Procedure : 2015/2132(BUD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0298/2015

Ingediende teksten :

A8-0298/2015

Debatten :

PV 27/10/2015 - 10
CRE 27/10/2015 - 10

Stemmingen :

PV 28/10/2015 - 7.2
CRE 28/10/2015 - 7.2
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0376

VERSLAG     
PDF 768kWORD 333k
15.10.2015
PE 567.773v02-00 A8-0298/2015(Deel 1)

over het standpunt van de Raad over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016

(11706/2015 – C8-0274/2015 – 2015/2132(BUD))

Deel 1: Ontwerpresolutie

Begrotingscommissie

Rapporteurs: José Manuel Fernandes (afdeling III – Commissie)

Gérard Deprez (overige afdelingen)

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het standpunt van de Raad over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 (11706/2015 – C8-0274/2015 – 2015/2132(BUD))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3) (de MFK-verordening),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4) (het IIA),

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2015 over de algemene richtsnoeren voor het opstellen van de begroting voor 2016, afdeling III – Commissie(5),

–  gezien zijn resolutie van 29 april 2015 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2016(6),

–  gezien het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, goedgekeurd door de Commissie op 24 juni 2015 (COM(2015)0300),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016, vastgesteld door de Raad op 4 september 2015 en toegezonden aan het Europees Parlement op 17 september 2015 (11706/2015 – C8‑0274/2015),

–  gezien zijn resolutie van 8 juli 2015 over het mandaat voor de trialoog over de ontwerpbegroting 2016(7),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad en de Raad van 23 september 2015 getiteld "Aanpak van de vluchtelingencrisis: nu te nemen operationele, budgettaire en wetgevende maatregelen in het kader van de Europese migratieagenda" (COM(2015)0490),

–  gezien de nota's van wijzigingen nr. 1/2016 (COM(2015)0317) en 2/2016 (COM(2015)0513) bij het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016,

–  gezien artikel 88 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0298/2015),

Afdeling III

Algemeen

1.  benadrukt dat de lezing van de begroting 2016 door het Parlement volledig recht doet aan de politieke prioriteiten die met een overweldigende meerderheid zijn vastgesteld in zijn bovengenoemde resoluties van 11 maart 2015 over de algemene richtsnoeren en van 8 juli 2015 over het mandaat voor de trialoog; herinnert eraan dat deze prioriteiten bestaan uit interne en externe solidariteit, met name een doeltreffende aanpak van de migratie- en vluchtelingencrisis, alsook het stimuleren van het concurrentievermogen via de creatie van degelijke en kwaliteitsvolle banen en de ontwikkeling van ondernemingen en ondernemerschap in de hele Unie;

2.  benadrukt dat de Unie momenteel wordt geconfronteerd met een aantal ernstige noodsituaties, met name de nooit eerder geziene migratie- en vluchtelingencrisis; is ervan overtuigd dat de vereiste financiële middelen in de begroting van de Unie moeten worden opgenomen om overeen te stemmen met de politieke uitdagingen en om de Unie in staat te stellen doeltreffend en met de hoogste spoed en prioriteit te reageren op deze crises; begrijpt dat de migratie- en vluchtelingencrisis niet kan worden opgelost met financiële middelen alleen en dat er een globale aanpak vereist is om zowel de interne als de externe dimensie van deze crisis het hoofd te bieden; is van mening dat uitzonderlijke tijden uitzonderlijke maatregelen vergen en dat er een sterk politiek engagement nodig is om voor dit doel nieuwe kredieten te waarborgen;

3.  merkt op dat het Parlement van meet af aan in de begroting 2016 bijzondere aandacht heeft besteed aan migratie en vluchtelingen; herinnert aan zijn eerdere verklaringen dat het beheer van migratiestromen op het kruispunt van interne en externe solidariteit ligt en dat ook externe financieringsinstrumenten moeten worden ingezet in het kader van een geïntegreerde benadering, om de onderliggende oorzaken aan te pakken van de problemen waarmee de Unie wordt geconfronteerd; herinnert aan gemeenschappelijke verdragen en overeenkomsten zoals het Schengenacquis en de Dublinverordening en het voorstel van de Commissie tot vaststelling van een crisisherplaatsingsmechanisme (COM(2015)0450);

4.  besluit daarom onmiddellijk een omvattend pakket amendementen voor te stellen om de ontwerpbegroting (OB) met 1 161 miljoen EUR te verhogen voor rubriek 3 (Veiligheid en burgerschap) en rubriek 4 (Europa als wereldspeler), en dit als een eerste reactie op de migratiecrisis; benadrukt dat, wat de interne dimensie van deze crisis betreft, de amendementen van het Parlement de twee pakketten voor de hervestiging van asielzoekers reeds volledig integreren en op elkaar afstemmen, en dat het daarnaast bijkomende kredieten voorstelt voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) en de agentschappen van de Unie op dit gebied; wijst, wat de externe dimensie betreft, op een aantal bijkomende verhogingen voor specifieke programma's in rubriek 4, zoals het Europees nabuurschapsinstrument, het instrument voor ontwikkelingssamenwerking, humanitaire hulp en het instrument voor pretoetredingssteun;

5.  benadrukt evenwel dat deze amendementen moeten worden behandeld samen met nota van wijzigingen nr. 2/2016 van de Commissie, die naar verwachting naast het tweede hervestigingspakket ook de aanvullende maatregelen zal bevatten waarvan sprake in de mededeling van de Commissie van 23 september 2015; betreurt dat het Parlement en de Raad niet meer tijd hebben om de geschiktheid van deze nota van wijzigingen te beoordelen, maar begrijpt de grote tijdsdruk en het feit dat er onmiddellijk moet worden opgetreden; benadrukt dat het Parlement volledig achter deze nieuwe maatregelen staat en van plan is de financiering ervan via nieuwe kredieten te verdedigen, zelfs voor een groter bedrag dan dat het in zijn eigen standpunt over de begroting 2016 heeft voorgesteld;

6.  besluit om ook maatregelen te nemen met betrekking tot de aanhoudende crisis die de Europese landbouwers treft, met name in de zuivelsector, en om in zijn standpunt over de begroting 2016 reeds het bedrag van 500 miljoen EUR aan noodsteunmaatregelen op te nemen die de Commissie heeft aangekondigd; vertrouwt erop dat de Commissie in haar nota van wijzigingen nr. 2/2016 de precieze begrotingslijnen zal vaststellen waarvoor de kredieten in dit verband moeten worden verhoogd; is ingenomen met het besluit van de Commissie om de ongebruikte kredieten van de crisisreserve over te dragen van de begroting 2015 naar de begroting 2016, en merkt op dat deze niet-bestede middelen zullen worden gebruikt voor terugbetalingen aan de begunstigden van rechtstreekse betalingen zoals bepaald in Verordening (EU) nr. 1306/2013;

7.  erkent dat veel meer inspanningen moeten worden ondernomen om de zwakke punten van de Europese economie aan te pakken door het concurrentievermogen, de groei en hoogwaardige werkgelegenheid te bevorderen; benadrukt de cruciale rol die micro-, kleine, middelgrote en sociale ondernemingen hierbij vervullen; verhoogt daarom de kredieten voor het Cosme-programma met 16,5 miljoen EUR; besluit tevens in 2016 nieuwe vastleggingskredieten voor te stellen voor de voortzetting van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, waarvan het volledige budget reeds vervroegd ter beschikking werd gesteld in 2014-2015; erkent de aanzienlijke bijdrage van dit programma aan de bestrijding van de werkloosheid en is vastbesloten ervoor te zorgen dat de nodige kredieten ter beschikking worden gesteld om te voorkomen dat er te weinig kredieten beschikbaar zijn voor de uitvoering ervan; hecht daarom voor 2016 zijn goedkeuring aan een verhoging van 473,2 miljoen EUR, wat overeenkomt met het oorspronkelijke jaarlijkse bedrag voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

8.  herhaalt ervan overtuigd te zijn dat de begroting van de Unie geen nieuwe initiatieven mag financieren ten koste van bestaande programma's en bestaand beleid van de Unie, en evenmin reeds gedane politieke toezeggingen mag negeren; erkent en bevestigt ten volle de grote politieke en financiële steun voor de oprichting van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), maar wil zich tegelijkertijd houden aan de toezegging die het tijdens de onderhandelingen over het EFSI heeft gedaan, namelijk dat de impact van het EFSI op Horizon 2020 en de Connecting Europe Facility (CEF) in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure tot het absolute minimum moet worden beperkt; stelt daarom voor de verlaging bij deze twee programma's - als gevolg van de voorziening voor het EFSI-garantiefonds - in 2016 (1 326 miljoen EUR) volledig te compenseren, opdat zij integraal hun doelstellingen kunnen verwezenlijken die pas twee jaar geleden met de goedkeuring van hun respectieve rechtsgronden zijn overeengekomen;

9.  benadrukt het belang van volledige eerbiediging van de gezamenlijke verklaring over een betalingsplan 2015-2016 waarover het Parlement, de Raad en de Commissie overeenstemming hebben bereikt, na het gezamenlijk engagement om de achterstand van nog niet gehonoreerde betalingsverzoeken voor de cohesieprogramma's in de periode 2007-2013 tegen eind 2016 tot ongeveer 2 miljard EUR te beperken; heeft in dit verband kritiek op het feit dat de door de Raad voorgestelde verlagingen volkomen indruisen tegen dit betalingsplan; benadrukt bovendien dat in de toekomst de opbouw van een dergelijke onhoudbare betalingsachterstand moet worden voorkomen, en verzoekt de Commissie concrete voorstellen in die zin te doen; is daarom van mening dat onvoorziene betalingsbehoeften moeten worden gefinancierd met extra kredieten en dat de vervroegde terbeschikkingstelling in 2016 van 1 miljard EUR voor Griekenland moet worden gefinancierd binnen het beschikbare maximum van de betalingskredieten van het MFK; herhaalt het standpunt dat het van oudsher verdedigt, namelijk dat betalingen die voortvloeien uit eerder via het flexibiliteitsinstrument beschikbaar gestelde vastleggingskredieten, alleen buiten de maxima van het MFK kunnen worden geboekt;

10.  doet alle verlagingen ongedaan die de Raad in de OB heeft doorgevoerd (563,6 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en 1 421,8 miljoen EUR aan betalingskredieten); kan de logica achter de voorgestelde verlagingen niet begrijpen, bijvoorbeeld die bij Horizon 2020 en CEF, twee programma's die reeds zijn getroffen door herschikkingen ten behoeve van het EFSI, alsook bij het ontwikkelings- en het nabuurschapsbeleid, met name in het licht van de recente gebeurtenissen; is bezorgd over het feit dat de Raad, door zo'n grote verlagingen in de OB voor te stellen, grotendeels de ontegensprekelijke meerwaarde van de begroting van de Unie negeert; betwist hoe dan ook het uitgesproken voornemen van de Raad om begrotingslijnen met een laag uitvoeringspercentage of een laag opnamevermogen te viseren, aangezien dit niet wordt gestaafd door de feitelijke uitvoeringscijfers en voorbijgaat aan de verschillende bestedingspatronen van bepaalde programma's;

11.  concludeert dat, met het oog op een adequate financiering van deze dringende behoeften en gezien de zeer krappe marges in het MFK in 2016, alle beschikbare middelen in de MFK-verordening in termen van flexibiliteit, waaronder de volledige terbeschikkingstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument, zullen moeten worden ingezet; verwacht dat de Raad deze visie zal delen en dat tijdens het begrotingsoverleg vlot overeenstemming zal worden bereikt, waardoor de Unie tegen de situatie opgewassen moet zijn en doeltreffend moet kunnen reageren op de uitdagingen die zich zullen aandienen; benadrukt in dit verband dat de totale marge van het MFK voor vastleggingskredieten in 2015 ter beschikking moet worden gesteld van zodra aan de wettelijke voorwaarden is voldaan; verwacht hierover met de Raad en de Commissie een voorafgaande overeenkomst te bereiken;

12.  herinnert aan de gezamenlijke verklaring van de drie instellingen van de Unie in het kader van de politieke overeenkomst over het MFK, namelijk dat in de jaarlijkse begrotingsprocedures waar passend genderelementen zullen worden geïntegreerd; benadrukt dat gendermainstreaming als horizontaal beginsel het beleid van de Unie moet ondersteunen, en dringt aan op een omvattende uitvoering van een genderbewuste begroting; is bovendien ingenomen met de eerste stappen voor de vergroening van de begroting van de Unie; wijst erop dat dit proces moet worden voortgezet om de overeengekomen doelstellingen inzake klimaat- en milieuvriendelijke uitgaven te verwezenlijken;

13.  stelt het totale bedrag van de kredieten voor 2016 vast op 157 427,5 miljoen EUR voor de vastleggingskredieten en op 146 459,5 miljoen EUR voor de betalingskredieten;

Rubriek 1a – Concurrentievermogen voor groei en banen

14.  heeft kritiek op het feit dat rubriek 1a dit jaar opnieuw zwaar is getroffen door de bezuinigingen van de Raad, namelijk een verlaging van 140,9 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en van 435,4 miljoen EUR aan betalingskredieten ten opzichte van de OB; wijst erop dat ongeveer de helft van deze bezuinigingen Horizon 2020 treft, wat resulteert in een verdere verlaging voor dit programma in 2016 nadat een deel van zijn kredieten reeds werd herschikt ten behoeve van het EFSI;

15.  benadrukt dat, met het oog op een coherente aanpak, een aantal verlagingen die de Raad heeft aangebracht op grond van een laag opnamevermogen bij tal van programma's in rubriek 1a in juni 2015, nu moeten worden teruggedraaid als gevolg van de sterke toename van de uitvoering van deze programma's in september 2015; merkt op dat dit een algemene trend is, die overeenstemt met de looptijd van deze programma's; besluit daarom de bedragen van de OB opnieuw op te nemen voor de lijnen die de Raad heeft verlaagd, zowel wat de vastleggings- als de betalingskredieten betreft;

16.  besluit, overeenkomstig zijn prioriteiten voor 2016 (werkgelegenheid, ondernemingen en ondernemerschap) en na een zorgvuldige beoordeling van hun opnamevermogen tot nu toe, om naast de volledige compensatie van de aan het EFSI gerelateerde verlagingen bij Horizon 2020 en CEF, een aantal selectieve verhogingen door te voeren boven het niveau van de OB voor de programma's Cosme, Horizon 2020, EaSI en Erasmus+;

17.  benadrukt in het bijzonder dat de vervroegde terbeschikkingstelling van middelen voor Cosme in 2014-2015 echt nuttig is gebleken, gezien de aanhoudende stijging in de afgelopen jaren van de vraag door kmo's naar ondersteuning bij de toegang tot markten en financiering; verzet zich dan ook tegen de verlaging van de kredieten voor Cosme in de OB ten opzichte van 2015 en besluit de kredieten voor dit programma te verhogen tot boven het niveau in de OB; herinnert eraan dat de Commissie reeds heeft gewezen op een tekort in de Cosme-financieringsinstrumenten voor 2015, 2016 en 2017, wat aantoont dat er een kloof bestaat tussen de beschikbare vastleggingskredieten en de verwachte vraag; vraagt in het kader van Cosme om een aanzienlijke verhoging van de kredieten voor het programma Erasmus voor jonge ondernemers, gelet op het feit dat de beschikbare middelen niet volstaan om tegemoet te komen aan de grote vraag naar deelname;

18.  verzoekt de Commissie een analyse uit te voeren van de financiële lasten die het gevolg zijn van vergoedingen en kosten voor verplichte certificerings- en vergunningsprocedures; dringt er bij de Commissie op aan een grondige evaluatie uit te voeren van het effect van deze kosten op het concurrentievermogen van het bedrijfsleven en kmo's;

19.  besluit de kredieten voor de drie toezichthoudende agentschappen (EBA, Eiopa en ESMA) en ACER te verhogen tot boven het niveau van de OB opdat ze over passende middelen beschikken om het hoofd te bieden aan hun toenemende taken;

20.  bevestigt zijn steun voor het ITER-programma en is vastbesloten te zorgen voor passende financiering ervan; is evenwel bezorgd over mogelijke verdere vertragingen en extra kosten van dit programma alsook over de potentiële gevolgen hiervan voor de begroting van de Unie; betreurt dan ook dat het niet in staat was het niveau van de ITER-kredieten voor 2016 te toetsen met het geactualiseerde betalings- en tijdschema, dat pas in november 2015 in de ITER-Raad zal worden gepresenteerd; verwacht evenwel dat dit herziene plan in voldoende mate zal kunnen aantonen dat de aanbevelingen die het Parlement in de betreffende kwijtingsresolutie voor 2013(8) heeft gedaan, naar behoren in aanmerking zijn genomen en dat de financiële soliditeit en de efficiëntie van de uitgaven zullen worden gegarandeerd; wil deze kwestie tijdens het begrotingsoverleg 2016 aankaarten; benadrukt bovendien dat er volledige transparantie moet bestaan over het gebruik van bijdragen van "Fusion for Energy" voor het ITER-programma; dringt aan op een passend verantwoordingsmechanisme waarbij een duidelijk overzicht wordt gegeven van de omvang van de financiële middelen die worden uitgetrokken voor het internationaal project en waarbij het efficiënt gebruik ervan wordt beoordeeld;

21.  bestemt een deel van de kredieten voor de normalisatie van de financiële verslaggeving en controle, en dringt aan op de uitvoering van de aanbevelingen in het verslag-Maystadt betreffende de taken en verantwoordelijkheden van de European Financial Reporting Advisory Group (EFRAG), waarmee tevens de invloed van de Europese Unie in het proces van het vaststellen van internationale accountancy-normen zal worden vergroot;

22.  verhoogt bijgevolg de vastleggings- en betalingskredieten voor rubriek 1a ten opzichte van de OB met respectievelijk 1 405,5 miljoen EUR en 491,5 miljoen EUR (met inbegrip van proefprojecten en voorbereidende acties), waardoor het maximum voor de vastleggingskredieten met 1 316,9 miljoen EUR wordt overschreden, wat moet worden gefinancierd door alle beschikbare middelen inzake flexibiliteit waarin de MFK-verordening voorziet, na uitputting van de beschikbare marges;

Rubriek 1b – Economische, sociale en territoriale samenhang

23.  is het niet eens met de verlagingen die de Raad voorstelt, namelijk 3,1 miljoen EUR bij de vastleggingskredieten en, erger nog, 220,1 miljoen EUR bij de betalingskredieten voor rubriek 1b, met inbegrip van begrotingslijnen die worden voltooid; verzoekt de Raad uit te leggen hoe deze verlagingen verenigbaar zijn met de doelstelling om enerzijds de betalingsachterstand te verkleinen en anderzijds negatieve gevolgen en onnodige vertraging bij de uitvoering van de programma's voor de periode 2014-2020 te vermijden; herinnert eraan dat het cohesiebeleid het voornaamste investeringsbeleid van de Unie is dat gericht is op het terugdringen van de ongelijkheden tussen Europese regio's door de economische, sociale en territoriale samenhang te vergroten; benadrukt dat instrumenten zoals het ESF, het EFRO, het Cohesiefonds of het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief van fundamenteel belang zijn om convergentie, verkleining van de ontwikkelingskloof en het ondersteunen van de creatie van hoogwaardige en duurzame banen te bevorderen;

24.  neemt kennis van de voorlopige analyse van de Commissie, op basis van de recentste ramingen van de lidstaten, dat de uitvoering van de programma's op het gebied van het cohesiebeleid in 2016 waarschijnlijk vertraging zal oplopen; is zeer bezorgd over het feit dat een aanzienlijke onderbesteding in het derde jaar van de uitvoering van de nieuwe cyclus van de Europese structuur- en investeringsfondsen, op een ogenblik dat de programma's volledig operationeel zouden moet zijn, niet alleen een nadelig effect zal hebben op het tijdig behalen van resultaten op het terrein, maar ook kan leiden tot grote druk op de betalingen in de volgende jaren, waardoor eventueel opnieuw een betalingsachterstand kan ontstaan; dringt er bij de betrokken lidstaten op aan snel vooruitgang te boeken bij het aanpakken van de onderliggende oorzaken van deze vertragingen in de uitvoering, bijvoorbeeld door dringend programma-autoriteiten aan te wijzen en door nationale administratieve procedures te vereenvoudigen en niet te vermenigvuldigen; verzoekt de Commissie in overeenstemming met het betalingsplan nauwlettend toe te zien op de ontwikkeling van de betalingen in rubriek 1b met betrekking tot de programmeringsperiode 2014-2020, onder meer via gedetailleerde en regelmatig bijgewerkte ramingen die moeten worden besproken op specifieke interinstitutionele bijeenkomsten, en zo nodig passende voorstellen te doen;

25.  herinnert eraan dat de Commissie in 2016 geen vastleggingskredieten voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief heeft voorgesteld als gevolg van de vervroegde terbeschikkingstelling ervan in 2014-2015; besluit in overeenstemming met de verordening betreffende het Europees Sociaal Fonds(9), dat voorziet in de mogelijkheid van een dergelijke verlenging, om voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief een bedrag van 473,2 miljoen EUR aan vastleggingskredieten beschikbaar te stellen, dat wil zeggen een bedrag dat overeenkomt met de oorspronkelijke jaarlijkse toewijzing voor dit programma; is ervan overtuigd dat de financiering van dit belangrijke programma, dat een van de meest urgente uitdagingen van de Unie aanpakt, niet mag eindigen in 2015; benadrukt dat de bijkomende middelen moeten worden gebruikt om het programma uit te breiden en zo een groter aantal jongeren bij te staan in hun zoektocht naar een fatsoenlijke en vaste baan; dringt er bij de lidstaten op aan hun uiterste best te doen om vaart te zetten achter de uitvoering van het initiatief op het terrein opdat jonge Europeanen hier meteen voordeel bij hebben; dringt er bij de Commissie op aan verslag uit te brengen aan het Parlement over door de Unie gefinancierde maatregelen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid, en over de met die maatregelen bereikte resultaten;

26.  verhoogt, rekening houdend met de proefprojecten en voorbereidende acties, de vastleggingskredieten voor rubriek 1b ten opzichte van de OB met 482,7 miljoen EUR en de betalingskredieten met 1 164 miljoen EUR, waardoor het maximum voor de vastleggingskredieten met 467,3 miljoen EUR wordt overschreden, wat moet worden gefinancierd door alle beschikbare middelen inzake flexibiliteit waarin de MFK-verordening voorziet;

Rubriek 2 – Duurzame groei: natuurlijke hulpbronnen

27.  wijst erop dat de Raad ook in rubriek 2 de kredieten heeft verlaagd, namelijk met 199,9 miljoen EUR bij de vastleggingskredieten en 251,1 miljoen EUR bij de betalingskredieten, onder meer voor plattelandsontwikkeling, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en het LIFE-programma; is van mening dat de nota van wijzigingen betreffende de landbouw de basis moet blijven voor een betrouwbare herziening van de ELGF-kredieten; neemt daarom opnieuw de bedragen van de OB op;

