Procedure : 2015/2114(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0338/2015

Ingediende teksten :

A8-0338/2015

Debatten :

PV 16/12/2015 - 19
CRE 16/12/2015 - 19

Stemmingen :

PV 17/12/2015 - 9.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0472

VERSLAG     
PDF 309kWORD 114k
23.11.2015
PE 560.836v02-00 A8-0338/2015

over wapenuitvoer: tenuitvoerlegging van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB

(2015/2114(INI))

Commissie buitenlandse zaken

Rapporteur: Bodil Valero

ERRATA/ADDENDA
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over wapenuitvoer: tenuitvoerlegging van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB

(2015/2114(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie (hierna "het gemeenschappelijk standpunt")(1),

–  gezien de herziening van het gemeenschappelijk standpunt onder leiding van de Groep export van conventionele wapens van de Raad (COARM),

–  gezien het zestiende jaarverslag volgens artikel 8, lid 2, van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie(2),

–  gezien Besluit 2012/711/GBVB van de Raad van 19 november 2012 inzake steun voor activiteiten van de Unie ter bevordering, bij derde landen, van de controle op wapenuitvoer en van de beginselen en criteria van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB,

–  gezien de strategie van de EU ter bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens van 9 december 2003,

–  gezien de Europese veiligheidsstrategie (EVS) getiteld "Een veilig Europa in een betere wereld", die op 12 december 2003 door de Europese Raad is goedgekeurd,

–  gezien het Wapenhandelsverdrag (ATT) dat op 2 april 2013 door de Algemene Vergadering van de VN is aangenomen(3),

–  gezien zijn resolutie van 5 februari 2014 over de ratificatie van het VN-wapenhandelsverdrag (ATT)(4),

–  gezien zijn resolutie van 21 mei 2015 over de gevolgen van de ontwikkelingen op de Europese defensiemarkten voor de veiligheids- en defensiecapaciteiten in Europa, met name de paragrafen 10, 18, 19, 20 en 21(5),

–  gezien Besluit 2013/768/GBVB van de Raad van 16 december 2013 betreffende EU-activiteiten ter ondersteuning van de uitvoering van het Wapenhandelsverdrag, in het kader van de Europese veiligheidsstrategie(6),

–  gezien Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik(7), zoals gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 599/2014, en gezien de lijst van producten en technologieën voor tweeërlei gebruik in bijlage I ervan,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 24 april 2014 aan de Raad en het Europees Parlement getiteld "De herziening van het uitvoercontrolebeleid: waarborgen van veiligheid en concurrentievermogen in een veranderende wereld" (COM(2014) 244 final),

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring van 12 juni 2014 van het Parlement, de Raad en de Commissie over de toetsing van het controlesysteem voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik,

–  gezien de conclusies van de Raad van 21 november 2014 over de herziening van het uitvoercontrolebeleid,

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over mensenrechten en technologie: het effect van inbreuk- en bewakingssystemen op de mensenrechten in derde landen(8),

–  gezien Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap(9),

–  gezien de strategie van de EU ter bestrijding van de illegale accumulatie van en handel in handvuurwapens en lichte wapens (SALW) en munitie daarvoor, aangenomen door de Raad op 15-16 december 2005, en Gemeenschappelijk Optreden 2002/589/GBVB van de Raad van 12 juli 2002 inzake de bijdrage van de Europese Unie aan de bestrijding van de destabiliserende accumulatie en verspreiding van handvuurwapens en lichte wapens en tot intrekking van Gemeenschappelijk Optreden 1999/34/GBVB,

–  gezien Gemeenschappelijk Standpunt 2003/468/GBVB van de Raad van 23 juni 2003 over het toezicht op de tussenhandel in wapens(10),

–  gezien de bijgewerkte gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen die door de Raad is goedgekeurd op 9 februari 2015,

–  gezien de gids voor de gebruiker bij Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie,

–  gezien het Wassenaar Arrangement van 12 mei 1996 betreffende exportcontrole voor conventionele wapens en goederen en technologieën voor tweeërlei gebruik, alsmede de in 2015 bijgewerkte lijsten van deze goederen en technologieën en munitie(11),

–  gezien de besluiten van de 19e plenaire vergadering van het Wassenaar Arrangement betreffende exportcontrole voor conventionele wapens en goederen en technologieën voor tweeërlei gebruik, gehouden te Wenen op 3 en 4 december 2013,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad van 27 juni 2005 met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 april 2015 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de Europese veiligheidsagenda, (COM(2015) 185 final),

–  gezien de Europese consensus inzake ontwikkeling, goedgekeurd op 24 februari 2006,

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 13 oktober 2011 getiteld "Het effect van het EU-ontwikkelingsbeleid vergroten: een agenda voor verandering" (COM(2011) 637 definitief),

–  gezien de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, met name doelstelling 16: streefdoel 16.4, waarin staten worden opgeroepen de illegale wapenhandel drastisch te beperken,

–  gezien Besluit 2014/512/GBVB van de Raad betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren,

–  gezien artikel 42, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 346 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Wapenhandelsverdrag van de VN, dat op 24 december 2014 in werking is getreden,

–  gezien Resolutie 24/35 van de VN-Mensenrechtenraad van 8 oktober 2013 over het effect van wapenhandel op de mensenrechten in gewapende conflicten(12),

–  gezien artikel 52 en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0338/2015),

A.  overwegende dat het mondiale veiligheidsklimaat in de nabije omgeving van de EU drastisch gewijzigd is, vooral in het zuiden en het oosten;

