Procedure : 2015/2229(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0344/2015

Ingediende teksten :

A8-0344/2015

Debatten :

PV 16/12/2015 - 15
CRE 16/12/2015 - 15

Stemmingen :

PV 17/12/2015 - 9.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0470

VERSLAG     
PDF 874kWORD 448k
30.11.2015
PE 567.654v03-00 A8-0344/2015

over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2014 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie

(2015/2229(INI))

Commissie buitenlandse zaken

Rapporteur: Cristian Dan Preda

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2014 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie

(2015/2229(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) en andere mensenrechtenverdragen en -instrumenten van de Verenigde Naties (VN), in het bijzonder het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, die op 16 december 1966 in New York zijn aangenomen,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind en de resolutie van het Europees Parlement van 27 november 2014 over het 25-jarig bestaan van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind(1),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Europees Verdrag voor de rechten van de mens,

–  gezien de artikelen 2, 3, 8, 21 en 23 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien het strategisch kader en het actieplan van de EU inzake mensenrechten en democratie, die op 25 juni 2012 door de Raad Buitenlandse Zaken zijn goedgekeurd(2),

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake mensenrechten,

–  gezien de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake vrijheid van meningsuiting online en offline, die op 12 mei 2014 door de Raad Buitenlandse Zaken zijn vastgesteld(3),

–  gezien de richtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging(4),

–  gezien de richtsnoeren voor interparlementaire delegaties van het Europees Parlement over het bevorderen van de mensenrechten en democratie bij hun bezoeken buiten de Europese Unie(5),

–  gezien het jaarverslag van de EU over mensenrechten en democratie in de wereld in 2014, dat op 22 juni 2015 door de Raad is aangenomen(6),

–  gezien het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019), aangenomen door de Raad op 20 juli 2015(7),

–  gezien het EU-actieplan getiteld "Gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen via de externe betrekkingen van de EU veranderen (2016-2020)" (genderactieplan, GAP II), dat op 26 oktober 2015 door de Raad is aangenomen(8),

–  gezien de conclusies van de Raad van 14 mei 2012 getiteld "Increasing the impact of EU development policy: an agenda for change" (Het vergroten van het effect van het EU-ontwikkelingsbeleid: een agenda voor verandering)(9),

–  gezien de conclusies van de Raad van 5 december 2014 over de bevordering en bescherming van de rechten van het kind(10),

–  gezien Besluit 2015/260 van de Raad van 17 februari 2015 houdende verlenging van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de mensenrechten(11),

–  gezien de conclusies van de Raad van 26 mei 2015 over gender in ontwikkeling(12),

–  gezien Resolutie 1325 van 31 oktober 2000 van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid(13),

–  gezien zijn spoedresoluties over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat,

–  gezien zijn resolutie van 17 juni 2010 over het EU-beleid ten aanzien van mensenrechtenverdedigers(14),

–  gezien zijn resolutie van 7 juli 2011 over het externe beleid van de EU ter bevordering van democratie(15),

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2012 over een strategie voor digitale vrijheid in het buitenlandbeleid van de EU(16),

–  gezien zijn resolutie van 13 juni 2013 over vrijheid van pers en media in de wereld(17),

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2013 over corruptie in de publieke en de private sector: het effect op de mensenrechten in derde landen(18),

–  gezien zijn resolutie van 10 oktober 2013 over discriminatie op grond van kaste(19),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2014 over EU-prioriteiten voor de 25e vergadering van de VN-Mensenrechtenraad (UNHRC)(20),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over de prioriteiten van de EU voor de VN-Mensenrechtenraad in 2015(21),

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 2 april 2014 over de 69e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties(22),

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2014 over het wereldwijd uitbannen van foltering(23),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2013 en het beleid van de Europese Unie ter zake(24),

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid(25),

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over mensenrechten en technologie: het effect van inbreuk- en bewakingssystemen op de mensenrechten in derde landen(26),

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over migratie en vluchtelingen in Europa(27),

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de verlenging van het EU-actieplan voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in het kader van ontwikkeling(28),

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de doodstraf(29),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 8 oktober 2014, getiteld "Uitbreidingsstrategie en voornaamste uitdagingen 2014-15"(30),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie aan de Europese Raad, het Europees Parlement, de Raad en het Comité van de Regio's van 8 maart 2011 over een partnerschap voor democratie en gedeelde welvaart met het zuidelijke Middellandse Zeegebied(31),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie aan de Europese Raad, het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 25 mei 2011, getiteld "Inspelen op de veranderingen in onze buurlanden"(32),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 30 april 2014, getiteld "A rights-based approach, encompassing all human rights for EU development cooperation" (Een op rechten gebaseerde benadering voor de EU-ontwikkelingssamenwerking waarin alle mensenrechten besloten liggen)(33),

–  gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 26 juni 2014 waarin wordt opgeroepen tot de oprichting van een open, intergouvernementele werkgroep gericht op de ontwikkeling van een internationaal, juridisch bindend instrument voor transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de rechten van de mens(34),

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 inzake de nieuwe benadering van de EU van mensenrechten en democratie - evaluatie van de activiteiten van het Europees Fonds voor Democratie (EFD) sinds de oprichting(35),

–  gezien het jaarverslag van 2014 van UNFPA (Bevolkingsfonds van de Verenigde Naties) en Unicef inzake het gezamenlijk programma met betrekking tot vrouwelijke genitale verminking(36),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0344/2015),

A.  overwegende dat de EU zich er op grond van artikel 21 VEU toe verbindt een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) uit te bouwen volgens de beginselen van de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, het beginsel van gelijkheid en solidariteit en de naleving van het Handvest van de Verenigde Naties, Het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en het internationaal recht;

B.  overwegende dat de Europese Unie uit hoofde van artikel 6 VEU moet toetreden tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;

C.  overwegende dat de eerbiediging, de bevordering, de ondeelbaarheid, de vrijwaring en de universaliteit van de mensenrechten de steunpilaren moeten vormen van het externe optreden van de EU;

D.  overwegende dat een betere samenhang tussen het binnenlands en buitenlands beleid van de EU, evenals tussen de verschillende aspecten van haar buitenlands beleid een absolute vereiste is voor een succesvol en doeltreffend EU-beleid op het gebied van de mensenrechten; overwegende dat de EU door een betere samenhang in staat moet zijn sneller te reageren in de beginfase van mensenrechtenschendingen;

E.  overwegende dat het streven van de EU naar een doeltreffend multilateralisme, met de VN als kern, een integraal onderdeel vormt van het buitenlands beleid van de Unie en geworteld is in de overtuiging dat een multilateraal systeem gebaseerd op universele regels en waarden de beste manier is om de wereldwijde crises, uitdagingen en bedreigingen het hoofd te bieden;

F.  overwegende dat de eerbiediging van de mensenrechten onder druk staat en wereldwijd bedreigd wordt; overwegende dat de universaliteit van de mensenrechten ernstig in twijfel wordt getrokken door een aantal autoritaire regimes, met name in multilaterale fora;

G.  overwegende dat meer dan de helft van de wereldbevolking nog steeds in landen met een niet-democratisch en repressief regime leeft, en dat de vrijheid op mondiaal niveau de laatste jaren voortdurend achteruitgegaan is; overwegende dat de maatschappij en het individu een prijs betalen wanneer de mensenrechten niet worden nageleefd;

H.  overwegende dat er wereldwijd talloze pogingen worden gedaan om de ruimte voor het maatschappelijk middenveld te beperken, ook in de VN-Mensenrechtenraad;

I.  overwegende dat democratische regimes niet alleen gekenmerkt worden door het organiseren van vrije verkiezingen, maar ook door transparant bestuur, eerbiediging van de rechtsstaat, vrijheid van meningsuiting, eerbiediging van de mensenrechten, aanwezigheid van een onafhankelijk gerechtelijk apparaat en eerbiediging van het internationaal recht en de internationale overeenkomsten en richtsnoeren inzake de eerbiediging van de mensenrechten;

J.  overwegende dat de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) bij de voorstelling van het nieuwe gezamenlijke actieplan inzake mensenrechten en democratie heeft verklaard dat de mensenrechten een van de overkoepelende prioriteiten van haar mandaat zouden worden en als kompas zouden dienen voor alle betrekkingen met de EU-instellingen, alsook met derde landen, internationale organisaties en het maatschappelijk middenveld; overwegende dat in 2017 een tussentijdse evaluatie van het actieplan inzake mensenrechten en democratie wordt uitgevoerd die zal samenvallen met de tussentijdse evaluatie van de financieringsinstrumenten voor het externe optreden, wat moet bijdragen tot meer samenhang in het externe optreden van de EU;

K.  overwegende dat de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), de Commissie, de Raad en de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het nieuwe actieplan; overwegende dat de EU-missies en de EU-vertegenwoordigingen in derde landen een belangrijke aanvullende rol kunnen spelen om het actieplan te doen slagen;

L.  overwegende dat er voor passende middelen gezorgd moet worden en dat die middelen op de meest efficiënte manier moeten worden aangewend om mensenrechten en democratie in derde landen beter te kunnen bevorderen;

M.  overwegende dat de EU meer moet doen om de effecten van haar eigen beleid op de mensenrechten te beoordelen, de positieve effecten ervan te maximaliseren, de negatieve effecten te voorkomen en te verminderen, en de toegang tot rechtsmiddelen voor getroffen bevolkingsgroepen te verbeteren;

N.  overwegende dat betrekkingen met leiders en autoriteiten van derde landen in het kader van alle bilaterale en multilaterale fora tot de meest doeltreffende instrumenten behoren voor het aanpakken van mensenrechtenkwesties in derde landen; overwegende dat organisaties uit het maatschappelijk middenveld in derde landen een belangrijke gesprekspartner vormen bij de uitwerking en uitvoering van het mensenrechtenbeleid van de EU;

O.  overwegende dat de EU het voor het aanpakken van mensenrechtenschendingen als een van haar hoofdprioriteiten beschouwt om een nauwe samenwerking tot stand te brengen met het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenverdedigers in derde landen;

P.  overwegende dat internationale samenwerking een grotere rol moet krijgen met het oog op een betere eerbiediging van de grondrechten en een doeltreffender parlementair toezicht op inlichtingendiensten die digitale bewakingstechnologie gebruiken;

Q.  overwegende dat de EU en haar lidstaten van bij de oprichting trouwe bondgenoten zijn van het Internationaal Strafhof (International Criminal Court, ICC) door financiële, politieke, diplomatieke en logistieke steun te verlenen, de universaliteit van het Statuut van Rome te bevorderen en de integriteit ervan te verdedigen ter versteviging van de onafhankelijkheid van het ICC;

R.  overwegende dat het beleid ter ondersteuning van mensenrechten en democratie dient te worden geïntegreerd in alle EU-beleidslijnen met een buitenlandse dimensie, zoals ontwikkeling, migratie, veiligheid, terrorismebestrijding, uitbreiding en handel, om de eerbiediging van de mensenrechten te blijven bevorderen;

S.  overwegende dat de handelspolitiek van de Unie krachtens artikel 207 VWEU moet stoelen op de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Europese Unie;

T.  overwegende dat de verschillende vormen van migratie een belangrijke uitdaging vormen voor het buitenlands beleid van de EU, waarvoor onmiddellijke, doeltreffende en duurzame oplossingen vereist zijn om te waarborgen dat de mensenrechten van personen in nood, zoals mensen op de vlucht voor oorlog en geweld, geëerbiedigd worden overeenkomstig de Europese waarden en internationale mensenrechtennormen;

U.  overwegende dat de wereldeconomie een ernstige crisis doormaakt, die in combinatie met bepaalde maatregelen, met name de drastische bezuinigingen op de begroting, nadelige gevolgen heeft voor de mensenrechten, in het bijzonder voor de economische en sociale rechten, voor de levensomstandigheden van mensen (toename van de werkloosheid en de armoede, ongelijkheid en onzeker werk, minder kwaliteitsvolle en beperkte toegang tot diensten) en dus ook voor hun welzijn;

V.  overwegende dat vrijheid van denken, geweten, godsdienst en overtuiging een van de prioriteiten van de EU moet worden en onvoorwaardelijk bevorderd moet worden, op basis van universele en ondeelbare waarden; overwegende dat deze rechten nog steeds worden bedreigd, aangezien het aantal gerelateerde schendingen sterk is gestegen;

W.  overwegende dat de wereldwijde afschaffing van de doodstraf een van de prioriteiten van het buitenlandse mensenrechtenbeleid van de EU blijft; overwegende dat in juni 2016 het 6e wereldcongres tegen de doodstraf zal plaatsvinden in Oslo, Noorwegen;

X.  overwegende dat kinderen, vrouwen en personen die tot minderheden behoren steeds meer met specifieke bedreigingen, gewelddaden en seksueel geweld geconfronteerd worden, in het bijzonder in conflictgebieden;

Y.  overwegende dat de Sacharovprijs in 2014 aan Dr. Denis Mukwege werd uitgereikt voor zijn niet-aflatende inzet, als arts en verdediger van de mensenrechten, voor de slachtoffers van seksueel geweld en genitale verminking; overwegende dat genitale verminking van vrouwen een fundamentele schending van de rechten van vrouwen en kinderen inhoudt en dat het absoluut noodzakelijk is om de strijd tegen genitale verminking en seksueel geweld centraal te stellen in het buitenlands en mensenrechtenbeleid van de EU;

Z.  overwegende dat in 2014 naar schatting 230 miljoen kinderen in landen en gebieden waar gewapende conflicten heersen blootgesteld werden aan extreem geweld en trauma's, doordat ze onder dwang geronseld werden door of een bewust doelwit waren van gewelddadige groeperingen;

AA.  overwegende dat in artikel 25 van de UVRM wordt bepaald dat eenieder recht heeft op een levensstandaard die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, en dat moeder en kind recht hebben op bijzondere zorg en bijstand, waaronder medische verzorging; overwegende dat in Resolutie 26/28(37) van de Mensenrechtenraad (MRR) wordt opgeroepen om tijdens de volgende vergadering van het Sociaal Forum van de MRR de aandacht te vestigen op toegang tot geneesmiddelen in het kader van het recht van eenieder op het hoogst mogelijke niveau van lichamelijke en geestelijke gezondheid; overwegende dat in de statuten van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) wordt bepaald dat het een van de grondrechten van ieder mens is om het hoogst mogelijke niveau van gezondheid te genieten, zonder onderscheid naar ras, godsdienst, politieke overtuiging, economische of sociale situatie;

AB.  overwegende dat de klimaatverandering de meest fundamentele mensenrechten aantast, zoals de toegang tot water, natuurlijke hulpbronnen en voedsel;

AC.  overwegende dat het opzettelijk en stelselmatig vernietigen door terroristische organisaties en oorlogvoerende groeperingen van waardevolle archeologische sites die deel uitmaken van het werelderfgoed erop gericht is bevolkingen te destabiliseren en te beroven van hun culturele identiteit, en niet alleen gezien moet worden als een oorlogsmisdaad, maar ook als een misdaad tegen de menselijkheid;

Algemene overwegingen

1.  uit zijn diepe bezorgdheid over de toenemende bedreiging van de mensenrechten en de democratische waarden, zoals vrijheid van meningsuiting, vrijheid van denken, geweten en godsdienst, en vrijheid van vergadering en vereniging, in vele delen van de wereld, onder meer in gebieden die onder een autoritair regime staan; spreekt eveneens zijn diepe bezorgdheid uit over de beperking van de openbare ruimte voor het maatschappelijk middenveld en over het groeiende aantal mensenrechtenverdedigers die wereldwijd onder vuur liggen;

2.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan zich meer in te spannen om mensenrechten en democratische waarden centraal te stellen in hun betrekkingen met de rest van de wereld, zoals ze hebben toegezegd in het VEU; merkt op dat de EU passende maatregelen moet treffen wanneer ze te maken krijgt met ernstige inbreuken op de mensenrechten in derde landen, met name in het geval van autoritaire regimes, onder meer via betrekkingen inzake handel, energie en veiligheid;

3.  wijst er nogmaals op dat het van cruciaal belang is te zorgen voor een betere samenhang tussen het binnenlands en buitenlands beleid van de EU met betrekking tot de eerbiediging van de mensenrechten en de democratische waarden; benadrukt in dit verband dat, hoewel dit verslag over het buitenlands beleid van de EU ter bevordering van de mensenrechten gaat, het Parlement ook elk jaar een door de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken opgesteld verslag goedkeurt over de toestand van de grondrechten in de Europese Unie; benadrukt evenzeer hoe belangrijk het is om in het buitenlands beleid van de EU en alle bijhorende instrumenten naar een betere samenhang en consistentie te streven, en niet met twee maten te meten;

4.  verzoekt de EU en haar lidstaten om binnenlandse uitdagingen op het gebied van de mensenrechten effectief aan te pakken, zoals de situatie van de Roma, de behandeling van vluchtelingen en migranten, de discriminatie van LGBTI's, racisme, geweld tegen vrouwen, de omstandigheden in gevangenissen en de vrijheid van de media in de lidstaten, teneinde geloofwaardig en consistent te blijven in het buitenlandse mensenrechtenbeleid;

5.  benadrukt dat het belangrijk is de samenhang van het EU-beleid te waarborgen ten aanzien van situaties van bezetting of annexatie van grondgebied; herinnert eraan dat het internationaal humanitair recht de leidraad moet zijn voor het EU-beleid ten aanzien van alle situaties van dergelijke aard;

6.  geeft uiting aan zijn krachtige verzet tegen de annexatie, bezetting en kolonisatie van gebieden en beklemtoont het onvervreemdbare recht van volkeren op zelfbeschikking;

7.  is van mening dat de EU en haar lidstaten, om te kunnen voldoen aan hun verbintenis met betrekking tot het bevorderen van de mensenrechten en de democratie in de wereld, met één enkele, rechtlijnige stem moeten spreken en ervoor moeten zorgen dat hun boodschap gehoord wordt;

8.  benadrukt bovendien het belang van een betere samenwerking tussen de Commissie, de Raad, de EDEO, het Parlement en de EU-delegaties om de algemene samenhang van het EU-beleid inzake mensenrechten en democratie te verbeteren en dit beleid een centrale positie te geven te midden van alle EU-beleidslijnen met een buitenlandse dimensie, in het bijzonder in de domeinen die te maken hebben met ontwikkeling, veiligheid, werkgelegenheid, migratie, handel en technologie;

9.  roept de EU op de volledige effecten van haar eigen beleid op de mensenrechten te verbeteren en te systematiseren, en ervoor te zorgen dat deze analyses worden gebruikt om haar beleid dientengevolge te hertekenen; roept de EU op doeltreffendere mechanismen te ontwikkelen om de positieve effecten van haar beleid op de mensenrechten te maximaliseren, de negatieve effecten te voorkomen en te verminderen en de toegang tot rechtsmiddelen voor getroffen bevolkingsgroepen te verbeteren;

10.  vestigt de aandacht op zijn verbintenis op lange termijn om de mensenrechten te bevorderen en de democratische waarden uit te dragen, zoals onder meer blijkt uit de jaarlijkse uitreiking van de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken, het werk van de Subcommissie mensenrechten en de maandelijkse plenaire debatten en resoluties over gevallen waarin de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat geschonden zijn;

11.  uit zijn diepe bezorgdheid over de opzettelijke en stelselmatige vernietiging en plundering van waardevolle archeologische sites die deel uitmaken van het werelderfgoed en die erop gericht zijn bevolkingen te destabiliseren en hun culturele identiteit te ondergraven, uitgevoerd door terroristische organisaties en oorlogvoerende groeperingen, die door de illegale handel in gestolen kunstpatrimonium hun gewelddadige activiteiten financieren; verzoekt de Commissie daarom om in samenwerking met de VN en de UNESCO de illegale handel in kunstschatten uit conflictgebieden te bestrijden en initiatieven te ontwikkelen ter bescherming van het cultureel erfgoed in dergelijke gebieden; verzoekt de Commissie de opzettelijke vernietiging van collectief menselijk erfgoed te classificeren als misdaad tegen de menselijkheid en hier als zodanig ook juridisch gevolg aan te geven;

Beleidsinstrumenten van de EU om de mensenrechten en de democratie wereldwijd te bevorderen

EU-jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld

12.  verwelkomt de aanneming van het EU-jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2014; meent dat het jaarverslag een onmisbaar instrument is voor een kritische blik op het EU-beleid inzake mensenrechten, democratie en de rechtsstaat in de wereld, alsook voor de communicatie en het debat over dit beleid; verzoekt de EDEO en de Commissie om een uitgebreide follow-up van de kwesties die in het jaarverslag worden aangekaart, met inbegrip van specifieke, op maat gesneden voorstellen om deze problemen op te lossen, alsook om een betere samenhang in de verschillende verslagen over het buitenlands EU-beleid inzake mensenrechten en democratie;

13.  verzoekt de VV/HV nogmaals tijdens twee plenaire zittingen per jaar in debat te gaan met de leden van het Europees Parlement, de eerste maal op het moment dat het EU-jaarverslag wordt voorgesteld, en de tweede maal in een reactie op het verslag van het Parlement; benadrukt dat schriftelijke antwoorden van de Commissie en de EDEO op de resolutie van het Parlement betreffende het jaarverslag over mensenrechten en democratie een belangrijke rol spelen in de interinstitutionele betrekkingen, aangezien ze een systematische en diepgaande follow-up mogelijk maken van alle punten die door het Parlement aan de orde zijn gesteld;

14.  prijst de EDEO en de Commissie voor hun uitgebreide rapportering over de activiteiten die de EU in 2014 heeft ondernomen op het gebied van mensenrechten en democratie; is niettemin van mening dat de huidige vorm van het jaarverslag over mensenrechten en democratie verbeterd kan worden door een beter overzicht te bieden van de concrete gevolgen die de acties van de EU hebben voor de mensenrechten en de democratie in derde landen, en van de vooruitgang die geboekt is, alsook door een meer lezersgerichte vormgeving; dringt er bovendien op aan verslag uit te brengen over maatregelen die getroffen zijn als reactie op resoluties van het Parlement over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat;

15.  pleit er in dit verband voor dat de EDEO bij het opstellen van het jaarverslag een meer analytische benadering hanteert en tegelijkertijd verslag blijft uitbrengen over de uitvoering van het strategisch kader en het actieplan van de EU; is van mening dat in het jaarverslag niet alleen de nadruk gelegd moet worden op de verwezenlijkingen van de EU en de optimale werkmethoden op dit gebied, maar ook aangeven moet worden met welke uitdagingen en beperkingen de EU wordt geconfronteerd in haar pogingen om de mensenrechten en de democratie in derde landen te bevorderen, en welke lessen hieruit getrokken kunnen worden voor concrete acties in de komende jaren;

