hebben plaatsgevonden, en met name de besluiten die het Platform van Durban voor versterkte maatregelen omvatten,

–    gezien de achttiende conferentie van de partijen (COP 18) bij het UNFCCC en de achtste conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP 8), die van 26 t/m 8 december 2012 in Doha (Qatar) hebben plaatsgevonden, alsmede de goedkeuring van de "Doha Climate Gateway",

–    gezien de negentiende conferentie van de partijen (COP 19) bij het UNFCCC en de negende conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP 9), die van 11 t/m 23 november 2013 in Warschau (Polen) hebben plaatsgevonden, alsmede de oprichting van het internationaal mechanisme van Warschau voor schade en verlies,

–    gezien de twintigste conferentie van de partijen (COP 20) bij het UNFCCC en de tiende conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP 10), die van 1 t/m 12 december 2014 in Lima (Peru) hebben plaatsgevonden, alsmede de oproep van Lima voor klimaatmaatregelen,

–    gezien de eenentwintigste conferentie van de partijen (COP 21) bij het UNFCCC en de elfde conferentie van de partijen waarin de partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (CMP 11), die van 30 november t/m 11 december 2015 in Parijs (Frankrijk) zullen plaatsvinden,

–    gezien zijn resoluties van 25 november 2009 over de EU-strategie voor de conferentie van Kopenhagen over klimaatverandering (COP 15)(1), van 10 februari 2010 over de resultaten van de conferentie van Kopenhagen over de klimaatverandering (COP 15)(2), van 25 november 2010 over de klimaatveranderingsconferentie in Cancún (COP 16)(3), van 16 november 2011 over de conferentie over klimaatverandering in Durban (COP 17)(4), van 22 november 2012 over de klimaatconferentie in Doha (Qatar) (COP 18)(5), van 23 oktober 2013 over de conferentie over klimaatverandering in Warschau, Polen (COP 19)(6) en van 26 november 2014 over de conferentie van de VN over klimaatverandering 2014 – COP 20 in Lima, Peru (COP 20),(7)

–   gezien het klimaat- en energiepakket van de EU van december 2008,

–    gezien het groenboek van de Commissie van 27 maart 2013 getiteld "Een kader voor het klimaat- en energiebeleid voor 2030" (COM(2013)0169),

–    gezien Richtlijn 2008/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde ook luchtvaartactiviteiten op te nemen in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap(8),

–    gezien zijn resoluties van 4 februari 2009 getiteld "2050: De toekomst begint vandaag – aanbevelingen voor een toekomstig geïntegreerd beleid van de EU inzake klimaatverandering"(9), van 15 maart 2012 over een routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050(10) en van 5 februari 2014 over een kader voor klimaat- en energiebeleid voor 2030(11),

–    gezien de mededeling van de Commissie van 25 februari 2015 in het kader van het pakket energie-unie, getiteld "Het Protocol van Parijs – Een blauwdruk om de wereldwijde klimaatverandering na 2020 tegen te gaan" (COM(2015)0081),

–    gezien de EU-strategie inzake de aanpassing aan de klimaatverandering van april 2013 en het begeleidende werkdocument van de diensten van de Commissie,

–    gezien het samenvattende verslag van het milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) van november 2014 getiteld "The Emissions Gap Report 2014" en het verslag van de UNEP van 2014 over de aanpassingskloof,

–    gezien de verklaring van de leiders op de G7-top van 7-8 juni 2015 in Schloss Elmau (Duitsland), waarin zij herhaalden zich te willen houden aan hun verbintenis om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 met 40 % à 70 % te verminderen ten opzichte van 2010, waarbij de reductie eerder in de richting van 70 % dan 40 % moet gaan;

–    gezien de verslagen van de Wereldbank getiteld "Turn Down the Heat: Why a 4 °C Warmer World Must be Avoided", "Turn Down the Heat: Climate Extremes, Regional Impacts, and the Case for Resilience" en "Climate-Smart Development: Adding up the Benefits of Climate Action",

–    gezien het verslag van de Wereldcommissie voor economie en klimaat getiteld "Better Growth, Better Climate: The New Climate Economy Report",

–    gezien de encycliek "Laudato si";

–    gezien het vijfde evaluatieverslag (AR5) van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) en het samenvattend verslag,

–    gezien de voorgenomen nationaal vastgestelde bijdragen (INDC's) van de EU en haar lidstaten, die Letland en de Europese Commissie op 6 maart 2015 bij het UNFCCC hebben ingediend,

–    gezien de verklaring van New York inzake bossen tijdens de klimaattop van de VN in september 2014,

–    gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "De uitdagingen van ontbossing en aantasting van bossen aangaan om de klimaatverandering en het verlies aan biodiversiteit aan te pakken",

–    gezien de conclusies van de Europese Raad van 23 en 24 oktober 2014,

–    gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–    gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie vervoer en toerisme (A8-0275/2015),

A.  overwegende dat de klimaatverandering een urgente en mogelijk onomkeerbare mondiale bedreiging vormt voor de samenleving en de biosfeer, en daarom op internationaal niveau moet worden aangepakt door alle partijen;

B.   overwegende dat uit de in het AR5 van de IPCC van 2014 gepresenteerde wetenschappelijke bewijzen blijkt dat de opwarming van het klimaatsysteem onmiskenbaar is, dat er klimaatverandering optreedt, dat menselijke activiteiten de belangrijkste oorzaak zijn voor de waargenomen opwarming sinds het midden van de twintigste eeuw, en dat de wijdverbreide en substantiële effecten van de klimaatverandering reeds duidelijk waarneembaar zijn in natuurlijke en menselijke systemen op alle continenten en in de oceanen;

C.  overwegende dat de EU in het kader van het Protocol van Kyoto haar emissies tussen 1990 en 2013 met 19 % heeft verlaagd, terwijl haar bbp in die tijd met ruim 45 % is toegenomen; overwegende dat de mondiale emissies tussen 1990 en 2013 met meer dan 50 % zijn toegenomen;

D.  overwegende dat uit de laatste resultaten van de National Oceanic and Atmospheric Administration (NOAA) blijkt dat de maandelijkse gemiddelde wereldwijde CO2‑concentratie in de atmosfeer in maart 2015 voor de eerste keer sinds de metingen zijn begonnen, meer dan 400 deeltjes per miljoen bedroeg;

E.   overwegende dat in het verslag van het UNEP van 2014 over de aanpassingskloof wordt gewezen op de enorme kosten van niets doen en wordt geconcludeerd dat de kosten voor aanpassing aan de klimaatverandering in de ontwikkelingslanden tegen 2050 waarschijnlijk twee- à driemaal hoger zullen zijn dan de eerdere schattingen van 70 à 100 miljard USD per jaar, wat na 2020 tot een aanzienlijk financieringstekort zal leiden, tenzij er nieuwe en extra financiële middelen voor aanpassing worden uitgetrokken;

F.   overwegende dat de uitdaging van de financiering van klimaatmaatregelen onlosmakelijk verbonden is met de bredere uitdagingen van de financiering van duurzame mondiale ontwikkeling;

G.  overwegende dat klimaatverandering de concurrentie om middelen zoals voedsel, water en weidegronden kan vergroten, en in de niet al te verre toekomst zou kunnen uitgroeien tot de grootste drijfveer achter volksverhuizingen, zowel binnen als buiten de nationale grenzen;

H.  overwegende dat de partijen tijdens de klimaatconferentie van Doha in december 2012 een wijziging van het protocol hebben goedgekeurd met daarin een tweede verbintenisperiode in het kader van het Kyotoprotocol, die ingaat op 1 januari 2013 en eindigt op 31 december 2020, met wettelijk bindende emissiereductieverbintenissen, de opname van een nieuw gas (stikstoftrifluoride), een "ambitiemechanisme", dat voorziet in een vereenvoudigde procedure waarmee een partij haar verbintenis kan aanpassen door de ambities tijdens de verbintenisperiode te verhogen, en tot slot een bepaling op grond waarvan de doelstelling van een partij automatisch wordt aangepast om te voorkomen dat haar uitstoot in de periode 2013-2020 tot boven de gemiddelde uitstoot in de periode 2008-2010 stijgt;

I.    overwegende dat de partijen van het UNFCCC tijdens de COP 18 (ingevolge Besluit 23/CP.18) hebben besloten te streven naar genderevenwicht binnen instanties die zijn opgericht krachtens het klimaatverdrag en het Protocol van Kyoto, teneinde de participatie van vrouwen te verbeteren, te komen tot een doeltreffender klimaatveranderingsbeleid dat evenzeer tegemoetkomt aan de behoeften van vrouwen als aan die van mannen, en te monitoren hoeveel vooruitgang er met de bevordering van een genderbewust klimaatbeleid is geboekt in de richting van de doelstelling van genderevenwicht;

J.    overwegende dat de strijd tegen de klimaatopwarming niet mag worden gezien als een obstakel bij het streven naar economische groei, maar integendeel moet worden gezien als een hefboom bij het realiseren van nieuwe en duurzame economische groei en werkgelegenheid;

K.  overwegende dat de EU tot dusver een voortrekkersrol heeft gespeeld bij het beperken van de klimaatopwarming en dit moet blijven doen in de aanloop naar een nieuwe internationale klimaatovereenkomst in Parijs eind 2015;

Dringende behoefte aan wereldwijde maatregelen

1.   erkent de buitengewone omvang en ernst van de door de klimaatverandering veroorzaakte dreigingen, en is uiterst bezorgd over het feit dat de wereld helemaal niet op koers ligt om de opwarming van de aarde te beperken tot 2 °C boven het pre-industriële niveau; vraagt de regeringen onverwijld bindende en concrete maatregelen te treffen om de klimaatverandering tegen te gaan en daartoe in 2015 in Parijs een ambitieuze en juridisch bindende wereldwijde overeenkomst te sluiten; is bijgevolg verheugd over de encycliek "Laudato si",

2.   merkt op dat de bevindingen van het vijfde evaluatieverslag van de IPCC het wereldwijde koolstofbudget dat na 2011 beschikbaar is en een reële kans biedt om de stijging van de gemiddelde mondiale temperatuur tot 2 °C boven het pre-industriële niveau te beperken, 1 010 gigaton CO2 bedraagt; benadrukt dat alle landen een bijdrage moeten leveren en dat uitstel van te nemen maatregelen de kosten zal doen stijgen en het aantal opties zal beperken; onderstreept de bevindingen van het verslag "Better Growth, Better Climate: The New Climate Economy Report", waarin staat dat alle landen, ongeacht hun inkomensniveau, de kans hebben om duurzame economische groei te verwezenlijken en tegelijkertijd de enorme risico's van klimaatverandering te verminderen; beveelt aan dat overeenkomsten en conventies moeten beogen de EU-toetredingslanden bij de klimaatprogramma's van de EU te betrekken;

3.   herinnert eraan dat de beperking van de stijging van de mondiale temperatuur met gemiddeld 2 °C geen garantie biedt dat aanzienlijke negatieve invloeden op het klimaat zullen worden voorkomen; vraagt de conferentie van partijen de mogelijkheid te overwegen om de stijging van de mondiale temperatuur te beperken tot gemiddeld 1,5 °C;

4.   merkt op dat in de bevindingen van het vijfde evaluatieverslag van de IPCC wordt geconcludeerd dat zelfs de volledige stopzetting van de koolstofemissies van de geïndustrialiseerde landen er niet voor zal zorgen dat de doelstelling van een maximale stijging van 2 °C wordt verwezenlijkt zonder significante nieuwe verbintenissen van ontwikkelingslanden;

5.   acht het van essentieel belang dat alle landen hun INDC's onverwijld indienen teneinde een stimulerend effect teweeg te brengen en aan te tonen dat alle lidstaten, rekening houdend met hun nationale omstandigheden, dezelfde kant opgaan; is van mening dat deze INDC's tevens actieplannen voor aanpassing kunnen bevatten, aangezien die plannen voor veel landen prioriteit hebben;

6.   onderkent het cruciale belang van een stabiel klimaatsysteem voor voedselveiligheid, energieproductie, water en sanitaire voorzieningen, infrastructuur, de instandhouding van biodiversiteit en terrestrische en mariene ecosystemen, en voor vrede en welvaart in de wereld; herinnert eraan dat de klimaatverandering het verlies aan biodiversiteit versnelt;

7.   is verheugd over de verbintenis van de G7 om de mondiale economie in de loop van de eeuw koolstofarm te maken en de energiesector tegen 2050 om te vormen; herinnert er echter aan dat de economie veel eerder koolstofarm moet worden gemaakt als we rekening houden met de wetenschappelijke bevindingen en een reële kans willen maken om de temperatuurstijging onder 2 °C te houden; vraagt alle partijen die in de gelegenheid zijn dit te doen, hun nationale decarbonisatiedoelstellingen en ‑strategieën uit te voeren door prioriteit te geven aan het afbouwen van de emissies van steenkool als meest vervuilende energiebron;

8.   wijst erop dat landen die niet de nodige capaciteit hebben om hun nationale bijdrage op te stellen, gebruik kunnen maken van steunmechanismen zoals het Wereldmilieufonds, het Ontwikkelingsprogramma van de VN en het Wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering, alsmede van EU-steun;

Een ambitieuze, wereldwijde en juridisch bindende overeenkomst

9.   benadrukt dat het protocol van 2015 van meet af aan, reeds bij de sluiting ervan in Parijs, juridisch bindend en ambitieus moet zijn en moet beogen dat de wereldwijde koolstofemissies tegen 2050 of kort daarna worden uitgefaseerd, zodat de wereld op een kosteneffectief emissietraject blijft dat verenigbaar is met de doelstelling van minder dan 2 °C, en dat de piek van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen zo snel mogelijk wordt bereikt; vraagt de EU daartoe met haar internationale partners samen te werken en voorbeelden van good practices te tonen; onderstreept dat de overeenkomst een voorspelbaar kader moet bieden waarmee investeringen worden aangemoedigd, evenals een inschaling per bedrijf van efficiënte koolstofreductie en aanpassingstechnologieën;

10. waarschuwt tegen mondiale emissiereductietrajecten die in 2050 en daarna nog altijd een aanzienlijke koolstofuitstoot toestaan, aangezien dit grotere risico's met zich meebrengt en afhankelijk is van niet-bewezen, energie-intensieve en dure technologie om CO2 uit de atmosfeer te verwijderen en op te slaan; merkt op dat, afhankelijk van de mate van overschrijding, het vermogen van dergelijke emissiereductietrajecten om de klimaatverandering onder 2 °C te houden, in grote mate verband houdt met de beschikbaarheid en wijdverbreide inzet van biomassa-energie met koolstofafvang en ‑opslag en de aanplanting van bomen zonder aannemelijke beschikbaarheid van grond, evenals het gebruik van andere nog niet bekende, nog te ontwikkelen technologie voor de verwijdering van koolstofdioxide;

11. is van mening dat een ambitieuze en juridisch bindende internationale overeenkomst koolstoflekkage en de problemen met het concurrentievermogen van de betrokken sectoren, met name de energie-intensieve sectoren, kan helpen tegengaan;

