Procedure : 2011/0901B(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0296/2015

Ingediende teksten :

A8-0296/2015

Debatten :

PV 27/10/2015 - 17
CRE 27/10/2015 - 17

Stemmingen :

PV 28/10/2015 - 7.3
CRE 28/10/2015 - 7.3
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0377

AANBEVELING VOOR DE TWEEDE LEZING     ***II
PDF 591kWORD 289k
14.10.2015
PE 567.628v02-00 A8-0296/2015

betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Protocol nr. 3 betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie

(09375/1/2015 – C8‑0166/2015 – 2011/0901B(COD))

Commissie juridische zaken

Rapporteur: António Marinho e Pinto

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Protocol nr. 3 betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie

(09375/1/2015 – C8‑0166/2015 – 2011/0901B(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (09375/1/2015 – C8‑0166/2015),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(1) inzake het verzoek van het Hof van Justitie dat aan het Europees Parlement en de Raad is voorgelegd (02074/2011),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 69 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie juridische zaken (A8-0296/2015),

1.  stelt onderstaand standpunt in tweede lezing vast;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Amendement    1

Standpunt van de Raad

Overweging 1

Standpunt van de Raad

Amendement

(1) Ten gevolge van de geleidelijke uitbreiding van zijn bevoegdheden sinds de instelling ervan, neemt het aantal zaken voor het Gerecht van jaar tot jaar toe, met als gevolg dat het aantal daarbij aanhangige zaken mettertijd is toegenomen. Die toename heeft gevolgen voor de duur van de procedures.

(1) Ten gevolge van de geleidelijke uitbreiding van zijn bevoegdheden sinds de instelling ervan, neemt het aantal zaken voor het Gerecht van jaar tot jaar toe, met als gevolg dat het aantal daarbij aanhangige zaken mettertijd is toegenomen. Tenzij passende maatregelen van zowel procedurele als van organisatorische aard getroffen worden, waaronder de uitbreiding van het aantal rechters bij het Hof, heeft die toename gevolgen voor de duur van de procedures.

Amendement    2

Standpunt van de Raad

Overweging 3

Standpunt van de Raad

Amendement

(3) De situatie waarin het Gerecht verkeert, heeft structurele oorzaken die onder meer verband houden met het feit dat de instellingen, organen en instanties van de Unie steeds meer en op bredere terreinen rechtshandelingen vaststellen, zowel als met het feit dat de dossiers waarin het Gerecht wordt aangezocht, talrijk en complex zijn, in het bijzonder op het gebied van mededinging en staatssteun.

(3) De situatie waarin het Gerecht verkeert, heeft oorzaken die onder meer verband houden met het feit dat de instellingen, organen en instanties van de Unie steeds meer en op bredere terreinen rechtshandelingen vaststellen, het feit dat de dossiers waarin het Gerecht wordt aangezocht, talrijk en complex zijn, in het bijzonder op het gebied van mededinging, staatssteun en intellectuele eigendom, en het feit dat geen desbetreffende gespecialiseerde rechtbanken, zoals voorzien in artikel 257 VWEU, zijn ingesteld.

Amendement    3

Standpunt van de Raad

Overweging 5

Standpunt van de Raad

Amendement

(5) Rekening houdend met de te verwachten ontwikkeling van de werklast van het Gerecht moet het aantal rechters op 56 worden vastgesteld aan het einde van een proces in drie fasen, met dien verstande dat op geen enkel moment sprake kan zijn van meer dan twee rechters bij het Gerecht die zijn benoemd op voordracht van dezelfde lidstaat.

(5) Rekening houdend met de te verwachten ontwikkeling van de werklast van het Gerecht moet het aantal rechters op 56 worden vastgesteld aan het einde van een proces in drie fasen, dat wil zeggen dat op voordracht van iedere lidstaat twee rechters worden benoemd, met dien verstande dat op geen enkel moment sprake kan zijn van meer dan twee rechters bij het Gerecht die zijn benoemd op voordracht van dezelfde lidstaat.

Amendement    4

Standpunt van de Raad

Overweging 5 bis (nieuw)

Standpunt van de Raad

Amendement

 

(5 bis) Extra rechters dienen op grond van hun onafhankelijkheid, onpartijdigheid en deskundigheid te worden benoemd, gelet op hun professionele en persoonlijke geschiktheid en hun kennis van de rechtsstelsels van de Europese Unie en van de lidstaten, waarbij voorts het genderevenwicht in de algehele samenstelling van het Gerecht wordt gewaarborgd.