28.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een omvattend pakket noodmaatregelen voor een bedrag van 500 miljoen EUR ter ondersteuning van de Europese landbouwers, met name voor de zuivelsector die kampt met dalende prijzen en een grotere melkproductie; benadrukt dat de gevolgen het grootst zijn in afgelegen gebieden waar het sociaal-economische belang van de zuivelsector buiten kijf staat; neemt dit bedrag in zijn lezing op als steunbetuiging aan de aankondiging van de Commissie, en kijkt uit naar de volledige opname tijdens het begrotingsoverleg op basis van de nota van wijzigingen; benadrukt dat dit pakket een aanvulling vormt op de reeks maatregelen die erop gericht zijn de verliezen en langetermijngevolgen op te vangen die de Europese landbouwers ondervinden door het Russische invoerverbod op landbouwproducten, beseffende dat Rusland tot nu toe de op een na belangrijkste bestemming is voor de uitvoer van landbouwproducten uit de Unie;

29.  benadrukt dat de Unie in het kader van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij meer taken op zich moet nemen; neemt daarom opnieuw de bedragen van de begroting 2015 op voor wetenschappelijk advies en kennis inzake visserij gezien het belang van het verzamelen van gegevens voor de besluitvorming, en verhoogt de kredieten voor het Europees Bureau voor visserijcontrole (EFCA) ter ondersteuning van zijn rol bij de coördinatie en uitvoering van het gemeenschappelijk visserijbeleid;

30.  verhoogt daarom de vastleggingskredieten met 510,6 miljoen EUR en de betalingskredieten met 520,7 miljoen EUR (met inbegrip van proefprojecten en voorbereidende acties), waarbij er een marge van 647 miljoen EUR blijft onder het maximum voor de vastleggingskredieten in rubriek 2;

Rubriek 3 – Veiligheid en burgerschap

31.  herinnert eraan dat de OB voorziet in meer middelen op het gebied van veiligheid en migratie, met inbegrip van een bedrag van 150 miljoen EUR voor de hervestiging van 40 000 personen die internationale bescherming nodig hebben, wat ertoe heeft geleid dat de Commissie het maximum voor deze rubriek met 124 miljoen EUR heeft overschreden en heeft voorgesteld de desbetreffende middelen beschikbaar te stellen uit het flexibiliteitsinstrument; is verheugd over het feit dat de Raad heeft ingestemd met het beginsel om het flexibiliteitsinstrument voor dit doel te gebruiken; merkt evenwel op dat er nood is aan een financiële langetermijnplanning om te reageren op de vluchtelingencrisis, en gaat ervan uit dat dit ook zal worden behandeld in het kader van de herziening van het MFK;

32.  besluit, gezien de huidige, uitzonderlijke toestroom van migranten en vluchtelingen, de kredietverhogingen vooral te besteden aan de versterking van het AMIF; steunt in dit verband ten zeerste het tweede pakket van 780 miljoen EUR voor de hervestiging van nog eens 120 000 personen; besluit de nodige middelen op te nemen in zijn lezing en het eerste hervestigingspakket af te stemmen op het tweede door een bedrag van 20 miljoen EUR toe te voegen om de transportkosten te financieren (500 EUR per migrant voor Italië en Griekenland); hecht zijn goedkeuring aan een bijkomend bedrag van 79 miljoen EUR voor de algemene verhoging van de middelen van het AMIF; benadrukt dat tevens moet worden voorzien in voldoende financieringsmogelijkheden voor het AMIF voor de komende jaren; herinnert eraan dat het overeenkomstig punt 17 van het IIA van 2 december 2013 is toegestaan het bedrag waarin voor de gehele looptijd van een programma is voorzien met meer dan 10 % te verhogen wanneer er zich nieuwe, objectieve langetermijnomstandigheden voordoen;

33.  merkt op dat deze maatregelen slechts een eerste stap zijn met het oog op de volledige toepassing van het solidariteitsbeginsel waarop de Unie is gebaseerd; verzoekt de Commissie en de Raad volledig uitvoering te geven aan de op 23 september 2015 voorgestelde plannen en zich duidelijk in te zetten voor de eerbiediging van de mensenrechten, zoals verwoord in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; benadrukt het belang van een adequate financiering van terugkeeroperaties overeenkomstig het Handvest en het "non-refoulement"-beginsel om tot een doeltreffend terugkeerbeleid te komen en tegelijkertijd irreguliere migratie te voorkomen en terug te dringen; benadrukt dat het belangrijk is vluchtelingen dicht bij hun land van herkomst te ondersteunen en de asielprocedures in de lidstaten te verbeteren;

34.  besluit tot slot de kredieten voor de agentschappen met aan migratie gerelateerde taken te verhogen met een totaalbedrag van 26 miljoen EUR, waarbij het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) er het meest kredieten bijkrijgt, namelijk 12 miljoen EUR meer dan in de OB; herinnert eraan dat dit agentschap een centrale, coördinerende rol vervult bij de uitvoering van de voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming, en dat er steeds meer een beroep op wordt gedaan om de betrokken lidstaten bij te staan;

35.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie van 23 september 2015 en de overeenkomstige maatregelen die zijn opgenomen in de nota van wijzigingen nr. 2/2016, met name 600 miljoen EUR aanvullende middelen voor noodhulp voor de meest getroffen lidstaten; is tevreden dat de Commissie op dit gebied de leiding op zich neemt en hiermee de aanpak bevestigt die het Parlement in zijn lezing van de begroting heeft vastgesteld; is bereid tijdens het begrotingsoverleg verdere verhogingen te overwegen;

36.  betreurt dat de Raad ten opzichte van de OB de vastleggingskredieten met 25,1 miljoen EUR en de betalingskredieten met 33,6 miljoen EUR verlaagt; is van mening dat deze verlagingen een bedreiging vormen voor de correcte uitvoering van de programma's en acties van rubriek 3; herinnert er in dit verband aan dat, hoewel sommige van de voorgestelde verlagingen klein lijken, rekening moet worden gehouden met de vrij geringe omvang van een aantal belangrijke en waardevolle programma's, waardoor deze bijzonder kwetsbaar zijn voor verlagingen; besluit daarom de bedragen van de OB opnieuw op te nemen;

37.  acht het, gezien hun belangrijke rol bij de ondersteuning van de culturele en creatieve industrie die fundamentele Europese waarden vertegenwoordigt, bovendien noodzakelijk de vastleggingskredieten voor de subprogramma's cultuur en media, met inbegrip van de multimedia-acties en de garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sectoren (CCSGF), voor 2016 te verhogen met in totaal 10,5 miljoen EUR ten opzichte van de OB, om het hoofd te bieden aan de kritieke kwestie van toegang tot financiering voor kmo's en organisaties in de culturele en creatieve sector;

38.  acht het tevens een prioriteit de middelen van het programma "Europa voor de burger" met 1,5 miljoen EUR te verhogen en de begrotingsnomenclatuur van dit programma te wijzigen door een afzonderlijke lijn te creëren voor de uitvoering van het Europees burgerinitiatief;

39.  wijst erop dat het in zijn lezing (met inbegrip van proefprojecten en voorbereidende acties) het maximum van rubriek 3 met 1 055,1 miljoen EUR overschrijdt voor de vastleggingskredieten, namelijk 931,1 miljoen EUR meer dan in de OB, en de betalingskredieten met 586,5 miljoen EUR verhoogt; stelt daarom voor alle beschikbare middelen in het MFK aan te wenden voor de financiering van het pakket extra kredieten in verband met migratie;

Rubriek 4 – Europa als wereldspeler

40.  wijst erop dat rubriek 4 van alle rubrieken het zwaarst wordt getroffen door de besnoeiingen van de Raad, zowel bij de vastleggingskredieten (- 163,4 miljoen EUR) als bij de betalingskredieten (- 450,4 miljoen EUR); constateert met verbazing dat onder meer het Europees nabuurschapsinstrument (met name armoede en veiligheid in het Middellandse Zeegebied), het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (met inbegrip van de thematische doelstelling migratie en asiel) en het instrument voor pretoetredingssteun (ondanks het feit dat kandidaat-lidstaten een groot aantal vluchtelingen opvangen of op belangrijke migratieroutes gelegen zijn) het zwaarst worden getroffen; benadrukt dat deze aanpak flagrant indruist tegen de verklaringen van de Raad en de Europese Raad betreffende de migratieagenda, de vluchtelingencrisis en de samenwerking met herkomst- en doorreislanden;

41.  besluit tegen deze achtergrond de kredieten van de OB opnieuw op te nemen; merkt op dat de situatie van de betalingen in rubriek 4 nog steeds een punt van bijzondere zorg is wegens de overdracht van een aanzienlijke betalingsachterstand en het kunstmatig uitstellen van contractuele verbintenissen om het hoofd te bieden aan het permanent gebrek aan middelen voor de betalingen; wijst er daarom nogmaals op dat de verhoging van de betalingskredieten die de Commissie voorstelt absoluut noodzakelijk was, ondanks het feit dat de ongekende migratie- en vluchtelingencrisis het extern optreden van de Unie intussen voor bijkomende uitdagingen heeft geplaatst;

42.  vult het pakket amendementen inzake de migratie- en vluchtelingencrisis aan via een gerichte verhoging van de vastleggingskredieten voor in de eerste plaats het Europees nabuurschapsinstrument (+ 178,1 miljoen EUR), maar ook voor het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (+ 26,6 miljoen EUR), humanitaire hulp (+ 26 miljoen EUR), het instrument voor pretoetredingssteun (+ 11,2 miljoen EUR), het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (+ 12,6 miljoen EUR) en het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (+ 1 miljoen EUR); ondersteunt, waar nodig, een herschikking van de prioriteiten binnen deze programma's om de meest actuele uitdagingen aan te pakken, maar benadrukt dat dit niet mag leiden tot een vermindering van de inspanningen met betrekking tot de oorspronkelijke doelstellingen van de betrokken rechtsgrondslagen, wat zou kunnen leiden tot de destabilisering van Europese buurlanden of andere regio's; herhaalt dat er een algemene en op mensenrechten gebaseerde aanpak moet worden gevolgd waarbij migratie wordt gekoppeld aan ontwikkeling en waarmee de integratie van legale migranten, asielzoekers en vluchtelingen wordt bevorderd; benadrukt dat nauwer moet worden samengewerkt met en meer moet worden gedaan voor herkomst- en doorreislanden om doeltreffend te kunnen reageren op de huidige migratiecrisis, en met name op de behoeften van ontheemde personen in derde landen op het gebied van gezondheid en onderwijs; acht deze verhogingen bijgevolg absoluut noodzakelijk om bijkomende initiatieven te financieren bovenop de oorspronkelijke doelstellingen van de respectieve rechtsgronden;

43.  wijst erop dat het regionaal Trustfonds van de Europese Unie in respons op de Syrische crisis en het noodtrustfonds voor stabiliteit en de aanpak van de grondoorzaken van irreguliere migratie en ontheemding in Afrika zijn opgericht omdat de begroting van de Unie onvoldoende flexibel is en evenmin voldoende middelen heeft om snel en omvattend te kunnen reageren op de crisis; benadrukt dat bij de beoordeling/herziening van het MFK een meer integrale oplossing moet worden gevonden om de steun uit de EU-begroting voor humanitaire hulp en ontwikkeling doeltreffender en sneller beschikbaar te stellen en met succes te combineren met de steun uit het Europees Ontwikkelingsfonds en de bilaterale steun van de lidstaten; dringt erop aan de extra kredieten voor de programma's van rubriek 4 met name te gebruiken om de middelen voor de twee trustfondsen te verhogen alsook om onmiddellijk bijstand te verlenen via het UNHCR en het Wereldvoedselprogramma; verzoekt de lidstaten de daad bij het woord te voegen en de nodige aanvullende bijdragen te verrichten om zonder verder uitstel te voorzien in de financiering van de Unie voor de trustfondsen en de financieringskloof voor de VN-organisaties te dichten; merkt op dat de talloze projecten die door de trustfondsen kunnen worden gefinancierd het argument van de Raad afzwakken dat er zogezegd een gebrek aan opnamevermogen is in rubriek 4;

44.  verhoogt met 40 miljoen EUR de middelen op de begrotingslijn voor ondersteuning van het vredesproces en financiële bijstand aan Palestina en aan de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA); merkt op dat de UNRWA daadwerkelijk een rol speelt bij de ondersteuning van het toenemende aantal Palestijnse vluchtelingen die rechtstreeks lijden onder de Syrische crisis, wat een bijkomende last vormt voor het agentschap; is bezorgd over het gebrek aan financiering voor de UNRWA en vraagt die extra kredieten te besteden aan het algemeen fonds ter ondersteuning van het onderwijs, de maatschappelijke dienstverlening en de gezondheidszorg;

45.  herinnert eraan dat, om de schadelijke effecten op lange termijn als gevolg van een humanitaire crisis te verminderen, het van essentieel belang is ervoor te zorgen dat de getroffen kinderen onderwijs blijven krijgen; verhoogt daarom de middelen voor het ondersteunen van onderwijs in de begroting voor humanitaire hulp zodat deze 3 % in plaats van 1 % bedraagt, met het doel tegen 2019 een drempel van 4 % te halen;

46.  hecht zijn goedkeuring aan een symbolische verhoging van de GBVB-begroting ter ondersteuning van alle initiatieven die erop gericht zijn van migratie een specifieke component van civiele GVDB-missies te maken, en steunt daarbij tevens ten volle de militaire operatie EUNAVFOR Med ter bestrijding van mensenhandelaars en -smokkelaars;

47.  is verheugd over het lopende proces van bezinning binnen de EDEO over de toekomst van de speciale vertegenwoordigers van de EU en hun relatie met de EDEO; is van oordeel dat elke wijziging in de begrotingslijn voor de speciale vertegenwoordigers van de EU pas mag worden doorgevoerd nadat het huidige proces van bezinning is voltooid;

48.  acht het noodzakelijk de kredieten op de begrotingslijn voor de Turks-Cypriotische gemeenschap te verhogen (+ 2 miljoen EUR) om een beslissende bijdrage te leveren aan de voortzetting en intensivering van de missie van het Comité vermiste personen op Cyprus en om het door de twee gemeenschappen opgezette technische comité voor cultureel erfgoed te ondersteunen, en zo het vertrouwen en de verzoening tussen de twee gemeenschappen te bevorderen;

49.  benadrukt dat de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst inzake handelsfacilitatie waarover op de 9de ministeriële conferentie van de WTO overeenstemming is bereikt verhoogde steun zal vereisen voor de minst ontwikkelde en ontwikkelingslanden; benadrukt de behoefte aan gecoördineerde inspanningen tussen de Commissie en de lidstaten met betrekking tot internationale financiële instellingen om verlaging van de kredieten voor Aid for trade te voorkomen en onregelmatigheden in de samenwerking met bepaalde partners die leiden tot een verminderde effectiviteit van de uitgaven te vermijden, en ervoor te zorgen dat de Overeenkomst inzake handelsfacilitatie bijdraagt aan ontwikkeling;

50.  besluit, met inbegrip van de proefprojecten en voorbereidende acties, de marge van 261,3 miljoen EUR waarin de OB onder het maximum van de vastleggingskredieten voor rubriek 4 voorziet, volledig te benutten maar in dit stadium niet verder te gaan; verhoogt tevens de betalingskredieten met 132,5 miljoen EUR; kijkt uit naar een vruchtbaar overleg op basis van deze amendementen, waarbij ook de nota van wijzigingen nr. 2/2016 in aanmerking wordt genomen; benadrukt evenwel dat dit maximumbedrag ontoereikend zou kunnen zijn omdat het werd vastgesteld geruime tijd vóór belangrijke ontwikkelingen in Oekraïne, Syrië, Tunesië en meer in het algemeen in de buurlanden, het Midden-Oosten en Afrika; roept daarom op tot een volledige benutting van het potentieel van de reserve voor noodhulp en staat open voor elke verdere gebruikmaking van de flexibiliteitsbepalingen waarin het MFK voorziet om de externe dimensie van de migratie- en vluchtelingencrisis aan te pakken;

Rubriek 5 – Administratie; Overige rubrieken – administratieve en ondersteunende uitgaven voor onderzoek

51.  merkt op dat de Raad in deze rubriek 31,2 miljoen EUR snoeit, waarvan 19,3 miljoen EUR betrekking heeft op de administratieve uitgaven van de Commissie, met name voor haar gebouwen, uitrusting en in het bijzonder voor haar personeel door de forfaitaire verlaging op te trekken tot 4,3 %; ziet geen enkele rechtvaardiging voor de lezing van de Raad en herinnert eraan dat, na de constante bezuinigingen in de afgelopen jaren, de door de Commissie voorgestelde administratieve uitgaven voor 2016 dicht bij het verwachte inflatiepeil blijven, d.w.z. stabiel in reële cijfers, en dat de Commissie haar personeelsbestand voortdurend inkrimpt;

52.  is bovendien van mening dat deze besnoeiingen willekeurig zijn gezien de voorspelbaarheid van dit soort uitgaven die grotendeels gebaseerd zijn op contractuele verplichtingen, en gezien het zeer hoge uitvoeringspercentage zoals blijkt uit de cijfers van de Commissie; merkt met name op dat de bezetting van het organigram van de Commissie op 1 april 2015 een recordhoogte heeft bereikt met 97,8 % daadwerkelijk bezette posten; betreurt dat de Raad ook in andere rubrieken dan rubriek 5 de administratieve en ondersteunende uitgaven voor onderzoek met in totaal 28 miljoen EUR heeft verlaagd, ondanks het feit dat deze cruciaal zijn om het succes van de programma's op de verschillende beleidsgebieden van de Unie te waarborgen;

53.  besluit daarom de bedragen van de OB opnieuw op te nemen op alle lijnen voor administratieve en ondersteunende uitgaven voor onderzoek op beleidsgebieden en op alle lijnen in rubriek 5 die de Raad heeft verlaagd, alsook zijn goedkeuring te hechten aan een beperkt aantal kleine verhogingen;

54.  vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat de gecombineerde begroting van het Comité van toezicht van het OLAF en zijn secretariaat wordt gespecificeerd in een afzonderlijk onderdeel van de OLAF-begroting voor 2016;

Agentschappen

55.  steunt in beginsel de ramingen van de Commissie voor de budgettaire behoeften van de agentschappen; wijst erop dat de Commissie de kredieten die de meeste agentschappen aanvankelijk hadden gevraagd, reeds aanzienlijk heeft verlaagd;

56.  is daarom van mening dat de bijkomende verlagingen die de Raad voorstelt de goede werking van de agentschappen in gevaar kunnen brengen en hun zouden beletten de taken uit te voeren die hun door de wetgevingsautoriteit zijn toebedeeld;

57.  besluit om, binnen het totaalpakket voor migratie, de kredieten voor de belangrijkste agentschappen op dit gebied te verhogen: het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, Frontex, Europol, Eurojust, eu.LISA, Cepol en het Bureau voor de grondrechten, voor een totaalbedrag van 26 miljoen EUR, aangezien deze agentschappen essentieel zijn om het huidige nijpende probleem van migratiestromen op doeltreffende wijze aan te pakken; is ingenomen met de bijkomende kredieten en 120 extra posten voor de agentschappen waarin het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 7/2015 voorziet, en verwacht dat dit besluit ook gevolgen zal hebben voor de begroting 2016, alsmede voor de begrotingen van de daaropvolgende jaren; wijst op de snel verslechterende crisissituatie en de enorme toename van de migratiestromen; dringt er bij de Commissie op aan om vóór het begrotingsoverleg actuele en geconsolideerde informatie over de behoeften van de agentschappen te verstrekken; roept de Commissie op een strategie voor de middellange en lange termijn voor te stellen voor de volgende acties van de op het gebied van justitie en binnenlandse zaken bevoegde agentschappen: doelstellingen, missies, coördinatie, ontwikkeling van hotspots en financiële hulpbronnen;

58.  besluit tevens de kredieten in de begroting 2016 te verhogen voor de drie agentschappen voor financieel toezicht omdat zij geconfronteerd worden met extra taken en een grotere werklast; verzoekt de Commissie tegen 2017 een voorstel in te dienen voor een financieringsconcept op grond van vergoedingen ter vervanging van het huidige bijdragenstelsel van de lidstaten, om te waarborgen dat de Europese autoriteiten onafhankelijk zijn van de nationale instanties van de lidstaten;

59.  besluit tevens de kredieten te verhogen voor het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators, het Europees Bureau voor visserijcontrole en het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving, om de beschikbare middelen beter af te stemmen op de taken van de agentschappen;

60.  kan echter niet instemmen met de benadering van de Commissie en de Raad voor het personeel van de agentschappen en wijzigt daarom een aanzienlijk aantal organigrammen; benadrukt eens te meer dat elk agentschap 5 % van de posten, gespreid over 5 jaar, moet schrappen zoals overeengekomen in het IIA, maar dat de nieuwe posten die nodig zijn om extra taken te verrichten als gevolg van nieuwe beleidsontwikkelingen en de nieuwe regelgeving sinds 2013, gepaard moeten gaan met bijkomende middelen en moeten worden geteld buiten de doelstelling van het IIA om het personeelsbestand te verminderen;

61.  herhaalt bijgevolg dat het gekant is tegen het concept van een herschikkingspool tussen de agentschappen, maar bevestigt bereid te zijn posten vrij te maken door te komen tot meer efficiëntie, dit via meer administratieve samenwerking tussen agentschappen of in voorkomend geval zelfs via het analyseren van de mogelijkheden tot fusie, alsook via het delen van bepaalde functies met de Commissie of een ander agentschap;

62.  benadrukt eens te meer dat ambten die worden gefinancierd uit het bedrijfsleven geen gevolgen hebben voor de begroting van de Unie en bijgevolg niet onderworpen zijn aan een inkrimping van het personeelsbestand; benadrukt dat het aan het oordeel van het betrokken agentschap moet worden overgelaten om de fluctuerende werklast op te vangen door de posten waarover het beschikt al dan niet allemaal te bezetten;

63.  wijzigt daarom een aantal organigrammen van agentschappen overeenkomstig de bovenstaande prioriteiten om het personeelsbestand af te stemmen op bijkomende taken, wijzigt andere organigrammen om ze beter af te stemmen op een reële verlaging met 5 % over een periode van 5 jaar en om met vergoedingen gefinancierde posten anders te behandelen; herinnert eraan dat de vermindering met 5 % gespreid over 5 jaar is ingevoerd om de administratieve kosten te verlagen; wijst er in dit verband op dat bijkomende posten in het organigram niet automatisch financiële gevolgen voor de begroting van de Unie hebben, aangezien agentschappen hun posten bezetten afhankelijk van hun behoeften en dus niet altijd alle posten in hun organigram bezetten;

Proefprojecten en voorbereidende acties (PP's en VA's)

64.  besluit na een grondige analyse van de ingediende PP's en VA's, tegen de achtergrond van het slaagpercentage van de lopende projecten en acties, de initiatieven die al gedekt zijn door bestaande rechtsgronden buiten beschouwing latend en ten volle rekening houdend met de beoordeling door de Commissie van de uitvoerbaarheid van de projecten, een compromispakket goed te keuren met een beperkt aantal PP's en VA's, mede gelet op de beperkte marges die beschikbaar zijn;