12. is van mening dat er, als er een kloof is tussen de ambitie van het totale effect van de in de aanloop naar Parijs gepresenteerde INDC's en de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen die nodig is om de temperaturen tot 2 °C boven het pre-industriële niveau te beperken, een werkprogramma zal moeten worden opgesteld, dat in 2016 van start gaat, om de aanvullende reductiemaatregelen vast te stellen; vraagt om een alomvattend evaluatieproces dat om de vijf jaar plaatsvindt, de dynamiek van het ten uitvoer gelegde mechanisme garandeert en de reductieverbintenissen ambitieuzer maakt in overeenstemming met de recentste wetenschappelijke gegevens; vraagt de partijen juridisch bindende verbintenisperiodes van vijf jaar te steunen, die de meest geschikte keuze zijn om te voorkomen dat de ambitie op een laag niveau blijft steken en om ervoor te zorgen dat er meer politieke verantwoording wordt afgelegd en dat de streefcijfers kunnen worden herzien om ze in overeenstemming te brengen met de wetenschap of met nieuwe technische kennis die een hoger ambitieniveau mogelijk maakt;

13. vraagt om een nieuwe algemene impuls voor het klimaatbeleid van de EU, waarmee nieuwe vaart kan worden gegeven aan de internationale klimaatbesprekingen, overeenkomstig de bovengrens van de verbintenis van de EU om haar broeikasgasemissies tegen 2050 te verlagen tot 80 à 95 % onder het niveau van 1990; neemt nota van de bindende EU-doelstelling om de broeikasgasemissies tegen 2030 met 40 % te verminderen ten opzichte van het niveau van 1990; vraagt de lidstaten aanvullende verbintenissen te overwegen die voortbouwen op de overeengekomen doelstelling voor 2030, met inbegrip van maatregelen buiten de EU, om de wereld in staat te stellen de doelstelling van minder dan 2 °C te realiseren;

14. herinnert aan zijn resolutie van 5 februari 2014, waarin het drie bindende doelstellingen bepleit, namelijk een energie-efficiëntiedoelstelling van 40 %, een doelstelling voor hernieuwbare energiebronnen van ten minste 30 % en een broeikasgasemissiereductiedoelstelling van ten minste 40 %, en verzoekt de Raad en de Commissie nogmaals als onderdeel van het EU-kader voor het klimaat- en energiebeleid voor 2030, een meerledige benadering aan te nemen en ten uitvoer te leggen die gebaseerd is op elkaar wederzijds versterkende, gecoördineerde en coherente doelstellingen inzake broeikasgasemissiereductie, meer hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie; merkt op dat de doelstellingen voor energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen waarvoor het Parlement pleit, zouden leiden tot een veel grotere broeikasgasemissiereductie dan 40 % tegen 2030;

15. onderstreept de noodzaak van een doeltreffende nalevingsregeling die krachtens de overeenkomst van 2015 van toepassing is op alle partijen; benadrukt dat de overeenkomst van 2015 transparantie en verantwoordingsplicht moet bevorderen door middel van een gemeenschappelijk, op regels gebaseerd stelsel waarvan ook boekhoudregels en regelingen inzake toezicht, verslaglegging en verificatie deel uitmaken; is van mening dat het systeem voor transparantie en verantwoording ontwikkeld moet worden op basis van geleidelijke convergentie;

16. benadrukt dat de mensenrechten centraal moeten blijven staan in het klimaatbeleid, en dringt erop aan dat de Commissie en de lidstaten erop toezien dat de overeenkomst van Parijs de nodige bepalingen bevat om de mensenrechtendimensie van de klimaatverandering aan te pakken en steun te verlenen aan armere landen waarvan de capaciteiten onder druk komen te staan door de gevolgen van de klimaatverandering; eist in dit verband dat de rechten van plaatselijke gemeenschappen en inheemse volkeren die bijzonder kwetsbaar zijn voor de schadelijke effecten van klimaatverandering, volledig worden geëerbiedigd;

Ambities voor de periode tot 2020 en het Protocol van Kyoto

17. benadrukt met name dat er dringend vooruitgang moet worden geboekt bij het dichten van de "gigatonkloof" die gaapt tussen de wetenschappelijke analyses en de huidige toezeggingen van de partijen voor de periode tot 2020; onderstreept dat er om de gigatonkloof te helpen dichten, ook andere beleidsmaatregelen een belangrijke rol spelen en een gezamenlijke inspanning vergen, zoals energie-efficiëntie, aanzienlijke energiebesparingen, hernieuwbare energie, hulpbronnenefficiëntie, het uitfaseren van fluorkoolwaterstoffen, duurzame productie en consumptie, het uitfaseren van subsidies voor fossiele brandstoffen, met inbegrip van exportfinanciering voor kolencentraletechnologie, en een breder gebruik van CO2-heffingen;

18. merkt op dat de EU goed op koers ligt om te voldoen aan de doelstellingen voor 2020 inzake broeikasgasemissiereductie en hernieuwbare energiebronnen, en dat er inzake energie-intensiteit aanzienlijke verbeteringen zijn gerealiseerd dankzij efficiëntere gebouwen, producten, industriële processen en voertuigen, en dat terwijl de Europese economie sinds 1990 met 45 % is gegroeid; benadrukt dat de 20/20/20-streefcijfers voor broeikasgasemissies, hernieuwbare energie en energiebesparingen krachtige aanjagers van deze vooruitgang zijn gebleken en aan de basis liggen van duurzame werkgelegenheid voor meer dan 4,2 miljoen mensen in diverse ecobedrijfstakken(12), met gestage groei tijdens de economische crisis;19.  vraagt de Commissie en de lidstaten de laatste prognoses voor broeikasgasemissies voor de periode tot 2020 in te dienen bij het secretariaat van het UNFCCC en aan te kondigen dat de EU haar doelstellingen voor de reductie van de broeikasgasemissies tegen 2020 met ten minste 2 gigaton zal overtreffen;

20. maakt duidelijk dat de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto weliswaar niet zo lang is, maar toch moet worden gezien als een belangrijke tussenstap, en verzoekt daarom de partijen, waaronder de EU-lidstaten, om het ratificatieproces zo snel mogelijk en in ieder geval niet later dan in december 2015 te voltooien; merkt op dat het Europees Parlement zijn rol heeft vervuld door zijn goedkeuring te geven, en dat inspraak van het maatschappelijk middenveld en transparantie nodig zijn om de onderhandelingen beter te helpen begrijpen en vertrouwen tussen alle partijen te creëren in de aanloop naar de conferentie van Parijs;

Een agenda met oplossingen

21. vraagt de EU en de lidstaten met alle actoren van het maatschappelijk middenveld (instellingen, particuliere sector, ngo's en lokale gemeenschappen) samen te werken om reductie-initiatieven te ontwikkelen in belangrijke sectoren (energie, technologie, steden, vervoer enz.), alsook initiatieven met betrekking tot aanpassing en veerkracht, zodat het hoofd kan worden geboden aan aanpassingsproblemen, met wat de toegang tot water, voedselzekerheid en risicopreventie betreft; verzoekt alle overheden en alle actoren van het maatschappelijk middenveld om deze agenda met actiepunten te ondersteunen en te versterken;

22. benadrukt dat een steeds grotere verscheidenheid aan niet-overheidsactoren actie onderneemt om de economie koolstofarm te maken en beter bestand te maken tegen klimaatverandering; benadrukt het belang van een structurele en constructieve dialoog tussen overheden, bedrijfsleven, steden, regio's, internationale organisaties, internationale organisaties, maatschappelijk middenveld en academische instellingen, teneinde stevige, wereldwijde maatregelen te nemen om samenlevingen koolstofarm en veerkrachtig te maken; benadrukt hun rol bij het creëren van dynamiek voorafgaand aan Parijs en voor de actieagenda Lima-Parijs; merkt in dit kader op dat het actieplan Lima-Parijs initiatiefnemers stimuleert om hun werkzaamheden versneld uit te voeren en tijdens de conferentie van Parijs verslag uit te komen brengen van de eerste resultaten die zij hebben bereikt;

23. moedigt de invoering van regelingen aan die deze dynamiek van oplossingen stimuleren, zoals de certificering van innovatieve projecten van het maatschappelijk middenveld;

24. merkt op dat de bio-economie aanzienlijk kan bijdragen tot de herindustrialisering en het creëren van nieuwe banen in de EU en de rest van de wereld;

25. wijst erop dat het streven naar een circulaire economie significant kan bijdragen aan het behalen van de doelstellingen, door het tegengaan van voedselverspilling en het hergebruik van grondstoffen;

26. herinnert de partijen en de VN zelf eraan dat individuele acties even belangrijk zijn als maatregelen van overheden en instellingen; vraagt daarom om meer bewustmakings- en voorlichtingscampagnes voor de bevolking over de kleine en grote gebaren die kunnen bijdragen aan de bestrijding van de klimaatverandering in de ontwikkelde landen en de ontwikkelingslanden;

27. vraagt ook het bedrijfsleven zijn verantwoordelijkheid op zich te nemen en het klimaatakkoord – ook vooraf – actief te steunen;

Een alomvattende inspanning van alle sectoren

28. is verheugd dat in de hele wereld emissiehandelssystemen worden ontwikkeld, waaronder zeventien handelssystemen die op vier continenten actief zijn en samen 40 % van het mondiale bnp vertegenwoordigen, en die de wereldwijde emissies op een kosteneffectieve manier helpen verminderen; moedigt de Commissie ertoe aan koppelingen tussen de EU-ETS en andere emissiehandelssystemen te bevorderen om internationale koolstofmarktmechanismen tot stand te brengen, met als doel de klimaatambities te vergroten en tegelijk het risico van koolstoflekkage te helpen beperken door een gelijk speelveld te creëren; verzoekt de Commissie evenwel waarborgen in te bouwen zodat het koppelen van de EU-ETS aan andere systemen de klimaatdoelstellingen van de EU en het toepassingsgebied van de EU-ETS niet uitholt; vraagt dat er regels voor de totstandbrenging van die koolstofmarktmechanismen worden opgesteld, waaronder boekhoudregels en regels die ervoor zorgen dat de internationale markten en de koppelingen tussen binnenlandse koolstofmarkten permanente mitigatiebijdragen opleveren en de eigen reductiedoelstellingen van de EU niet uithollen;

29. benadrukt dat er moet worden gezorgd voor langdurige prijsstabiliteit van emissierechten en een voorspelbaar regelgevingsklimaat waarin investeringen worden gericht op maatregelen om de broeikasgasemissies te verminderen en de overgang naar een koolstofarme economie te bevorderen;

30. vraagt om een overeenkomst die alle sectoren en emissies omvat en absolute streefcijfers voor de hele economie vaststelt, in combinatie met emissiebudgetten, zodat het ambitieniveau zo hoog mogelijk is; benadrukt dat volgens de bevindingen van de IPCC landgebruik (landbouw, veeteelt, bosbouw en andere vormen van landgebruik) een aanzienlijk kosteneffectief potentieel heeft als het gaat om mitigatie en het vergroten van de veerkracht, en dat er meer internationale samenwerking nodig is om het koolstofopslagpotentieel van bossen en drassig land te optimaliseren; wijst erop dat de overeenkomst moet voorzien in een omvattend boekhoudkundig kader voor emissies en verwijderingen door landgebruik (LULUCF); onderstreept met name dat mitigatie- en aanpassingsmaatregelen op het gebied van grondbestemming gemeenschappelijke doelstellingen voor ogen moeten hebben en niet in de weg mogen staan van andere duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen;

31. merkt op dat ontbossing en aantasting van de bossen verantwoordelijk zijn voor 20 % van de mondiale broeikasgasemissies, en benadrukt de rol van bossen bij de mitigatie van klimaatverandering en de noodzaak om de aanpassingscapaciteiten en de veerkracht van bossen ten aanzien van klimaatverandering te verbeteren; roept de EU op te blijven streven naar verwezenlijking van haar doelstelling om het mondiale verlies aan bebossing tegen 2030 te hebben stopgezet en in ieder geval tegen 2020 een halvering van de ontbossing in de tropen te hebben bereikt, afgezet tegen het niveau van 2008; onderstreept dat de verwezenlijking van deze verbintenissen, samen met het herstel van 350 miljoen hectare bos, waartoe is opgeroepen in de verklaring van New York over bossen, kan leiden tot een reductie van de hoeveelheid CO2 met 4,5 à 8,8 miljard ton per jaar tegen 2030; onderstreept dat de verwezenlijking van de doelstelling van minder dan 2 °C onmogelijk lijkt zonder aanzienlijke nieuwe mitigatie-inspanningen in de tropische bosbouwsector (REDD+); vraagt de EU voorts om de internationale financiering voor het tegengaan van de ontbossing in ontwikkelingslanden te verhogen;

32. neemt nota van de doelmatigheid van de bestaande mitigatiemechanismen in het kader van REDD+ en moedigt de EU-lidstaten aan deze op te nemen in hun inspanningen ter beperking van de klimaatverandering; vraagt de EU-lidstaten vrijwillige internationale mitigatiepartnerschappen aan te gaan met ontwikkelingslanden die in het bijzonder getroffen worden door tropische ontbossing, met het oog op het bieden van financiële of technische ondersteuning om de ontbossing een halt toe te roepen door beleidsmaatregelen voor duurzaam landgebruik en bestuurlijke hervormingen; vraagt de Commissie voorts krachtige maatregelen voor te stellen om de invoer in de EU van goederen die afkomstig zijn van illegale ontbossing, een halt toe te roepen; wijst op de rol van het bedrijfsleven bij het elimineren van de vraag naar goederen die afkomstig zijn van illegale ontbossing;

33. brengt in herinnering dat vervoer de op één na grootste sector is qua uitstoot van broeikasgassen; wijst met klem op de noodzaak om een reeks beleidsmaatregelen te nemen die zijn gericht op een lagere uitstoot van deze sector; herhaalt dat de partijen bij het UNFCCC dringend actie moeten ondernemen om de emissies van het internationale lucht- en zeevervoer op adequate wijze te reguleren; roept alle partijen op om via de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) en de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) te werken aan het creëren van een mondiaal beleidskader op grond waarvan doelmatig kan worden gereageerd, en maatregelen te nemen om vóór eind 2016 passende doelstellingen vast te stellen om de nodige vermindering met het oog op het streefcijfer van 2 °C te kunnen halen;

34. verzoekt de Commissie de partijen bij de COP 21-conferentie bij de vaststelling van hun nationale bijdragen te steunen en haar deskundigheid ter beschikking te stellen, en hen beter bewust te maken van de rol van de vervoersector bij de vaststelling van omvattende strategieën om de broeikasgasemissies te verminderen;

35. wijst erop dat zowel kortetermijnstrategieën als langetermijnstrategieën voor mitigatie in de vervoersector van cruciaal belang zijn als de EU haar vergaande ambities op het vlak van broeikasgasemissiereductie wil verwezenlijken;

36. wijst erop dat rekening moet worden gehouden met de specifieke situatie van eilandgebieden en ultraperifere gebieden, om ervoor te zorgen dat de milieuprestaties geen gevolgen hebben voor de mobiliteit in en de toegankelijkheid van deze gebieden in het bijzonder;

37. is van mening dat de algemene klimaatdoelstellingen onmogelijk verwezenlijkt kunnen worden als er niet meer nadruk wordt gelegd op de verlaging van de emissies van de vervoersector, aangezien dat de enige sector is waarin de broeikasgasemissies blijven stijgen (met 30 % in de afgelopen 25 jaar); benadrukt dat dit alleen bereikt kan worden met bindende doelstellingen voor broeikasgasemissiereductie, in combinatie met de volledige integratie van hernieuwbare energie in de markt, een technologisch neutrale aanpak van de overstap naar een koolstofarme economie, en een volledig geïntegreerd vervoers- en investeringsbeleid dat zowel modal shift als technologische vooruitgang en verkeersvermijdingbeleid (bv. groene logistiek en geïntegreerd mobiliteitsbeheer) omvat;