Amendement    5

Standpunt van de Raad

Overweging 7

Standpunt van de Raad

Amendement

(7) In september 2016 moeten de bevoegdheid in eerste aanleg voor zaken betreffende ambtenaren van de Unie en de zeven posten van de rechters bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie worden overgedragen aan het Gerecht, op basis van een toekomstig wetgevingsverzoek van het Hof van Justitie.

(7) Zoals het Hof van Justitie reeds heeft aangekondigd zal een tweede wetgevingsvoorstel ingediend worden om alle nadere regelingen vast te stellen in verband met de overdracht van het Gerecht voor ambtenarenzaken, met inbegrip van zijn zeven posten van rechters en zijn personeel en middelen.

Amendement    6

Standpunt van de Raad

Overweging 8 bis (nieuw)

Standpunt van de Raad

Amendement

 

(8 bis) Gedeeltelijke vervangingen in het Gerecht behoren zodanig te worden georganiseerd dat de regeringen van de lidstaten geleidelijk een begin maken met de voordracht van twee rechters voor dezelfde gedeeltelijke vervanging. Teneinde derhalve een evenwicht tussen mannen en vrouwen binnen dat Gerecht te waarborgen [gemeenschappelijke verklaring van...* ], dienen de regeringen van de lidstaten er naar te streven één vrouw en één man te kiezen, mits aan de in het Verdrag vastgelegde voorwaarden en procedures voldaan wordt. In artikel 19, lid 2, VEU wordt bepaald dat het Hof van Justitie uit ten minste één rechter per lidstaat bestaat. Aangezien dit systeem reeds een bepaald geografisch evenwicht waarborgt dienen extra rechters in de eerste plaats te worden benoemd op grond van hun professionele en persoonlijke vaardigheden en in het licht van hun kennis van de rechtsstelsels van de Europese Unie en haar lidstaten; pas daarna dient rekening te worden gehouden met hun nationaliteit.

 

__________________

 

* PB: gelieve de datum van inwerkingtreding van deze verordening in te voegen.

Amendement    7

Standpunt van de Raad

Overweging 9 bis (nieuw)

Standpunt van de Raad

Amendement

 

(9 bis) Negentien referendarissen dienen te worden benoemd zodat iedere rechter over een extra referendaris kan beschikken (rekening houdend met de negen referendarissen die in 2014 zijn benoemd), overeenkomstig een reeds geldende regeling binnen het Hof van Justitie.

Amendement    8

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt 2 bis (nieuw)

Protocol No 3

Artikel 48

 

Standpunt van de Raad

Amendement

 

2 bis) Aan artikel 48 wordt de volgende alinea toegevoegd:

 

"Voorafgaande aan de vervanging van het Gerecht in 2019, waarmee het besluit om negen extra rechters toe te wijzen, bevestigd wordt, wordt een effectbeoordeling uitgevoerd om te bepalen of het in het licht van de werklast van het Gerecht noodzakelijk is om deze negen rechters toe te wijzen."

Amendement    9

Standpunt van de Raad

Artikel 1 – punt 2 ter (nieuw)

Protocol nr. 3

Artikel 48 bis (nieuw)

 

Standpunt van de Raad

Amendement

 

2 ter) Het volgende artikel wordt ingevoegd:

 

"Artikel 48 bis

 

Een voordracht door een lidstaat is slechts ontvankelijk als deze betrekking heeft op hetzij één kandidaat van elk geslacht ingeval deze lidstaat tegelijkertijd twee kandidaten moet voordragen, hetzij een kandidaat van het andere geslacht dan van de nog zittende rechter in het Hof van Justitie ingeval de voordracht van de tweede rechter niet op hetzelfde moment als die van de eerste rechter plaatsvindt."