Betalingen

65.  benadrukt eens te meer het belang van het gezamenlijk betalingsplan 2015-2016 waarover het Europees Parlement, de Raad en de Commissie voorafgaand aan de begrotingsprocedure overeenstemming hebben bereikt, en dat een afspiegeling is van het engagement van de drie instellingen om de betalingsachterstand te verminderen; merkt op dat de drie instellingen hebben afgesproken volledig samen te werken om in de begroting 2016 tot een niveau van betalingskredieten te komen dat toelaat een dergelijke doelstelling te verwezenlijken, en dat de Commissie de gevraagde betalingskredieten voor 2016 op die basis heeft berekend; is van mening dat alle maatregelen ter beheersing van het risico van een onhoudbare betalingsachterstand moeten worden aangevuld met inspanningen voor een productievere gedachtewisseling en voor een betere samenwerkingsgeest tussen de Raad enerzijds en het Parlement en de Commissie anderzijds; herinnert eraan dat artikel 310 VWEU voorschrijft dat de ontvangsten en uitgaven op de Uniebegroting in evenwicht moeten zijn;

66.  betreurt dat, ondanks de matige verhogingen en de comfortabele marges die de Commissie aldus heeft voorgesteld, de Raad heeft besloten de betalingskredieten met 1,4 miljard EUR te verlagen, waarbij zowel begrotingslijnen die worden voltooid als programma's die op kruissnelheid komen worden getroffen, waardoor de geleidelijke afschaffing van de abnormale betalingsachterstand in het gedrang komt; herinnert eraan dat voor de programma's onder direct beheer, een tekort aan betalingskredieten niet alleen tot uiting komt in de ontwikkeling van de achterstand, maar ook in kunstmatige vertragingen bij de uitvoering van programma's, bijvoorbeeld het uitstellen van oproepen tot het indienen van voorstellen en/of van de ondertekening van nieuwe contracten;

67.  besluit voor de betalingskredieten de bedragen van de OB opnieuw op te nemen voor alle lijnen die de Raad heeft verlaagd, in de veronderstelling dat de betalingskredieten die de Commissie in haar ontwerpbegroting heeft voorgesteld, op het niveau liggen dat nodig is om de doelstellingen van het betalingsplan te verwezenlijken;

68.  verhoogt in een passende verhouding de betalingskredieten op alle lijnen waar ook de vastleggingskredieten worden verhoogd, waarbij rekening wordt gehouden met gebieden met een snel bestedingsprofiel of met een hoge mate van urgentie, met name Erasmus+, de twee hervestigingsregelingen, de UNRWA en humanitaire hulp; verhoogt de betalingskredieten met nog eens 1 miljard EUR om de vervroegde terbeschikkingstelling van betalingskredieten voor Griekenland integraal met nieuwe middelen te kunnen dekken; besluit tevens om, gezien de uitvoering in het verleden, de betalingskredieten voor het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering te verhogen;

Overige afdelingen

Afdeling I – Europees Parlement

69.  herinnert eraan dat de raming 2016 van het Parlement is vastgesteld op 1 823 648 600 EUR, wat neerkomt op een stijging van 1,6 % ten opzichte van de begroting 2015; herinnert er verder aan dat er nog eens 15 miljoen EUR is uitgetrokken voor dringende investeringen in veiligheid en cyberveiligheid, waardoor zijn totale begroting voor 2016 is vastgesteld op 1 838 648 600 EUR;

70.  wijst erop dat op 15 juni 2015, d.w.z. na de vaststelling van de raming van het Parlement voor 2016, een nieuwe fractie is opgericht en dat, als gevolg van deze veranderingen in de organisatie van het Parlement, bijkomende kredieten nodig zijn om ervoor te zorgen dat alle fracties gelijk worden behandeld;

71.  compenseert deze verhogingen volledig door de kredieten te verlagen op de begrotingslijnen voor de algemene reserve voor onvoorziene uitgaven, de vergoeding voor algemene uitgaven van de leden, bijscholing, inrichting van dienstruimten, energieverbruik, informatica en telecommunicatie, projectinvesteringen en meubilair;

72.  neemt kennis van de conclusies van het Bureau van 7 september 2015 met het oog op de lezing door het Parlement van de begroting 2016, waarin wordt voorgesteld zijn recente besluiten en technische aanpassingen in de begroting op te nemen; hecht zijn goedkeuring aan deze door het Bureau voorgestelde kleine technische wijzigingen, onder meer begrotingsneutrale aanpassingen aan kredieten en het organigram en de actualisering van bepaalde aspecten van de begrotingsnomenclatuur;

73.  laat bijgevolg het totale niveau van zijn begroting voor 2016, zoals goedgekeurd door de plenaire vergadering op 29 april 2015, ongewijzigd op 1 838 648 600 EUR;

74.  benadrukt dat de activiteiten van de fracties geen administratieve werkzaamheden zijn; bevestigt dat, om die reden, het totale personeelsbestand van de fracties wordt vrijgesteld van de doelstelling om het personeelsbestand met 5 % in te krimpen, in overeenstemming met de besluiten die het ten aanzien van de begrotingsjaren 2014(10) en 2015(11) en de raming voor 2016(12) heeft genomen;

75.  herinnert eraan dat de fracties sinds 2012 een aanwervingsstop kenden en dat in de vorige begrotingsjaren slechts gedeeltelijk aan hun behoeften is tegemoet gekomen;

76.  herhaalt zijn toezegging om punt 27 van het IIA uit te voeren en het personeelsbestand met 1 % te verminderen;

77.  benadrukt dat het Parlement en de Raad moeten werken aan een stappenplan voor één zetel voor het Parlement, zoals een grote meerderheid in het Parlement reeds in verschillende resoluties heeft gevraagd, met het oog op langetermijnbesparingen op de begroting van de Unie;

Wijzigingen aan het organigram

78.  verlaagt het organigram van het secretariaat-generaal voor 2016 met 57 ambten (doelstelling om het personeelsbestand met 1 % te verminderen) als volgt: 4 AD14, 13 AD13, 2 AD12, 1 AD9, 2 AD8, 1 AD5, 2 AST11, 1 AST10, 3 AST9, 8 AST8, 7 AST7, 4 AST6, 3 AST5, 2 AST4, 1 AST3, 1 AST1 (vaste ambten) en 2 tijdelijke AST 4-ambten; herinnert eraan dat met de budgettaire gevolgen van deze maatregel reeds rekening is gehouden in de raming;

79.  zet overeenkomstig het nieuwe Statuut 80 vaste AST-ambten (25 AST11, 10 AST10, 5 AST8, 15 AST7, 5 AST6, 5 AST5, 5 AST4, 5 AST3 en 5 AST2) om in 80 AST/SC1-ambten;

80.  voert de volgende technische correcties door: schrapt drie AST7-ambten en drie AST6-ambten, voegt zes AST5-ambten toe en schrapt voetnoot nr. 1 in de lijst van het aantal ambten, aangezien de betrokken procedure in het recente verleden niet is gebruikt;

81.  hecht zijn goedkeuring aan de invoering van 43 nieuwe tijdelijke ambten (2 AD7, 19 AD5, 5 AST5, 5 AST3 en 12 AST1) en aan de opwaardering van één tijdelijk AD10-ambt naar AD14, voor de bijkomende behoeften in verband met de oprichting van de nieuwe fractie;

Vermindering van het personeelsbestand met 5 %

82.  herinnert eraan dat het Parlement de doelstelling om het personeelsbestand met 5 % te verminderen voor het derde opeenvolgende jaar met passende eerbiediging van de letter en de geest van het IIA toepast; benadrukt dat hiertoe 171 vaste ambten in zijn organigram zijn geschrapt sinds 2014(13); benadrukt dat, om de doelstelling om het personeelsbestand met 5 % te verminderen volledig te verwezenlijken, er tegen 2018 nog twee jaarlijkse verminderingen van 57 ambten(14) moeten worden doorgevoerd;

83.  benadrukt dat overeenkomstig punt 27 van het IIA de doelstelling om het personeelsbestand met 5 % te verminderen een compensatiemaatregel is in termen van personeel, die verband houdt met de verhoging van de arbeidstijd van 37,5 tot 40 uur per week, ten opzichte van het personeelsbestand per 1 januari 2013; is van oordeel dat deze vermindering moet gelden voor een constante werkdruk en dat nieuwe verantwoordelijkheden en taken bijgevolg moeten worden vrijgesteld van deze berekening;

84.  merkt op dat het Parlement overeenkomstig de uitbreiding van zijn nieuwe bevoegdheden en taken sinds 2013 belangrijke structurele veranderingen heeft ondergaan, zoals internaliseringsprocessen waarbij het personeel voor zover mogelijk uit interne herschikkingen voortvloeide, en dat nieuwe ambten slechts werden ingevoerd wanneer dit strikt noodzakelijk was; besluit deze extra posten uit te sluiten van de inspanning om het personeelsbestand met 5 % te verminderen;

85.  verzoekt de Commissie met klem bij het toezicht op de uitvoering van de doelstelling om het personeelsbestand van het Parlement te verminderen, rekening te houden met de nieuwe bijkomende overwegingen zoals de constante werkdruk, vrijstelling van de fracties, internaliseringen gecompenseerd door bezuinigingen op de begrotingslijnen voor externe diensten, en nieuwe bevoegdheden en taken;

86.  benadrukt dat de uitvoering van de personeelsinkrimping met 5 % niet ten koste mag gaan van de goede werking van het Parlement en de uitoefening door het Parlement van zijn belangrijkste bevoegdheden, en evenmin zijn uitmuntendheid op het gebied van wetgeving of de kwaliteit van de arbeidsvoorwaarden van de leden en het personeel mag aantasten;

87.  herinnert eraan dat geen enkele overeenkomst het Europees Parlement en de Raad kan beroven van hun soevereine beoordelingsvrijheid en van hun bevoegdheid om ieder jaar te beslissen over de inhoud van de begroting;

Overige personeelskwesties

88.  herinnert eraan dat de behoefte aan nieuwe ambten bij het secretariaat-generaal moet worden gedekt door interne herschikking, tenzij de noodzaak om nieuwe ambten te creëren naar behoren is gemotiveerd en aangetoond;

89.  herinnert eraan dat elke reorganisatie van de parlementaire werkzaamheden of van de procedures niet mag leiden tot een verslechtering van de arbeidsomstandigheden en sociale rechten van het personeel, ongeacht hun positie;

90.  herinnert eraan dat, om ervoor te zorgen dat de leden voor hun parlementaire werkzaamheden over voldoende ondersteuning beschikken, een nieuw evenwicht noodzakelijk is tussen geaccrediteerde parlementaire medewerkers en plaatselijke medewerkers; neemt kennis van het feit dat de secretaris-generaal een voorstel aan het Bureau heeft gedaan om dit doel te bereiken; betreurt dat het Bureau tot nu toe nog geen besluit ter zake heeft genomen; is van mening dat bij de uitvoering van de herziening van de huidige regels een overgangsperiode in acht moet worden genomen; verwacht dat het definitieve besluit uiterlijk in juli 2016 in werking zal treden, wanneer de overgangsperiode verstrijkt;

91.  herhaalt zijn toezegging om meertaligheid bij de parlementaire werkzaamheden te ondersteunen via strenge normen voor vertolking en vertaling; verzoekt de secretaris-generaal aan de Begrotingscommissie de resultaten te bezorgen van de analyse en de beoordeling die hij heeft ondernomen nadat geen akkoord kon worden bereikt over de nieuwe arbeidsomstandigheden voor tolken (voorjaar 2015); spreekt de verwachting uit dat de secretaris-generaal alle flexibiliteit aan de dag zal leggen die nodig is om te zorgen voor kwalitatief hoogwaardige vertolkings- en vertaaldiensten voor de leden;

92.  verzoekt de secretaris-generaal een gedetailleerd overzicht te verstrekken van alle ambten in het Parlement in de periode 2014-2016, met inbegrip van de indeling van het aantal ambten per dienst, categorie en type contract;

Gebouwenbeleid

93.  herinnert eraan dat de Begrotingscommissie op gezette tijden moet worden ingelicht over nieuwe ontwikkelingen op het gebied van het gebouwenbeleid van het Parlement en tijdig moet worden geraadpleegd, d.w.z. voordat een contract wordt gesloten, over vastgoedprojecten die financiële gevolgen hebben; bevestigt dat de financiële gevolgen van alle vastgoedprojecten nauwgezet zullen worden onderzocht;

94.  is van mening dat besluiten in verband met vastgoedprojecten moeten worden onderworpen aan een transparante besluitvorming;

95.  herhaalt nogmaals zijn oproep dat de nieuwe vastgoedstrategie voor de middellange termijn zo spoedig mogelijk en uiterlijk begin 2016 aan de Begrotingscommissie wordt voorgelegd, namelijk tijdig voor de opstelling van de raming van het Parlement voor het begrotingsjaar 2017; verzoekt de secretaris-generaal een mogelijke langetermijnstrategie tot 2025 ruim voor de lezing van de begroting door het Parlement in het najaar van 2016 aan de Begrotingscommissie voor te leggen;

96.  merkt op dat sinds 2014 geen kredieten zijn opgenomen voor investeringen in de bouw van het Konrad Adenauer-gebouw (KAD) in Luxemburg; herinnert eraan dat in de raming voor 2016 enkel kredieten zijn opgenomen ter dekking van werkzaamheden en diensten die rechtstreeks door het Parlement moeten worden betaald, voornamelijk voor het beheer van het project, technische expertise en adviezen; verzoekt de secretaris-generaal vóór het eind van dit jaar te beoordelen welke kredieten in de begroting 2015 niet zijn gebruikt en deze eind 2015 via een verzoek om overschrijving toe te wijzen aan het KAD-project, om in de toekomst zoveel mogelijk bouwgerelateerde rentebetalingen te vermijden;

Uitgaven van de leden

97.  herhaalt de oproep tot meer transparantie betreffende de algemene kostenvergoeding van de leden; verzoekt het Bureau van het Parlement nauwkeuriger regels op te stellen over de verantwoordingsplicht met betrekking tot de uitgaven die uit deze vergoeding kunnen worden gedaan, zonder dat dit voor het Parlement extra kosten met zich brengt;

98.  vraagt een evaluatie van de resultaten van de vrijwillige benadering die de gezamenlijke werkgroep heeft gekozen om vliegen in business class door de leden en het personeel te beperken, alsook van de mogelijke manieren om meer voordelige tarieven te verkrijgen en zo de reiskosten van de leden en het personeel te verminderen;

Afdeling IV – Hof van Justitie

99.  betreurt dat, ondanks de aanhoudende stijging van het volume van de justitiële activiteit en de geplande hervorming van het Gerecht, de Commissie het personeelsbestand met 20 ambten heeft verminderd, waarbij een risico op knelpunten ontstaat en de goede werking en de snelheid van de rechtsbedeling in het gedrang komen; besluit daarom de 20 ambten waarom het Hof aanvankelijk had gevraagd, opnieuw op te nemen;

100.  betreurt dat de Raad de forfaitaire verlaging die wordt toegepast op de kredieten voor de bezoldiging van het personeel heeft opgetrokken van 2,5 % tot 3,2 %, wat neerkomt op een besnoeiing van 1,55 miljoen EUR en in tegenspraak is met de buitengewoon hoge bezetting van de ambten bij het Hof (98 % eind 2014) en het hoge uitvoeringspercentage van de begroting (99 % in 2014); past daarom de forfaitaire verlaging opnieuw aan tot het niveau van de ontwerpbegroting en annuleert de overeenkomstige verlaging van de kredieten om te waarborgen dat het Hof adequaat kan omgaan met de aanzienlijke toename van het aantal zaken en ten volle gebruik kan maken van het aantal toegekende ambten;

101.  besluit verder de zeven ambten waarom het Hof aanvankelijk had gevraagd opnieuw op te nemen opdat het kan voldoen aan een dubbele eis, namelijk de afdeling veiligheid en zekerheid van het Hof versterken om het personeel, de bezoekers en de documenten beter te beschermen, en het nieuwe artikel 105 van het Reglement van het Gerecht uitvoeren, waarin is bepaald dat er een sterk beveiligd systeem moet worden opgezet om ervoor te zorgen dat partijen die bij bepaalde zaken betrokken zijn informatie en materiaal kunnen verstrekken dat verband houdt met de veiligheid van de Unie, de lidstaten of het onderhouden van hun internationale betrekkingen;

102.  benadrukt in dit verband de behoefte aan middelen voor beveiliging en bewaking van de gebouwen van het Hof en besluit daarom de door de Raad voorgestelde verlagingen op dit gebied ongedaan te maken en opnieuw het niveau van de ontwerpbegroting op te nemen;

103.  annuleert de bestaande reserve voor dienstreizen en vervangt deze door een nieuwe reserve, die zal worden vrijgegeven wanneer het Hof informatie publiceert over de externe activiteiten van zijn rechters, zoals gevraagd door het Parlement in zijn kwijtingsresolutie 2013 met betrekking tot het Hof(15);

Afdeling V – Rekenkamer

104.  past de forfaitaire verlaging aan tot het aanvankelijke niveau van 2,76 %, om de Rekenkamer in staat te stellen te voldoen aan haar behoeften in verband met het personeelsbestand;

105.  maakt alle andere verlagingen ongedaan die de Raad voor de Rekenkamer heeft doorgevoerd, zodat zij haar werkprogramma kan uitvoeren en de geplande auditverslagen kan opstellen;

Afdeling VI – Europees Economisch en Sociaal Comité

106.  past de forfaitaire verlaging aan tot het aanvankelijke niveau van 4,5 %, om het Comité in staat te stellen te voldoen aan zijn behoeften en het hoofd te bieden aan de aanhoudende vermindering van zijn personeelsbestand in het kader van de samenwerkingsovereenkomst tussen het Europees Parlement en het Comité;

107.  besluit verder de bedragen van de ontwerpbegroting opnieuw op te nemen voor wat de reis- en verblijfkosten betreft;

Afdeling VII – Comité van de Regio's

108.  verlaagt enerzijds de kredieten voor bezoldigingen en vergoedingen met een bedrag dat overeenkomt met 66 opwaarderingen en vier extra ambten waarmee in de ontwerpbegroting nog geen rekening is gehouden, om zo de overdracht van die ambten naar het Parlement te weerspiegelen;

109.  verhoogt anderzijds de kredieten op een aantal lijnen (uitbesteding van vertalingen, derden, communicatie, representatiekosten, communicatie van de fracties, dienstreizen en reiniging en onderhoud) om deze beter af te stemmen op de eigen ramingen van het Comité, opdat het zijn politieke werkzaamheden kan verrichten en aan zijn verplichtingen kan voldoen;

110.  maakt tot slot de verlagingen van de Raad ongedaan op het gebied van veiligheid van en toezicht op de gebouwen van het Comité om te zorgen voor voldoende financiering voor beveiligingsmaatregelen voor het geval het dreigingsniveau voor de veiligheid in 2016 zou toenemen ("geel");

Afdeling VIII – Europese Ombudsman

111.  betreurt dat de Raad de ontwerpbegroting van de Ombudsman met 135 000 EUR heeft verlaagd; benadrukt dat deze verlaging een onevenredige last vormt voor de zeer beperkte begroting van de Ombudsman en belangrijke gevolgen heeft voor het vermogen van de instelling om de Europese burger efficiënt van dienst te zijn; maakt daarom alle verlagingen door de Raad ongedaan om de Ombudsman in staat te stellen zijn mandaat uit te oefenen en zijn verplichtingen na te komen;

Afdeling IX – Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming

112.  betreurt dat de Raad de ontwerpbegroting van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming met 135 000 EUR heeft verlaagd; benadrukt dat deze verlaging een onevenredige last vormt voor de zeer beperkte begroting van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en belangrijke gevolgen heeft voor het vermogen van de instelling om de instellingen van de Unie efficiënt van dienst te zijn; maakt daarom alle verlagingen door de Raad ongedaan om de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming in staat te stellen zijn mandaat uit te oefenen en zijn verplichtingen na te komen;

Afdeling X – Europese dienst voor extern optreden

113.  is van mening dat, om het hoofd te kunnen bieden aan de uitdagingen van de geopolitieke onzekerheid en ervoor te zorgen dat de Unie overal ter wereld haar rol kan vervullen, passende financiering van de EDEO moet worden gewaarborgd; neemt daarom voor alle lijnen de bedragen van de ontwerpbegroting opnieuw op en schrapt het voorbehoud dat de Raad heeft gemaakt in verband met de schommeling van de wisselkoers van de euro;

o

o o

114.  is ervan overtuigd dat de begroting van de Unie een bijdrage kan leveren om niet alleen de gevolgen maar ook de onderliggende oorzaken van de crises waarmee de Unie momenteel wordt geconfronteerd op doeltreffende wijze aan te pakken; is evenwel van mening dat onvoorziene gebeurtenissen met een Uniebrede dimensie moeten worden aangepakt door de inspanningen te bundelen en extra middelen op het niveau van de Unie ter beschikking te stellen, en niet door vroegere verbintenissen in vraag te stellen of terug te grijpen naar de illusie van louter nationale oplossingen; benadrukt daarom dat flexibiliteitsbepalingen er precies zijn om een dergelijke gezamenlijke en snelle respons mogelijk te maken en dat deze ten volle moeten worden benut om de strikte beperkingen van de MFK-maxima op te vangen;

115.  benadrukt dat, nauwelijks twee jaar na het begin van het huidige MFK, de Commissie reeds twee keer heeft moeten verzoeken om de beschikbaarstelling van middelen uit het flexibiliteitsinstrument en uit de marge voor onvoorziene uitgaven om dringende en onvoorziene behoeften te dekken die niet konden worden gefinancierd binnen de bestaande maxima van het MFK; wijst er tevens op dat de totale marge voor vastleggingen in 2015, het eerste jaar van de looptijd, reeds onmiddellijk volledig werd gebruikt, terwijl de middelen voor twee belangrijke programma's van de Unie moesten worden verlaagd om nieuwe initiatieven te kunnen financieren; benadrukt dat vanwege de vervroegde terbeschikkingstelling in 2014-2015, meerdere EU-programma's over minder of zelfs geen vastleggingskredieten beschikken vanaf 2016; acht het bijgevolg duidelijk dat de maxima van het MFK in veel rubrieken te krap zijn en de Unie verlammen op gebieden waar de behoeften het grootst zijn, terwijl de beschikbare flexibiliteitsmechanismen van het MFK reeds hun grenzen hebben bereikt; is van mening dat deze ontwikkelingen pleiten voor een echte tussentijdse herziening van het MFK; ziet vol verwachting uit naar de desbetreffende ambitieuze voorstellen van de Commissie in 2016;

116.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, samen met de amendementen op het ontwerp van algemene begroting, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de overige instellingen en de betrokken organen, alsmede aan de nationale parlementen.