38. wijst erop dat ruim de helft van de wereldbevolking thans in steden leeft en dat stedelijk vervoer een belangrijke bijdrage levert aan de broeikasgasemissies van de vervoersector; dringt er derhalve bij de Commissie en de lidstaten op aan actief aan bewustmaking te doen over de rol van duurzame stedelijke mobiliteit bij het nakomen van de mitigatieverplichtingen; benadrukt dat verantwoord grondgebruik, goede planning en duurzame vervoersoplossingen in stedelijke gebieden op efficiënte wijze bijdragen aan het doel van verlaging van de CO2-emissies;

39. benadrukt dat er in de vervoersector een goede energiemix nodig is, die kan worden bereikt door het bevorderen van alternatieve voertuigen die op aardgas en biogas rijden, en alle beleidsmaatregelen ter versterking van duurzame vervoerswijzen, zoals de elektrificatie van het vervoer en het gebruik van intelligente vervoerssystemen; benadrukt dat de nadruk moet worden gelegd op treinen, trams, elektrische bussen, elektrische auto's en elektrische fietsen, dat rekening moet worden gehouden met de hele levenscyclus, en dat er moet worden gestreefd naar het volledig benutten van hernieuwbare energiebronnen; spoort lokale openbaarvervoersautoriteiten en vervoersmaatschappijen ertoe aan een voortrekkersrol te spelen bij de introductie van koolstofarme voertuigen en technologie;

40. wijst op de enorme mogelijkheden om de emissies terug te dringen door meer energie-efficiëntie en het gebruik van schone energie; is van mening dat het maximaliseren van de efficiëntie van het energieverbruik in de wereld de eerste stap is op weg naar het beperken van energiegerelateerde emissies, terwijl zo tegelijkertijd wordt bijgedragen tot het verlichten van de energie-armoede;

41. onderstreept dat niets doen ernstige negatieve en vaak onomkeerbare gevolgen heeft, omdat de klimaatverandering alle regio's van de wereld op een andere manier treft maar altijd schade aanricht, met migratiestromen, verlies van mensenlevens en economische, ecologische en maatschappelijke schade als gevolg; wijst op het belang van wetenschappelijke bevindingen als oriëntatie voor de beleidskeuzes voor de lange termijn en onderstreept dat de mate van ambitie op solide wetenschappelijke aanbevelingen gebaseerd moet zijn; onderstreept dat een gezamenlijke wereldwijde politieke en financiële aanzet tot onderzoek, ontwikkeling en innovatie op het gebied van schone en hernieuwbare energietechnologie en energie-efficiëntie van cruciaal belang is om onze klimaatdoelstellingen te bereiken en groei te bevorderen;

42. vraagt de EU zich actiever in te zetten voor de mondiale uitfasering van fluorkoolwaterstoffen in het kader van het protocol van Montreal; herinnert eraan dat de EU ambitieuze regelgeving heeft vastgesteld waarin is bepaald dat het gebruik van fluorkoolwaterstoffen tegen 2030 met 79 % moet worden verminderd, aangezien klimaatvriendelijke alternatieven ruimschoots beschikbaar zijn en het potentieel daarvan volledig moet worden benut; merkt op dat het uitfaseren van het gebruik van fluorkoolwaterstoffen met het oog op mitigatiemaatregelen in en buiten de EU een gemakkelijk te verwezenlijken doel is, en vraagt de EU zich actief in te zetten voor mondiale maatregelen op het gebied van fluorkoolwaterstoffen;

Wetenschappelijk onderzoek, technologische ontwikkeling en innovatie

43. is van mening dat uitbreiding van het gebruik van schone-energietechnologie waar die het grootste effect sorteert, afhankelijk is van het opbouwen en in stand houden van een sterke innovatiecapaciteit in zowel ontwikkelde als opkomende landen;

44. wijst erop dat het stimuleren van innovatie op het gebied van technologie en bedrijfsmodellen een drijvende kracht kan zijn achter zowel economische groei als emissiereductie; benadrukt dat technologie niet automatisch leidt tot minder koolstofuitstoot, maar dat daartoe duidelijke beleidssignalen nodig zijn, zoals het wegnemen van markt- en regelgevingsbelemmeringen voor nieuwe technologieën en bedrijfsmodellen, alsmede gerichte overheidsuitgaven; moedigt de lidstaten aan om hun overheidsinvesteringen in onderzoek en ontwikkeling in de energiesector op te voeren om te helpen de volgende golf van hulpbronnenefficiënte koolstofarme technologie mogelijk te maken;

45. erkent het belang van onderzoek en innovatie in de strijd tegen de klimaatverandering en verzoekt de partijen alles in het werk te stellen om onderzoekers te steunen en de nieuwe technologieën te stimuleren die kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van de vast te stellen reductiedoelstellingen en tot de maatregelen voor mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering;

46. moedigt de Commissie aan om beter te profiteren van het feit dat het Horizon 2020-programma volledig openstaat voor de deelname van derde landen, met name op het gebied van energie en klimaatverandering;

47. is van mening dat het ruimtevaartbeleid van de EU en de investeringen in dit beleid, met inbegrip van de lancering van satellieten, die een belangrijke rol spelen bij de monitoring van industriële ongevallen, ontbossing, woestijnvorming enz., en de samenwerking met partners in derde landen een belangrijke rol kunnen spelen bij de wereldwijde monitoring en aanpak van de gevolgen van klimaatverandering;

48. benadrukt dat de EU meer inspanningen moet leveren ten aanzien van de overdracht van technologie aan de minst ontwikkelde landen, onder eerbiediging van de bestaande intellectuele-eigendomsrechten;

49. verzoekt om volledige erkenning en ondersteuning van de rol van het Centrum en netwerk voor klimaattechnologie (CTCN) en het Technisch uitvoerend comité op het gebied van het faciliteren van technologische ontwikkeling voor de mitigatie van klimaatverandering en de aanpassing aan de gevolgen ervan;

50. is verheugd over de inspanningen op het gebied van samenwerking tussen de EU en het Amerikaanse Ministerie van Energie, met name ten aanzien van onderzoek naar technologieën met betrekking tot klimaatverandering; is van mening dat er veel mogelijkheden zijn voor verdere samenwerking op het gebied van onderzoek tussen de EU en andere belangrijke economieën; onderstreept dat de resultaten van door de overheid gefinancierd onderzoek gratis beschikbaar moeten worden gemaakt;

51. wijst erop dat het gebruik van ruimte-infrastructuur moet worden overwogen bij de uitvoering van maatregelen voor mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering, met name in de vorm van controle en toezicht op broeikasgasemissies; vraagt de Commissie actief bij te dragen aan een mondiaal systeem voor toezicht op CO2 en CH4; roept de Commissie op meer te doen voor de ontwikkeling van een EU-systeem om broeikasgasemissies op autonome en onafhankelijke wijze te meten met behulp en onder uitbreiding van de missies van het Copernicus-programma;

Financiering van klimaatmaatregelen: een hoeksteen van de overeenkomst van Parijs

52. meent dat de uitvoeringsmiddelen – waaronder klimaatfinanciering, technologieoverdracht en capaciteitsopbouw – essentieel zullen zijn om op de conferentie van Parijs tot een overeenkomst te komen, en vraagt de EU en de andere landen daarom een geloofwaardig "financieringspakket" voor zowel de periode vóór 2020 als de periode na 2020 te ontwikkelen ter ondersteuning van grotere inspanningen inzake broeikasgasemissiereductie, bosbescherming en aanpassing aan de gevolgen van de klimaatverandering; vraagt dat klimaatfinanciering in de overeenkomst wordt opgenomen als dynamisch element dat bij de veranderende milieu- en economische realiteit aansluit en dat de grotere ambitie van de mitigatiebijdragen en aanpassingsmaatregelen ondersteunt; vraagt daarom alle partijen die daartoe in staat zijn, bij te dragen aan de klimaatfinanciering;

53. verzoekt de EU en haar lidstaten een routekaart af te spreken voor meer, voorspelbare, nieuwe en aanvullende financiering, overeenkomstig de bestaande verbintenissen, om tegen 2020 te komen tot een billijk EU-aandeel in het algeheel beoogde bedrag van 100 miljard USD per jaar uit een combinatie van publieke en private bronnen, en iets te doen aan de wanverhouding tussen de middelen die worden uitgetrokken voor mitigatie en aanpassing; vraagt de EU alle landen aan te moedigen om een billijk aandeel in de klimaatfinanciering te leveren; vraagt om een degelijk toezicht- en verantwoordingskader met het oog op een effectieve follow-up van de uitvoering van de verbintenissen en doelstellingen inzake klimaatfinanciering; herinnert eraan dat naarmate er meer middelen voor klimaatfinanciering uit de begrotingen voor ontwikkelingshulp worden bijgedragen, de totale begroting voor ontwikkelingshulp in ieder geval met hetzelfde percentage moet worden verhoogd als eerste stap in de richting van volledige additionaliteit;

54. vraagt om concrete toezeggingen op EU- en internationaal niveau om in aanvullende bronnen van klimaatfinanciering te voorzien, onder meer door tussen 2012 en 2030 een deel van de emissierechten uit het EU-ETS te reserveren en door inkomsten uit EU- en internationale maatregelen inzake de emissies van de lucht- en zeevaart toe te wijzen aan internationale klimaatfinanciering en het Groen Klimaatfonds, o.a. technologische innovatieprojecten;

55. pleit voor ruimschalige koolstofbeprijzing als wereldwijd toepasbaar instrument voor het beheer van emissies, de toewijzing van inkomsten uit emissiehandel aan klimaatgerelateerde investeringen, en inkomsten uit de koolstofbeprijzing van internationale transportbrandstoffen; vraagt ook dat landbouwsubsidies worden gebruikt om investeringen ten behoeve van de productie en het gebruik van duurzame energie op landbouwbedrijven te garanderen; benadrukt hoe belangrijk het is kapitaal uit de particuliere sector en de nodige investeringen in koolstofarme technologie aan te trekken; pleit voor een ambitieuze toezegging van regeringen en openbare en particuliere financiële instellingen, zoals banken, pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen, om hun leningen en investeringen op de "minder dan 2 °C"-doelstelling af te stemmen en niet langer te investeren in fossiele brandstoffen, onder meer door uitvoerkredieten voor investeringen in fossiele brandstoffen uit te faseren; pleit voor specifieke publieke garanties ten behoeve van groene investeringen, labels en fiscale voordelen voor groene investeringsfondsen en de uitgifte van groene obligaties;

56. is van mening dat het financiële systeem bij investeringsbesluiten rekening moet houden met klimaatrisico's; vraagt de Commissie, de lidstaten en alle partijen bij het UNFCCC alle beschikbare hefbomen te gebruiken om financiële instellingen aan te moedigen om hun investeringen in voldoende grote mate een andere richting uit te sturen teneinde een echte overgang naar veerkrachtige, koolstofarme economieën te financieren;

57  vraagt naar aanleiding van de belofte van de G20-landen, om concrete maatregelen, met een tijdschema, voor de afschaffing van alle subsidies voor fossiele brandstoffen tegen 2020;

58. moedigt de meest progressieve actoren aan om vrijwillig verplichtingen aan te gaan om de overgang naar een koolstofarme economie te bevorderen door de bestaande best practices in de sector te benutten; zou graag zien dat deze mobilisatie wordt uitgebreid en dat de verplichtingen in de toekomst beter worden gestructureerd, met name via registratieplatforms die in het UNFCCC worden geïntegreerd;

59. neemt nota van de nauwe verbanden tussen de conferentie "Financiering voor ontwikkeling", de top van de VN over duurzame ontwikkeling en de 21e conferentie van de partijen bij het UNFCCC in 2015; erkent dat het effect van klimaatverandering in ernstige mate de pogingen ondermijnt om het geplande kader voor duurzame ontwikkeling voor de periode na 2015 te verwezenlijken, en dat het algehele kader voor ontwikkelingsfinanciering moet worden afgestemd op een koolstofarme en klimaatbestendige wereld, en deze ook moet ondersteunen;

60. pleit voor de bevordering van particuliere initiatieven van de financiële sector, met name op de bijeenkomst van de G20 in november 2015, maar ook meer in het algemeen op de talrijke bijeenkomsten over financiering in de aanloop naar de conferentie van Parijs in 2015;

Streven naar klimaatbestendigheid door middel van aanpassing

61. benadrukt dat aanpassingsmaatregelen voor alle landen onvermijdelijk en noodzakelijk zijn om de negatieve gevolgen van de klimaatverandering te beperken en ten volle gebruik te maken van de mogelijkheden voor klimaatbestendige groei en duurzame ontwikkeling, en dat zij in het kader van de nieuwe overeenkomst centraal moeten staan; vraagt dat dienovereenkomstig langetermijndoelstellingen inzake aanpassing worden vastgesteld; onderstreept dat het voor de mondiale en nationale economieën goedkoper zal zijn als er nu werk wordt gemaakt van de reductie van broeikasgasemissies en dat ook aanpassingsmaatregelen daardoor minder duur zullen zijn; erkent dat aanpassing noodzakelijk is, met name in landen die zeer kwetsbaar zijn voor deze effecten, en in het bijzonder opdat de voedselproductie en de economische ontwikkeling op klimaatbestendige wijze kunnen worden voortgezet; vraagt om actieve ondersteuning voor de uitwerking van uitgebreide aanpassingsplannen in de ontwikkelingslanden op basis van de praktijk van de lokale actoren en de kennis van de inheemse bevolking;

62. erkent dat de mitigatieambitie die wordt verwezenlijkt door de nationaal vastgestelde bijdragen (NDC's) van grote invloed is op de vereiste aanpassingsinspanningen; vraagt dat in de overeenkomst van Parijs een mondiale doelstelling voor aanpassing en aanpassingsfinanciering wordt opgenomen, samen met toezeggingen voor de ontwikkeling van verdere benaderingen om verlies en schade doelmatig aan te pakken;

63. benadrukt de noodzaak om de coördinatie en het klimaatrisicobeheer op EU-niveau te verbeteren en om een duidelijke aanpassingsstrategie voor de EU te ontwikkelen; vraagt dat er regionale aanpassingsstrategieën worden toegepast;

64. herinnert eraan dat de ontwikkelingslanden, en met name de minst ontwikkelde landen en kleine insulaire ontwikkelingslanden, het minst tot de klimaatverandering hebben bijgedragen, maar wel het kwetsbaarst zijn voor de nadelige gevolgen van klimaatverandering en het minst in staat zijn zich eraan aan te passen; vraagt dat steun voor aanpassing en schadevergoedingen essentiële onderdelen van de overeenkomst van Parijs worden, en dat de ontwikkelingslanden daadwerkelijk worden geholpen bij hun transitie naar duurzame, hernieuwbare en koolstofarme energievormen, zodat zowel op korte als op lange termijn in hun aanpassingsbehoeften wordt voorzien; vraagt dat de problematiek van klimaatvluchtelingen en de omvang daarvan, ten gevolge van klimaatrampen veroorzaakt door de opwarming van de aarde, ernstig wordt genomen;

65. onderstreept dat deze overeenkomst flexibel moet zijn, zodat rekening kan worden gehouden met de nationale omstandigheden, de respectieve behoeften en capaciteiten van de ontwikkelingslanden en de specifieke kenmerken van bepaalde landen, met name de minst ontwikkelde landen en kleine eilanden;

