Procedure : 2015/2210(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0307/2015

Ingediende teksten :

A8-0307/2015

Debatten :

PV 28/10/2015 - 14
CRE 28/10/2015 - 14

Stemmingen :

PV 29/10/2015 - 10.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


VERSLAG     
PDF 536kWORD 215k
20.10.2015
PE 564.958v02-00 A8-0307/2015

over het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: uitvoering van de prioriteiten voor 2015

(2015/2210(INI))

Commissie economische en monetaire zaken

Rapporteur: Dariusz Rosati

Rapporteurs voor advies (*):

Jean Arthuis, Begrotingscommissie

Sergio Gutiérrez Prieto, Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 54 van het Reglement

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: uitvoering van de prioriteiten voor 2015

(2015/0000(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name artikel 121, lid 2, en artikel 136,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 mei 2015 over de landenspecifieke aanbevelingen voor 2015 (COM(2015)0251),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 25 en 26 juni 2015 (EUCO 22/15),

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2015 over het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: jaarlijkse groeianalyse 2015(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 november 2014 over het waarschuwingsmechanismeverslag 2015 (COM(2014)0904),

–  gezien het "Verslag van de vijf voorzitters" van 22 juni 2015, getiteld "De voltooiing van Europa's Economische en Monetaire Unie",

–  gezien zijn resolutie van 24 juni 2015 over de evaluatie van het kader voor economische governance: balans en uitdagingen(2),

–  gezien zijn resolutie van 1 december 2011 over het Europees semester voor economische beleidscoördinatie(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 januari 2015 getiteld "Het optimaal benutten van de flexibiliteit binnen de bestaande regels van het stabiliteits- en groeipact" (COM(2015)0012),

–  gezien Verordening (EU) nr. 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal, en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 — het Europees Fonds voor strategische investeringen,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2014 met als titel "Een investeringsplan voor Europa" (COM(2014)0903),

–  gezien het Groenboek van de Commissie van 18 februari 2015 getiteld "Het opbouwen van een kapitaalmarktunie" (COM(2015)0063),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 juni 2015 getiteld "Een eerlijk en doeltreffend vennootschapsbelastingstelsel in de Europese Unie: vijf belangrijke actiegebieden" (COM(2015)0302),

–  gezien zijn resolutie van 5 februari 2013 over betere toegang tot financiering voor kmo's(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 2 oktober 2013 over de versterking van de sociale dimensie van de Economische en Monetaire Unie (COM(2013)0690),

–  gezien de mededelingen van de Commissie van 3 maart 2010, getiteld "Europa 2020 - Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020), en van 13 maart 2014, getiteld "Tussenopname van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" 2014 (COM(2014)0130),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie regionale ontwikkeling en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0307/2015),

A.  overwegende dat in de economische voorjaarsprognoses 2015 van de Commissie voor 2016 uitgegaan wordt van groeiverwachtingen van 2,1 % in de EU en 1,9 % in de eurozone;

B.  overwegende dat de jaarlijkse groeianalyse die de Commissie op 28 november 2014 gepresenteerd heeft, uit drie hoofdpijlers bestaat voor 2015 – een gecoördineerde stimulans van de particuliere investeringen, een hernieuwde verbintenis tot structurele hervormingen en maatregelen ten behoeve van budgettaire verantwoordelijkheid – en voor het eerst de nadruk legt op de bijdrage van de Europese begroting aan de verwezenlijking van die pijlers;

C.  overwegende dat de jaarlijkse inflatie van de consumptieprijzen in zowel de EU, als de eurozone naar verwachting zal toenemen van 0,1 % in 2015 naar 1,1 % in 2016, wat niet het door de Europese Centrale Bank voorspelde deflatierisico weerspiegelt;

D.  overwegende dat met de vaststelling van de verordening betreffende de oprichting van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), de start van de operationele programma's in het kader van het Cohesiefonds, de overdracht van de in 2014 ongebruikte vastleggingskredieten uit de periode 2007-2013 naar 2015, 2016 en 2017, alsmede de verhoging van de voorfinanciering van het Europees initiatief voor de jeugd, het afgelopen semester veel financiële middelen zijn vrijgemaakt voor de in de jaarlijkse groeianalyse vastgestelde doelstellingen;

E.  overwegende dat de werkloosheid in de EU onaanvaardbaar hoog blijft, maar wel aan het dalen is en in 2016 naar verwachting zal teruglopen naar 9,2 % in de EU en 10,5 % in de eurozone;

F.  overwegende dat hiermee aangetoond wordt dat de Europese begroting van meerwaarde is, maar ook dat aan het Europees optreden grenzen gesteld zijn door een begroting die geen daadwerkelijk eigen middelen omvat, nog steeds uit minder dan 1 % van het bbp bestaat, en belemmerd wordt door een meerjarenkader van 7 jaar;

G.  overwegende dat de situatie van de begrotingen in de EU en de eurozone zich blijft verbeteren, met een in grote lijnen neutraal geaggregeerd beeld;

1.  neemt ter kennis dat het herstel van de economie langzaam maar zeker wat sneller verloopt, met een verwachte groei van het bbp in de eurozone van 1,9 % en in de EU van 2,1 % in 2016; maakt zich er overigens wel zorgen over dat het fundament van het herstel kwetsbaar blijft, hetgeen onder andere toe te schrijven is aan de onderliggende structurele zwaktes van de EU, alsook aan regionale economische verschillen, en resulteert in een ongelijke groei en gering internationaal concurrentievermogen;

2.  wijst erop dat belangrijke beleidsinitiatieven, met inbegrip van beleidsaanbevelingen, gebaseerd waren op economische vooruitzichten waarin geen rekening was gehouden met de huidige lage groei en inflatie als gevolg van vroegtijdige besparingsmaatregelen en waarin de grootte van de begrotingsmultiplicator zwaar werd onderschat in een context van ernstige financiële beroering en belangrijke overloopeffecten tussen lidstaten in een periode van gelijktijdige consolidatie in combinatie met het deflatoire effect van zich ophopende en versnelde structurele hervormingen;

3.  verwelkomt het feit dat de Commissie zich in de landenspecifieke aanbevelingen 2015 hoofdzakelijk richt op de vier belangrijkste prioriteiten voor economische groei: het stimuleren van investeringen, het uitvoeren van structurele hervormingen op de producten-, diensten- en arbeidsmarkten, budgettaire verantwoordelijkheid en het verbeteren van het werkgelegenheidsbeleid; beklemtoont het belang van deze groeibevorderaars, ook in de context van het verwezenlijken van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie en de algemene doelstelling van het vergroten van het mondiale concurrentievermogen van de EU; wijst erop dat dit alles moet worden verwezenlijkt zonder afbreuk te doen aan de arbeidsrechtelijke bescherming van werknemers of het Europese sociale model te ondermijnen;

Economische vooruitzichten en uitdagingen voor de EU

4.  neemt ter kennis dat de Commissie bij het stroomlijnen van het proces van het Europees semester voor een nieuwe benadering kiest, dat wil zeggen dat ze meer de nadruk legt op een kleiner aantal uitermate belangrijke prioriteiten en uitdagingen, en dat ze de landenspecifieke aanbevelingen en analyses van de eurozone drie maanden eerder presenteert dan in voorgaande jaren; roept de lidstaten in dit verband op om, rekening houdend met het nieuwe tijdspad van het Europese semester, de nationale parlementen alsook de lokale en regionale overheden, én andere belanghebbenden op een meer gestructureerde manier bij het proces te betrekken; beveelt aan dat grote structurele hervormingen en veranderingen die in de landenspecifieke aanbevelingen worden voorgesteld, vergezeld gaan van een sociale effectbeoordeling van de korte- en langetermijngevolgen;

5.  stelt met bezorgdheid vast dat niet alle lidstaten even serieus te werk zijn gegaan bij het implementeren van de landenspecifieke aanbevelingen van vorig jaar en dat de implementatie in het algemeen te wensen overlaat; wijst nog eens op de noodzaak van beleidscoördinatie in de Unie en hamert op het belang van het implementeren van de landenspecifieke aanbevelingen, teneinde te komen tot een consistente en billijke tenuitvoerlegging van het kader voor economische governance in alle lidstaten; onderstreept dat de tekortschietende implementatie van de landenspecifieke aanbevelingen in sommige lidstaten de ontwikkeling van een groei- en investeringsvriendelijk klimaat in de weg staat; verzoekt de Commissie om, rekening houdend met de resolutie van het Parlement van 24 juni 2015 over de evaluatie van het kader voor economische governance: balansen uitdagingen(5), na te denken over de invoering van een mechanisme dat de lidstaten aanmoedigt de landenspecifieke aanbevelingen te implementeren, met name op de gebieden met de grootste spill-overeffecten, en over manieren om ervoor te zorgen dat de aanbevelingen van het Europees semester op doeltreffender wijze ten uitvoer worden gelegd en van follow-up worden voorzien; verzoekt de Commissie in dit verband een document voor te leggen met een alomvattende beoordeling van de stand van zaken met betrekking tot de implementatie van de landenspecifieke aanbevelingen in elke lidstaat, en daarin ook expliciet aanbevelingen op te nemen gericht op het verwezenlijken van de opgewaardeerde nationale doelen van Europa 2020; beveelt aan de relevantie te onderzoeken van de landenspecifieke aanbevelingen die in het verleden voor verschillende lidstaten werden geformuleerd, om achteraf te kunnen beoordelen of deze aanbevelingen toen wat toepassingsgebied, timing, fasering en sequentie betreft voldeden, en te achterhalen welke sociale gevolgen ze hebben gehad en op welke manier ze al dan niet bijdragen tot het verkleinen van de economische verschillen tussen de regio's van de Unie en tussen de lidstaten; neemt nota van het voornemen van de Commissie om drie van de zogenaamde aanvullende indicatoren naar het hoofdscorebord over te hevelen;

6.  onderstreept dat veel lidstaten, met name in de eurozone, met vergelijkbare macro-economische uitdagingen te kampen hebben, waaronder met name hoge (publieke en particuliere) schulden, een achterblijvend concurrentievermogen en uitermate lage investeringen, en dat een gecoördineerde aanpak nodig is om deze problemen op te lossen; benadrukt dat onhoudbare schulden investeerders afschrikken;

7.  maakt zich zorgen over de aanhoudend hoge werkloosheidscijfers in de meeste lidstaten, met name de cijfers voor jeugd- en langdurige werkloosheid zijn ontmoedigend; onderstreept dat meer investeringen nodig zijn en dat ook de nationale arbeidsmarkten moeten worden hervormd, en wijst erop dat het belangrijk is dat er maatregelen ter ondersteuning van de economie worden genomen om het banenscheppend vermogen te vergroten; vindt verder dat moet worden toegespitst op het creëren van hoogwaardige banen; onderstreept met name dat de nationale onderwijsstelsels moeten worden verbeterd en aangepast aan de nieuwe vaardigheden en kennis waar op de EU-arbeidsmarkt vraag naar is, in het bijzonder door over te stappen op het tweesporig opleidingsmodel, dat met name van nut is gebleken voor het bestrijden van de jeugdwerkloosheid, en dat ook ondernemerschapslessen en vaardighedentraining in schoolcurricula omvat; benadrukt dat hiervoor voor sommige bevolkingsgroepen een specifieke aanpak en maatregelen nodig zijn, zoals jongeren, laaggeschoolde werklozen, langdurige werklozen, oudere werklozen en vrouwen, die nog altijd problemen ondervinden bij het volledig in de arbeidsmarkt participeren; onderstreept overigens dat er wel voor moet worden gezorgd dat een dergelijke benadering in de praktijk niet alleen neerkomt op een afzwakking van de arbeidsrechten en de sociale bescherming, of de bevordering van onzekere dienstverbanden; vraagt de lidstaten hun minimuminkomensregelingen voor werklozen tegen het licht te houden;

8.  verwelkomt de inwerkingtreding van de verordening betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), dat gericht is op het aanzwengelen van de private en publieke investeringen in de EU, onder andere middels nationale stimuleringsbanken, als een stap in de juiste richting, en dringt bij alle betrokken partijen en instellingen aan op een snelle en doeltreffende implementatie ervan om de toegang tot financiering voor bedrijven, en met name kmo's, te vergemakkelijken; is van mening dat een van de voornaamste doelstellingen van projecten die steun uit het EFSI krijgen, erin moet bestaan fatsoenlijke banen te creëren die tot hoogwaardige werkgelegenheid leiden, en sociale, economische en territoriale cohesie te bewerkstelligen; wijst op de noodzaak om daar waar mogelijk sociale investeringen te bevorderen met als doel positieve sociale effecten in de hand te werken en de ongelijkheid te verminderen, onder meer door de openbare dienstverlening te verbeteren en het scheppen van banen voor kansarme groepen te ondersteunen; roept de lidstaten op om hun lokale en regionale overheden nauw te betrekken bij het promoten van projectpijplijnen en investeringsplatformen; is van oordeel dat het succes van dit investeringsplan van cruciaal belang is en zal dan ook nauwlettend toezien op zijn uitvoering, met name om deconsolidatie te voorkomen van de investeringsuitgaven, alsook van de overheidsschulden; benadrukt de rol van het Parlement bij het tot een minimum beperken van de herschikking van de middelen van Horizon 2020 en de Connection Europe-faciliteit binnen het kader van EFSI; herhaalt zijn verbintenis om de bezuinigingen tijdens de jaarlijkse begrotingsprocedure te verminderen;

9.  neemt er kennis van dat een groeivriendelijke consolidatie van de overheidsfinanciën, die leidt tot meer werkgelegenheid, duurzame groei en lagere schulden, in sommige lidstaten een "must" is, teneinde te voldoen aan de voorwaarden van het pact voor stabiliteit en groei; neemt nota van de interpretatieve mededeling van de Commissie over flexibiliteit in het pact voor stabiliteit en groei, waarin de investeringsclausule wordt toegelicht en die een bepaalde mate van tijdelijke flexibiliteit mogelijk maakt in de preventieve tak van het pact voor stabiliteit en groei;

10.  is verontrust over de aanhoudende macro-economische onevenwichtigheden in een aantal lidstaten, met name de grote overheids- en particuliere schulden en de grote tekorten op de lopende rekeningen, alsook de buitensporige risico's in de financiële sector, en meer in het bijzonder in de bankensector, die teruggaan op instellingen die te groot zijn om failliet te gaan; wijst erop dat het probleem van de verwevenheid tussen overheids- en bankenschulden ("sovereign-bank-loop") nog niet is opgelost en nog steeds een bedreiging vormt voor de financiële en begrotingsstabiliteit; wijst erop dat overschotten op de lopende rekening andere risico's met zich meebrengen dan tekorten, en onderstreept de steeds grotere economische verschillen in de Unie en de eurozone, die de coherentie van het Europese sectorale beleid bedreigen;

11.  herinnert eraan dat armoede en toenemende inkomensongelijkheid een bedreiging vormen voor duurzame groei; verzoekt de Commissie om de lidstaten te coördineren en te steunen bij de bestrijding van deze problemen, en wel door middel van het bevorderen van de uitwisseling van goede praktijken en goede gegevensverzameling; is van mening dat deze taken uitdrukkelijk moeten worden vermeld als onderdeel van het Europese semester voor economische beleidscoördinatie;