1.9.2015

ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken

aan de Begrotingscommissie

over het standpunt van de Raad inzake de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016

(2015/2132(BUD))

Rapporteur voor advies: Cristian Dan Preda

SUGGESTIES

De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is ingenomen met de verhoging van de vastleggings- en betalingskredieten voor rubriek 4 (Europa als wereldspeler) ten opzichte van het vorige jaar, waardoor de Europese Unie over de middelen zou moeten beschikken om haar waarden en belangen te handhaven en te bevorderen en bij te dragen aan de bescherming van haar burgers in haar betrekkingen met de rest van de wereld; wijst met name op het belang van de aanzienlijk toegenomen betalingskredieten, hetgeen zal helpen de enorme achterstand weg te werken die in de afgelopen jaren is ontstaan; is daarom sterk gekant tegen de door de Raad voorgestelde verlagingen van de vastleggings- en betalingskredieten;

2.  benadrukt dat het van groot belang is voldoende middelen ter beschikking te stellen voor het Europees nabuurschapsinstrument, dat een cruciale rol speelt bij de ondersteuning van de stabiliteit in de oostelijke en zuidelijke buurlanden van de Unie; is ten zeerste ingenomen met de verhoging van de vastleggingskredieten met 4,9 % ten opzichte van vorig jaar; heeft kritiek op de drastische verlagingen door de Raad van de kredieten voor het ENI en benadrukt dat deze kredieten dringend aanzienlijk moeten worden verhoogd om te voldoen aan de behoeften van de landen die onder dit instrument vallen; benadrukt de kritieke aard van de problemen waarmee Libië en Tunesië worden geconfronteerd en het belang van het verstrekken van meer steun om een bijdrage te leveren aan de capaciteitsopbouw van de instellingen van deze landen, justitiële hervormingen, de hervorming van de veiligheidssector en de bijstandsverlening inzake grensbeheer;

3.  onderstreept het belang van een verhoging van de vastleggingen en betalingen in de begroting 2016 voor de bestrijding van het terrorisme;

4.  benadrukt dat de verdediging van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden en de bevordering van de democratie in de huidige mondiale context van existentieel belang zijn en de verbondenheid van de Unie met haar fundamentele waarden symboliseren; onderstreept dat het Europees instrument voor democratie en mensenrechten in dit verband een essentieel instrument is, waarvoor passende financiering noodzakelijk is;

5.  neemt kennis van de conclusies van de Europese Raad van 25 juni 2015; benadrukt dat het GBVB harde toezeggingen met zich meebrengt op het gebied van zichtbaarheid en flexibiliteit, met name voor wat betreft de ontwikkeling van civiele en militaire capaciteiten, de versterking van de defensiesector en kmo's; is in dit verband zeer ingenomen met de bereidheid van de Raad om te zorgen voor passende financiering voor de voorbereidende actie inzake GBVB-gerelateerd onderzoek, waardoor het pad wordt geëffend voor een specifiek, goed gefinancierd programma voor onderzoek en technologie op het gebied van defensie in het volgende MFK;

6.  benadrukt dat het belangrijk is in de begroting voldoende middelen op te nemen voor het vredesproces in het Midden-Oosten, de Palestijnse Autoriteit en de UNRWA om te voldoen aan de behoeften in het veld, die de afgelopen jaren zijn toegenomen als gevolg van meerdere regionale crises; benadrukt dat het terugkerende probleem van onderfinanciering van EU-steun aan het UNRWA in de EU-begroting moet worden aangepakt;

7.  is verheugd over het lopende proces van bezinning binnen de EDEO over de toekomst van de speciale vertegenwoordigers van de EU en hun relatie met de EDEO; is van oordeel dat elke wijziging in de begrotingslijn voor de speciale vertegenwoordigers van de EU pas mag worden doorgevoerd nadat het huidige proces van bezinning is voltooid;

8.  steunt het plan van de EDEO om een EU-delegatie in Iran te openen naar aanleiding van de succesvolle afronding van de nucleaire gesprekken.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

31.8.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

44

7

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Michèle Alliot-Marie, Elmar Brok, Klaus Buchner, James Carver, Fabio Massimo Castaldo, Lorenzo Cesa, Arnaud Danjean, Mark Demesmaeker, Georgios Epitideios, Knut Fleckenstein, Eugen Freund, Michael Gahler, Iveta Grigule, Sandra Kalniete, Manolis Kefalogiannis, Janusz Korwin-Mikke, Andrey Kovatchev, Eduard Kukan, Ilhan Kyuchyuk, Arne Lietz, Barbara Lochbihler, Sabine Lösing, Andrejs Mamikins, David McAllister, Tamás Meszerics, Demetris Papadakis, Alojz Peterle, Tonino Picula, Andrej Plenković, Cristian Dan Preda, Jozo Radoš, Jacek Saryusz-Wolski, Jaromír Štětina, Charles Tannock, Eleni Theocharous, László Tőkés, Johannes Cornelis van Baalen, Geoffrey Van Orden

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Daniel Caspary, Neena Gill, Ana Gomes, Liisa Jaakonsaari, Othmar Karas, Javi López, Antonio López-Istúriz White, Norbert Neuser, Urmas Paet, Gilles Pargneaux, Helmut Scholz

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Heidi Hautala, Jutta Steinruck

24.9.2015

ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking

aan de Begrotingscommissie

over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016

(2015/2132(BUD))

Rapporteur voor advies: Arne Lietz

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  verwerpt met klem de door de Raad voorgestelde verlaging van de financiering voor ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp;

2.  is van mening dat de besparingen op de begrotingslijnen voor het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking met name ongepast zijn in het licht van de enorme nood aan financiering voor de nieuwe doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling en de in de context van de VN-conferentie inzake ontwikkelingsfinanciering van juli dit jaar hernieuwde toezegging van de Unie om haar collectieve officiële ontwikkelingshulp (ODA) te verhogen tot 0,7 % van haar bni;

3.  herinnert aan het engagement van de ontwikkelde landen om hun klimaatfinanciering voor ontwikkelingslanden te verhogen en om ervoor te zorgen dat het hier nieuwe steun betreft, die bovenop de niet-klimaatgerelateerde ODA komt; benadrukt dat dit engagement minstens betekent dat de totale ODA dienovereenkomstig moet worden verhoogd; wijst op het belang hiervan in het kader van de doelstelling om later dit jaar een nieuwe mondiale klimaatovereenkomst te sluiten;

4.  wijst erop dat het aantal vluchtelingen en in eigen land ontheemden in de wereld gestegen is tot 60 miljoen, wat meer is dan ooit tevoren, en dat er bijgevolg meer behoefte is aan humanitaire hulp; is ingenomen met het feit dat de Raad de middelen voor humanitaire hulp in het kader van de ontwerpbegroting van de Commissie heeft behouden; is echter van mening dat 26 miljoen EUR moet worden toegevoegd aan begrotingslijn 23 02 01 en moet worden gebruikt voor onderwijs in vluchtelingenkampen alsook in noodgevallen en crisissituaties, aangezien dit kan zorgen voor levensreddende vaardigheden, kinderen kan helpen een toekomst op te bouwen, en hen kan behoeden voor radicalisering;

5.  is van mening dat, gelet op de huidige vluchtelingencrisis, de bedragen voor begrotingslijn 21 02 07 05 voor migratie en asiel niet mogen worden verminderd, maar eerder moeten worden verhoogd; benadrukt dat deze lijn moet worden aangewend voor maatregelen om de diepere oorzaken van migratie aan te pakken en om het adequate beheer van migratiestromen in de ontwikkelingslanden te ondersteunen;

6.  wijst erop dat het eveneens nodig is begrotingslijn 21 02 08 02 te versterken, aangezien plaatselijke autoriteiten een grote rol zullen spelen bij het aanbieden van sociale basisvoorzieningen en bij het aanpakken van uitdagingen op het vlak van urbanisatie in het ontwikkelingskader na 2015.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

22.9.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

1

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Louis Aliot, Beatriz Becerra Basterrechea, Ignazio Corrao, Nirj Deva, Doru-Claudian Frunzulică, Nathan Gill, Charles Goerens, Enrique Guerrero Salom, Heidi Hautala, Maria Heubuch, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Arne Lietz, Linda McAvan, Norbert Neuser, Maurice Ponga, Cristian Dan Preda, Lola Sánchez Caldentey, Elly Schlein, György Schöpflin, Davor Ivo Stier, Paavo Väyrynen, Bogdan Brunon Wenta

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Brian Hayes, Eleni Theocharous

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Liliana Rodrigues, Estefanía Torres Martínez

2.9.2015

ADVIES van de Commissie internationale handel

aan de Begrotingscommissie

inzake het standpunt van de Raad over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016

(2015/2132(BUD))

Rapporteur voor advies: Reimer Böge

SUGGESTIES

De Commissie internationale handel verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt dat afdoende kredieten toegewezen moeten worden aan begrotingslijnen die betrekking hebben op handel, om de Commissie in staat te stellen op efficiënte en doeltreffende wijze uitvoering te geven aan haar ambitieuze handelsagenda, gericht op het scheppen van groei en werkgelegenheid in heel Europa en het verwezenlijken van de bredere internationale doelstellingen van de Unie, en haar de kans te geven haar inspanningen op het gebied van het toezicht op de uitvoering en de effecten van handelsakkoorden te versterken;

2.  benadrukt dat de Unie ook extra inspanningen moet leveren ter versterking van het toezicht op de uitvoering en de nadelige effecten van handelsovereenkomsten die door de Unie zijn gesloten of waarover de Unie momenteel onderhandelt; roept op tot het toewijzen van toereikende financiële middelen voor de uitvoering van beoordelingen vooraf, tussentijds en achteraf van de handelsverdragen om de effecten daarvan op de economie van de EU en die van de partnerlanden te evalueren en te waarborgen dat de verplichtingen die de handelspartners zijn aangegaan volledig ten uitvoer worden gelegd en nageleefd;

3.  is tevreden met het feit dat ngo's een steeds belangrijker rol spelen bij de vorming van de publieke opinie inzake handelskwesties, en benadrukt het feit dat de Unie een doeltreffende communicatiestrategie moet hebben om te informeren en om een betere interactie mogelijk te maken met de burgers en met maatschappelijke organisaties die zich met handelskwesties bezighouden;

4.  verwelkomt de stijging, zij het bescheiden, van de vastleggingen voor het instrument voor macrofinanciële bijstand en het Europees nabuurschapsinstrument; is echter bezorgd dat deze verhogingen onvoldoende zullen zijn om in te kunnen springen op de behoeften in het Oostelijk en Zuidelijk nabuurschap, onder meer in de vorm van mogelijke uitbreidingen van de steunprogramma's voor Oekraïne;

5.  benadrukt dat de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst inzake handelsfacilitatie waarover op de 9de ministeriële conferentie van de WTO overeenstemming is bereikt verhoogde steun zal vereisen voor de minst ontwikkelde en ontwikkelingslanden; benadrukt de behoefte aan gecoördineerde inspanningen tussen de Commissie en de lidstaten met betrekking tot internationale financiële instellingen om verlaging van de kredieten voor Aid for trade te voorkomen en onregelmatigheden in de samenwerking met bepaalde partners die leiden tot een verminderde effectiviteit van de uitgaven te vermijden, en ervoor te zorgen dat de Overeenkomst inzake handelsfacilitatie bijdraagt aan ontwikkeling;

6.  herinnert eraan dat het Parlement in 2009 een aanvullend krediet van 1 miljoen EUR specifiek heeft toegewezen aan acties in verband met Fair Trade op de begrotingslijn ter financiering van projecten op het gebied van externe handel, en roept de Commissie op te overwegen deze begrotingslijn in 2016 weer in te voeren voor het financieren van acties in verband met Fair Trade, zoals gedefinieerd in de mededeling van de Commissie van 5 mei 2009(16);

7.  wijst op de bescheiden verhoging van de kredieten voor het partnerschapsinstrument; herinnert aan de doelstelling van het programma om de internationale handels- en investeringsmogelijkheden voor Europese kmo's te stimuleren; onderstreept het belang van technische ondersteuning van kmo's, om hun internationalisering te bevorderen; roept de Commissie op de efficiëntie en doeltreffendheid van de bestaande instrumenten te evalueren en te verbeteren, en te zorgen voor voldoende controle van en toezicht op alle activiteiten, zoals de Europese businesscentra, teneinde een coherentere aanpak te ontwikkelen, waarbij tevens rekening moet worden gehouden met bestaande particuliere initiatieven.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

31.8.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

5

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

William (The Earl of) Dartmouth, Maria Arena, David Borrelli, David Campbell Bannerman, Daniel Caspary, Marielle de Sarnez, Ska Keller, Jude Kirton-Darling, David Martin, Emmanuel Maurel, Emma McClarkin, Anne-Marie Mineur, Sorin Moisă, Alessia Maria Mosca, Viviane Reding, Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández, Marietje Schaake, Helmut Scholz, Joachim Schuster, Joachim Starbatty, Adam Szejnfeld, Hannu Takkula, Iuliu Winkler

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Reimer Böge, Klaus Buchner, Edouard Ferrand, Sander Loones, Gabriel Mato, Marita Ulvskog, Jarosław Wałęsa, Pablo Zalba Bidegain

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Karoline Graswander-Hainz, Miguel Urbán Crespo

22.9.2015

ADVIES van de Commissie begrotingscontrole

aan de Begrotingscommissie

inzake de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016

(2015/2132(BUD))

Rapporteur voor advies: Ingeborg Gräßle

SUGGESTIES

De Commissie begrotingscontrole verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat in een situatie waarin de middelen beperkt zijn, het des te noodzakelijker is om begrotingsdiscipline aan de dag te leggen en zuinig met de financiële middelen om te gaan;

B.  overwegende dat de voornaamste doelstelling van de ontwerpbegroting 2016 erin bestaat ervoor te zorgen dat de begroting van de Unie van de nodige middelen wordt voorzien opdat zij haar grotere bijdrage aan werkgelegenheid, groei, investeringen en solidariteit ten volle kan leveren, en op nieuwe ontwikkelingen kan reageren, met name in Oekraïne en Syrië, alsook op de gevolgen daarvan voor immigratie, humanitaire hulp en veiligheid;

C.  overwegende dat de dialoog tussen het Parlement en de Commissie als bedoeld in artikel 318 VWEU een prestatiegerichte cultuur binnen de Commissie dient te bevorderen;

1.  verzoekt de Commissie met klem, zoals de Europese Rekenkamer heeft voorgesteld in haar jaarverslagen 2012 en 2013, jaarlijks een kasstroomraming voor de lange termijn op te stellen en te publiceren, zodat belanghebbenden worden bijgestaan bij het beoordelen van de toekomstige betalingsbehoeften en begrotingsprioriteiten en de Commissie wordt geholpen bij het nemen van de nodige besluiten om te waarborgen dat de essentiële betalingen kunnen worden gedaan uit de goedgekeurde jaarlijkse begrotingen;

2.  wijst erop dat eind 2013 de brutovoorfinanciering 79,4 miljard EUR beliep, en benadrukt dat lange periodes van voorfinanciering kunnen leiden tot een verhoogd risico op fouten of verlies; herinnert eraan dat dit risico vooral groot is voor rubriek 4 van de begroting (De EU als mondiale partner), waar voor een normale operatie een periode van vier jaar verstrijkt tussen de vastlegging en de boeking door de Commissie van de betreffende definitieve uitgaven;

3.  wijst erop dat de toepassing van financiële correcties die de Commissie oplegt aan lidstaten die nalaten goede systemen en terugvorderingen toe te passen, in 2014 circa 2 980 miljoen EUR bedroeg, wat minder is dan in 2013 (3 362 miljoen EUR)(17); verzoekt de Commissie duidelijk aan te geven welke in 2014 teruggevorderde bedragen in de rekeningen van de Unie als ontvangsten zijn geboekt of zijn gecompenseerd, en welke gevolgen de in 2014 besliste financiële correcties en terugvorderingen kunnen hebben voor de betalingsbehoeften voor de begroting 2015 en 2016;

4.   vraagt de Commissie en de lidstaten de transparantie met betrekking tot terugvorderingen te verbeteren, in het bijzonder ten aanzien van het jaar waarin de betaling is verricht, het jaar waarin de desbetreffende fout is vastgesteld en het jaar waarin de terugvorderingen of financiële correcties bekend zijn gemaakt in de toelichting bij de rekeningen;

5.  verzoekt de Commissie het Parlement een overzicht te verstrekken van de feitelijk gemaakte kosten en de ter beschikking gestelde financieringstranches voor structuurfondsprojecten die reeds tijdens de financieringsperiodes 2000-2006 of 2007-2013 zijn gefinancierd, en die tot nu toe nog niet zijn afgesloten;

6.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om voorstellen in te dienen inzake het opleggen van sancties voor valse of onjuiste informatie van de autoriteiten van de lidstaten in het beheer van de middelen van de Unie; herinnert eraan dat bijna alle betaalorganen voor rechtstreekse betalingen erkend en gecertificeerd zijn door de certificerende instanties in de lidstaten, en is daarom bezorgd over het feit dat sommige betaalorganen bijzonder hoge foutenpercentages vertonen; roept de lidstaten daarom op te zorgen voor een betere besteding van de begroting van de Unie door de nationale beheers- en controlesystemen doeltreffender en efficiënter te maken; roept de Commissie verder op voorstellen te presenteren ter versterking van de controle vooraf door de lidstaten, met als doel het aantal ten onrechte betaalde bedragen te verminderen, alsmede ter invoering van een systeem om bij een vermoeden van frauduleuze of onjuiste verslaglegging daadwerkelijk onderzoek te doen en sancties op te leggen;

7.  verzoekt de Commissie om in haar jaarverslag over de bescherming van de financiële belangen van de Unie en de bestrijding van fraude een jaarlijkse beoordeling op te nemen van de economische impact van corruptie in elke lidstaat op de fondsen van de Unie, met een specifiek en gericht actieplan om dat verschijnsel tegen te gaan;

8.  dringt er bij de Commissie op aan de transparantie bij het gebruik van financieringsinstrumenten (FI) te verbeteren, regelmatig verslag uit te brengen over de hefboomeffecten, de verliezen en de risico's, en een kosten-batenanalyse te presenteren van de FI's in vergelijking met directere vormen van projectfinanciering; vraagt de Commissie doeltreffende monitoringsystemen in te voeren om de vraag naar financiële instrumenten in de lidstaten te analyseren, teneinde het risico op overkapitalisatie te verlagen;

9.  vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat de gecombineerde begroting van het Comité van toezicht van het OLAF en zijn secretariaat wordt gespecificeerd in een afzonderlijk onderdeel van de OLAF-begroting voor 2016;

10.  dringt erop aan dat de Commissie, wanneer zij overeenkomstig artikel 318 VWEU de evaluaties van de prestaties van de Unie voorlegt aan het Parlement en de Raad, verslag uitbrengt over de resultaten die zijn behaald met de operationele uitgaven zoals uiteengezet in de programmaverklaringen voor de operationele uitgaven die de ontwerpbegroting van de Unie vergezellen;

11.  roept de Commissie in dit verband op specifiek aandacht te besteden aan het functioneren van de gedecentraliseerde agentschappen van de Unie en in het bijzonder aan hun zichtbaarheid en democratische controleerbaarheid, gezien hun afgelegen locaties en het feit dat burgers van de Unie vaak niet van hun activiteiten of zelfs van hun bestaan op de hoogte zijn;

12.  herinnert aan de dringende noodzaak om prioriteit te geven aan de controleerbaarheid en de resultaten van het gebruik van de begroting van de Unie; roept daarom op tot de ontwikkeling van concrete evaluatiemechanismen en indicatoren;

13.  verzoekt de Commissie haar beleidsvoornemens inzake transparantie op het gebied van Unie-middelen in detail toe te lichten, en met name haar maatregelen voor het waarborgen van een evenwichtige besluitvorming, waarbij alle relevante belanghebbenden worden betrokken, met inbegrip van consumentenorganisaties, kmo's, vakbonden en organisaties van algemeen belang, in het bijzonder milieuorganisaties;

14.  verzoekt de Commissie, aangezien zij vanwege haar nieuwe beleid inzake "betere regelgeving" veel minder wetgevingsinitiatieven indient dan in het verleden, een gedetailleerde toelichting te geven van de gevolgen voor de begroting en het personeel van deze verschuiving van het zwaartepunt van wetgevende naar uitvoerende activiteiten, en in het bijzonder aan te geven of in dit opzicht bezuinigingen mogelijk zijn;

15.  verzoekt de Commissie de doeltreffende tenuitvoerlegging van de nationale strategieën voor integratie van de Roma op lokaal en regionaal niveau te ondersteunen om ervoor te zorgen dat de middelen die bestemd zijn voor de integratie van de Roma daadwerkelijk aan dit doel worden besteed en gericht zijn op de doelstellingen van het algemene beleid;

16.  dringt er bij de Commissie op aan verslag uit te brengen aan het Parlement over door de Unie gefinancierde maatregelen ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid, en over de met die maatregelen bereikte resultaten;

17.  verzoekt de begrotingsautoriteiten de inspanningen van de Unie ter voorkoming en bestrijding van fraude, corruptie en andere illegale activiteiten die de financiële belangen van de Unie schaden, te evalueren; benadrukt in dit verband dat bezuinigingen op programma's zoals de Hercules-programma's of het antifraude-informatiesysteem (AFIS) nadelig zouden zijn voor de begroting van de Unie, omdat ze OLAF en de lidstaten ondersteunen bij het beschermen van de financiële belangen van de Unie;

18.  wijst erop dat het Parlement tijdens de kwijtingsprocedure voor het begrotingsjaar 2013 betreffende het Hof van Justitie van de Europese Unie onvoldoende informatie heeft ontvangen over de lijst van externe activiteiten van de rechters; herinnert eraan dat het Hof van Justitie op zijn homepage een register publiceert met gedetailleerde informatie over de externe activiteiten van elke rechter.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

22.9.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

26

1

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nedzhmi Ali, Louis Aliot, Inés Ayala Sender, Zigmantas Balčytis, Ryszard Czarnecki, Dennis de Jong, Tamás Deutsch, Martina Dlabajová, Jens Geier, Ingeborg Gräßle, Rina Ronja Kari, Verónica Lope Fontagné, Monica Macovei, Dan Nica, Georgi Pirinski, Petri Sarvamaa, Claudia Schmidt, Igor Šoltes, Bart Staes, Marco Valli, Derek Vaughan, Anders Primdahl Vistisen

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Richard Ashworth, Cătălin Sorin Ivan, Karin Kadenbach, Marian-Jean Marinescu, Markus Pieper, Julia Pitera, Miroslav Poche, Patricija Šulin

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Raymond Finch

8.9.2015

ADVIES van de Commissie economische en monetaire zaken

aan de Begrotingscommissie

inzake de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 – alle afdelingen

2015/2132(BUD)

Rapporteur voor advies: Peter Simon

SUGGESTIES

De Commissie economische en monetaire zaken verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  wijst op de gevolgen van het lage investeringsniveau voor het tempo van het economisch herstel en de prognoses voor de groei in de EU op de lange termijn, waar de budgettaire en economische situatie in de lidstaten debet aan is; juicht het derhalve toe dat in de ontwerpbegroting, in subrubriek 1.1, het accent sterk wordt gelegd op nieuwe impulsen voor banen, groei, investeringen en meer concurrentievermogen door middel van een gunstig klimaat voor ondernemerschap;

2.  is van oordeel dat om het economisch herstel in de Europese Unie te bestendigen de bedragen op de begroting voor 2016 hoger moeten zijn dan op de begroting voor 2015;