66. roept de grote ontwikkelde economieën ertoe op hun bestaande geavanceerde infrastructuur aan te wenden om duurzame groei te bevorderen, te verbeteren en te ontwikkelen en zich ertoe te verbinden de ontwikkelingslanden te steunen bij het opbouwen van hun eigen capaciteit, om ervoor te helpen zorgen dat er in de toekomst in alle delen van de wereld economische groei zal plaatsvinden, zonder bijkomende kosten voor het milieu;

67. onderstreept dat de ontwikkelingsgemeenschap, de Organisatie voor ontwikkeling en samenwerking in Europa (OESO) en de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de OESO een belangrijke rol hebben te vervullen door nauw met belanghebbenden en relevante organisaties samen te werken aan de evaluatie en mitigatie van de ernstigste door de mens veroorzaakte effecten van de klimaatverandering, die hoogstwaarschijnlijk – zelfs als de opwarming tot maximaal 2º C beperkt blijft – problematisch zullen zijn;

68. bevestigt dat een doeltreffende aanpak van de klimaatkwestie voor de EU en andere spelers op het internationale toneel een strategische prioriteit moet vormen, en dat dit inhoudt dat klimaatactie een vast onderdeel moet worden van alle beleidsterreinen en dat naar beleidscoherentie moet worden gestreefd; acht het belangrijk dat de EU op alle gebieden en in alle sectoren koolstofarme ontwikkelingstrajecten bevordert, en verzoekt de EU duurzame productie- en consumptiepatronen voor te stellen, met inbegrip van indicaties voor manieren waarop de EU de consumptie wil beperken en economische activiteiten wil loskoppelen van de aantasting van het milieu;

69. stelt bezorgd vast dat tussen 2008 en 2013 166 miljoen mensen gedwongen werden hun huis te verlaten vanwege overstromingen, stormen, aardbevingen en andere rampen; vestigt bijzondere aandacht op het feit dat de klimaatgerelateerde ontwikkelingen in delen van Afrika een escalatie van de vluchtelingencrisis in het Middellandse Zeegebied in de hand kunnen werken; betreurt dat de status van 'klimaatvluchteling' nog niet is erkend, en dat aldus een juridische lacune ontstaat ten nadele van slachtoffers die niet van de vluchtelingenstatus kunnen profiteren;

70. dringt erop aan dat ontwikkelde en ontwikkelingslanden zich gezamenlijk extra inspannen om de wereldwijde klimaatverandering aan te pakken, met inachtneming van het beginsel van gezamenlijke, maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden;

71. onderstreept dat, overeenkomstig artikel 3, lid 5, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), de EU in de betrekkingen met de rest van de wereld bijdraagt tot de solidariteit en de duurzame ontwikkeling van de aarde, alsook tot de strikte eerbiediging en ontwikkeling van het internationaal recht; wijst erop dat, overeenkomstig artikel 191, lid 1, van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie (VWEU), het beleid van de EU op milieugebied bijdraagt tot de bevordering van maatregelen op internationaal vlak ter bestrijding van de klimaatverandering;

Meer klimaatdiplomatie

72. benadrukt het belang van klimaatdiplomatie als onderdeel van de integrale aanpak van het externe optreden van de EU, en beklemtoont in dit verband hoe belangrijk het is dat de EU tijdens de conferentie een ambitieuze en centrale rol op zich neemt, met één stem spreekt, als bemiddelaar optreedt en verenigd blijft in het streven naar een internationale overeenkomst;

73. vraagt de lidstaten hun standpunten ter zake te coördineren met die van de EU; onderstreept dat de EU en haar lidstaten op het vlak van buitenlands beleid over enorme capaciteiten beschikken, op het vlak van klimaatdiplomatie leiderschap moeten tonen, en dit netwerk moeten benutten om overeenstemming te bereiken over de belangrijkste onderwerpen waarover in Parijs een akkoord moet worden gesloten, namelijk mitigatie, aanpassing, financiering, ontwikkeling en overdracht van technologie, transparantie van de maatregelen en de ondersteuning, en opbouw van capaciteit;

74. verwelkomt het EU-actieplan voor klimaatdiplomatie, zoals goedgekeurd door de EU-Raad Buitenlandse Zaken op 19 januari 2015; verwacht van de Commissie dat zij bij de onderhandelingen een proactieve rol speelt; vraagt de Commissie duidelijk te maken dat het klimaatprobleem de belangrijkste strategische prioriteit is en dit uit haar handelen te doen blijken, op alle niveaus en alle beleidsterreinen;

75  wijst op de leidende rol van de EU ten aanzien van het klimaatbeleid en benadrukt het belang van coördinatie en het formuleren van een gemeenschappelijk standpunt van de EU-lidstaten; vraagt de Commissie, de lidstaten en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) in de aanloop naar en tijdens de conferentie hun diplomatieke inspanningen voort te zetten en op te voeren teneinde de standpunten van hun partners beter te begrijpen en andere partijen – met name met de Verenigde Staten – ertoe aan te moedigen effectieve maatregelen te nemen om aan de 2 °C-doelstelling te voldoen en overeenkomsten te sluiten en toezeggingen te doen, met als doel de grootste emissies op het niveau te brengen van de emissies van de EU-burgers, die reeds tal van inspanningen hebben gedaan om economische ontwikkeling en respect voor het milieu en het klimaat met elkaar te verzoenen; roept de EU op gebruik te maken van haar positie om op het gebied van klimaatkwesties tot hechtere samenwerking te komen met de buurlanden en kandidaat-lidstaten;

76. benadrukt dat er in de aanloop naar en tijdens de conferentie grotere diplomatieke inspanningen vereist zijn, met name om raakvlakken te vinden wat betreft de soort differentiatie in de verplichtingen van de partijen gezien hun nationale omstandigheden, en wat betreft de rol van verlies en schade in de overeenkomst;

77. vraagt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid strategische prioriteiten te ontwikkelen voor het externe klimaatbeleid dat is vastgelegd in de algemene doelstellingen voor het buitenlands beleid, en erop toe te zien dat de EU-delegaties meer aandacht gaan besteden aan het klimaatbeleid, het monitoren van de inspanningen die landen leveren op het vlak van mitigatie en aanpassing, en aan het verlenen van steun voor capaciteitsopbouw, en dat zij over de nodige middelen beschikken om maatregelen in verband met klimaatmonitoring te nemen; roept de EU op om nauwer met de buurlanden en kandidaat-lidstaten samen te werken rond klimaatkwesties, en er bij die landen op aan te dringen hun beleid af te stemmen op de klimaatdoelstellingen van de EU; verzoekt de lidstaten en de EDEO bij de EU-delegaties en de ambassades van de lidstaten aanspreekpunten voor klimaatverandering aan te wijzen;

78. erkent het belang van maatregelen tegen de klimaatverandering en tegen de potentiële bedreiging die ervan uitgaat voor de stabiliteit en de veiligheid, alsook het belang van klimaatdiplomatie in de aanloop naar de klimaatconferentie van Parijs;

Het Europees Parlement

79. is ingenomen met de mededeling van de Commissie en de doelstellingen van de EU-bijdrage aan de COP 21-klimaatconferentie die in december 2015 in Parijs zal worden gehouden;

80. belooft zijn internationale rol en zijn lidmaatschap van internationale parlementaire netwerken te gebruiken om consequent te streven naar vooruitgang in de richting van een juridisch bindende en ambitieuze internationale klimaatovereenkomst in Parijs;

81. is van mening dat het, aangezien het ook zijn goedkeuring zal moeten geven aan een internationale overeenkomst, goed in de EU-delegatie moet worden geïntegreerd; verwacht dan ook dat het de coördinatievergaderingen van de EU in Parijs zal mogen bijwonen;

°

°         °

82. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en het secretariaat van het UNFCCC, met het verzoek de resolutie ook toe te zenden aan alle partijen die geen lid zijn van de EU.

(1)

   PB C 285 E van 21.10.2010, blz. 1.

(2)

   PB C 341 E van 16.12.2010, blz. 25.

(3)

   PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 77.

(4)

   PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 83.

(5)

   Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0452.

(6)

   Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0443.

(7)

   Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0063.

(8)

   PB L 8 van 13.1.2009, blz. 3.

(9)

   PB C 67 E van 18.3.2010, blz. 44.

(10)

   PB C 251 E van 31.8.2013, blz. 75.

(11)

   Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0094.

(12)

Gegevens van Eurostat over de sector milieugoederen en -diensten, vermeld in "Een beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020-2030" (COM(2014)0015).


TOELICHTING

Naar haar invloed op duurzame ontwikkeling, de volksgezondheid en de wereldeconomie te oordelen, is de klimaatverandering een van de grootste uitdagingen waarmee de mensheid geconfronteerd wordt. Stijgende temperaturen, smeltende gletsjers en steeds vaker voorkomende perioden van droogte of overstromingen zijn allemaal tekenen dat de klimaatverandering reëel is. De klimaatverandering vergt een dringende, verantwoordelijke en wereldwijde reactie, op basis van solidariteit van de internationale gemeenschap.

Op 25 februari 2015 heeft de Commissie een mededeling vastgesteld met als titel "Het Protocol van Parijs – Een blauwdruk om de wereldwijde klimaatverandering na 2020 tegen te gaan". Daarmee wordt beoogd de Europese Unie voor te bereiden op de laatste onderhandelingsronde in de aanloop naar de eenentwintigste klimaatconferentie van de Verenigde Naties, die van 30 november t/m 11 december in Parijs zal plaatsvinden.

Op 6 maart 2015 hebben de milieuministers van de EU hun verbintenissen inzake de vermindering van de broeikasgasemissies in de EU formeel goedgekeurd. De EU en haar lidstaten hebben zich gezamenlijk verbonden tot een bindend streefcijfer, namelijk een vermindering van de broeikasgasemissies in de EU met ten minste 40% in 2030 ten opzichte van 1990. In maart 2015 heeft de EU haar "voorgenomen nationaal vastgestelde bijdrage" (INDC) bij het secretariaat van het UNFCCC ingediend.

Deze doelstellingen zijn een stap in de goede richting, maar zouden ambitieuzer moeten zijn. Om de positie van de EU tijdens de internationale onderhandelingen te versterken, moet het Europees Parlement pleiten voor ambitieuze en realistische doelstellingen, namelijk een vermindering van de broeikasgasemissies met 50% in 2030 ten opzichte van 1990, een verhoging van het aandeel van hernieuwbare energie in de energiemix tot 45%, en een vermindering van het totale energieverbruik met 40%.

Op de Conferentie van Parijs mag het niet bij pogingen blijven; er moeten echte beslissingen worden genomen. Deze conferentie is een beslissende fase in de onderhandelingen over de nieuwe wereldwijde klimaatovereenkomst die in 2020 van kracht zal worden.

De Conferentie van Parijs is geen doel op zich, maar het begin van een dynamisch proces dat de internationale gemeenschap weer op koers zal brengen om de opwarming van de aarde tot minder dan 2°C te beperken.

Een ambitieuze, wereldwijde en juridisch bindende overeenkomst

De overeenkomst van Parijs moet:

- ambitieus zijn, wereldwijd gelden en juridisch bindend zijn, zodat een antwoord op lange termijn wordt geboden op de uitdaging van de klimaatverandering en de doelstelling om de opwarming van de aarde tot minder dan 2°C te beperken.

- duurzaam en dynamisch zijn, ter ondersteuning van sterkere maatregelen tegen de ontregeling van het klimaat, bovenop de eerste bijdragen die de staten hebben gepresenteerd, met name op basis van een mitigatiedoelstelling op lange termijn;

- flexibel zijn, om rekening te houden met de veranderende behoeften en capaciteiten van de betrokken landen en hun nationale omstandigheden, en hun de nodige middelen te verschaffen om hun nationale verbintenissen na te komen;

- een evenwicht tussen mitigatie en aanpassing bereiken, om de meest kwetsbare landen weerbaarder te helpen maken tegen de gevolgen van de klimaatverandering, duurzame benaderingen van ontwikkeling aan te moedigen, de opwarming van de aarde tot minder dan 2°C te beperken, en landen te helpen bij het uitvoeren en versteken van hun nationale actieplannen voor aanpassing;

- economische actoren een sterk signaal geven om de overgang naar een koolstofarme economie op gang te brengen.

De financieringsregeling, hoeksteen van de overeenkomst van Parijs

Tussen nu en 2020 zal elk jaar 100 miljard USD aan de ontwikkelingslanden moeten worden overgemaakt als bijdrage in de kosten van de vermindering van de broeikasgasemissies en ter financiering van projecten ter bescherming van gemeenschappen die riskeren de gevolgen van de klimaatverandering te ondergaan, zoals de stijging van de zeespiegel, lange perioden van droogte en schade aan voedingsgewassen.

Eind 2014 is tijdens de Conferentie van Lima 10,4 miljard USD bijeengebracht voor het Groen Klimaatfonds. Volgens de rapporteur is dat niet genoeg. Om het vertrouwen van de ontwikkelingslanden te herwinnen, moeten de EU en de geïndustrialiseerde landen volkomen duidelijk maken hoe zij van plan zijn het steunpakket van 100 miljard dollar dat zij op de Conferentie van Kopenhagen hebben aangekondigd, bijeen te brengen.

Helaas blijft de mededeling van de Commissie van 25 februari 2015 op dit punt vaag, hoewel de verstrekking van nieuwe financiering de hoeksteen van de overeenkomst van Parijs zal zijn.

Om de toezeggingen van de COP 21 na te komen, zullen innovatieve financieringsmechanismen moeten worden bedacht, getest en geïmplementeerd. Daartoe zal het volgende nodig zijn:

- vaststelling van een realistische koolstofprijs in alle grote economieën van de wereld teneinde klimaatvriendelijke oplossingen te ontwikkelen;

- alle financiële actoren stimulansen geven om hun investeringen op voldoende grote schaal een andere richting uit te sturen teneinde een echte overgang naar veerkrachtige, koolstofarme economieën te financieren;

- specifieke publieke garanties ten behoeve van groene investeringen;

- benutting van het Plan-Juncker in Europa via het Europees Fonds voor strategische investeringen;

- een ambitieuze routekaart van toezeggingen van openbare en multilaterale banken voor de financiering van de ecologische transitie;

- labels en fiscale voordelen voor groene investeringsfondsen en de uitgifte van groene obligaties;

- een belasting op financiële transacties en de toewijzing van een deel van de inkomsten daarvan aan groene investeringen.

De financiering zal een essentiële rol spelen wanneer op de Conferentie van Parijs zal worden geprobeerd een overeenkomst te bereiken. Daarom moet een geloofwaardig "financieringspakket", zowel voor de ontwikkelde landen als voor de ontwikkelingslanden, worden voorbereid, zodat er meer inspanningen kunnen worden geleverd om de broeikasgasemissies te verminderen en met de gevolgen van de klimaatverandering om te gaan.

Het interne klimaatbeleid van de EU als voorbeeld

Hoewel de rapporteur voor ambitieuzere doelstellingen pleit, is hij verheugd dat de EU haar voorgenomen nationaal vastgestelde bijdrage (INDC) heeft ingediend vóór de indicatieve deadline van maart 2015 die bij het besluit van Warschau is vastgesteld. Die bijdrage heeft een sterk meezuigend effect op de internationale partners van de EU gehad en moet worden aangevuld met concrete maatregelen om de overgang naar een koolstofarme economie in de Unie ten uitvoer te leggen.

Zodra de werkzaamheden rond de stabiliteitsreserve zijn afgerond, moet de Commissie beginnen met de herziening van de richtlijn betreffende de Europese koolstofmarkt en de regeling voor de verdeling van de inspanning tussen de lidstaten.