B.  overwegende dat in artikel 51 van het Handvest van de VN het inherente recht tot individuele of collectieve zelfverdediging wordt erkend;

C.  overwegende dat het in het belang van de internationale stabiliteit belangrijk is te voorzien in afschrikmiddelen op basis van een beoordeling per geval, met volledige inachtneming van artikel 51 van het Handvest van de VN en criterium 4 van het gemeenschappelijk standpunt inzake de handhaving van vrede, veiligheid en stabiliteit in de regio;

D.  overwegende dat de ongecontroleerde verspreiding van wapens een ernstig gevaar vormt voor vrede en veiligheid, mensenrechten en duurzame ontwikkeling; overwegende dat er elke minuut ergens ter wereld iemand sterft door wapengeweld en er vijftien nieuwe wapens worden geproduceerd;

E.  overwegende dat het reguleren van de internationale wapenhandel per definitie een wereldwijde ambitie is; overwegende dat de EU moet zorgen voor samenhang in haar externe activiteiten in hun totaliteit binnen de context van haar externe betrekkingen, teneinde de democratie en de rechtsstaat te bevorderen, conflicten te voorkomen, armoede uit te bannen, internationale dialoog te bevorderen en internationale stabiliteit en veiligheid te handhaven; overwegende dat de EU-lidstaten tussen 2010 en 2014 verantwoordelijk waren voor 25,4 % van het volume van werkelijke leveringen(13) van de voornaamste conventionele wapens wereldwijd;

F.  overwegende dat de uitbanning van armoede, zoals vastgelegd in het Verdrag van Lissabon, het prioritaire doel van het EU-ontwikkelingsbeleid is en overwegende dat het tevens een van de prioriteiten van het externe optreden van de EU is om aan een stabielere en welvarendere wereld te bouwen; overwegende dat de levering van wapens aan conflictlanden niet alleen de kans vergroot dat het geweld escaleert, maar ook negatieve gevolgen heeft voor het ontwikkelingspotentieel van deze landen, zoals is gebleken uit verslagen van humanitaire organisaties waarin deze gevolgen in cijfers werden gegoten(14);

G.  overwegende dat de EU-lidstaten in 2013 wapens hebben uitgevoerd ter waarde van 36,7 miljard EUR in totaal, waarvan 26,7 miljard EUR naar derde landen; overwegende dat, ter vergelijking, de totale begroting voor het Europees nabuurschapsinstrument voor 2014-2020 15,4 miljard EUR bedraagt; overwegende dat de EU-lidstaten verantwoordelijk waren voor 36 % van de totale wapenuitvoer naar derde landen; overwegende dat moeilijk beweerd kan worden dat deze handelsstromen tot de rechtstreekse veiligheidsbelangen van de EU behoren;

H.  overwegende dat Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB een juridisch bindend kader is waarin acht criteria voor de uitvoer van conventionele wapens zijn vastgelegd die de EU-lidstaten moeten toepassen op hun besluiten voor het verlenen van vergunningen; overwegende dat met name in de context van de ontwikkeling van een Europese defensiemarkt en een Europese industriële en technologische defensiebasis naar behoren rekening gehouden moet worden met dit gemeenschappelijk standpunt;

I.  overwegende dat de derde landen Albanië, Bosnië en Herzegovina, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, IJsland, Canada, Montenegro en Noorwegen zich officieel hebben aangesloten bij de in het gemeenschappelijk standpunt vastgelegde criteria en beginselen;

Het mondiale veiligheidsklimaat en wapenuitvoer

1.  maakt zich ernstige zorgen over de verspreiding van gewapende conflicten, met name in Oekraïne, Syrië, Irak, Libië en Jemen, evenals over alle internationale conflicten die door de steeds verdergaande mondialisering een bedreiging vormen voor de stabiliteit en de veiligheid, en die de onmiddellijke omgeving van de EU minder stabiel en minder veilig hebben gemaakt; merkt op dat de wapenhandel met conflictstaten mogelijk heeft bijgedragen aan deze conflicten;

2.  vindt het betreurenswaardig dat de ontwikkelingen van de laatste twee jaar hebben aangetoond dat wapens soms terechtkomen in handen van terroristen of repressieve regimes of landen waar kinderen geronseld of gebruikt kunnen worden voor vijandelijkheden, of van regimes die twijfelachtige betrekkingen hebben met internationaal terrorisme of een agressief binnenlands en buitenlands beleid voeren, en is van mening dat het daarom noodzakelijk is doeltreffende regelingen voor de controle op wapenuitvoer aan te nemen; veroordeelt het gebruik van wapens om onveiligheid en gewapende conflicten intern en extern aan te wakkeren, of om binnenlandse repressie, regionale conflicten of ernstige schendingen van de mensenrechten en de basisvrijheden te ondersteunen; vindt het eveneens betreurenswaardig dat de illegale handel in wapens een omvangrijke en winstgevende onderneming blijft;

3.  betreurt het dat elk jaar ongeveer een half miljoen(15) mensen sterft ten gevolge van wapengeweld, zowel in gewapende conflicten als in de context van criminele activiteiten;

4.  bevestigt nogmaals dat de eerbiediging van het gemeenschappelijk standpunt van fundamenteel belang is voor de verwezenlijking van de waarden en beginselen van de EU, met name op het gebied van de internationale mensenrechtenwetgeving en het internationaal humanitair recht, en van de verantwoordelijkheden van de EU als zodanig op het gebied van regionale en mondiale veiligheid;