16.  blijft bij zijn standpunt dat de landenverslagen in het jaarverslag minder beschrijvend en minder statisch moeten zijn en in plaats daarvan een beter beeld moeten geven van de uitvoering van de landenstrategieën op het gebied van de mensenrechten en een overzicht moeten bieden van de gevolgen die de acties van de EU in de praktijk hebben;

Strategisch kader en (nieuw) actieplan van de EU inzake mensenrechten en democratie

17.  herhaalt zijn standpunt dat de goedkeuring van het strategisch kader en het eerste actieplan van de EU inzake mensenrechten en democratie in 2012 een belangrijke mijlpaal vormde voor de EU om mensenrechten en democratie zonder uitzondering te integreren in haar betrekkingen met de rest van de wereld;

18.  is verheugd dat de Raad in juli 2015 een nieuw actieplan inzake mensenrechten en democratie voor de periode 2015-2019 heeft goedgekeurd; prijst de EDEO voor het raadplegen van de Commissie, het Parlement, de lidstaten, het maatschappelijk middenveld en regionale en internationale organisaties bij de beoordeling van het eerste actieplan en het opstellen van het nieuwe;

19.  is ingenomen met de hernieuwde verbintenis van de EU om over de hele wereld de mensenrechten te bevorderen en te beschermen en de democratie te ondersteunen; merkt op dat het actieplan bedoeld is om de EU in staat te stellen gerichter, systematischer en gecoördineerder te werk te gaan op het gebied van mensenrechten en democratie, alsook om de effecten van haar beleid en instrumenten op het terrein te vergroten; steunt in dit verband de vooropstelling van vijf strategische actiegebieden;

20.  verzoekt de VV/HV, de EDEO, de Commissie, de Raad en de lidstaten ervoor te zorgen dat het nieuwe actieplan op een doeltreffende en samenhangende manier wordt uitgevoerd; vestigt er met name de aandacht op hoe belangrijk het is om de instrumenten die de EU gebruikt bij het bevorderen van mensenrechten en democratie in de wereld doeltreffender te maken en hun plaatselijke effect te maximaliseren; wijst op de noodzaak om op een snelle en passende manier te reageren op schendingen van mensenrechten; wijst er nogmaals op dat het belangrijk is de inspanningen op te voeren om mensenrechten en democratie te integreren in elke buitenlandse actie van de EU, ook op hoog politiek niveau;

21.  benadrukt dat de EU voor het verwezenlijken van de ambitieuze doelstellingen uit het nieuwe actieplan in voldoende middelen en deskundigheid moet voorzien, zowel wat specifiek personeel voor delegaties en hoofdkantoren als wat beschikbare middelen voor projecten betreft;

22.  herhaalt zijn standpunt dat een grote eensgezindheid en een betere coördinatie tussen de lidstaten en de EU-instellingen noodzakelijk zijn om de agenda voor mensenrechten en democratie op een samenhangende en consequente manier te bevorderen; wijst er nogmaals op dat het actieplan zowel de EU als de lidstaten aanbelangt; stelt daarom nadrukkelijk dat de lidstaten, zonder uitzondering, meer verantwoordelijkheid moeten opnemen bij de uitvoering van het actieplan en het strategisch kader van de EU, en deze moeten gebruiken als hun eigen blauwdruk voor de bilaterale en multilaterale bevordering van mensenrechten en democratie; neemt met tevredenheid kennis van de geplande tussentijdse beoordeling van het nieuwe actieplan en benadrukt het belang van inclusief overleg om de bereikte resultaten op het vlak van de integratie van mensenrechten op een consistente manier weer te geven;

23.  dringt er in dit verband bij de Raad Buitenlandse Zaken op aan het thema democratie en mensenrechten regelmatig te bespreken; herhaalt zijn verzoek aan de Raad Buitenlandse Zaken een jaarlijks openbaar debat te voeren over EU-acties op het gebied van mensenrechten en democratie;

24.  prijst de EDEO en de Commissie voor hun rapportering over de uitvoering van het eerste actieplan en rekent erop dat deze manier van verslaggeven ook in het kader van het nieuwe actieplan wordt aangehouden; wijst bovendien nogmaals op zijn vastberadenheid nauw betrokken te blijven bij en geraadpleegd te worden over de uitvoering van het nieuwe actieplan;

25.  roept de VV/HV op om in samenwerking met alle commissarissen een programma op te stellen dat mensenrechten in verschillende EU-activiteiten integreert, met name op het gebied van ontwikkeling, migratie, milieu, werkgelegenheid, gegevensbescherming op het internet, handel, investeringen, technologie en het bedrijfsleven;

Overzicht van andere beleidsinstrumenten van de EU

Het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten

26.  herinnert aan het belang van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de EU (SVEU) voor de mensenrechten om de zichtbaarheid en doeltreffendheid van de EU bij de bescherming en bevordering van mensenrechten en democratische beginselen over de hele wereld te verbeteren; prijst de huidige mandaathouder voor zijn aanzienlijke verwezenlijkingen en voor de regelmatige uitwisseling met het Parlement en het maatschappelijk middenveld;

27.  is ingenomen met de verlenging van het mandaat van de SVEU tot februari 2017 en herhaalt zijn verzoek om hier een permanent mandaat van te maken; dringt derhalve aan op een herziening van het mandaat om ervoor te zorgen dat de SVEU initiatiefrecht, voldoende personeel en financiële middelen krijgt, in het openbaar het woord kan nemen, verslag kan uitbrengen over verwezenlijkingen naar aanleiding van bezoeken aan derde landen en kan communiceren over het standpunt van de EU inzake mensenrechtenkwesties, teneinde de rol van de SVEU zichtbaarder en doeltreffender te maken;

28.  dringt er bij de Raad nogmaals op aan in het mandaat van de geografische SVEU's vast te leggen dat zij nauw moeten samenwerken met de SVEU voor de mensenrechten;

Landenstrategieën inzake mensenrechten en de rol van de EU-delegaties

29.  merkt op dat het Politiek en Veiligheidscomité 132 landenstrategieën op het gebied van de mensenrechten (hierna landenstrategieën genoemd) heeft bekrachtigd na gecoördineerde inspanningen van de EU-delegaties, de EU-instellingen en de lidstaten; spreekt nogmaals zijn steun uit voor de doelstelling van de landenstrategieën om de EU-acties voor elk land op maat te snijden volgens de specifieke toestand en behoeften ter plekke; wijst op de noodzaak deze landenstrategieën permanent te evalueren en bij te sturen indien nodig en dringt erop aan de samenwerking, communicatie en uitwisseling van gegevens tussen de EU-delegaties, de ambassades van de lidstaten en de EU-instellingen bij het opstellen en uitvoeren van landenstrategieën verder te verbeteren;

30.  herhaalt zijn oproep om de leden van het Europees Parlement toegang te geven tot de inhoud van de landenstrategieën in een degelijke vorm, zodat ze hun taken naar behoren en op een transparante manier kunnen vervullen; pleit ervoor dat de EDEO en de Commissie naar buiten toe communiceren over de doelstelling van elke strategie om de transparantie van de landenstrategieën te vergroten; staat erop dat de EDEO voor elke individuele landenstrategie duidelijke en meetbare voortgangsindicatoren opneemt;

31.  wijst er met klem op hoe belangrijk het is om op alle niveaus van beleidsvorming ten aanzien van afzonderlijke derde landen rekening te houden met de landenstrategieën, onder meer bij de voorbereiding van politieke dialogen op hoog niveau, mensenrechtendialogen, landenstrategiedocumenten en jaarlijkse actieprogramma's;

32.  is ingenomen met de aanwijzing van contactpunten voor de mensenrechten en/of genderkwesties door alle delegaties en door de missies in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB); merkt echter op dat de informatie die online beschikbaar is voor het publiek in vele gevallen gedateerd is, en roept daarom op tot een snelle herziening;

33.  herhaalt zijn aanbeveling aan de VV/HV en de EDEO om duidelijke operationele richtsnoeren uit te werken in verband met de rol van contactpunten in delegaties, om hun de bevoegdheid te geven als echte mensenrechtenadviseurs op te treden en hen in staat te stellen hun werk op een doeltreffende manier en met coherentie en inclusiviteit uit te voeren, ter optimalisering van het werk van de delegaties; is van mening dat het werk van de contactpunten voor de mensenrechten evenzeer ondersteund moet worden door het diplomatieke personeel van de lidstaten; is van oordeel dat het werk van de contactpunten voor de mensenrechten volledig onafhankelijk en vrij moet zijn van politieke inmenging en intimidatie door nationale autoriteiten van derde landen, met name in hun contacten met mensenrechtenactivisten en het maatschappelijk middenveld;

Mensenrechtendialogen en -overleg

34.  erkent dat mensenrechtendialogen met derde landen een doeltreffend instrument kunnen zijn voor bilateraal engagement en samenwerking ter bevordering en bescherming van de mensenrechten, mits deze geen doel op zich zijn, maar een middel om specifieke verbintenissen en resultaten van de partner te verkrijgen; is daarom ingenomen met het tot stand brengen van mensenrechtendialogen met een groeiend aantal landen, zoals Birma/Myanmar, en moedigt dit aan; neemt in dit verband met voldoening kennis van, bij wijze van voorbeeld, de zesde ronde in de mensenrechtendialoog tussen de EU en Moldavië;

35.  dringt er bij de VV/HV en de EDEO op aan tijdens het verloop van de mensenrechtendialogen en de bijbehorende seminars voor het maatschappelijk middenveld een duidelijk, resultaatgericht perspectief voor ogen te houden dat aansluit bij de landenstrategieën; spoort de EDEO aan consequent voorbereidende dialogen te voeren met organisaties uit het maatschappelijk middenveld, die automatisch zouden moeten doorsijpelen in de eigenlijke dialoog; dringt er verder op aan dat de VV/HV, de SVEU voor de mensenrechten en de EDEO individuele gevallen van mensenrechtenverdedigers die gevaar lopen of gevangengenomen zijn, van politieke gevangenen en van inbreuken op de mensenrechten tijdens de mensenrechtendialogen stelselmatig en op een verantwoordelijke en transparante manier ter sprake te brengen; vindt het van wezenlijk belang dat de EDEO stelselmatig nagaat of alle toezeggingen die tijdens elke mensenrechtendialoog gedaan zijn nagekomen worden;

36.  herhaalt zijn verzoek aan de EDEO om een uitgebreid mechanisme te ontwikkelen om toezicht te houden op de werking van de mensenrechtendialogen en deze te kunnen herzien, in samenwerking met organisaties uit het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenorganisaties, teneinde het effect van de dialogen te vergroten; is van mening dat er politieke conclusies getrokken moeten worden en alternatieve ondersteuningsinstrumenten voor de bevordering van mensenrechten gebruikt moeten worden indien de dialogen in een bepaald land voortdurend mislukken; merkt in dit verband op dat de mensenrechtendialoog met Rusland in 2014 is opgeschort en neemt eveneens kennis van het gebrek aan resultaten van de mensenrechtendialogen met China en Belarus; dringt er daarom op aan dat de EDEO zijn mensenrechtenstrategie ten aanzien van Rusland en China grondig herziet;

37.  roept de EU en haar delegaties op tot meer politiek overleg, in samenwerking met het maatschappelijk middenveld, met overheden die de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat schenden, en dringt erop aan dat de politieke dialoog over mensenrechten tussen de EU en derde landen een meer inclusieve en bredere definitie van non-discriminatie moet omvatten, onder andere met betrekking tot LGBTI's, godsdienst of overtuiging, geslacht, ras of etnische afkomst, leeftijd, handicap en seksuele geaardheid; onderstreept dat met name in landen die in het verleden slecht hebben gepresteerd op het gebied van ontwikkeling en de eerbiediging van de mensenrechten de ontwikkelingshulp gehandhaafd en zelfs versterkt moet worden, maar bij voorkeur gekanaliseerd moet worden via organisaties van het maatschappelijk middenveld en niet-gouvernementele lokale partners, en dat er systematisch toezicht op gehouden moet worden, in combinatie met toezeggingen door de respectieve regeringen om de mensenrechtensituatie op het terrein te verbeteren;

38.  erkent het belang van aanvullende maatregelen tegen individuen (gerichte sancties zoals de bevriezing van tegoeden of een reisverbod) in de omgang met autoritaire regimes indien de dialogen blijven mislukken;

EU-mensenrechtenrichtsnoeren

39.  stelt met tevredenheid vast dat de Raad in mei 2014 de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake vrijheid van meningsuiting online en offline heeft goedgekeurd; herinnert echter aan zijn verzoek aan de EDEO om de selectieprocedure voor de in de EU-richtsnoeren behandelde thema's te verduidelijken en ook het Parlement en het maatschappelijk middenveld hieromtrent te raadplegen alvorens de thema's te kiezen;

40.  herhaalt zijn verzoek aan de VV/HV en de EDEO om de EU-richtsnoeren inzake het internationaal humanitair recht (IHR)(38) daadwerkelijk en consequent uit te voeren, ook met betrekking tot conflicten en humanitaire crises in landen als Syrië, Irak, Libië en Oekraïne; pleit er in dit verband voor dat de EDEO organisaties uit het maatschappelijk middenveld ondersteunt die ijveren voor de eerbiediging van het IHR door zowel statelijke als niet-statelijke actoren; dringt er bovendien op aan dat de EU alle beschikbare instrumenten actief aanwendt om naleving van het IHR door statelijke en niet-statelijke actoren te verbeteren; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan bij te dragen aan het huidige initiatief van Zwitserland en het Internationale Comité van het Rode Kruis ter verbetering van de naleving van het IHR;

41.  wijst er met klem op hoe belangrijk het is de uitvoering van de EU-richtsnoeren inzake de mensenrechten, met inbegrip van de uitvoering van de EU-richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de rechten van het kind, systematisch te beoordelen aan de hand van duidelijk gedefinieerde benchmarks; is van mening dat verdere maatregelen nodig zijn om het personeel van de EDEO en de EU-delegaties en de buitenlandse vertegenwoordigingen van de lidstaten bewust te maken van de inhoud van de richtsnoeren, teneinde ervoor te zorgen dat ze naar behoren worden uitgevoerd; herhaalt zijn oproep om organisaties van het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenorganisaties actiever te betrekken bij de selectie, uitwerking, evaluatie en herziening van de richtsnoeren;

Mensenrechten en democratie via de beleidslijnen en instrumenten van het buitenlands beleid van de EU

42.  herinnert eraan dat de EU zich ertoe heeft verbonden mensenrechten en democratie centraal te stellen in haar betrekkingen met derde landen; benadrukt daarom dat de bevordering van mensenrechten en democratische beginselen gesteund moet worden doorheen het hele EU-beleid en desbetreffende financiële instrumenten met een buitenlandse dimensie, zoals het uitbreidings- en nabuurschapsbeleid, het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid, en het beleid inzake ontwikkeling, handel, justitie en binnenlandse zaken; beklemtoont in dit verband de recente inspanningen van de EU om mensenrechtenschendingen op te nemen in de vroegtijdigewaarschuwingsmatrix in verband met crisispreventie;

43.  onderstreept dat de EU uit hoofde van de Verdragen verplicht is ervoor te zorgen dat al haar maatregelen en activiteiten met betrekking tot buitenlands beleid worden opgezet en uitgevoerd op een manier die de mensenrechten en de rechtsstaat bestendigt en ondersteunt;

44.  is van mening dat de financieringsinstrumenten voor het externe optreden van de EU een belangrijk instrument zijn voor de bevordering en de verdediging van de mensenrechten en de democratische waarden in het buitenland; herhaalt zijn oproep om de samenhang van de verschillende thematische en geografische instrumenten te verbeteren;

45.  stelt vast dat de Commissie inspanningen doet om te voldoen aan haar toezegging mensenrechtenbepalingen op te nemen in haar effectbeoordelingen voor wetgevings- en niet-wetgevingsvoorstellen, uitvoeringsmaatregelen en handelsovereenkomsten; spoort de Commissie aan de kwaliteit, de uitgebreide opzet en de follow-up van de effectbeoordelingen te verbeteren zodat gewaarborgd wordt dat er stelselmatig mensenrechtenkwesties in aan bod komen; wijst op de rol die het maatschappelijk middenveld kan spelen in dit proces;

Uitbreidings- en nabuurschapsbeleid

46.  herinnert eraan dat het uitbreidingsbeleid van de EU een van de krachtigste instrumenten is om de eerbiediging van mensenrechten en democratische beginselen aan te moedigen; betreurt de expliciete uitbreidingsstop waartoe de Commissie-Juncker heeft besloten, maar is verheugd dat het hoofdstuk rechterlijke macht en grondrechten, en het hoofdstuk justitie, vrijheid en veiligheid bij toetredingsonderhandelingen op een nieuwe manier worden benaderd, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de tijd die nodig is om deze hervormingen naar behoren uit te voeren;

47.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de verslechterende toestand van de vrijheid van meningsuiting en media in bepaalde uitbreidingslanden en in een aantal landen van het Europees nabuurschap; benadrukt dat de onafhankelijkheid en de transparantie van eigendom van de media in deze landen dringend verbeterd moeten worden en dat de politieke en economische druk op journalisten, die vaak tot censuur en zelfcensuur leidt, onverwijld aangepakt moet worden; verzoekt de Commissie tijdens toetredingsonderhandelingen toezicht te blijven houden op en voorrang te blijven geven aan de eerbiediging van de vrijheid van meningsuiting en van de media;

48.  betreurt dat een behoorlijke tenuitvoerlegging van rechtskaders voor de bescherming van minderheden een uitdaging blijft, zoals is aangegeven in de uitbreidingsstrategie van de Commissie voor 2014-2015(39); verzoekt de uitbreidingslanden hun inspanningen op te voeren om een cultuur van aanvaarding van minderheden tot stand te brengen door minderheden meer te betrekken bij de besluitvormingsprocessen en hen beter te integreren in het onderwijssysteem, met bijzondere aandacht voor Roma-kinderen; dringt er bij de EU op aan de tenuitvoerlegging van de bepalingen ter bescherming van de mensenrechten, met inbegrip van de rechten van personen die tot minderheden behoren en de strijd tegen alle vormen van discriminatie, waaronder haatmisdrijven op basis van seksuele geaardheid, gedurende het uitbreidingsproces nauwlettend te volgen;

49.  stelt met bezorgdheid vast dat de democratische politieke cultuur in enkele kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten en in een aantal landen van het Europees nabuurschap verslechtert; herinnert eraan dat goed bestuur, de eerbiediging van de rechtsstaat, het recht op vrije meningsuiting, het respecteren van de mensenrechten, de politieke dialoog, het maken van compromissen en het betrekken van alle belanghebbenden in het besluitvormingsproces de kern uitmaken van democratische regimes; stelt evenzeer met bezorgdheid vast dat de uitbreidingslanden weinig vooruitgang boeken bij het vergroten van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en in de strijd tegen corruptie; dringt er samen met de Commissie bij de uitbreidingslanden op aan een geloofwaardige registratie van onderzoeken, vervolgingen en definitieve veroordelingen uit te bouwen;

50.  herinnert er in verband met de lopende herziening van het Europees nabuurschapsbeleid aan dat het VEU bepaalt dat de EU bijzondere betrekkingen moet ontwikkelen met de naburige landen, stoelend op de waarden van de EU, waaronder eerbiediging van de mensenrechten en democratie(40); herinnert er eveneens aan dat de EU na de Arabische Lente in 2011 haar beleid ten aanzien van het nabuurschap heeft herzien op basis van het beginsel "meer voor meer", dat bedoeld is om de democratische instellingen en de bevordering van de mensenrechten te versterken; onderstreept dat de eerbiediging van de mensenrechten en de democratische beginselen ernstig aangetast is door de grote uitdagingen waarmee het Europees nabuurschap de laatste jaren is geconfronteerd, zoals de verspreiding van instabiliteit en conflict in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, waar extremisten en jihadistische groeperingen misbruik maken van de situatie, alsook het menselijk lijden dat wordt veroorzaakt door het optreden van Rusland;

51.  is er daarom van overtuigd dat de bevordering van mensenrechten en democratische beginselen centraal moet blijven staan in het herzien Europees nabuurschapsbeleid; wijst er nogmaals op dat de bevordering van mensenrechten en democratie in het belang van zowel partnerlanden als de EU is;

52.  benadrukt dat de EU democratische en doeltreffende mensenrechteninstellingen, het maatschappelijk middenveld en de vrije media in naburige landen actief moet blijven ondersteunen; wijst in dit verband in positieve zin op de voortdurende aanzienlijke steun uit hoofde van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten en de faciliteit voor het maatschappelijk middenveld; is evenzeer ingenomen met de consistente en doeltreffende inzet van het Europees Fonds voor de Democratie (EFD) in het oostelijke en zuidelijke nabuurschap voor de bevordering van democratie en eerbiediging van grondrechten en vrijheden, zoals vermeld werd in het eerste evaluatieverslag van het Parlement over het EFD(41); dringt er bij de EU en haar lidstaten sterk op aan om krachtige stimulansen en kennis uit hun eigen overgangsprocessen te blijven bieden om democratische hervormingsprocessen in het nabuurschap van de EU te ondersteunen;

53.  blijft erbij dat het absoluut noodzakelijk is om een einde te maken aan de Russische agressie in Oekraïne en te zorgen voor stabiliteit en de eerbiediging van de mensenrechten;

Mensenrechten door middel van handel

54.  spreekt andermaal zijn steun uit voor de systematische opname van mensenrechtenclausules in alle internationale overeenkomsten tussen de EU en derde landen, waarin onder meer rekening wordt gehouden met de Europese sociale dialoog en de arbeidsnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO); verzoekt de Commissie de uitvoering van de mensenrechtenclausules op doeltreffende en stelselmatige wijze te controleren en te beoordelen en regelmatig aan het Parlement verslag uit brengen over de eerbiediging van de mensenrechten in partnerlanden; is ermee ingenomen dat de Raad stelselmatiger beperkende maatregelen treft ten aanzien van derde landen die de mensenrechten bewust schenden; beveelt in dit verband aan dat wanneer een derde land waarmee een overeenkomst is afgesloten de mensenrechten op ernstige wijze schendt, de EU concrete stappen zet om passende sancties uit te voeren zoals vastgelegd in de mensenrechtenclausules;

55.  is ingenomen met de inwerkingtreding op 1 januari 2014 van het nieuwe stelsel van algemene preferenties (SAP) (Verordening (EU) nr. 978/2012); merkt in positieve zin op dat aan het eind van 2014 aan 14 landen SAP+-preferenties waren verleend, en herinnert eraan dat van landen wordt geëist dat ze de ratificatie van de 27 belangrijkste internationale verdragen handhaven, alsook dat ze toezicht houden op de daadwerkelijke uitvoering ervan, overeenkomstig de criteria die zowel in deze verdragen als door de EU zijn vastgelegd; verwacht dat de Commissie tegen eind 2015 een oprechte en transparante beoordeling van de feiten verricht en aan het Parlement en de Raad verslag uitbrengt over de stand van de ratificatie en de daadwerkelijke uitvoering van de verdragen door de begunstigden van de SAP+-preferenties; herhaalt zijn aanbeveling dat het Statuut van Rome moet worden toegevoegd aan de toekomstige lijst van verdragen;