De EU moet het ratificeringsproces van de wijziging van Doha van het Protocol van Kyoto zo spoedig mogelijk afronden en de andere partijen ertoe aanmoedigen dat ook te doen, zodat die wijziging onverwijld in werking kan treden.

Ambitieuze verbintenissen van de EU zijn doorslaggevend voor haar geloofwaardigheid tijdens de onderhandelingen. De EU moet een ambitieus en doeltreffend beleid blijven voeren om tegen 2050 een energietransitie te bewerkstelligen. Daartoe moeten niet alleen de instrumenten op het gebied van klimaat- en energiebeleid worden gebruikt, maar ook op andere gebieden, zoals vervoer, onderzoek en innovatie, handel en ontwikkelingssamenwerking.

Een doeltreffend extern EU-beleid dat een meezuigeffect creëert

Tijdens alle internationale bijeenkomsten in de aanloop naar de COP 21 moet de EU bij alle stakeholders intensief lobbyen.

De bijdrage van de EU moet voor de andere partijen een voorbeeld van duidelijkheid, transparantie en ambitie zijn. Dat de EU er tussen 1990 en 2012 in is geslaagd haar emissies met 19% te verminderen terwijl haar bbp met 45% is toegenomen, en dat haar aandeel in de mondiale emissies steeds kleiner is geworden, bewijst dat mitigatie en economische groei hand in hand kunnen gaan.

De EU moet haar diplomatieke inspanningen voortzetten en opvoeren teneinde de standpunten van haar partners beter te begrijpen, deze landen ertoe aan te moedigen een ambitieus beleid te voeren om de klimaatverandering tegen te gaan, en allianties te vormen die dat doel helpen verwezenlijken.

De rapporteur neemt er nota van dat de Commissie van plan is om in het najaar van 2015 samen met Marokko een conferentie te organiseren over de "ambitiekloof", d.w.z. het verschil tussen de verbintenissen van de partijen en de doelstelling om de opwarming van de aarde te beperken tot minder dan 2°C. Wel vraagt hij de Commissie erop toe te zien dat het hoofddoel van die conferentie erin bestaat vooruitgang te boeken met het oog op een overeenkomst op de Conferentie van Parijs. Zo moet de conferentie dienen om de partijen aan te moedigen tot een ambitieuze aanpak en een forum bieden voor een constructieve gedachtewisseling die op praktische maatregelen gericht is.

De rapporteur vraagt dat de discussies binnen de EU onverwijld worden geïntensiveerd teneinde tot een gemeenschappelijk standpunt te komen, met name over de voornaamste kwesties bij de internationale onderhandelingen, zoals financiering, capaciteitsopbouw en overdracht van technologie.

De geloofwaardigheid van de verbintenissen van de partijen bij de overeenkomst van Parijs zal ook afhangen van andere actoren dan de staten, zoals steden, regio's, bedrijven en investeerders. De Conferentie van Parijs moet deze actoren een duidelijke boodschap meegeven en hun stimulansen bieden om actie te ondernemen, onder meer door hun inspanningen internationaal te erkennen. Ook de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO), de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) en de partijen bij het Protocol van Montreal moeten actie ondernemen om de emissies van het internationale lucht- en zeevervoer alsmede de productie en het verbruik van gefluoreerde gassen vóór eind 2016 te reguleren.

Bij de onderhandelingen moet de EU de pleitbezorgster voor ambitie zijn. Volgens de rapporteur zou de geloofwaardigheid van de Unie een deuk krijgen als zij een overeenkomst zou ondertekenen die duidelijk niet volstaat om de klimaatverandering te beperken. De Unie moet zich weliswaar voldoende flexibel opstellen om tot een consensus te komen, maar moet een ontoereikende overeenkomst afwijzen.

In een ambitieus Europees beleid ter bestrijding van de klimaatverandering is nog steeds een belangrijke rol weggelegd voor het Europees Parlement. Tot slot wenst de rapporteur eraan te herinneren dat het Parlement zijn goedkeuring zal moeten geven aan de ratificering door de EU van de juridisch bindende overeenkomst die de Conferentie van Parijs zal opleveren. Het Parlement moet dan ook ten volle kunnen deelnemen aan de coördinatievergaderingen die tijdens de conferentie worden gehouden.


ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie(*) (10.9.2015)

aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

inzake "Op weg naar een nieuwe internationale klimaatovereenkomst in Parijs"

(2015/2112(INI))

Rapporteur voor advies (*): Seán Kelly

(*)       medeverantwoordelijke commissie – artikel 54 van het Reglement

SUGGESTIES

De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

Industrie en concurrentievermogen

1.  is verheugd over de leiderschapsrol die de EU vervult bij de matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering alsook over de kennis, vaardigheden, werkgelegenheid en groei die een en ander met zich brengt; acht het van cruciaal belang dat in Parijs een wereldwijd ambitieus, wettelijk bindend akkoord wordt gesloten – met een krachtige toezegging om binnen het 2oC-scenario van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) te blijven – en onderstreept dat het voor de EU, wil zij deze leiderschapsrol kunnen blijven vervullen, absoluut noodzakelijk is dat alle partijen zich achter dit akkoord scharen, wil het een doeltreffend middel zijn om klimaatverandering af te wenden; dringt erop aan dat er een regelmatige en transparante evaluatie van de prestaties – ook van de voorgenomen nationaal vastgestelde bijdragen (INDC's) – plaatsvindt op basis van de meest recente wetenschappelijke gegevens en technologieën en in overeenstemming met het zevende milieuactieprogramma(1);

2.  merkt op dat de EU goed op koers ligt om te voldoen aan de doelstellingen voor 2020 inzake het terugdringen van de broeikasgasemissies en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, dat er aanzienlijke verbeteringen zijn gerealiseerd op het gebied van de intensiteit van het energieverbruik dankzij efficiëntere gebouwen, producten, industriële processen en voertuigen, en dat de Europese economie tegelijkertijd sinds 1990 met 45% is gegroeid; benadrukt dat de 20/20/20-streefcijfers voor broeikasgasemissies, hernieuwbare energie en energiebesparingen krachtige aanjagers van deze vooruitgang zijn gebleken en aan de basis liggen van duurzame werkgelegenheid voor meer dan 4,2 miljoen mensen in diverse ecobedrijfstakken(2), met gestage groei tijdens de economische crisis;

3.  benadrukt dat het van groot belang is dat er tijdens de conferentie in Parijs een effectief, wereldwijd bindend akkoord wordt gesloten en wijst erop dat het uitblijven van een dergelijk akkoord het concurrentievermogen van de economie van de EU verder in gevaar brengt en blootstelt aan het risico van koolstoflekkage;

4.  is verheugd over de toezegging van de leiders van de G7 inzake het in de loop van deze eeuw koolstofarm maken van de wereldeconomie door de uitstoot van broeikasgassen tot 2050 te verminderen vanaf de bovengrens van het bereik van 40 tot 70 %, vergeleken met het niveau van 2010;

5.  benadrukt de noodzaak om de coördinatie en het klimaatrisicobeheer op EU-niveau te verbeteren en om een duidelijke aanpassingsstrategie voor de EU te ontwikkelen; beveelt aan om ambitieuze en bindende doelstellingen voor de uitstoot van CO2 en het gebruik van hernieuwbare energie ten uitvoer te leggen, zowel op nationaal als op EU-niveau, teneinde de overgang naar een duurzame en energiezekere economie tot stand te brengen;

6.  onderstreept dat artikel 191, lid 2, van het EU-Verdrag bepaalt dat het beleid van de Unie berust op het beginsel dat de vervuiler moet betalen; benadrukt evenwel dat ook al zouden andere grote economieën geen vergelijkbare afspraken ter vermindering van broeikasgasemissies maken, de bepalingen betreffende koolstoflekkage, met name voor de sectoren die blootstaan aan een hoge handelsintensiteit en een hoog aandeel aan CO2-kosten in hun productiekosten, zullen worden gehandhaafd en waar nodig aangescherpt; is niettemin van mening dat er bij de komende herziening van de EU-handel in emissierechten (ETS) een meer op de lange termijn gerichte oplossing voor koolstoflekkage moet worden gevonden of dat er een systeem van grensaanpassing aangaande koolstof moet worden vastgesteld; acht het van cruciaal belang dat koolstoflekkage wordt vermeden in essentiële Europese industriesectoren, waaronder energie-intensieve industrieën en de duurzame Europese agro-industrie en agri-foodproductie; erkent dat het noodzakelijk is om de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen bij de productie van voedingsmiddelen te beperken;

7.  benadrukt dat de overeenkomst rekening moet houden met de parallelle wereldwijde doelstelling om voedselzekerheid te waarborgen;

8.  benadrukt dat het met vertraging ondernemen van actie de kosten van matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering zal verhogen en het aantal beschikbare technologie-opties zal beperken; is van mening dat vroegtijdige actie op de lange termijn een positief effect zal hebben op het concurrentievermogen van de Europese industrieën en energieproducenten;

9.  dringt er, met het oog op het behoud van gelijke concurrentievoorwaarden voor de industrie en de energiesector van de EU, bij de Commissie op aan koppelingen tussen de EU-ETS – voor of na een alomvattende, structurele hervorming na 2020 die de werking ervan verbetert – en andere regelingen voor de handel in emissierechten te bevorderen teneinde in de toekomst te komen tot een wereldmarkt voor handel in emissierechten om de totale uitstoot aanzienlijk te verminderen en het concurrentievermogen van de industrie te vergroten; verzoekt de Commissie evenwel om waarborgen in te voeren die ervoor zorgen dat het koppelen van de EU-ETS aan andere regelingen de klimaatdoelstellingen van de EU en het toepassingsgebied van de EU-ETS niet ondermijnt; is in dit verband ingenomen met de wereldwijde ontwikkeling van emissiehandelssystemen en andere prijsmechanismen, waaronder de 17 ETS die van kracht zijn op vier continenten, die samen goed zijn voor 40 % van het mondiale bbp en die het risico van koolstoflekkage zullen helpen terugdringen; benadrukt dat een wereldwijd handelssysteem middelen zou kunnen opleveren om de wereldwijde klimaatdoelstellingen te versterken doordat de kosten voor bedrijven worden teruggedrongen en de concurrentievoorwaarden minder ongelijk worden;

10. roept de Commissie op toeslagen op te leggen aan geïmporteerde energie-intensieve producten uit derde landen om de bijkomende kosten die CO2-emissiebelastingen voor EU-bedrijven meebrengen te compenseren, teneinde de eerlijke mededinging op de EU-markt te handhaven;

11. benadrukt dat langdurige prijsstabiliteit van emissierechten moet worden gewaarborgd, evenals een voorspelbaar regelgevingsklimaat waarin investeringen worden gericht op maatregelen ter verlaging van de productie van broeikasgassen en de transitie naar een koolstofarme economie;

12. dringt aan op de geleidelijke totale afschaffing van uit milieuoogpunt schadelijke subsidies, met inbegrip van subsidies voor fossiele brandstoffen, die de mededinging en de werking van de interne energiemarkt verstoren, internationale samenwerking ontmoedigen en innovatie in de weg staan; dringt erop aan dat concrete maatregelen, zoals een tijdschema voor de wereldwijde geleidelijke afschaffing van dergelijke subsidies, als onderdeel van de overeenkomst worden opgenomen; merkt voorts op dat investeringen in bedrijven die zich aantoonbaar positief opstellen ten opzichte van de vermindering van broeikasgassen moeten worden gesteund en aangemoedigd en erkent dan ook dat subsidies, indien deze correct worden toegepast, de ontwikkeling van een duurzame economie kunnen ondersteunen;

Steun aan de ontwikkeling en invoering van klimaattechnologieën

13. wijst op het belang van een evaluatie van de mogelijkheden om economieën minder koolstofintensief te maken door de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verkleinen; is van mening dat deze evaluatie gebaseerd moet zijn op technisch en wetenschappelijk onderzoek en dezelfde termijn moet bestrijken als de vastgelegde reductiedoelstellingen; benadrukt dat de EU op dit gebied het goede voorbeeld moet geven door eigen initiatieven te ontwikkelen en de samenwerking met haar internationale partners te bevorderen;

14. onderstreept dat niet-handelen ernstige negatieve en vaak onomkeerbare gevolgen heeft, daar de klimaatverandering alle regio's van de wereld op een andere manier treft maar altijd schade aanricht, met migratiestromen, verlies van mensenlevens en economische, ecologische en maatschappelijke schade als gevolg; benadrukt de betekenis van wetenschappelijke bevindingen als oriëntatie voor de beleidskeuzes voor de lange termijn en onderstreept dat de mate van ambitie gebaseerd zou moeten zijn op solide wetenschappelijke aanbevelingen; onderstreept dat een gezamenlijke wereldwijde politieke en financiële aanzet tot onderzoek, ontwikkeling en innovatie op het gebied van schone en hernieuwbare energietechnologie en energie-efficiëntie van cruciaal belang is om onze klimaatdoelstellingen te bereiken en de groei in groene economiesectoren van de EU te bevorderen, en daarbij te zorgen voor een hoger aantal geschoolde werknemers in deze sector en kennis, inzichten en goede praktijken te verspreiden, en te waarborgen dat een "billijke transitie" van de werknemers kwaliteitsbanen oplevert; benadrukt de noodzaak om de coördinatie en het klimaatrisicobeheer op EU-niveau en wereldwijd te verbeteren en om een duidelijke aanpassingsstrategie te ontwikkelen, en wijst erop hoe belangrijk het is om het ontstaan of inzakken van een koolstofzeepbel te voorkomen;

15. benadrukt dat de EU meer inspanningen moet leveren ten aanzien van de overdracht van technologie aan de minst ontwikkelde landen, onder eerbiediging van de bestaande intellectuele-eigendomsrechten;

16. merkt op dat er in een markteconomie verschillende manieren zijn om innovatie aan te moedigen; verzoekt de Commissie de diverse mechanismen te beoordelen voor het belonen van bedrijven die vooroplopen en zich onderscheiden door hun vermogen om innovatie te genereren en om technologieën wereldwijd te verbreiden en implementeren;

17. is van mening dat uitbreiding van het gebruik van schone-energietechnologieën waar deze het grootste effect sorteren, afhankelijk is van het opbouwen en in stand houden van een sterke innovatiecapaciteit in zowel ontwikkelde als opkomende landen;

18. merkt op dat er meer koolstofarme technologieën moeten worden ontwikkeld en toegepast om de vereiste emissiebeperkingen te realiseren;

19. erkent dat het opbouwen van de technologische capaciteit doeltreffende financieringsmechanismen vereist; benadrukt dat moet worden voorzien in financiering voor klimaatactie in ontwikkelingslanden en herhaalt het verzoek van de Commissie om voorrang voor de armste en kwetsbaarste landen bij de financiering uit het Groen Klimaatfonds; spreekt voorts zijn steun uit aan maatregelen voor een gezamenlijke mobilisatie van middelen uit verschillende openbare en particuliere, bilaterale en multilaterale bronnen; roept de Commissie op om na te gaan of het mogelijk is een aantal emissierechten te reserveren voor financiële steun aan de minst ontwikkelde landen waarmee maatregelen voor matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering kunnen worden gefinancierd;

20. verzoekt om volledige erkenning en ondersteuning van de rollen van het Centrum en netwerk voor klimaattechnologie (CTCN) en het Technisch uitvoerend comité op het gebied van het faciliteren van technologische ontwikkeling voor de matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering;