5.  merkt op dat de EU-lidstaten belangrijke mondiale wapenuitvoerders zijn, verantwoordelijk voor een wereldwijde uitvoer ter waarde van 36 711 miljard EUR in 2013, waarvan 10 735 miljard EUR tussen de lidstaten onderling en 25 976 miljard EUR naar derde landen, volgens gegevens uit het zestiende jaarverslag; herhaalt dat in artikel 10 van het gemeenschappelijk standpunt is vastgesteld dat de lidstaten economische, commerciële en industriële belangen in aanmerking mogen nemen, maar dat deze factoren niet van invloed mogen zijn op de toepassing van de acht criteria voor de wapenuitvoer;

6.  betreurt evenwel dat artikel 10 vaak over het hoofd wordt gezien, in het bijzonder omdat Europese defensiebedrijven hun dalende omzet in Europa steeds meer compenseren met uitvoer buiten de EU; is diep bezorgd over de gevolgen die de overdracht van gevoelige kennis en technologie naar derde landen teweeg kan brengen voor de veiligheid en defensie van de EU, aangezien deze overdracht een verhoogd risico op afhankelijkheid van derde landen met afwijkende strategische belangen inhoudt, bijvoorbeeld Rusland;

7.  herinnert eraan dat de defensie-industrie een instrument moet vormen om de defensie en veiligheid van de lidstaten ten uitvoer te leggen door een regeling voor voorzieningszekerheid in de EU te waarborgen en tegelijkertijd ook bij te dragen aan de tenuitvoerlegging van een versterkt gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB), aangezien dit van belang is om de wereldwijde stabiliteit en veiligheid te helpen waarborgen; erkent dat wapenuitvoer een rol heeft gespeeld in het versterken en verder ontwikkelen van de industriële en technologische basis van de Europese defensie, die van belang is geweest bij een grote reeks innovaties en technologische ontwikkelingen;

8.  erkent de legitimiteit van uitvoer die strikt voldoet aan de criteria die zijn vastgelegd in artikel 4, letter c, van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB en die wordt verricht naar aanleiding van een verzoek aan de EU overeenkomstig het recht op zelfverdediging; steunt de levering van defensieve wapens in het geval van wettige zelfverdediging; wijst op het besluit van sommige lidstaten om defensieve wapens te leveren aan de peshmerga in Iraaks Koerdistan en aan Oekraïne; merkt op dat er geen coördinatie tussen de lidstaten is op dit vlak;

9.  wijst erop dat de weigering en opschorting van licenties ten gevolge van embargo's of conflicten enerzijds een positief signaal zijn, maar er tegelijkertijd op wijzen dat het uitvoerbeleid van de EU enkel in staat is tot reageren; is van mening dat een grondigere beoordeling van de specifieke risico's waarmee ontvangende landen geassocieerd worden noodzakelijk is vooraleer er licenties worden toegekend;

10.  merkt op dat de risico's verbonden aan de omleiding, de smokkel en het inslaan van wapens en explosieven toenemen en een uitdaging blijven die moet worden aangepakt; benadrukt het gevaar dat wapens uit derde landen die door een hoge mate aan corruptie gekenmerkt worden door de toegenomen wapensmokkel en -handel en het gebrek aan controles op de plekken van binnenkomst, zoals havens, in Europa terecht kunnen komen, waardoor de veiligheid van de burgers in het gedrang kan komen, zoals in een recent verslag van Europol is onderstreept(16);

11.  benadrukt dat de controle op wapenuitvoer een integraal onderdeel vormt van het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU en toegepast moet worden volgens de beginselen die zijn vastgelegd in artikel 21, VEU, met name de bevordering van de democratie en de rechtsstaat, en van vredehandhaving, conflictpreventie en het versterken van de internationale veiligheid; herinnert eraan dat het van cruciaal belang is voor samenhang te zorgen tussen wapenuitvoer en de geloofwaardigheid van de EU als wereldwijd pleitbezorger van de mensenrechten; is er ten stelligste van overtuigd dat een effectievere tenuitvoerlegging van de acht criteria van het gemeenschappelijk standpunt een grote bijdrage zou leveren aan de ontwikkeling van zowel het GBVB als het GVDB; dringt erop aan dat de kwestie van wapenuitvoer binnen de nieuwe globale EU-strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid naar behoren onderzocht wordt in het licht van de gewijzigde veiligheidscontext en de daarmee samenhangende gevaren en bedreigingen ten aanzien van de Europese veiligheidsbelangen;

12.  betreurt het dat onwettige, illegale en ongereguleerde wapenhandel de politieke stabiliteit blijft ondermijnen en democratische economische en/of sociale ontwikkeling in sommige delen van de wereld in de weg blijft staan; erkent dat een samenhangende interpretatie en doeltreffende toepassing van criterium 8 van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB een beslissende bijdrage zou kunnen leveren aan de EU-doelstellingen voor beleidscoherentie ten aanzien van ontwikkeling; dringt aan op een blijvende aandacht voor criterium 8 om de mogelijke negatieve gevolgen van wapenuitgaven voor de ontwikkelingskansen van armere ontvangende landen te beoordelen;

Wapenhandelsverdrag

13.  is ingenomen met de inwerkingtreding van het Wapenhandelsverdrag (WHV); is verheugd over de outreach-activiteiten van de EU voor de bevordering van een universele bekrachtiging en tenuitvoerlegging van het WHV, en dringt aan op blijvende inspanningen in dit verband, met name in landen die veel wapens verhandelen; dringt er bij de lidstaten die het WHV nog niet hebben geratificeerd op aan om dit zo spoedig mogelijk te doen; erkent dat het WHV een positieve verwezenlijking is, maar desondanks zijn beperkingen en dubbelzinnigheden heeft (onduidelijke begrippen, uitzonderingen op de rapportageverplichting, gebrek aan een sanctieregeling);