3.  onderstreept dat het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) een doorslaggevende rol speelt bij het dichten van gaten die niet door de markt worden opgevuld en bij het aantrekken van nieuwe private investeringsinstrumenten en nieuwe financieringsbronnen voor investeringen, het aanzwengelen van het concurrentievermogen en het economisch herstel, alsook het vergroten van het vertrouwen in de markt; is ingenomen met het tussen de medewetgevers bereikte akkoord over een verhoging van de bijdragen aan het EFSI tot 3 miljard euro, gefinancierd uit de algemene begrotingsmarges voor de periode 2016-2020; benadrukt opnieuw dat het vastbesloten is de budgettaire gevolgen voor Horizon 2020 en de Connecting Europe Facility (CEF) verder te beperken;

4.  dringt erop aan de begroting 2016 een afspiegeling te laten zijn van de prioriteiten van het Europees semester, waaronder het stimuleren van investeringen, het creëren van nieuwe banen, het doorvoeren van structurele hervormingen en fiscale consolidatie, resulterend in daadwerkelijke, duurzame groei;

5.  wijst op de huidige en toekomstige essentiële rol van de drie Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA's) in het kader van het financieel toezicht op Unie-niveau en de bankenunie; onderstreept dat de ontwerpbegroting 2016 moet voorzien in toereikende begrotingsmiddelen voor de ETA´s, overeenkomstig de nieuwe taken waarmee zij worden belast en rekening houdend met externe factoren, zoals wisselkoersschommelingen en de stijging van het algemene loonniveau;

6.  herinnert eraan dat het Europees Parlement zich een groot voorstander heeft betoond van de oprichting van de ETA's en is van mening dat de Unie de kwaliteit van het toezicht overal in de Unie verder moet verbeteren; is van mening dat de ETA's een belangrijke rol vervullen ten aanzien van de werking van de financiële markten in de Unie;

7.  onderstreept in dit verband dat de ETA´s, afgezien van toereikende financiering, ook over voldoende en voldoende gekwalificeerd personeel moeten kunnen beschikken om de hun toegewezen taken op een hoog kwaliteitsniveau te kunnen uitvoeren; verzoekt in dit verband het Gemengd Comité van de Europese toezichthoudende autoriteiten een verslag in te dienen over hun in de toekomst te verwachten personeelsbehoeften en financiële noden;

8.  stelt vast dat de ETA's momenteel worden gefinancierd uit verplichte afdrachten van de aangesloten nationale instanties, middelen uit de EU-begroting en vergoedingen van de instellingen die onder hun toezicht staan; beschouwt dit financieringsconcept als nationaal georiënteerd, inflexibel en ingewikkeld, en een potentiële bedreiging voor de onafhankelijkheid van de ETA's; verzoekt de Commissie daarom nogmaals om voor 2017 met een voorstel voor een financieringsconcept te komen, waarbij de financiering berust op vergoedingen die de huidige bijdragen van de lidstaten volledig vervangen; is van mening dat op deze wijze gewaarborgd wordt dat de ETA's financieel onafhankelijk zijn van de aangesloten nationale instanties en volstrekt integer kunnen opereren jegens de actoren op de financiële markten;

9.  benadrukt dat het steeds belangrijker wordt de transparantie bij de vennootschapsbelasting en fiscale rulings te vergroten en de bestrijding van belastingontduiking en -vermijding te coördineren; verlangt om die reden dat in de begroting 2016 het belang van het Fiscalis-programma inzake samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van de belastingadministratie naar behoren tot uiting komt; dringt er tevens op aan terdege rekening te houden met de resultaten van de door de Commissie georganiseerde raadpleging over transparantie bij de vennootschapsbelasting, met name wat de rapportage per land betreft;

10.  verzoekt de Commissie om zich bij de uitvoering van de geplande herstructureringsmaatregelen ten aanzien van voldoende personeel te concentreren op de belangrijkste prioriteiten; onderstreept in dit verband de rol van de afdeling Staatssteun die moet waarborgen dat belastingpraktijken in verband met tax rulings en andere uit het oogpunt van staatssteunregels bedenkelijke maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect voortaan beter kunnen worden onderzocht, wat ertoe bijdraagt dat ondernemingen in de Europese Unie eerlijker worden belast en dat de belastingdruk tussen individuen en bedrijven evenwichtiger wordt verdeeld;

11.  wijst erop dat er behoefte is aan meer pan-Europese statistische gegevens die vollediger, methodologisch vergelijkbaar, nauwkeurig en actueel zijn; is derhalve ingenomen met het feit dat de ontwerpbegroting voorziet in een passende verhoging van de uitgaven voor de toepassing van nieuwe methoden voor het genereren van Europese statistieken en voor een betere samenwerking binnen het Europese statistische systeem;

12.  wijst er nogmaals met klem op dat er in de ontwerpbegroting voldoende financiering moet worden opgenomen om het maatschappelijk middenveld in staat te stellen capaciteit op het gebied van financiële diensten op te bouwen;

13.  dringt aan op de uitvoering van de aanbevelingen in het verslag-Maystadt betreffende de taken en verantwoordelijkheden van de European Financial Reporting Advisory Group (EFRAG), waarmee tevens de invloed van de Europese Unie in het proces van het vaststellen van internationale accountancy-normen zal worden vergroot;

14.  is van oordeel dat de vertegenwoordigers in de IASB op democratische wijze moeten worden benoemd en onder een democratische verantwoordingsplicht moeten vallen; benadrukt dat het Europees Parlement een rol moet spelen bij het selecteren van de Europese vertegenwoordigers en hen ter verantwoording moet roepen;

15.  verzoekt de ESMA ervoor te zorgen dat het Europees Parlement, inclusief de verantwoordelijke leden en hun medewerkers, daadwerkelijk en op hetzelfde moment als de raad van toezichthouders toegang hebben tot documenten;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

3.9.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

40

12

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gerolf Annemans, Hugues Bayet, Pervenche Berès, Udo Bullmann, Anneliese Dodds, Elisa Ferreira, Sven Giegold, Roberto Gualtieri, Brian Hayes, Danuta Maria Hübner, Diane James, Petr Ježek, Philippe Lamberts, Sander Loones, Olle Ludvigsson, Ivana Maletić, Notis Marias, Fulvio Martusciello, Marisa Matias, Bernard Monot, Stanisław Ożóg, Dariusz Rosati, Alfred Sant, Molly Scott Cato, Peter Simon, Theodor Dumitru Stolojan, Kay Swinburne, Paul Tang, Michael Theurer, Marco Valli, Tom Vandenkendelaere, Cora van Nieuwenhuizen, Miguel Viegas, Jakob von Weizsäcker, Pablo Zalba Bidegain

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Alain Cadec, Matt Carthy, Mady Delvaux, Doru-Claudian Frunzulică, Sophia in ‘t Veld, Ramón Jáuregui Atondo, Barbara Kappel, Jeppe Kofod, Thomas Mann, Alessia Maria Mosca, Siegfried Mureşan, Eva Paunova, Michel Reimon, Andreas Schwab, Tibor Szanyi, Romana Tomc, Beatrix von Storch

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Sven Schulze, Axel Voss

3.9.2015

ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

aan de Begrotingscommissie

inzake de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016 - alle afdelingen

(2015/2132(BUD))

Rapporteur voor advies: Giovanni La Via

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herinnert eraan dat een hoog niveau van bescherming van het milieu en de gezondheid in de Unie een voorwaarde is voor economische voorspoed, en dat de veiligheid van voedsel en diervoeder en mechanismen om ons te helpen beschermen tegen door de mens veroorzaakte rampen en natuurrampen voor alle Europese burgers en dus voor het Europees Parlement van het hoogste belang zijn;

2.  is zich er tegelijkertijd ten volle van bewust dat de beleidsmaatregelen en financieringsinstrumenten waar deze commissie bevoegd voor is van geringe omvang zijn vergeleken met andere beleidsmaatregelen en financieringsinstrumenten in de rubrieken 2 en 3 en minder aandacht krijgen dan andere programma's en fondsen; wijst derhalve ten zeerste verdere bezuinigingen op de financiële middelen voor deze programma's en begrotingslijnen af omdat de gevolgen niet te tolereren zouden zijn; dringt er met name bij de lidstaten op aan om de uitvoering van milieu- en klimaatvriendelijke beleidsmaatregelen, acties en projecten niet als een belasting te zien, maar als een kans om groei en duurzame ontwikkeling te bevorderen; benadrukt dat het scheppen van nieuwe groene banen en de economische groei van het mkb in de Unie ook het gevolg zijn van de uitvoering van milieuwetgeving;

3.  erkent dat de begrotingen op nationaal niveau onder grote druk staan en dat er gestreefd wordt naar consolidatie; wijst er echter op dat het Europees Parlement en de Raad rekening moeten houden met de substantiële Europese toegevoegde waarde van de beleidsmaatregelen en financieringsinstrumenten waar deze commissie bevoegd voor is, wanneer zij een besluit nemen over de ontwerpbegroting (OB) 2016;

4.  betreurt het ten zeerste dat de Raad bezuinigingen van - naar het zich laat aanzien - horizontale aard heeft voorgesteld voor een aantal belangrijke programma's, in het bijzonder het derde programma voor het optreden van de Unie op het gebied van gezondheid (2014-2020), alsook voor begrotingslijnen met betrekking tot de veiligheid van voedsel en diervoeders, en voor begrotingslijnen met betrekking tot de preventie van en de voorbereidheid op rampen in de Unie; wijst, in de context van de toetreding van de Unie tot internationale verdragen (bijv. het Protocol van Nagoya), de door de Raad voor deze begrotingslijnen voorgestelde bezuinigingen af;

5.  is in het algemeen van oordeel dat de financiële middelen die worden toegewezen aan de begrotingslijnen die onder de bevoegdheid van deze commissie vallen, moeten worden gehandhaafd op het niveau van 2015; dringt er, wat betreft alle programma's en financieringsinstrumenten die onder de bevoegdheid van deze commissie vallen, derhalve op aan de oorspronkelijke bedragen zoals opgenomen in de ontwerpbegroting volledig te herstellen;

6.  herinnert eraan dat Horizon 2020 zal bijdragen aan de doelstellingen waar deze commissie bevoegd voor is met onderzoeksprojecten op het gebied van klimaat, gezondheid en milieu; bevestigt zijn vaste voornemen om toe te zien op de afstemming van de projecten op de corresponderende doelstellingen en op de voortgang van de uitvoering; bekritiseert krachtig de keuze om in dit programma te snoeien om de EFSI-garantie te financieren;

7.  benadrukt dat het zwaartepunt van milieuonderzoek en -innovatie gelegen is in Horizon 2020's: "Klimaatactie, milieu, efficiënt gebruik van hulpbronnen en grondstoffen", met de doelstelling om een grondstofzuinige en klimaatveranderingsbestendige economie en samenleving tot stand te brengen, natuurlijke hulpbronnen en ecosystemen te beschermen en duurzaam te beheren en te zorgen voor een duurzame grondstoffenvoorziening en duurzaam grondstoffengebruik om tegemoet te komen aan de behoeften van een toenemende wereldbevolking binnen de duurzame beperkingen van de natuurlijke hulpbronnen en ecosystemen;

8.  merkt op dat de ontwerpbegroting van de EU voor 2016 voorziet in 153,5 miljard EUR aan vastleggingskredieten (inclusief 4,5 miljard EUR geherprogrammeerd van 2014) en 143,5 miljard EUR aan betalingskredieten; wijst erop dat, zonder rekening te houden met de herprogrammering in 2015 en 2016, dit neerkomt op een stijging van +2,4 % voor de vastleggingskredieten en van +1,6 % voor de betalingskredieten ten opzichte van de begroting 2015; benadrukt dat deze globaal genomen lichte verhogingen, overeenkomstig de krijtlijnen van het MFK en met inflatiecorrectie, in reële cijfers nauwelijks een verhoging inhouden, wat betekent dat doelmatigheid en doeltreffendheid van de uitgaven uitermate belangrijk zijn;

9.  herinnert eraan dat de afgelopen jaren qua betalingskredieten erg moeilijk zijn geweest en dat de uitvoering van het Uniebeleid is belemmerd door de ernstige beperkingen op het niveau van de goedgekeurde betalingskredieten, wat leidde tot herhaaldelijk gewijzigde begrotingen om te voorzien in delen van de openstaande financieringsbehoeften;

10.  wijst ten zeerste de mogelijkheid af, in geval van ontoereikende betalingskredieten in 2016, dat de Commissie zou kunnen besluiten, zoals zij in het verleden al gedaan heeft, niet volledig gebruik te maken van de vastleggingskredieten, hetgeen zou conflicteren met de niet aflatende inzet van het Parlement op het gebied van gezondheid, voedsel- en diervoederveiligheid; merkt bovendien op dat het gebrek aan betalingskredieten de reputatie van de Unie zal schaden aangezien begunstigden in het kader van de respectieve programma's dan niet betaald zullen worden;

11.  herinnert eraan dat LIFE het financieringsinstrument van de EU is ter ondersteuning van projecten op het gebied van milieu, natuurbehoud, en klimaatactie in de gehele Unie; wijst met name op de problemen die veroorzaakt worden door het gebrek aan betalingskredieten voor het LIFE-programma, dat de juiste uitvoering van dit belangrijke programma zou belemmeren en vertragen;

12.  is verheugd over de verhoging van de LIFE-begroting met 27,7 miljoen EUR in de OB 2016; merkt echter op dat het LIFE-programma slechts 0,3 % uitmaakt van de gehele OB 2016 en slechts 0,73 % vormt van rubriek 2 (in vastleggingskredieten) en dat deze percentages de afgelopen jaren stabiel zijn geweest;

13.  wijst op het essentiële belang van investeringen in onderzoek en innovatie op verschillende gebieden die onder de bevoegdheid van deze commissie vallen en benadrukt dat de begroting 2016 op passende wijze moet weerspiegelen dat dergelijke investeringen van prioritair belang zijn; brengt in herinnering dat de duurzame groei en het innoverende vermogen van het Europese mkb de belangrijkste concurrentievoordelen zijn waarover de EU op de wereldmarkten beschikt;

14.  herinnert met name aan de zeer substantiële toegevoegde waarde van de Unie aan het medisch onderzoek (o.a. onderzoek naar pediatrische en weesgeneesmiddelen) en aan de bestrijding van grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid; betreurt tegen deze achtergrond ten zeerste dat het volksgezondheidprogramma, met een totaalbedrag aan vastleggingskredieten van slechts 62,2 miljoen EUR, wat evenals in vorige jaren, neerkomt op slechts 0,04 % van de vastleggingskredieten in de OB 2016, niet volledig het belang van gezondheid weerspiegelt als iets wat op zichzelf waardevol is en als een voorwaarde om groei te stimuleren; verzoekt de Raad opnieuw te kijken naar de verdere begrotingsbezuinigingen die hij met betrekking tot dit programma heeft voorgesteld;

15.  onderstreept dat de financieel-economische crisis en de harde bezuinigingsmaatregelen van de lidstaten, resulterend in geringere belastinginkomsten en lagere begrotingen, tot minder financiële middelen voor de volksgezondheid hebben geleid en dat de ongelijkheid in de EU op het gebied van gezondheid een aanzienlijke belasting voor de lidstaten en hun gezondheidsstelsels vormt, en roept er derhalve toe op de financiering van gecoördineerde publieke preventiemaatregelen op dit gebied te verbeteren;

16.  onderstreept dat een ecologisch duurzame landbouw, die de natuurlijke hulpbronnen verstandig gebruikt, voor onze voedselproductie essentieel is en eist meer steun voor boeren die milieu- en diervriendelijke productiemethoden toepassen;

17.  benadrukt dat de Unie de strengste normen voor voedselveiligheid ter wereld heeft; onderstreept het belang van het bevorderen van gezond en veilig voedsel als een middel om onnodige gezondheidsuitgaven te voorkomen en de lidstaten te helpen bij het verbeteren van de houdbaarheid van hun gezondheidsstelsels op de lange termijn; betreurt ook ten zeerste dat het voedsel- en diervoederprogramma, met een totaalbedrag aan vastleggingskredieten van slechts 264,1 miljoen EUR, wat neerkomt op slechts 0,17 % van de vastleggingskredieten in de OB 2016, en de door de Raad voorgestelde verdere bezuinigingen niet volledig het belang van voedsel- en diervoederveiligheid in de Unie weerspiegelen;

18.  herinnert eraan dat het Uniemechanisme voor civiele bescherming de hoeksteen vormt van de solidariteit in de Unie; herinnert eraan dat de primaire verantwoordelijkheid voor de bescherming van mens, milieu en eigendommen, inclusief cultureel erfgoed, gelegen is bij de lidstaten; benadrukt dat de Unie een "faciliterende rol" speelt om de acties van de lidstaten om rampen te voorkomen, er voorbereidingen voor te treffen of erop te reageren te steunen, coördineren of aan te vullen; is verheugd dat de door de Commissie voorgestelde vastleggingskredieten voor dit programma licht zijn gestegen, maar betreurt het ten zeerste dat de Raad heeft voorgesteld de financiële middelen op deze begrotingslijn te verlagen;

19.  verzoekt de lidstaten voor passende milieu-inspecties te zorgen, teneinde het risico van milieurampen te reduceren;

20.  herinnert aan de essentiële rol van de gedecentraliseerde agentschappen bij de uitvoering van technische, wetenschappelijke of beheerstaken die de instellingen van de Unie op substantiële wijze helpen bij de vorming en uitvoering van het beleid;

21.  gelooft in zijn algemeenheid dat gedecentraliseerde agentschappen evenals andere instellingen ook een billijk deel van de kostenbesparingen moeten dragen; merkt op dat versterkte samenwerking tussen de agentschappen die onder de bevoegdheid van deze commissie vallen (EEA, ECHA, ECDC, EFSA, EMA) en de niet aflatende inzet om de efficiëntie te verhogen al geleid hebben tot betere uitgaven en beter gebruik van de middelen;

22.  herinnert bovendien aan de zeer belangrijke taken die deze vijf gedecentraliseerde agentschappen uitvoeren, zowel voor de Europese Commissie als voor de burgers van de Unie, en ook voor externe klanten van de agentschappen die vergoedingen in rekening brengen (o.a. ECHA, EMA); wijst er tegen deze achtergrond op dat het van essentieel belang is dat deze agentschappen voldoende personeel en financiële middelen ontvangen om deze veeleisende en essentiële taken naar behoren, op onafhankelijke wijze en tijdig uit te kunnen voeren;

23.  is derhalve bezorgd over de manier waarop de Commissie de gedecentraliseerde agentschappen benadert omdat de bezuinigingen, met, name op personeel, oneerlijk zijn en inadequaat vergeleken met de bezuinigingen op andere instellingen van de Unie; is vastbesloten om de respectieve behoeften van ieder agentschap weer zorgvuldig per geval te evalueren;

24.  is er in het algemeen niet van overtuigd dat de externalisering van diensten die bedoeld is om organigrammen uit te dunnen op de lange termijn kosten-efficiënter zal zijn, omdat dienstverleners toezicht en begeleiding nodig hebben terwijl ze ook naar winst streven;

25.  benadrukt dat proefprojecten (PP's) en voorbereidende acties (VA's) zeer waardevolle instrumenten zijn om nieuwe activiteiten en beleidsmaatregelen te initiëren; herhaalt dat verschillende ideeën van deze commissie in het verleden op succesvolle wijze zijn uitgevoerd; zal derhalve in 2016 verder gebruik blijven maken van deze instrumenten; moedigt aan dat de beschikbare marges in elke rubriek volledig worden gebruikt;

26.  neemt nota van de resultaten van de voorafgaande beoordeling door de Commissie van de uitvoerbaarheid van de PP's die door leden van ENVI zijn voorgesteld en die in het algemeen een weerspiegeling vormen van de prioriteiten van ENVI op de gebieden milieu en gezondheid; verzoekt de Commissie een follow-up procedure op te zetten om het Parlement op de hoogte te houden van de vooruitgang en uitvoeringsgraad van de PP's en VA's.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

3.9.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

50

8

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Zoltán Balczó, Ivo Belet, Simona Bonafè, Biljana Borzan, Nessa Childers, Birgit Collin-Langen, Mireille D’Ornano, Miriam Dalli, Seb Dance, Angélique Delahaye, Jørn Dohrmann, Ian Duncan, Stefan Eck, Bas Eickhout, Eleonora Evi, Karl-Heinz Florenz, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Jens Gieseke, Julie Girling, Sylvie Goddyn, Matthias Groote, Jytte Guteland, György Hölvényi, Anneli Jäätteenmäki, Jean-François Jalkh, Benedek Jávor, Karin Kadenbach, Kateřina Konečná, Giovanni La Via, Peter Liese, Norbert Lins, Susanne Melior, Massimo Paolucci, Gilles Pargneaux, Piernicola Pedicini, Bolesław G. Piecha, Pavel Poc, Marcus Pretzell, Frédérique Ries, Michèle Rivasi, Daciana Octavia Sârbu, Annie Schreijer-Pierik, Renate Sommer, Dubravka Šuica, Tibor Szanyi, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Nils Torvalds, Glenis Willmott, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Nicola Caputo, Fredrick Federley, Peter Jahr, Mairead McGuinness, Gesine Meissner, Ulrike Müller, Marijana Petir

3.9.2015

ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming

aan de Begrotingscommissie

betreffende het standpunt van de Raad inzake de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016

(2015/2132(BUD))

Rapporteur voor advies: Ildikó Gáll-Pelcz

SUGGESTIES

De Commissie interne markt en consumentenbescherming verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  wijst erop dat de Commissie interne markt en consumentenbescherming in de begrotingsprocedure verantwoordelijk is voor begrotingslijnen in titel 2 (interne markt, industrie, ondernemerschap en kmo´s), 14 (belastingen en douane-unie) en 33 (justitie en consumentenbescherming);

2.  herinnert eraan dat de interne markt een belangrijke drijvende kracht is voor het scheppen van banen en groei, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo´s); wijst er evenwel op dat dit potentieel in vele opzichten onbenut blijft, onder meer wat betreft de digitale interne markt; dringt derhalve aan op een efficiëntere besteding van de begroting door een duidelijke reeks financieringsprioriteiten vast te stellen met het oog op de verbetering van de interne markt en de daarmee samenhangende bevordering van de groei;

3.  is ingenomen met de aanzienlijke verhoging van het bedrag dat wordt toegewezen aan begrotingslijn 14 02 01 betreffende "Ondersteuning van de werking en de modernisering van de douane-unie"; ondersteunt de verwezenlijking en toepassing van de doelstellingen van het programma door middel van de bevordering van bestaande moderniseringsinitiatieven, met name het plan voor de automatisering van de douane, door de ontwikkeling van een strategie voor gezamenlijk beheerde en geëxploiteerde IT‑systemen op douanegerelateerde gebieden, alsook door de verbetering van de coördinatie tussen de lidstaten, de bevordering van de uitwisseling van beste praktijken, en de tijdige tenuitvoerlegging en de monitoring van de correcte toepassing van Uniewetgeving;

4.  is van mening dat consumenten centraal staan in het nieuwe digitale economische model en is ervan overtuigd dat dit terug te zien moet zijn in de begroting voor dit beleidsterrein; wijst er daarom op dat het van belang is financiering vrij te maken voor de actualisering van het consumentenbeleid, teneinde een goede aanpassing aan de snelle technologische en economische veranderingen te waarborgen;