Motivering

Zie paragraaf 15 van het verslag over vrouwen in politieke besluitvorming – kwaliteit en gelijkheid (2011/2295(INI)), dat op 13 maart 2012 in plenaire vergadering is aangenomen: "verzoekt de lidstaten om maatregelen van positieve discriminatie, inclusief bindende wettelijke maatregelen, te bevorderen ten einde in alle bestuursorganen en bij openbare benoemingen gelijkheid te bereiken en om instrumenten voor toezicht op gendergelijkheid bij benoemingen en verkiezingen te ontwikkelen;"

Amendement    10

Standpunt van de Raad

Artikel 2

Standpunt van de Raad

Amendement

De ambtstermijn van de extra rechters van het Gerecht die moeten worden benoemd op grond van artikel 48 van Protocol nr. 3 betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is als volgt:

De ambtstermijn van de extra rechters van het Gerecht die moeten worden benoemd op grond van artikel 48 van Protocol nr. 3 betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is als volgt:

a) de ambtstermijn van zes van de twaalf extra rechters die moeten worden benoemd4 loopt af op 31 augustus 2016. Die zes rechters worden bij loting aangewezen. De ambtstermijn van de andere zes rechters loopt af op 31 augustus 2019;

a) de ambtstermijn van zes van de twaalf extra rechters die moeten worden benoemd* loopt af op 31 augustus 2016. Die zes rechters worden op zodanige wijze gekozen dat regeringen van zes lidstaten ieder twee rechters voordragen voor de gedeeltelijke vervanging van het Gerecht in 2016. De ambtstermijn van de andere zes rechters loopt af op 31 augustus 2019;

b) de ambtstermijn van drie van de zeven extra rechters die moeten worden benoemd per 1 september 2016, loopt af op 31 augustus 2019. Die drie rechters worden bij loting aangewezen. De ambtstermijn van de andere zes rechters loopt af op 31.08.22;

b) de ambtstermijn van drie van de zeven extra rechters die moeten worden benoemd per 1 september 2016, loopt af op 31 augustus 2019. Die drie rechters worden op zodanige wijze gekozen dat de regeringen van drie lidstaten ieder twee rechters voordragen voor de gedeeltelijke vervanging van het Gerecht in 2019. De ambtstermijn van de andere vier rechters loopt af op 31 augustus 2022;

c) de ambtstermijn van vier van de negen extra rechters die moeten worden benoemd per 1 september 2019, loopt af op 31 augustus 2022. Die vier rechters worden bij loting aangewezen. De ambtstermijn van de andere zes rechters loopt af op 31 augustus 2025.

c) de ambtstermijn van vier van de negen extra rechters die moeten worden benoemd per 1 september 2019, loopt af op 31 augustus 2022. Die vier rechters worden op zodanige wijze gekozen dat de regeringen van vier lidstaten ieder twee rechters voordragen voor de gedeeltelijke vervanging van het Gerecht in 2022. De ambtstermijn van de andere vijf rechters loopt af op 31 augustus 2025.

__________________

__________________

4 PB: gelieve "per 1 september 2015" in te voegen, dan wel de datum van inwerkingtreding van deze verordening indien de datum van inwerkingtreding na 1 september 2015 valt.

* PB: gelieve "per 1 september 2015" in te voegen, dan wel de datum van inwerkingtreding van deze verordening indien de datum van inwerkingtreding na 1 september 2015 valt.

Amendement    11

Standpunt van de Raad

Artikel 2 bis (nieuw)

Standpunt van de Raad

Amendement

 

Artikel 2 bis

 

1. Uiterlijk [vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening], stelt het Hof van Justitie met behulp van een externe adviseur een verslag op voor het Europees Parlement, de Raad en de Europese Commissie over de werking van het Gerecht.

 

In dat verslag wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de efficiëntie van het Gerecht, de noodzaak en de effectiviteit van de uitbreiding van zijn aantal rechters tot 56, het gebruik en effectiviteit van de middelen en de verdere instelling van gespecialiseerde kamers, en/of andere structurele wijzigingen.

 

Het Hof van Justitie dient wetgevingsvoorstellen in tot overeenkomstige wijziging van zijn statuut.

 

2. Uiterlijk [twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening]stelt het Hof van Justitie een verslag op voor het Europees Parlement, de Raad en de Europese Commissie over eventuele wijzigingen in de verdeling van de bevoegdheid inzake prejudiciële beslissingen op grond van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. In voorkomend geval wordt het verslag vergezeld van wetgevingsvoorstellen.