14.  is verheugd over het succes van de eerste conferentie van de staten die partij zijn bij het verdrag, die van 24 tot 27 augustus 2015 in Cancún werd gehouden, maar wijst erop dat er geen overeenstemming is bereikt over het te gebruiken model voor de jaarverslagen; is van mening dat het verdrag pas echt succesvol zal zijn als er maatregelen worden genomen om het universeel toepasbaar te maken en als bindende mechanismen of sanctieregelingen worden vastgesteld die gebruikt kunnen worden wanneer wordt verzuimd de regels toe te passen;

15.  is ingenomen met de vereiste dat landen die partij zijn bij het WHV in de beslissingsprocedure voor het verlenen van licenties rekening moeten houden met het gevaar dat de verhandelde wapens gebruikt zouden kunnen worden om ernstige feiten van gendergerelateerd geweld of geweld tegen vrouwen en kinderen te plegen of in de hand te werken; verzoekt de lidstaten om in het gemeenschappelijk standpunt sterkere taal te gebruiken met betrekking tot gendergerelateerd geweld of ernstige feiten van geweld tegen vrouwen en kinderen;

16.  looft het feit dat de EU over een juridisch bindend kader beschikt dat uniek is in de wereld en dat het mogelijk maakt om de controle op de uitvoer van wapens te handhaven, ook in crisisgebieden en in landen met een twijfelachtige staat van dienst op het gebied van de mensenrechten; is in dat verband ook ingenomen met het feit dat verschillende Europese en derde landen zich op basis van het gemeenschappelijk standpunt hebben aangesloten bij het systeem voor controles op de uitvoer van wapens;

17.  is ingenomen met het feit dat Albanië, Bosnië en Herzegovina, Canada, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, IJsland, Montenegro en Noorwegen zich achter de criteria en beginselen van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB hebben geschaard; merkt op dat er sinds 2012 een bijzonder systeem voor informatie-uitwisseling tussen de EU en de aangesloten derde landen wordt toegepast;

Gemeenschappelijk standpunt

18.  herinnert eraan dat het gemeenschappelijk standpunt tot een gecoördineerde aanpak van de wapenhandel moet leiden waarbij het recht van lidstaten om een meer beperkend nationaal beleid te voeren niet wordt aangetast, zoals vastgesteld in artikel 3 van het gemeenschappelijk standpunt; herinnert er voorts ook aan dat de lidstaten in ieder geval de exclusieve bevoegdheid behouden om het verhandelen van militaire technologie of militaire wapens te weigeren, en dat de algemene normen die zijn vastgelegd in het gemeenschappelijk standpunt beschouwd moeten worden als de minimumnorm voor het beheer van de handel in militaire technologieën, overeenkomstig overweging 3; merkt op dat harmonisatie op Europees niveau niet gebruikt mag worden als voorwendsel om strengere nationale regels af te zwakken;

19.  verzoekt de lidstaten om de criteria van het gemeenschappelijk standpunt in alle gevallen op een samenhangende manier te interpreteren en strikt toe te passen en om het besluitvormingsproces niet te laten leiden door politieke en economische overwegingen; verzoekt de lidstaten voorts om reeds overeengekomen contracten op te zeggen wanneer een transactie ten gevolge van een drastisch veranderde situatie indruist tegen het gemeenschappelijk standpunt;

20.  is van mening dat het echte probleem gelegen is in een onnauwkeurige toepassing en een inconsistente interpretatie van het gemeenschappelijk standpunt door de lidstaten en acht het daarom van cruciaal belang dat er een consistente en ambitieuze toepassing van de acht criteria wordt nagestreefd; wijst in dit verband op het gebrek aan sanctiemechanismen in het geval van schending van de criteria en acht het wenselijk regelingen vast te stellen om onafhankelijke controles en sanctiemechanismen uit te voeren in het geval van schending van het gemeenschappelijk standpunt;

21.  vestigt de aandacht op de herziening van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944 door COARM en op het besluit dat het standpunt de doelstellingen van de Raad op behoorlijke wijze dient en in overeenstemming is met het WHV; merkt op dat er geen wijzigingen zijn doorgevoerd, ondanks de ernstige situatie in Syrië en Irak, de toename van terroristische activiteiten en de alomtegenwoordige conflicten en instabiliteit in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, die op hun beurt de veiligheid van de Unie zelf in gedrang zouden kunnen brengen;

22.  neemt kennis van de bijstelling van de gids voor de gebruiker bij het gemeenschappelijk standpunt van de Raad en van de EU-lijst van militaire goederen; kijkt uit naar de aanneming door COARM van een nieuw online mechanisme voor de uitwisseling van informatie; is ingenomen met de nieuwe verwijzingen naar onderdelen van het WHV die nog niet zijn opgenomen in het gemeenschappelijk standpunt en met de wijzigingen aan de gedetailleerde richtsnoeren voor criterium 7; dringt erop aan dat er in het bijzonder inspanningen worden geleverd op het vlak van richtsnoeren voor een doeltreffende uitvoering van criterium 8;

23.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de acht criteria strenger toegepast worden; is van mening dat de lidstaten die op Europees niveau deelnemen aan COARM de focus van hun beoordelingen moeten uitbreiden naar de toestand in het land van bestemming en de specifieke militaire technologie in kwestie; moedigt de lidstaten aan strengere nationale criteria toe te passen;