Bedrijfsleven en mensenrechten

56.  is van mening dat handel en mensenrechten hand in hand kunnen gaan en dat voor het bedrijfsleven een belangrijke rol is weggelegd wat de bevordering van mensenrechten en democratie betreft; is van mening dat de bevordering van de mensenrechten gebaseerd moet zijn op samenwerking tussen de overheid en de particuliere sector; verklaart in dit verband nogmaals dat Europese bedrijven passende maatregelen moeten treffen om ervoor te zorgen dat hun activiteiten in derde landen beantwoorden aan de mensenrechtennormen; bevestigt bovendien dat het voor de EU van belang is maatschappelijk verantwoord ondernemen te bevorderen, en dat Europese bedrijven het voortouw nemen in de bevordering van internationale normen inzake bedrijfsleven en mensenrechten; dringt er bovendien bij de EU op aan actief deel te nemen aan de 12e zitting van de werkgroep van de VN over de mensenrechtenproblematiek in het kader van transnationale ondernemingen en andere bedrijven, en steun te verlenen aan de inspanningen om het beleid van deze ondernemingen af te stemmen op de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen; pleit ervoor dat de EU en haar lidstaten deelnemen aan de discussie over een internationaal juridisch bindend instrument, in het kader van de VN, inzake bedrijfsleven en mensenrechten;

57.  is gezien het bovenstaande van mening dat de EDEO van de EU-delegaties moet eisen dat ze betrekkingen onderhouden met in derde landen werkzame Europese bedrijven om de eerbiediging van de mensenrechten in hun bedrijfsgerelateerde activiteiten te waarborgen; herhaalt bovendien zijn verzoek dat EU-delegaties de eerbiediging van de mensenrechten in bedrijfsvoering als prioriteit opnemen voor plaatselijke oproepen tot het indienen van voorstellen in het kader van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) en dat EU-delegaties alle nodige maatregelen nemen om mensenrechtenverdedigers te beschermen, in overeenstemming met de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers;

58.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om tegen het einde van 2015 verslag uit te brengen over de uitvoering van de VN-richtsnoeren inzake bedrijfsleven en mensenrechten(42) door de EU-lidstaten;

59.  roept op tot een gecoördineerde EU-actie tegen landroof door te ijveren voor afdoende veiligheidsmechanismen ter voorkoming van dit fenomeen in de betrokken landen en tussen EU- en andere Europese bedrijven die daar aanwezig zijn;

60.  roept de EU op om een proefproject te ontwikkelen inzake de ondeelbaarheid van de mensenrechten, problemen in verband met grondbezit (landroof en gedwongen uitzetting) en de samenhang van het EU-beleid in dit verband; verzoekt de EU met klem verslag uit te brengen over haar inspanningen om toetreding tot het Facultatief Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten in overweging te nemen, in overeenstemming met de verbintenis die is aangegaan in het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie 2015-2019;

Mensenrechten en ontwikkeling

61.  is van mening dat ontwikkelingssamenwerking en de bevordering van mensenrechten en democratische beginselen hand in hand moeten gaan; herinnert er in dit verband aan dat de VN hebben verklaard dat ontwikkelingsdoelstellingen zonder benadering op basis van de mensenrechten niet volledig bereikt kunnen worden; herinnert er ook aan dat de EU zich ertoe heeft verbonden partnerlanden te ondersteunen, rekening houdend met hun ontwikkelingssituatie en hun vooruitgang op het gebied van mensenrechten en democratie; spoort aan om in alle instrumenten duidelijk omschreven resultatenkaders op te nemen om de inclusie van gemarginaliseerde en kwetsbare groepen te waarborgen en een op mensenrechten gebaseerde aanpak te integreren;

62.  is ingenomen met het werkdocument van de diensten van de Commissie, getiteld "A rights-based approach, encompassing all human rights, including women's and girls' rights, for EU development cooperation" (Een op rechten gebaseerde benadering voor de EU-ontwikkelingssamenwerking, waarin alle mensenrechten besloten liggen, ook de rechten van vrouwen en meisjes), dat in april 2014 is gepubliceerd en door de Raad positief is onthaald; spoort de Commissie aan toezicht te houden op de uitvoering van de op rechten gebaseerde benadering en ervoor te zorgen dat mensenrechten en ontwikkelingssamenwerking elkaar in de praktijk versterken; verzoekt de Commissie om een transparante en openbare beoordeling van de tenuitvoerlegging van de EU‑toolbox voor een op rechten gebaseerde benadering; dringt er bij de EU op aan haar rol als voorvechter van de mensenrechten in de wereld te versterken door op doeltreffende, coherente en weloverwogen manier gebruik te maken van alle beschikbare instrumenten ter bevordering en bescherming van de mensenrechten en de verdedigers ervan, en door de doeltreffendheid van haar beleid inzake ontwikkelingshulp, in overeenstemming met de nieuwe duurzame-ontwikkelingsdoelstelling (SDG) 16;

63.  is ingenomen met de goedkeuring van de ambitieuze Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling op de speciale VN-top in New York, alsook met de leidende rol die de EU in dit proces heeft vervuld, met name met betrekking tot de opname van fundamentele EU-waarden zoals mensenrechten en goed bestuur; merkt in positieve zin op dat de nieuwe agenda duidelijk is verankerd in verbintenissen inzake mensenrechten en dat met de 17 doelstellingen en 169 streefdoelen wordt geprobeerd mensenrechten voor iedereen te verwezenlijken; deelt de onderliggende visie van dit document van een wereld die wordt gekenmerkt door de universele eerbiediging van de mensenrechten en de menselijke waardigheid, de rechtsstaat, het recht, gelijkheid en non-discriminatie, alsook door respect voor ras, etniciteit en culturele verscheidenheid, en door gelijke kansen die de volledige ontwikkeling van het menselijk potentieel mogelijk maken en bijdragen tot gedeelde welvaart; benadrukt dat het belangrijk is om de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, zijn toezichtmaatregelen en zijn toekomstige tenuitvoerlegging door alle belanghebbenden, met inbegrip van het maatschappelijk middenveld en de particuliere sector, te onderbouwen met een benadering waarin mensenrechten en gendergelijkheid centraal staan, naast het uitroeien van armoede, het verminderen van ongelijkheid en sociale uitsluiting en de democratisering van de economie;

64.  benadrukt het belang van beleidscoherentie voor ontwikkeling voor de verwezenlijking van de nieuwe agenda voor duurzame ontwikkeling; wijst erop dat de op mensenrechten gebaseerde benadering moet leiden tot een dieper inzicht in beleidscoherentie voor ontwikkeling, aangezien er geen vooruitgang kan worden geboekt op het gebied van duurzame ontwikkeling en de uitbanning van armoede als de obstakels voor de verwezenlijking van rechten niet worden weggewerkt;

65.  bevestigt nogmaals dat de wereldwijde last van armoedegerelateerde en verwaarloosde ziekten dringend moet worden aangepakt; verzoekt om de uitwerking van een ambitieuze politieke strategie op lange termijn en een overeenkomstig actieplan inzake wereldgezondheid, innovatie en toegang tot geneesmiddelen om onder meer te investeren in onderzoek en ontwikkeling, om zo het recht te waarborgen op een levensstandaard die hoog genoeg is om de gezondheid en het welzijn van elk individu te verzekeren, zonder onderscheid naar ras, godsdienst, politieke overtuiging, economische of sociale situatie, genderidentiteit of seksuele geaardheid;

66.  staat erop dat de actieagenda van Addis Abeba een engagement inhoudt om te voorzien in een universele "sociale beschermingsvloer" (een minimum aan sociale bescherming), universele gezondheidszorgstelsels en essentiële openbare diensten voor iedereen, waaronder gezondheidszorg en onderwijs;

67.  neemt met tevredenheid kennis van de richtsnoeren voor terrorismebestrijding, die door de EDEO en de Commissie zijn opgesteld en door de Raad zijn goedgekeurd om de eerbiediging van de mensenrechten te waarborgen bij het plannen en uitvoeren van projecten met derde landen inzake bijstand op het gebied van terrorismebestrijding; verzoekt de EDEO en de Commissie toe te zien op de daadwerkelijke uitvoering van de richtsnoeren, te beginnen met een brede verspreiding; herinnert er in dit verband aan dat de eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele vrijheden de basis vormt van een geslaagd beleid inzake terrorismebestrijding, met inbegrip van het gebruik van digitale bewakingstechnologieën; steunt de internationale pogingen om een eind te maken aan de door IS/Da'esh gepleegde schendingen van de mensenrechten;

Rechten van inheemse volkeren

68.  roept de EDEO, de Commissie en de lidstaten op de herziening van het mandaat van het deskundigenmechanisme inzake de rechten van inheemse volkeren te steunen, in overeenstemming met het slotdocument van de Wereldconferentie over inheemse volkeren (Resolutie 69/2 van de Algemene Vergadering van de VN(43)), met het oog op het toezicht op en de evaluatie en verbetering van de tenuitvoerlegging van de Verklaring inzake de rechten van inheemse volkeren; verzoekt de lidstaten erop aan te dringen dat alle houders van mandaten voor speciale VN-procedures bijzondere aandacht besteden aan problemen waarmee inheemse vrouwen en meisjes kampen, en hierover stelselmatig verslag uitbrengen aan de UNHRC; dringt er bij de EDEO en de lidstaten op aan de ontwikkeling van het op het hele bestel gerichte actieplan inzake inheemse volkeren actief te steunen, overeenkomstig het verzoek van de Algemene Vergadering van de VN in haar resolutie van september 2014, in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van regelmatige raadplegingen van inheemse volkeren als onderdeel van dit proces; betreurt het ten zeerste dat mensen met een geestesziekte in sommige gebieden in West-Afrika aan bomen in het woud vastgeketend worden of op straat worden achtergelaten, en dat dit algemeen voorkomende praktijken zijn die door de plaatselijke gemeenschappen worden goedgekeurd;

EU-actie op het vlak van migratie en vluchtelingen

69.  uit zijn diepe bezorgdheid over en verklaart zich solidair met het hoge aantal vluchtelingen en migranten dat ernstige schendingen van de mensenrechten ondergaat als slachtoffer van conflicten, vervolgingen, bestuurlijke tekortkomingen en netwerken voor illegale immigratie, mensenhandel, mensensmokkel, extremistische groeperingen en criminele bendes; spreekt ook zijn diepe leedwezen uit over het tragische verlies van levens onder de mensen die de grenzen van de EU proberen te bereiken;

70.  benadrukt dat de onderliggende oorzaken van de migratiestromen en dus de buitenlandse dimensie van de vluchtelingencrisis dringend aangepakt moeten worden, onder meer door duurzame oplossingen te vinden voor de conflicten in ons nabuurschap, door samenwerking en partnerschap met de betrokken derde landen uit te bouwen en via het buitenlands beleid van de EU; beklemtoont de behoefte aan een brede, op mensenrechten gebaseerde benadering van migratie en verzoekt de EU beter samen te werken met de VN, met inbegrip van de VN-organisaties, alsook met regionale organisaties, regeringen en ngo's om de onderliggende oorzaken van de migratiestromen aan te pakken en de situatie in vluchtelingenkampen in de buurt van conflictgebieden te verbeteren; herhaalt zijn verzoek aan de EU om ervoor te zorgen dat alle samenwerkings- en overnameovereenkomsten op het gebied van migratie met landen buiten de EU stroken met het internationaal recht; herinnert eraan dat een wereldwijde strategie inzake migratie nauw verbonden is met het humanitaire en ontwikkelingsbeleid, met inbegrip van de totstandbrenging van humanitaire corridors en de afgifte van humanitaire visa, alsook andere buitenlandse beleidsmaatregelen; neemt kennis van de operatie van de door de Europese Unie geleide zeemacht – Middellandse Zee (EUNAVFOR MED) tegen mensensmokkelaars en -handelaars in het Middellandse Zeegebied; benadrukt ook dat er op EU-niveau dringend sterkere beleidslijnen ontwikkeld moeten worden om dringende problemen met betrekking tot migranten en vluchtelingen aan te pakken en een doeltreffend, eerlijk en duurzaam mechanisme te vinden voor het verdelen van de lasten tussen de lidstaten; is ingenomen met de maatregelen die de Commissie op 9 september 2015 heeft voorgesteld om de vluchtelingencrisis aan te pakken, zoals de geplande herziening van de Dublinverordening;

71.  verzoekt de EU en de lidstaten de steun voor de strijd tegen de mensenhandel op te voeren middels externe beleidsmaatregelen en daarbij speciale aandacht te besteden aan de bescherming van slachtoffers, minderjarigen in het bijzonder; is ervan overtuigd dat de EU de samenwerking met derde landen en andere betrokken partijen moet versterken om beproefde methoden uit te wisselen en bij te dragen aan de ontmanteling van internationale netwerken voor mensenhandel; beklemtoont nogmaals dat alle lidstaten de EU-richtlijn inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan(44) en de strategie voor de uitroeiing van mensenhandel 2012-2016(45) ten uitvoer moeten leggen;

72.  wijst erop dat 17,5 miljoen mensen in 2014 ontheemd raakten ten gevolge van door klimaatproblemen veroorzaakte rampen; merkt op dat deze ontheemden vooral te vinden zijn in de gebieden in het zuiden, die het kwetsbaarst zijn voor de gevolgen van de klimaatverandering; wijst erop dat 85 % van die ontheemden zich in ontwikkelingslanden bevinden, voornamelijk binnen één land of binnen delen van landen; merkt op dat de EU-lidstaten in het kader van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen hebben toegezegd 0,7 % van het bbp toe te wijzen aan de financiering van ontwikkelingshulp;

73.  verzoekt de EU actief deel te nemen aan het debat over de term "klimaatvluchteling", met inbegrip van een mogelijke juridische definitie ervan in het internationaal recht of in wettelijk bindende internationale overeenkomsten;

74.  herhaalt zijn oproep voor een gemeenschappelijk standpunt van de EU inzake het gebruik van gewapende drones waarin de mensenrechten en het internationaal humanitair recht worden gehandhaafd, en waarin kwesties zoals het rechtskader, evenredigheid, verantwoording en de bescherming van burgers en transparantie aan bod komen; dringt er nogmaals bij de EU op aan om een verbod uit te vaardigen op de ontwikkeling, de productie en het gebruik van volledig autonome wapens waarmee aanvallen zonder menselijke tussenkomst kunnen worden uitgevoerd; dringt er bij de EU op aan zich te verzetten en een verbod uit te vaardigen tegen de praktijk van buitengerechtelijk en doelgericht doden en zich ertoe te verbinden passende maatregelen te treffen, overeenkomstig de binnenlandse en internationale wettelijke verplichtingen, wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat een individu of entiteit binnen haar rechtsgebied in verband zou kunnen worden gebracht met onwettig doelgericht doden in het buitenland;

Internationale culturele en sportevenementen en mensenrechten

75.  maakt er zich ernstige zorgen over dat een aantal grootschalige sportmanifestaties wordt georganiseerd door autoritaire staten waar mensenrechten en fundamentele vrijheden worden geschonden; benadrukt dat er behoefte is aan bewustmakingscampagnes om het grote publiek ervan te overtuigen dat er mensenrechtenbepalingen nodig zijn met betrekking tot sportevenementen, waarin het probleem van gedwongen prostitutie en mensenhandel wordt opgenomen; verzoekt de EU en haar lidstaten met klem in discussie te gaan met de UNHCR en andere multilaterale fora, alsook met nationale sportfederaties, het bedrijfsleven en organisaties uit het maatschappelijk middenveld om bij dergelijke evenementen een volledige naleving van de mensenrechten te waarborgen, onder meer door hiervan een criterium te maken om te bepalen aan wie grote internationale sportevenementen worden toegekend; houdt in dit verband de komende FIFA-wereldbeker in Rusland in 2018 en in Qatar in 2022 en de Olympische Spelen in Peking in 2022 in het oog;

EU-actie in multilaterale organisaties

76.  spreekt nogmaals zijn volledige steun uit voor de sterke inzet van de EU bij het ijveren voor de bevordering van mensenrechten en democratische beginselen door samen te werken met de structuren van de Verenigde Naties en de gespecialiseerde VN-organisaties, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), overeenkomstig de artikelen 21 en 220 VEU; is daarom verheugd over de aanneming van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen;

77.  herhaalt bovendien hoe belangrijk het is dat de EU actief en consequent deelneemt aan alle mensenrechtenmechanismen van de VN, met name de Derde Commissie van de Algemene Vergadering en de VN-Mensenrechtenraad; erkent de inspanningen van de EDEO, de EU-delegaties in New York en Genève en de lidstaten om de samenhang van het EU-optreden inzake mensenrechtenkwesties op VN-niveau te vergroten; spoort de EU aan de inspanningen op te voeren om haar stem te laten horen, onder meer door de toenemende praktijk van regio-overschrijdende initiatieven te versterken en door steun te verlenen aan en het initiatief te nemen voor resoluties;

78.  herinnert aan het belang van de instandhouding van de geïnstitutionaliseerde praktijk om een parlementaire delegatie naar de Algemene Vergadering van de VN te sturen; is blij dat de praktijk in 2015 weer opgenomen is, tijdens de 28e zitting van de Mensenrechtenraad;

79.  benadrukt dat alle leden van de Mensenrechtenraad, met het oog op de geloofwaardigheid en legitimiteit van dit VN-orgaan, de hoogste mensenrechtennormen moeten hanteren en hun toezeggingen op het gebied van de mensenrechten moeten nakomen; is van mening dat de mensenrechten in alle internationale fora bevorderd, ontwikkeld en geconsolideerd moeten worden; verzoekt de Commissie in het openbaar verslag uit te brengen over alle activiteiten en acties die zij heeft ondernomen om schot te brengen in de mensenrechtenagenda en om op het gebied van mensenrechten meer verantwoording en aansprakelijkheid te eisen van internationale organisaties als de WHO en de Wereldbank (IBRD (Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling), IFC (Internationale Financieringsmaatschappij), MIGA(Multilateraal Agentschap voor Investeringsgaranties));

80.  bevestigt nogmaals zich sterk te zullen inzetten om een einde maken aan de straffeloosheid van de zwaarste misdaden die de internationale gemeenschap aanbelangen, en om ervoor te zorgen dat de slachtoffers van oorlogsmisdaden, van misdaden tegen de menselijkheid en volkerenmoord aanspraak kunnen maken op gerechtigheid, en spreekt daarom nogmaals zijn grote steun uit voor het Internationaal Strafhof (ICC); vindt het betreurenswaardig dat in 2014 geen enkel land het Statuut van Rome heeft geratificeerd; benadrukt de verantwoordelijkheid om een einde te maken aan straffeloosheid en om gerechtelijke vervolging in te stellen tegen de verantwoordelijken van genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden, met inbegrip van misdaden met seksueel geweld; uit er zijn diepe bezorgdheid over dat meerdere aanhoudingsbevelen nog niet zijn uitgevoerd; dringt er bij de EU op aan krachtige diplomatieke en politieke steun te blijven geven om de betrekkingen tussen het ICC en de VN te versterken en uit te breiden, met name in de VN Veiligheidsraad, alsook in haar bilaterale betrekkingen en in alle andere fora; dringt er bij de EU, met inbegrip van haar delegaties, en de lidstaten op aan meer inspanningen te leveren ter bevordering van de universaliteit van het Statuut van Rome en de ratificatie en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van dit document; verzoekt de EU-lidstaten om het ICC te voorzien van de benodigde middelen en om hun steun aan het internationaal strafrechtelijk systeem verder op te trekken, onder meer door financiële steun te verlenen aan organisaties uit het maatschappelijk middenveld, bijvoorbeeld via het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR); dringt aan op de tenuitvoerlegging van de EU-toolkit uit 2013 betreffende de complementariteit tussen de internationale en de nationale rechtsbedeling;

81.  verzoekt de EU en haar lidstaten het ICC en de behoefte aan handhaving van zijn besluiten in alle soorten dialogen met derde landen actief te steunen;

Eerbiediging van de mensenrechten wereldwijd verbeteren

Vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst of overtuiging

82.  herinnert eraan dat vrijheid van denken, geweten, godsdienst en overtuiging een fundamenteel mensenrecht is, zoals erkend is in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en gewaarborgd is door artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van de VN; herinnert er evenzeer aan dat dit recht nauw samenhangt met andere mensenrechten en fundamentele vrijheden, bestaande uit het recht om te geloven of niet te geloven, de vrijheid om een theïstisch, niet-theïstisch of atheïstisch geloof te belijden en het recht om een geloof naar keuze aan te nemen, te wijzigen en ervan afstand te doen of het opnieuw aan te nemen; uit zijn bezorgdheid over het feit dat een aantal landen nog steeds verzuimt zich neer te leggen bij de VN-normen en zijn toevlucht neemt tot staatsrepressie, waaronder mogelijk lijfstraffen, gevangenisstraffen, buitensporige boetes en zelfs de doodstraf, in strijd met de vrijheid van godsdienst of overtuiging; maakt zich zorgen over de toegenomen vervolging van religieuze of levensbeschouwelijke minderheidsgroepen, waaronder christelijke gemeenschappen, alsook over onrechtmatige schade aan de plaatsen waar ze samenkomen;

83.  verzoekt de EU en haar lidstaten meer inspanningen te leveren om bij te dragen aan de uitbanning van alle vormen van religieuze discriminatie en de interreligieuze dialoog te bevorderen wanneer ze met derde landen samenwerken; vraagt om concrete acties ter bescherming van religieuze minderheden, niet-gelovigen, geloofsafvalligen en atheïsten die het slachtoffer zijn van wetgeving inzake godslastering, en verzoekt de EU en de lidstaten zich in te zetten voor de afschaffing van dergelijke wetten; is ingenomen met het engagement van de EU om in internationale fora te ijveren voor de vrijheid van godsdienst of overtuiging, onder meer door het mandaat van de speciale VN-rapporteur voor vrijheid van godsdienst en overtuiging te steunen; geeft zijn volledige steun aan de werkwijze van de EU om in de Mensenrechtenraad en op de Algemene Vergadering van de VN het initiatief te nemen voor thematische resoluties over dit thema; vraagt concrete actie en maatregelen om de EU-richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging daadwerkelijk ten uitvoer te leggen en te verbeteren; is van oordeel dat er op zowel internationale als regionale fora actie ondernomen moet worden door een open, transparante en regelmatige dialoog in stand te houden met kerkgenootschappen en religieuze gemeenschappen, in toepassing van artikel 14 VWEU, onder meer via EU-delegaties; vestigt evenzeer de aandacht op de noodzaak om voor een stelselmatige en consequente opleiding van EU-personeel in de hoofdkantoren en delegaties te zorgen;