TOELICHTING

Inleiding en toelichting

1 – In 2011 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna "het Hof") een wetgevingsvoorstel ingediend tot wijziging van zijn statuut teneinde de benoeming van 12 extra rechters in het Gerecht mogelijk te maken. Het stelde toentertijd dat het noodzakelijk was om zowel het aantal zaken per rechter als de tijdsduur van de afhandeling daarvan in het Gerecht te verminderen. In 2013 heeft het Hof zijn verzoek teruggebracht tot negen rechters, een aantal waarmee de Raad van de Europese Unie (hierna "de Raad"), de Europese Commissie (hierna "de Commissie") en het Europees Parlement (hierna " het Parlement") instemden. Niettemin is het Parlement in de vorige zittingsperiode in eerste lezing akkoord gegaan met het aantal van 12 extra rechters. De Raad heeft echter geen van de 12 rechters benoemd, kennelijk omdat de lidstaten het niet eens konden worden over de keuze van de rechters, aangezien elke lidstaat "zijn eigen" rechter wenste te benoemen en het aantal te benoemen rechters niet overeenstemde met het aantal nominerende staten (28). Bijgevolg heeft in oktober 2014 het Hof voorgesteld het aantal rechters in het Gerecht (28 extra) in drie fasen te verdubbelen en het Gerecht voor ambtenarenzaken af te schaffen. De Raad ging onmiddellijk akkoord met deze nieuwe voorstellen. In onderhavig verslag wordt dit nieuwe voorstel behandeld.

2 – Met betrekking tot het voorstel van het Hof moet allereerst de vraag beantwoord worden welk doel het voorstel beoogt te dienen. Vastgesteld dient te worden of het een probleem betreft dat te maken heeft met een tekort aan rechters bij het Gerecht, of dat het eerder een kwestie van de Raad zelf betreft die niet in staat is tot een aantal benoemingen te komen die niet met het aantal leden van de Raad overeenstemmen. Het is niet te verklaren dat in 2013 slechts negen extra rechters genoeg waren om het probleem van het Gerecht op te lossen terwijl in 2014 plotseling 28 rechters nodig waren en de afschaffing van een andere rechtbank. Met andere woorden, in 2011 verzocht het Gerecht om 12 extra rechters, in 2013 was het Gerecht ermee eens dat negen extra rechters voldoende waren en in 2014 verklaarde het uiteindelijk 28 extra rechters nodig te hebben, samen met de afschaffing van een rechtbank. Niemand kan te goeder trouw geloven dat deze wijzigingen in de aantallen rechters iets te maken hebben met het probleem van het aantal bij het Gerecht aanhangige zaken. Indien de Raad 38 leden kende, zouden deze leden hetzelfde aantal rechters verzoeken; mochten er 21 leden zijn, dan zouden zij om 21 rechters vragen. Het probleem ligt duidelijk bij de Raad, die slechts tot een voor het Gerecht werkbare oplossing kan komen als die oplossing inhoudt dat iedere lidstaat zijn eigen rechter kan benoemen, zelfs als het aantal rechters duidelijk de werkelijke behoeften van het Gerecht overtreft (zie de meest recente statistieken van het Gerecht in bijlage).

3 – Het Parlement dient bijgevolg het standpunt van de Raad om een aantal redenen te verwerpen. Ten eerste geeft het blijk van een grote minachting voor het geld van de Europese belastingbetaler. In een periode dat de EU strikte bezuinigingsmaatregelen aan lidstaten oplegt om te komen tot een begrotingsevenwicht en deze staten oproept de overheidsuitgaven te verlagen, is het onzinnig dat de EU haar uitgaven zo lichtvaardig verhoogt. Dit zal bij het Europese publiek op weinig waardering kunnen rekenen. De voorgestelde verdubbeling van het aantal rechters zou het aantal gerelateerde referendarissen en assistenten tot meer dan 100 verhogen. Gegeven het feit dat ieder kabinet jaarlijks meer dan 1 miljoen EUR kost, leidt de totale beloning tot een structurele verhoging van de EU-uitgaven van meer dan 20 miljoen EUR per jaar.

Het is niet uit te leggen dat, terwijl alle andere instellingen hebben ingestemd met een vermindering van het personeelsbestand van ongeveer 5 % en ongeveer 0,5 % op hun begrotingen besparen, het Hof zijn begroting zonder enige rechtvaardiging flink kan verhogen.