5.  dringt aan op de financiering van een nieuw proefproject getiteld "Empowerment en voorlichting van consumenten op de digitale interne markt", dat op passende wijze voortbouwt op het door de IMCO-commissie voor 2015 voorgestelde eenjarige proefproject getiteld "Training voor kmo ' s over consumentenrechten in het digitale tijdperk", dat bijdraagt tot een grote publieke voorlichtingscampagne om onder consumenten en bedrijven de kennis van de complexe regels en verordeningen die verband houden met e-handel te verbeteren;

6.  benadrukt dat dit burgers en kmo's zou moeten helpen bij het naleven van de wetgeving betreffende consumentenbescherming bij onlinetransacties; onderstreept dat in een werkelijk verbonden digitale interne markt iedere consument recht heeft op dezelfde kwaliteit van online gekochte diensten en producten en op transparante wijze voldoende informatie in verband met de aankoop moet ontvangen;

7.  acht het van belang dat de bevoegde autoriteiten het vermogen hebben om het in de handel brengen van producten stop te zetten en om bedrijven te dwingen producten terug te roepen of ze van de Europese markt te verwijderen; is van mening dat de vereenvoudiging en harmonisering van regels en normen mogelijke problemen in verband met de naleving zouden verminderen, en derhalve zowel consumenten als handelaren ten goede zouden komen; is in dit verband van mening dat handelaren eveneens informatie moeten ontvangen over de wijze waarop zij belasting kunnen afdragen op grensoverschrijdende transacties binnen de Unie door efficiënt gebruik te maken van het VATMOSS-systeem;

8.  herinnert eraan dat het noodzakelijk is het meertalige instrument voor het platform voor onlinegeschillenbeslechting (ODR) te financieren; benadrukt dat goed werkende systemen voor onlinegeschillenbeslechting in de gehele Unie consumenten ertoe zullen aanzetten oplossingen te zoeken voor de problemen die ze ondervinden wanneer ze op de interne markt goederen en diensten kopen, en de onlinehandel zullen stimuleren; herinnert eraan dat de toename van online- en grensoverschrijdende handel in de Unie eveneens de keuzemogelijkheden voor consumenten zal vergroten, nieuwe zakelijke mogelijkheden zal bieden, toegang zal geven tot nieuwe markten en meer economische groei kan helpen genereren;

9.  erkent het belang van de financiering van het Internemarktforum; herinnert eraan dat 2015 het laatste jaar van de voorbereidende actie is en dat de Commissie derhalve zo spoedig mogelijk met een nieuw wetgevingsvoorstel moet komen om ervoor te zorgen dat dit cruciale evenement kan blijven plaatsvinden;

10.  benadrukt dat SOLVIT goed scoort op het gebied van klanttevredenheid bij het oplossen van problemen waar burgers mee kampen; is van mening dat er meer kan worden gedaan om de onderlinge wisselwerking tussen governance-instrumenten te verbeteren, de kennis over dergelijke instrumenten te vergroten en de eraan toegewezen financiële middelen optimaal te benutten; dringt aan op verdere reflectie over de consolidering van deze instrumenten in toekomstige begrotingsvoorstellen; wijst op zijn steun voor begrotingslijn 02 03 04 betreffende instrumenten voor het bestuur van de interne markt; meent dat het netwerk van Europese consumentencentra eveneens naar behoren moet worden gefinancierd, zodat het zijn taak, te weten het geven van voorlichting aan de burgers over hun consumentenrechten in Europa, kan blijven vervullen;

11.  is van mening dat het ondersteunen van de reële economie een van de belangrijkste prioriteiten van de Unie moet zijn met het oog op het scheppen van banen en duurzame groei; benadrukt dat kmo´s beter over deze mogelijkheid moeten worden voorgelicht zodat deze financiële steun maximaal door kmo´s kan worden benut; dringt er met klem op aan toereikende financiële middelen beschikbaar te stellen voor de overgang naar een hulpbronnen-efficiënte, circulaire economie;

12.  wijst erop dat in 2016 gezorgd moet worden voor adequate financiering voor het Cosme-programma en voor het Enterprise Europe Network, teneinde groei van kmo´s te stimuleren en hen te helpen bij het oplossen van problemen die verband houden met toegang tot de interne markt en de wereldmarkt, door middel van betere toegang tot informatie over kansen buiten hun eigen lidstaat en buiten de grenzen van de Unie; benadrukt dat de waarborging van goede toegang tot financiering en een betere benutting van digitale hulpmiddelen van cruciaal belang zijn om ondernemingen concurrerend te houden;

13.  is ingenomen met de verhoging van begrotingslijn 02 04 02 03 "Stimuleren van innovatie in kleine en middelgrote ondernemingen (kmo´s)" en begrotingslijn 02 03 "Interne markt voor goederen en diensten", en stelt voor dat de Commissie toeziet op de doeltreffendheid van de gefinancierde projecten om de innovatie bij kmo´s te verhogen;

14.  is bezorgd over de drastische verlaging van de begrotingslijnen 02 02 01 "Ondernemerschap bevorderen en het concurrentievermogen en de toegang tot markten van ondernemingen in de Unie verbeteren" en 02 02 02 "Kleine en middelgrote ondernemingen meer toegang geven tot financiering in de vorm van eigen vermogen en schuld" als onderdeel van het Cosme-programma;

15.  benadrukt dat normen belangrijke hulpmiddelen zijn voor het concurrentievermogen van ondernemingen, waarvan de bijdrage aan het normalisatieproces essentieel is voor de technologische vooruitgang alsook voor de vergelijkbaarheid van materiaal- en productkwaliteit in de Unie; stemt derhalve in met een verhoging van de financiering in het kader van begrotingslijn 02 03 02 01 voor de initiatieven ter ondersteuning van de normalisatie-activiteiten van CEN, Cenelec en ETSI, overeenkomstig het voorstel van de Commissie;

16.  dringt, in het licht van de goedkeuring van de e-Call-verordening, aan op passende middelen voor het Europese GNSS-Agentschap, zodat de verordening volledig ten uitvoer kan worden gelegd;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

3.9.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

26

5

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Dita Charanzová, Anna Maria Corazza Bildt, Daniel Dalton, Nicola Danti, Dennis de Jong, Pascal Durand, Vicky Ford, Ildikó Gáll-Pelcz, Evelyne Gebhardt, Maria Grapini, Sergio Gutiérrez Prieto, Robert Jarosław Iwaszkiewicz, Liisa Jaakonsaari, Antonio López-Istúriz White, Margot Parker, Eva Paunova, Jiří Pospíšil, Virginie Rozière, Christel Schaldemose, Andreas Schwab, Igor Šoltes, Catherine Stihler, Mylène Troszczynski, Anneleen Van Bossuyt

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Lucy Anderson, Birgit Collin-Langen, Kaja Kallas, Jens Nilsson, Marc Tarabella, Lambert van Nistelrooij

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Andrey Novakov, Adam Szejnfeld

1.9.2015

ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme

aan de Begrotingscommissie

over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016

(2015/2132(BUD))

Rapporteur voor advies: Massimiliano Salini

SUGGESTIES

De Commissie vervoer en toerisme verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  beklemtoont dat de voor vervoer geplande financiering terecht gelinkt is aan ander beleid, zoals het cohesiebeleid, het mededingingsbeleid, het toerismebeleid en het veiligheidsbeleid; wijst erop dat de vervoersinfrastructuur fundamenteel is voor het vrije verkeer van personen, goederen en diensten waarop de interne markt stoelt en dat dit vrije verkeer zowel een krachtige integratiefactor van de Unie als een sleutelfactor voor de prestaties van het Europese bedrijfsleven en de Europese handel is;

2.  benadrukt dat het herstel van de groei en de werkgelegenheid een prioriteit van het Europese beleid vormt, en dat infrastructuurprojecten hier zowel direct, dankzij de gecreëerde arbeidsplaatsen op de bouwterreinen, als indirect, in het kader van het gebruik en het onderhoud van deze infrastructuur en meer in het algemeen door het concurrentievermogen van de betrokken gebieden te versterken, toe bijdragen; is verheugd over het feit dat alle lidstaten bij de bespreking van het plan-Juncker deze aanpak hebben gevalideerd en erkend hebben dat investeringen in strategische infrastructuur niet mogen worden afgeremd door het Stabiliteitspact;

3.  neemt ter kennis dat de overeenkomst over het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) tot bezuinigingen op de Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (Connecting Europe Facility (CEF)) leidt; is ingenomen met het initiatief om de privésector meer te betrekken bij de financiering van vervoersprojecten door een beroep te doen op innovatieve financieringsinstrumenten; merkt evenwel op dat bepaalde projecten minder aantrekkelijk zijn voor dergelijke spelers omwille van een te laag en/of onzeker rendement; herinnert er echter aan dat het EFSI tot doel heeft marktfalen te corrigeren in sectoren met een risico-rendementprofiel dat private investeerders zou kunnen ontmoedigen; benadrukt dat investeringen in spoorwegen, duurzame stedelijke mobiliteit en duurzame binnenwateren weliswaar aanzienlijke sociaaleconomische en milieuwinst opleveren, maar dat zij minder rendabel zijn en voor de tenuitvoerlegging afhankelijk zijn van subsidies; benadrukt dat de bijdrage uit de EU-begroting, ongeacht de gekozen financieringsvorm, gericht moet zijn op projecten met een grote Europese meerwaarde;

4.  wijst met klem op het belang van TEN-T, niet alleen als knooppunten voor de verbindingen binnen Europa, maar ook als een mogelijkheid om de diverse binnenlandse markten, plaatselijke economieën en stedelijke en grootstedelijke gebieden van de grond te krijgen; herinnert eraan dat het belangrijk is de prioritaire corridors te voltooien die op Europees niveau zijn bepaald, met name voor de hogesnelheidslijnen; vestigt de aandacht op de ongekende interesse bij de lidstaten voor oproepen in het kader van CEF-T in 2014 en op het grote aantal ingediende en in aanmerking komende voorstellen dat niet kon worden goedgekeurd wegens gebrek aan beschikbare middelen; hamert er in deze context op dat de uitgetrokken financiering in het MFK zowel wat vastleggingen als wat betalingen betreft moet worden geëerbiedigd en herzien om de prioriteiten en doelstellingen van de CEF te kunnen verwezenlijken en de begroting voor de CEF te verhogen;

5.  verzoekt de Commissie om bij de toewijzing van middelen in het kader van de CEF rekening te houden met de economische en sociale moeilijkheden in bepaalde landen van de Europese Unie die de indiening van projecten aanzienlijk kunnen belemmeren; vraagt de Commissie bijgevolg de nodige bijstand te verlenen aan deze landen in het kader van het CEF-programma;

6.  benadrukt de belangrijke rol die onderzoek en innovatie spelen in de sectoren vervoer en toerisme, met nadruk op duurzame stedelijke mobiliteit, sociaaleconomische kennis en milieuprestaties; is daarom van mening dat er voor deze innovatieve technologieën en kennis voldoende begrotingsmiddelen moeten worden toegewezen in het kader van Horizon 2020 en Shift2Rail;

7.  beveelt aan dat er meer nadruk wordt gelegd op het vervoersbeleid in verband met havens en luchthavens, aangezien deze het concurrentievermogen vergroten doordat zij zorgen voor verdere ontwikkeling van een duurzame interne markt en Europa openen voor de rest van de wereld; benadrukt de behoefte aan een rationeel Europees beleid dat de specifieke kenmerken van met name havens en hun geografische ligging beter benut; is van mening dat betere intermodale verbindingen en interconnectiviteit het mogelijk moeten maken om de uitwisselingen met de omliggende gebieden te bevorderen en om ons vervoersstelsel duurzamer te maken; benadrukt de behoefte aan een Europese strategie om een betere en grotere connectiviteit van de luchthavens aan te moedigen, zowel nationaal als internationaal;

8.  wijst erop dat de toegang van het Parlement tot officiële documenten betreffende de begroting van de Unie minder goed gewaarborgd is dan die van de andere instellingen; vraagt bijgevolg dat de interinstitutionele akkoorden zo worden herzien dat de leden van het Parlement, als vertegenwoordigers van de Europese burgers, naar behoren toegang hebben tot documenten, ook wanneer deze "gevoelige" gegevens bevatten;

9.  vestigt de aandacht op de aanstaande goedkeuring van het vierde spoorwegpakket, waarin wordt bepaald dat het Europees Spoorwegbureau een grotere rol zal gaan spelen op het vlak van certificering en de verlening van vergunningen voor het in handel brengen, waardoor procedures, tijdsplanning en middelen doeltreffender moeten worden; benadrukt dat het Spoorwegbureau moet kunnen beschikken over voldoende financiële, personele en logistieke middelen om deze nieuwe taken te vervullen; herinnert er bovendien aan dat dit pakket deel moet uitmaken van een globaler plan dat tot doel heeft de aantrekkelijkheid van het spoor te verhogen; is tevens van mening dat het belangrijk is meer te investeren in de ontwikkeling van het Europees beheersysteem voor het spoorverkeer (ERTMS), met één interoperabele Europese norm, en onverwijld de Gemeenschappelijke Onderneming Shift2Rail op te starten;

10.  onderstreept dat het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA) moet beschikken over de nodige middelen om de veiligheid van offshore olie- en gasinstallaties te controleren en daarvan afkomstige verontreiniging te voorkomen, zoals vastgesteld in de verordening betreffende de financiering van het EMSA;

11.  wijst op de essentiële rol van de agentschappen, die vooral tot taak hebben de veiligheid van de verschillende vervoerswijzen te garanderen; verwerpt daarom de voorgestelde bezuinigingen op de operationele begroting van de agentschappen en is het niet eens met de voorgestelde kostenbesparingen, die de veiligheid van het vervoer op de helling zouden kunnen zetten;

12.  wijst nadrukkelijk op het strategische belang van het gemeenschappelijk Europees luchtruim als belangrijkste instrument om voor veiligheid, milieuprestaties, concurrentievermogen en bescherming van de rechten van de burgers te zorgen; benadrukt dat de EU via de CEF en de onderzoeksprogramma’s voldoende middelen moet uittrekken voor Sesar, de technologische pijler van het gemeenschappelijk Europees luchtruim; neemt kennis van het feit dat de aanstaande goedkeuring van een reeks voorstellen met als doel de positie van de Europese spelers ten opzichte van de rest van de wereld te versterken, gepaard zal gaan met de uitbreiding van de taken van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart; is bijgevolg van mening dat het nodig is om ten minste de uit de EU-begroting afkomstige middelen van dit agentschap te behouden en zeker niet te verminderen, ongeacht het feit dat de privésector eveneens bijdraagt aan de financiering ervan;

13.  benadrukt dat het nodig is de financiële transparantie van agentschappen te vergroten, met name in verband met de daadwerkelijk door hen uitgevoerde taken; is van mening dat het belangrijk is dat de benoemingen geschieden op basis van verdienste en volgens openbare procedures, met duidelijke selectiecriteria, en dat er maxima worden vastgesteld voor de salarissen;

14.  wijst erop dat er geen rechtstreekse begrotingslijn voor toerisme is en beveelt daarom aan de door de Europese structuur- en investeringsfondsen en het COSME-programma en de proefprojecten en voorbereidende acties geboden mogelijkheden ten volle te blijven benutten om te trachten de aantrekkelijkheid van het "oude continent" voor reizigers te vergroten; benadrukt dat doeltreffende grensoverschrijdende samenwerking tussen de talrijke betrokken beleidslijnen en EU-fondsen op dit gebied cruciaal is, en er eveneens rekening dient te worden gehouden met publiek-private partnerschappen (PPP’s);

15.  wenst dat in de EU-begroting voor 2016 een specifieke begrotingslijn voor toerisme wordt opgenomen;

16.  verwacht van de Commissie dat zij een jaaroverzicht presenteert van toeristische projecten die zijn medegefinancierd door verschillende EU-fondsen;

17.  vraagt, gelet op de financiële bijdrage die toerisme levert aan het bbp van de EU en de impact ervan op het scheppen van banen, dat de begroting voor maatregelen in de toeristische sector in het kader van de COSME-programma’s in 2106 wordt opgetrokken tot 13 miljoen EUR; wenst dat verdere verlagingen van de begroting voor maatregelen in de toerismesector in het huidige meerjarig financieel kader (MFK) worden vermeden;

18.  beveelt aan dat er bijzondere aandacht wordt besteed aan stedelijke knooppunten in het kader van het Europese vervoersbeleid; herinnert eraan dat momenteel meer dan de helft van de wereldbevolking in steden woont en dat dit aantal nog een stijgende lijn vertoont; is daarom van mening dat bijdragen tot doeltreffende, intermodale, duurzame en veilige stedelijke mobiliteitssystemen, alsook de verbindingen van stedelijke en grootstedelijke gebieden met het platteland en afgelegen gebieden, ook in belangrijke mate bijdragen tot de globale groei;

19.  verzoekt de Commissie de plaatselijke, regionale en nationale autoriteiten bij te staan bij het verkennen van bestaande en nieuwe EU-financieringsmogelijkheden voor openbaar vervoer en voor de ontwikkeling van innovatieve publiek-private samenwerkingsverbanden; benadrukt dat de Europese structuur- en investeringsfondsen stelselmatiger moeten worden aangewend voor steden die een geïntegreerd lokaal vervoersplan (bv. plannen voor duurzame stedelijke mobiliteit) hebben uitgewerkt en passende maatregelen hebben geïdentificeerd, in overeenstemming met de criteria die zijn vastgesteld in de relevante regelgeving;

20.  verklaart nadrukkelijk dat investeringen in vervoersinfrastructuur via de CEF en het onderzoek op het gebied van vervoer via de Gemeenschappelijke Onderneming Shift2Rail en het H2020-programma niet mogen dienen als aanpassingsvariabele met het oog op een akkoord over de begroting 2016;

21.  benadrukt de rol van onderzoek en innovatie in de sectoren vervoer en toerisme, zowel op het vlak van de ontwikkeling van intelligente vervoerssystemen en duurzame en schone energie als op het stuk van de vergroting van de veiligheid en betere diensten voor consumenten; verwerpt bijgevolg de voorgestelde bezuinigingen op onderzoek, met name wat betalingskredieten betreft.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

31.8.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

35

3

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Lucy Anderson, Inés Ayala Sender, Georges Bach, Izaskun Bilbao Barandica, Michael Cramer, Andor Deli, Karima Delli, Isabella De Monte, Ismail Ertug, Dieter-Lebrecht Koch, Peter Lundgren, Georg Mayer, Cláudia Monteiro de Aguiar, Jens Nilsson, Markus Pieper, Salvatore Domenico Pogliese, Tomasz Piotr Poręba, Gabriele Preuß, Christine Revault D’Allonnes Bonnefoy, Dominique Riquet, Massimiliano Salini, Claudia Schmidt, Pavel Telička, István Ujhelyi, Peter van Dalen, Wim van de Camp, Janusz Zemke, Roberts Zīle

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Daniel Dalton, Markus Ferber, Michael Gahler, Georgi Pirinski, Matthijs van Miltenburg

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Eugen Freund, Karoline Graswander-Hainz, Piernicola Pedicini, Julia Reda, Kristina Winberg

18.9.2015

ADVIES van de Commissie regionale ontwikkeling

aan de Begrotingscommissie

over de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016

(2015/2132(BUD))

Rapporteur voor advies: Maria Spyraki

SUGGESTIES

De Commissie regionale ontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  acht de daling van betalingskredieten in rubriek 1b naar 49 miljard EUR (-4 % ten opzichte van 2015) verontrustend, en vraagt zich met bezorgdheid af of de bedragen die in de ontwerpbegroting (OB) 2016 voor rubriek 1b zijn voorgesteld wel toereikend zijn om het huidige, ongekende niveau van de benodigde betalingen het hoofd te kunnen bieden, vanwege de achterstand in deze rubriek;

2.  neemt kennis van het feit dat volgens het document van de Commissie "Elementen voor een betalingsplan om de EU-begroting weer op een houdbaar niveau te brengen" de betalingskredieten die voorzien zijn in rubriek 1b ook moeten worden gebruikt om de verwachte betalingsachterstand aan het eind van 2015 (20 miljard EUR) weg te werken, en verzoekt de Commissie verdere inspanningen te leveren om de betalingsachterstand terug te brengen, door erop te wijzen dat deze achterstand de regionale en nationale autoriteiten zwaar belast, vooral als de sociale, economische en financiële problemen blijven voortbestaan, en een ernstig domino-effect en impact hebben op de ontvangers en kwetsbare begunstigden van de fondsen;

3.  herinnert eraan dat uit de conclusies van het zesde verslag over economische, sociale en territoriale samenhang blijkt dat de regionale verschillen sinds 2008 zijn verergerd; benadrukt de belangrijke rol die de EU-begroting speelt in het aanjagen van investeringen, aangezien het hefboomeffect daarvan bijdraagt tot meer groei en de verwezenlijking van economische, sociale en territoriale samenhang in de Unie, door de particuliere en overheidsfinancieringen op nationaal en internationaal niveau aan te vullen;

4.  wijst erop dat in de OB 2016 wordt voorzien in vastleggingskredieten ten belope van 153 500 miljard EUR (een daling van 5,3 % ten opzichte van 2015) en betalingskredieten ten belope van 143,5 miljard EUR (een stijging van 1,6 % ten opzichte van 2015);

5.  constateert dat het voorgestelde niveau van betalingskredieten in de OB 2016 voortkomt uit een aanzienlijke stijging van de betalingskredieten voor de programma's uit de periode 2014-2020 en een aanzienlijke daling voor de programma's uit de periode 2007-2013, ofschoon bijna 50 % van de betalingsaanvragen voor 2016 nog steeds verband houdt met de laatstgenoemde periode;

6.  wijst er bovendien op dat vooraf rekening moet worden gehouden met de gevolgen van de wijziging van het meerjarig financieel kader 2014-2020 voor de betalingen in rubriek 1b;

7.  herinnert eraan dat er voldoende middelen nodig zijn om aan de ene kant de correcte uitvoering van de programma's en aan de andere kant hun meerjarige werking zeker te stellen, en dat voor beide aspecten passende middelen en maatregelen nodig zijn om het risico op wederom een betalingsachterstand tot een minimum te beperken; wijst erop dat uitstaande betalingen de geloofwaardigheid en de verantwoordingsplicht van de Unie aantasten; verzoekt om een langetermijnoplossing voor de betalingsachterstand, aangezien dit een structureel probleem is dat zich waarschijnlijk opnieuw zal voordoen als er geen bevredigende oplossing wordt gevonden; wijst bovendien op de toename van de administratieve uitgaven ondanks eerdere garanties dat deze op hetzelfde niveau zouden worden gehouden;

8.  verzoekt de Commissie in nauwe samenwerking met de lidstaten en regio's het verloop van de betalingen in rubriek 1b in verband met de programmeringsperiode 2014-2020 op de voet te volgen en daarvan een gedetailleerde prognose op te stellen, met gebruikmaking van meetbare en dus vergelijkbare cruciale prestatie-indicatoren die garant zullen staan voor de efficiëntie en de doeltreffendheid van de begrotingskredieten;