Landenspecifieke aanbevelingen - prioriteiten en doelstellingen

12.  onderstreept het belang van toegang tot financiering voor bedrijven, met name kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), die de ruggengraat van de Europese economie vormen; wijst op het accomoderende monetaire beleid gericht op het aanzwengelen van de investeringen, en roept op tot een snelle tenuitvoerlegging van recente maatregelen, zoals het investeringsplan voor Europa; wijst er in dit verband op dat de huidige lage rentevoeten onvoldoende zijn gebleken om de investeringen in voldoende mate aan te zwengelen; is tegelijkertijd ingenomen met de geleidelijke versoepeling van de kredietvoorwaarden voor bedrijfsleningen in de eerste helft van 2015 en de eerste tekenen van een heropleving van de private investeringen; onderstreept het potentieel van de kapitaalmarktunie om deze problemen aan te pakken en verzoekt de Commissie om bij het ontwerp van de toekomstige kapitaalmarktunie terdege rekening te houden met de noden van de kleine en middelgrote ondernemingen; verzoekt de Commissie te onderzoeken op welke wijze de regelgeving die terecht werd ingevoerd als onderdeel van het bankenunieproces van invloed is geweest op de toegang van kmo's tot bankkredieten, en, indien nodig, corrigerende maatregelen te nemen;

13.  is van oordeel dat het ondernemersklimaat in de EU moet worden verbeterd en dat de productiviteit moet worden verhoogd door middel van een evenwichtige mix van openbaar en particulier onderwijs- en innovatiebeleid; onderstreept dat de interne markt van de EU nog altijd gefragmenteerd is en dat de economie van de EU te kampen heeft met een gebrek aan innovatie ofschoon innovatie essentieel is voor groei en productiviteit en dat het bevorderen van innovatie bijgevolg van cruciaal belang is om het internationale concurrentievermogen van de EU te vergroten; neemt in dit verband kennis van het voorstel in het verslag van de vijf voorzitters; herinnert aan het belang van goede regelgeving voor het bedrijfsleven als voorwaarde voor het succes van het EFSI; dringt derhalve aan op de ontwikkeling van de kapitaalmarkt, de slechting van administratieve obstakels (daar waar dit geen afbreuk doet aan de vitale bescherming van werknemers en consumenten), de terugdringing van bureaucratie, de verbetering van de kwaliteit en de doeltreffendheid van de justitiële apparaten van de lidstaten, maatregelen tegen belastingontwijking, belastingontduiking en belastingparadijzen, en de hervorming van de belasting- en de gerechtelijke stelsels van de lidstaten; benadrukt dat het belangrijk is dat een "one-size-fits-all"-beleid wordt vermeden; onderstreept dat de kwalitatieve verbetering van de administratieve capaciteit op alle overheidsniveaus een hoofdprioriteit is in veel lidstaten; herinnert eraan dat zwartwerk moet worden aangepakt omdat het de economie van de Unie schade toebrengt en leidt tot oneerlijke concurrentie en marktverstoringen, en, in het verlengde daarvan, een toenemend gebrek aan sociale en arbeidsrechtelijke bescherming voor werknemers; vraagt daarom dat het Europees platform tegen zwartwerk snel van start gaat;

14.  deelt de zienswijze van de Commissie dat veel lidstaten bij het doorvoeren van sociaal duurzame structurele hervormingen en het slechten van barrières meer ambitie aan de dag moeten leggen om het concurrentievermogen en de doeltreffendheid van hun producten- en dienstenmarkten te vergroten, rekening houdend met de werkgelegenheidsimpact van de hervormingen in kwestie; is in dit verband verheugd over de mededeling van de Commissie over de routekaart voor de voltooiing van de digitale interne markt, inclusief de totstandbrenging van een alomvattend kader dat bedrijven helpt bij het doen van meer investeringen in nieuwe technologieën, en de mededeling over het stappenplan voor de energie-unie; onderstreept dat in de landenspecifieke aanbevelingen en landenverslagen vaak onderwerpen aan bod komen die verband houden met territoriale verschillen op het gebied van economische prestaties en administratieve capaciteit, en benadrukt dat bij de formulering van beleidsdoelstellingen systematisch rekening zou moeten worden gehouden met deze verschillen; herinnert eraan dat regio's die met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen te kampen hebben, meestal hogere werkloosheidspercentages en minder economische groei hebben; is daarom van mening dat er investeringen nodig zijn om hun groeipotentieel te verbeteren en mensen aan te trekken om er te komen wonen, teneinde hun duurzaamheid te garanderen;

15.  onderstreept dat het belangrijk is dat de lidstaten ten aanzien van de overheidsfinanciën - wanneer de situatie daarom vraagt - voor een anticyclische benadering kiezen en volledig gebruik maken van de in de wetgeving voorziene bestaande flexibiliteitsclausules, maar tegelijkertijd de regels van het stabiliteits- en groeipact naleven; benadrukt het belang van een anticyclisch beleid met flexibiliteit binnen de in het pact voor stabiliteit en groei overeengekomen grenzen in tijden van economische neergang, alsook van begrotingsoverschotten in tijden van economische heropleving; stelt zich op het standpunt dat met name de lidstaten met hoge schulden door moeten gaan met een groeivriendelijke consolidatie van de overheidsfinanciën en op zo kort mogelijke termijn de aanbevolen structurele hervormingen moeten doorvoeren, rekening houdend met sociale aspecten, terwijl de lidstaten met wat meer begrotingsruimte aangespoord worden deze te gebruiken voor het bevorderen van investeringen, het terugdringen van hun overheidsschulden en het verlagen van de belastingdruk;

Aanbevelingen

16.  is er verheugd over dat het aantal lidstaten in de buitensporigtekortprocedure is gedaald van 11 in 2014 naar 9 in 2015; stelt overigens vast dat dit aantal nog altijd te hoog is en herhaalt zijn opmerking dat de landenspecifieke aanbevelingen, waar van toepassing, beter afgestemd moeten worden op de aanbevelingen in het kader van de buitensporigetekortprocedure, teneinde ervoor te zorgen dat het toezicht op de situatie van de overheidsfinanciën en de aanbevelingen betreffende het economisch beleid op elkaar aansluiten; verzoekt de Commissie de lidstaten te steunen bij de uitwisseling van goede praktijken en goede gegevensverzameling; vindt dat voor alle lidstaten voor meer transparantie moeten worden gezorgd bij de toepassing van de procedures van het pact voor stabiliteit en groei en van het PMO, met inbegrip van de landenspecifieke aanbevelingen, waarmee een gelijke behandeling van alle lidstaten wordt gewaarborgd;

17.  onderstreept de rol van flexibele arbeidsmarkten bij de bestrijding van de werkloosheid, met het gelijktijdig handhaven van een hoog opgeleide beroepsbevolking en zonder te tornen aan het grondrecht van werknemers van een zekere en naar behoren betaalde baan in de EU; wijst in het bijzonder op de negatieve gevolgen voor het banenscheppend vermogen van bijvoorbeeld een loonniveau dat uit de pas loopt met de ontwikkeling van de productiviteit en het ontduiken van de voorschriften van de arbeidsmarkt door het in te veel gevallen aanbieden van civielrechtelijke overeenkomsten in plaats van arbeidsovereenkomsten; roept ertoe op de belastingdruk te verplaatsen van arbeid naar andere vormen van belasting, alsook een plan te ontwikkelen ter bestrijding van de werkloosheid zonder de kwaliteitsnormen naar beneden toe bij te stellen; dringt in dit verband aan op billijker arbeidsmarkten die zorgen voor vrij verkeer van werknemers in Europa en herverdelingsbeleid, rekening houdende met de specifieke kenmerken van de afzonderlijke lidstaten, teneinde de economische groei, het concurrentievermogen en de productiviteit te stimuleren, en grotere opwaartse convergentie op economisch en sociaal vlak in de hand te werken;

18.  betreurt het dat bijna niemand zich op lidstaatniveau echt bij de landenspecifieke aanbevelingen betrokken voelt, hetgeen het moeilijk maakt democratisch gelegitimeerd nationaal economisch beleid op Europese aanbevelingen af te stemmen, en verder dat er geen democratisch systeem voor het afleggen van verantwoordelijkheid is; vindt in dit verband dat de nationale parlementen en de lokale en regionale overheden, alsook de relevante nationale en Europese betrokken partijen, zoals vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, een grotere rol moeten krijgen toebedeeld bij de voorbereiding en de uitwerking van de nationale hervormingsprogramma's; is verheugd over de bestaande samenwerking tussen de nationale parlementen en het Europees Parlement bij het bespreken van de landenspecifieke aanbevelingen, het uitwisselen van goede praktijken en het verbeteren van het proces van het Europees semester, en dringt erop aan op dit vlak nog ambitieuzer te zijn; benadrukt dat de tenuitvoerlegging van de landenspecifieke aanbevelingen op politiek, juridisch en economisch gebied kan worden bevorderd door een transparante samenwerking tussen de Commissie en de lidstaat in kwestie, die tijdens de voorbereidende fase van de jaarlijkse groeianalyse van start moet gaan en door moet gaan tot de aanbevelingen voor specifieke landen officieel zijn goedgekeurd; onderstreept dat grotere betrokkenheid, meer transparantie en democratische verantwoordingsplicht cruciaal zijn voor de goedkeuring en de succesvolle implementatie van de landenspecifieke aanbevelingen en, op de langere termijn, voor het succes van de Europa 2020-strategie;

19.  verzoekt de Commissie het Europees semester en het huidige tijdschema ervan verder te stroomlijnen, teneinde de onderlinge impact van nationale documenten (nationale hervormingsprogramma's en convergentie/stabiliteitsprogramma's) enerzijds en van documenten van de Commissie (landenspecifieke aanbevelingen en landenverslagen) anderzijds te harmoniseren, om tot meer synergie-effecten te komen en het beleid van de verschillende lidstaten beter te coördineren, zonder de oorspronkelijke doelstellingen van de lidstaten terzijde te schuiven; verzoekt de Commissie en de Raad de onderliggende procedures van het semester methodologisch te verbeteren en voldoende oog te hebben voor de sociale en werkgelegenheidsindicatoren in het Europees semester, alsook het volledige scala aan beleidsopties tegen het licht te houden, teneinde de impact van beleid gericht op het aanpassen van de overheidsfinanciën op economisch zwakkere sociale groepen te beperken; verzoekt dat alle onderliggende analysegegevens betreffende de uitvoering van het stabiliteits- en groeipact en de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden worden bekendgemaakt; neemt nota van de oproep om intergouvernementele instrumenten zoals het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur volledige democratische legitimiteit te verlenen door deze in het primaire Unierecht te integreren;

20.  wijst er met klem op dat de hoge schuldenlasten en geringe investeringen negatief zijn voor de economische groei in de EU; verzoekt de Commissie om, met inachtneming van het aansprakelijkheidsbeginsel en rekening houdend met de sociale aspecten, te zoeken naar innovatieve manieren om de negatieve impact van "deleveraging" in de bank-, de particuliere en de private sector versneld te reduceren; verzoekt de lidstaten in dit verband de herstel- en afwikkelingsrichtlijn voor banken snel in nationaal recht om te zetten; verzoekt om de totstandbrenging van een toereikend budgettair vangnet, teneinde de adequate financiering en de geloofwaardigheid van het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds te waarborgen;

21.  benadrukt de destructieve gevolgen van een overgewaardeerde munt voor de export, productie, werkgelegenheid, lonen, inkomens, overheidsinkomsten en socialezekerheidsstelsels; verzoekt de Commissie te zoeken naar innovatieve manieren om ervoor te zorgen dat een pijnlijke interne devaluatie minder noodzakelijk wordt;

22.  benadrukt dat in een monetaire unie - met een valutagebied dat allesbehalve optimaal is - er onvermijdelijk lidstaten zijn die vastzitten aan een munt die overgewaardeerd is vergeleken met de andere leden van de monetaire unie; betreurt het dat er geen gemakkelijke oplossing bestaat voor de benadeelde leden van de monetaire unie, en herinnert eraan dat een interne devaluatie enorme en langdurige offers vergt van de bevolking in die lidstaten;

23.  erkent dat er behoefte is aan een onafhankelijke analyse van de economische vooruitzichten van de lidstaten op het niveau van de EU; dringt er in dit verband op aan de eenheid van de economisch hoofdanalist binnen de Commissie verder te ontwikkelen, teneinde te kunnen beschikken over objectieve, onafhankelijke en transparante analyses van de relevante data, die publiek moeten worden gemaakt en die moeten dienen als basis voor een debat en besluitvorming in de Commissie, de Raad en het Europees Parlement op basis van feiten; verlangt dat de eenheid van de economisch hoofdanalist tijdig alle relevante documenten krijgt toegezonden om haar taken te kunnen uitvoeren; benadrukt het feit dat de nationale begrotingsinstanties zowel op nationaal niveau, als op het niveau van de EU een nuttige rol spelen, en moedigt de oprichting aan van een Europees netwerk van onafhankelijke begrotingsanalisten;

24.  herinnert eraan dat een betere economische governance in de eurozone van cruciaal belang is en dat "een volwaardige EMU" volgens het verslag van de vijf voorzitters geen doel op zich is; benadrukt in dit verband dat alle EU-landen bij elke fase van de voltooiing van de EMU moeten worden betrokken, zodat het proces voor de hervorming van de EMU gegarandeerd open en transparant is; is in dit verband ingenomen met het verslag van de vijf voorzitters en met het feit dat de routekaart voor "een beter geïntegreerd Europees semester" daar een belangrijk onderdeel van uitmaakt; erkent dat de toenemende onderlinge afhankelijkheid van de lidstaten in de eurozone een betere coördinatie van het nationale beleid vereist;

25.  wijst erop dat het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) hebben gewaarschuwd voor de problemen van zowel sociale aard (armoede onder werkenden), als economische (lage binnenlandse vraag) aard, die verband houden met de loondevaluatie die de afgelopen jaren heeft plaatsgevonden; benadrukt in dit verband dat een adequaat loonbeleid van groot belang is om de binnenlandse vraag in stand te houden, en dat loonsverhogingen daarom beter moeten aansluiten bij veranderingen in de productiviteit; meent dat benadrukt moet blijven worden dat het belangrijk is de lonen te verhogen, met name in landen waar lonen lager zijn dan de armoedegrens, maar dat daarbij niet aan het subsidiariteitsbeginsel mag worden geraakt; herinnert eraan dat de minimumlonen aanzienlijk verschillen van lidstaat tot lidstaat, en vraagt opnieuw om een studie hierover; moedigt de lidstaten aan minimumlonen vast te stellen in overeenstemming met hun nationale wetgeving en praktijken; dringt aan op een alomvattende strategie voor armoedebestrijding op basis van onder meer toegang tot fatsoenlijke banen die tot hoogwaardige werkgelegenheid en diensten leiden, dienstverlening en de activering van het minimuminkomen en de sociale bescherming; wijst erop dat onderwijs, en daarmee de bekwaamheid tot werken, een van de belangrijkste instrumenten is om armoede te bestrijden;

26.  herhaalt dat er moet worden geïnvesteerd in vroegtijdige interventie en preventie en in hoogwaardige, toegankelijke en inclusieve dienstverlening, zoals onderwijs van jongs af aan, steun voor gezinnen en gemeenschappen, sociale diensten en duurzame gezondheidszorgstelsels; onderstreept dat de toegenomen vraag naar diensten, als daar goed mee wordt omgegaan, ook kan leiden tot een aanzienlijke groei van het aantal banen in de sociale sector, en dat de gezondheidszorg en de sociale zorg essentiële sectoren zijn voor investeringen met het oog op een duurzame economie;