Wetenschappelijk onderzoek, technologische ontwikkeling en innovatie, met inbegrip van ruimtevaartbeleid

21. wijst erop dat het stimuleren van innovatie op het gebied van technologieën en bedrijfsmodellen een drijvende kracht kan zijn achter zowel economische groei als emissiebeperkingen; benadrukt dat technologie niet automatisch leidt tot minder koolstofuitstoot maar dat hiervoor duidelijke beleidssignalen nodig zijn, waaronder de beperking van markt- en regelgevingsbelemmeringen voor nieuwe technologieën en bedrijfsmodellen, alsmede doelgerichte overheidsuitgaven; moedigt de lidstaten aan om investeringen in door de overheid gefinancierd O&O in de energiesector op te voeren om te helpen de volgende golf van hulpbronnenefficiënte, koolstofarme technologieën mogelijk te maken;

22. erkent het belang van onderzoek en innovatie in de strijd tegen de klimaatverandering en verzoekt de partijen alles in het werk te stellen om onderzoekers te steunen en de nieuwe technologieën te stimuleren die kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van de vast te stellen reductiedoelstellingen en tot de maatregelen voor matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering;

23. moedigt de Commissie aan beter te profiteren van het feit dat het Horizon 2020-programma volledig openstaat voor de deelname van derde landen, met name op het gebied van energie en klimaatverandering;

24. is van mening dat het ruimtevaartbeleid van de EU en de investeringen in dit beleid, met inbegrip van de lancering van satellieten, die een belangrijke rol spelen in de monitoring van industriële ongevallen, ontbossing, woestijnvorming enz., en de samenwerking met partners in derde landen een belangrijke rol kunnen spelen in de wereldwijde monitoring en aanpak van de gevolgen van klimaatverandering;

Energie

25. benadrukt dat de EU in Parijs alles in het werk moet stellen om de partijen te betrekken bij een holistische benadering die een verlaging van de uitstoot combineert met een nieuw energiemodel dat op energie-efficiëntie en hernieuwbare energie is gebaseerd;

26. wijst op de enorme mogelijkheden om de emissies terug te dringen door middel van een verbeterde energie-efficiëntie en het gebruik van schone energie; is van mening dat het maximaliseren van de efficiëntie van het energieverbruik in de wereld de eerste stap is op weg naar het beperken van energiegerelateerde emissies, terwijl zo tegelijkertijd wordt bijgedragen tot het verlichten van de energie-armoede;

27. vraagt om inclusieve participatie van lokale gemeenschappen die nadelige gevolgen ondervinden van de hieraan gerelateerde matigings- en aanpassingsprocessen en -projecten; onderstreept het belang van decentralisatie van de energieproductie, met name door lokale coöperaties, projecten van burgers op het gebied van hernieuwbare energie en op het meer zelf produceren en consumeren van energie gerichte activiteiten te ondersteunen, waardoor de transitie van een economisch systeem op basis van fossiele brandstoffen naar een systeem op basis van hernieuwbare energie wordt bevorderd;

28. benadrukt het grote potentieel voor absorptie van koolstofemissies van klimaatbestendige bossen door verbeterde vastlegging, opslag en vervanging; wijst voorts op het potentieel van bio- en houtproducten, en met name van een duurzame bio-energiesector, alsmede op het belang van bossen en ander grondgebruik bij behoud en uitbreiding van koolstofvastlegging en -opslag; wijst erop dat biomassa als brandstof voor energieopwekking in combinatie met technologieën voor CO2-afvang en -opslag (CCS) kan leiden tot aanzienlijke beperking van de koolstofemissies; dringt erop aan hernieuwbare grondstoffen, bijvoorbeeld uit landbouw, grasland en bosbouw, te erkennen om hun emissiereducerende eigenschappen en hun bijdrage aan groene groei en het koolstofarmer maken van de economie, en daarom te stimuleren; merkt op dat de totale koolstofuitstoot van bossen tussen 2001 en 2015 met meer dan 25% is afgenomen, met name vanwege de vertraging van de wereldwijde ontbossing, en verzoekt de EU daarom de internationale financiering voor het terugdringen van ontbossing in ontwikkelingslanden op te schroeven; merkt op dat het nodig is om een eenvoudig, transparant en samenhangend boekhoudkundig kader op te zetten voor emissies en verwijdering in de sectoren landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF);

29. herinnert eraan dat het na de energiesector de vervoersector is die de meeste broeikasgasemissies veroorzaakt; wijst op de noodzaak om een reeks beleidsmaatregelen in te voeren om de emissies van deze sector terug te dringen, en op de noodzaak van ambitieuzere EU-initiatieven voor de ontwikkeling en invoering van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen teneinde productie en gebruik van geavanceerde biobrandstoffen verder te stimuleren en de elektrificatie van het vervoer te bespoedigen;

30. benadrukt het belang van investeringen in infrastructuur die samen met de lidstaten wordt ontwikkeld, teneinde de vrije handel in energie over de grenzen heen te vergemakkelijken;

31. is verheugd over de inspanningen op het gebied van samenwerking tussen de EU en het Amerikaanse ministerie van Energie, met name ten aanzien van onderzoek naar technologieën met betrekking tot klimaatverandering; is van mening dat er veel mogelijkheden zijn voor verdere samenwerking op het gebied van onderzoek tussen de EU en andere belangrijke economieën; onderstreept dat de resultaten van door de overheid gefinancierd onderzoek gratis beschikbaar moeten worden gemaakt;

32. dringt er bij de Commissie op aan zich bij het bepalen van haar onderhandelingspositie te laten inspireren door het Burgemeestersconvenant, aangezien steden, regio's en lokale gemeenschappen een belangrijke rol zullen spelen bij het waarborgen van een doeltreffende uitvoering van wetgeving en maatregelen inzake klimaatactie op lokaal niveau;

33. merkt op dat de bio-economie aanzienlijk kan bijdragen tot de herindustrialisering en het creëren van nieuwe banen in de EU en de rest van de wereld;

34. merkt op dat de overeenkomst rekening moet houden met het potentieel van de sector landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) om bij te dragen tot de EU-doelstelling inzake vermindering van de broeikasgasemissies van ten minste 40 % voor 2030 ten opzichte van de niveaus van 1990;

35. verzoekt de Franse regering om als teken van goede wil serieuze onderhandelingen te voeren met het Europees Parlement over het streven naar één zetel, teneinde de grote CO2-uitstoot als gevolg van het feit dat het Europees Parlement zowel in Brussel als in Straatsburg zetelt, te verminderen(3);

36. is verheugd over de toezegging van de VS en China dat zij een grotere rol voor het klimaat op wereldniveau willen gaan spelen; is hoopvol gestemd dat deze signalen zullen bijdragen tot een positief en ambitieus resultaat in Parijs en dringt er bij deze twee landen op aan dat zij deze toezegging omzetten in concrete maatregelen; wijst op de sociale, economische en milieuvoordelen van vaste bindende afspraken wereldwijd voor het concurrentievermogen van de economie in de EU, en vindt dat de EU een grotere rol zou moeten spelen in de bevordering van de transitie naar een wereldwijd systeem van afspraken en concrete procedures ter bestrijding van de klimaatverandering; wijst erop dat een dergelijke verbintenis, die op de lange termijn een echte meerwaarde biedt voor alle burgers, bijdraagt tot versterkte internationale betrekkingen gericht op langdurige vrede, solidariteit en duurzaamheid; betreurt het dat in sommige ontwikkelde landen de emissies per hoofd van de bevolking blijven toenemen;

37. wijst de partijen en de VN erop dat individuele actie net zo belangrijk is als maatregelen van overheden of instellingen; vraagt daarom dat er meer wordt ingezet op campagnes of acties voor bewustmaking en voorlichting van de bevolking over de kleine en grote stappen die zowel in de ontwikkelde landen als in de ontwikkelingslanden kunnen helpen om de klimaatverandering tegen te gaan.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

7.9.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

41

13

7

Bij de eindstemming aanwezige leden

Zigmantas Balčytis, Bendt Bendtsen, David Borrelli, Reinhard Bütikofer, Jerzy Buzek, Soledad Cabezón Ruiz, Philippe De Backer, Peter Eriksson, Fredrick Federley, Adam Gierek, Juan Carlos Girauta Vidal, Theresa Griffin, Marek Józef Gróbarczyk, Roger Helmer, Hans-Olaf Henkel, Eva Kaili, Kaja Kallas, Barbara Kappel, Krišjānis Kariņš, Seán Kelly, Jeppe Kofod, Paloma López Bermejo, Ernest Maragall, Edouard Martin, Dan Nica, Angelika Niebler, Aldo Patriciello, Morten Helveg Petersen, Miroslav Poche, Michel Reimon, Herbert Reul, Paul Rübig, Algirdas Saudargas, Jean-Luc Schaffhauser, Sergei Stanishev, Neoklis Sylikiotis, Dario Tamburrano, Evžen Tošenovský, Claude Turmes, Miguel Urbán Crespo, Vladimir Urutchev, Adina-Ioana Vălean, Kathleen Van Brempt, Henna Virkkunen, Martina Werner, Anna Záborská, Flavio Zanonato, Carlos Zorrinho

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Michał Boni, Lefteris Christoforou, Cornelia Ernst, Francesc Gambús, Jens Geier, Jude Kirton-Darling, Janusz Korwin-Mikke, Clare Moody, Luděk Niedermayer, Piernicola Pedicini, Massimiliano Salini, Anneleen Van Bossuyt

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Jozo Radoš

(1)

"Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet" (COM(2012)0710)

(2)

Gegevens van Eurostat voor de sector milieugoederen en -diensten als vermeld in "Een beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020-2030" (COM (2014) 0015).

(3)

De totale CO2-uitstoot als gevolg van de verplaatsing naar Straatsburg bedraagt ten minste 18 884,5 ton per jaar. Een besluit om voor een enkele zetel te kiezen (alleen in Brussel) zou volgens een door het Europees Parlement in opdracht gegeven studie van Eco-Logica Ltd. van september 2007 naar de milieukosten van het handhaven van twee EP-zetels dus leiden tot een vermindering van de CO2-uitstoot met bijna 19 000 ton per jaar.


ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken (1.9.2015)

aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

op weg naar een nieuwe internationale klimaatovereenkomst in Parijs

(2015/2112(INI))

Rapporteur voor advies: Dubravka Šuica

SUGGESTIES

De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  onderstreept dat, overeenkomstig artikel 3, lid 5, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), de EU in de betrekkingen met de rest van de wereld bijdraagt tot de solidariteit en de duurzame ontwikkeling van de aarde, alsook tot de strikte eerbiediging en ontwikkeling van het internationaal recht; wijst erop dat, overeenkomstig artikel 191, lid 1, van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie (VWEU), het beleid van de EU op milieugebied bijdraagt tot de bevordering van maatregelen op internationaal vlak ter bestrijding van de klimaatverandering;

2.  onderkent het cruciale belang van een stabiel klimaatsysteem voor voedselveiligheid, energieproductie, water en sanitaire voorzieningen, infrastructuur, de instandhouding van biodiversiteit en terrestrische en mariene ecosystemen, en voor vrede en welvaart in de wereld; onderkent het gevaar van daadloosheid met betrekking tot het beperken van de klimaatverandering, en onderstreept dat er dringend een akkoord moet worden bereikt op de 21e Conferentie van de Partijen (COP21) bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) die in Parijs zal worden gehouden (de klimaatconferentie van Parijs);

3.  erkent het belang van maatregelen tegen de klimaatverandering en tegen de potentiële bedreiging die ervan uitgaat voor de stabiliteit en de veiligheid, alsook het belang van klimaatdiplomatie in de aanloop naar de klimaatconferentie van Parijs; vraagt de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) het diplomatiek overleg over klimaatdoelstellingen te intensiveren teneinde steun te verwerven voor een alomvattende, ambitieuze, transparante, dynamische en juridisch bindende overeenkomst om de opwarming van de aarde tot 2°C te beperken; wijst, in overeenstemming met de klimaatverplichtingen en internationale verplichtingen en de beginselen van het UNFCCC, op het gewicht van de EU als belangrijke speler in de klimaatdiplomatie, en benadrukt dat zij met één stem moet spreken; vraagt in dit verband dat het overleg binnen Europa wordt geïntensiveerd teneinde met een gemeenschappelijk standpunt te komen, met name over de hoofdpunten van de onderhandelingen; vraagt de lidstaten hun standpunten ter zake te coördineren met die van de EU; onderstreept dat de EU en de lidstaten op het vlak van buitenlands beleid over enorme capaciteiten beschikken, op het vlak van klimaatdiplomatie leiderschap moeten tonen, en dit netwerk moeten benutten om overeenstemming te bereiken over de belangrijkste onderwerpen waarover in Parijs een akkoord moet worden gesloten, namelijk mitigatie, aanpassing, financiering, ontwikkeling en overdracht van technologie, transparantie van de maatregelen en de ondersteuning, en opbouw van capaciteit; vraagt de partijen die bij de milieuaspecten van EU-handelsbesprekingen, in het bijzonder de lopende onderhandelingen over het trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen (TTIP), betrokken zijn, rekening te houden met de conclusies van de klimaatconferentie van Parijs;

4.  benadrukt dat klimaatdiplomatie een integrerend deel uitmaakt van de alomvattende aanpak van het externe optreden van de EU; erkent dat de klimaatverandering zich in sommige landen sterker zal doen voelen dan in andere, waarbij de minst ontwikkelde landen onevenredig zwaar zullen worden getroffen vanwege het gebrek aan middelen voor mitigatie en aanpassing; erkent dat de veranderingen in het Noordpoolgebied een belangrijk gevolg van de klimaatverandering voor de veiligheid van de EU zijn; pleit voor een preventiebeleid ten aanzien van de klimaatverandering en voor een debat over een vooruitziende strategie op EU-niveau om met de strategische en politieke gevolgen van door het klimaat veroorzaakte geopolitieke instabiliteit om te gaan, zodat de EU op conflicten rond hulpbronnen kan reageren door intensiever te gaan samenwerken met de landen die het hardst getroffen worden door de gevolgen van de klimaatverandering;

5.  gelooft dat het Parlement zijn rol en invloed in internationale parlementaire netwerken moet gebruiken opdat er meer inspanningen worden geleverd om in Parijs tot een ambitieuze en juridisch bindende overeenkomst te komen;

6.  is ingenomen met het actieplan voor klimaatdiplomatie, waarin staat dat de EDEO, de Commissie en de lidstaten gedurende 2015 samen een strategisch, coherent en samenhangend klimaatdiplomatieplan ten uitvoer moeten leggen; wijst erop dat de Raad Buitenlandse Zaken in zijn conclusies van juli 2011 en juni 2013 zijn steun heeft uitgesproken voor de gezamenlijke "non-papers" van de EDEO en de Commissie, waarin drie actiegebieden worden vastgesteld, en onderstreept dat het actieplan een integrerend deel van deze strategie moet vormen; onderstreept dat de EDEO een cruciale rol kan spelen bij het naar voren brengen van de EU-standpunten voorafgaand aan en tijdens de klimaatveranderingsconferentie in Parijs, alsook bij het tot stand brengen van wederzijds begrip bij alle betrokken partijen over de wijze waarop internationale steun kan worden verkregen voor klimaatbestendige ontwikkeling;

7.  onderstreept het belang van overleg tussen de EU en de nationale parlementen, de plaatselijke overheden, het maatschappelijk middenveld, de particuliere sector en de media binnen en buiten de EU, aangezien deze actoren een steeds grotere rol spelen in het klimaatdebat; gelooft dat dit overleg zal bijdragen aan een transparante en inclusieve overeenkomst;