9.  is bang dat de lidstaten in bepaalde gevallen snel fondsen willen uitbetalen om vastgelegde bedragen niet te verliezen, een procedure waardoor het risico op onregelmatigheden toeneemt en die aanleiding kan geven tot financiële correcties, en dat er een situatie ontstaat waarin middelen die aan het eind van de programmeringsperiode niet zijn gebruikt, automatisch worden geannuleerd;

10.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een voorbereidende actie in rubriek 1b, die openstaat voor alle lidstaten en bedoeld is voor de financiering van capaciteitsontwikkeling en institutionele opbouw om de tenuitvoerlegging van hervormingen te steunen die als prioriteit zijn aangemerkt in alle fasen van het macro-economisch toezicht, en pleit voor meer van dergelijke initiatieven.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

17.9.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

31

6

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pascal Arimont, José Blanco López, Franc Bogovič, Mercedes Bresso, Steeve Briois, Edward Czesak, Rosa D’Amato, Bill Etheridge, Michela Giuffrida, Krzysztof Hetman, Ivan Jakovčić, Constanze Krehl, Andrew Lewer, Louis-Joseph Manscour, Martina Michels, Andrey Novakov, Younous Omarjee, Demetris Papadakis, Mirosław Piotrowski, Stanislav Polčák, Julia Reid, Liliana Rodrigues, Fernando Ruas, Maria Spyraki, Ruža Tomašić, Ramón Luis Valcárcel Siso, Ángela Vallina, Monika Vana, Matthijs van Miltenburg, Lambert van Nistelrooij, Derek Vaughan, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Petras Auštrevičius, Jan Olbrycht, Maurice Ponga

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Brando Benifei, Andrejs Mamikins, Soraya Post

7.9.2015

ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

aan de Begrotingscommissie

over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016

(2015/2132(BUD))

Rapporteur voor advies: Jean-Paul Denanot

SUGGESTIES

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  betreurt het dat er gezien het door het meerjarig financieel kader (MFK) 2014-2020 opgelegde plafond voor rubriek 2 in 2016 waarschijnlijk bezuinigd zal worden op grote uitgavenposten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), waaronder rechtstreekse betalingen en marktmaatregelen, ondanks het feit dat de globale bedragen voor vastleggingen en betalingen toenemen met respectievelijk 2,4 % en 1,6 %;

2.  neemt in dit verband kennis van de voorgestelde 63,1 miljard EUR aan vastleggingskredieten (-0,1 % ten opzichte van 2015, waarbij de gevolgen van de herprogrammering geneutraliseerd zijn) en 55,9 miljard EUR aan betalingskredieten (-0,2 %) in de ontwerpbegroting (OB) 2016 voor rubriek 2;

3.  merkt op dat er in OB 2016 een marge van 1,2 miljard EUR onder het maximum voor vastleggingen wordt ingeruimd, en een marge van 1,1 miljard EUR onder het submaximum voor het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF); dringt erop aan de marge in rubriek 2 te behouden om een mogelijke crisis in de agrarische sector het hoofd te kunnen bieden; is in afwachting van de nota van wijzigingen van de Commissie, die in oktober 2015 wordt verwacht en gebaseerd moet zijn op de laatste informatie over de financiering van het ELGF;

4.  onderstreept dat in OB 2016 de rechtstreekse betalingen die in het leven waren geroepen met Verordening (EU) nr. 1307/2013 voor het eerst volledig zullen worden uitgevoerd; neemt in dit verband kennis van een afname van de begroting van het ELGF met 1,4 % aan vastleggingen en kredieten, als gevolg van overhevelingen tussen de twee pijlers van het GLB;

5.  wijst erop dat op grond van de OB 2016 de vastleggingskredieten voor het Elfpo met 2,8 % stijgen en de betalingskredieten met 6,3 %; benadrukt echter dat de stijging een logisch gevolg is van de late programmering van de nieuwe programma's in de periode 2014-2020 en de afronding van de programma's uit de periode 2007-2013;

6.  is ingenomen met de maatregelen om het niveau van de nog uitstaande vastleggingen in het gareel te krijgen, en beschouwt ze als voorwaarde voor een succesvol begin van de programmeringsperiode 2014-2020; verzoekt de Raad en de lidstaten dan ook met klem alle nodige maatregelen te nemen om de lopende betalingsaanvragen in behandeling te nemen;

7.  betreurt de bezuinigingen op de begroting voor interventies op de landbouwmarkten ten opzichte van 2015; verzoekt de Commissie, aangezien Rusland de verlenging van het invoerverbod tot augustus 2016 heeft bevestigd, alle nodige maatregelen te nemen, zoals het gebruik van de beschikbare marge onder het maximum, om de landbouwers in de Unie op alle terreinen van de landbouw evenals de levensmiddelensector te steunen die getroffen zijn door het embargo, met name in de landen die grenzen aan Rusland, en is van mening dat de noodmaatregelen moeten worden uitgebreid tot landen die indirect de gevolgen ondervinden van het Russische embargo; is verheugd over het besluit van de Commissie om de steunmaatregelen voor de producenten van groente en fruit die worden getroffen door het Russische embargo per 1 augustus 2015 te verlengen, en spreekt zich uit voor handhaving van deze maatregelen zolang dit embargo duurt, en ze uit te breiden tot alle getroffen landbouw- en veeteeltsectoren; is van mening dat er bijzondere aandacht moet worden geschonken aan de melksector, omdat het door Rusland afgekondigde embargo de onzekere situatie van de boeren verslechtert waardoor de prijsdaling als gevolg van de afschaffing van de melkquota nog sterker zal zijn;

8.  dringt erop aan dat er middelen worden verstrekt ter compensatie van het economisch verlies dat landbouwers hebben geleden als gevolg van marktcrises en sanitaire of fytosanitaire crises zoals Xylella fastidiosa, en herhaalt dat daartoe de beschikbare marges in rubriek 2 moeten worden gebruikt; dringt erop aan dat compensatie voor uitroeiingsmaatregelen ook moet gelden voor het herstel van landbouwecosystemen zoals de bodem, alsmede voor de verwezenlijking van robuuste biologische diversiteit, in het bijzonder het waarborgen van genetische diversiteit van het teeltbestand dat idealiter resistent is tegen of tolerantie vertoont ten opzichte van de ziekte of plaag; is dan ook van mening dat een van de doelstellingen van verstrekte steun moet zijn om te zorgen voor evenwichtige, biologisch diverse landbouwecosystemen en landschappen die beter bestand zijn tegen toekomstige aanvallen; verzoekt de Commissie en de Raad alle nodige maatregelen te nemen om de verslechtering van die markten tegen te gaan;

9.  dringt erop aan meer middelen uit te trekken voor de olijventeelt en de olijfoliesector om de door de bacterie Xylella fastidiosa veroorzaakte schade voor landbouwers te compenseren, de preventiemaatregelen op te voeren, de verspreiding van deze verwoestende bacterie een halt toe te roepen, de sector te herstructureren en wetenschappelijk onderzoek over de ziektekiem en haar dragers te versterken;

10.  merkt in het algemeen op dat er investeringen gedaan moeten worden om onze landbouwecosystemen beter bestand te maken tegen klimaatverandering en tegen de vestiging en verspreiding van invasieve soorten, met name door middel van biologisch diverse agrarische landschappen en levende, gezonde bodems die predatoren en nuttige soorten bevatten, om zo een natuurlijke regulering van populaties schadelijke organismen mogelijk te maken;

11.  betreurt de bezuinigingen van 2 miljoen euro op het schoolmelkprogramma van 77 miljoen EUR in de kredieten voor 2015 naar 75 miljoen EUR in OB 2016, als voorgesteld door de Commissie en gesteund door de Raad; herhaalt het verzoek van het Parlement om een verhoging van 20 miljoen EUR per jaar voor deze regeling; is verheugd over de kleine verhoging van de schoolfruitregeling naar 150 miljoen EUR, als voorgesteld door de Commissie en gesteund door de Raad; benadrukt dat beide programma's nuttig zijn gebleken in de lidstaten, en onderstreept hun belang gezien de huidige crisis en de mate van ondervoeding bij kinderen in de Unie; verzoekt de Raad rekening te houden met de voorstellen van het Parlement inzake een vermindering van de bureaucratie voor de lidstaten, om de doeltreffendheid van beide regelingen te vergroten;

12.  betreurt de door de Raad voorgestelde verlaging van 13,8 miljoen EUR van de operationele middelen voor producentenorganisaties in de groente- en fruitsector, gezien het belang daarvan voor de voedselvoorzieningsketen en de huidige uitdagingen waarmee deze sector kampt;

13.  pleit voor verplaatsing van de schoolmelk- en schoolfruitprogramma’s naar de tweede pijler van het GLB, zodat de specifieke opzet ervan ter plaatse beter kan worden afgestemd op regionale kenmerken en behoeften en daarmee de acceptatie en gebruikersvriendelijkheid van de programma’s kan worden verhoogd;

14.  dringt erop aan dat alle ontvangsten die naar de EU-begroting gaan als gevolg van de superheffingsboetes worden bestemd voor herinvestering in de zuivelsector, en dat alle andere bestemmingsontvangsten uit de landbouw in 2014/2015 in rubriek 2 blijven staan; is van mening dat middelen afkomstig uit de in 2015 opgelegde superheffing, met name in de melksector, volledig gebruikt moeten worden voor marktondersteuning en andere steunmaatregelen voor de melksector; is ingenomen met het voorstel van de Commissie om deze ontvangsten te bestemmen voor het ELGF;

15.  verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat de fondsen die in de begroting voor 2016 zijn toegewezen aan de reserve voor crises in de landbouwsector en vervolgens niet uitgegeven worden, voor het volgende begrotingsjaar volledig in rubriek 2 behouden blijven voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers, als voorzien in Verordening (EU) nr. 1306/2013;

16.  merkt op dat de Europese landbouw de afgelopen jaren met meerdere crises te maken heeft gehad; verzoekt de Commissie dan ook het systeem voor crisisfinanciering te herzien en een nieuw instrument in te voeren waarmee snel politiek ingrijpen in crisissituaties mogelijk wordt zonder dat dit ten koste gaat van de jaarlijkse rechtstreekse betalingen;

17.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan de prijsschommelingen van landbouwproducten en dan vooral in de zuivelsector, die negatieve gevolgen hebben voor het inkomen van landbouwers, steeds in het oog te houden en daar waar nodig snel en doeltreffend in te grijpen, en daarbij de landbouwers rechtstreeks in staat te stellen dergelijke prijsschommelingen tegen te gaan;

18.  wijst op de gevolgen van de afschaffing van de melkquota en is van mening dat voorbereidende maatregelen nodig zijn om marktonevenwichtigheden na de afschaffing van de suikerquota in september 2017 te voorkomen;

19.  verzoekt de Commissie gebruik te maken van de crisisreserve voor de landbouwsector voor het nemen van crisismaatregelen om de zuivelsector te steunen; is van mening dat deze maatregelen moeten bijdragen aan de ondersteuning van kleine en middelgrote melkproducenten, die het hardst getroffen zijn na de afschaffing van het quotasysteem in 2015, en dat middelen toegewezen moeten worden voor de technische verbetering van productieprocédés en stimulansen om producten met meerwaarde te produceren;

20.  is ingenomen met de hoeveelheid middelen die is toegewezen voor steun aan de bijenteelt, daar het Parlement deze activiteit en het behoud van functionele biodiversiteit, met name ten aanzien van bestuivers en de diensten die zij bieden, altijd als prioriteiten voor de toekomst van de landbouw heeft aangemerkt;

21.  vestigt de aandacht op de doelstellingen inzake de verbetering van het concurrentievermogen en de duurzaamheid van de Europese landbouw, en wenst dat er middelen worden uitgetrokken om deze doelstellingen te verwezenlijken; herinnert aan het potentieel van het landbouwbeleid op het vlak van nieuwe banen, technische en sociale innovatie en duurzame ontwikkeling, in het bijzonder in plattelandsgebieden waar dit beleid de regionale ontwikkeling bevordert;

22.  benadrukt het grote belang van de ontsluiting van nieuwe afzetmarkten voor het behoud van het concurrentievermogen, en de versterking van het vermogen van Europese landbouwers om marktcrises op te vangen, zoals het Russische embargo; verzoekt om financiële steun voor de ontsluiting van markten, onder meer door gebruik te maken van middelen die afkomstig zijn uit de superheffing;

23.  benadrukt dat het van wezenlijk belang is dat middelen die gereserveerd zijn voor onderzoek in de agrovoedingssector, met name uit de begroting voor Horizon 2020, als zodanig volledig beschikbaar blijven om innovatie in de landbouwsector te stimuleren;

24.  herinnert aan de moeilijkheden die zich hebben voorgedaan in de vorige begrotingsjaren waarin de kredieten verlaagd werden; is van mening dat elke poging tot verlaging van de kredieten voor landbouw zinloos en gevaarlijk is, aangezien daarmee de doelstellingen van het GLB ondermijnd zouden worden, de kwetsbaarheid van de sector zou toenemen en de inspanningen om het concurrentievermogen van de Europese landbouwsector te verbeteren aanzienlijk zouden worden afgezwakt.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

3.9.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

30

4

8

Bij de eindstemming aanwezige leden

John Stuart Agnew, Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Daniel Buda, Nicola Caputo, Matt Carthy, Paolo De Castro, Albert Deß, Diane Dodds, Norbert Erdős, Edouard Ferrand, Luke Ming Flanagan, Beata Gosiewska, Martin Häusling, Anja Hazekamp, Jan Huitema, Peter Jahr, Jarosław Kalinowski, Zbigniew Kuźmiuk, Philippe Loiseau, Mairead McGuinness, Giulia Moi, Ulrike Müller, Maria Noichl, Marit Paulsen, Marijana Petir, Bronis Ropė, Czesław Adam Siekierski, Marc Tarabella, Janusz Wojciechowski, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Bas Belder, Angélique Delahaye, Jean-Paul Denanot, Jørn Dohrmann, Georgios Epitideios, Fredrick Federley, Jens Gieseke, Maria Heubuch, Karin Kadenbach, Norbert Lins, Susanne Melior, Stanislav Polčák, Annie Schreijer-Pierik, Hannu Takkula, Vladimir Urutchev

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Heinz K. Becker, Carlos Iturgaiz, Igor Šoltes

4.9.2015

ADVIES van de Commissie visserij

aan de Begrotingscommissie

inzake het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016

(2015/2132(BUD))

Rapporteur voor advies: Alain Cadec

SUGGESTIES

De Commissie visserij verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

Algemeen

1.   herinnert aan het belang van een EU-begroting die in overeenstemming is met de verklaarde beleidsdoelstellingen voor de werkgelegenheid, de bedrijven en het ondernemerschap; wijst er met klem op dat visserij en maritieme zaken ook bronnen van werkgelegenheid en groei zijn en actief bijdragen aan de ruimtelijke ordening en het beheer van de natuurlijke hulpbronnen;

2.  benadrukt dat visserij en maritieme zaken een belangrijke economische, sociale en milieudimensie hebben en een essentiële rol spelen in de blauwe economie;

3.  maakt zich zorgen over de situatie in de visserijsector, die concurrerend moet blijven maar zich tegelijk ook moet houden aan de voorschriften van het gemeenschappelijke visserijbeleid (GVB) en de vereisten met betrekking tot het goede beheer van de visbestanden, die op een peil moeten worden gehouden boven biomassaniveaus die de maximale duurzame opbrengst kunnen opleveren; is verontrust over de moeilijkheden bij de toepassing van de aanlandingsplicht door beroepsbeoefenaars en nationale autoriteiten;

4.   maakt van de situatie van de jeugdwerkgelegenheid in de sector een beleidsprioriteit; wijst er met klem op dat het de taak van de lidstaten is, al het mogelijke te doen om de toegang voor jongeren tot de verschillende beroepen in de visserij te vergemakkelijken met alle middelen waarover ze beschikken, waaronder de Europese structuurfondsen;

Standpunt van de Raad

5.  betreurt dat de Raad voor afdeling III, titel 11, de vastleggingskredieten met 750 388 EUR en de betalingskredieten met 4 646 986 EUR heeft verminderd;

6.  is bezorgd over de lezing van de begroting 2016 door de Raad, waarin geen rekening wordt gehouden met de politieke toezeggingen uit het meerjarig financieel kader (MFK) en bepaalde voor de uitvoering van het GVB onmisbare kredieten worden verminderd; vraagt daarom een herstel van de kredieten voor afdeling III, titel 11 in de ontwerpbegroting van de Commissie;

Vastleggingskredieten van afdeling III, titel 11

7.  neemt nota van de door de Commissie in haar ontwerpbegroting voor 2016 voorgestelde vastleggingskredieten; neemt nota van het bedrag van 1 047 031 838 EUR van rubriek 2 van het MFK; neemt nota van de verlaging met 41,1 % ten opzichte van het bedrag van het vorige begrotingsjaar; constateert dat deze verlaging van 729 120 330 EUR in wezen overeenkomt met de overdracht van kredieten van 2014 naar 2015 als gevolg van de technische herziening van het MFK en de vertraging bij de programmering van de structuurfondsen, met inbegrip van het EFMZV;

8.  herinnert eraan dat de kredieten van het begrotingsjaar 2015 met 740 725 000 EUR zijn gestegen dankzij niet-gebruikte kredieten uit 2014;

9.  merkt op dat de duidelijke verlaging in de ontwerpbegroting hoofdzakelijk de kredieten voor het EFMZV betreft, waarvoor 728 588 330 EUR minder wordt voorgesteld dan in de begroting 2015; is niettemin van mening dat de vastleggingskredieten in overeenstemming zijn met de beleidsbeslissingen die bij de onderhandelingen over het EFMZV genomen zijn en met de maxima van het MFK;

10. neemt nota van de kredieten die in de ontwerpbegroting zijn voorzien voor partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij (SFPA's) en verplichte bijdragen aan internationale organisaties en regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) ten belope van 150 500 000 EUR, een verlaging met 0,4 % ten opzichte van 2015; is echter van mening dat deze stagnering overeenkomt met een vermindering van de kredieten op grond van inflatiehypotheses;

11. neemt nota van de van rubriek 5 afkomstige kredieten die bestemd zijn voor de administratieve uitgaven van afdeling III, titel 11, ten belope van 36 056 336 EUR, d.w.z. een verlaging van 139 563 EUR die samenhangt met het streven naar verlaging van de administratieve uitgaven van de Commissie; is in dit verband ingenomen met het goede voorbeeld dat de Commissie geeft met het verlagen van haar administratieve uitgaven;

Betalingskredieten van afdeling III, titel 11

12.  neemt nota van de door de Commissie in haar ontwerpbegroting voor 2016 voorgestelde betalingskredieten; constateert dat het bedrag van 720 647 758 EUR in rubriek 2 van het MFK 24,9 % lager ligt dan in het vorige begrotingsjaar; constateert dat deze verlaging van 238 621 588 EUR in grote lijnen overeenkomt met een verhoging van de kredieten in 2015 die tot doel heeft te voldoen aan de van het Europees Visserijfonds (EVF) afkomstige betalingsverzoeken;

13.  merkt op dat deze verlaging alleen betrekking heeft op de begrotingslijnen voor de structuurfondsen; bevestigt dat deze verlaging te verwachten was en dat de bedragen op de begroting voor 2016 beantwoorden aan de behoeften;

14. neemt nota van het bedrag aan betalingskredieten dat voor de SFPA's en de verplichte bijdragen aan de ROVB's is gevraagd, nl. 150 000 000 EUR, een lichte verhoging (0,3 %) die in ruime mate teniet zal worden gedaan door de inflatie;

15.  neemt nota van de betalingskredieten van rubriek 5 die bestemd zijn voor de administratieve uitgaven van afdeling III, titel 11, voor eenzelfde bedrag als de vastleggingskredieten;

Administratieve uitgaven en organigram

16.  benadrukt het streven van de Commissie naar kostenverlaging door middel van verlaging van de administratieve uitgaven; waarschuwt de Raad tegen elke poging om die uitgaven te verlagen als dat het vermogen van DG MARE om al zijn taken naar behoren te verrichten in aanzienlijke mate zou aantasten;

17.  neemt er nota van dat het organigram van DG MARE past in het streven naar verlaging van het aantal posten met 1 % per jaar, rekening houdend met herschikkingen; constateert dat de vooruitzichten voor 2016, ook al houden die een verlaging in, het werk van DG MARE in de toekomst niet in belangrijke mate belemmeren;

18. is ingenomen met de samenwerking op personeelsgebied tussen DG MARE en het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen (Easme), in het kader waarvan Easme bepaalde delen van het EFMZV ten uitvoer legt, waaronder het geïntegreerd maritiem beleid en de controle en de wetenschappelijke adviezen en kennis; verzoekt de diensten van de Commissie deze goede samenwerking verder uit te bouwen;

19.  verzoekt de Raad de administratieve kredieten van de rubrieken 2 en 5 op het peil te houden waarom in de ontwerpbegroting wordt gevraagd;

Externe dimensie van het GVB

20.  acht het juist te overwegen om de kredieten voor de SFPA's als niet-gedifferentieerde kredieten te beschouwen, aangezien een begrotingsvastlegging na validering onmiddellijk gevolgd wordt door een betaling voor hetzelfde bedrag;

21.  verzoekt DG MARE de sectorale steun nauwgezet te volgen door gedetailleerde matrices in te voeren overeenkomstig de indicatoren die in de programmaverklaringen zijn voorgesteld;

22. is van mening dat het kredietniveau waarom de Commissie vraagt voldoende en noodzakelijk is om de ambitieuze doelen in verband met de externe dimensie van het GVB te kunnen verwezenlijken;

Europees Bureau voor visserijcontrole (EBVC)

23.  neemt nota van de kredieten die voor het Europees Bureau voor visserijcontrole zijn voorgesteld; betreurt het dat er een ambt van het organigram verdwijnt; stelt bijgevolg voor de begroting van het Europees Bureau voor visserijcontrole te verhogen zodat kan worden voldaan aan de nieuwe opdrachten die voortvloeien uit de laatste basisverordening voor het gemeenschappelijk visserijbeleid; is van mening dat de voorgestelde verhoging de kosten met betrekking tot personeel, werking en IT-ondersteuning moet dekken;

24.  verzoekt de Raad en de Commissie de dialoog over de kredieten voor de agentschappen van de Unie te hervatten in het kader van de herziening van het MFK;

EFMZV

25. herinnert eraan dat de uiterste datum voor de begunstigden van het Europees Visserijfonds (EVF) om hun uitgavendeclaraties in te dienen is vastgesteld op 31 december 2015; is van mening dat de lidstaten in 2016 zullen verzoeken om terugbetaling van sommige van die uitgaven; neemt nota van de betalingskredieten die in de ontwerpbegroting gevraagd worden voor het EVF; is van mening dat die toereikend zouden moeten zijn;

26.  spoort de betrokken lidstaten ertoe aan alles in het werk te stellen om alle operationele programma's (OP's) als bedoeld in de artikelen 17, 18 en 19 van het EFMZV uiterlijk op 31 december 2015 te valideren; is van oordeel dat de bedragen die in de ontwerpbegroting zijn opgevoerd voor de lijnen 11 06 60, 11 06 61, 11 06 62 en 11 06 63 beantwoorden aan de behoeften, met uitzondering echter van post 11 06 62 01 betreffende wetenschappelijk advies en kennis, waarvan de drastische vermindering van de betalingskredieten, met name ten opzichte van 2015, ongegrond lijkt, en dat de bedragen dus weer op het niveau van 2015 ingesteld moeten worden;