27.  is ten aanzien van de diverse aanbevelingen van de Commissie met betrekking tot de hervorming van de pensioenstelsels van mening dat de pensioengerechtigde leeftijd aan de levensverwachting koppelen niet de enige manier is om de vergrijzing en andere demografische uitdagingen aan te pakken, en dat hervormingen van de pensioenstelsels onder meer ook moeten inspelen op de tendensen op de arbeidsmarkt, de geboortecijfers, de demografische situatie, de situatie op het vlak van gezondheid en rijkdom, de arbeidsomstandigheden en de economische afhankelijkheidsratio, én tegelijkertijd gericht moeten zijn op het kunnen aanbieden van een billijk pensioeninkomen dat zich ten minste boven de armoedegrens bevindt; herhaalt dat de beste wijze om het vergrijzingsprobleem aan te pakken erin bestaat de totale arbeidsparticipatie te vergroten; neemt in de context van de vergrijzing kennis van de aanbeveling van de Commissie om de gezondheidszorgstelsels zodanig te hervormen dat zij hun doelstelling kunnen verwezenlijken om universele toegang tot hoogwaardige zorg te bieden – met inbegrip van betaalbare geneesmiddelen, met name levensreddende – en dat de rechten van het medisch personeel worden geëerbiedigd;

28.  vraagt dat de aanbeveling(6) van de Commissie over de preventieve herstructurering van bedrijven die het risico van insolventie lopen en over schuldkwijtschelding voor failliete ondernemers (natuurlijke of rechtspersonen) wordt opgenomen in de landenspecifieke aanbevelingen, om bedrijven een tweede kans te geven; vraagt de Commissie ook te onderzoeken of deze programma's kunnen worden uitgebreid tot gezinnen die het risico lopen uit hun woning te worden gezet, teneinde voor meer sociale cohesie te zorgen door het risico op dakloosheid te verminderen; neemt nota van de snelle toename van extreme vormen van armoede, zoals dakloosheid, in veel lidstaten; vraagt dat aan alle lidstaten een landenspecifieke aanbeveling over strategieën voor sociale inclusie wordt gericht, onder meer over de bestrijding van extreme vormen van armoede zoals dakloosheid; dringt aan op verbeteringen in de grensoverschrijdende uitwisseling van goede praktijken op het gebied van het bestrijden van het verschijnsel dakloosheid en van wederzijds leren, en erkent in dit verband de rol van het Europees programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI);

29.  herhaalt dat er een nieuw stelsel van eigen middelen nodig is, dat moet leiden tot een daadwerkelijke hervorming van de financiering van de EU zonder dat de EU-burgers meer belastingen zouden moeten betalen, waardoor een echte band tussen de burgers en de Europese overheid zou worden gecreëerd; in dit verband kijkt het Parlement ernaar uit de voorstellen die de Werkgroep op hoog niveau inzake eigen middelen volgend jaar zal indienen, te onderzoeken en te bespreken;

Sectorale bijdragen betreffende het Europees semester 2015

Begrotingsbeleid

30.  wijst erop dat de publicatie van een witboek over een mechanisme voor begrotingsstabiliteit in de eurozone, die voor het voorjaar 2017 is aangekondigd, samenvalt met de tussentijdse herziening van het MFK; herinnert in dit verband aan zijn eis dat eventuele extra financiering of instrumenten, onder het toepassingsgebied van de begrotingscontrole van het Parlement moeten vallen en buiten het MFK-plafond voor 2014-2020 moeten worden gefinancierd;

31.  herinnert eraan dat betalingsachterstanden, die grotendeels het gevolg zijn van te lage betalingsmaxima en te krappe begrotingen, in 2015 nog steeds een pijnpunt zijn; vreest dat dit de adequate uitvoering van de nieuwe programma's van het MFK 2014-2020 verder in gevaar zal brengen en in het nadeel zal werken van de begunstigden, in het bijzonder lokale, regionale en nationale overheden, die met economische en sociale beperkingen worden geconfronteerd;

Werkgelegenheid en sociaal beleid

32.  neemt nota van de aanbeveling om voortgang te maken met nieuwe arbeidsmarkthervormingen, en vraagt dat als die hervormingen worden doorgevoerd, sociale bescherming en sociaal overleg worden gegarandeerd (overeenkomstig de nationale praktijk) en voor de nodige politieke consensus wordt gezorgd opdat de hervormingen duurzaam en effectief zijn; is van oordeel dat bij de arbeidsmarkthervormingen moet worden gezorgd voor het nodige evenwicht tussen flexibiliteit en bescherming voor zowel werknemers als werkgevers, en dat deze hervormingen er bijvoorbeeld niet toe mogen leiden dat werknemers worden uitgesloten van collectieve onderhandelingen of dat de productiviteit of de werkgelegenheid daalt; vraagt dat het keerpunt in de economische cyclus waarop wij ons bevinden, wordt benut om ambitieuze arbeidsmarkthervormingen door te voeren in de lidstaten waar dat nog steeds nodig is; is van oordeel dat deze hervormingen het mogelijk moeten maken de fragmentering te verminderen, het scheppen van banen te bevorderen, de onzekerheid te verminderen en armoede te bestrijden, teneinde de productiviteit en het concurrentievermogen van onze economie te vergroten en tegelijk te zorgen voor meer banen en fatsoenlijke lonen door investeringen in menselijk kapitaal; benadrukt dat andere structurele hervormingen, zoals herindustrialisering, even belangrijk zijn voor het creëren van een duurzame arbeidsmarkt;

33.  vraagt de Commissie er in haar beleidsrichtsnoeren voor te zorgen dat de arbeidsmarkthervormingen onder andere gericht zijn op minder segmentering, meer anticipatie en een betere afstemming tussen vaardigheden en banen, een betere integratie van kwetsbare groepen, minder armoede onder werkenden, meer rechten voor werknemers met atypische contracten, en meer sociale bescherming voor zelfstandigen;

34.  erkent dat de vaststelling van minimumlonen een bevoegdheid van de lidstaten is, die overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel moet worden gerespecteerd;

35.  merkt op dat bij sommige arbeidsmarkthervormingen nieuwe soorten contracten zijn ingevoerd, en dat sommige daarvan volgens de Commissie de onzekerheid op de arbeidsmarkt hebben vergroot, door vaak onredelijk veel flexibiliteit te vragen van de jongere generaties; is verontrust over de cijfers uit bepaalde lidstaten waar de nieuwe arbeidscontracten voor 90 % tijdelijk zijn, hetgeen vooral jongeren en vrouwen treft en volgens de OESO(7)een van de directe oorzaken van de toenemende ongelijkheid is, hoewel werknemers soms vaak gericht naar dergelijke arbeidsregelingen op zoek zijn om werk en gezin beter te kunnen combineren of te kunnen bijverdienen; verzoekt de lidstaten voor synergie tussen het nationale beleid en het Europese cohesiebeleid te zorgen om het effect op deze bevolkingsgroepen te vergroten; uit met name zijn bezorgdheid over de uitbreiding van "nul-uren-contracten"; is van mening dat alle soorten contractuele overeenkomsten werknemers toegang moeten bieden tot een aantal basisrechten en adequate sociale bescherming;

36.  stelt vast dat het hoge percentage langdurig werklozen in de Unie, met name in een aantal lidstaten, ertoe leidt dat steeds meer werknemers hun uitkering verliezen voordat ze een nieuwe baan vinden; merkt op dat enkele lidstaten de toegang tot deze uitkeringen hebben beperkt, het beschikbare bedrag hebben verlaagd en/of de uitkeringsperiode hebben ingekort; vraagt de lidstaten om in het kader van hun bevoegdheden een evenwicht te bewaren tussen adequate sociale bescherming en adequate stimulansen om actief werk te zoeken die gepersonaliseerde steun bieden zonder bestraffende voorwaardelijkheid die de sociale rechten ondergraaft; vraagt de lidstaten sterke activeringsmaatregelen te nemen om effectievere resultaten te behalen; erkent dat het verbeteren van het werkgelegenheidsbeleid en de sociale bescherming met als doel de steun te activeren en mensen te beschermen, en zo voor meer sociale cohesie te zorgen, belangrijke onderdelen van duurzame economische groei vormen; pleit voor een specifieke studie naar dergelijke stimulansen op EU-niveau, en vraagt de lidstaten overeenkomstig hun nationale praktijk minimuminkomensregelingen in te voeren teneinde concentraties van sociale uitsluiting aan te pakken en gezinnen een minimuminkomen te bieden;

37.  is verheugd over de daling van de jeugdwerkloosheid, maar wijst erop dat die in veel lidstaten en regio's nog verontrustend hoog is en dat de daling niet noodzakelijkerwijs gebaseerd is op een nettotoename van het aantal banen; benadrukt dat ook baanonzekerheid en onderbenutting zijn toegenomen en dat in 2014 43 % van de jongeren een tijdelijke baan had en 32 % een deeltijdse baan; is verheugd over het besluit van de Commissie om 1 miljard EUR vrij te maken als prefinanciering voor de jongerengarantie; vraagt de lidstaten alle beschikbare financiële middelen snel en efficiënt te gebruiken om het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief met ten minste minimale kwaliteitsnormen ten uitvoer te leggen; vraagt voorts dat die middelen nauwgezet en doorlopend worden gemonitord om erop toe te zien dat ze jongeren helpen om langdurig vaste voet te krijgen op de arbeidsmarkt; verzoekt de lidstaten prioriteit te geven aan het leren van talen en mobiliteit te bevorderen met behulp van Europese programma's als ERASMUS+ en ERASMUS voor jonge ondernemers, en ook deel te nemen aan het werkgelegenheidsnetwerk EURES; wijst er tevens op dat leercontracten moeten worden erkend en aangemoedigd als middel voor jongeren om beroepskwalificaties te verwerven waarmee zij gemakkelijker een baan kunnen vinden;

38.  stelt vast dat de lidstaten de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief tot dusver met zeer wisselend succes ten uitvoer hebben gelegd; merkt op dat er volgens de Internationale Arbeidsorganisatie een budget van 21 miljard EUR nodig is om de jeugdwerkloosheid in de Unie weg te werken en dat de middelen die de Commissie heeft uitgetrokken, momenteel totaal onvoldoende zijn en dringend tot een toereikend niveau moeten worden verhoogd; vraagt de Commissie met de lidstaten en representatieve jongerenorganisaties samen te werken om minimumnormen en best practices bij de toepassing van de jongerengarantie voor te stellen;

39.  vraagt de Commissie en de lidstaten zich meer in te spannen om sociale dumping en loondumping in de EU aan te pakken, omdat die aanzienlijke schade toebrengen aan de getroffen werknemers en de socialebeschermingsstelsels in de lidstaten; vraagt ook dat de sociale partners op alle niveaus bij deze inspanningen worden betrokken;

40.  onderstreept dat baanonzekerheid bij jongeren een negatieve invloed heeft op beslissingen over kinderen krijgen, en bijgevolg ook op de demografische vooruitzichten van de lidstaten;

41.  vraagt de Commissie de lidstaten richtsnoeren te verschaffen om de lage participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt aan te pakken door iets te doen aan de segregatie op de arbeidsmarkt, de loonkloof tussen mannen en vrouwen en de ongelijke verdeling van zorgtaken; benadrukt dat er behoefte is aan een bredere aanpak van gendergelijkheid, die verder reikt dan arbeidsparticipatie;

42.  benadrukt dat werkgelegenheid de beste manier is om armoede en sociale uitsluiting te bestrijden, en dat de lidstaten vooral de toegang tot de arbeidsmarkt moeten vergemakkelijken, met name voor jongeren en langdurig werklozen;

Interne markt

43.  is verheugd over de nieuwe aanpak van de Commissie bij het stroomlijnen van het proces van het Europees semester; apprecieert in dit verband de werkzaamheden van de Commissie met betrekking tot de vaststelling van landenspecifieke aanbevelingen in verband met de interne markt, maar vindt die onvoldoende; vraagt om meer vastberaden inspanningen om het economische beleid te sturen en te coördineren teneinde een consistente en billijke tenuitvoerlegging van het kader voor economische governance in alle lidstaten te garanderen en de effecten van economische governance in alle lidstaten te meten;

44.  is het ermee eens dat in de landenspecifieke aanbevelingen voor 2015 de nadruk wordt gelegd op het opheffen van ongerechtvaardigde toegangsbeperkingen en -belemmeringen in essentiële sectoren; vraagt de betrokken lidstaten de grootst mogelijke aandacht te besteden aan die aanbevelingen en deze belemmeringen voor de groei van de interne markt dringend op te heffen;

45.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan voorzitters van de Raad, de Commissie, de Eurogroep en de Europese Centrale Bank, alsmede aan de parlementen van de lidstaten.

TOELICHTING

Het Europees semester beoogt een geïntegreerde coördinatie van het economisch beleid op EU-niveau door middel van een combinatie van macro-economische toezichtsinstrumenten en toezichtsinstrumenten voor de overheidsfinanciën, gericht op het sturen van convergentie en het beheren van de onderlinge afhankelijkheid van de lidstaten.

Als onderdeel van de jaarlijkse cyclus van het Europees semester bevatten de landenspecifieke aanbevelingen adviezen voor de afzonderlijke lidstaten over de maatregelen die nodig zijn voor het stimuleren van groei en het tegelijkertijd gezond houden van de overheidsfinanciën. De landenspecifieke aanbevelingen 2015 stoelen op de beleidsprioriteiten die de Commissie in haar laatste jaarlijkse groeianalyse had geïdentificeerd en die door de Europese Raad in juli 2015 waren goedgekeurd.

De economische ramingen voor het komende jaar duiden op een bepaalde mate van economisch herstel, met positieve groeicijfers, oplopende inflatie en verbeterende overheidsfinanciën, hetgeen gedeeltelijk is toe te schrijven aan de stevige inspanningen van de lidstaten op het vlak van juist die overheidsfinanciën en de door hen geïmplementeerde structurele hervormingen. Er zij echter op gewezen dat het fundament van de economische groei onverminderd wankel is.

In dit verband verwelkomt de rapporteur de vier voornaamste beleidsprioriteiten van de cyclus van dit jaar: het aanzwengelen van de investeringen, de implementatie van de noodzakelijke structurele hervormingen, begrotingsverantwoordelijkheid, en de verbetering van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten.

Gezien de zeer lager implementatiegraad van de landenspecifieke aanbevelingen in de meeste lidstaten denkt de rapporteur dat de economische, financiële en werkgelegenheidssituatie in de EU alleen zal kunnen verbeteren indien er ambitieuze structurele hervormingen worden geïmplementeerd. Daarnaast denkt de rapporteur dat structurele hervormingen een harde voorwaarde zijn voor succes - in de vorm van concrete resultaten - bij EU-initiatieven zoals het EFSI.

De rapporteur maakt zich zorgen over de hoge werkloosheidscijfers in de meeste lidstaten. Hij onderstreept dat flexibele arbeidsmarkten een essentiële rol spelen bij het aanpakken van de werkloosheid. De rapporteur is van oordeel dat de werkgelegenheidssituatie alleen kan worden verbeterd door de belastingen op arbeid te verlagen en andere belastingbronnen juist sterker aan te boren.