EU-actie tegen de doodstraf

84.  is ingenomen met de gezamenlijke verklaring van oktober 2014 van de VV/HV en de secretaris-generaal van de Raad van Europa(46) waarin nogmaals met klem bevestigd wordt dat ze de doodstraf radicaal veroordelen, in alle gevallen en in alle omstandigheden; blijft bij zijn standpunt dat de wereldwijde afschaffing van de doodstraf een van de centrale EU-doelstellingen met betrekking tot de mensenrechten moet zijn; wijst erop dat bij de ondersteuning van het handhavingsbeleid inzake drugs in derde landen gestreefd moet worden naar de afschaffing van de doodstraf voor drugsgerelateerde misdrijven; verzoekt de EU en de lidstaten om zich in het kader van het 6e Wereldcongres tegen de doodstraf, dat in juni 2016 zal plaatsvinden in Oslo, Noorwegen, in ondubbelzinnige bewoordingen uit te spreken tegen de doodstraf, zich nog meer in te zetten voor de afschaffing van de doodstraf en steun te geven aan bewustmakingscampagnes over dit onderwerp;

85.  uit zijn bezorgdheid over het toenemende aantal doodvonnissen en terechtstellingen in de hele wereld; betreurt het ten zeerste dat de doodstraf in sommige derde landen nog steeds is opgenomen in de wetgeving; vindt het betreurenswaardig dat Belarus na een onderbreking van twee jaar opnieuw terechtstellingen uitvoert; herhaalt daarom zijn oproep aan Belarus om een moratorium op de doodstraf in te stellen dat uiteindelijk moet leiden tot de afschaffing ervan; merkt op dat in acht landen de doodstraf voor homoseksualiteit in de wetgeving is opgenomen;

86.  dringt er bij de EDEO, de Commissie en de lidstaten op aan richtsnoeren op te stellen voor een uitgebreid en doeltreffend Europees beleid inzake de doodstraf, aangezien tientallen Europese burgers een terechtstelling te wachten staat in derde landen, en hierin krachtige en versterkte mechanismen voor identificatie, verlening van rechtsbijstand en diplomatieke vertegenwoordiging op te nemen;

87.  verzoekt de EU om betrekkingen te blijven onderhouden met landen waar de doodstraf nog bestaat, en daarbij gebruik te maken van alle diplomatieke middelen en samenwerkingsinstrumenten om de afschaffing van de doodstraf te bekomen; herhaalt bovendien zijn verzoek aan de EU om te blijven toezien op de omstandigheden waarin terechtstellingen worden uitgevoerd in de landen waar de doodstraf nog steeds wordt toegepast;

Strijd tegen foltering en mishandeling

88.  meent dat de EU, naar aanleiding van het dertigjarig bestaan van het VN-Verdrag tegen foltering en gelet op het feit dat foltering en mishandeling wereldwijd blijven voortbestaan, haar inspanningen moet opvoeren om deze zware schendingen van de mensenrechten uit te bannen; benadrukt dat leden van kwetsbare groepen zoals kinderen en vrouwen of etnische, taalkundige of religieuze minderheden vaker worden blootgesteld aan foltering of mishandeling in hechtenis, en daarom speciale aandacht vereisen; vraagt de EDEO en de VV/HV daarom met klem om nadrukkelijker de strijd aan te gaan met foltering en andere wrede, onmenselijke en vernederende behandelingen of straffen, via geïntensiveerde diplomatieke actie en een meer systematische openbare stellingname waarin de waarden en beginselen waartoe de EU zich heeft verbonden worden uitgedrukt; pleit ervoor dat de EDEO, de EU-delegaties en de lidstaten ten volle gebruikmaken van alle bestaande instrumenten, zoals de EU-richtsnoeren inzake foltering(47); pleit in dit verband voor een voortdurende verbetering van de controlemechanismen voor de uitvoer van geneesmiddelen die gebruikt kunnen worden voor terechtstellingen of foltering, door er een gerichte clausule met betrekking tot de eindbestemming in op te nemen waarmee de overdracht van veiligheidsgerelateerde voorwerpen die duidelijk geen ander praktisch doel dienen dan de voltrekking van de doodstraf of foltering opgeschort of tegengehouden kan worden;

89.  benadrukt dat er landen zijn die hebben nagelaten maatregelen te treffen om te voorzien in de dringende behoefte aan volledig gefinancierde plannen voor de verbetering van de omstandigheden in gevangenissen; merkt op dat er bijzonder weinig vooruitgang is geboekt bij de inspanningen om ervoor te zorgen dat strafinrichtingen de internationale mensenrechtennormen naleven en dat de rechten van gevangenen op leven, fysieke integriteit en waardigheid worden beschermd; benadrukt dat de omstandigheden in gevangenissen verbeterd moeten worden om de mensenrechten te eerbiedigen, en dat gedetineerden geen inhumane of vernederende behandelingen of straffen mogen ondergaan;

Discriminatie

90.  benadrukt dat geen enkele vorm van discriminatie, geweld, vergeldingsstraffen, foltering, seksueel misbruik van vrouwen en meisjes, genitale verminking, kindhuwelijken, gedwongen huwelijken, vrouwenhandel, discriminatie of sociale uitsluiting op basis van sociale klasse of afkomst, of huiselijk geweld ooit te rechtvaardigen valt op grond van maatschappelijke, religieuze of culturele overtuigingen of tradities;

91.  veroordeelt alle vormen van discriminatie in de meest krachtige bewoordingen, met inbegrip van discriminatie op grond van ras, kleur, geslacht, seksuele geaardheid, genderidentiteit, taal, cultuur, godsdienst of overtuiging, sociale afkomst, kaste, geboorte, leeftijd, handicap of gelijk welke andere status; dringt er bij de EU op aan haar inspanningen op te voeren om alle vormen van discriminatie, racisme en xenofobie uit te bannen via mensenrechtendialogen en politieke dialogen, het werk van de EU-delegaties en open diplomatie; dringt er bij de EU voorts op aan te blijven ijveren voor de ratificatie en volledige uitvoering van alle VN-Verdragen die dit doel dienen, zoals het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie of het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap;

LGBTI-rechten

92.  is van mening dat de EU zich moet blijven inspannen voor een betere eerbiediging van de rechten van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LGBTI's), in overeenstemming met de EU-richtsnoeren ter zake(48); pleit voor de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren, onder meer via de opleiding van EU-personeel in derde landen; betreurt dat er nog steeds 75 landen zijn waarin homoseksualiteit gecriminaliseerd wordt, waaronder acht landen die hiervoor de doodstraf uitspreken, en is van mening dat gewelddadige praktijken en handelingen tegen individuen op basis van hun seksuele geaardheid niet onbestraft mogen blijven; spreekt zijn steun uit voor de niet-aflatende werkzaamheden van de hoge commissaris van de VN voor de mensenrechten ter bestrijding van deze discriminerende wetten, alsook voor het werk van andere VN-organisaties; maakt zich zorgen over de inperking van de fundamentele vrijheden van verdedigers van de mensenrechten van LGBTI's en roept de EU op hen meer steun te betuigen; merkt op dat LGBTI's meer kans maken om geëerbiedigd te worden in hun grondrechten indien zij toegang hebben tot wettelijke instituties, mogelijk via geregistreerd partnerschap of huwelijk;

93.  benadrukt dat minderheidsgroepen in derde landen specifieke behoeften hebben en dat geijverd moet worden voor hun volledige gelijkwaardigheid op alle gebieden van het economische, sociale, politieke en culturele leven;

Discriminatie op grond van kaste

94.  neemt met grote bezorgdheid kennis van de schaal en de gevolgen van discriminatie op grond van kaste en van het blijvend bestaan van mensenrechtenschendingen op grond van kaste, met inbegrip van toegangsweigering tot het gerechtelijk apparaat of werkgelegenheid, aanhoudende segregatie, armoede en stigmatisering; dringt aan op de vaststelling van een EU-instrument ter preventie en uitbanning van discriminatie op grond van kaste; pleit ervoor dat dit thema geïntegreerd wordt in de richtsnoeren en actieplannen van de EDEO en de Commissie, met name in het kader van de strijd van de EU tegen alle vormen van discriminatie en haar inspanningen ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes en alle vormen van discriminatie jegens hen;

Rechten van personen met een handicap

95.  is ingenomen met de ratificatie van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; wijst nogmaals op het belang van een daadwerkelijke tenuitvoerlegging door zowel de lidstaten als de EU-instellingen; benadrukt in het bijzonder dat het beginsel van universele toegankelijkheid en het geheel van rechten van personen met een handicap op geloofwaardige wijze in alle relevante EU-beleidsdomeinen moeten worden geïntegreerd, met inbegrip van ontwikkelingssamenwerking, en onderstreept daarbij het prescriptieve en horizontale karakter van dit thema;

96.  moedigt de VV/HV aan om steun te blijven verlenen aan het ratificerings- en uitvoeringsproces van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap in landen die dit verdrag nog niet hebben geratificeerd of ten uitvoer hebben gelegd;

97.  benadrukt dat de internationale gemeenschap de situatie van vrouwen met een handicap als een prioriteit heeft aangemerkt; brengt de conclusies van het Bureau van de hoge commissaris van de VN voor de mensenrechten in herinnering, waarin werd verklaard dat beleidsmaatregelen en programma's ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes met een handicap moeten worden opgesteld in nauwe samenwerking met personen met een handicap zelf, met erkenning van hun autonomie, en met organisaties voor gehandicapten; beklemtoont dat er systematisch toezicht op instellingen en een adequate opleiding voor zorgverleners nodig is; dringt erop aan dat de EU de bestrijding van discriminatie op grond van handicap tot vast onderdeel maakt van haar externe beleid en ontwikkelingssamenwerking, met inbegrip van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR);

Rechten van vrouwen en meisjes

98.  herinnert eraan dat de Sacharovprijs in 2014 is uitgereikt aan dr. Denis Mukwege wegens zijn grote inzet voor slachtoffers van seksueel geweld en zijn niet-aflatende steun voor de vrouwenrechten, wat het publiek ervan bewust heeft gemaakt dat geweld en seksuele verminking van vrouwen, meisjes en kinderen ingezet worden als oorlogsmiddel; veroordeelt alle vormen van misbruik en geweld tegen vrouwen, meisjes en kinderen ten stelligste, in het bijzonder het inzetten van seksueel geweld als oorlogswapen, alsook genitale verminking, kindhuwelijken, huwelijk op jonge leeftijd en gedwongen huwelijk, seksuele slavernij, verkrachting binnen het huwelijk en andere vormen van schadelijke traditionele gebruiken; benadrukt dat vrouwen, meisjes en kinderen die misbruikt zijn in conflictsituaties toegang moeten hebben tot gezondheids- en psychologische zorg, in overeenstemming met het internationaal recht; neemt in dit verband kennis van de brief van de VV/HV met betrekking tot het beleid inzake humanitaire hulp, waarin met name sprake is van het voorkomen van seksueel geweld en het verlenen van passende steun en toegang tot gezondheids- en psychologische zorg in geval van verkrachting in conflictsituaties; verzoekt de lidstaten van de Raad van Europa het Verdrag van Istanbul inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld te ondertekenen en te ratificeren;

99.  benadrukt dat de EDEO optimale werkmethoden moet uitwisselen om de gebrekkige toegang tot de rechter van slachtoffers van met seksueel geweld verbonden misdrijven te verbeteren; veroordeelt ten stelligste dat vrouwen in derde landen gebrekkige toegang hebben tot de rechter, met name wanneer zij het slachtoffer zijn van gendergerelateerd geweld; verzoekt de Commissie een actieve rol te spelen bij de vervolging van dergelijke misdrijven in derde landen en, in sommige gevallen, door lidstaten; verzoekt de Commissie met de EDEO samen te werken om de bestaande steun aan slachtoffers te verbeteren, maatregelen tegen gendergeweld op te nemen in het humanitaire optreden van de EU en bij dit optreden prioriteit te geven aan acties die gericht zijn tegen gendergerelateerd geweld en seksueel geweld in gewapende conflicten; is ingenomen met de toezeggingen van de EU met betrekking tot een follow-up van de wereldtop voor de beëindiging van seksueel geweld in gewapende conflicten van juni 2014 in Londen en verzoekt de Commissie daarom concrete maatregelen te treffen;

100.  betreurt het gebrek aan preventiebeleid met betrekking tot gendergerelateerd geweld en het gebrek aan slachtofferhulp, alsook de hoge mate van straffeloosheid voor de daders in een groot aantal landen; verzoekt de EDEO optimale werkmethoden uit te wisselen met derde landen over wetgevingsprocedures en opleidingsprogramma's voor de politie, justitieel personeel en ambtenaren; spoort de EU ertoe aan steun te verlenen aan organisaties uit het maatschappelijk middenveld die zich inzetten voor de mensenrechten en gendergelijkheid in derde landen, en nauw samen te werken met internationale organisaties die actief zijn op het gebied van gendergelijkheid, zoals de IAO, de OESO, de VN en de Afrikaanse Unie, om synergieën tot stand te brengen en de positie van vrouwen te versterken;

101.  is ernstig bezorgd over de toename van gendergerelateerd geweld in vele delen van de wereld en over het stijgend aantal vrouwenmoorden (feminicide) in Latijns-Amerika, in een context van alomtegenwoordig geweld en structurele discriminatie; veroordeelt alle vormen van gendergerelateerd geweld en het afschuwelijke misdrijf van feminicide ten stelligste, evenals de voor dergelijke misdrijven heersende straffeloosheid, die nog meer dood en geweld in de hand kan werken;

102.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over mogelijke mensenrechtenschendingen ten aanzien van vrouwen en meisjes in vluchtelingenkampen in het Midden-Oosten en Afrika, waar onder meer gevallen van seksueel geweld tegen en ongelijke behandeling van vrouwen en meisjes worden gemeld; verzoekt de EDEO aan te dringen op strengere regels en optimale werkmethoden in derde landen om een eind te maken aan de ongelijke behandeling van vluchtelingen, ongeacht hun geslacht;

103.  betreurt het dat de helft van de wereldbevolking geconfronteerd wordt met loondiscriminatie en dat vrouwen wereldwijd 60 à 90 % van het gemiddelde inkomen van mannen verdienen;

104.  verzoekt de Commissie, de EDEO en de VV/HV te blijven ijveren voor de politieke en economische versterking van de positie van vrouwen en meisjes door gendergelijkheid te integreren in al hun buitenlandse beleidslijnen en programma's, onder meer door gestructureerde dialogen te voeren met derde landen, door gendergerelateerde kwesties in het openbaar te bespreken en door hiertoe voldoende middelen uit te trekken; neemt met genoegen kennis van het nieuwe kader voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen voor 2016-2020(49); benadrukt dat de aandacht naar de horizontale pijler moet gaan, die erop gericht is de Commissie en de EDEO in staat te stellen betere resultaten te bereiken op het vlak van de EU-verbintenissen ter verbetering van de rechten van vrouwen en meisjes door middel van de externe betrekkingen;

105.  betreurt het gebrek aan gendergelijkheid in het domein van de politiek; herinnert eraan dat vrouwen en mannen gelijkwaardig zijn en dezelfde politieke rechten en burgerlijke vrijheden moeten genieten en betreurt evenzeer dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in de economische, sociale en politieke besluitvorming; benadrukt dat er doeltreffende beschermingsmechanismen moeten komen voor vrouwelijke mensenrechtenverdedigers; is voorstander van de invoering van een quotaregeling ter bevordering van de participatie van vrouwen in politieke organen en het democratisch proces, met name als kandidaten;

106.  verzoekt de EU zich te blijven inzetten voor een economisch, sociaal en politiek sterkere positie van vrouwen als middel om ervoor te zorgen dat ze hun rechten en fundamentele vrijheden daadwerkelijk kunnen genieten, en het grootste belang te hechten aan de toegang tot hoogwaardig onderwijs voor meisjes, met inbegrip van meisjes uit de armste en meest gemarginaliseerde gemeenschappen; dringt aan op steun voor beroepsonderwijs voor vrouwen, op een grotere deelname aan beroepsopleidingen op het domein van wetenschap en technologie, op de ontwikkeling van opleidingsprogramma's op het gebied van gendergelijkheid voor onderwijsprofessionals in derde landen en op maatregelen om te voorkomen dat stereotypen via onderwijsmateriaal worden doorgegeven; roept de EU ertoe op in al haar diplomatieke, handels- en ontwikkelingssamenwerkingsactiviteiten rekening te houden met deze prioriteit;

107.  benadrukt dat meisjes in vluchtelingenkampen, conflictgebieden en gebieden die worden getroffen door extreme armoede en extreme milieuomstandigheden zoals droogte en overstromingen onderwijs moeten blijven krijgen;

108.  spoort de EU aan steun voor vrouwen en meisjes te blijven integreren in GVDB-operaties en de VN-architectuur voor vredesopbouw, en te blijven streven naar de tenuitvoerlegging en versterking van Resolutie 1325 (2000)(50) en Resolutie 1820 (2008)(51) van de VN-Veiligheidsraad inzake vrouwen, vrede en veiligheid; verzoekt de EU in dit verband om op internationaal niveau te ijveren voor de erkenning van de toegevoegde waarde van de deelname van vrouwen aan de preventie en oplossing van conflicten, alsook aan vredeshandhaving, humanitaire hulpverlening, wederopbouw in de nasleep van conflicten en democratische overgangsprocessen die tot blijvende en stabiele politieke oplossingen leiden; benadrukt evenzeer hoe belangrijk het is het volledige gamma aan mensenrechten voor vrouwen te waarborgen en bij te dragen aan de versterking van hun positie, onder meer in het kader van de agenda voor de periode na 2015 en via ondersteuning van het actieprogramma van Peking en het Verdrag van Istanbul; is verheugd over de EU-steun voor VN-resoluties met betrekking tot de genderproblematiek, in het bijzonder wat de rol van de vrijheid van mening en meningsuiting betreft bij het versterken van de positie van de vrouw; neemt met genoegen kennis van de conclusies van de 59e zitting van de VN-Commissie voor de Status van de Vrouw(52);

109.  verzoekt de Commissie om concrete acties ter verbetering van de deelname van vrouwen aan verkiezingen stelselmatig op te nemen in alle EU-verkiezingswaarnemingsmissies, overeenkomstig de desbetreffende EU-richtsnoeren, daarbij rekening te houden met de conclusies van de studiebijeenkomst van hooggeplaatste verkiezingsdeskundigen die in april 2014 te Brussel werd gehouden, en lering te trekken uit de ervaringen die tijdens eerdere missies zijn opgedaan;

110.  is ingenomen met de inspanningen van de EDEO in derde landen om meer vaart zetten achter de tenuitvoerlegging van de verplichtingen en toezeggingen op het vlak van vrouwenrechten in het kader van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW), het actieprogramma van Peking, de verklaring van Caïro inzake bevolking en ontwikkeling in de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015;

111.  benadrukt hoe belangrijk het is dat er geen afbreuk wordt gedaan aan het "acquis" van het actieprogramma van Peking betreffende de toegang tot onderwijs en gezondheidszorg als een fundamenteel mensenrecht en de bescherming van seksuele en reproductieve rechten; onderstreept dat de universele eerbiediging van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, en de toegang tot de desbetreffende dienstverlening de zuigelingen- en moedersterfte helpen terugdringen; wijst erop dat gezinsplanning, de gezondheid van moeders en een gemakkelijke toegang tot anticonceptie en veilige abortus belangrijke factoren zijn om vrouwenlevens te redden en om vrouwen te helpen hun leven weer op te pakken als ze het slachtoffer zijn geweest van verkrachting; beklemtoont dat deze beleidsmaatregelen centraal moeten staan in de ontwikkelingssamenwerking met derde landen;

112.  is van mening dat huwelijken op minderjarige leeftijd een schending van de fundamentele mensenrechten vormen en het leven van de betrokken meisjes op alle vlakken beïnvloeden, omdat hun onderwijs in het gedrang komt, waardoor ook hun vooruitzichten worden ingeperkt, omdat hun gezondheid in gevaar wordt gebracht en omdat zij meer risico lopen het slachtoffer te worden van geweld en misbruik;

113.  stelt met grote bezorgdheid vast dat de postorderbruidindustrie sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw alarmerend snel is gegroeid; stelt met bezorgdheid vast dat er een aantal gedocumenteerde gevallen bestaat van vrouwen die aangevallen en/of vermoord zijn nadat zij als postorderbruid met een man getrouwd waren; betreurt dat er een groot aantal minderjarige meisjes op postorderwebsites te zien is en benadrukt dat, als kinderen voor seksuele doeleinden worden gebruikt, dit als kindermisbruik moet worden beschouwd;

114.  veroordeelt de praktijk van draagmoederschap, die de waardigheid van de vrouw ondermijnt aangezien haar lichaam en voortplantingsfuncties worden gebruikt als een handelsartikel; is van mening dat de praktijk van draagmoederschap, die neerkomt op reproductieve uitbuiting en gebruik van het menselijk lichaam voor financiële of andersoortige winst, met name als het gaat om kwetsbare vrouwen in ontwikkelingslanden, moet worden verboden en met spoed moet worden behandeld in de mensenrechteninstrumenten;

Rechten van het kind

115.  bevestigt nogmaals de dringende behoefte aan een universele ratificatie en daadwerkelijke uitvoering van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind en de bijhorende facultatieve protocollen; roept alle staten op zich ertoe te verbinden de ergste vormen van kinderarbeid, zoals gedefinieerd in artikel 3 van IAO-verdrag nr. 182, uit te bannen, waaronder kinderslavernij, kinderhandel, kinderprostitutie en gevaarlijk werk dat de lichamelijke en geestelijke gezondheid van het kind schaadt;

116.  is ingenomen met de in december 2014 aangenomen conclusies van de Raad over de bevordering en bescherming van de rechten van het kind(53), en dringt er bij de EU op aan partnerlanden te blijven steunen in hun strijd tegen alle vormen van geweld ten aanzien van kinderen, met inbegrip van seksuele uitbuiting, en hun vermogen om de kinderrechten beter te kunnen beschermen te helpen vergroten; is verheugd over de wereldwijde lancering van de toolkit voor de rechten van het kind van de EU en UNICEF in 2014(54); neemt kennis van de verklaring van mei 2014 van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa over de rechten van interseksuele kinderen;