Een andere reden voor het Parlement om het voorstel van het Hof te verwerpen heeft te maken met de waardigheid van de rechterlijke macht zelf, met name het prestige en het aan de rechterlijke instanties verschuldigde respect. De benoeming van rechters op EU-niveau behoort niet op dezelfde wijze te geschieden als de benoeming van politieke commissarissen. Rechters zijn geen commissarissen van lidstaten en behoren niet als zodanig te worden benoemd. Rechters moeten worden gekozen vanwege hun technische en juridische deskundigheid, die garant staat voor de kwaliteit van de besluitvorming, en vanwege hun persoonlijkheid die blijk geeft van integriteit, eerlijkheid, onpartijdigheid en weerbaarheid tegen elke druk waaraan rechters blootgesteld kunnen worden. Samengevat, zij moeten worden benoemd om hun moed en onafhankelijkheid. Bijgevolg zouden rechters niet herbenoembaar mogen zijn, maar voor een enkele ambtstermijn van negen jaar moeten worden benoemd. Er is een zeer gegronde vrees dat rechters die voor herbenoeming in aanmerking komen ertoe gebracht kunnen worden hun taken overeenkomstig de wensen van degenen die hen hebben benoemd te vervullen om zo hun herbenoeming te verzekeren. Voorts moet in dit onderdeel over benoemingen ook gewezen worden op gendergelijkheid. Het is onbegrijpelijk dat de EU-rechtspraak voornamelijk in handen van mannen ligt. Het aantal mannelijke en vrouwelijke rechters in de EU-rechtscolleges zou strikt gelijk moeten zijn.

4 – Voorts is het verzoek van het Hof niet een echt wetgevingsvoorstel, met name omdat het bij gewone brief is gedaan in oktober 2014, gericht aan het Italiaanse voorzitterschap van de Raad. Een brief is niet de aangewezen procedure om een wetgevingsvoorstel te formaliseren. Zelfs als deze procedure geacht wordt passend te zijn, moet het voorstel op grond van zijn inhoud worden beschouwd als een nieuw wetgevingsinitiatief en dient een geheel nieuwe procedure te worden gestart. Wat nu feitelijk ter discussie staat is niet de benoeming van 12 extra rechters, maar veeleer de benoeming van 28 rechters en de afschaffing van een gespecialiseerde rechtbank. In gevallen zoals deze, van wetgevingsvoorstellen met een nieuwe inhoud (aangezien dit geheel nieuw is en bijgevolg ook nooit eerder in behandeling is geweest), is de formele rechtmatigheid van het hele proces aanvechtbaar (zie bijlage voor de correspondentie betreffende de naleving van procedurele verplichtingen). Vorm is de gezworen vijand van willekeur.

5 – Voorts moet een hervorming van deze aard – van de beoogde diepgang en omvang – vooraf zijn gegaan door een effectbeoordeling zodat de medewetgevers (Raad en Parlement) van de noodzaak, toepassingsgebied, kosten en andere gevolgen op de hoogte worden gesteld. Hoewel door het Hof sinds 2011 in het vooruitzicht gesteld, is dit onderzoek nimmer uitgevoerd. Bijgevolg schiet dit wetgevingsinitiatief duidelijk tekort wat interne en externe transparantie betreft (zie in bijlage wederom de correspondentie betreffende de naleving van procedurele verplichtingen).

Uit het hele wetgevingsproces blijkt dat geen van de instanties die geraadpleegd hadden moeten worden over de voorstellen van het Hof (28 extra rechters en afschaffing van het Ambtenarengerecht), opmerkingen heeft gemaakt. Alleen in 2011 heeft de Europese Commissie (met betrekking tot de toename met 12 extra rechters) opmerkingen gemaakt. De rechters en het personeel van beide rechtscolleges (het Gerecht en het Ambtenarengerecht) die rechtstreeks door het voorstel worden geraakt, zijn niet eens geraadpleegd. Hoe kan een hervorming worden ingevoerd waarbij een rechtbank wordt afgeschaft en het aantal rechters in het andere rechtscollege tot meer dan 28 rechters wordt verhoogd, als een instantie die over deze voorstellen automatisch zou moeten worden gehoord, slechts geraadpleegd is over een verhoging met 12 rechters en nooit opmerkingen heeft gemaakt ten aanzien van het afschaffen van het Gerecht voor ambtenarenzaken? Is het mogelijk dat een enkele brief van de president van het Hof van Justitie voldoende was om de Raad en het Europees Parlement alle daarin opgenomen voorstellen eerbiedig goed te laten keuren – d.w.z. afschaffing van een EU-rechtbank en verdubbeling van het aantal rechters in een ander rechtscollege – zonder dat enige objectieve analyse van de gevolgen, met name de financiële, heeft plaatsgevonden?