24.  is bezorgd over het effect dat het dreigen met juridische stappen door ondernemingen in sommige lidstaten kunnen hebben op de behandeling van aanvragen voor uitvoervergunningen, of het nu om reële of veronderstelde dreigementen gaat; herinnert de lidstaten eraan dat een strikte, nauwgezette toepassing van de acht criteria de benodigde gronden levert om vergunningen te weigeren;

25.  merkt op dat de lidstaten volgens criterium 2 een uitvoervergunning alleen dienen te weigeren wanneer er een "duidelijk risico" bestaat dat de uit te voeren militaire technologie of uitrusting gebruikt kan worden voor binnenlandse onderdrukking; is van mening dat dit criterium ruimte laat voor een onsamenhangende toepassing van de gemeenschappelijke regels; wenst dat er overleg wordt gepleegd met vertegenwoordigers van de Raad van Europa, het Bureau van de Hoge Vertegenwoordiger voor de Mensenrechten en mensenrechtenorganisaties om criterium 2 verder te verduidelijken;

26.  staat kritisch tegenover de frequente schendingen van de acht criteria door verschillende lidstaten; betreurt dat er geen mechanismen beschikbaar zijn om schendingen van de acht criteria door een lidstaat te bestraffen en dat er ook geen plannen bestaan voor dergelijke mechanismen; is van mening dat moet worden voorzien in methoden en instrumenten om onafhankelijke controles en sanctiemechanismen uit te voeren bij schending van het gemeenschappelijk standpunt;

27.  dringt er bij alle lidstaten op aan om het begrip "risico" in de procedures voor het verlenen van vergunningen voor wapenhandel te benaderen vanuit het voorzorgsbeginsel, zoals dat standaard wordt gedaan bij de behandeling van andere kwesties, zoals terrorisme, witwaspraktijken of milieuproblemen;

28.  is bezorgd over het feit dat in het huidig gemeenschappelijk standpunt niet is voorzien in een "betwistingsrecht" met betrekking tot de verlening van uitvoervergunningen door andere lidstaten;

29.  verzoekt de lidstaten om hun steun te verlenen aan de oprichting van een onafhankelijke Europese Autoriteit voor de controle op wapens (European Arms Control Authority – EACA) onder auspiciën van de Hoge Vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid; is van mening dat een dergelijke autoriteit de bevoegdheid moet krijgen een advies uit te brengen aan lidstaten die voornemens zijn een vergunning te verlenen die door een andere lidstaat of andere lidstaten is geweigerd; is van mening dat dit advies een onafhankelijke beoordeling van de toepasselijkheid van de acht gemeenschappelijke criteria dient te behelzen; is van mening dat eveneens om een dergelijk advies kan worden verzocht door landen die de toepasselijkheid van de acht gemeenschappelijke criteria op eender welke Europese uitvoervergunning willen nagaan;

30.  benadrukt de behoefte aan een coherenter beleid inzake embargo's en aan de onmiddellijke toepassing ervan; verzoekt de lidstaten duidelijkheid te scheppen in de nationale en internationale bepalingen met betrekking tot de uitvoer van "militaire" en "niet-militaire" wapens, aangezien deze bepalingen ertoe zouden kunnen leiden dat de handel in handvuurwapens de regels kan omzeilen door omschreven te worden als "niet-militair";

31.  is van mening dat er striktere controles moeten worden gehouden op de tussenhandel in wapens en daaraan gerelateerde activiteiten in de EU, die vanwege de uiteenlopende nationale controlesystemen mogelijk aan controle door de lidstaten kunnen ontsnappen; verzoekt daarom met klem om de vaststelling en effectieve tenuitvoerlegging van een registratieregeling die tussenhandelaars ertoe verplicht om volledig verslag uit te brengen over hun activiteiten;

32.  herinnert eraan dat Verordening (EU) nr. 258/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot uitvoering van artikel 10 van het Protocol van de Verenigde Naties tegen de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens tot doel heeft de handel in vuurwapens voor civiel gebruik effectief te controleren; erkent de legitimiteit van de handel in jacht- en sportwapens voor civiel gebruik uit hoofde van deze verordening; is ingenomen met de herziening van de EU-wetgeving over vuurwapens (met inbegrip van de wetgeving over het onbruikbaar maken van wapens, administratieve sancties en alarmwapens) en met het voornemen om met betrekking tot wapensmokkel de politiesamenwerking met buurlanden te versterken; verzoekt de Commissie dientengevolge om Europol meer slagkracht te geven;

33.  verzoekt de lidstaten om in het gemeenschappelijk standpunt een mechanisme op te nemen waarmee bestaande vergunningen voor de uitvoer van wapens naar landen waartegen een Europees wapenembargo is ingesteld nadat de uitvoervergunning werd verleend automatisch worden bevroren;

34.  stelt voor om de mogelijkheden na te gaan om de toepassing van de acht criteria uit te breiden naar diensten gerelateerd aan de wapenuitvoer, zoals consultancy, en naar de activiteiten van in de EU gevestigde particuliere militaire ondernemingen in derde landen; dringt aan op een gemeenschappelijke EU-aanpak van het probleem van de drijvende wapenarsenalen;

35.  verzoekt alle lidstaten die Gemeenschappelijk Standpunt 2003/468/GBVB van de Raad van 23 juni 2003 over het toezicht op de tussenhandel in wapens nog niet volledig naleven om toe te lichten waarom zij het standpunt niet naleven en welke stappen zij voorstellen te nemen om hun verplichtingen uit hoofde van het gemeenschappelijk standpunt na te komen en wanneer zij dat denken te doen; spoort de lidstaten ertoe aan om diensten voor het transporteren en financieren van wapens in hun wetgeving voor de tussenhandel in wapens op te nemen;