In 2015 is het aantal landenspecifieke aanbevelingen sterk gereduceerd en is de nadruk veel meer komen te liggen op sleutelprioriteiten, wat een weerspiegeling vormt van de streven van de Commissie om het hele proces van het Europees semester te stroomlijnen. De rapporteur stemt hiermee in, maar is tegelijkertijd ook de mening toegedaan dat meer inspanningen nodig zijn om het proces te versterken en derhalve de implementatiegraad en de doeltreffendheid van de landenspecifieke aanbevelingen op te krikken. Hierbij denkt de rapporteur bijvoorbeeld aan vergroting van de nationale betrokkenheid bij de landenspecifieke aanbevelingen door de nationale parlementen nauwer bij het hele proces van het Europees semester te betrekken.

In dit kader heeft de Commissie economische en monetaire zaken (ECON) op 15 september 2015 een gedachtewisseling gehouden met vertegenwoordigers van de nationale parlementen, waarbij de ervaringen die met het Europees semester zijn opgedaan, met elkaar konden worden gedeeld. Wat tijdens deze dag met name bleek, is dat de nationale parlementen een sleutelrol moeten spelen bij de ontwikkeling van de nationale hervormingsprogramma's, omdat de betrokkenheid bij de landenspecifieke aanbevelingen op lidstaatniveau op deze wijze wordt vergroot en het hele proces van het Europees semester aan democratische controleerbaarheid wint. Hieronder vindt u een samenvatting van de belangrijkste conclusies van de gedachtewisseling in kwestie.

Gedachtewisseling over het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: implementatie van de prioriteiten voor 2015

ECON (de Commissie economische en monetaire zaken) heeft op 15 september 2015 een gedachtewisseling gehouden met vertegenwoordigers van de nationale parlementen van de EU-lidstaten over het Europees semester voor beleidscoördinatie: implementatie van de prioriteiten voor 2015. De bijeenkomst werd bijgewoond door delegaties uit België, Tsjechië, Duitsland, Estland, Ierland, Frankrijk, Kroatië, Italië, Cyprus, Luxemburg, Hongarije, Malta, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Finland en Zweden.

De overgrote meerderheid van de deelnemers beschouwde het Europees semester als een passend kader voor beleidscoördinatie op het niveau van de EU. De laatste aanpassingen, gericht op het stroomlijnen van de opzet van het semester, met inbegrip van een specifiekere formulering en een vroegere publicatie van de landenspecifieke aanbevelingen, werden breed verwelkomd. Er werden overigens ook nog verbeterpunten genoemd:

implementatie van de landenspecifieke aanbevelingen: de ervaring leert dat de implementatie van de landenspecifieke aanbevelingen nog niet bevredigend verloopt en dat dit voornamelijk te wijten is aan een gebrek aan betrokkenheid in de lidstaten, aangezien de nationale parlementen in de regel pas zeer laat in het proces (op het moment - in het najaar - dat de begroting wordt vastgesteld) bij het semester worden betrokken. Wanneer de nationale parlementen dus eerder, d.w.z. in het voorjaar (op het moment dat de nationale hervormingsprogramma's en de stabiliteits-/convergentieprogramma's worden opgesteld en in de parlementen wordt gedebatteerd over het ontwerp van de landenspecifieke aanbevelingen van de Commissie) bij het Europees semester worden betrokken, zou dat niet alleen de implementatiegraad als zodanig ten goed kunnen komen, maar ook de democratische controleerbaarheid ervan kunnen vergroten. Wat de eurozone betreft, wordt ook grotere consistentie tussen de aanbevelingen voor de eurozone als geheel enerzijds en de aanbevelingen voor de afzonderlijke lidstaten anderzijds gezien als een factor die tot een betere implementatie van de landenspecifieke aanbevelingen zou kunnen bijdragen (met name ten aanzien van de optimale begrotingssituatie in de eurozone en de aanpassing van de situatie van de lopende rekeningen in de eurozone).

Toepassingsgebied van het kader: sommige deelnemers waren van oordeel dat de huidige opzet onvoldoende rekening houdt met de sociale dimensie van het hele proces, in die zin dat de landenspecifieke aanbevelingen van te simpele veronderstellingen uitgaan, aangezien structurele hervormingen niet automatisch tot sterkere groei en betere banen leiden. Er werd derhalve gepleit voor een welzijnsvriendelijkere en nog meer op de afzonderlijke landen gerichte benadering van structurele hervormingen.

Flexibiliteit van het kader: meerdere gedelegeerden drongen aan op meer flexibiliteit voor de lidstaten aangaande de middelen die zij voor de implementatie van de landenspecifieke aanbevelingen willen inzetten in het algemeen en aangaande de begrotingsdoelstellingen in het licht van de vluchtelingencrisis in het bijzonder. Het kader moet ook flexibel genoeg zijn om rekening te houden met verkiezingskalenders in de lidstaten, die bijvoorbeeld tot vertragingen kunnen leiden bij het opstellen van ontwerpbegrotingen (bijv. de algemene verkiezingen in Portugal en Polen dit najaar).

Toepassing van het kader: dit aspect werd te berde gebracht in de context van de discussie over het huidige overschot op de lopende rekening in Duitsland, omdat sommige deelnemers van mening waren dat de aanbevelingen gericht op het reduceren van de huidige onevenwichtigheden bij de lopende rekeningen wat landen met een overschot en landen met een tekort betreft, niet alleen bij de opzet, maar ook bij de implementatie, asymmetrisch zijn. Daarnaast werd gesteld dat het kader ongeacht de grootte van de lidstaat moet worden toegepast. Anderzijds merkten een aantal deelnemers op dat het Duitse overschot op de lopende rekening een weerspiegeling is van het succesvolle economische model van dat land en dat de kritiek dus zowel op politieke, als op economische gronden onterecht is. In dit verband is het belangrijk eraan te herinneren dat de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden (MIP) vormgegeven is rond indicatieve drempelwaarden (waaronder een voor een onevenwichtige lopende rekening) en niet rond juridisch plafonds, zoals wel geldt voor het overheidstekort onder de buitensporigetekortprocedure. Alle aspecten in ogenschouw nemend, geldt tot slot uiteraard wel dat een land met een overschot op de lopende rekening het economisch gezien goed doet.

De rol van de Eurogroep: er is uitvoerig gesproken over het institutioneel kader van de Eurogroep en de rol van de Eurogroep binnen het Europees semester gezien het feit dat de groep de formele ondersteuning van de Verdragen en democratische legitimiteit ontbeert, terwijl wel soevereine besluiten worden getroffen. Het is derhalve belangrijk te weten in hoeverre de Eurogroep het recht heeft besluiten te nemen wanneer niet alle landen van de eurozone vertegenwoordig zijn.

Overige kwesties: de deelnemers hebben kort gesproken over manieren om het concurrentievermogen van de lidstaten te vergroten, over de noodzaak om gemeenschappelijke regels voor de vennootschapsbelasting op te stellen en over Europa's vertegenwoordiging, of het ontbreken daarvan, in internationale forums. De kwestie van het harmoniseren van de methode voor berekenen van de structurele begrotingsaanpassing is ook aangekaart.

Afrondend vond de overgrote meerderheid van de deelnemers het fijn dat er gelegenheid was om kwesties in verband met het Europees semester met het Europees Parlement te bespreken, en werd aangegeven dat er vaker gedachtewisselingen zouden moeten worden georganiseerd, waaronder tussen de nationale parlementen, en ook over een breder palet aan onderwerpen (bijvoorbeeld een dialoog over het verslag van de vijf voorzitters). Voorzitter Gualtieri van ECON merkte tot slot op dat, wat het economisch beleid betreft, er tussen het Europees Parlement en de Commissie een algemene consensus aan het ontstaan is over de aanpak van de overheidsfinanciën in het algemeen op het niveau van de eurozone, teneinde te komen tot een beleidsmix die bijdraagt aan duurzame groei. Wat de procedurele aspecten betreft, riep hij de vertegenwoordigers van zowel het Europees Parlement, als de nationale parlementen op te bekijken hoe de Commissie van een positieve input kan worden voorzien en hoe de democratische dimensie van het Europees semester kan worden vergroot.

29.9.2015

ADVIES van de Begrotingscommissie

aan de Commissie economische en monetaire zaken

inzake het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: uitvoering van de prioriteiten voor 2015

(2015/2210(INI))

Rapporteur voor advies (*): Jean Arthuis

(*)  Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 54 van het Reglement

SUGGESTIES

De Begrotingscommissie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat de jaarlijkse groeianalyse die de Commissie op 28 november 2014 gepresenteerd heeft, uit drie hoofdpijlers bestaat voor 2015 – een gecoördineerde stimulans van de particuliere investeringen, een hernieuwde verbintenis tot structurele hervormingen en maatregelen ten behoeve van budgettaire verantwoordelijkheid – en voor het eerst de nadruk legt op de bijdrage van de Europese begroting aan de verwezenlijking van deze pijlers;

B.  overwegende dat met de vaststelling van de verordening betreffende de oprichting van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), de start van de operationele programma's in het kader van het Cohesiefonds, de overdracht van de in 2014 ongebruikte vastleggingskredieten uit de periode 2007-2013 naar 2015, 2016 en 2017, alsmede de verhoging van de voorfinanciering van het Europees initiatief voor de jeugd, het afgelopen semester veel financiële middelen zijn vrijgemaakt voor de in de jaarlijkse groeianalyse vastgestelde doelstellingen;

C.  overwegende dat hiermee aangetoond wordt dat de Europese begroting van meerwaarde is, maar ook dat aan het Europees optreden grenzen gesteld zijn door een begroting die geen daadwerkelijk eigen middelen omvat, nog steeds uit minder dan 1 % van het bbp bestaat, en belemmerd wordt door een meerjarenkader van 7 jaar;

D.  overwegende dat de Raad in zijn standpunt over de begroting 2016 de vastleggingskredieten met 563,6 miljoen EUR verlaagt en de betalingskredieten met 1,4 miljard EUR, waarmee hij de reële betalingsbehoeften van de EU nog maar eens onderschat en aldus ingaat tegen het door de Europese Commissie voorgestelde plan om de achterstallige facturen te betalen;

1.  is ingenomen met de presentatie van het verslag van de vijf voorzitters "De voltooiing van Europa's Economische en Monetaire Unie", maar betreurt het dat het overeengekomen tijdschema voor de uitvoering te langzaam is en niet beantwoordt aan de roep om hervormingen die de Griekse crisis heeft teweeggebracht;

2.  is ingenomen met de stappen die gezet zijn om het Europees semester te vereenvoudigen en te versterken, namelijk door meer nadruk te leggen op prioriteiten, minder documenten en meer tijd voor discussie daarover, meer ruimte voor de politieke aspecten en meer betrokkenheid van de nationale overheden;

3.  is verheugd over de voorstellen op het gebied van de versterking van de parlementaire controle, met name het voorstel om de structuur van het Europees Parlement aan te passen aan de bijzondere aard van de gemeenschappelijke munt, hetgeen absoluut noodzakelijk is voor de totstandbrenging van een echte economische en monetaire unie;

4.  wijst erop dat de Commissie inziet dat de nationale en regionale overheden een cruciale rol spelen wanneer het erom gaat de nodige structurele hervormingen in gang te zetten, een verantwoord begrotingsbeleid te voeren en investeringen te stimuleren ter ondersteuning van banen en groei;

5.  looft de oproep om intergouvernementele instrumenten zoals het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur volledige democratische legitimiteit te verlenen door deze in het primaire Unierecht te integreren;

6.  benadrukt dat alle bestaande regels van het stabiliteits- en groeipact moeten worden toegepast met het oog op de stabiliteit van de overheidsfinanciën;

7.  is verheugd over de ideeën die zijn geformuleerd voor een mechanisme voor begrotingsstabilisering in de eurozone, dat een eerste stap zou zijn naar de totstandkoming van een Europese schatkist; wijst erop dat de publicatie van een witboek over dit onderwerp, die voor het voorjaar 2017 is aangekondigd, samenvalt met de tussentijdse herziening van het MFK; herinnert in dit verband aan zijn eis dat eventuele extra financiering of instrumenten, onder het toepassingsgebied van de begrotingscontrole van het Parlement moeten vallen en buiten het MFK-plafond voor 2014-2020 moeten worden gefinancierd;

8.  herhaalt dat er een nieuw stelsel van eigen middelen nodig is, dat moet leiden tot een daadwerkelijke hervorming van de financiering van de EU zonder dat de EU-burgers meer belastingen zouden moeten betalen, waardoor een echte band tussen de burgers en de Europese overheid zou worden gecreëerd; in dit verband kijkt het Parlement ernaar uit de voorstellen die de Werkgroep op hoog niveau inzake eigen middelen volgend jaar zal indienen, te onderzoeken en te bespreken;

9.  herinnert eraan dat betalingsachterstanden, die grotendeels het gevolg zijn van te lage betalingsmaxima en te krappe begrotingen, in 2015 nog steeds een pijnpunt zijn; vreest dat dit de adequate uitvoering van de nieuwe programma's van het MFK 2014-2020 verder in gevaar zal brengen en in het nadeel zal werken van de begunstigden, in het bijzonder lokale, regionale en nationale overheden, die met economische en sociale beperkingen worden geconfronteerd;

10.  is ingenomen met de vaststelling van de verordening betreffende de oprichting van het Europees Fonds voor strategische investeringen, als middel om particuliere investeringen te stimuleren, en benadrukt de rol van het Parlement bij het tot een minimum beperken van de herschikking van de middelen van Horizon 2020 en de Connection Europe-faciliteit; herhaalt zijn verbintenis om de bezuinigingen tijdens de jaarlijkse begrotingsprocedure te verminderen;

11.  is van oordeel dat het succes van dit investeringsplan van cruciaal belang is en zal dan ook nauwlettend toezien op zijn uitvoering, met name om deconsolidatie te voorkomen van de investeringsuitgaven, alsook van de overheidsschulden.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

28.9.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

13

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nedzhmi Ali, Jonathan Arnott, Jean Arthuis, Jean Arthuis, Reimer Böge, Lefteris Christoforou, Gérard Deprez, José Manuel Fernandes, Eider Gardiazabal Rubial, Jens Geier, Ingeborg Gräßle, Iris Hoffmann, Monika Hohlmeier, Bernd Kölmel, Zbigniew Kuźmiuk, Vladimír Maňka, Ernest Maragall, Siegfried Mureşan, Victor Negrescu, Jan Olbrycht, Paul Rübig, Petri Sarvamaa, Patricija Šulin, Eleftherios Synadinos, Paul Tang, Indrek Tarand, Isabelle Thomas, Monika Vana, Daniele Viotti, Marco Zanni, Auke Zijlstra

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Michał Marusik, Andrej Plenković, Nils Torvalds, Anders Primdahl Vistisen

24.9.2015

ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

aan de Commissie economische en monetaire zaken

inzake het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: uitvoering van de prioriteiten voor 2015

(2015/2210(INI))