117.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een voorstel in te dienen met een uitgebreide strategie en een actieplan voor de rechten van het kind voor de komende vijf jaar, teneinde in het buitenlands beleid van de EU voorrang te geven aan kinderrechten, als ondersteuning bij de inspanningen van de EU om hun rechten te bevorderen, met name door er mee voor te zorgen dat kinderen toegang hebben tot water, sanitaire voorzieningen, gezondheidszorg en onderwijs, door voor de rehabilitatie en re-integratie te zorgen van kinderen die in dienst zijn bij gewapende groeperingen, door kinderarbeid, foltering, het probleem van kinderen die van hekserij worden beschuldigd, kinderhandel, kindhuwelijken en seksuele uitbuiting uit te roeien, alsook door kinderen bijstand te bieden in gewapende conflicten en te waarborgen dat ze in conflictgebieden en vluchtelingenkampen toegang krijgen tot onderwijs; verzoekt de VV/HV jaarlijks verslag uit te brengen aan het Parlement over de resultaten die bereikt zijn met betrekking tot op het kind gerichte externe maatregelen van de EU; prijst de campagne "Kinderen, geen soldaten" en verzoekt de EU en de lidstaten met klem om hun steun hiervoor meer kracht bij te zetten, teneinde de doelstelling te behalen om tegen eind 2016 een einde te maken aan de praktijk van gewapende regeringstroepen om kinderen te rekruteren voor en in te zetten in conflicten;

118.  is verheugd over de samenwerking van de EU met UNICEF, die heeft geleid tot een toolkit voor het integreren van de rechten van het kind in ontwikkelingssamenwerking en in de ondersteuning van de belangrijkste millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en kinderbeschermingsprogramma's voor het verwezenlijken van de rechten van het kind, met name in kwetsbare situaties, alsook over de samenwerking met de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA);

119.  is ingenomen met de actieve samenwerking tussen de EU en verscheidene speciale rapporteurs van de VN die zich bezighouden met economische, sociale en culturele rechten, waaronder de speciale rapporteur voor het mensenrecht op veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen, de speciale rapporteur voor het recht op onderwijs, de speciale rapporteur voor het recht op voedsel, de speciale rapporteur voor extreme armoede en mensenrechten, en de speciale rapporteur voor behoorlijke huisvesting; stelt met voldoening vast dat de bevordering van de economische, sociale en culturele rechten is versterkt in het indicatief meerjarenprogramma 2014-2017 van het EIDHR, dat onder meer als doel heeft bij te dragen aan de versterking van vakbonden, aan een verhoogde aandacht voor loonkwesties, aan de bescherming van landschappen, aan de bevordering van sociale integratie door economische emancipatie en aan de vermindering van economische discriminatie en geweld op de werkplek;

Versterking van de democratie wereldwijd

120.  benadrukt dat de EU zich ertoe heeft verbonden de eerbiediging van mensenrechten en democratische waarden te handhaven en te bevorderen in haar betrekkingen met de rest van de wereld; herinnert eraan dat democratische regimes niet alleen gekenmerkt worden door vrije en eerlijke verkiezingsprocessen, maar onder meer ook door de vrijheid van meningsuiting, pers en vereniging, de rechtsstaat en verantwoordingsplicht, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en onpartijdig bestuur; benadrukt dat democratie en mensenrechten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en elkaar versterken, zoals is uiteengezet in de conclusies van de Raad van 18 november 2009 over de ondersteuning van de democratie in de externe betrekkingen van de EU; stelt met tevredenheid vast dat in het nieuwe actieplan inzake mensenrechten en democratie meer aandacht wordt besteed aan activiteiten ter ondersteuning van de democratie;

Verdediging van de vrijheid van meningsuiting en versterking van het maatschappelijk middenveld

121.  wijst er nogmaals op dat de vrijheid van meningsuiting een essentieel onderdeel vormt van alle democratische samenlevingen, aangezien ze een cultuur van pluralisme bevordert die de positie van het maatschappelijk middenveld en de burgers versterkt om hun regeringen en beleidsmakers ter verantwoording te roepen, en de eerbiediging van de rechtsstaat ondersteunt; dringt er daarom bij de EU op aan zich harder in te spannen om de vrijheid van meningsuiting via haar buitenlandse beleidslijnen en instrumenten te bevorderen;

122.  verzoekt de EU en haar lidstaten nogmaals beter toezicht te houden op alle vormen van beknotting van de vrijheid van meningsuiting en de media in derde landen, en dergelijke beperkingen snel en stelselmatig te veroordelen, zelfs wanneer ze worden opgelegd met legitieme doeleinden, zoals terrorismebestrijding, staatsveiligheid of ordehandhaving; benadrukt hoe belangrijk het is de daadwerkelijke uitvoering van de EU-richtsnoeren inzake vrijheid van meningsuiting online en offline te verzekeren en de effecten regelmatig na te gaan; herinnert aan het doel van de EU om voor iedereen een niet-discriminerende toegang tot informatie en vrijheid van meningsuiting te waarborgen en te beschermen, zowel online als offline;

123.  is van mening dat de informatie- en communicatietechnologie (ICT) kansen biedt voor het versterken van de mensenrechten, van democratische praktijken en van sociale en economische ontwikkeling indien informatie zo toegankelijk mogelijk wordt gemaakt; benadrukt bovendien dat ICT bijdraagt aan de inspanningen van organisaties uit het maatschappelijk middenveld, met name in ondemocratische regimes; uit zijn bezorgdheid over het gebruik van ICT door een aantal autoritaire regimes, dat een steeds grotere bedreiging vormt voor mensenrechten- en democratieactivisten; beklemtoont dat er meer steun nodig is voor het bevorderen van vrijheid van de media, het beschermen van onafhankelijke journalisten en bloggers, het dichten van de digitale kloof en het vergemakkelijken van de onbeperkte toegang tot informatie; verzoekt de Commissie om bijzondere aandacht te besteden aan het mensenrechtenaspect van goederen voor tweeërlei gebruik in het kader van de herziening van het EU-controlesysteem voor uitvoer;

EU-steun voor verdedigers van de mensenrechten

124.  betreurt dat het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van mensenrechtenverdedigers, wereldwijd steeds meer onder vuur ligt; maakt er zich ernstige zorgen over dat een toenemend aantal landen, zoals Rusland en enkele Centraal-Aziatische landen, keiharde wetten aanneemt die het mogelijk maken het werk van ngo's te onderdrukken door hun toegang tot buitenlandse fondsen te beperken, zware rapporteringsvoorschriften in te voeren en bij niet-naleving van de regels zware straffen op te leggen; brengt in herinnering dat het recht op vrijheid van vergadering en vereniging een wezenlijk kenmerk is van een democratische, open en tolerante samenleving; dringt aan op hernieuwde inspanningen om de beperkingen en intimidatie tegen te gaan waarmee personen die voor organisaties uit het maatschappelijk middenveld werken wereldwijd geconfronteerd worden, en verzoekt de EU met klem een voorbeeld te stellen bij het beschermen en bevorderen van de rechten in kwestie;

125.  merkt in positieve zin op dat de VV/HV in het nieuwe actieplan herhaalt dat de EU zich ertoe verbindt de positie van plaatselijke spelers en organisaties uit het maatschappelijk middenveld te versterken, en benadrukt dat het maatschappelijk middenveld, waaronder mensenrechtenverdedigers in het bijzonder, meer aandacht en inspanningen van de EU vergen, omdat hun bewegingsruimte aanzienlijk is ingekrompen; dringt er daarom bij de EU en haar lidstaten op aan te werken aan een samenhangend en omvattend antwoord op de grote uitdagingen waarmee het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van mensenrechtenverdedigers, wereldwijd geconfronteerd wordt;

126.  verzoekt de EU en haar lidstaten met klem om gevallen van schendingen van de vrijheid van vergadering en vereniging, onder meer door verscheidene vormen van verbod op en beperking van organisaties uit het maatschappelijk middenveld en hun activiteiten, voortdurend te volgen en op elk niveau van de politieke dialoog ter sprake te brengen;

127.  verzoekt de EU en haar lidstaten bovendien gebruik te maken van alle beschikbare middelen om individuele gevallen van mensenrechtenverdedigers en activisten uit het maatschappelijk middenveld die in gevaar zijn stelselmatig ter sprake te brengen, in het bijzonder de gevallen waarbij mensen gevangengezet zijn; spoort de EU-delegaties en het diplomatieke personeel van de lidstaten aan mensenrechtenverdedigers actief te blijven steunen door op stelselmatige wijze toe te zien op processen, gedetineerde activisten te bezoeken, verklaringen af te leggen over individuele gevallen en schendingen van de mensenrechten aan de orde te stellen in gesprekken met hun desbetreffende tegenhangers; staat erop dat vooraanstaande vertegenwoordigers van de EU, met name de VV/HV, de leden van de Commissie, speciale vertegenwoordigers van de EU en overheidsfunctionarissen van de lidstaten stelselmatig mensenrechtenverdedigers ontmoeten tijdens hun reizen naar landen waar het maatschappelijk middenveld onder druk staat;

128.  neemt met tevredenheid kennis van de EU-bijstand aan mensenrechtenverdedigers en het maatschappelijk middenveld over de hele wereld door financiering via het EIDHR; benadrukt dat het bijzonder belangrijk is het EIDHR te gebruiken voor de bescherming van de mensenrechtenverdedigers die het meeste gevaar lopen; beklemtoont eveneens dat steun voor mensenrechtenverdedigers in gevaar eerst en vooral volgens effectiviteitscriteria toegewezen moet worden en dat al te normatieve voorwaarden vermeden moeten worden; verzoekt de Commissie, de EDEO en de EU-delegaties ervoor te zorgen dat de beschikbare financiering voor mensenrechtenverdedigers goed besteed wordt;

Ondersteuning van verkiezingsprocessen en verbetering van de rechtsstaat, van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en van onpartijdig bestuur in derde landen

129.  is ingenomen met de acht verkiezingswaarnemingsmissies en de acht verkiezingsdeskundigenmissies die in 2014 door de EU over de hele wereld zijn ingezet; herhaalt zijn waardering voor de niet-aflatende ondersteuning die de EU bij verkiezingsprocessen biedt en voor de bijstand en steun die zij daarbij aan binnenlandse waarnemers verleent;

130.  herinnert aan het belang van een behoorlijke follow-up van de verslagen en aanbevelingen van de verkiezingswaarnemingsmissies, als een manier om hun invloed te vergroten en de EU-steun voor democratische normen in de betrokken landen sterker te maken;

131.  pleit ervoor dat de EU haar inspanningen opvoert voor de ontwikkeling van een bredere benadering van democratiseringsprocessen, waarvan vrije en eerlijke verkiezingen slechts één dimensie uitmaken, om een positieve bijdrage te leveren aan de versterking van democratische instellingen en van het vertrouwen van de bevolking in verkiezingsprocessen over de hele wereld;

132.  neemt in dit verband met tevredenheid kennis van de start in 2014 van een tweede generatie proefprojecten met betrekking tot democratieondersteuning in twaalf geselecteerde EU-delegaties, als gevolg van een toezegging uit de conclusies van de Raad van november 2009 en het actieplan inzake mensenrechten en democratie van 2012; legt een sterke nadruk op het belang van deze proefprojecten voor het bereiken van een betere samenhang in de ondersteuning van democratie via de buitenlandse beleidslijnen en instrumenten van de EU;

133.  is ingenomen met de toezegging van de Commissie, de EDEO en de lidstaten in het nieuwe actieplan inzake mensenrechten en democratie om in derde landen op een meer vastberaden en consequente manier overleg te plegen met instanties die verkiezingen beheren, parlementaire instellingen, lokale ngo's, mensenrechtenverdedigers en organisaties uit het maatschappelijk middenveld, om er mee voor te zorgen dat deze intenser betrokken worden bij het toezicht op en het verloop van verkiezingen en dat ze sterker staan, en zodoende de democratische processen te versterken;

134.  herinnert eraan dat de ervaringen die zijn opgedaan door de Europese Unie, door politici, academici, de media, ngo's en het maatschappelijk middenveld in de overgang naar democratie in het kader van het uitbreidings- en nabuurschapsbeleid op een positieve manier kunnen bijdragen aan de vaststelling van beproefde methoden die gebruikt kunnen worden voor de ondersteuning en consolidering van andere democratiseringsprocessen over de hele wereld;

135.  herinnert eraan dat corruptie een bedreiging vormt voor het uitoefenen van gelijke mensenrechten, en democratische processen zoals de rechtsstaat en een eerlijke rechtsbedeling ondermijnt; herinnert er ook aan dat de EU exclusieve bevoegdheid heeft opgeëist voor de ondertekening van het VN-Verdrag tegen corruptie (UNCAC);

136.  is van mening dat de EU het belang van transparantie en toegankelijkheid, integriteit, verantwoordingsplicht en een degelijk beheer van overheidszaken, overheidsfinanciën en overheidseigendommen, zoals bepaald in het UNCAC, moet beklemtonen in alle platforms voor dialoog met derde landen; is van mening dat corruptie in al zijn vormen de democratische beginselen ondergraaft en een nadelige invloed heeft op sociale en economische ontwikkeling; dringt aan op een follow-up van zijn verzoek tot een beter toezicht op de uitvoering van het UNCAC, en eveneens op een grondige afweging van de OESO-aanbevelingen; pleit ervoor dat de EU derde landen op een meer samenhangende en stelselmatige manier ondersteunt bij het aanpakken van corruptie door middel van deskundigheid bij het opzetten en consolideren van onafhankelijke en doeltreffende instellingen voor corruptiebestrijding, onder meer via een proactieve samenwerking met de particuliere sector; pleit er evenzeer voor om innovatieve financiële mechanismen te ontwikkelen ter versterking van de strijd tegen alle vormen van corruptie; wijst in dit verband op het verzoek om financiële transacties beter te reguleren op internationaal niveau;

137.  is van mening dat de EU meer inspanningen moet leveren om op multilateraal en bilateraal niveau te ijveren voor de rechtsstaat en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht; spoort de EU aan om eerlijke rechtsbedeling wereldwijd te ondersteunen door derde landen bij te staan in het proces van wetgevende en institutionele hervormingen; spoort ook de EU-delegaties en de ambassades van de lidstaten aan stelselmatig toe te zien op processen, met het oog op de bevordering van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht;

Sterker optreden van het Europees Parlement inzake mensenrechten

138.  is ingenomen met de herziening van de richtsnoeren voor interparlementaire delegaties van het Europees Parlement over bevordering van de mensenrechten en democratie, uitgevoerd door de Conferentie van delegatievoorzitters in samenwerking met de Subcommissie mensenrechten; raadt in dit verband aan dat mensenrechtenkwesties, vooral individuele gevallen waarnaar in resoluties van het Parlement wordt verwezen, tijdens delegatiebezoeken aan derde landen systematischer en transparanter ter sprake worden gebracht en dat ook de schriftelijke rapportering aan de Subcommissie mensenrechten over getroffen maatregelen systematischer en transparanter gebeurt en, wanneer politiek gerechtvaardigd, middels een specifieke debriefingssessie;

139.  benadrukt dat er voortdurend moet worden nagedacht over de meest geschikte manieren om de geloofwaardigheid, zichtbaarheid en doeltreffendheid van de resoluties van het Parlement met betrekking tot inbreuken op de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat te maximaliseren;

140.  spoort het debat aan over de mogelijkheid om de verschillende instrumenten van het Parlement ter ondersteuning en bevordering van de mensenrechten in één strategisch document op te nemen, dat het Parlement tijdens een plenaire vergadering moet goedkeuren;

* * *

141.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de voorzitter van de 70e Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, de voorzitter van de VN-Mensenrechtenraad, de hoge commissaris van de VN voor de mensenrechten en de hoofden van de EU-delegaties.

12.11.2015

ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking

aan de Commissie buitenlandse zaken

inzake het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2014 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie

(2015/2229(INI))

Rapporteur voor advies: Doru-Claudian Frunzulică

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt dat eerbiediging van de mensenrechten, gendergelijkheid, goed bestuur, de rechtsstaat, vrede en veiligheid noodzakelijke voorwaarden zijn voor het uitroeien van armoede en ongelijkheid, en een centrale rol spelen bij het halen van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen; herinnert eraan dat de mensenrechten universeel, onvervreemdbaar, ondeelbaar en onderling afhankelijk zijn en dat bijgevolg geen beroep kan worden gedaan op culturele diversiteit om inbreuk te maken op door het internationaal recht gegarandeerde en op het natuurrecht gebaseerde mensenrechten;

2.  onderstreept dat schadelijke praktijken, zoals genitale verminking bij vrouwen, uithuwelijking op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken, gendercide, waaronder infanticide en foeticide op meisjes, eermisdrijven en het onthouden van behoorlijk onderwijs aan meisjes en vrouwen, daarom moeten worden uitgebannen en dat schendingen van deze verboden streng moeten worden bestraft; veroordeelt ten strengste dat verkrachting van vrouwen en meisjes voortdurend als oorlogswapen wordt gebruikt; benadrukt dat er meer moet worden gedaan om de eerbiediging van het internationale recht en de toegang tot gezondheid- en psychische zorg voor vrouwen en meisjes die in conflictsituaties zijn misbruikt, waaronder het volledige scala aan seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten voor slachtoffers van verkrachting tijdens oorlogen, te waarborgen;

3.  benadrukt dat het belangrijk is om de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, zijn monitoringsmaatregelen en zijn toekomstige implementatie door alle belanghebbenden, inclusief het maatschappelijk middenveld en de particuliere sector, te schragen op een benadering waarin mensenrechten en gendergelijkheid centraal staan, naast het uitroeien van armoede, het verminderen van ongelijkheid en sociale uitsluiting en democratisering van de economie, en om in de agenda vrouwenrechten met inbegrip van seksuele en reproductieve gezondheid en andere rechten, LGTBI-rechten, rechten van minderheden, met inbegrip van seksuele minderheden en gehandicapten, rechten van kinderen, een grotere politieke participatie van burgers, versterkte democratische waarden, goed bestuur, bevordering van de democratie en bestrijding van corruptie, straffeloosheid, belastingontduiking, belastingontwijking en belastingparadijzen op te nemen;

4.  benadrukt dat de EU de externe dimensie van de migratiecrisis, en zowel de onderliggende oorzaken van armoede in derde landen als die van migratie vanuit derde landen naar Europa moet aanpakken, maar daarbij moet onderkennen dat de samenhang tussen migratie, veiligheid en ontwikkeling complex en multidimensionaal is en niet herleid kan worden tot een mechanisch en simplistisch verband tussen meer ontwikkelingshulp en minder migranten; herinnert aan het beginsel van non-refoulement en dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan niet samen te werken met bepaalde derde landen, met name landen die in een burgeroorlog zijn verwikkeld of die geen functionerende of erkende regering hebben; onderstreept dat kinderen en vrouwen in de huidige crisis bijzonder kwetsbaar zijn;

5.  wijst op de toezegging in de actieagenda van Addis Abeba om te voorzien in sociale bescherming, universele gezondheidszorgstelsels en essentiële openbare diensten voor iedereen, waaronder gezondheidszorg en onderwijs;

6.  dringt er bij de EU op aan haar rol als voorvechter van de mensenrechten in de wereld te versterken door op doeltreffende, coherente en weloverwogen manier gebruik te maken van alle beschikbare instrumenten ter bevordering en bescherming van de mensenrechten en de voorvechters ervan en ter bevordering van de doeltreffendheid van haar beleid inzake ontwikkelingshulp, in overeenstemming met de nieuwe duurzame-ontwikkelingsdoelstelling 16; spoort de Commissie aan toezicht te houden op de uitvoering van de instrumenten voor een op rechten gebaseerde benadering en ervoor te zorgen dat mensenrechten en ontwikkelingssamenwerking elkaar in de praktijk versterken; vraagt dat de EU in haar jaarverslag over de mensenrechten meer belang zou hechten aan de rol van ontwikkelingssamenwerking;

7.  roept de EU en haar delegaties op tot meer politiek overleg, in samenwerking met het maatschappelijk middenveld, met overheden die de mensenrechten, de democratie en de wet schenden, en dringt erop aan dat de politieke dialoog over mensenrechten tussen de EU en derde landen een meer inclusieve en bredere definitie van non-discriminatie moet omvatten, onder andere tegenover LGBTI of op basis van godsdienst of overtuiging, geslacht, ras of etnische afkomst, leeftijd, handicap en seksuele geaardheid; onderstreept dat met name in landen die in het verleden slecht hebben gepresteerd op het gebied van ontwikkeling en mensenrechten de ontwikkelingshulp moet worden gehandhaafd en zelfs versterkt, maar bij voorkeur moet worden gekanaliseerd via organisaties van het maatschappelijk middenveld en niet-gouvernementele lokale partners, en systematisch moet worden gemonitord, in combinatie met toezeggingen door de respectieve regeringen om de mensenrechtensituatie in hun landen te verbeteren;

8.  herinnert aan het essentiële belang van het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling; doet een dringend beroep op de Commissie en de lidstaten om ervoor te zorgen dat de mensenrechten binnen het kader van elke afgesloten of herziene overeenkomst met ontwikkelingslanden daadwerkelijk worden beschermd, door middel van bindende mensenrechtenclausules; doet de aanbeveling om een raadplegingsprocedure tussen de partijen in te voeren waarin de politieke en juridische mechanismen worden vastgelegd die moeten worden gebruikt bij een verzoek om opschorting van bilaterale samenwerking, maar ook een waarschuwingsmechanisme en -proces voor beschrijvings- en evaluatiedoeleinden; staat erop dat de Commissie handels- en investeringsovereenkomsten systematisch onderwerpt aan mensenrechteneffectbeoordelingen om te helpen zorgen voor een effectieve naleving van de mensenrechten; dringt aan op de daadwerkelijke handhaving van de SAP plus-regeling, die ten uitvoer moet worden gelegd in combinatie met een geschikt en transparant rapportagemechanisme en voldoende middelen voor toezicht door het maatschappelijk middenveld; roept de Commissie en de EDEO op om rechtskaders en initiatieven te ondersteunen die gericht zijn op transparantie en goed bestuur in de mijnbouw en in andere sectoren voor natuurlijke hulpbronnen;

9.  benadrukt de noodzaak van betere verantwoordings- en transparantiemechanismen voor bedrijven, evenals van initiatieven die gericht zijn op de implementatie van de VN-richtsnoeren voor het bedrijfsleven en de mensenrechten; verzoekt de Commissie lidstaten aan te moedigen om verslag uit te brengen over deze implementatie; vraagt de Commissie om alle nodige initiatieven te nemen om binnen het kader van de Verenigde Naties met een wettelijk bindend instrument voor het bedrijfsleven en de mensenrechten te komen; benadrukt in het bijzonder dat er behoefte is aan een analyse van de gevolgen van de activiteiten van bedrijven voor de mensenrechten in ontwikkelingslanden, en aan doeltreffende corrigerende maatregelen om ondernemingen die zich schuldig hebben gemaakt aan schendingen van de mensenrechten hiervoor te bestraffen en de slachtoffers van deze schendingen schadeloos te stellen; benadrukt dat de internationale arbeidsnormen moeten worden geëerbiedigd, overeenkomstig de Agenda voor waardig werk van de IAO;