Dit wetgevingsvoorstel, indien aangenomen, zou een zeer slecht voorbeeld stellen omdat het van een dubbele standaard blijk geeft. De EU behoudt zich het recht voor haar uitgaven zonder noodzaak te verhogen terwijl zij sommige lidstaten zware bezuinigingen oplegt, waarbij onder meer sprake is van ontslagen en verlaging van lonen en andere bezoldigingen.

6 – Het voorstel van het Hof bevat niet alleen intrinsieke tekortkomingen, maar heeft, als het aangenomen wordt, ernstige langetermijngevolgen voor de EU-rechtspraak. Veel onderdelen van dit voorstel (structuur van het rechtscollege, financiële gevolgen) vereisen dan ook een serieuze en onpartijdige effectanalyse en -beoordeling die nog niet heeft plaatsgevonden. Er is niet eens van een kosten-batenanalyse of effectbeoordeling sprake geweest. De uitvoering van een extern en onafhankelijk onderzoek is een noodzakelijke voorwaarde voor de wetgever om alle gevolgen van zijn normatieve handelingen te kunnen overzien. Zonder dit onderzoek mag het Parlement niet overgaan tot verdubbeling van het aantal rechters en afschaffing van het Ambtenarengerecht. Hervormingen zoals hier voorgesteld mogen niet via de achterdeur worden ingevoerd.

Er wordt op gewezen dat het Ambtenarengerecht meer dan 10 jaar bestaat en altijd als een juridisch succesverhaal is beschouwd, ook door de president van het Hof van Justitie. Bovendien bieden de EU-Verdragen de mogelijkheid voor de instelling van gespecialiseerde rechtbanken, in het licht waarvan de plotselinge afschaffing van het Ambtenarengerecht onbegrijpelijk is. In plaats daarvan moet de mogelijkheid om nieuwe gespecialiseerde rechtbanken in te stellen nader worden onderzocht, in het bijzonder met betrekking tot handelsmerken en octrooien.

Het Hof zelf suggereert dat de voorgenomen afschaffing van het Ambtenarengerecht het gevolg is van een blokkade binnen de Raad ten aanzien van de benoeming en herbenoeming van zijn rechters. De reden om het Ambtenarengerecht af te schaffen heeft niets te maken met de werkzaamheden van deze rechtbank maar is, net zoals het besluit het aantal rechters van het Gerecht te verdubbelen, gelegen in het onvermogen van de Raad om benoemingen vast te stellen. Aangezien de Raad zich niet kan aanpassen aan de realiteit, tracht de Raad de realiteit te dwingen zich aan de verouderde werkwijze van de Raad aan te passen.

Afschaffing van het Ambtenarengerecht zou betekenen dat het stelsel van gespecialiseerde rechtbanken, zoals dat in de Verdragen van Nice en Lissabon is voorzien, wordt verlaten hoewel het algemeen bekend is dat gespecialiseerde rechtbanken een betere rechtsbedeling opleveren. Dan hebben we het nog niet over het ontbreken van een rechtsgrond voor de afschaffing van de rechtbank. Het Verdrag voorziet in de instelling van gespecialiseerde rechtbanken, niet in de afschaffing daarvan.

7 – De door het Hof verstrekte cijfers over de aanhangige zaken bij het Gerecht en de gemiddelde duur daarvan worden tegengesproken door de cijfers die de president en de rechters van het Gerecht hebben verstrekt tijdens de op verzoek van de rapporteur gehouden hoorzitting van de Commissie juridische zaken in Straatsburg. De Raad heeft onbegrijpelijkerwijze een document van het Gerecht buiten beschouwing gelaten waarin kritiek op het hervormingsvoorstel van het Hof wordt geleverd en in Straatsburg gegeven verklaringen zijn opgenomen, verwijzend naar feiten en cijfers die in tegenspraak zijn met de door het Hof verstrekte gegevens (zie de documenten in bijlage). Aangezien de door de twee rechtscolleges gepresenteerde feiten met elkaar in tegenspraak zijn, zou voorzichtigheidshalve eerst moet worden vastgesteld welke feiten juist en welke onjuist zijn voordat er een besluit genomen wordt. Helaas heeft de Raad niet de moeite gedaan om dit onderzoek uit te voeren en heeft hij de juridische hervorming roekeloos doorgezet. De rechtsgemeenschap en het Europese publiek zullen een besluit tot verdubbeling van het aantal van 28 rechters van het Gerecht nauwelijks aanvaarden als de rechters van het Gerecht daar zelf tegenstander van zijn en de mening zijn toegedaan dat enkele extra functionarissen voldoende zijn om de impasse te doorbreken. Wat hiervan ook van zij, thans loopt het aantal aanhangige zaken bij de drie rechtscolleges in vergelijking met het aantal afgehandelde zaken van dezelfde colleges terug. De vermeende urgentie van de verdubbeling van het aantal rechters is bijgevolg niet aanwezig.