Rapporteur voor advies (*): Sergio Gutiérrez Prieto

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 54 van het Reglement

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  stelt vast dat veel lidstaten nog steeds grote tekorten hebben, terwijl andere lidstaten overschotten op de lopende rekening opbouwen, en dat er budgettaire-verantwoordelijkheidsprogramma's moeten worden ontwikkeld en gecoördineerd die met deze verschillen rekening houden en verenigbaar zijn met het creëren van fatsoenlijke banen die leiden tot hoogwaardige werkgelegenheid, economische groei en dus een duurzame welvaartsstaat voor de toekomstige generaties; vraagt de Commissie, die de nationale begrotingsvoorstellen voor 2016 reeds heeft ontvangen, om binnen het kader van het in het stabiliteits- en groeipact (SGP) vastgestelde begrotingsbeleid ten volle gebruik te maken van de bestaande flexibiliteit(8) teneinde zo nodig te voorzien in een flexibel nationaal proces van budgettaire verantwoordelijkheid, dat beter aansluit bij de cyclische situaties in de lidstaten en dat het mogelijk maakt om sociaal verantwoorde en economisch efficiënte beleidsmaatregelen vast te stellen die tot doel hebben fatsoenlijke banen te creëren die leiden tot hoogwaardige werkgelegenheid en sociale investeringen in hoogwaardige dienstverlening;

2.  is van mening dat de lidstaten die een groot tekort of een hoge schuld hebben, zich verder moeten inspannen om hun begroting op orde te brengen, maar dat de lidstaten die budgettaire ruimte hebben, die ruimte moeten gebruiken om de binnenlandse vraag en groeivriendelijke investeringen te stimuleren;

3.  betreurt dat er geen algemene verwijzing is naar de Europa 2020-doelstelling van slimme, duurzame en inclusieve groei; onderstreept dat sociaal beleid en werkgelegenheidsbeleid niet alleen vanuit kostenoogpunt moeten worden bekeken, maar ook vanuit het oogpunt van de voordelen op lange termijn; vraagt daarom dat de betreffende sociale en milieudoelstellingen in het nieuwe beoordelingskader worden opgenomen opdat er landenspecifieke aanbevelingen worden gedaan aan alle landen die geen vooruitgang boeken met het bestrijden van armoede, het scheppen van fatsoenlijke banen die tot hoogwaardige werkgelegenheid leiden, het voorkomen van voortijdig schoolverlaten, het bevorderen van een leven lang leren en een efficiënt gebruik van hulpbronnen, en het voorkomen van klimaatverandering;

4.  vraagt dat de aanbeveling van de Commissie(9) over de preventieve herstructurering van bedrijven die het risico van insolventie lopen en over schuldkwijtschelding voor failliete ondernemers (natuurlijke of rechtspersonen) wordt opgenomen in de landenspecifieke aanbevelingen, om bedrijven een tweede kans te geven; vraagt de Commissie ook te onderzoeken of deze programma's kunnen worden uitgebreid tot gezinnen die het risico lopen uit hun woning te worden gezet, teneinde voor meer sociale cohesie te zorgen door het risico op dakloosheid te verminderen; onderstreept dat huishoudens weliswaar minder financiële moeilijkheden ondervinden, maar toch nog altijd meer dan de afgelopen tien jaar, en dat er volgens de Commissie nog steeds een grote kloof is tussen de financiële moeilijkheden van huishoudens met een laag inkomen en huishoudens in het hoogste inkomenskwartiel(10);

5.  merkt op dat de tekorten in een aantal landen weliswaar zijn verminderd, maar dat dit proces ook heeft geleid tot een daling van de investeringen in de Unie; is dan ook verheugd over de bevordering van een Europees investeringsbeleid dat tot doel heeft groei en banencreatie te stimuleren, en vraagt dat er verdere inspanningen worden gedaan om de financiering van de reële economie te garanderen; is van mening dat de voornaamste doelstellingen van projecten die steun uit het EFSI krijgen, erin moeten bestaan fatsoenlijke banen te creëren die tot hoogwaardige werkgelegenheid leiden, en sociale, economische en territoriale cohesie te bewerkstelligen; meent dat er sterkere maatregelen moeten worden genomen naar aanleiding van de oproep van het Parlement(11) om sociale investeringen niet alleen te bevorderen met het oog op financiële winst, maar ook met als doel positieve sociale effecten in de hand te werken en de ongelijkheid te verminderen, onder meer door de openbare dienstverlening te verbeteren en het scheppen van banen voor kansarme groepen te ondersteunen; benadrukt in dit verband dat de regelgevingsinstrumenten van de Commissie (zoals effectbeoordelingen, evaluaties enz.) moeten worden versterkt en dat er waar investeringen worden gedaan, een vorm van controle en toezicht moet worden uitgeoefend;

6.  benadrukt dat kmo's weliswaar het gros van de banen in de Unie scheppen, maar nog steeds grote problemen ondervinden om toegang tot krediet te krijgen en te kampen hebben met onnodige administratieve lasten en bureaucratie, die hun groei en duurzaamheid en hun potentieel om banen te scheppen in de weg staan; neemt kennis van het initiatief van de Commissie om het regelgevings- en administratieve kader te moderniseren met het oog op een beter investeringsklimaat en betere omstandigheden voor kmo's, en staat achter aanbevelingen die tot verbetering leiden met inachtneming van de sociale en arbeidsnormen; benadrukt het belang van investeringen in de ontwikkeling van innovatieve financieringskanalen, zoals crowdfunding en microkredieten, alsook investeringen ter bevordering van de ontwikkeling van kmo's, micro-ondernemingen, innovatie start-ups en bedrijven die bijvoorbeeld groene banen bevorderen;

7.  herinnert eraan dat regio's die met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen te kampen hebben, meestal hogere werkloosheidspercentages en minder economische groei hebben; is daarom van mening dat er investeringen nodig zijn om hun groeipotentieel te verbeteren en mensen aan te trekken om er te komen wonen, teneinde hun duurzaamheid te garanderen;

8.  neemt nota van de aanbeveling om voortgang te maken met nieuwe arbeidsmarkthervormingen, en vraagt dat als deze hervormingen worden doorgevoerd, sociale bescherming en sociaal overleg worden gegarandeerd (overeenkomstig de nationale praktijk) en voor de nodige politieke consensus wordt gezorgd opdat de hervormingen duurzaam en effectief zijn; is van oordeel dat bij de arbeidsmarkthervormingen moet worden gezorgd voor het nodige evenwicht tussen flexibiliteit en bescherming voor zowel werknemers als werkgevers, en dat deze hervormingen er bijvoorbeeld niet toe mogen leiden dat werknemers worden uitgesloten van collectieve onderhandelingen of dat de productiviteit of de werkgelegenheid daalt; vraagt dat het keerpunt in de economische cyclus waarop wij ons bevinden, wordt benut om ambitieuze arbeidsmarkthervormingen door te voeren in de lidstaten waar dat nog steeds nodig is; deze hervormingen moeten het mogelijk maken de fragmentering te verminderen, het scheppen van banen te bevorderen, de onzekerheid te verminderen en armoede te bestrijden, teneinde de productiviteit en het concurrentievermogen van onze economie te vergroten en tegelijk te zorgen voor meer banen en fatsoenlijke lonen door investeringen in menselijk kapitaal; benadrukt dat andere structurele hervormingen, zoals herindustrialisering, even belangrijk zijn voor het creëren van een duurzame arbeidsmarkt;

9.  vraagt de Commissie er in haar beleidsrichtsnoeren voor te zorgen dat de arbeidsmarkthervormingen onder andere gericht zijn op minder segmentering, meer anticipatie en een betere afstemming tussen vaardigheden en banen, een betere integratie van kwetsbare groepen, minder armoede onder werkenden, meer rechten voor werknemers met atypische contracten, en meer sociale bescherming voor zelfstandigen;

10.  is verheugd over de daling van de werkloosheidspercentages in de Unie; wijst er echter op dat de werkloosheidspercentages nog steeds hoog zijn, en vraagt de lidstaten om bij het voeren van een effectief actief arbeidsmarktbeleid een holistische aanpak te volgen die zowel op de inzetbaarheid van de werkzoekenden als op een inclusievere arbeidsmarkt gericht is, met extra steunmaatregelen voor zowel werkzoekenden als werkgevers; benadrukt dat er iets aan het probleem van de discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden en het verouderen van vaardigheden moet worden gedaan om de langdurige werkloosheid aan te pakken, en is van mening dat dit beleid op nationaal en Europees niveau meer moet worden gecoördineerd; vraagt om sterkere maatregelen ter ondersteuning en verdere ontwikkeling van doeltreffend beroepsonderwijs en -opleiding, samenwerking tussen onderwijsinstellingen, bedrijven, werkgeversorganisaties en andere belanghebbenden, en meent dat openbare en particuliere diensten voor arbeidsbemiddeling doeltreffender moeten worden, zodat de discrepanties tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden op de arbeidsmarkt kunnen worden aangepakt en het zoeken naar werk in de Unie wordt vergemakkelijkt;

11.  merkt op dat het ontbreken van structurele hervormingen of de traagheid daarvan in bepaalde lidstaten een bekend probleem is, en is daarom van mening dat de Commissie, in het kader van de doelstellingen van het Europees semester, intensiever moet beoordelen in welke mate de banengroei op de middellange termijn te lijden heeft onder het gebrek aan verantwoordelijkheid van bepaalde lidstaten die structurele hervormingen niet doorvoeren;

12.  erkent dat de vaststelling van minimumlonen een bevoegdheid van de lidstaten is, die overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel moet worden gerespecteerd;

13.  wijst erop dat het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) hebben gewaarschuwd voor de sociale (armoede onder werkenden) en economische (lage binnenlandse vraag) problemen die verband houden met de loondevaluatie die de afgelopen jaren heeft plaatsgevonden; benadrukt in dit verband dat een adequaat loonbeleid van groot belang is om de binnenlandse vraag in stand te houden, en dat loonsverhogingen daarom beter moeten aansluiten bij veranderingen in de productiviteit; meent dat er moet worden vermeld dat het belangrijk is de lonen te verhogen, met name in landen waar lonen lager zijn dan de armoedegrens, maar dat daarbij niet aan het subsidiariteitsbeginsel mag worden geraakt; herinnert eraan dat de minimumlonen aanzienlijk verschillen van lidstaat tot lidstaat, en vraagt opnieuw om een studie(12) hierover, met een analyse van de verschillen in koopkracht tussen de lidstaten; moedigt de lidstaten aan om overeenkomstig hun nationale wetgeving en praktijk minimumlonen vast te stellen en na te denken over het effect daarvan op de armoede onder werkenden, het inkomen van huishoudens, de totale vraag en de werkgelegenheid;

14.  merkt op dat bij sommige arbeidsmarkthervormingen nieuwe soorten contracten zijn ingevoerd, en dat sommige daarvan volgens de Commissie de onzekerheid op de arbeidsmarkt hebben vergroot, door vaak onredelijk veel flexibiliteit te vragen van de jongere generaties; is verontrust over de cijfers uit bepaalde lidstaten waar de nieuwe arbeidscontracten voor 90 % tijdelijk zijn, hetgeen vooral jongeren en vrouwen treft en volgens de OESO(13) een van de directe oorzaken van de toenemende ongelijkheid is, hoewel werknemers soms vaak gericht naar dergelijke arbeidsregelingen op zoek zijn om werk en gezin beter te kunnen combineren of te kunnen bijverdienen; verzoekt de lidstaten voor synergie tussen het nationale beleid en het Europese cohesiebeleid te zorgen om het effect op deze bevolkingsgroepen te vergroten; uit met name zijn bezorgdheid over de uitbreiding van "nul-uren-contracten"; is van mening dat alle soorten contractuele overeenkomsten werknemers toegang moeten bieden tot een aantal basisrechten en adequate sociale bescherming;

15.  vraagt de Commissie en de lidstaten nota te nemen van het IMF-verslag(14) over de oorzaken en gevolgen van ongelijkheid, waarin staat dat de toename van de inkomenskloof een negatieve invloed kan hebben op de economische groei en het werkgelegenheidspotentieel; vraagt om grotere inspanningen om de belastingdruk te verschuiven van arbeid naar andere bronnen, effectieve maatregelen met betrekking tot belastingen op arbeid, en eerlijkere arbeidsmarkten die zorgen voor vrij verkeer van werknemers in Europa en herverdelingsbeleid, rekening houdende met de specifieke kenmerken van de afzonderlijke lidstaten, teneinde de economische groei, het concurrentievermogen en de productiviteit te stimuleren en grotere en opwaartse convergentie op economisch en sociaal vlak in de hand te werken;

16.  stelt vast dat het hoge percentage langdurig werklozen in de Unie, met name in een aantal lidstaten, ertoe leidt dat steeds meer werknemers hun uitkering verliezen voordat ze een nieuwe baan vinden; merkt op dat enkele lidstaten de toegang tot deze uitkeringen hebben beperkt, het beschikbare bedrag hebben verlaagd en/of de uitkeringsperiode hebben ingekort; vraagt de lidstaten om in het kader van hun bevoegdheden een evenwicht te bewaren tussen adequate sociale bescherming en adequate stimulansen om actief werk te zoeken die gepersonaliseerde steun bieden zonder bestraffende voorwaardelijkheid die de sociale rechten ondergraaft; vraagt de lidstaten sterke activeringsmaatregelen te nemen om effectievere resultaten te behalen; erkent dat het verbeteren van het werkgelegenheidsbeleid en de sociale bescherming met als doel de steun te activeren en mensen te beschermen, en zo voor meer sociale cohesie te zorgen, belangrijke onderdelen van duurzame economische groei vormen; pleit voor een specifieke studie naar dergelijke stimulansen op EU-niveau, en vraagt de lidstaten overeenkomstig hun nationale praktijk minimuminkomensregelingen in te voeren teneinde concentraties van sociale uitsluiting aan te pakken en gezinnen een minimuminkomen te bieden;

17.  is verheugd over de daling van de jeugdwerkloosheid, maar wijst erop dat die in veel lidstaten nog verontrustend hoog is en dat de daling niet noodzakelijkerwijs gebaseerd is op een nettotoename van het aantal banen; benadrukt dat ook baanonzekerheid en onderbenutting zijn toegenomen en dat in 2014 43 % van de jongeren een tijdelijke baan had en 32 % een deeltijdse baan; is verheugd over het besluit van de Commissie om 1 miljard EUR vrij te maken als prefinanciering voor de jongerengarantie; vraagt de lidstaten alle beschikbare financiële middelen snel en efficiënt te gebruiken om het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief met ten minste minimale kwaliteitsnormen ten uitvoer te leggen; vraagt voorts dat deze middelen nauwgezet en doorlopend worden gemonitord om erop toe te zien dat ze jongeren helpen om langdurig vaste voet te krijgen op de arbeidsmarkt; verzoekt de lidstaten prioriteit te geven aan het leren van talen en mobiliteit te bevorderen met behulp van Europese programma's als ERASMUS+ en ERASMUS voor jonge ondernemers, en ook deel te nemen aan het werkgelegenheidsnetwerk EURES; wijst er tevens op dat leercontracten moeten worden erkend en aangemoedigd als middel voor jongeren om beroepskwalificaties te verwerven waarmee zij gemakkelijker een baan kunnen vinden;

18.  stelt vast dat de lidstaten de jongerengarantie en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief tot dusver met zeer wisselend succes ten uitvoer hebben gelegd; merkt op dat er volgens de Internationale Arbeidsorganisatie een budget van 21 miljard EUR nodig is om de jeugdwerkloosheid in de Unie weg te werken en dat de middelen die de Commissie heeft uitgetrokken, momenteel totaal onvoldoende zijn en dringend tot een toereikend niveau moeten worden verhoogd; vraagt de Commissie met de lidstaten en representatieve jongerenorganisaties samen te werken om minimumnormen en best practices bij de toepassing van de jongerengarantie voor te stellen;