10.  onderstreept het belang van eigendomsrechten en rechtszekerheid voor grondeigenaars en -pachters met het oog op de bescherming van kleine boeren en lokale gemeenschappen tegen ongerijmde landverwervingen door statelijke en niet-statelijke actoren, waaronder bedrijven, of onwettige vorderingen op land door nationale overheden; vraagt om een sterkere bescherming van eigendomsrechten in ontwikkelingslanden, waarbij bijzondere aandacht moet worden geschonken aan rechtszekerheid voor grondeigenaars en -pachters, evenals aan intellectuele-eigendomsrechten;

11.  roept de EU en haar delegaties op tot meer politiek overleg met overheden die de mensenrechten, de democratie en de wet schenden en tot het beëindigen van alle momenteel van kracht zijnde associatieverdragen en -overeenkomsten met deze landen, en dringt erop aan dat de politieke dialoog over mensenrechten tussen de EU en derde landen een meer inclusieve en bredere definitie van non-discriminatie moet omvatten, onder andere op basis van godsdienst of overtuiging, geslacht, ras of etnische afkomst, leeftijd, handicap, seksuele geaardheid en genderidentiteit; herhaalt dat de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij deze dialoog van cruciaal belang is voor de bevordering van het effectieve genot van de mensenrechten, en benadrukt de belangrijke rol die de EU kan spelen bij het versterken van de rol van het maatschappelijk middenveld in dit opzicht;

12.  erkent dat mensenrechten als vrijheid van religie, gedachte of meningsuiting van direct belang zijn voor het bevorderen en beschermen van culturele diversiteit en dat de uitoefening van de mensenrechten wordt bevorderd door een pluralistische samenleving.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING

IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

10.11.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

22

1

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Beatriz Becerra Basterrechea, Ignazio Corrao, Doru-Claudian Frunzulică, Nathan Gill, Charles Goerens, Enrique Guerrero Salom, Heidi Hautala, Maria Heubuch, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Linda McAvan, Norbert Neuser, Cristian Dan Preda, Lola Sánchez Caldentey, Elly Schlein, Pedro Silva Pereira, Davor Ivo Stier, Paavo Väyrynen, Bogdan Brunon Wenta, Rainer Wieland, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Marina Albiol Guzmán, Louis-Joseph Manscour, Paul Rübig, Joachim Zeller

12.11.2015

ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

aan de Commissie buitenlandse zaken

inzake het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2014 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie

(2015/2229(INI))

Rapporteur voor advies: Teresa Jiménez-Becerril Barrio

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

–  gezien het gezamenlijke werkdocument met de titel "Gendergelijkheid en empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen via de externe betrekkingen van de EU veranderen (2016-2020)"(55),

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de verlenging van het EU-actieplan voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in het kader van ontwikkeling(56),

A.  overwegende dat vrouwen en meisjes in veel delen van de wereld nog altijd het slachtoffer worden van gendergerelateerd geweld, zoals verkrachting, slavernij, mensenhandel, gedwongen huwelijken, eerwraak, genitale mutilatie en wrede en onmenselijke straffen die kunnen worden aangemerkt als foltering, waarbij hun grondrechten op leven, vrijheid, rechtvaardigheid, waardigheid en veiligheid worden geschonden, evenals hun lichamelijke en geestelijke integriteit en hun seksuele en reproductieve zelfbeschikking; overwegende dat nooit mag worden getracht enige vorm van discriminatie van en geweld tegen vrouwen op grond van politieke, sociale, religieuze of culturele factoren of op grond van de tradities van volkeren of stammen te rechtvaardigen;

B.  overwegende dat de doodstraf, in landen waar die wordt toegepast, bij vrouwen wordt voltrokken op een wijze die gelijkstaat met marteling (zoals steniging) en gepaard gaat met lichamelijke vernedering van de slachtoffers (zoals bij publieke ophanging), om andere vrouwen te intimideren;

C.  overwegende dat geweld tegen vrouwen en meisjes wereldwijd de meest voorkomende schending van de mensenrechten is, alle lagen van de bevolking treft, ongeacht leeftijd, opleidingsniveau, inkomen, sociale positie en land van herkomst of verblijf, en een van de belangrijkste obstakels voor de gelijkheid van vrouwen en mannen is;

D.  overwegende dat de term "feminicide" gebaseerd is op de juridische definitie van geweld tegen vrouwen, die in artikel 1 van het Verdrag van Belém do Pará als volgt is neergelegd: "als geweld tegen de vrouw moet worden beschouwd elke daad die of elk gedrag dat gendergerelateerd is en resulteert in de dood of in lichamelijk, seksueel of geestelijk lijden van vrouwen, zowel in de openbare als in de privésfeer";

E.  overwegende dat de EU zich ertoe heeft verplicht gendergelijkheid te bevorderen en voor gendermainstreaming te zorgen in al haar activiteiten;

F.  overwegende dat in het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie 2015-2019 wordt verwezen naar de bevordering van non-discriminatie, gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen binnen en buiten de EU;

G.  G.  overwegende dat meisjes en vrouwen heel vaak niet worden toegelaten tot hoogwaardig onderwijs en dat zij vaak gedwongen worden hun studie op te geven als zij trouwen of kinderen krijgen;

H.  overwegende dat vrouwen en kinderen (en met name vrouwelijke en minderjarige vluchtelingen), asielzoekers en staatlozen tot de meest kwetsbare groepen in de samenleving behoren; overwegende dat ontheemde jonge meisjes tijdens humanitaire crises aan beduidend meer risico's worden blootgesteld;

I.  overwegende dat drie vijfde van de miljard mensen die onder de armoedegrens leven, vrouw is(57);

J.  overwegende dat de statuten van de Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organisation, WHO) bepalen dat het genieten van het hoogst mogelijke niveau van gezondheid een van de grondrechten van ieder mens is, zonder onderscheid naar ras, godsdienst, politieke overtuiging of economische of sociale situatie(58);

K.  overwegende dat twee derde van de in totaal 960 miljoen analfabeten in de wereld vrouwen, meisjes en kinderen zijn(59);

L.  overwegende dat de toename van terrorisme en gewapende conflicten in het Midden-Oosten en Noord-Afrika heeft geleid tot een aanzienlijke stijging van deze vormen van geweld, waarbij verkrachting en slavernij van vrouwen en meisjes systematisch als oorlogswapen worden gebruikt, en mensenhandel, met name van vrouwen en kinderen, als financieringsbron voor terroristische activiteiten; overwegende dat de deelname van vrouwen aan vredesopbouwprocedures en democratische hervormingen essentieel is voor het welslagen daarvan;

M.  overwegende dat de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten van vrouwen en meisjes in veel landen nog vaak en op grote schaal geschonden worden, alle duidelijke verplichtingen tot het eerbiedigen, beschermen en naleven van schendingen van die rechten ten spijt;

N.  overwegende dat volgens Unicef jaarlijks wereldwijd meer dan 500 000 vrouwen sterven tijdens de bevalling(60);

O.  overwegende dat meisjes, ondanks de vooruitgang die de afgelopen jaren is geboekt, in talloze landen nog ernstig worden achtergesteld en uitgesloten van onderwijsstelsels, en dat de armste meisjes hier het meest onder te lijden hebben;

P.  overwegende dat vrouwen van oudsher het slachtoffer zijn van mensenhandel met het oog op prostitutie en dat er in de meeste gevallen sprake is van slavernij, waarbij de slachtoffers beroofd worden van hun papieren en bedreigd worden met zware represailles tegen hun familie als ze proberen in opstand te komen;

Q.  overwegende dat de slachtoffers van mensenhandel voor seksuele uitbuiting in 98 % van de gevallen vrouwen en meisjes zijn;

R.  overwegende dat vrouwen en kinderen met een handicap een verhoogd risico lopen slachtoffer te worden van geweld, misbruik, verwaarlozing en meervoudige discriminatie;

S.  overwegende dat in sommige landen vrouwen nog steeds niet dezelfde economische, sociale, culturele, politieke en burgerrechten – waaronder het recht van vergadering – genieten als mannen en dat zij ook maar mondjesmaat vertegenwoordigd zijn in lokale en nationale besluitvormingsorganen; overwegende dat gendermainstreaming in het handelsbeleid van de EU al deel uitmaakt van de EU-strategie voor gendergelijkheid;

T.  overwegende dat seksuele en reproductieve gezondheid en rechten op fundamentele mensenrechten gebaseerd zijn en essentiële aspecten van de menselijke waardigheid vormen(61); overwegende dat de toegang tot basisgezondheidszorg en diensten voor seksuele en reproductieve gezondheid dus een fundamenteel aspect is van de gelijkheid van vrouwen en mannen; overwegende dat deze diensten nog niet overal ter wereld gewaarborgd zijn;

U.  overwegende dat vrouwen en meisjes die tot culturele, taalkundige of religieuze minderheden of tot een minderheid op het gebied van gender of seksuele geaardheid behoren, te maken hebben met meervoudige en intersectionele vormen van discriminatie omdat zij zowel tot een minderheid behoren als van het vrouwelijk geslacht zijn;

V.  overwegende dat vrouwelijke mensenrechtenactivisten meer risico lopen op bepaalde vormen van geweld dan hun mannelijke tegenhangers en dat zij met specifieke uitdagingen geconfronteerd worden;

1.  herhaalt dat religieuze, culturele en traditionele verschillen geen enkele vorm van discriminatie of geweld rechtvaardigen, met name ten aanzien van vrouwen en meisjes, zoals genitale verminking, seksueel misbruik van jonge meisjes, feminicide, kinderhuwelijken en gedwongen huwelijken, huiselijk geweld, eremoorden en eergerelateerd geweld en andere vormen van foltering, zoals in het geval van doodvonnissen door steniging;

2.  beklemtoont dat het belangrijk is dat autoriteiten inspanningen leveren om voorlichtingscampagnes te ontwikkelen om elke vorm van gendergerelateerd geweld te voorkomen en geleidelijk uit te bannen, met name in gemeenschappen waar gendergerelateerde schendingen van de mensenrechten gangbaar zijn; merkt in dit verband op dat het fundamenteel is dat de mensenrechtenverdedigers die zich al inzetten voor het beëindigen van deze praktijken, deelnemen aan de voorbereiding en uitvoering van dergelijke campagnes; spoort de lidstaten ertoe aan het Verdrag van Istanbul te ratificeren, spoed te zetten achter de tenuitvoerlegging van de verplichtingen en verbintenissen met betrekking tot vrouwenrechten die zij in het kader van het Actieprogramma van Peking zijn aangegaan in het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, en steun te verlenen aan maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor gendergelijkheid in derde landen;

3.  verzoekt alle leden van de Raad van Europa het Verdrag inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld zo spoedig mogelijk te ondertekenen en te ratificeren; verzoekt in dit verband de EU tot het verdrag toe te treden om te zorgen voor samenhang tussen de interne en externe maatregelen van de EU op het vlak van geweld tegen vrouwen;

4.  constateert met grote bezorgdheid dat de postorderbruidindustrie sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw alarmerend snel is gegroeid; constateert met bezorgdheid dat er een aantal gedocumenteerde gevallen is van vrouwen die zijn aangevallen en/of vermoord nadat zij als postorderbruid waren getrouwd; betreurt dat postorderwebsites een groot aantal minderjarige meisjes bevatten en benadrukt dat, als kinderen voor seksuele doeleinden worden gebruikt, dit als kindermisbruik moet worden beschouwd;

5.  is ernstig bezorgd over de toename van gendergerelateerd geweld in vele delen van de wereld en over de stijgende feminicide in Latijns-Amerika, die plaatsvindt in een context van alom aanwezig geweld en structurele discriminatie; spreekt zijn krachtige veroordeling uit over alle vormen van gendergerelateerd geweld, met inbegrip van het weerzinwekkende misdrijf feminicide, evenals de voor dergelijke misdrijven heersende straffeloosheid, die nog meer geweld en moorden in de hand kan werken;

6.  benadrukt dat de internationale gemeenschap de situatie van vrouwen met een handicap als een prioriteit heeft aangemerkt; herinnert aan de conclusies van het Bureau van de hoge commissaris van de VN voor de mensenrechten, die luidden dat beleidsmaatregelen en programma's ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes met een handicap moeten worden opgesteld in nauwe samenwerking met personen met een handicap zelf, waarbij hun autonomie gerespecteerd wordt, en met organisaties voor gehandicapten; beklemtoont dat er systematisch toezicht op instellingen en een adequate opleiding voor zorgverleners nodig is; dringt erop aan dat de EU de bestrijding van discriminatie op grond van handicap tot vast onderdeel maakt van haar externe beleid en ontwikkelingssamenwerking, met inbegrip van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten;

7.  betreurt het gebrek aan gendergelijkheid in het politieke domein; herinnert eraan dat vrouwen en mannen gelijkwaardig zijn en dezelfde politieke rechten en burgerlijke vrijheden moeten genieten en betreurt eveneens dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in de economische, sociale en politieke besluitvorming; benadrukt dat er doeltreffende beschermingsmechanismen moeten komen voor vrouwelijke mensenrechtenactivisten; is voorstander van de invoering van een quotasysteem om de participatie van vrouwen in politieke organen en het democratisch proces, met name als kandidaten, te bevorderen;

8.  betreurt de inbreuken op de mensenrechten in derde landen in de vorm van door de regering gestelde beperkingen aan het aantal kinderen per gezin;

9.  verzoekt de Commissie stelselmatig concrete maatregelen te treffen om de deelname van vrouwen aan EU-verkiezingswaarnemingsmissies te vergroten, overeenkomstig de desbetreffende EU-richtsnoeren, en daarbij rekening te houden met de conclusies van het seminar van vooraanstaande verkiezingsdeskundigen dat in april 2014 te Brussel werd gehouden en lering te trekken uit de ervaringen die met eerdere missies zijn opgedaan;

10.  herhaalt dat de EU een voorbeeldfunctie moet vervullen op het gebied van de gendergelijkheid; verzoekt de EU-instellingen de deelname van vrouwen aan het Europese verkiezingsproces te stimuleren door genderevenwichtige lijsten op te nemen in de volgende herziening van de Europese kieswet;

11.  benadrukt hoe belangrijk het is de rol van vrouwen bij conflictpreventie, de bevordering van de mensenrechten en democratische hervormingen te versterken, en de systematische participatie van vrouwen als onmisbaar onderdeel van het vredesproces en de wederopbouw na conflicten te ondersteunen door te zorgen voor een doeltreffendere raadpleging van en coördinatie tussen het maatschappelijk middenveld en de EU-instellingen, met het oog op nauwkeurigere en systematischere effectbeoordelingen op het gebied van de mensenrechten; verwerpt alle wet- en regelgeving of druk vanuit de overheid die de vrijheid van meningsuiting, en met name die van vrouwen en van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksen (LGBTI) onrechtmatig beperkt;

12.  dringt erop aan dat de bevordering van vrouwenrechten, gendergelijkheid en de bestrijding van geweld tegen vrouwen systematisch deel uitmaken van de landenstrategieën op het gebied van de mensenrechten en van de politieke en mensenrechtendialogen met derde landen en kandidaat-lidstaten; is ingenomen met het feit dat de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) een adviseur heeft benoemd voor genderkwesties en opleidingsprogramma's op het gebied van genderbewustzijn voor diplomaten en ambtenaren die deelnemen aan EU-delegaties; herinnert eraan dat is toegezegd om mensenrechten op te nemen in alle EU-effectbeoordelingen om zo te waarborgen dat de EU de mensenrechten eerbiedigt, verdedigt en ten uitvoer legt, en dat haar externe beleidsmaatregelen en activiteiten worden opgezet en uitgevoerd met het oog op de versterking van de mensenrechten in het buitenland; brengt in herinnering dat gendergelijkheid niet alleen betrekking heeft op mannen en vrouwen, maar op de gehele LGBTI-gemeenschap; wijst erop dat in de humanitaire hulp van de EU stelselmatiger aandacht moet worden besteed aan genderkwesties;

13.  verzoekt de Europese Unie bij economische en handelsovereenkomsten met derde landen rekening te houden met de bescherming van de fundamentele rechten van de mens, met name van vrouwen en meisjes, en die overeenkomsten te herzien en te heroverwegen wanneer die rechten niet geëerbiedigd worden;

14.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over mogelijke mensenrechtenschendingen in vluchtelingenkampen in het Midden-Oosten en Afrika, waar onder meer seksueel geweld tegen en ongelijke behandeling van vrouwen en meisjes worden gemeld; verzoekt de EDEO aan te dringen op strengere regels en optimale werkwijzen in derde landen om een eind te maken aan ongelijke behandeling van vluchtelingen op grond van geslacht;

15.  herinnert eraan dat het EU-actieplan voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in het kader van ontwikkeling een van de fundamentele middelen is waarover de EU beschikt om de gendergelijkheid in derde landen te verbeteren en is derhalve van mening dat het tweede genderactieplan de vorm moet krijgen van een mededeling van de Commissie; verzoekt de Commissie rekening te houden met de resolutie van het Parlement over de verlenging van het genderactieplan;

16.  pleit voor het gebruik van gendergevoelige kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren en de tijdige verzameling van naar geslacht uitgesplitste gegevens als onderdeel van het monitorings- en evaluatieproces van het nieuwe genderactieplan;

17.  betreurt en veroordeelt het feit dat huwelijken tussen een volwassene en een minderjarig meisje van soms minder dan negen jaar (kindbruiden) in sommige derde landen legitiem worden geacht;

18.  is van mening dat kinderhuwelijken een schending van de fundamentele mensenrechten vormen en het leven van de betrokken meisjes in alle aspecten beïnvloeden: hun onderwijs komt in het gedrang en daarmee ook hun kansen, hun gezondheid wordt in gevaar gebracht en zij lopen meer risico het slachtoffer te worden van geweld en misbruik;

19.  herinnert eraan dat vrouwen gegarandeerde toegang tot goede en kosteloze gezondheidszorg moeten krijgen om paal en perk te stellen aan de nog buitengewoon hoge kraambed- en zuigelingensterfte, die het gevolg is van het gedeeltelijk of volledig ontbreken van zorg voor moeders en baby's in talrijke derde landen;

20.  betreurt het gebrek aan preventiebeleid met betrekking tot gendergerelateerd geweld en aan slachtofferhulp, alsook de hoge mate van straffeloosheid voor de daders in een groot aantal landen; verzoekt de EDEO optimale werkmethoden uit te wisselen met derde landen over wetgevingsprocedures en opleidingsprogramma's voor politieagenten, justitieel personeel en ambtenaren; spoort de EU ertoe aan steun te verlenen aan maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor de mensenrechten en gendergelijkheid in derde landen, en nauw samen te werken met internationale organisaties die actief zijn op het gebied van gendergelijkheid, zoals de IAO, OESO, VN en de Afrikaanse Unie, met als doel om synergieën te creëren en de positie van vrouwen te versterken;

21.  benadrukt dat de EDEO optimale werkmethoden moet uitwisselen om de gebrekkige toegang tot de rechter van slachtoffers van seksueel geweld te verbeteren; veroordeelt het krachtig dat vrouwen in derde landen gebrekkige toegang hebben tot de rechter, met name wanneer zij het slachtoffer zijn van gendergerelateerd geweld; verzoekt de Commissie een actieve rol te spelen bij de vervolging van dergelijke misdrijven in derde landen en, in sommige gevallen, door lidstaten; verzoekt de Commissie met de EDEO samen te werken om de steun aan slachtoffers te verbeteren, maatregelen tegen gendergeweld op te nemen in het humanitaire optreden van de EU en bij dit optreden prioriteit te geven aan acties die gericht zijn tegen gendergerelateerd geweld en seksueel geweld in conflictsituaties; is ingenomen met de toezeggingen van de EU met betrekking tot een follow-up van de wereldtop voor de beëindiging van seksueel geweld in gewapende conflicten van juni 2014 in Londen en verzoekt de Commissie derhalve om concrete maatregelen;

22.  verzoekt de Commissie om ook binnen de EU concrete maatregelen te nemen om geweld tegen vrouwen te bestrijden en met het oog daarop een speciale richtlijn voor te stellen;

23.  verzoekt alle partijen die bij conflicten betrokken zijn de slachtoffers alle nodige gezondheidszorg (inclusief abortus) te bieden, zonder onderscheid op grond van geslacht, in alle omstandigheden en ongeacht plaatselijke wetten, zoals bepaald in de Verdragen van Genève en de aanvullende protocollen daarbij;

24.  betreurt dat extreme armoede het meest voorkomt onder vrouwen en meisjes, terwijl is bewezen dat investering in vrouwen en meisjes en de versterking van hun positie door middel van onderwijs een van de meest efficiënte manieren is om armoede te bestrijden; benadrukt dat er grotere inspanningen moeten worden geleverd op het gebied van het recht op en de toegang tot onderwijs, met name voor meisjes, en dat er een eind moet worden gemaakt aan de situatie dat vrouwen vaak gedwongen worden hun studie op te geven als zij trouwen of kinderen krijgen; beklemtoont dat er maatregelen moeten worden getroffen om vrouwen en meisjes te betrekken bij investeringen en groeiprocessen in derde landen; onderstreept dat het van essentieel belang is de loonkloof tussen mannen en vrouwen te blijven bestrijden; merkt op dat Europese ondernemingen die actief zijn in derde landen een belangrijke rol spelen in de bevordering van gendergelijkheid in die landen, gezien het feit dat zij een voorbeeldfunctie vervullen; pleit voor de actieve deelname van vrouwen aan vakbonden en andere organisaties, omdat dit ertoe zal bijdragen dat genderkwesties op de kaart worden gezet in arbeidsbetrekkingen en -voorwaarden;

25.  betreurt het dat vrouwen in bepaalde landen op grond van extreme en fundamentalistische sociale, culturele en religieuze wetten en ideologieën uitgesloten worden van bepaalde beroepen;

26.  betreurt het dat de helft van de wereldbevolking te maken heeft met loondiscriminatie en dat vrouwen wereldwijd 60 à 90 % van het gemiddelde inkomen van mannen verdienen;

27.  benadrukt dat het noodzakelijk is dat meisjes in vluchtelingenkampen, conflictgebieden en gebieden die worden getroffen door extreme armoede en klimaatgerelateerde problemen zoals droogte en overstromingen, onderwijs kunnen blijven volgen;