8.  onderstreept dat het actieplan duidelijk omschreven doelstellingen en strategieën voor de verwezenlijking daarvan moet omvatten;

9.  benadrukt dat de mensenrechten centraal moeten blijven staan in het klimaatbeleid en dringt erop aan dat de Commissie en de lidstaten erop toezien dat in de overeenkomst van Parijs wordt erkend dat de eerbiediging, bescherming en bevordering van de mensenrechten, waaronder gendergelijkheid, volledige en gelijke participatie van vrouwen, alsmede de actieve bevordering van een billijke transitie voor de werknemers, met fatsoenlijk werk en kwaliteitsbanen voor iedereen, voorwaarden zijn voor een doeltreffend mondiaal klimaatbeleid;

10. wijst erop dat de partijen bij het UNFCCC tijdens de COP 18 hebben besloten (besluit 23/CP.18) genderevenwicht na te streven binnen de instanties die krachtens het UNFCCC en het Protocol van Kyoto zijn opgericht, teneinde de participatie van vrouwen te verbeteren, te komen tot een doeltreffender klimaatveranderingsbeleid dat evenzeer tegemoetkomt aan de behoeften van vrouwen als aan die van mannen, en te monitoren hoeveel vooruitgang er met de bevordering van een genderbewust klimaatbeleid is geboekt in de richting van de doelstelling van genderevenwicht;

11. vraagt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid strategische prioriteiten te ontwikkelen voor het externe klimaatbeleid dat is vastgelegd in de algemene doelstellingen voor het buitenlands beleid, en erop toe te zien dat de EU-delegaties meer aandacht gaan besteden aan het klimaatbeleid, het monitoren van de inspanningen die landen leveren op het vlak van mitigatie en aanpassing, en aan het verlenen van steun voor capaciteitsopbouw, en dat zij over de nodige middelen beschikken om maatregelen in verband met klimaatmonitoren te nemen; roept de EU op om nauwer met de buurlanden en kandidaat-lidstaten samen te werken rond klimaatkwesties, en er bij die landen op aan te dringen hun beleid af te stemmen op de klimaatdoelstellingen van de EU; verzoekt de lidstaten en de EDEO bij de EU-delegaties en de ambassades van de lidstaten aanspreekpunten voor klimaatverandering aan te wijzen;

12. herinnert eraan dat de klimaatverandering naar verwachting in alle ontwikkelingslanden tot aanzienlijke veranderingen in de migratiepatronen zal leiden; vraagt de EU gemeenschappen in de ontwikkelingslanden, en met name de minst ontwikkelde landen, steun te verlenen om zich aan de klimaatverandering aan te passen en hun weerbaarheid tegen milieurisico's te vergroten;

13. onderstreept dat het thema klimaatverandering een integrerend deel van het ontwikkelingsbeleid moet uitmaken en dat er rekening mee moet worden gehouden bij het plannen van humanitaire hulp en het vaststellen van het budget voor ontwikkelingshulp.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

31.8.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

49

4

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Michèle Alliot-Marie, Petras Auštrevičius, Elmar Brok, Klaus Buchner, James Carver, Fabio Massimo Castaldo, Lorenzo Cesa, Arnaud Danjean, Mark Demesmaeker, Georgios Epitideios, Knut Fleckenstein, Eugen Freund, Michael Gahler, Iveta Grigule, Sandra Kalniete, Manolis Kefalogiannis, Janusz Korwin-Mikke, Andrey Kovatchev, Eduard Kukan, Ilhan Kyuchyuk, Arne Lietz, Barbara Lochbihler, Sabine Lösing, Andrejs Mamikins, David McAllister, Tamás Meszerics, Demetris Papadakis, Alojz Peterle, Tonino Picula, Andrej Plenković, Cristian Dan Preda, Jozo Radoš, Jacek Saryusz-Wolski, Jaromír Štětina, Charles Tannock, Eleni Theocharous, László Tőkés, Johannes Cornelis van Baalen, Geoffrey Van Orden

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Daniel Caspary, Neena Gill, Ana Gomes, Liisa Jaakonsaari, Anneli Jäätteenmäki, Othmar Karas, Antonio López-Istúriz White, Norbert Neuser, Urmas Paet, Gilles Pargneaux, Jean-Luc Schaffhauser, Helmut Scholz, Paavo Väyrynen, Janusz Zemke

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Heidi Hautala, Jutta Steinruck


ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (10.9.2015)

aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

op weg naar een nieuwe klimaatovereenkomst in Parijs

(2015/2112(INI))

Rapporteur voor advies: Anna Záborská

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  onderstreept dat uit het meest recente evaluatieverslag van de Intergouvernementele Werkgroep over klimaatverandering (IPCC) blijkt dat de opwarming van ons klimaatsysteem onmiskenbaar is en dat menselijke activiteiten de belangrijkste oorzaak zijn van de sinds het midden van de twintigste eeuw waargenomen opwarming; benadrukt dat klimaatverandering een grote bedreiging vormt voor ontwikkelingslanden, met name de minst ontwikkelde landen en kleine insulaire ontwikkelingslanden; merkt op dat de broeikasgasemissies van de meest kwetsbare landen gering zijn, en dat deze landen daarom niet verantwoordelijk zijn voor de situatie waar zij zich in bevinden; dringt er derhalve op aan dat in de overeenkomst van Parijs sterk de nadruk wordt gelegd op steun voor mitigatie- en aanpassingsmaatregelen voor minder ontwikkelde landen middels de overdracht en financiering van technologie, met bijzondere aandacht voor het uitbannen van armoede en ongelijkheid en voor duurzaamheid;

2.  onderstreept dat klimaatverandering een belemmering zal vormen voor de verwezenlijking van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling en dat de vorderingen op het gebied van ontwikkeling teniet kunnen worden gedaan als de opwarming van de aarde niet met 2 °C wordt beperkt, zoals overeengekomen tijdens de conferentie van Kopenhagen over klimaatverandering, rekening houdende met het feit dat een opwarming van 2 °C ook al tot aanzienlijke verliezen en schade aan milieu en gemeenschappen zou leiden, bestaande kwetsbaarheden zou kunnen verergeren en een escalatie van humanitaire crises in de hand zou kunnen werken;

3.  vestigt de aandacht op het recente rapport over de aanpassingskloof van het UNEP waarin wordt geschat dat de kosten van de aanpassing aan de klimaatverandering tegen 2050 alleen al in Afrika 50 miljard USD zullen bedragen, zelfs wanneer ervan wordt uitgegaan dat dankzij internationale inspanningen de aardopwarming in deze eeuw onder de 2 °C blijft; is van oordeel dat, zelfs indien alle kosteneffectieve aanpassingen worden verwezenlijkt, verdere "restschade" ontstaat waar aanpassingen niet langer mogelijk zijn; erkent dat door deze restschade de aanpassingskosten in de periode 2030-2050 zullen verdubbelen;

4.  wijst op de verbanden tussen broeikasgasemissies, klimaatverandering en abnormale weersomstandigheden, en de frequentie en ernst van natuurrampen, bodemdegradatie, voedselcrises, steeds moeilijkere toegang tot drinkwater, grootschalige migratiestromen en conflicten; wijst erop dat dergelijke verschijnselen een negatief effect hebben op de wereldwijde inspanningen om de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling te behalen, en een grotere weerslag hebben op de armere en kwetsbare bevolkingsgroepen;

5.  onderstreept de noodzaak tijdens de COP21 in Parijs een gemeenschappelijk systeem voor een boekhouding van broeikasgasemissies op te zetten om ervoor te zorgen dat de uitvoering van de nationale bijdragen transparant en kwantificeerbaar is;

6.  benadrukt dat het, met het oog op het beperken van de broeikasgasemissies in ontwikkelingslanden, noodzakelijk is om mechanismen tot stand te brengen waardoor het gebruik van hernieuwbare energiebronnen toeneemt, en de energie-efficiëntie en het gebruik van industriële hulpbronnen met geen of weinig CO2-uitstoot worden verbeterd;

7.  onderstreept de absolute noodzaak om in de ontwikkelingslanden de capaciteiten op het gebied van preventie, weerstandsvermogen, de beperking van de risico's van natuurrampen en aanpassing te versterken; dringt erop aan dat deze uitdagingen tot topprioriteit worden gemaakt in het beleid op het gebied van infrastructuur, stedenbouw, landbouw en investeringen, en dat in de strijd tegen de klimaatverandering de nodige technologieën worden ontwikkeld;

8.  stelt bezorgd vast dat tussen 2008 en 2013 166 miljoen mensen gedwongen werden hun huis te verlaten vanwege overstromingen, stormen, aardbevingen en andere rampen; vestigt bijzondere aandacht op het feit dat de klimaatgerelateerde ontwikkelingen in delen van Afrika een escalatie van de vluchtelingencrisis in het Middellandse Zeegebied in de hand kunnen werken; betreurt dat de status van 'klimaatvluchteling' nog niet is erkend, en aldus een juridische lacune ontstaat ten nadele van de slachtoffers die niet van de vluchtelingenstatus kunnen profiteren;

9.  onderstreept hoe belangrijk het is de wederopbouw na natuurrampen te versterken en herinnert eraan dat mechanismen moeten worden ingevoerd om het hoofd te bieden aan de verliezen en de schade die door de klimaatverandering en de natuurrampen in de ontwikkelingslanden worden veroorzaakt;

10. dringt erop aan dat ontwikkelde en ontwikkelingslanden zich gezamenlijk inspannen om de wereldwijde klimaatverandering aan te pakken met inachtneming van het beginsel van gezamenlijke, maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden; benadrukt dat de EU haar streven naar een juridisch bindende internationale overeenkomst waarbij zoveel mogelijk landen betrokken zijn – met inbegrip van de landen met de hoogste uitstoot – moet intensiveren, om ervoor te zorgen dat er meer inspanningen op het gebied van mitigatie en aanpassing worden geleverd; is van mening dat innovatieve bronnen, zoals koolstoftarieven voor internationaal vervoer en toewijzingen van inkomsten uit een heffing op financiële transacties, zouden helpen om aan de toenemende financiële behoeften voor een wereldwijde aanpak van de klimaatverandering te voldoen;

11. dringt aan op een geconcentreerde inspanning tegen landroof middels de bevordering van toereikende waarborgen ter voorkoming hiervan, aangezien de verandering in het bodemgebruik alleen elk jaar goed is voor circa 20 % van de koolstofdioxide-emissies in de wereld, en niet-duurzame landbouwpraktijken bijdragen tot klimaatverandering, de voedselveiligheid in gevaar brengen en het milieu vervuilen;

12. dringt erop aan dat ontwikkelde en ontwikkelingslanden zich gezamenlijk extra inspannen om de wereldwijde klimaatverandering aan te pakken, met inachtneming van het beginsel van gezamenlijke, maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden; beklemtoont dat de gefluoreerde broeikasgassen bij deze inspanningen niet over het hoofd mogen worden gezien, aangezien deze gassen een sleutelrol vervullen in de klimaatverandering, en dat tijdens de Conferentie van Parijs een wettelijk bindende overeenkomst moet worden bereikt die van toepassing is op alle landen; onderstreept hoe belangrijk het is te zorgen voor toereikende, stabiele en voorspelbare klimaatfinanciering en voor een passend evenwicht tussen aanpassing en mitigatie;

13. benadrukt dat het, met het oog op het beperken van de broeikasgasemissies in ontwikkelingslanden, noodzakelijk is om mechanismen tot stand te brengen waarmee het gebruik van alternatieve en efficiënte energiebronnen wordt verhoogd; moedigt de ontwikkelingslanden aan om te investeren in kleinschalige, niet aan het net gekoppelde en gedecentraliseerde projecten voor hernieuwbare energie; pleit voor hogere EU-steun voor dergelijke productie en voor energie-efficiëntie, alsook voor duurzame visserij en landbouw met de nadruk op kleinschalige boeren, gewasdiversificatie, boslandbouw en agro-ecologische werkwijzen, met inbegrip van opleidingsondersteuning in plattelandsgemeenschappen; is ervan overtuigd dat actie op al deze gebieden aanzienlijk kan bijdragen aan mitigatie van en aanpassing aan de klimaatverandering, en aan rampenrisicovermindering;

14. bevestigt dat een doeltreffende aanpak van de klimaatkwestie voor de EU en andere spelers op het internationale toneel een strategische prioriteit moet vormen, en dat dit inhoudt dat klimaatactie een vast onderdeel moet worden van alle beleidsterreinen en dat naar beleidscoherentie moet worden gestreefd; acht het belangrijk dat de EU op alle gebieden en in alle sectoren koolstofarme ontwikkelingstrajecten bevordert, en verzoekt de EU duurzame productie- en consumptiepatronen voor te stellen, met inbegrip van indicaties voor manieren waarop de EU de consumptie wil beperken en economische activiteiten wil loskoppelen van de aantasting van het milieu; roept de EU ertoe op tijdens de Conferentie van Parijs een leidende rol op zich te nemen en aan te dringen op concrete maatregelen om de 2ºC-doelstelling te behalen;

15. wijst erop dat de verstrekking van klimaatfinanciering in het kader van de overeenkomst van Parijs van cruciaal belang is; herhaalt zijn verzoek aan de EU en de ontwikkelde landen om zich te houden aan hun toezegging om nieuwe en bijkomende klimaatmaatregelen te financieren uit publieke en particuliere bilaterale en multilaterale bronnen, ten bedrage van 100 miljard USD per jaar tegen 2020; merkt op dat de officiële ontwikkelingshulp minstens evenredig met de klimaatfinanciering moet toenemen om aan het beginsel van additionaliteit te voldoen; erkent de rol van particuliere klimaatfinanciering, die echter niet in de plaats moet komen van openbare financiering maar deze moet aanvullen, en wijst op de behoefte aan transparante verslaglegging en verantwoordingsplicht en aan sociale en milieuwaarborgen;

16. steunt het gebruik van vernieuwende bronnen van klimaatfinanciering en de regeling voor de emissiehandel; dringt aan op een gemeenschappelijke toezegging in de overeenkomst van Parijs om de subsidies voor fossiele brandstoffen geleidelijk af te bouwen, vergezeld van tijdsschema's;

17. doet een beroep op de EU en de ontwikkelde landen om hun financiering voor mitigatie, aanpassing, de ontwikkeling en overdracht van technologie en de capaciteitsopbouw in ontwikkelingslanden te verhogen; herhaalt zijn verzoek aan de EU en de ontwikkelde landen om zich te houden aan hun gemeenschappelijke toezegging om nieuwe en bijkomende klimaatmaatregelen te financieren, uit publieke en particuliere bilaterale en multilaterale bronnen, ten bedrage van 100 miljard USD tegen 2020; doet te dien einde een beroep op de EU om haar financiële steun voor klimaatactie in ontwikkelingslanden te verhogen door nieuwe financieringsbronnen aan te boren, zoals veilinginkomsten in het kader van de regeling voor de handel in emissierechten, belasting op financiële transacties en heffingen op emissies van fossiele brandstoffen door de internationale luchtvaart en het zeevervoer; onderstreept dat een afzonderlijke boekhouding voor de klimaatfinanciering nodig is om de additionaliteit van financiële verbintenissen in het oog te houden; benadrukt eveneens dat de eigen verantwoordelijkheid van landen en de opneming van klimaatdoelstellingen in de nationale ontwikkelingsstrategieën van essentieel belang zijn voor een doeltreffend gebruik van een klimaatfinanciering die is gekoppeld aan energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen; moedigt de EU aan voor de nodige middelen te zorgen om in deze problematiek een voortrekkersrol te kunnen vervullen;