19.  vraagt de Commissie en de lidstaten zich meer in te spannen om sociale dumping en loondumping in de EU aan te pakken, omdat die aanzienlijke schade toebrengen aan de getroffen werknemers en de socialebeschermingsstelsels in de lidstaten; vraagt ook dat de sociale partners op alle niveaus bij deze inspanningen worden betrokken;

20.  onderstreept dat baanonzekerheid bij jongeren een negatieve invloed heeft op beslissingen over kinderen krijgen, en bijgevolg ook op de demografische vooruitzichten van de lidstaten;

21.  herinnert eraan dat zwartwerk moet worden aangepakt omdat het de economie van de Unie schade toebrengt en leidt tot oneerlijke concurrentie, marktverstoringen en een toenemend gebrek aan sociale en arbeidsrechtelijke bescherming voor werknemers; vraagt daarom dat het Europees platform tegen zwartwerk snel van start gaat;

22.  is van mening dat de aanbevelingen van dit jaar vrijwel uitsluitend op de arbeidsmarkt gericht zijn, met voorbijgaan van de problemen met verminderde dienstverlening of de kwaliteit van de dienstverlening aan de meest behoeftigen; herhaalt dat er moet worden geïnvesteerd in vroegtijdige interventie en preventie en hoogwaardige, toegankelijke en inclusieve dienstverlening, zoals onderwijs van jongs af aan, steun voor gezinnen en gemeenschappen, sociale diensten en gezondheidszorg; onderstreept dat de toegenomen vraag naar diensten, als daar goed mee wordt omgegaan, ook kan leiden tot een aanzienlijke groei van het aantal banen in de sociale sector, en dat de gezondheidszorg en de sociale zorg essentiële sectoren zijn voor investeringen met het oog op een duurzame economie; verzoekt de Commissie verslag uit te brengen over de vorderingen bij de ontwikkeling van initiatieven in het kader van de Europa 2020-strategie met het oog op investeringen in de sectoren gezondheidszorg en sociale zorg met betrekking tot hoogwaardige werkgelegenheid;

23.  onderstreept dat volgens een IMF-verslag(15) de belastingstelsels in een aantal lidstaten de afgelopen jaren minder progressief zijn geworden, wat heeft bijgedragen tot de toename van de ongelijkheid; is van oordeel dat de belastingwig veel groter was voor werknemers met een laag loon en voor kleine en middelgrote ondernemingen met hogere effectieve belastingtarieven; erkent dat belastingen weliswaar een bevoegdheid van de lidstaten zijn, maar dat progressieve belastingstelsels de ergste gevolgen van economische crises helpen verzachten, erkent hoe belangrijk het is de belastingen op arbeid en bedrijven te verlagen teneinde de vraag te stimuleren, banen te scheppen en tegelijk te zorgen voor een adequate financiering van de socialebeschermingsstelsels; benadrukt dat belastingfraude en belastingontduiking binnen en tussen de lidstaten moeten worden aangepakt;

24.  vraagt de Commissie de lidstaten richtsnoeren te verschaffen om de lage participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt aan te pakken door iets te doen aan de segregatie op de arbeidsmarkt, de loonkloof tussen mannen en vrouwen en de ongelijke verdeling van zorgtaken; benadrukt dat er behoefte is aan een bredere aanpak van gendergelijkheid, die verder reikt dan arbeidsparticipatie;

25.  neemt nota van de potentiële waarde van Europese automatische stabilisatoren; stelt vast dat de Commissie geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van het Parlement(16) om, in aansluiting op haar mededeling over de versterking van de sociale dimensie van de EMU, in de landenspecifieke aanbevelingen te vermelden dat het belangrijk is om in de lidstaten sterke automatische stabilisatoren te handhaven, hoewel deze een belangrijke rol spelen bij het bewaren van de sociale samenhang en het stimuleren van de interne vraag en de economische groei; vraagt de Commissie, teneinde een effectievere analyse mogelijk te maken en de vaststelling en uitwisseling van best practices tussen de lidstaten aan te moedigen, een gedetailleerd overzicht te maken van de keuzes van de lidstaten op verschillende beleidsgebieden en de resultaten daarvan;

26.  wijst erop dat de sociale economie werk biedt aan meer dan 14 miljoen mensen, wat overeenkomt met ongeveer 6,5 % van de werknemers in de Unie; betreurt het dat de bedrijven in de sector sociale economie – die 10 % van de Europese bedrijven uitmaken en vooral kmo's en micro-ondernemingen zijn – nog moeilijker toegang tot publieke of particuliere financiering krijgen dan traditionele bedrijven; onderstreept dat zij meer steun moeten krijgen, bijvoorbeeld door ze toegang te geven tot verschillende soorten financiering, zoals Europese fondsen, microkredieten of crowdfunding, of door ze een betere toegang te geven tot de digitale economie; meent in dit verband dat bedrijven in de sector sociale economie in de landenspecifieke aanbevelingen een prominentere rol moeten krijgen als instrumenten ter bevordering van de sociale en economische cohesie in Europa, in overeenstemming met de Europa 2020-strategie;

27.  vindt het jammer dat, hoewel de Commissie heeft erkend dat "armoede en marginalisering zijn toegenomen"(17) en dat 1 op de 4 mensen in armoede leeft, in de landenspecifieke aanbevelingen geen gewag wordt gemaakt van de armoededoelstelling van de Europa 2020-strategie; vraagt om een alomvattende strategie voor armoedebestrijding op basis van toegang tot fatsoenlijke banen die tot hoogwaardige werkgelegenheid leiden, dienstverlening en de activering van het minimuminkomen en de sociale bescherming, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel; wijst erop dat onderwijs, en daarmee de bekwaamheid tot werken, een van de belangrijkste instrumenten is om armoede te bestrijden; benadrukt dat de stijging van de persoonlijke schulden moet worden erkend als een situatie die de persoonlijke en algemene economische kwetsbaarheid doet toenemen;

28.  benadrukt dat werkgelegenheid de beste manier is om armoede en sociale uitsluiting te bestrijden, en dat de lidstaten vooral de toegang tot de arbeidsmarkt moeten vergemakkelijken, met name voor jongeren en langdurig werklozen;

29.  neemt met bezorgdheid nota van de snelle toename van extreme vormen van armoede, zoals dakloosheid, in veel lidstaten; vraagt dat aan alle lidstaten een landenspecifieke aanbeveling over strategieën voor sociale inclusie wordt gericht, onder meer over de bestrijding van extreme vormen van armoede zoals dakloosheid; is het met de Commissie eens dat de lidstaten dakloosheid en het risico op dakloosheid moeten aanpakken met alomvattende strategieën op basis van preventie, op huisvesting gerichte benaderingen, de herziening van regelgeving en praktijken met betrekking tot uitzetting, en de beschikbaarheid van echt betaalbare woningen die stabiliteit bieden, en het tegengaan van de criminalisering van daklozen; vraagt om verbeteringen wat de grensoverschrijdende uitwisseling van best practices en wederzijds leren betreft, en erkent in dit verband de rol van het Europees programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI);

30.  vraagt dat pensioenhervormingen worden doorgevoerd rekening houdend met de herhaalde aanbevelingen van het Parlement(18) om de duurzaamheid, veiligheid en toereikendheid van de pensioenen van vrouwen en mannen te garanderen door de pensioenregelingen te versterken en te streven naar een behoorlijk pensioeninkomen dat ten minste boven de armoedegrens ligt; is van mening dat de pensioengerechtigde leeftijd aan de levensverwachting koppelen, niet de enige manier is om de vergrijzing aan te pakken, en dat hervormingen van de pensioenstelsels onder meer ook moeten inspelen op de tendensen op de arbeidsmarkt, de geboortecijfers, de demografische situatie, de situatie op het vlak van gezondheid en rijkdom, de arbeidsomstandigheden en de economische afhankelijkheidsratio; herhaalt dat de beste wijze om het vergrijzingsprobleem aan te pakken, erin bestaat de totale arbeidsparticipatie te vergroten, onder meer door sociale investeringen in actief ouder worden;

31.  is bezorgd over de beperkte rol die de nationale parlementen, de sociale partners en het maatschappelijk middenveld hebben gespeeld bij de opstelling van het nationale hervormingsprogramma, het convergentieprogramma en de landenspecifieke aanbevelingen; merkt evenwel op dat er in 2015 wijzigingen in het beheer van het Europees semester zijn aangebracht met het oog op meer ownership op nationaal niveau, en benadrukt dat de hervormingen vooral een aangelegenheid van de lidstaten moeten zijn; vraagt de Commissie om bij het stroomlijnen van de bestaande mechanismen voor economisch bestuur een hervorming te steunen die het Europees semester meer democratische legitimiteit geeft door het Europees Parlement en de nationale parlementen bij de opstelling en goedkeuring te betrekken en de sociale partners en het maatschappelijk middenveld te raadplegen;

32.  hekelt het feit dat niet alle lidstaten hun nationale parlement, de nationale sociale partners en het maatschappelijk middenveld bij de opstelling van hun nationale hervormingsplan hebben betrokken; verzoekt de lidstaten in hun nationale hervormingsplan een gedetailleerd overzicht op te nemen van wie er op welke manier bij betrokken is geweest; verzoekt de Commissie in kaart te brengen hoe het er in de diverse lidstaten aan toegaat wat betreft parlementaire procedures en inspraak van belanghebbenden bij het Europees semester, teneinde de participatie te verbeteren;

33.  neemt kennis van de aanbeveling van de Commissie om de zorgstelsels zodanig te hervormen dat zij hun doelstelling verwezenlijken om universele toegang tot hoogwaardige zorg te bieden – met inbegrip van betaalbare geneesmiddelen, met name levensreddende – en ervoor te zorgen dat de rechten van het medisch personeel worden geëerbiedigd; merkt op dat sommige lidstaten er ten gevolge van de crisis niet in zijn geslaagd ervoor te zorgen dat de gezondheidszorg volledig wordt gedekt;

34.  betreurt dat de Commissie in de landenspecifieke aanbevelingen geen gewag maakt van het belang en het banenpotentieel van de groene economie, die volgens ramingen van de Commissie tegen 2020 vijf miljoen banen zou kunnen scheppen in de sectoren energie-efficiëntie en hernieuwbare energie, mits er een ambitieus klimaat- en energiebeleid wordt gevoerd.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

23.9.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

36

14

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laura Agea, Tiziana Beghin, Brando Benifei, Mara Bizzotto, Vilija Blinkevičiūtė, Enrique Calvet Chambon, David Casa, Ole Christensen, Jane Collins, Martina Dlabajová, Elena Gentile, Arne Gericke, Marian Harkin, Danuta Jazłowiecka, Agnes Jongerius, Jan Keller, Ádám Kósa, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Zdzisław Krasnodębski, Jérôme Lavrilleux, Jeroen Lenaers, Javi López, Thomas Mann, Dominique Martin, Anthea McIntyre, Joëlle Mélin, Elisabeth Morin-Chartier, Georgi Pirinski, Sofia Ribeiro, Claude Rolin, Anne Sander, Sven Schulze, Siôn Simon, Jutta Steinruck, Yana Toom, Ulla Tørnæs, Marita Ulvskog, Renate Weber, Tatjana Ždanoka, Jana Žitňanská, Inês Cristina Zuber

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Maria Arena, Georges Bach, Amjad Bashir, Tania González Peñas, Sergio Gutiérrez Prieto, Paloma López Bermejo, Edouard Martin, Michaela Šojdrová, Neoklis Sylikiotis

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Rosa Estaràs Ferragut

25.9.2015

ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming

aan de Commissie economische en monetaire zaken

inzake het Europees semester voor de coördinatie van het economisch beleid - tenuitvoerlegging van de prioriteiten voor 2015

(2015/2210(INI))

Rapporteur voor advies: Ildikó Gáll-Pelcz

SUGGESTIES

De Commissie interne markt en consumentenbescherming verzoekt de ten principale bevoegde Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2015 over de governance van de interne markt binnen het Europees semester 2015(19),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 mei 2015 getiteld "Europees semester 2015: landenspecifieke aanbevelingen" (COM(2015)0250),

–  gezien zijn resolutie van 24 juni 2015 over de evaluatie van het kader voor economische governance: balans en uitdagingen(20),

1.  stelt vast dat de interne markt nog steeds gefragmenteerd is en onvoldoende ten uitvoer is gelegd, en dat het enorme potentieel voor slimme, duurzame en inclusieve groei, innovatie en banencreatie grotendeels onbenut blijft, met name wat diensten betreft; vraagt de Commissie en de lidstaten hun beloften waar te maken en ervoor te zorgen dat de interne markt nieuw leven inblazen een van de topprioriteiten van de Unie blijft; vindt het essentieel dat het enorme potentieel van de interne markt maximaal wordt benut, door middel van een holistische aanpak, om de groei en het concurrentievermogen te stimuleren; benadrukt dat het Europees semester moet aansluiten bij de doelstellingen van een allesomvattende langetermijnstrategie van de EU voor groei en banen voor 2020 en daarna; herhaalt daarom zijn oproep om alle betreffende EU-wetgeving snel ten uitvoer te leggen, vraagt de Commissie effectiever gebruik te maken van inbreukprocedures, en vraagt de Europese Raad in het kader van toekomstige herzieningen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te blijven werken aan de verdere ontwikkeling van inbreukprocedures;

2.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om met voorstellen te komen om de interne markt in te delen als een specifieke pijler van het Europees semester, met eigen richtsnoeren en bijbehorende landenspecifieke aanbevelingen, zodat een duidelijke reeks prioriteiten met betrekking tot de reële economie wordt gesteld; vraagt de Commissie de koppeling tussen de pijlers te versterken; herhaalt dat goed economisch bestuur en het effect daarvan slechts effectief kunnen zijn als degenen die de regels ten uitvoer leggen en toepassen er voldoende bij betrokken worden; vraagt de Commissie daarom de voltooiing van alle dimensies van de interne markt – goederen, diensten, kapitaal, arbeid, energie, vervoer en de digitale sector – te integreren als onderdeel van het Europees semester en de landenspecifieke aanbevelingen;

3.  vraagt dat de governance van de interne markt via het Europees semester wordt versterkt door de vaststelling van een reeks specifieke indicatoren om de prestaties ervan te meten, alsook extra gegevens; vraagt dat in de landenspecifieke aanbevelingen een specifiek onderdeel wordt opgenomen over belemmeringen en vooruitgang op de interne markt;

4.  benadrukt dat het Europees semester slechts een internemarktdimensie kan krijgen als de lidstaten in de jaarlijkse groeianalyse worden aangemoedigd om hun lokale en regionale overheden te betrekken bij de formulering van gedifferentieerde bijdragen aan de doelstellingen van Europa 2020 en bij de opstelling en uitvoering van de nationale hervormingsprogramma's op basis van het beginsel van internemarktgovernance;