Opnieuw wordt erop gewezen dat de productiviteit van het Gerecht sinds 2013 aanzienlijk is gestegen, met name in 2014, zonder dat nieuwe rechters zijn benoemd. Dit kan alleen het gevolg zijn van het aanwerven van negen extra referendarissen, wat alleen al in 2014 tot de afronding van meer dan 100 zaken heeft geleid. Volgens de informatie afkomstig van het Gerecht zelf, was het aantal zaken waarin in de eerste helft van dit jaar uitspraak is gedaan hoger dan het aantal nieuwe aanhangig gemaakte zaken. Nogmaals: de vermeende urgentie, die zo vaak door het Hof wordt ingeroepen, is niet langer aanwezig. Bijgevolg zou de benoeming van meer personeel bij de griffie en bij de vertaaldiensten de voorkeur moeten hebben, alsook en met name de benoeming van 19 extra referendarissen zodat iedere rechter over een extra referendaris beschikt, waarbij rekening wordt gehouden met de negen reeds in 2014 benoemde referendarissen. Deze oplossing zou de begrotingsgevolgen van de voorgestelde maatregel aanzienlijk beperken en kan ook gemakkelijk teruggedraaid worden (zie documentatie in bijlage).

8 – De kwestie van schadevergoeding voor mogelijke vertraging van besluiten van het Gerecht is een rookgordijn aangezien, wil er een vergoedingsverplichting aanwezig zijn, er sprake moet zijn van i) feitelijke schade ii) op grond van een onrechtmatige daad (handelen of nalaten), iii) die verwijtbaar is, en iv) een voldoende causaal verband tussen het feit en de schade; dit alles moet door de eiser van de schadevergoeding gesteld en bewezen worden. De jurisprudentie leert hoe moeilijk het is om deze vorderingen te doen slagen. Voorts is het Europees Hof van de rechten van de mens (EHRM) de opvatting toegedaan dat het recht op schadevergoeding in verband met een trage rechtsgang alleen bestaat voor een vertraging van meer dan vijf jaar. Volgens onze informatie overschrijden de bij het Gerecht aanhangige zaken deze termijn in het algemeen niet, integendeel.

9 – Het is verrassend dat een hervorming van deze omvang tot stand zou moeten komen zonder dat vooraf voorbereidingen zijn getroffen en de gevolgen over de hele linie zijn afgewogen. Hoe kan het creëren van meer dan 100 zeer goed betaalde banen (rechters, referendarissen, assistenten) tegenover het grote publiek gerechtvaardigd worden wanneer het vaststaat dat de aangeworven krachten, ook rechters, spoedig onvoldoende om handen hebben omdat er te weinig werk is? Met de wetenschap dat iedere rechter van het Gerecht gemiddeld 25 zaken per jaar afhandelt (een aanmerkelijk lager gemiddelde dan in de hooggerechtshoven in de lidstaten), is dit nieuwe wetgevingsvoorstel geen klap in het gezicht van de Europese belastingbetaler? Hoeveel zaken zullen de rechters elk jaar behandelen nu een einde is gekomen aan de groei van het aantal aanhangige zaken? Welke indruk zal de EU bij het grote publiek achterlaten wat betreft de verantwoordelijkheid voor deze mogelijke toename?

In de huidige situatie verzoekt het Hof de medewetgever om zonder enige feitelijke of juridische grondslag tot een kostbare en bijzonder ingewikkelde oplossing te besluiten die moeilijk terug te draaien is.

Het is de plicht van de medewetgever evenwichtige maatregelen te nemen die in verhouding staan tot de problemen waarmee hij geconfronteerd wordt, en daarbij zeer voorzichtig om te springen met het geld van de Europese belastingbetaler. Deze maatregelen moeten op de lange termijn duurzaam zijn.

Het nieuwe wetgevingsvoorstel kan, indien aangenomen, schade berokkenen aan de Europese rechtspraak, het imago van de Unie en de wijze waarop het geld van de Europese belastingbetaler uitgegeven wordt.