36.  is bezorgd over mogelijke omleiding van de uitvoer en verzoekt de lidstaten een doeltreffend controlesysteem in te voeren (toezichtsystemen, een antimisbruikclausule in eindgebruikerscertificaten en onderzoek ter plaatse van eindgebruikers), onder meer door hiervoor bijkomend personeel in te zetten; is van mening dat er een betere samenwerking tussen de lidstaten onderling, tussen de lidstaten en Europol en Eurojust en tussen de lidstaten en derde landen moet komen om het eenvoudiger te maken tussenhandelaars en smokkelaars te vervolgen voor illegale wapenhandel; verzoekt de Raad criterium 7 beter in overeenstemming te brengen met artikel 11 van het WHV;

37.  maakt zich ernstige zorgen over de mogelijke omzeiling van EU-controles op uitvoer via productie onder licentie in derde landen of via buitenlandse dochterondernemingen van in de EU gevestigde ondernemingen; dringt er bij COARM op aan deze kwestie grondig te onderzoeken in haar volgende jaarverslag;

38.  roept op tot een betere afstemming van de werkzaamheden binnen de Raad en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) om ervoor te zorgen dat aspecten met betrekking tot conflictpreventie, ontwikkeling en mensenrechten naar behoren in aanmerking genomen worden; verzoekt om regelmatig overleg tussen COARM en COHOM (Groep rechten van de mens) en verzoekt COARM om te overleggen met alle relevante belanghebbenden in de EU, zoals Intcen (EU-Centrum voor de analyse van inlichtingen), de EU-coördinator voor terrorismebestrijding en de EU-delegaties, teneinde de samenhang te verbeteren en informatie te delen die relevant kan zijn voor besluiten om vergunningen voor wapenhandel te verlenen, in het bijzonder ten aanzien van de risico's in de voorgestelde ontvangende landen, om zo de kwaliteit van de besluiten die in het kader van het gemeenschappelijk standpunt worden genomen te verbeteren;

Transparantie

39.  betreurt de late goedkeuring van het zestiende jaarverslag, waardoor dit het verslag met de grootste vertraging ooit is;

40.  is van mening dat de jaarverslagen over de wapenuitvoer belangrijke instrumenten zijn om de transparantie van de wapenhandel te vergroten; vindt het evenwel bedroevend dat slechts 21 lidstaten volledige bijdragen hebben ingediend voor het zestiende jaarverslag; merkt op dat een volledige indiening inhoudt dat gegevens worden verstrekt over de financiële waarde van zowel de afgegeven vergunningen voor wapenuitvoer als de werkelijke uitvoer, uitgesplitst naar zowel bestemming als categorie volgens de lijst van militaire goederen van de EU; merkt op dat Griekenland geen gegevens heeft verstrekt, dat Duitsland en het Verenigd Koninkrijk geen gegevens over de werkelijke wapenuitvoer hebben ingediend en dat Frankrijk een globaal, niet-uitgesplitst cijfer voor wapenuitvoer heeft vermeld; wijst erop dat dit ook de landen zijn, met uitzondering van Griekenland, die de meeste wapens uitvoeren en de grootste verantwoordelijkheid dragen voor de wereldwijde gevolgen van de wapenuitvoer uit de EU; verzoekt de overige lidstaten om hun verplichting om een jaarverslag in te dienen en gegevens te verstrekken voor het zestiende jaarverslag alsnog na te komen en dit ook voor de volgende jaarverslagen tijdig te doen;

41.  merkt op dat het verslag gestandaardiseerde informatie bevat over verleende uitvoerlicenties, maar geen omvattende informatie over de werkelijke wapenuitvoer; dringt er bij de Raad en de VV/HV op aan om op zoek te gaan naar manieren om de naleving van de rapportageverplichting te verbeteren en de transparantie van en het openbaar toezicht op het kader voor controles op uitvoer te vergroten, in het bijzonder door ervoor te zorgen dat de lidstaten alle uitvoer van wapens melden; verzoekt dit gebrek te verhelpen en derhalve te voorzien in een jaarverslag dat de werkelijke uitvoergegevens weergeeft, uitgesplitst naar type en bestemming;

42.  verzoekt om de invoering van een gestandaardiseerde procedure voor rapportage en indiening, met inbegrip van een deadline, opdat alle lidstaten op uniforme wijze zouden omgaan met informatie over de werkelijke uitvoer en licentiegegevens en alle lidstaten deze procedure zouden naleven; verzoekt de lidstaten volledig verslag te geven over geweigerde licenties, met onder meer informatie per licentie over het ontvangende land en de specifieke overheid, een beschrijving van de verhandelde voorwerpen en hun aantal, met verwijzing naar de subcategorieën in de lijst van militaire goederen, samen met de precieze reden voor de weigering; stelt voor om de vorm van het jaarverslag te wijzigen en het verslag opnieuw uit te brengen als een openbare, interactieve en doorzoekbare online gegevensbank;

43.  roept op tot intensiever overleg tussen de lidstaten met betrekking tot de handel met fragiele en onstabiele regio's of landen, in het bijzonder die met een agressieve houding ten opzichte van hun nabije omgeving; dringt aan op een grondige en systematische controle van de tenuitvoerlegging van de sanctieregeling van de EU tegen Rusland op het gebied van wapenuitvoer en de verkoop van technologie voor tweeërlei gebruik; verzoekt de lidstaten een lijst op te stellen van personen (zowel entiteiten als individuen) die zijn veroordeeld voor het schenden van de wetgeving inzake wapenuitvoer en voor gevallen waarbij omleiding is vastgesteld, en van personen die weliswaar niet gerechtelijk veroordeeld zijn, maar van wie wel is vastgesteld dat ze betrokken zijn bij illegale wapenhandel of activiteiten die een bedreiging vormen voor de internationale veiligheid; verzoekt de lidstaten gedetailleerde informatie te verstrekken over de procedures voor de intrekking of opschorting van verleende licenties met betrekking tot landen die onder embargo staan;