28.  is ingenomen met de inspanningen van de EDEO in derde landen ten behoeve van een betere naleving van de verplichtingen en toezeggingen in verband met vrouwenrechten in het kader van het CEDAW, het Actieprogramma van Peking, de Verklaring van Caïro inzake bevolking en ontwikkeling in de ontwikkelingsagenda voor na 2015;

29.  is ingenomen met het herziene EU-beleid voor humanitaire steun, dat vrouwen en meisjes die tijdens gewapende conflicten verkracht zijn toegang tot veilige abortus biedt krachtens het internationaal humanitair recht; benadrukt dat dit herziene beleid met spoed ten uitvoer moet worden gelegd;

30.  verzoekt de EU zich te blijven inzetten voor een economisch, sociaal en politiek sterkere positie van vrouwen – wat ertoe zal bijdragen dat zij daadwerkelijk gebruik kunnen maken van hun rechten en fundamentele vrijheden – en het grootste belang te hechten aan de toegang tot hoogwaardig onderwijs voor meisjes, met inbegrip van meisjes uit de armste en gemarginaliseerde gemeenschappen; pleit voor steun voor beroepsonderwijs voor vrouwen, een grotere deelname aan hoger wetenschappelijk en technologisch onderwijs, de ontwikkeling van opleidingsprogramma's op het gebied van gendergelijkheid voor onderwijsprofessionals in derde landen en het vermijden van het overdragen van stereotypen via onderwijsmateriaal; roept de EU ertoe op in al haar diplomatieke, handels- en ontwikkelingssamenwerkingsactiviteiten rekening te houden met deze prioriteit;

31.  onderstreept het belang van de bestrijding van genderstereotypen en discriminatoir sociaal-cultureel gedrag, aangezien deze de ondergeschikte positie van vrouwen in de samenleving versterken en een van de voornaamste oorzaken vormen van de ongelijkheid van mannen en vrouwen, de schending van de rechten van vrouwen en gendergerelateerd geweld; benadrukt dat hardnekkige stereotypen krachtiger moeten worden bestreden door middel van bewustmakingscampagnes die gericht zijn op alle lagen van de samenleving, intensiever gebruik van communicatiemedia, strategieën om vrouwen te motiveren en mannen erbij te betrekken en de verwerking van genderkwesties in het onderwijs en in alle beleidsmaatregelen en initiatieven van de EU, met name wat betreft het buitenlands optreden, ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp;

32.  betreurt het dat vrouwen te vaak gediscrimineerd worden door ze in vergelijking met mannen minder gemakkelijk toegang te verlenen tot financiële voorzieningen zoals bankleningen; benadrukt dat is aangetoond dat de versterking van de positie van vrouwen in het bedrijfsleven cruciaal is voor het stimuleren van de economie en, op lange termijn, voor het bestrijden van armoede;

33.  veroordeelt het met klem dat er derde landen zijn waar homoseksualiteit als een misdrijf wordt beschouwd waar zelfs de doodstraf op kan staan;

34.  betreurt dat de seksuele en reproductieve rechten van vrouwen veelvuldig geschonden worden, bijvoorbeeld door hun geen toegang te bieden tot gezinsplanningsdiensten; herinnert aan artikel 16 van het CEDAW, dat het recht waarborgt om "een beslissing te nemen over het aantal van hun kinderen en het tijdsverloop tussen de geboorten daarvan en te kunnen beschikken over de informatie, vorming en middelen om hen in staat te stellen deze rechten uit te oefenen";

35.  benadrukt dat het van belang is dat er geen afbreuk wordt gedaan aan het acquis van het Actieprogramma van Peking inzake de toegang tot onderwijs en gezondheidszorg als een fundamenteel mensenrecht en dat men de seksuele en reproductieve rechten blijft verdedigen; onderstreept dat de universele eerbiediging van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en de toegang tot de desbetreffende diensten bijdragen tot een verlaging van de zuigelingen- en moedersterfte; wijst erop dat gezinsplanning, de gezondheid van moeders en gemakkelijke toegang tot anticonceptie en veilige abortus belangrijke factoren zijn om het leven van vrouwen te redden en om ze te helpen hun leven weer op te pakken als ze het slachtoffer zijn geweest van verkrachting; merkt op dat deze beleidsmaatregelen centraal moeten staan in de ontwikkelingssamenwerking met derde landen;

36.  verwerpt de ellendige positie en de onmenselijke omstandigheden waarin vluchtelingen in Europa verkeren, en wijst erop dat deze situatie vooral schadelijk is voor kinderen maar ook voor vrouwen, aangezien zij in sterkere mate blootstaan aan geweld, misbruik en zelfs mensenhandel;

37.  verzoekt de Europese Unie voldoende aandacht te besteden en meer bescherming te bieden aan vrouwelijke migranten, hun passende hulp te bieden en hen te behoeden voor het frequente verschijnsel dat zij door toedoen van criminele organisaties worden uitgebuit voor prostitutie en het slachtoffer worden van vrouwenhandel.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

12.11.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

6

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Maria Arena, Catherine Bearder, Beatriz Becerra Basterrechea, Malin Björk, Anna Maria Corazza Bildt, Iratxe García Pérez, Anna Hedh, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Angelika Mlinar, Maria Noichl, Margot Parker, Terry Reintke, Liliana Rodrigues, Elissavet Vozemberg-Vrionidi, Jadwiga Wiśniewska, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Inés Ayala Sender, Stefan Eck, Eleonora Forenza, Mariya Gabriel, Constance Le Grip, Elly Schlein, Branislav Škripek, Dubravka Šuica, Monika Vana

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Seb Dance, Davor Ivo Stier, Claudiu Ciprian Tănăsescu

BIJLAGE I

INDIVIDUAL CASES RAISED BY THE EUROPEAN PARLIAMENT BETWEEN JANUARY AND DECEMBER 2014

COUNTRY

Individual

BACKGROUND

ACTION TAKEN BY THE PARLIAMENT

AZERBAJIAN

Leyla Yunus, Arif Yunus and Rasul Jafarov

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Intigam Aliyev

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hasan Huseynli

Rauf Mirkadirov

Seymur Haziyev

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ilqar Nasibov

 

 

 

 

Ilgar Mammadov

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Anar Mammadli

Bashir Suleymanli

 

 

 

 

 

 

 

Omar Mammadov, Abdul Abilov and Elsever Murselli

 

 

Leyla Yunus is the well-known director of the Institute for Peace and Democracy. She has been imprisoned together with her husband, the historian Arif Yunus, and Rasul Jafarov, the chair of Azerbaijan’s Human Rights Club on apparent politically motivated charges.

Leyla Yunus has been subjected to acts of violence in prison committed by her cellmate, and no measures have been taken to punish the cellmate or to ensure the protection of Ms Yunus. In addition, Ms Yunus’ health has deteriorated in prison and no suitable medical care has been provided.

 

Intigam Aliyev is the chair of Azerbaijan’s Legal Education Society and a human rights lawyer who has defended more than 200 cases before the European Court of Human Rights in the areas of infringement of freedom of speech, the right to a fair trial and electoral law in Azerbaijan, was arrested on 8 August 2014 and subjected to three month’s detention on criminal charges.

 

Hasan Huseynli is another prominent human rights activist and head of the Intelligent Citizen Enlightenment Centre Public Union, was sentenced to 6 years’ imprisonment on 14 July 2014. Rauf Mirkadirov is an investigative journalist with the leading Russian-language newspaper ‘Zerkalo’ who held on pre-trial detention on charges of treason. Seymour Haziyev is a prominent opposition journalist who was charged with criminal hooliganism and held in 2 months' pre-trial custody.

 

Ilqar Nasibov is a journalist who was viciously beaten in his office on 21 August 2014 and no prompt, effective and thorough investigation has been carried out.

 

The European Court of Human Rights (ECHR) has issued numerous rulings in cases of breaches of human rights in Azerbaijan, the latest being on 22 May 2014 in the case of Ilgar Mammadov, chair of the Republican Alternative Civic Movement (REAL); in which despite it being ruled that his detention was politically motivated, the authorities refused to release him.

 

Anar Mammadli is the chair of the Election Monitoring and Democracy Studies Centre (EMDS), and Bashir Suleymanli is the director of the same centre. Both were sentenced to prison terms of, respectively, 5 years and 6 months and 3 years and 6 months, on charges ranging from tax evasion to illegal entrepreneurship.

 

Omar Mammadov, Abdul Abilov and Elsever Murselli are social media activists and were sentenced to between 5 and 5.5 years’ imprisonment on charges of drug possession. None of them is having access to a lawyer of their own choosing and all complaining of ill treatment in police custody.

 

 

 

In its Resolution, adopted on 18 September 2014, the European Parliament:

 

- Condemns in the strongest possible terms the arrest and detention of Leyla Yunus, Arif Yunus, Rasul Jafarov, Intigam Aliyev and Hasan Huseyni, and demands their immediate and unconditional release as well as the withdrawal of all charges against them; demands an immediate and thorough investigation into the assault on Ilqar Nasibov, and calls for all those responsible to be brought to justice

 

- Calls on the authorities in Azerbaijan to guarantee the physical and psychological integrity of Leyla Yunus, Arif Yunusov and all human rights defenders in Azerbaijan, and to ensure the urgent provision of suitable medical care, including medication and

Hospitalisation

 

- Calls on the Azerbaijani authorities to cease their harassment and intimidation of civil society organisations, opposition politicians and independent journalists and to refrain from interfering in or undermining their valuable work for the development of democracy in Azerbaijan; also calls on them to ensure that all detainees, including journalists and political and civil society activists, enjoy their full rights to due process, in particular access to a lawyer of their choosing, access to their families, and other fair trial norms

BAHRAIN

Nabeel Rajab

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Abdulhadi-al-Khawaja

 

Ibrahim Sharif

 

 

 

 

 

 

 

Naji Fateel

 

 

 

 

 

 

 

Zainab Al-Khawaja

 

Nabeel Rajab is the President of the Bahrain Centre for Human Rights (BCHR) and Deputy Secretary General of the International Federation for Human Rights (FIDH). He was convicted to three years in prison in August 2012 on charges of calling for and participating in ‘illegal gatherings’ and ‘disturbing public order’ between February and March 2011. His sentence was reduced to two years in prison on appeal. Before this imprisonment Mr Rajab was repeatedly detained for peacefully expressing criticism of the government during the pro-democracy protests that erupted Bahrain in 2011.

 

On Friday 29 November 2013 Nabeel Rajab had served three-quarters of his two year sentence and had become legally eligible for release. A third request for early release was submitted on 21 January 2014 to the Court, but was rejected.

The United Nations Working Group on Arbitrary Detention has described the detention of Mr Nabeel Rajab as arbitrary.

 

Abdulhadi-al-Khawaja, who has Danish nationality, is the founder of the BCHR and the regional coordinator of Front Line Defenders and Ibrahim Sharif is the Secretary General of the National Democratic Action Society. On 22 June 2011, they were sentenced to life in prison by a special military court. The legal process came to a conclusion after 3 years of appeals and the sentences were upheld.

 

Naji Fateel is a Bahraini human rights activist and a member of the Board of Directors of the Bahraini human rights NGO Bahrain Youth Society for Human Rights (BYSHR). He has been imprisoned since 2007, tortured and also under death threats during the period of the Bahraini uprising (dated February 2011)

 

Zainab Al-Khawaja is a human rights defender and leading social media activist in Bahrain. She has been a crucial figure in the pro-democracy uprising that started in Bahrain in February 2011. She has suffered legal harassment, arrest, imprisonment, denial of procedural rights, and undertaken hunger strikes in defence of human rights in Bahrain.

 

 

In its Resolution, adopted on 6 February 2014, the European Parliament:

 

-Calls for the immediate and unconditional release of all prisoners of conscience, political activists, journalists, human rights defenders and peaceful protesters, including Nabeel Rajab, Abdulhadi Al-Khawaja, Ibrahim Sharif, Naji Fateel, and Zainab Al-Khawaja

 

- Expresses its grave concern regarding the Bahraini authorities’ treatment of Nabeel Rajab and other human rights activists, in addition to their refusal to grant him the early release for which he is eligible in accordance with the law

 

 

Regarding the situation of Mr Rajab, a letter of concern was also sent on 2 October 2014.

BANGLADESH

 

Hana Shams Ahmed

 

Hana Shams Ahmed is the coordinator of the International Chittagong Hill Tracts Commission (CHTC). On 27 August 2014 she and her friend were brutally attacked by 8 to 10 members of Somo Odhikar Andolon during a private visit to Shoilopropat in Bandarban in the Chittagong Hill Tracts. Four members of the police Detective Branch (DB) who were supposedly providing them with security did not intervene, and even disappeared while the assault was taking place.

 

In its Resolution, adopted on , the European Parliament:

 

- Urges the Government of Bangladesh to bring the state security forces, including the police and the RAB, back within the bounds of the law; strongly calls on the Bangladeshi authorities to put an end to the RAB’s impunity by ordering investigations and prosecutions in respect of alleged illegal killings by RAB forces.

 

BURUNDI

 

Pierre Claver Mbonimpa

 

Pierre Claver Mbonimpa is a leading human rights defender and President of the Association for the Protection of Human Rights and Detained Persons (Association pour la protection des droits humains et des personnes détenues, APRODH) who was arrested on 15 May 2014 and later charged with ‘threatening the external security of the state’ and ‘threatening the internal security of the state by causing public disorder’ and has been in pre-trial detention since he was taken in for questioning.

 

Mr Mbonimpa’s work in the defence of democracy and human rights in Burundi over the past two decades and more has earned him several international awards and widespread recognition domestically and beyond. The charges against him relate to comments he made on Radio Publique Africaine (RPA) on 6 May 2014 that the youth wing of the ruling party CNDD-FDD, also known as the Imbonerakure, is being armed and sent to the Democratic Republic of Congo (DRC) for military training.

 

The arrest of Pierre Mbonimpa is representative of the mounting risks facing human rights defenders, the harassment of activists and journalists and the arbitrary arrest of opposition party members, which according to human rights groups and the UN Assistant Secretary-General for Human Rights have largely been carried out by the Imbonerakure.

 

 

In its Resolution, adopted on 18 September 2014, the European Parliament:

 

- Firmly condemns the detention of human rights defender Pierre Claver Mbonimpa and calls for his immediate unconditional release; expresses concern about his deteriorating state of health and demands that he be given urgent medical assistance

 

 

A letter of concern was also sent in this regard on 18 December 2014.

CAMBODIA AND LAOS

 

Sombath Somphone (Laos)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Sam Rainsy and Kem Sokha (Cambodia)

 

 

Sombath Somphone is a human rights and environmental rights activist, civil society leader and co-chair of the 9th Asia-Europe People’s Forum held in Vientiane in October 2012 ahead of the ASEM 9 Summit. He was allegedly the victim of an enforced disappearance on 15 December 2012 in Vientiane. Sombath Somphone’s family have been unable to locate him since that day, despite repeated appeals to the local authorities and searches in the surrounding area.

 

During the visit of the Delegation for relations with the countries of South East Asia and the Association of South East Nations (ASEAN) to Laos on 28 October 2013 the disappearance of Sombath Somphone was raised with the Lao authorities. Crucial questions linked to the case, including whether or not an investigation has been carried out, remain unsolved more than a year after his disappearance and the Lao authorities declined assistance from abroad for the investigation into the disappearance.

 

On 15 December 2013 62 NGOs called for a new investigation into his disappearance and on 16 December 2013 the UN Working Group on Enforced or Involuntary Disappearances urged the Government of Laos to do its utmost to locate Sombath Somphone, to establish his fate and whereabouts, and to hold the perpetrators accountable. There have been several other cases of enforced disappearances where the whereabouts of nine other people – two women, Kingkeo and Somchit, and seven men, Soubinh, Souane, Sinpasong, Khamsone, Nou, Somkhit, and Sourigna – who were arbitrarily detained by the Lao security forces in November 2009 in various locations across the country remain unknown.

 

Sam Rainsy and Kem Sokha are the Cambodia National Rescue Party (CNRP) leaders who were summoned to appear at the Phnom Penh Municipal Court on 14 January 2014 for questioning. Sam Rainsy and Kem Sokha may be convicted of incitement to civil unrest. The King amnestied Sam Rainsy on 14 July 2013, making it possible for him to return to Cambodia; however, his right to vote and run in the elections was not restored.

 

 

In its Resolution, adopted on 16 January 2014, the European Parliament:

 

- Calls on the Lao Government to clarify the state of the investigation into the whereabouts of Sombath Somphone, to answer the many outstanding questions around Sombath’s disappearance, and to seek and accept assistance from foreign forensic and law enforcement experts

 

- Considers that the lack of reaction from the Lao Government raises suspicions that the authorities could be involved in his abduction.

- Reiterates its call on the Vice-President / High Representative to closely monitor the Lao Government’s investigations into the disappearance of Sombath Somphone

 

- Calls on the Member States to continue raising the case of Sombath Somphone with the Lao Government; stresses that enforced disappearances remain a major impediment to Laos joining the UN Human Rights Council

 

- Urges the Cambodian Government to recognise the legitimate role played by the political opposition in contributing to Cambodia’s overall economic and political development; calls on the Cambodian authorities to immediately drop the summonses issued to the CNRP leaders, Sam Rainsy and Kem Sokha, and union leader Rong Chhun of the Cambodia Independent Teachers’ Association (CITA) and the Cambodian Confederation of Unions (CCFU)

EGYPT

 

Alaa Abdel Fattah, Mohamed Abdel, Ahmed Maher and Ahmed Douma.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Peter Greste

Mohamed Fahmy

Baher Mohamed

Rena Netjes

 

 

 

 

 

 

 

 

Alaa Abdul Fattah

 

 

 

 

 

 

 

Mohamed Adel, Ahmed Douma, Mahienour El-Massry, Ahmed Mahe, Yara Sallam and Sana Seif

 

Alaa Abdel Fattah, Mohamed Abdel, from the Egyptian Centre for Economic and Social Rights and

Ahmed Maher and Ahmed Douma, leaders of the April 6 movement, are political and civil society activists who were arrested, convicted and held in Tora prison. It has been reported bad conditions of detention and mistreatment in prison.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

The Australian Peter Greste, the Canadian-Egyptian Mohamed Fahmy and the Egyptian Baher Mohamed are three Al Jazeera journalists who were, together and, in absentia, with the Netherlands citizen Rena Netjes, on 23 June 2014 handed down jail sentences of between 7 and 10 years under accusations of ‘falsifying news’ and of belonging to or assisting a terrorist cell. Rena Netjes was falsely accused of working for Al Jazeera.

 

Alaa Abdul Fattah is a prominent activist who played a leading role in the 2011 revolution who was sentenced on 11 June 2014 with others to 15 years’ imprisonment on charges of violating Law 107 on the Right to Public Meetings, Processions and Peaceful Demonstrations of 2013 (Protest Law).

 

Mohamed Adel, Ahmed Douma, Mahienour El-Massry and Ahmed Maher, Yara Sallam and Sana Seif are prominent human rights activists that continue to be detained.

 

 

In its Resolution, adopted on 6 February 2014, the European Parliament:

 

- Strongly condemns all acts of violence, terrorism, incitement, harassment, hate speech and censorship; urges all political actors and security forces to show the utmost restraint and avoid provocation, with the aim of avoiding further violence in the best interests of the country; extends its sincere condolences to the families of the victims

 

- Urges the Egyptian interim authorities and security forces to ensure the security of all citizens, irrespective of their political views, affiliation or confession, to uphold the rule of law and respect human rights and fundamental freedoms, to protect the freedoms of association, of peaceful assembly, of expression and of the press, to commit to dialogue and non-violence, and to respect and fulfil the country’s international obligations

 

- Calls for an immediate end to all acts of violence, harassment or intimidation – by state authorities, security forces or other groups – against political opponents, peaceful protesters, trade union representatives, journalists, women’s rights activists, and other civil society actors in Egypt; calls for serious and impartial investigations in such cases and for those responsible to be brought to justice; calls again on the interim government to guarantee that domestic and international civil society organisations, independent trade unions and journalists can operate freely, without government interference, in the country

 

In its Resolution, adopted on 17 July 2014, the European Parliament:

 

- Expresses its deepest concern over a series of recent court decisions in Egypt, including the lengthy jail terms handed down on 23 June 2014 to three Al Jazeera journalists and 11 other defendants tried in absentia, as well as the confirmation of death sentences against 183 people

 

- Calls on the Egyptian authorities to immediately and unconditionally release all those detained, convicted and/or sentenced for peacefully exercising their rights of freedom of expression and association, as well as all human rights defenders; calls on the Egyptian judiciary to ensure that all court proceedings in the country meet the requirements of a free and fair trial and to ensure respect for defendants’ rights; calls on the Egyptian authorities to order independent and impartial investigations into all allegations of ill-treatment and ensure that all detainees have access to any medical attention they may require

 

ETHIOPIA

 

Andargachew Tsege

 

Andargachew Tsege is a British national and member of the opposition party Ginbot 7, who has apparently been held incommunicado and in an undisclosed location by the Ethiopian authorities since earlier 2014 after being arrested while in transit in Yemen, and then deported to Ethiopia.

 

 

A letter of concern was sent on 7 August 2014 and on 8 October 2014.

IRAN

 

Ms Reyhaneh Jabbari

 

 

 

 

 

Ms Maryam Naghash Zargaran, Mr Saeed Abedinigalangashi, Ms Farhsid Fathi Malayeri, Mr Alireza Sayyedian, Mr Behnam Irani, Mr Amin Khaki, Mr Seyed Abdolreza Ali Hagh Nejad, and the seven members of the "Church of Iran": Mohammad Roghangir, Suroush Saraie, Massoud Rezai, Mehdi Ameruni, Seyed Bijan Farokhpour Haghigi, Eskandar Rezai

 

 

 

 

 

Ms Jabbari was sentenced to death in the Islamic Republic of Iran and she is at risk of imminent execution despite evidence that she has not been granted a fair hearing during the legal procedures that led to her conviction.

The below-mentioned names belong to Iranian citizens of the Christian faith that have been imprisoned, or continue to languish in prison due to their conversion from Islam to Christianity:

 

Ms Maryam Naghash Zargaran who was sentenced to four years in prison in 2013; Mr Saeed Abedinigalangashi who was sentenced to eight years in prison in early 2013; Ms Farhsid Fathi Malayeri who was arrested at her home in Tehran on 26 December 2010 along with at least 22 other Christians, and sentenced in 2012 to six years in prison; Mr Alireza Sayyedian who was convicted in November 2011 and sentenced to a six year (reduced to 3 ½ years in May 2013) imprisonment, 90 lashes and a fine; Mr Behnam Irani who was arrested and tried on two occasions (December 2006, April 2010). Shortly before he was due to be released on 18 October 2011, he was informed by letter that he was required to serve a five year prison sentence imposed back in 2008; Mr Amin Khaki who was arrested in early 2014 and reportedly transferred to the Ministry of Intelligence Security Detention; Mr Seyed Abdolreza Ali Hagh Nejad who was arrested on 5 July 2014 and finally; the seven members of the "Church of Iran" who were arrested on 12 October 2012 in Shiraz and condemned on 16 July 2013 to sentences ranging from one year to six years in prison.