Op grond hiervan is het volgende geformuleerd:

Conclusies en aanbevelingen

Op grond van artikel 66, lid 6, artikel 69, lid 1, en lid 2, onder a), c), en d), van het Reglement van het Europees Parlement komt de rapporteur tot de volgende conclusies en aanbevelingen:

1 – Verwerping van het voorstel om het aantal rechters van het Gerecht te verdubbelen en het Gerecht voor ambtenarenzaken af te schaffen en, overeenkomstig en met toepassing van artikel 69, lid 2, onder a), en d), dient het door het Parlement in eerste lezing aangenomen standpunt te worden herschikt. Het Hof van Justitie moet het exacte aantal rechters dat daadwerkelijk nodig is motiveren, en daarbij ook rekening houden met de gewijzigde omstandigheden, namelijk de omkering van de trend in nieuwe aanhangig gemaakte en afgedane zaken.

2 – Verwerping van het voorstel om het Ambtenarengerecht af te schaffen vanwege het ontbreken van een rechtsgrondslag in het Verdrag. In plaats daarvan dienen rechters die al benoemd zijn onmiddellijk te worden beëdigd en die ontbreken, te worden benoemd; ook moet een comité van deskundigen worden opgericht om de voor- en nadelen te onderzoeken van de instelling van een nieuwe rechtbank die gespecialiseerd is op het gebied van handelsmerken, octrooien en intellectuele eigendom.

3 – Overeenkomstig en met toepassing van artikel 69, lid 2, onder c), wordt de benoeming van 19 referendarissen aanbevolen, zodat iedere rechter over een extra referendaris beschikt (waarbij rekening wordt gehouden met de negen die reeds in 2014 benoemd zijn); deze oplossing bestaat al bij het Hof van Justitie. Voorts wordt een versterking van de personeelsbezetting van de griffie en de vertaaldienst aanbevolen.

4 – Aanbevolen wordt de oprichting door het Parlement en de Raad van een gemengde commissie van deskundigen die de algemene werking moet onderzoeken van de rechtspraak in de EU en voorstellen ter verbetering moet doen, waarbij onder meer met de volgende aspecten rekening gehouden wordt:

a) – de aanwerving van rechters via een openbare procedure onder hoogleraren rechtsgeleerdheid die goed bekendstaan en rechters van de hooggerechtshoven van alle lidstaten;

b) – de benoeming van alle rechters voor een enkele ambtstermijn van negen jaar, die niet hernieuwd of verlengd kan worden;

c) – strikte inachtneming van de gendergelijkheid bij de aanwerving van rechters.

5 – Stelt voor dat alle EU-rechtbanken worden gecontroleerd door de Europese Commissie voor de efficiëntie van justitie (CEPEJ) op dezelfde voorwaarden als de rechtbanken in de lidstaten van de Raad van Europa.

Bijlagen: Voor een alomvattend begrip van het proces is alle documentatie en correspondentie in verband met dit onderwerp van het begin van de zittingsperiode tot op heden als bijlage bijgevoegd.

PROCEDURE VAN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Titel

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie met het oog op de uitbreiding van het aantal rechters bij het Gerecht

Document- en procedurenummers

09375/1/2015 – C8-0166/2015 – 2011/0901B(COD)

Datum eerste lezing EP – P-nummer

15.4.2014                     T7-0358/2014

Voorstel van de Commissie

02074/2011 - C7-0126/2012

Datum bekendmaking ontvangst standpunt van de Raad in eerste lezing

9.7.2015

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

JURI

9.7.2015

 

 

 

Rapporteurs

       Datum benoeming

António Marinho e Pinto

3.9.2014

 

 

 

Behandeling in de commissie

24.9.2014

11.11.2014

23.3.2015

14.7.2015

 

15.9.2015

 

 

 

Datum goedkeuring

8.10.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

18

5

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Joëlle Bergeron, Marie-Christine Boutonnet, Jean-Marie Cavada, Therese Comodini Cachia, Mady Delvaux, Laura Ferrara, Enrico Gasbarra, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Mary Honeyball, Dietmar Köster, Gilles Lebreton, António Marinho e Pinto, Jiří Maštálka, Julia Reda, József Szájer, Tadeusz Zwiefka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Daniel Buda, Angel Dzhambazki, Jytte Guteland, Heidi Hautala, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Constance Le Grip, Stefano Maullu

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Jarosław Wałęsa

Datum indiening

14.10.2015

(1)

Aangenomen teksten van 15.4.2014, P8_TA(2014)0358.

Juridische mededeling