44.  acht het van essentieel belang dat landen die kandidaat zijn om toe te treden tot de EU de standpunten en beginselen van de EU inzake wapenuitvoer en wapenhandel eerbiedigen;

45.  roept op tot toezicht op de illegale wapenhandel en tot samenwerking op dit gebied, door middel van samenwerkingsprocedures tussen politiediensten en grensautoriteiten op basis van de uitwisseling van informatie en gegevensbanken, om zo het veiligheidsrisico voor de EU en haar burgers zoveel mogelijk te beperken;

Openbaar toezicht

46.  herinnert eraan dat regeringen de politieke verantwoordelijkheid dragen voor het al dan niet uitvoeren van militaire goederen of goederen voor tweeërlei gebruik; verzoekt de lidstaten gedetailleerde informatie te verstrekken over elke toegekende licentie, zodat op Europees niveau kan worden gecontroleerd of landen zich mogelijk niet aan de criteria van het gemeenschappelijk standpunt houden vanwege economische, politieke of persoonlijke belangen; verzoekt de EDEO/COARM de taak op zich te nemen om licenties te onderzoeken waarover twijfel bestaat of ze voldoen aan de criteria van het gemeenschappelijk standpunt;

47.  is er vast van overtuigd dat burgers en parlementen het recht hebben door hun regering in detail geïnformeerd te worden over beslissingen inzake wapenuitvoer, aangezien deze gevolgen hebben voor de veiligheid en het welzijn van hun natie en andere landen van de wereld, en of ze overeenstemmen met het belang van transparantie en een beter openbaar toezicht; dringt erop aan de verslagen publiek toegankelijk te maken;

48.  verzoekt de Raad en de EDEO om ook de toegang tot informatie met betrekking tot EU-sancties en wapenembargo's te verbeteren, aangezien deze informatie vaak niet is bijgewerkt of gepresenteerd wordt in een weinig toegankelijke vorm;

49.  roept op tot een versterking van het parlementair toezicht, zowel op nationaal als op Europees niveau, via jaarverslagen in de parlementen; dringt erop aan dat de Europese wapenuitvoer en het Europese industriële defensiebeleid op de volgende interparlementaire conferentie over het GBVB/GVDB ter tafel komt;

50.  is ingenomen met het regelmatige overleg met het maatschappelijk middenveld als blijk van toenemende transparantie; verzoekt de Commissie en de EDEO/COARM om deze dialoog met het maatschappelijk middenveld, ngo's en denktanks voort te zetten; spoort het maatschappelijk middenveld en de academische wereld aan om onafhankelijk onderzoek te verrichten naar de wapenhandel;

Nieuwe technologieën en de kwestie van goederen voor tweeërlei gebruik

51.  is van mening dat het door technologische ontwikkelingen steeds moeilijker wordt een onderscheid te maken tussen zuiver militair en zuiver civiel gebruik, en dat er daarom speciale aandacht moet uitgaan naar de lijst van goederen voor tweeërlei gebruik in het licht van het Wassenaar Arrangement; verzoekt de VV/HV, de lidstaten en de Commissie ervoor te zorgen dat alle achterpoortjes gesloten worden op het niveau van het Wassenaar Arrangement of tussen de lijst van militaire goederen en de bijlagen van de verordening inzake goederen voor tweeërlei gebruik, en bijzondere aandacht te besteden aan nieuwe technologieën van strategisch belang, zoals systemen voor van op afstand bestuurde luchtvaartuigen, toegepaste robotica en bewakingstechnologie;

52.  herinnert eraan dat de wereldwijde proliferatie van bepaalde bewakings- en inbraaktechnologieën niet alleen de mensenrechten kan schaden, maar ook een aanzienlijke bedreiging kan vormen voor de strategische belangen van de EU en voor onze digitale infrastructuur;

53.  is ingenomen met het lopende initiatief van de Commissie om de controles van de EU op de uitvoer van goederen voor tweeërlei gebruik te moderniseren en met haar voornemen om in de eerste helft van 2016 een nieuw wetgevingsvoorstel in te dienen voor intelligente en doeltreffende beleidsmaatregelen om de commerciële uitvoer van diensten op het gebied van de toepassing en het gebruik van technologieën voor tweeërlei gebruik te reguleren, en er tegelijk doeltreffende veiligheidsmechanismen in op te nemen om te voorkomen dat dergelijke controles op uitvoer het wetenschappelijk onderzoek en onderzoek op het gebied van IT-veiligheid zouden schaden; onderstreept dat het voorstel gericht moet zijn op een betere samenhang en transparantie van de regelingen voor de controle op uitvoer en dat in het voorstel ten volle rekening gehouden moet worden met de veranderende aard van de veiligheidsuitdagingen en de snelheid waarmee nieuwe technologie wordt ontwikkeld, in het bijzonder op het gebied van bewakings- en inbraaksoftware; is verheugd over de overeenkomst die op 4 december 2013 is bereikt door de landen die partij zijn bij het Wassenaar Arrangement om controles mogelijk te maken op het gebied van bewaking, van instrumenten voor ordehandhaving en het verzamelen van informatie en van systemen voor netwerkbewaking; herinnert eraan dat de potentieel schadelijke uitvoer van ICT-producten en -diensten die gebruikt kunnen worden in verband met mensenrechtenschendingen in bepaalde derde landen dringend moet worden aangepakt, zoals overeengekomen in de gemeenschappelijke verklaring van april 2014 van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