5.  vraagt de Commissie de lidstaten ertoe op te roepen in hun jaarlijkse nationale hervormingsprogramma's een specifiek en gedetailleerd onderdeel over de interne markt op te nemen, waarin wordt aangegeven hoe de integratie daarvan zich op nationaal niveau heeft ontwikkeld en welke maatregelen het volgende jaar zullen worden vastgesteld; vraagt de Commissie dezelfde structuur te hanteren in haar landenspecifieke aanbevelingen;

6.  benadrukt het belang en de toegevoegde waarde van de verslagen over de stand van de internemarktintegratie van de vorige jaren, gezien de bijdrage ervan aan de algemene prioriteiten die worden gesteld in de jaarlijkse groeianalyse van de Commissie en aan de vaststelling van landenspecifieke aanbevelingen als onderdeel van het Europees semester; betreurt het daarom ten zeerste dat het verslag over de stand van de internemarktintegratie in 2015 is geschrapt en dat er geen gevolg is gegeven aan het verzoek van het Parlement;

7.  is verheugd over de nieuwe aanpak van de Commissie bij het stroomlijnen van het proces van het Europees semester; apprecieert in dit verband de werkzaamheden van de Commissie met betrekking tot de vaststelling van landenspecifieke aanbevelingen in verband met de interne markt, maar vindt die onvoldoende; vraagt om meer vastberaden inspanningen om het economische beleid te sturen en te coördineren teneinde een consistente en billijke tenuitvoerlegging van het kader voor economische governance in alle lidstaten te garanderen en de effecten van economische governance in alle lidstaten te meten;

8.  is verontrust over de aanhoudende macro-economische onevenwichtigheden in een aantal lidstaten, met name grote overheidsschulden, grote tekorten op de lopende rekeningen en buitensporige risico's in bankstelsels;

9.  is het ermee eens dat in de landenspecifieke aanbevelingen voor 2015 de nadruk wordt gelegd op het opheffen van ongerechtvaardigde toegangsbeperkingen en -belemmeringen in essentiële sectoren; vraagt de betrokken lidstaten de grootst mogelijke aandacht te besteden aan die aanbevelingen en deze belemmeringen voor de groei van de interne markt dringend op te heffen;

10.  merkt op dat de interne markt een van de belangrijkste onderdelen van het Europese project is, en erkent dat het Europees semester slechts inclusief kan zijn als het Parlement een actieve rol in het proces op zich neemt; vraagt de lidstaten die de landenspecifieke aanbevelingen wat de interne markt betreft niet hebben uitgevoerd, aan de bevoegde commissie van het Parlement (Commissie interne markt en consumentenbescherming) uit te leggen waarom; vraagt dat het Parlement deze uitleg gebruikt als basis om de Commissie tijdig (met het oog op publicatie in mei) input te geven bij de opstelling van nieuwe landenspecifieke aanbevelingen;

11.  betreurt dat er veel klachten over omzettingsachterstand zijn; vraagt de Commissie om een beter monitoring- en feedbacksysteem met betrekking tot de tenuitvoerlegging van wetgeving; vraagt de Commissie rechtskaders die een grote omzettingsachterstand vertonen, opnieuw te evalueren;

12.  benadrukt dat er in de meeste lidstaten onvoldoende openbare en particuliere investeringen zijn; vraagt de Commissie aanvullende maatregelen te nemen om de toegang tot financiering voor kmo's (met name in essentiële sectoren, zoals de opkomende digitale sector) te verbeteren en te vergemakkelijken, voor een gunstiger ondernemingsklimaat te zorgen, de procedures te vereenvoudigen, de administratieve lasten op de interne markt te verminderen en investeringen te steunen; onderstreept hoe belangrijk competitieve en sterk geïntegreerde markten met goede regelgeving voor het bedrijfsleven zijn voor het welslagen van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI);

13.  herhaalt dat er vooral moet worden geïnvesteerd in de prioriteiten van de Europa 2020-strategie, namelijk de ontwikkeling van een op kennis en innovatie gebaseerde economie, de bevordering van een groenere, competitievere economie waarin efficiënter met hulpbronnen wordt omgesprongen, en de aanmoediging van een economie met veel werkgelegenheid en sociale en territoriale cohesie; vraagt de Commissie het tijdschema voor de start van het EFSI in het najaar van 2015 in acht te nemen, zodat het EFSI het beoogde effect heeft, namelijk de reële economie stimuleren en het herstel in de lidstaten bevorderen; is van mening dat deze investeringen zullen dienen om het concurrentievermogen van de EU te versterken in essentiële groeisectoren zoals diensten, energie, vervoer en de digitale eengemaakte markt;

14.  is van mening dat kmo's meer steun van de Commissie en de lidstaten moeten krijgen om hun markten uit te breiden, innovatie te stimuleren, hun exportcapaciteit te vergroten, banen te helpen scheppen, doeltreffender te concurreren, met name op de binnenlandse markten, en de algemene productiviteit te verbeteren; vraagt dat de mogelijkheden van het programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en kmo's (Cosme) voor 2014-2020 maximaal worden benut om de toegang van kmo's tot financiering op de binnenlandse en internationale markten te verbeteren; vraagt dat andere vormen van financiering worden gepromoot als alternatief voor financiering via banken;

15.  benadrukt dat betere en sterkere coördinatie op belastinggebied en hernieuwde inspanningen ter bestrijding van fraude, belastingontduiking en belastingontwijking, met inachtneming van de nationale bevoegdheden, nodig zijn om een gelijk speelveld te waarborgen en oneerlijke concurrentie en kwalijke distorsies binnen de interne markt te voorkomen;

16.  benadrukt dat het Europees semester een duidelijke gelegenheid biedt om aan te dringen op meer vooruitgang bij de inspanningen op het vlak van de digitale eengemaakte markt; is in dit verband verheugd over de mededeling van de Commissie over de routekaart voor de voltooiing van de digitale eengemaakte markt; acht het van cruciaal belang een einde te maken aan de huidige versnippering van nationale voorschriften betreffende digitale diensten, en een meer innovatiegerichte en transparante digitale eengemaakte markt tot stand te brengen, die is gebaseerd op eerlijke concurrentie en garant staat voor een hoge mate van toegankelijkheid en consumentenbescherming; vraagt de Commissie zich aan het geplande tijdschema te houden en de 16 initiatieven met het oog op een echte digitale eengemaakte markt voor Europa van start te laten gaan teneinde het economisch herstel van de EU in de hand te werken, haar interne en externe concurrentievermogen te verbeteren en sociale cohesie te bevorderen;

17.  is van mening dat het ontoereikende niveau van digitale vaardigheden, de ongelijke dekking en de hoge kosten de voordelen van informatie- en communicatietechnologie beperken; vraagt de Commissie en de lidstaten in de landenspecifieke aanbevelingen en de nationale hervormingsprogramma's prioriteit te geven aan digitale opleidingen voor mensen en bedrijven en alle burgers toegang te bieden tot netwerkinfrastructuur;

18.  is van mening dat de lidstaten meer inspanningen moeten leveren om hun overheidsdiensten te moderniseren door burgers en bedrijven, in het bijzonder kmo's, meer en beter toegankelijke digitale diensten te verstrekken, en om grensoverschrijdende samenwerking en interoperabiliteit van overheidsdiensten te bevorderen; steunt de implementatie van capaciteiten voor evaluatie en uitwisseling van best practices op het gebied van digitale diensten;

20.  onderkent dat er tal van beperkingen zijn die de goede werking van de markten voor producten en diensten belemmeren; steunt de werkzaamheden van de Commissie met betrekking tot gereglementeerd beroepen;

21.  merkt op dat de meeste lidstaten de doelstellingen van Europa 2020 voor onderzoek en ontwikkeling niet halen; vraagt de Commissie zich te houden aan haar voornemen om de evaluatie van de Europa 2020-strategie eind 2015 te publiceren, teneinde de interne markt en de digitale eengemaakte markt een grotere rol te geven als essentiële instrumenten om in de EU de economische groei nieuw leven in te blazen en kwaliteitsbanen te scheppen; vraagt de lidstaten hun economieën resoluter op innovatie en kennis te richten;

22.  benadrukt dat de volledige en snelle tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving inzake overheidsopdrachten en concessies een uitgelezen kans biedt om innovatie te bevorderen, de toegankelijkheid voor kmo's te verbeteren, duurzame ontwikkeling te bevorderen en overheidsdiensten te moderniseren door de kwaliteit, effectiviteit en transparantie van overheidsuitgaven en -investeringen te verbeteren.

23.  is van mening dat de nationale parlementen meer inspraak moeten krijgen in de landenspecifieke aanbevelingen; moedigt de lidstaten ertoe aan de Commissie in de gelegenheid stellen om de landenspecifieke aanbevelingen in de nationale parlementen te presenteren; vraagt de lidstaten voorts de landenspecifieke aanbevelingen ten uitvoer te leggen en de EU-doelstellingen rigoureus om te zetten in nationale doelstellingen; herhaalt voorts zijn verzoek aan de Commissie om aan de bevoegde commissie van het Parlement verslag uit te brengen over de maatregelen die zijn getroffen opdat er gevolg wordt gegeven aan de landenspecifieke aanbevelingen en over de vooruitgang die er tot nog toe is geboekt.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

23.9.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

30

7

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Dita Charanzová, Carlos Coelho, Anna Maria Corazza Bildt, Daniel Dalton, Nicola Danti, Dennis de Jong, Pascal Durand, Vicky Ford, Ildikó Gáll-Pelcz, Evelyne Gebhardt, Antanas Guoga, Robert Jarosław Iwaszkiewicz, Liisa Jaakonsaari, Philippe Juvin, Antonio López-Istúriz White, Jiří Maštálka, Marlene Mizzi, Eva Paunova, Jiří Pospíšil, Marcus Pretzell, Robert Rochefort, Virginie Rozière, Christel Schaldemose, Andreas Schwab, Olga Sehnalová, Ivan Štefanec, Catherine Stihler, Róża Gräfin von Thun und Hohenstein, Mihai Ţurcanu, Anneleen Van Bossuyt, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Jan Philipp Albrecht, Lucy Anderson, Pascal Arimont, Ulrike Trebesius

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Clara Eugenia Aguilera García, Mario Borghezio, Roger Helmer, Flavio Zanonato

18.9.2015

ADVIES van de Commissie regionale ontwikkeling

aan de Commissie economische en monetaire zaken

inzake het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: uitvoering van de prioriteiten voor 2015

(2015/2210(INI))

Rapporteur voor advies: Iskra Mihaylova

SUGGESTIES

De Commissie regionale ontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  acht de daling van betalingskredieten in rubriek 1b naar 49 miljard EUR (-4 % ten opzichte van 2015) verontrustend, en vraagt zich met bezorgdheid af of de bedragen die in de ontwerpbegroting (OB) 2016 voor rubriek 1b zijn voorgesteld wel toereikend zijn om het huidige ongekende niveau van de in deze rubriek benodigde betalingen het hoofd te kunnen bieden;

2.  wijst erop dat volgens het document van de Commissie "Elementen voor een betalingsplan om de EU-begroting op een houdbaar niveau te brengen" de betalingskredieten die voorzien zijn in rubriek 1b ook moeten worden gebruikt om de verwachte betalingsachterstand aan het eind van 2015 (20 miljard EUR) weg te werken, en verzoekt de Commissie bijkomende inspanningen te leveren om de betalingsachterstand te verminderen, en wijst erop dat deze achterstand regionale en nationale autoriteiten zwaar belast, met name waar sociale, economische en financiële problemen heersen, en een ernstig domino-effect heeft op en gevolgen heeft voor de ontvangers en kwetsbare begunstigden van de fondsen;

3.  herinnert eraan dat uit de conclusies van het zesde verslag over economische, sociale en territoriale samenhang blijkt dat de regionale verschillen sinds 2008 zijn verergerd; benadrukt de cruciale rol die de EU-begroting dankzij haar hefboomeffect vervult voor het aanzetten tot investeringen door de private en openbare financiering op nationaal en internationaal niveau aan te vullen en hoe de begroting bijdraagt tot de versterking van de groei en de verwezenlijking van economische, sociale en territoriale samenhang in de Unie;

4.  wijst erop dat in de OB 2016 wordt voorzien in vastleggingskredieten ten belope van 153 500 miljard EUR (een daling van 5,3 % ten opzichte van 2015) en betalingskredieten ten belope van 143,5 miljard EUR (een stijging van 1,6 % ten opzichte van 2015);

5.  constateert dat het voorgestelde bedrag aan betalingskredieten in de OB 2016 voortkomt uit een aanzienlijke stijging van de betalingskredieten voor de programma's van de periode 2014-2020 en een aanzienlijke daling voor de programma's van de periode 2007-2013, hoewel bijna 50 % van de betalingsaanvragen voor 2016 nog steeds verband houdt met de laatstgenoemde periode;

6.  wijst er voorts op dat het wenselijk is om van tevoren rekening te houden met de gevolgen van de wijziging van het meerjarig financieel kader 2014-2020 voor de betalingen in rubriek 1b;

7.  herinnert eraan dat er voldoende middelen nodig zijn om enerzijds de goede uitvoering van de programma's en anderzijds hun meerjarige werking zeker te stellen, en dat voor beide aspecten passende middelen en maatregelen nodig zijn om het risico op wederom een betalingsachterstand tot een minimum te beperken; wijst er nogmaals op dat de uitstaande betalingen de geloofwaardigheid en verantwoording van de Unie in het gedrang brengen; verzoekt om een langetermijnoplossing voor de betalingsachterstand, een structureel probleem dat zich waarschijnlijk opnieuw zal voordoen als er geen passende oplossing wordt gevonden; wijst bovendien op de toename van administratieve uitgaven, ondanks eerdere garanties dat deze op hetzelfde niveau zouden worden gehouden;

8.  verzoekt de Commissie in nauwe samenwerking met de lidstaten en de regio's het verloop van de betalingen in rubriek 1b in verband met de programmeringsperiode 2014-2020 op de voet te volgen en daarvan een gedetailleerde prognose te maken, met gebruikmaking van meetbare en dus vergelijkbare cruciale prestatie-indicatoren die garant zullen staan voor de efficiëntie en doeltreffendheid van de begrotingskredieten;

9.  is bezorgd dat de lidstaten in bepaalde gevallen snel fondsen willen uitbetalen om vastgelegde kredieten niet te verliezen, een procedure waardoor het risico op onregelmatigheden toeneemt en die aanleiding kan geven tot financiële correcties, en dat een situatie ontstaat waarin middelen die aan het eind van de programmeringsperiode niet zijn gebruikt, automatisch worden geannuleerd;

10.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een voorbereidende actie in rubriek 1b, die openstaat voor alle lidstaten en bedoeld is voor de financiering van capaciteitsontwikkeling en institutionele opbouw om de tenuitvoerlegging van hervormingen te steunen die als prioriteit zijn aangemerkt in alle fasen van het macro-economisch toezicht, en pleit voor meer soortgelijke initiatieven.UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

17.9.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

30

8

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pascal Arimont, José Blanco López, Franc Bogovič, Mercedes Bresso, Steeve Briois, Edward Czesak, Rosa D’Amato, Bill Etheridge, Michela Giuffrida, Krzysztof Hetman, Ivan Jakovčić, Constanze Krehl, Andrew Lewer, Louis-Joseph Manscour, Martina Michels, Andrey Novakov, Younous Omarjee, Demetris Papadakis, Mirosław Piotrowski, Stanislav Polčák, Julia Reid, Liliana Rodrigues, Fernando Ruas, Maria Spyraki, Ruža Tomašić, Ramón Luis Valcárcel Siso, Ángela Vallina, Monika Vana, Matthijs van Miltenburg, Lambert van Nistelrooij, Derek Vaughan, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Petras Auštrevičius, Jan Olbrycht, Maurice Ponga