Transparantie

27. eist dat de Commissie het Parlement onverwijld, en vervolgens elk jaar, een voortgangstabel doet toekomen van alle vastleggingen en betalingen, uitgesplitst per lidstaat, om zich ervan te vergewissen dat de diverse maxima van het EFMZV geëerbiedigd zijn;

Proefprojecten en voorbereidende acties

28.  steunt alle bestaande proefprojecten of voorbereidende acties met betrekking tot de visserij, die voltooid moeten kunnen worden dankzij een passende financiering; neemt nota van de verzoeken om betalingskredieten voor de proefprojecten en voorbereidende acties van de lijnen 11 06 77 03, 11 06 77 06, 11 06 77 07, 11 06 77 08 en 11 06 77 09; verzoekt de Raad de nieuwe door het Parlement gesteunde proefprojecten in aanmerking te nemen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

3.9.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

14

4

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Clara Eugenia Aguilera García, Renata Briano, Alain Cadec, Richard Corbett, Diane Dodds, Raymond Finch, Ian Hudghton, Carlos Iturgaiz, Werner Kuhn, António Marinho e Pinto, Gabriel Mato, Liadh Ní Riada, Ulrike Rodust, Remo Sernagiotto, Ricardo Serrão Santos, Isabelle Thomas

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

José Blanco López, Ian Duncan, Anja Hazekamp, Francisco José Millán Mon

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Enrique Calvet Chambon, Axel Voss

16.9.2015

ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs

aan de Begrotingscommissie

inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016

(2015/2132(BUD))

Rapporteur voor advies: Bogdan Andrzej Zdrojewski

SUGGESTIES

De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  verwelkomt het feit dat de Commissie in het ontwerp van algemene begroting 2016 voorstelt om de steun van de Unie voor een kenmerkend mobiliteitsprogramma als Erasmus+ te verhogen, hetgeen in overeenstemming is met het voornemen van de Commissie om de mobiliteit van studenten tegen het einde van het decennium te verhogen van de huidige 10% tot 20%;

2.  herinnert aan de krachtige steun die het Parlement blijft uitspreken voor adequate financiering van programma's op het gebied van cultuur en media, gezien de belangrijke rol daarvan voor het ondersteunen van de culturele en creatieve sectoren; is daarom verheugd over de verhoging van de kredieten voor het programma Creatief Europa, met inbegrip van multimedia-acties, ten opzichte van de begroting 2015, maar maakt voorbehoud bij de administratieve scheiding tussen de onderdelen cultuur en media; betreurt echter de bezuinigingen die de Raad op dit programma wil doorvoeren, omdat dit bij burgers van de Unie de indruk kan wekken dat de Raad de waarde van cultuur als aanjager van economische groei en persoonlijke ontwikkeling onderschat;

3.  spreekt zijn krachtige steun uit voor de voorgestelde verhoging ten behoeve van "Europa voor de burger"; acht de door de Raad voorgestelde verlaging van de vastleggingen en betalingen politiek ongerechtvaardigd, omdat dit programma van wezenlijk belang is voor de deelname van de burgers aan het Europese democratische proces, en een belangrijk instrument is voor participerende democratie in de Unie;

4.  betreurt ten zeerste het feit dat de middelen voor de programma's in rubriek 3 inzake cultuur en burgerschap, zoals "Creatief Europa" en "Europa voor de burger", proportioneel meer zijn verlaagd dan voor andere programma's, zowel wat de vastleggingen als de betalingen betreft;

5.  wijst erop dat aangezien de start van de garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sectoren (CCSGF) in het kader van het programma "Creatief Europa" is gepland voor 2016, in het eerste jaar van uitvoering voldoende middelen aan het fonds moeten worden toegewezen, om een succesvolle start te waarborgen;

6.  herinnert eraan dat investeringen in onderwijs, opleidingen en de culturele en creatieve sectoren deel moeten uitmaken van het Europees Fonds voor strategische investeringen, omdat ze van wezenlijk belang zijn voor sociale inclusie, hetgeen in een later stadium een stimulans zal zijn voor investeringsbeslissingen en duurzame economische groei en, op lange termijn, concurrentievermogen;

7.  benadrukt de positieve rol van pan-Europese netwerken van lokale en nationale media zoals Euranet Plus, en vraagt om een verhoging van de kredieten om de lopende activiteiten te waarborgen en een stabiel kader te creëren voor de toekomstige financiering van Euranet Plus;

8.  wijst er met bezorgdheid op dat de Commissie geen marge voorziet voor verdere verhogingen of proefprojecten (PP's) en voorbereidende acties (VA's) in rubriek 3, zelfs niet voor de voortzetting van zeer succesvolle PP-VA's; benadrukt het belang van PP‑VA's als instrument voor het formuleren van politieke prioriteiten en de invoering van nieuwe initiatieven die kunnen uitgroeien tot permanente activiteiten en programma's van de Unie, en verzoekt na te gaan op welke manieren in rubriek 3 ruimte gemaakt kan worden voor mogelijke PP-VA's;

9.  wijst er in algemene zin op dat verlaging van de middelen voor Europese programma's op het gebied van cultuur en onderwijs, en de vertragingen bij de afronding van contracten en betalingen tussen autoriteiten en begunstigden, een bedreiging vormen voor de uitvoering van de programma's door de Commissie, het vertrouwen bij de burgers ondermijnen en de geloofwaardigheid van de instellingen van de Unie schaden.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

15.9.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

17

4

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Dominique Bilde, Andrea Bocskor, Silvia Costa, Angel Dzhambazki, Jill Evans, Petra Kammerevert, Rikke Karlsson, Andrew Lewer, Svetoslav Hristov Malinov, Fernando Maura Barandiarán, Luigi Morgano, Yana Toom, Helga Trüpel, Julie Ward, Bogdan Brunon Wenta, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver, Krystyna Łybacka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Sylvie Guillaume, Dietmar Köster, Paul Nuttall, Hermann Winkler

4.9.2015

ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

aan de Begrotingscommissie

inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016

(2015/2132(BUD))

Rapporteur voor advies: Péter Niedermüller

SUGGESTIES

De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  verwelkomt de verhoging van het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) met 32,2% aan vastleggingen en 35% aan betalingen ten opzichte van 2015; is van mening dat deze verhoging het waarborgen van een eerlijke en transparante verdeling van middelen tussen de verschillende doelstellingen van het AMIF des te noodzakelijker maakt; is van mening dat de financiering van de EU voor de opvang en integratie van migranten en asielzoekers aanzienlijk moet worden verhoogd, in tegenstelling tot de prioriteit die momenteel wordt gegeven aan grenscontrole en andere dure veiligheidsmaatregelen, zoals administratieve detentie, die niet doeltreffend zijn gebleken en vaak een schending van de rechten van migranten inhouden; verzoekt de Commissie in hoofdzaak bijkomende middelen toe te wijzen aan specifieke acties in de lidstaten die vrijwillig acties ondernemen voor de opvang en integratie van migranten en asielzoekers acht het noodzakelijk afzonderlijke begrotingslijnen in te voeren voor de vier specifieke doelstellingen van het AMIF, alsmede een nieuwe begrotingslijn voor het dringend noodzakelijke herplaatsingsmechanisme;

2.  is van mening dat de huidige vluchtelingencrisis laat zien dat gezorgd moet worden voor ruime financiële mogelijkheden en gereedheid op de begroting 2016, om een snellere en omvangrijkere steun mogelijk te maken voor lidstaten die de grootste stroom migranten te verwerken krijgen, alsmede om de lidstaten te ondersteunen bij de ontvangst en integratie van vluchtelingen;

3.  verwelkomt de verhoging van middelen voor het ISF, omdat bescherming en veiligheid aan de grenzen van cruciaal belang zijn voor de Unie, evenals het versterken van de veiligheidsagenda en het Europees Centrum voor contraterrorisme;

4.  is van mening dat, in plaats van de huidige ad-hocbesluitvorming, een meer op de lange termijn gerichte aanpak nodig is voor opsporings- en reddingsacties; stelt daarom de invoering voor van een nieuwe begrotingslijn voor een EU-fonds voor opsporing en redding, om dergelijke operaties te financieren;

5.  steunt het voorstel om middelen uit het flexibiliteitsinstrument beschikbaar te stellen voor het financieren van een deel van het dringend noodzakelijke herplaatsingsmechanisme, maar is van mening dat het plafond voor Rubriek 3 verder verhoogd moet worden om de EU in staat te stellen haar verplichtingen op het gebied van asiel en migratie na te komen; roept de Commissie in dit kader op om het MFK tijdens de tussentijdse herziening in 2017 in die zin aan te passen;

6.  acht het noodzakelijk de kredieten van alle agentschappen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken te verhogen, gezien de specifieke uitdagingen op dit beleidsterrein en de voortdurend toenemende taken van deze agentschappen; herinnert eraan dat deze agentschappen nieuwe taken toegewezen krijgen in verband met de mechanismen voor herplaatsing en hervestiging van vluchtelingen, opsporings- en reddingsactiviteiten op zee, de implementatie van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, recente besluiten en strategieën ter bestrijding van terrorisme en georganiseerde misdaad, waaronder cybercriminaliteit, en de smokkel van migranten; is van mening dat Frontex, Europol, EASO en Eurojust over meer personeel moeten beschikken dan de Commissie voorstelt;

7.  verwelkomt de voorgestelde verhoging voor Frontex, omdat dit een verlenging van de operaties Triton en Poseidon mogelijk maakt; stelt de invoering voor van een afzonderlijke begrotingslijn voor deze gezamenlijke Frontex-operaties, om de transparantie ervan te vergroten;

8.  is van mening dat een coherente Europese aanpak van opsporings- en reddingsoperaties op de Middellandse Zee los moet staan van missies voor grensbeheer en -controle, en opgezet moet worden als missie op zich; stelt daarom de invoering voor van een nieuwe begrotingslijn voor een EU-fonds voor opsporing en redding, om de opsporings- en reddingsoperaties van de lidstaten te steunen;

9.  benadrukt dat de gevolgen voor de begroting van de maatregelen die zijn gepresenteerd als onderdeel van de Europese veiligheidsagenda, in het bijzonder met betrekking tot Europol en verwante taken van dat agentschap op het gebied van terrorismebestrijding, georganiseerde criminaliteit en cybercriminaliteit, nader toegelicht en gepreciseerd moeten worden door de Commissie; benadrukt dat een passende begroting en toereikende personeelsomvang voor Europol voor 2016 noodzakelijk is om het in staat te stellen zijn taken doeltreffend te vervullen, in het bijzonder in verband met het nieuwe Europese centrum voor contraterrorisme dat binnen Europol moet worden opgericht;

10.  verzoekt de Commissie de financiering voor preventieve acties en maatregelen tegen gewelddadige radicalisering te verhogen, als onderdeel van de Europese veiligheidsagenda, in het bijzonder door middel van het netwerk voor voorlichting over radicalisering en het bijbehorende Centre of Excellence; wijst op het belang van dergelijke maatregelen ter bestrijding van terrorisme en gewelddadig extremisme;

11.  roept op tot versterking van het EMCDDA gezien de verwachte goedkeuring van de verordening betreffende nieuwe psychoactieve stoffen, in het kader waarvan het EMCDDA bijkomende taken worden toegewezen;

12.  benadrukt dat de begroting voor het beleid inzake antidiscriminatie en gelijkheid verhoogd moet worden; roept op tot de toewijzing van specifieke middelen voor de aanpak van de toename van antisemitisme, islamofobie, afrofobie en Romahaat in de lidstaten; roept in het bijzonder op tot steun van de Unie voor projecten om de positie van vrouwen en meisjes van de desbetreffende gemeenschappen te versterken.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

3.9.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

38

6

7

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gerard Batten, Heinz K. Becker, Malin Björk, Caterina Chinnici, Ignazio Corrao, Frank Engel, Cornelia Ernst, Laura Ferrara, Monika Flašíková Beňová, Mariya Gabriel, Kinga Gál, Nathalie Griesbeck, Sylvie Guillaume, Brice Hortefeux, Filiz Hyusmenova, Sophia in ‘t Veld, Eva Joly, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Timothy Kirkhope, Barbara Kudrycka, Marju Lauristin, Juan Fernando López Aguilar, Monica Macovei, Vicky Maeijer, Louis Michel, Claude Moraes, József Nagy, Péter Niedermüller, Soraya Post, Birgit Sippel, Csaba Sógor, Traian Ungureanu, Bodil Valero, Marie-Christine Vergiat, Udo Voigt, Beatrix von Storch, Josef Weidenholzer, Cecilia Wikström, Kristina Winberg, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Marina Albiol Guzmán, Hugues Bayet, Pál Csáky, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Ska Keller, Miltiadis Kyrkos, Andrejs Mamikins, Elly Schlein, Josep-Maria Terricabras, Kazimierz Michał Ujazdowski, Axel Voss

10.7.2015

ADVIES van de Commissie constitutionele zaken

aan de Begrotingscommissie

inzake het standpunt van de Raad over de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016

(2015/2132(BUD))

Rapporteur voor advies: Danuta Maria Hübner

SUGGESTIES

De Commissie constitutionele zaken verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is ingenomen met de door de Commissie voorgestelde verhoging van de kredieten voor rubriek 3, namelijk een verhoging van 9,75 % aan vastleggingskredieten en van 17,1 % aan betalingskredieten ten opzichte van de begroting 2015; merkt op dat deze verhoging niet onverwacht is, aangezien zij gewoon een afspiegeling is van de nieuwe behoeften van de meerjarige programma's die nu op kruissnelheid komen; merkt op dat de Commissie in rubriek 3 in geen enkele marge voor onvoorziene uitgaven voorziet en voorstelt 124 miljoen EUR uit het flexibiliteitsinstrument te gebruiken om het hoofd te bieden aan de huidige asiel- en migratiecrisis;

2.  is met name ingenomen met de voorgestelde verhoging van de kredieten voor het programma "Europa voor de burger", namelijk een verhoging van 4,1 % aan vastleggingskredieten en van 30 % aan betalingskredieten ten opzichte van de begroting 2015, omdat dit programma van essentieel belang is voor de participatie van de burgers aan het democratische proces in Europa;

3.  is verheugd over de bijkomende financiering voor communicatieacties, namelijk een verhoging van 8,9 % aan vastleggingskredieten en van 11,28 % aan betalingskredieten ten opzichte van de begroting 2015, omdat deze middelen ook bedoeld zijn voor nieuwe acties van de Commissie om de hand te reiken aan de Europese burgers, hun vertrouwen te winnen en hun inzicht in de politiek en het beleid van de Unie te vergroten;

4.  waarschuwt de Raad geen ongerechtvaardigde besparingen op het vlak van burgerschap en communicatie door te voeren, aangezien deze programma's van essentieel belang zijn om een relatie met de Europese burgers op te bouwen die gebaseerd is op begrip en vertrouwen;

5.  beschouwt het Europese burgerinitiatief (EBI) als een centraal instrument voor participerende democratie in de EU en betreurt dat de Europese burgers nog steeds grote belemmeringen ondervinden bij de uitoefening van hun recht om een dergelijk initiatief te starten; benadrukt dat de zichtbaarheid van dit instrument moet worden verbeterd door het onder te brengen in een afzonderlijke begrotingspost binnen het artikel "Europa voor de burger" en het samen met de onderliggende communicatiestrategie te voorzien van voldoende financiële middelen zodat het zijn doelstellingen kan verwezenlijken en de burgers gemakkelijker toegang krijgen tot dit waardevolle instrument voor participerende democratie;

6.  benadrukt ten aanzien van de begroting van het Europees Parlement dat er in voldoende middelen moet worden voorzien voor communicatieprogramma's die interactie met de burgers bevorderen en die hen informeren over de werkzaamheden van het Parlement, en dat de maatregelen voor uitwisseling van informatie met de nationale parlementen moeten worden uitgebreid.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

6.7.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

18

2

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Mercedes Bresso, Fabio Massimo Castaldo, Pascal Durand, Danuta Maria Hübner, Ramón Jáuregui Atondo, Constance Le Grip, Jo Leinen, Morten Messerschmidt, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Paulo Rangel, György Schöpflin, Pedro Silva Pereira, Claudia Tapardel, Josep-Maria Terricabras

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Gerolf Annemans, Pervenche Berès, Andrej Plenković, Cristian Dan Preda, Viviane Reding, Helmut Scholz

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Ashley Fox

16.9.2015

ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

aan de Begrotingscommissie

inzake het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2016

(2015/2132(BUD))

Rapporteur voor advies: Barbara Matera

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herinnert aan de gezamenlijke verklaring van de drie instellingen dat in de jaarlijkse begrotingsprocedures die worden toegepast voor het MFK 2014-2020, waar passend, genderelementen zullen worden geïntegreerd; benadrukt dat gendergelijkheid als horizontaal aspect moet worden opgenomen in alle vormen van het beleid van de Unie en dat genderanalyse en genderbudgettering een integraal onderdeel moeten uitmaken van alle stadia van de begrotingsprocedure, onder meer bij de projectfase, de definiëring, tenuitvoerlegging, controle en evaluatie; verzoekt derhalve om algemene toepassing van genderbewust budgetteren, met inbegrip van een beoordeling door de Rekenkamer van de algemene begroting van de Unie vanuit een genderperspectief;

2.  verzoekt om invoering van genderbewust budgetteren in Europese en nationale strategieën voor een doeltreffender bevordering van gendergelijkheid; benadrukt dat er meer middelen specifiek moeten worden toegewezen aan de bestrijding van alle vormen van geweld en discriminatie jegens vrouwen en meisjes;

3.  benadrukt dat ter bevordering van banen, groei en investeringen, een kernprioriteit van de ontwerpbegroting 2016, specifieke aandacht moet worden besteed aan de ondersteuning van vrouwen in de zakelijke, wetenschappelijke, educatieve en arbeidsmarkten, zodat de aanwezige vaardigheden en ervaring beter benut kunnen worden en gelijkheid van mannen en vrouwen kan worden verwezenlijkt, met name wat betreft de nog steeds bestaande loonkloof; herhaalt zijn oproep om voor het bereiken van dit doel gebruik te maken van de Europese structuur- en investeringsfondsen en van het Europees Fonds voor strategische investeringen;

4.  benadrukt dat met het oog op het relatief geringe aantal vrouwelijke ondernemers speciale aandacht moet worden besteed aan vrouwen bij alle regelingen ter ondersteuning van ondernemers en ondernemerschap; vrouwelijke ondernemers moeten eenvoudiger toegang hebben tot financiering, met inbegrip van microfinanciering;

5.  benadrukt het belang van de bestrijding van jeugdwerkloosheid in Europa door aanvullende middelen toe te wijzen aan het Jeugdwerkgelegenheidsinitiatief; benadrukt dat in het kader van het initiatief steun verleend moet worden aan jonge vrouwen die te maken hebben met genderspecifieke obstakels, zodat zij kunnen profiteren van hoogwaardige werkgelegenheid, vervolgopleidingen, leerlingenplaatsen of stages;

6.  roept op tot het toewijzen van Uniefinanciering om vrouwelijke wetenschappers en onderzoekers te stimuleren een carrière te starten en op te bouwen en daarmee de participatie van vrouwen in deze sector te verhogen;

7.  roept op tot het toewijzen van Uniefinanciering aan de ondersteuning van de rechten van de vrouw en gendergelijkheid;

8.  herhaalt zijn verzoek om het profiel van het Daphne-programma zo duidelijk mogelijk onder de aandacht te brengen; wijst erop dat in de programmaverklaring van het programma Rechten, gelijkheid en burgerschap geen verwijzing naar Daphne voorkomt; roept ertoe op om het relatieve aandeel van de financiële middelen toegewezen aan de specifieke Daphne-doelstelling binnen het programma Rechten, gelijkheid en burgerschap te verhogen;

9.  verzoekt de Commissie te zorgen voor transparante informatie over de acties die geselecteerd worden voor subsidieverlening, zodat kan worden onderzocht of het specifieke doel van geweldpreventie en -bestrijding wordt bereikt;

10.  verzoekt om werkelijke budgettaire transparantie met betrekking tot de fondsen (ESF, PROGRESS, DAPHNE) die zijn bestemd voor gendergelijkheidsbeleid;

11.  herhaalt zijn oproep om een Europees Waarnemingscentrum voor gendergeweld op te richten, binnen het huidige Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE), en met dit doel een post toe te voegen aan het personeelsbestand van het instituut, en de begroting voor EIGE dienovereenkomstig te verhogen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

15.9.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

5

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Maria Arena, Catherine Bearder, Malin Björk, Iratxe García Pérez, Anna Hedh, Mary Honeyball, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Elisabeth Köstinger, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Barbara Matera, Krisztina Morvai, Angelika Niebler, Maria Noichl, Margot Parker, Marijana Petir, Terry Reintke, Liliana Rodrigues, Jordi Sebastià, Ángela Vallina, Beatrix von Storch, Jadwiga Wiśniewska, Anna Záborská, Jana Žitňanská

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Biljana Borzan, Ildikó Gáll-Pelcz, Sylvie Goddyn, Constance Le Grip

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Michel Reimon

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

13.10.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

7

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jean Arthuis, Reimer Böge, Lefteris Christoforou, Jean-Paul Denanot, Gérard Deprez, José Manuel Fernandes, Eider Gardiazabal Rubial, Jens Geier, Esteban González Pons, Ingeborg Gräßle, Monika Hohlmeier, Bernd Kölmel, Vladimír Maňka, Ernest Maragall, Clare Moody, Siegfried Mureşan, Younous Omarjee, Paul Rübig, Patricija Šulin, Eleftherios Synadinos, Paul Tang, Indrek Tarand, Isabelle Thomas, Inese Vaidere, Daniele Viotti, Marco Zanni

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Michał Marusik, Louis Michel, Andrey Novakov, Stanisław Ożóg, Marco Valli, Derek Vaughan, Anders Primdahl Vistisen, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Massimo Paolucci

(1)

PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.

(2)

PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(3)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.

(4)

PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0061.

(6)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0172.

(7)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0263.

(8)

Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Gemeenschappelijke Onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie voor het begrotingsjaar 2013 (Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0168).

(9)

Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470).

(10)

Resolutie van het Europees Parlement van 23 oktober 2013 over het standpunt van de Raad over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014 (Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0437).

(11)

Resolutie van het Europees Parlement van 22 oktober 2014 over het standpunt van de Raad over het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 (Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0036).

(12)

Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2016 (Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0172).

(13)

– 67 ambten in 2014, –47 ambten in 2015 en –57 ambten in 2016.

(14)

Aangezien er een politiek besluit is om de fracties van deze berekening uit te sluiten, wordt deze vermindering toegepast op het gedeelte van het secretariaat-generaal in het organigram (referentieaantal posten (1 %): –57).

(15)

Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling IV – Hof van Justitie (Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0124).

(16)

COM(2009)0215.

(17)

  Zie verslag van de Commissie van 3 juni 2015 getiteld "Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2014" (COM(2015)0279), punt 2.4.

Juridische mededeling