54.  verzoekt de lidstaten voldoende middelen ter beschikking te stellen om de controles op de uitvoer van, de tussenhandel in en de doorvoer van goederen voor tweeërlei gebruik daadwerkelijk ten uitvoer te leggen; is ingenomen met de lopende, door de EU gefinancierde programma's voor capaciteitsopbouw om de systemen voor de controle op uitvoer van goederen voor tweeërlei gebruik van derde landen te ondersteunen; verzoekt de lidstaten om ook in de EU opleidingscapaciteit vrij te maken;

55.  benadrukt dat de Commissie ondernemingen die twijfelen of ze een uitvoervergunning moeten aanvragen op een vlotte manier nauwkeurige en bijgewerkte informatie moet kunnen aanbieden over de wettigheid of de mogelijk schadelijke gevolgen van potentiële transacties;

56.  vraagt de Commissie voorstellen in te dienen om te beoordelen hoe EU-normen met betrekking tot ICT kunnen worden gebruikt ter voorkoming van mogelijk schadelijke gevolgen van de uitvoer van deze technologieën of andere diensten naar derde landen waar concepten als "legale interceptie" niet noodzakelijk hetzelfde betekenen als in de EU, of die bijvoorbeeld een slechte reputatie op het gebied van mensenrechten hebben of waar de rechtsstaat niet bestaat;

57.  bevestigt opnieuw dat EU-normen, in het bijzonder de normen die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de EU, voorrang moeten krijgen op andere overwegingen bij de beoordeling van incidenten waarbij technologieën voor tweeërlei gebruik op een zodanige manier worden ingezet dat zij de mensenrechten kunnen inperken;

58.  betreurt het dat bepaalde Europese ondernemingen en internationale ondernemingen die handel drijven in technologieën voor tweeërlei gebruik actief samenwerken met landen die in strijd met de mensenrechten handelen, terwijl ze toch op de hoogte zijn van de schadelijke gevolgen voor de mensenrechten;

59  dringt er publiekelijk bij de Commissie op aan om ondernemingen die bij dergelijke activiteiten betrokken zijn uit te sluiten van EU-aanbestedingsprocedures, onderzoeks- en ontwikkelingsfinanciering en elke andere vorm van financiële steun;

60.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.11.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

52

6

6

Bij de eindstemming aanwezige leden

Lars Adaktusson, Michèle Alliot-Marie, Francisco Assis, Petras Auštrevičius, James Carver, Javier Couso Permuy, Andi Cristea, Arnaud Danjean, Mark Demesmaeker, Georgios Epitideios, Knut Fleckenstein, Eugen Freund, Sandra Kalniete, Manolis Kefalogiannis, Afzal Khan, Janusz Korwin-Mikke, Eduard Kukan, Ilhan Kyuchyuk, Barbara Lochbihler, Sabine Lösing, Andrejs Mamikins, Ramona Nicole Mănescu, Tamás Meszerics, Francisco José Millán Mon, Javier Nart, Pier Antonio Panzeri, Demetris Papadakis, Vincent Peillon, Tonino Picula, Kati Piri, Andrej Plenković, Cristian Dan Preda, Jozo Radoš, Sofia Sakorafa, Jacek Saryusz-Wolski, Jaromír Štětina, Charles Tannock, László Tőkés, Johannes Cornelis van Baalen, Geoffrey Van Orden

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Ignazio Corrao, Luis de Grandes Pascual, Angel Dzhambazki, Tanja Fajon, Mariya Gabriel, Liisa Jaakonsaari, Javi López, Urmas Paet, Miroslav Poche, Soraya Post, Marietje Schaake, Helmut Scholz, Igor Šoltes, Renate Sommer, Traian Ungureanu, Bodil Valero, Marie-Christine Vergiat

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Inés Ayala Sender, Beatriz Becerra Basterrechea, Heidi Hautala, Svetoslav Hristov Malinov, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Ivan Štefanec, Patricija Šulin

(1)

PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99.

(2)

PB C 103 van 27.3.2015, blz. 1.

(3)

Wapenhandelsverdrag, VN, 13-27217.

(4)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0081.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0215.

(6)

PB L 341 van 18.12.2013, blz. 56.

(7)

PB L 134 van 29.5.2009, blz. 1.

(8)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0288.

(9)

PB L 146 van 10.6.2009, blz. 1.

(10)

PB L 156 van 25.6.2003, blz. 79.

(11)

  http://www.wassenaar.org/controllists/, "lijst van goederen en technologieën voor tweeërlei gebruik en munitie" - Wassenaar Arrangement betreffende exportcontrole voor conventionele wapens en goederen en technologieën voor tweeërlei gebruik, 25 maart 2015.

(12)

  A/HRC/RES/24/35

(13)

  "Trends in de internationale wapenhandel", 2014, informatieblad van SIPRI, maart 2015.

(14)

  IANSA, Oxfam International en Saferworld, "Africa's missing billions – International arms flows and the cost of conflict", 2007.

(15)

  "Global Burden of Armed Violence 2015: Every Body Counts", een verslag van de Verklaring van Genève over wapengeweld en ontwikkeling.

(16)

"Exploring Tomorrow’s Organised Crime", Europol (2015).

Juridische mededeling