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Brando Benifei, Andrejs Mamikins, Soraya Post

21.9.2015

ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

aan de Commissie economische en monetaire zaken

inzake het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: uitvoering van de prioriteiten voor 2015

(2015/2210(INI))

Rapporteur voor advies: Ernest Urtasun

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat gelijkheid een fundamentele waarde van de EU is en een noodzakelijke voorwaarde voor het verwezenlijken van de doelstellingen inzake werkgelegenheid en armoedereductie van de Europa 2020-strategie, waartoe kan worden bijgedragen indien de lidstaten de van kracht zijnde nationale wetgeving inzake gendergelijkheid naleven en de EU-richtlijnen inzake gendergelijkheid correct implementeren;

B.  overwegende dat de toegang van vrouwen tot de arbeidsmarkt zorgt voor een diversiteit van vaardigheden op de arbeidsmarkt, die als direct gevolg heeft dat bedrijven toegang hebben tot betere menselijke hulpbronnen en dus tot meer concurrentievermogen, werkgelegenheid en groei op de interne markt;

C.  overwegende dat vrouwen door de bezuinigingen in de overheidsdiensten, onder meer gezondheid, onderwijs en huisvesting, worden getroffen, zowel direct als dienstgebruikers en werkneemsters, als indirect omdat zij gezinsleden ondersteunen die van deze basisoverheidsdiensten afhankelijk zijn; overwegende dat de besparingen in de uitgaven voor gezondheidswerkers in vele lidstaten hebben geleid tot zwaardere zorglasten voor vrouwen, die vaak in precaire en onderbetaalde jobs werken;

D.  overwegende dat de arbeidsdeelname, en daarmee ook het groeipercentage van de Europese interne markt, onder meer afhangt van het vermogen van vrouwen en mannen om hun werk en privéleven te combineren;

E.  overwegende dat de economische crisis en het beleid van begrotingsconsolidatie meer vrouwen dan mannen hebben getroffen, met name vrouwen uit gemarginaliseerde gemeenschappen, jonge vrouwen en vrouwen die onder meervoudige discriminatie te lijden hebben;

F.  overwegende dat een van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie de houdbaarheid van de overheidsfinanciën is en dat de investeringen van de lidstaten in het onderwijs in het algemeen, en met name het onderwijs van jonge vrouwen, een integraal deel vormen van hun nationale begroting;

G.  overwegende dat in het arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsbeleid moet worden gestreefd naar het creëren van hoogwaardige banen in overeenstemming met de Agenda voor waardig werk van de IAO;

H.  overwegende dat de aanhoudend hoge jeugdwerkloosheidspercentages en de sociale uitsluiting in de EU in de afgelopen jaren tot een vernietiging van het menselijk kapitaal hebben geleid en onevenredig veel vrouwen en meisjes hebben getroffen; overwegende dat de langetermijngevolgen van de economische crisis genderbewust moeten worden aangepakt;

I.  overwegende dat de huidige economische situatie heeft aangetoond dat voor de totstandbrenging van een meer geïntegreerde en evenwichtige economische unie, het macro-economisch beleid en het begrotingsbeleid van de lidstaten nauwer moet worden gecoördineerd;

1.  vindt het jammer dat gendermainstreaming ontbreekt in de Europa 2020-strategie en verzoekt de Commissie en de Raad in de strategie een gendergelijkheidspijler te introduceren alsook een overkoepelende gendergelijkheidsdoelstelling;

2.  herinnert eraan dat de doelstelling van coördinatie van het economisch beleid en het begrotingsbeleid van de lidstaten niet kan worden verwezenlijkt zonder een coördinatie van het gelijkekansenbeleid;

3.  verwelkomt de landspecifieke aanbevelingen die tot doel hebben gendergelijkheid te bevorderen, maar dringt erop aan meer aandacht aan gendermainstreaming te besteden bij de opstelling van de landspecifieke aanbevelingen, met name voor wat betreft hervormingen van de arbeidsmarkt en vooral de combinatie van werk en privéleven; dringt er bij de Commissie op aan dat zij ervoor zorgt dat de lidstaten uitvoering geven aan de landspecifieke aanbevelingen van het Europees Semester met betrekking tot het versterken van het beginsel van gelijke beloning van vrouwen en mannen door middel van transparantie en het aanpakken van de genderloonkloof; dringt er ook op aan dat specifieke begeleiding voor gelijkheidsbeleid inzake het verminderen van genderongelijkheden wordt opgenomen in de jaarlijkse groeianalyse;

4.  verzoekt de lidstaten en de Commissie de hindernissen voor de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen uit de weg te ruimen, met name door het instellen van mechanismen, in het bijzonder aangepast en op Europees niveau te harmoniseren moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsverlof , teneinde vrouwen in staat te stellen werk en privéleven te combineren;

5.  herhaalt zijn oproep aan de lidstaten om de genderdimensie op te nemen in hun stabiliteits- en convergentieprogramma's en nationale hervormingsprogramma's via de vaststelling van kwalitatieve doelen en maatregelen voor de aanpak van hardnekkige genderkloven, die er vaak toe leiden dat vrouwen in een later stadium van hun leven onder de armoedegrens terechtkomen, alsook stelselmatig de beginselen van genderbudgettering toe te passen, teneinde de lopende actieprogramma's en maatregelen te onderzoeken en na te gaan wat de gevolgen ervan zijn op de toewijzing van middelen en in welke mate zij bijdragen tot de gelijkheid van mannen en vrouwen;

6.  herinnert de lidstaten en de Commissie eraan dat de hindernissen voor de toegang van vrouwen tot de arbeidsmarkt directe gevolgen hebben voor een potentieel rendement op de investeringen van de lidstaten in het onderwijs;

7.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om het toezicht op de kerndoelen inzake werkgelegenheid en armoedereductie te vergemakkelijken door van de lidstaten te vragen dat zij naar geslacht uitgesplitste gegevens gebruiken en aanvullende genderspecifieke indicatoren definiëren; 8.  benadrukt dat de lidstaten het aantal kinderen en jongeren die onderwijs volgen, moeten verhogen en dat zij meer nadruk moeten leggen op het probleem van voortijdige schooluitval, met name door gegevens te verzamelen over de belangrijkste redenen ervan, zodat er beleid kan worden vastgesteld en uitgevoerd om deze uitval te voorkomen;

9.  vraagt dat de Commissie de lidstaten steunt om meer gebruik te maken van de structuurfondsen voor investeringen in openbare zorgstructuren en -diensten voor kinderen, ouderen en andere hulpbehoevenden; stelt vast dat het gebrek aan investeringen in openbare zorgstructuren en -diensten een onevenredige impact heeft op alleenstaande ouders, die voor het grootste deel vrouwen zijn;

10.  benadrukt dat prioriteit moet worden gegeven aan de aanpak van werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting, die met name grote gevolgen hebben voor vrouwen, en dat daarbij eerst moet worden gezorgd voor duurzame werkgelegenheid en hoogwaardige banen, investeringen en overheidsdiensten van goede kwaliteit die leiden tot sociale integratie, vooral op het gebied van onderwijs, volksgezondheid, kinderopvang, zorg voor hulpbehoevenden, openbaar vervoer en sociale voorzieningen;

11.  vraagt dat de Commissie en de lidstaten landspecifieke aanbevelingen formuleren en uitvoeren inzake onderwerpen die specifiek betrekking hebben op de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt, onder meer:

i)  de structurele barrières opheffen waarmee vrouwen worden geconfronteerd wanneer zij beginnen werken en carrière maken in door mannen gedomineerde sectoren, zoals wetenschap, technologie, ondernemerschap, financiën en de groene economie;

ii)  in alle sectoren de genderloonkloof en de genderpensioenkloof aanpakken;

iii)  inspanningen leveren voor een grotere vertegenwoordiging van vrouwen in de economische besluitvorming in alle sectoren;

iv)  tegemoetkomen aan de noodzaak van het mondig maken van vrouwen en meisjes door middel van formeel en informeel onderwijs, met name op het gebied van wetenschap, technologie, ingenieurswetenschappen, wiskunde, ondernemerschap, economie en bedrijfswetenschappen, en aan de noodzaak om te zorgen voor een betere aanpassing van vaardigheden, opleiding en een leven lang leren voor werkende vrouwen in alle sectoren;

12.  stelt vast dat de financiële en economische crisis ernstig gevolgen heeft gehad voor de demografische uitdagingen waarvoor Europa staat, onder meer de vergrijzing; stelt vast dat de genderpensioenkloof in Europa 39 % bedraagt; onderstreept dat het werkgelegenheidsbeleid en de opzet van het systeem van sociale overdrachten diepgaande gevolgen hebben voor het vermogen van vrouwen om pensioenbijdragen te betalen en dat dit in aanmerking moet worden genomen in de landspecifieke aanbevelingen; meent dat de genderspecifieke gevolgen van een langere beroepsloopbaan moeten worden onderzocht;

13.  vraagt de verantwoordelijke commissaris(sen) elk jaar de genderaspecten van de jaarlijkse groeianalyse te bespreken met de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid;

14.  benadrukt dat de Commissie en de lidstaten moeten nagaan wat de gevolgen zijn van het structurele hervormingsbeleid voor vrouwen uit gemarginaliseerde gemeenschappen die onder meervoudige discriminatie te lijden hebben; verzoekt de Commissie in de landspecifieke met name te verwijzen naar de obstakels waarmee deze vrouwen geconfronteerd worden;

15.  maakt zich ernstig zorgen over de bezuinigingen in de financiering van vrouwenorganisaties en -instellingen en gelijkekansenorganen, die hebben geleid tot sluitingen en tot een fors terugschroeven van de werkzaamheden;

16.  dringt erop aan dat specifieke richtsnoeren en procedures worden opgenomen in het Europese Semester om te zorgen voor verantwoordingsplicht, overleg en dialoog met de nationale belanghebbenden, de maatschappelijke organisaties en de vakbonden;

17.  beklemtoont dat flexibiliteit op de arbeidsmarkt niet ten koste mag gaan van vormen van sociale bescherming, zoals minimumlonen, het recht op collectieve onderhandelingen of moeder- en vaderschapsrechten of van het behoud van zekere en hoogwaardige banen in overeenstemming met de Agenda voor waardig werk; onderstreept de belangrijke rol van het engagement van de maatschappelijke organisaties , de sociale dialoog, de vakbonden en de werknemersvertegenwoordiging bij het formuleren en uitvoeren van het arbeidsmarktbeleid;

18.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat de deregulering en flexibilisering van de arbeidsrelaties in vele lidstaten heeft geleid tot schendingen van de arbeidswetgeving, onder meer tot directe en indirecte discriminatie van vrouwen;

19.  beveelt aan om het Europees Instituut voor gendergelijkheid nauwer te betrekken bij het Europees semester;

20.  verzoekt de Commissie en de lidstaten meer inspanningen te leveren om het herstel van de economische crisis te gebruiken als een kans om een meer sociaal en ecologisch duurzaam economisch model te bevorderen, onder andere door sneller groene banen te scheppen en door maatschappelijk verantwoord ondernemen en andere alternatieve bedrijfsmodellen, zoals onderlinge maatschappijen en coöperaties, te bevorderen;

21.  wijst erop dat vrouwen in Europa oververtegenwoordigd zijn in deeltijds, tijdelijk, slecht betaald werk en zwartwerk en dat onzekere vormen van arbeid de laatste tijd zijn toegenomen als gevolg van de bezuinigingsmaatregelen, met inbegrip van de deregulering van de arbeidsmarkt en de hervorming van de arbeidsrechten en het onderhandelingsbeleid; maakt zich ernstig zorgen over de toename van de armoede onder werkenden;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

15.9.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

6

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Maria Arena, Catherine Bearder, Malin Björk, Iratxe García Pérez, Anna Hedh, Mary Honeyball, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Elisabeth Köstinger, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Barbara Matera, Krisztina Morvai, Angelika Niebler, Maria Noichl, Margot Parker, Marijana Petir, Terry Reintke, Liliana Rodrigues, Jordi Sebastià, Michaela Šojdrová, Ángela Vallina, Beatrix von Storch, Jadwiga Wiśniewska, Anna Záborská, Jana Žitňanská

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Biljana Borzan, Ildikó Gáll-Pelcz, Sylvie Goddyn, Constance Le Grip

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Michel Reimon

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

13.10.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

31

16

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gerolf Annemans, Burkhard Balz, Hugues Bayet, Udo Bullmann, Esther de Lange, Fabio De Masi, Anneliese Dodds, Markus Ferber, Jonás Fernández, Elisa Ferreira, Sven Giegold, Sylvie Goulard, Roberto Gualtieri, Brian Hayes, Petr Ježek, Othmar Karas, Georgios Kyrtsos, Philippe Lamberts, Bernd Lucke, Olle Ludvigsson, Fulvio Martusciello, Marisa Matias, Costas Mavrides, Bernard Monot, Luděk Niedermayer, Stanisław Ożóg, Dimitrios Papadimoulis, Dariusz Rosati, Alfred Sant, Molly Scott Cato, Peter Simon, Renato Soru, Theodor Dumitru Stolojan, Kay Swinburne, Paul Tang, Ramon Tremosa i Balcells, Marco Valli, Tom Vandenkendelaere, Cora van Nieuwenhuizen, Miguel Viegas, Pablo Zalba Bidegain, Marco Zanni

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

David Coburn, Bas Eickhout, Ramón Jáuregui Atondo, Danuta Jazłowiecka, Thomas Mann, Siegfried Mureşan, Nils Torvalds, Beatrix von Storch

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Mark Demesmaeker

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0067.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0238.

(3)

PB C 165 E van 11.6.2013, blz. 24.

(4)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0036.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0238.

(6)

Aanbeveling van 12 maart 2014 inzake een nieuwe aanpak van faillissement en insolventie.

(7)

OESO-verslag "In it together: Why less inequality benefits all", 21 mei 2015.

(8)

COM(2015)0012, "Optimaal benutten van de flexibiliteit binnen de bestaande regels van het stabiliteits- en groeipact".

(9)

Aanbeveling van 12 maart 2014 inzake een nieuwe aanpak van faillissement en insolventie.

(10)

"EU Employment and social situation – Quarterly Review", juni 2015.

(11)

Resolutie van 11 maart 2015 (Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0068), punten 10 en 18.

(12)

Resolutie van 11 maart 2015 (Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0068), punt 46.

(13)

OESO-verslag "In it together: Why less inequality benefits all", 21 mei 2015.

(14)

IMF-verslag "Causes and Consequences of Income Inequality: A Global Perspective", juni 2015.

(15)

IMF-verslag "Causes and Consequences of Income Inequality: A Global Perspective", juni 2015.

(16)

Resolutie van 11 maart 2015 (Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0068).

(17)

COM(2015)0250 final.

(18)

Resolutie van 11 maart 2015 (Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0068), resolutie van 22 oktober 2014 (Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0038), resolutie van 25 februari 2014 (Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0129), resolutie van 8 juli 2015 (P8_TA-PROV(2015)0261).

(19)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0069.

(20)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0238.

Juridische mededeling