18. steunt een wereldwijd financieringsdoel voor mitigatie en aanpassing op basis van nationale regionale aanpassingsplannen om te helpen de kloof in doeltreffendheid te dichten en te zorgen voor een strategie inzake rampenrisicovermindering, zoals vermeld in het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering;

19. onderstreept dat, overeenkomstig het beginsel van beleidssamenhang ten aanzien van ontwikkeling, overheidsstimulansen voor de productie van op voedselteelten gebaseerde biobrandstoffen (zoals het bindende streefcijfer van de EU van 10 % hernieuwbare energie in het vervoer of subsidies) moeten worden afgeschaft, aangezien dergelijke maatregelen kunnen leiden tot een toename van de ontbossing, die reeds verantwoordelijk is voor 20 % van de broeikasgasemissies, en tot andere veranderingen van het bodemgebruik en landroof, hetgeen gevolgen heeft voor het recht op voedsel in derde landen;

20. acht het van belang ervoor te zorgen dat het Groen Klimaatfonds als een instelling fungeert, die voorrang verleent aan de behoeften van de door de klimaatverandering getroffen mensen in ontwikkelingslanden, die uitsluitend in het openbaar belang handelt en zich slechts met particuliere bedrijven en financiers inlaat voor zover deze de naleving van strenge milieu-, sociale en mensenrechtennormen waarborgen, die solide en transparante processen toepast en die overeenkomsten verbiedt met actoren uit de particuliere sector die betrokken zijn bij het witwassen van geld, belastingontduiking en -ontwijking, fraude en corruptie;

21. roept de grote ontwikkelde economieën ertoe op hun bestaande geavanceerde infrastructuur aan te wenden om de duurzame groei te bevorderen, te verbeteren en te ontwikkelen en zich ertoe te verbinden ontwikkelingslanden te steunen bij het opbouwen van hun eigen capaciteit, om te helpen verzekeren dat er in de toekomst in alle delen van de wereld economische groei zal plaatsvinden, zonder bijkomende kosten voor het milieu;

22. onderstreept dat de ontwikkelingsgemeenschap, de Organisatie voor ontwikkeling en samenwerking in Europa (OESO) en de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de OESO een belangrijke rol hebben te vervullen door nauw met belanghebbenden en relevante organisaties samen te werken aan de evaluatie en mitigatie van de ernstigste door de mens veroorzaakte effecten van de klimaatverandering, die hoogstwaarschijnlijk – zelfs wanneer de opwarming tot maximaal 2 ºC beperkt blijft – problematisch zullen zijn;

23. erkent de gevolgen van koolstofrijke voedselbronnen en daarmee verband houdende landbouwemissies, zoals methaan en distikstofoxyde, en stelt voor deze aan te pakken; dringt tevens aan op maatregelen tegen de ontbossing die het gevolg is van het veranderde bodemgebruik ten behoeve van veevoeder en weiden, teneinde de emissies die verband houden met voedselbronmarkten te voorkomen; dringt aan op maatregelen om het bewustzijn van de gevolgen voor het klimaat van belastende voedselproductiemethoden te vergroten en om bedrijven en mensen te helpen hun gedrag te veranderen; dringt erop aan dat begeleidende maatregelen, met inbegrip van maatregelen tot terugdringing van voedselverspilling, deel uitmaken van nationale mitigatieplannen, vooral in de landen waar de consumptie boven het gemiddelde ligt.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

3.9.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

19

0

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Beatriz Becerra Basterrechea, Ignazio Corrao, Doru-Claudian Frunzulică, Charles Goerens, Maria Heubuch, Stelios Kouloglou, Linda McAvan, Norbert Neuser, Lola Sánchez Caldentey, Elly Schlein, György Schöpflin, Pedro Silva Pereira, Davor Ivo Stier, Rainer Wieland, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Seb Dance, Brian Hayes

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Soledad Cabezón Ruiz, Constance Le Grip, Ivana Maletić, Jutta Steinruck, Axel Voss


ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme (16.7.2015)

aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

op weg naar een nieuwe internationale klimaatovereenkomst in Parijs

(2015/2112(INI))

Rapporteur voor advies: Bas Eickhout

SUGGESTIES

De Commissie vervoer en toerisme verzoekt de ten principale bevoegde Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie en de doelstellingen van de EU-bijdrage aan de COP 21-klimaatconferentie die in december 2015 in Parijs zal worden gehouden; benadrukt dat zowel de Commissie als de lidstaten de vervoersector tijdens de conferentie zichtbaarder moeten maken door onder meer te wijzen op initiatieven zoals de "Agenda van oplossingen", en het voortouw moeten nemen om tot een transparante en bindende internationale overeenkomst te komen waarbij de rol van niet-overheidsactoren wordt erkend; roept de Commissie op actief initiatieven te ondersteunen op het gebied van duurzame stedelijke mobiliteit en openbaar vervoer in het kader van de conferentie;

2.  verzoekt de Commissie haar steun en deskundigheid ter beschikking te stellen van de partijen van de COP 21-conferentie, zodat zij hun nationale bijdragen kunnen leveren en tegelijkertijd het bewustzijn kunnen vergroten over de rol van de vervoersector bij de ontwikkeling van omvattende strategieën om de broeikasgasemissies te verminderen;

3.  erkent dat de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) zich inzet voor de ontwikkeling van een mondiaal marktmechanisme om de emissies van de luchtvaart terug te brengen; betreurt echter het gebrek aan vooruitgang en ambitie tot nu toe; wijst op het feit dat er wereldwijd overeengekomen regels binnen de ICAO en de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) nodig zijn om de CO2-emissiedoelstellingen voor de lucht- en zeevaart te halen; verzoekt alle partijen daarom om zich vast te leggen op een instrument en maatregelen met een doeltreffend en structureel karakter om de verlaging van CO2-emissies van de luchtvaart te garanderen; roept de IMO op haar inspanningen op te voeren teneinde tot een overeenkomst te komen om de emissies van de internationale scheepvaart tegen eind 2016 doeltreffend te reguleren en te verlagen;

4.  wil dat het protocol van Parijs doelstellingen voor de verlaging van broeikasgasemissies omvat, die stroken met een wereldwijd koolstofbudget dat beantwoordt aan de 2°C- doelstelling voor het internationale lucht- en zeevervoer, en verzoekt alle partijen, met inbegrip van de Commissie en de lidstaten, zich in het kader van het protocol van Parijs als topprioriteit te houden aan mondiale, gekwantificeerde doelstellingen voor de verlaging van broeikasgassen, en om in het kader van de ICAO en de IMO vóór eind 2016 overeenstemming te bereiken over een geloofwaardig instrument op basis waarvan de nodige reducties kunnen worden verwezenlijkt; wijst erop dat rekening moet worden gehouden met de specifieke situatie van eilandgebieden en ultraperifere gebieden, om ervoor te zorgen dat de milieuprestaties geen gevolgen hebben voor de mobiliteit en de toegankelijkheid van deze gebieden in het bijzonder;

5.  erkent dat, overeenkomstig het vijfde evaluatieverslag van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering, het mondiale koolstofbudget waarbij de temperatuurstijging waarschijnlijk kan worden beperkt tot minder dan 2°C, vereist dat de mondiale cumulatieve emissies tussen 2011 en 2100 binnen een bereik van 1 010 Gton CO2 blijven;

6.  is van mening dat de algemene klimaatdoelstellingen onmogelijk verwezenlijkt kunnen worden als er niet meer nadruk wordt gelegd op de verlaging van de emissies van de vervoersector, aangezien dat de enige sector is waarin de broeikasgasemissies blijven stijgen (30 % in de afgelopen 25 jaar); benadrukt dat dit alleen bereikt kan worden met bindende doelstellingen voor de verlaging van broeikasgassen, in combinatie met de volledige integratie van hernieuwbare energie op de markt, een technologisch neutrale aanpak van de overstap naar een koolstofarme economie, en een volledig geïntegreerd vervoers- en investeringsbeleid dat zowel modal shift als technologische vooruitgang en verkeersvermijdingbeleid (bijv. groene logistiek en geïntegreerd mobiliteitsbeheer) omvat;

7.  wijst erop dat 94 % van het vervoer - vooral het weg-, lucht- en zeevervoer - afhankelijk is van fossiele brandstoffen en dat er daarom met spoed maatregelen moeten worden genomen om vaart te zetten achter de verwezenlijking van de doelstellingen van het witboek (uiterlijk 2030) met betrekking tot hernieuwbare brandstoffen, elektriciteit en koolstofarme alternatieven; is van oordeel dat de verbetering van de energie-efficiëntie van vervoer een van de topprioriteiten moet zijn van het Europese vervoersbeleid; benadrukt het belang van een krachtige ontwikkeling van de distributiekanalen van nieuwe duurzame en emissievrije energiebronnen, teneinde de ambitieuze overgang naar duurzamere energie te ondersteunen en de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en geïmporteerde energie te verminderen;

8.  wijst erop dat ruim de helft van de wereldbevolking in steden leeft en dat stedelijk vervoer een belangrijke bijdrage levert aan de broeikasgasemissies van de vervoersector; dringt er derhalve bij de Commissie en de lidstaten op aan actief het bewustzijn te vergroten over de rol van duurzame stedelijke mobiliteit bij het nakomen van de mitigatieverplichtingen; benadrukt dat verantwoordelijk grondgebruik, goede planning en duurzame vervoersoplossingen in stedelijke gebieden op efficiënte wijze bijdragen aan het doel van verlaging van de CO2-emissies; roept de Commissie op de maatregelen te treffen die nodig zijn om openbaar vervoer, oplossingen voor gedeelde mobiliteit en loop- en fietsmogelijkheden nadrukkelijk te bevorderen, met name in dichtbevolkte gebieden, en om voorstellen te doen om de EU-regelgeving waar nodig te verbeteren teneinde multimodaliteit en nieuwe mobiliteit en logistieke diensten te bevorderen;

9.  benadrukt dat er voor de vervoersector een goede energiemix vereist is, die kan worden bereikt door het bevorderen van alternatieve voertuigen die rijden op aard- en biogas en alle beleidsmaatregelen ter versterking van duurzame vervoerswijzen, zoals de elektrificatie van het vervoer en het gebruik van intelligente vervoersystemen; benadrukt dat de nadruk moet worden gelegd op treinen, trams, elektrische bussen, elektrische auto's en elektrische fietsen, dat rekening moet worden gehouden met de hele levenscyclus, en dat gestreefd moet worden naar het volledig benutten van hernieuwbare energiebronnen; dringt er met klem bij de lokale openbare-vervoersautoriteiten en vervoersmaatschappijen op aan een voortrekkersrol te spelen bij de introductie van een koolstofarme vloot en koolstofarme technologieën;

10. wijst er nadrukkelijk op dat de klimaatimpact van het vervoer geleidelijk geïnternaliseerd moet worden binnen een omvattend maatregelenpakket ten behoeve van een correcte prijsstelling in deze sector en eerlijke mededinging tussen vervoerswijzen; roept de Commissie op om te zorgen voor passende financiële instrumenten en investeringsfinanciering van de EU, met inbegrip van klimaatfondsen, voor de projecten in de vervoersector die een positief milieueffect hebben, waarbij aan geen enkele vervoerswijze wordt voorbijgegaan en, met name, om de ontwikkeling van plannen voor duurzame stedelijke mobiliteit aan te moedigen; roept er daarom toe op verschillende instrumenten te combineren, waarin negatieve externe factoren worden gecompenseerd, onderzoek en ontwikkeling en grootschalige demonstratieprojecten voor schone vervoertechnologie worden gefinancierd en stimulansen in het leven worden geroepen om deze technologie toe te passen;

11. wijst erop dat zowel kortetermijnstrategieën als langetermijnstrategieën voor vervoersmitigatie van cruciaal belang zijn als de EU haar vergaande ambities op het vlak van de verlaging van broeikasgassen wil verwezenlijken;

12. wijst erop dat het gebruik van ruimte-infrastructuur moet worden overwogen bij de uitvoering van maatregelen ter vermindering van en aanpassing aan klimaatverandering, met name in de vorm van controle van en toezicht op broeikasgasemissies; vraagt de Commissie met klem actief bij te dragen aan een mondiaal systeem voor toezicht op CO2 en CH4; roept de Commissie op meer te doen voor de ontwikkeling van een EU-systeem om broeikasgasemissies op autonome wijze te meten met behulp en onder uitbreiding van de missies van het Copernicus-programma;

13. beklemtoont dat de EU haar voortrekkersrol op verantwoordelijke wijze moet vertolken en erkent dat het concurrentievermogen van de EU kan worden belemmerd als de ambitie en de doelstellingen van de EU niet worden gedeeld in andere delen van de wereld.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

14.7.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

40

4

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Lucy Anderson, Marie-Christine Arnautu, Georges Bach, Izaskun Bilbao Barandica, Deirdre Clune, Michael Cramer, Luis de Grandes Pascual, Andor Deli, Isabella De Monte, Ismail Ertug, Jacqueline Foster, Dieter-Lebrecht Koch, Stelios Kouloglou, Merja Kyllönen, Miltiadis Kyrkos, Bogusław Liberadzki, Marian-Jean Marinescu, Georg Mayer, Gesine Meissner, Cláudia Monteiro de Aguiar, Jens Nilsson, Markus Pieper, Salvatore Domenico Pogliese, Gabriele Preuß, Christine Revault D’Allonnes Bonnefoy, Dominique Riquet, Massimiliano Salini, David-Maria Sassoli, Claudia Schmidt, Claudia Tapardel, Keith Taylor, Pavel Telička, István Ujhelyi, Peter van Dalen, Wim van de Camp, Janusz Zemke, Roberts Zīle, Kosma Złotowski, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Ivo Belet, Bas Eickhout, Theresa Griffin, Ruža Tomašić, Henna Virkkunen

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

James Carver


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

23.9.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

55

5

8

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Margrete Auken, Pilar Ayuso, Zoltán Balczó, Ivo Belet, Simona Bonafè, Lynn Boylan, Cristian-Silviu Buşoi, Miriam Dalli, Seb Dance, Angélique Delahaye, Jørn Dohrmann, Ian Duncan, Stefan Eck, Bas Eickhout, Eleonora Evi, José Inácio Faria, Karl-Heinz Florenz, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Jens Gieseke, Julie Girling, Matthias Groote, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, Jytte Guteland, György Hölvényi, Anneli Jäätteenmäki, Jean-François Jalkh, Benedek Jávor, Karin Kadenbach, Kateřina Konečná, Giovanni La Via, Peter Liese, Norbert Lins, Valentinas Mazuronis, Susanne Melior, Miroslav Mikolášik, Gilles Pargneaux, Piernicola Pedicini, Pavel Poc, Frédérique Ries, Michèle Rivasi, Daciana Octavia Sârbu, Annie Schreijer-Pierik, Renate Sommer, Tibor Szanyi, Estefanía Torres Martínez, Nils Torvalds, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Guillaume Balas, Nikolay Barekov, Paul Brannen, Renata Briano, Mireille D’Ornano, Albert Deß, Herbert Dorfmann, Ismail Ertug, Giorgos Grammatikakis, Martin Häusling, Gesine Meissner, Anne-Marie Mineur, Ulrike Müller, James Nicholson, Marijana Petir, Bolesław G. Piecha, Gabriele Preuß, Jadwiga Wiśniewska

Juridische mededeling