 

 

A letter of concern was sent on 8 October 2014.

 

 

 

 

A letter of concern was sent on 24 September 2014.

MAURITANIA

 

Biram Dah Abeid

 

Biram Dah Abeid is the son of freed slaves and he is engaged in an advocacy campaign to eradicate slavery. In 2008 he founded the Initiative for the Resurgence of the Abolitionist Movement (Initiative pour la Résurgence du Mouvement Abolitionniste). This organisation is seeking to draw attention to the issue and to help take specific cases before courts of law. In addition, Biram Dah Abeid was awarded the United Nations Human Rights Prize for 2013.

 

On 11 November 2014, Biram Dah Abeid was arrested following a peaceful anti-slavery march. He has been charged with calling for a demonstration, participating in a demonstration and belonging to an illegal organisation. Some reports suggest that he is at risk of facing the death penalty. The death penalty is still provided for in the Mauritanian Criminal Code, is not restricted to the most serious crimes, and is imposed following convictions based on confessions obtained under torture.

 

Biram Dah Abeid was voted runner-up in the 2014 Mauritanian presidential elections. His reputation has made him a prime target for the Mauritanian authorities. In fact, his arrest and those of his colleagues represent a crackdown on political opposition as well as civil society.

 

 

In its Resolution, adopted on 18 December 2014, the European Parliament:

 

- Condemns strongly the arrest and ongoing detention of anti-slavery activist Biram Dah Abeid and his fellow campaigners, and calls for their immediate release; expresses concern about reports of violence used against some of the activists, and urges the Mauritanian authorities to prosecute those officials who have been involved in the abuse and torture of prisoners

 

- Calls upon the Mauritanian Government to stop using violence against civilians who participate in peaceful public protests and media campaigns in support of Biram Dah

Abeid, to cease its crackdown on civil society and political opposition, and to permit anti-slavery activists to pursue their non-violent work without fear of harassment or intimidation; urges the Mauritanian authorities to allow freedom of speech and assembly, in accordance with international conventions and Mauritania’s own domestic law.

MEXICO

 

Disappearance of 43 teaching students

 

On 26 September 2014, six people, among them three students, were killed when the police opened fire on protesting teaching students from the Escuela Normal (‘Normal School’) of Ayotzinapa in Iguala, Guerrero state. Since then 43 students remain disappeared. According to various sources those students were rounded up and driven away by police officers and handed over to unidentified armed men linked to a drug cartel.

 

According to the Mexican Government, 51 persons linked to the crimes have been arrested; most of them police agents from the municipalities of Iguala and Cocula. On 14 October 2014 the Mexican Attorney-General declared that according to forensic analyses of the 28 bodies found in clandestine graves near Iguala on 4 October 2014 the bodies do not correspond to those of the missing students. The Mexican authorities have captured the suspected main leader of the criminal gang Guerreros Unidos (United Warriors), allegedly involved in the disappearance of the 43 students.

 

The Mayor of Iguala, his wife, and the police chief of Iguala are fugitives from justice and accused of links to the local Guerreros Unidos drug cartel.

 

 

In its Resolution, adopted on 23 October 2014, the European Parliament:

 

- Strongly condemns the unacceptable forced disappearances and crimes in Iguala and calls on the Mexican authorities to investigate all the crimes, including the finding of 28 bodies in clandestine graves; calls on the relevant authorities to take all necessary steps to act promptly and in a transparent and impartial manner to identify, arrest and bring to justice the perpetrators of the crimes, and calls for those responsible to be identified and prosecuted, using all available information and resources internally and externally and with no margin for impunity; calls for the investigations to be continued until the students have been brought to safety

 

- Extends its sympathy and support to the families and friends of the victims, and to the Mexican people, whom it encourages to continue to fight by peaceful means to defend democracy and the rule of law

 

- Takes note of the detentions that have taken place; calls for the search to be continued for the Mayor of Iguala, his wife and the police chief of Iguala; is deeply concerned at the apparent infiltration of local law enforcement and administrative entities by organised crime.

 

PAKISTAN

 

Shafqat Emmanuel and Shagufta Kausar

 

 

 

 

 

 

 

Sawan Masih

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Asia Bibi

 

 

 

 

 

 

 

 

Rimsha Masih

 

 

 

 

 

 

Mohammad Asgar

 

 

 

 

 

Masood Ahmad

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Shama Bibi and Shahbaz Masih

 

Shafqat Emmanuel and Shagufta Kausar are a Christian couple who was sentenced to death on 4 April 2014 for allegedly sending a text message insulting the Prophet Mohammed, despite of the fact that the couple denied responsibility and declared that the phone from which the text originated was lost a while before the message was sent.

 

Sawan Masih is a Pakistani Christian from Lahore who was sentenced to death on 27 March 2014 for blasphemy against the Prophet Mohammed. The announcement of allegations against Masih sparked fierce rioting in Joseph Colony, a Christian neighbourhood in the city of Lahore, in which many buildings, including two churches, were burnt down.

 

Asia Bibi is a Christian woman from Punjab who was arrested in June 2009 and received a death sentence in November 2010 on charges of blasphemy. After several years, her appeal has finally reached the high court in Lahore; however for the two first hearings in January and March 2014 the presiding judges appeared to be on leave.

 

Rimsha Masih is a 14-year-old Christian girl who was wrongfully accused in 2012 of desecrating the Quran. She was acquitted after being found to have been framed and the person responsible was arrested. However, she and her family had to leave the country.

 

Mohammad Asghar is a UK citizen with a mental illness living in Pakistan. He was arrested after allegedly sending letters to various officials claiming he was a prophet, and was sentenced to death in January 2014.

 

Masood Ahmad is a 72-year-old UK citizen and member of the Ahmaddiya religious community, who was only recently released on bail after having been arrested in 2012 on charges of citing from the Quran, which is considered as blasphemy in the case of Ahmaddis who are not recognised as Muslims and are forbidden to ‘behave as Muslims’ under Section 298-C of the criminal code.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Shama Bibi and Shahbaz Masih are Pakistani Christian couple from Punjab province in Pakistan, who have been beaten and then burned to death by a mob under accusations of insulating and desecrating the Muslim holy book.

 

 

 

In its resolution, adopted on 17 April 2014, the European Parliament:

 

- Expresses its deep concern that the controversial blasphemy laws are open to misuse which can affect people of all faiths in Pakistan; expresses its particular concern that use of the blasphemy laws, which were publicly opposed by the late Minister Shahbaz Bhatti and by the late Governor Salman Taseer, is currently on the rise and targets Christians and other religious minorities in Pakistan

 

- Calls on the Pakistani authorities to release prisoners who are convicted on the grounds of blasphemy, and to overrule the death sentences on appeal; calls on the Pakistani authorities to guarantee the independence of the courts, the rule of law and due process in line with international standards on judicial proceedings; calls furthermore on the Pakistani authorities to provide sufficient protection to all those involved in blasphemy cases, including by shielding judges from outside pressure, by protecting the accused and their families and communities from mob violence, and by providing solutions for those who are acquitted but cannot go back to their places of origin

 

- Strongly condemns the application of the death penalty under any circumstances; calls on the Government of Pakistan as a matter of urgency to turn the de facto moratorium on the death penalty into the effective abolition of the death penalty

 

- Calls on the Government of Pakistan to carry out a thorough review of the blasphemy laws and their current application – as contained in Sections 295 and 298 of the Penal Code – for alleged acts of blasphemy, especially in light of the recent death sentences; encourages the government to withstand pressure from religious groups and some opposition political forces to maintain these laws.

 

A letter of concern was sent on 6 November 2014 and on 16 December 2014 regarding the case of Asia Bibi.

 

 

In its resolution, adopted on 27 November 2014, the European Parliament:

 

- Is deeply concerned and saddened by the Lahore High Court’s decision of 16 October 2014 to confirm the death sentence handed down to Asia Bibi for blasphemy; calls on the Supreme Court to start its proceedings on the case swiftly and without delay and to uphold the rule of law and full respect for human rights in its ruling

 

- Strongly condemns the murders of Shama Bibi and Shahbaz Masih and offers its condolences to their families, as well as to the families of all the innocent victims murdered as a result of the blasphemy laws in Pakistan; calls for the perpetrators of these acts to be brought to justice; takes note of the decision of the Punjab government to set up a committee to fast-track the investigation into the killings of Shama Bibi and Shahbaz Masih and to order additional police protection for Christian neighbourhoods in the province; underlines, however, the need to end the climate of impunity and for broader reforms in order to address the issue of violence against religious minorities, which remains pervasive in Pakistan

 

RUSSIA

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Mikhail Kosenko

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Boris Nemtov and Aleksei Navalny

 

 

 

 

 

Ilya Yashin, Gleb Fetisov and Yevgeny Vitishko

 

 

Bolotnaya Square demonstration took place on 6 May 2012 in which, as reported by several international and Russian human rights organizations, excessive use of violence and disproportionate measures have been used leading to the arrest and detention of hundreds of "anti-government" protesters.

 

Mikhail Kosenko is an activist who was sentenced to forced psychiatric treatment by a Russian court due to his involvement at the Bolotnaya Square demonstration. In addition, on 24 February 2014 Russian judicial authorities handed down guilty verdict against eight of those demonstrators, ranging from a suspended sentence to four years’ imprisonment, following three more severe prison sentences in 2013.

 

Boris Nemtov and Aleksei Navalny are opposition leaders who were sentenced to 10-day jail terms. Moreover, Aleksei Navalny has been placed under house arrest for two months and on 5 March 2014 was fitted with an electronic bracelet to monitor his activities.

 

Ilya Yashin is the leader of the Solidarity movement, Gleb Fetisov is the co-chair of the Alliance of Greens and Social Democrats, and Yevgeny Vitishko is an ecological activist and pre-eminent member of Yabloko. All of them belong to opposition parties and movements and have been subject to harassment by the Russian authorities and detained under various allegations.

 

 

In its Resolution, adopted on 13 March 2014, the European Parliament:

 

- Calls on the Russian judicial authorities to reconsider the sentences in the appeal process and to release the eight demonstrators, as well as Bolotnaya prisoner Mikhail Kosenko, who was sentenced to forced psychiatric treatment

 

- Expresses, equally, its deep concern over the detention of a large number of peaceful protesters following the Bolotnaya verdicts and calls for the dropping of all charges against the protesters; calls, furthermore, on the Russian Government to respect the rights of all citizens to exercise their fundamental freedoms and universal human rights

SERBIA

 

The case of accused war criminal Šešelj

 

 

Vojislav Šešelj is the president of the Serbian Radical Party who is indicted before the ICTY for persecutions on political, racial or religious grounds, deportation, inhumane acts (forcible transfer) (crimes against humanity), and for murder, torture, cruel treatment, wanton destruction of villages or devastation not justified by military necessity, destruction or wilful damage done to institutions dedicated to religion or education, plunder of public or private property (violations of the laws or customs of war) in Croatia, Bosnia and Herzegovina and parts of Vojvodina (Serbia), committed between 1991 and 1993.

 

On 6 November 2014, after more than eleven years of detention and while his trial is still ongoing, the Trial Chamber of the Tribunal issued an order proprio motu for the provisional release of Šešelj on the grounds of the deterioration of his health, subject to the conditions that he: (i) does not influence witnesses and victims; and (ii) appears before the Chamber as soon as it so orders.

 

Following his return to Serbia Šešelj made several public speeches in Belgrade in which he emphasised that he will not voluntarily return to the Tribunal when requested to do so, thereby announcing his intention to violate one of the two conditions under which he was released.

 

In his public statements Šešelj repeatedly called for the creation of ‘Greater Serbia’, publicly stating claims on neighbouring countries, including EU Member State Croatia, and inciting hatred against non-Serb people. In a press release he congratulated the Serbian Chetniks on the ‘liberation’ of Vukovar, on the 23rd anniversary of the fall of that Croatian city to Serbian paramilitary forces and the Yugoslav army in 1991 and the associated atrocities, thereby violating the requirement not to influence the victims.

 

In its Resolution, adopted on 27 November 2014, the European Parliament:

 

- Strongly condemns Šešelj’s warmongering, incitement to hatred and encouragement of territorial claims and his attempts to derail Serbia from its European path; deplores his provocative public activities and wartime rhetoric since his provisional release, which have reopened the victims’ psychological wounds from the war and the atrocities of the early 1990s; stresses that Šešelj’s recent statements could have the effect of undermining the progress made in regional cooperation and reconciliation and subverting the efforts of recent years

 

- Reminds the Serbian authorities of their obligations under the framework for cooperation with the ICTY and of Serbia’s obligations as an EU candidate country; notes with concern that the absence of an adequate political reaction and legal response by the Serbian authorities regarding Šešelj’s behaviour undermines the trust of the victims in the judicial process; encourages the Serbian authorities and the democratic parties to condemn any public manifestation of hate speech or wartime rhetoric and to promote the protection of minority and cultural rights; asks the Serbian authorities to investigate whether Šešelj has violated Serbian law and to strengthen and fully apply the legislation outlawing hate speech, discrimination and incitement to violence; supports all political parties, NGOs and individuals in Serbia that fight against hate speech.

 

SUDAN

 

Meriam Yahia Ibrahim

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dr Amin Mekki Medani

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Farouk Abu Issa

Farah Ibrahim Mohamed Alagar

 

Meriam Yahia Ibrahim is the daughter of an Ethiopian Christian mother and a Sudanese Muslim father, who was raised as a Christian. In 2013 she was accused of adultery by her father’s side of the family after they reported her to the authorities for her marriage to a Christian man. In addition, an accusation of apostasy was added in December 2013. The verdict of the court of first instance was delivered on 12 May 2014, sentencing Meriam Ibrahim, then eight months pregnant, to a hundred lashes on charges of adultery and to death by hanging on charges of apostasy, but giving her three days to renounce Christianity.

Meriam Ibrahim was convicted under Islamic sharia law, in force in Sudan since 1983, which outlaws conversions on pain of death. On 15 May 2014 the verdict was reconfirmed, as Meriam Ibrahim chose not to convert to Islam. On 27 May 2014 Meriam Ibrahim gave birth to a baby girl, Maya, in prison. It is alleged that Meriam Ibrahim’s legs were kept in shackles and chains while she was in labour, seriously endangering the health of both mother and child. On 5 May 2014 her case was successfully transferred to the Appeal Court.

Meriam Ibrahim was released from Omdurman Women’s Prison on 23 June 2014 after the Appeal Court found her not guilty of both charges, but she was arrested again at Khartoum airport as the family was about to depart for the USA, for allegedly attempting to leave the country with forged travel documents issued by the South Sudan Embassy in Khartoum. Meriam Ibrahim was freed again on 26 June 2014 and took refuge in the United States embassy with her family, and negotiations are ongoing to enable her to leave Sudan, where she faces death threats from extremist Muslims.

 

Dr Amin Mekki Medani is a 76 year-old renowned human rights activist and former President of the Sudan Human Rights Monitor (SHRM) who was arrested by the Sudanese National Intelligence and Security Services (NISS) on 6 December 2014 at his house in Khartoum. The NISS allegedly refused to allow him to take his medication with him when he was arrested despite his poor health.

 

Dr Medani symbolises a strong commitment to human rights, humanitarianism and the rule of law, having held high-level positions within a range of different national and international institutions, including the Sudan judiciary, the democratic transitional government of Sudan (as Cabinet Minister for Peace), and the UN. He has represented victims of violations and has persistently spoken out against abuse of power, and was awarded the ‘Heroes for Human Rights Award 2013’ by the EU Delegation in Sudan for his local and international efforts in promoting human rights.

 

Dr Medani was arrested shortly after his return from Addis Ababa, having signed the ‘Sudan Call’ on behalf of civil society organisations – a commitment to work towards the end of the conflicts raging in different regions of Sudan and towards legal, institutional and economic reforms.

 

Farouk Abu Issa, the leader of the opposition National Consensus Forum, and Dr Farah Ibrahim Mohamed Alagar were arrested in a similar manner, on 6 and 7 December 2014 respectively, following their involvement with the ‘Sudan Call’.

 

In its Resolution, adopted on 17 July 2014, the European Parliament:

 

- Condemns the unjustified detention of Meriam Ibrahim; calls on the Government of Sudan to repeal all legislation that discriminates on grounds of gender or religion and to protect the religious identity of minority groups

 

- Stresses that it is degrading and inhumane for a pregnant woman to give birth while chained and physically detained; calls on the Sudanese authorities to ensure that all pregnant women and labouring women in detention receive appropriate and safe maternal and newborn health care

 

- Reaffirms that freedom of religion, conscience or belief is a universal human right that needs to be protected everywhere and for everyone; strongly condemns all forms of violence and intimidation that impair the right to have or not to have, or to adopt, a religion of one’s choice, including the use of threats, physical force or penal sanctions to compel believers or non-believers to renounce their religion or to convert; highlights the fact that adultery and apostasy are acts which should not be considered to be crimes at all.

 

 

 

 

 

In its Resolution, adopted on 18 December 2014, the European Parliament:

 

- Strongly condemns the arbitrary arrest and detention of Dr Medani and other peaceful activists as an unlawful breach of their peaceful and legitimate political and human rights activities; calls for their immediate and unconditional release.

 

SYRIA AND IRAQ

 

James Foley, Steven Sotloff and David Haines

 

James Foley and Steven Sotloff were American journalists, and David Haines was a British aid worker. They were abducted in 2013 and in 2012 in the case of Mr Foley in Syria and held hostage by the Islamic State until 2014 when they were murdered.

 

 

In its Resolution, adopted on 18 September 2014, the European Parliament:

 

- Strongly condemns the murders of the journalists James Foley and Steven Sotloff and the aid worker David Haines by IS, and expresses grave concern for the safety of others still being held captive by the extremists; expresses its deep sympathy and condolences to the families of these victims and to the families of all victims of the conflict.

 

SYRIA

 

Razan Zeitouneh

 

 

 

 

 

 

 

Ioan Ibrahim and Bulos Jazigi

(Buolos

Yazigi and John Ibrahim)

 

 

 

Paolo Dall’Oglio

 

 

 

 

 

Frans van der Lugt

 

 

 

 

 

 

Bassel Safadi Khartabil

 

Razan Zeitouneh is a Syrian human rights defender, writer and winner of the Sakharov Prize in 2011, who was abducted alongside her husband and other human rights defenders in Damascus in December 2013 and their fate remains unknown.

 

 

Ioan Ibrahim and Bulos Jazigi are bishops from Assyrian Orthodox and the Greek Orthodox respectively, who have been kidnapped in the context of harassment, arrest, torture or disappearance against peaceful civil society activists, human rights defenders, religious figures by the Syrian regime and increasingly also of the several rebel groups. Paolo Dall’Oglio is another religious figure who has been missing since July 2013.

 

 

 

 

Dutch Jesuit Father Frans van der Lugt had been living in Syria for many decades and was well known for refusing to leave the besieged city of Homs. He was beaten and shot dead by gunmen on 7 April 2014.

 

 

Bassel Safadi Khartabil is a 34 year-old fervent defender of a free Internet and promoter of open source culture. He has been held prisoner since 15 March 2012 by the Syrian regime of Bashar al-Assad.

 

In its Resolution, adopted on 6 February 2014, the European Parliament:

 

- Calls for the immediate, unconditional and safe release of all political prisoners, medical personnel, humanitarian workers, journalists, religious figures and human rights activists, including 2011 Sakharov Prize winner Razan Zeitouneh, and for coordinated EU action to secure her release; calls on all parties to ensure their safety; urges the Syrian Government to grant immediate and unfettered access to all its detention facilities for international documentation bodies, including the UN Commission of Inquiry on Syria.

 

 

In its Resolution, adopted on 17 April 2014, the European Parliament:

 

- Condemns in the strongest possible terms the killing of Father Frans Van der Lugt, an inhumane act of violence against a man who stood by the people of Syria amid sieges and growing difficulties; pays tribute to his work, which extended beyond the besieged city of Homs and continues to help hundreds of civilians with their everyday survival needs

 

- Recalls the pressing need to release all political detainees, civil society activists, humanitarian aid workers, religious figures (including Father Paolo Dall’Oglio, Greek Orthodox Bishop Boulos Yazigi and Assyrian Orthodox Bishop John Ibrahim), journalists and photographers held by the regime or by rebel fighters, and to grant independent monitors access to all places of detention; urges once again the EU and its Member States to make all possible efforts to achieve the release of 2011 Sakharov Prize winner Razan Zaitouneh and of all other human rights activists in Syria, including internet activist Bassel Safadi Khartabil.

 

UKRAINE

 

Yulya Tymoshenko

 

Yulia Tymoshenko is one of Ukraine's most high-profile political figures. In 2011 she was convicted due to a gas deal arranged and agreed with Russia and given a seven-year sentence on charges of abuse of power; charges that apparently were politically motivated.

 

 

In its resolution, adopted on 6 February 2014, the European Parliament:

 

- Calls on President Yanukovych to order a stop to these practices and demands the immediate and unconditional release and political rehabilitation of all the demonstrators and political prisoners illegally detained, including Yulya Tymoshenko; calls for the setting-up of an independent investigative committee under the auspices of a recognised international body, such as the Council of Europe, in order to investigate all the human rights violations that have taken place since the demonstrations began.

UZBEKISTAN

 

Human rights activists: Azam Farmonov, Mehriniso Hamdamova, Zulhumor Hamdamova, Isroiljon Kholdorov,

Nosim Isakov, Gaybullo Jalilov, Nuriddin Jumaniyazov, Matluba Kamilova, Ganikhon

Mamatkhanov, Chuyan Mamatkulov, Zafarjon Rahimov, Yuldash Rasulov, Bobomurod

Razzokov, Fahriddin Tillaev and Akzam Turgunov

 

Journalists:

Solijon Abdurakhmanov, Muhammad Bekjanov, Gayrat Mikhliboev, Yusuf Ruzimuradov, and Dilmurod Saidov

 

Peaceful political opposition activists: Murod Juraev, Samandar Kukanov, Kudratbek Rasulov and Rustam Usmanov

 

Three independents religious figures: Ruhiddin Fahriddinov, Hayrullo Hamidov and Akram Yuldashev

 

 

The exercise of the right to freedom of expression has been deteriorated in the country. The mentioned group of people, fifteen well-known human rights activists, five journalists, four peaceful political opposition activists and three independent religious figures have been imprisoned for no reason other than exercising peacefully their right to freedom of expression.

 

In addition, peaceful protesters including, Dilorom Abdukodirova, Botirbek Eshkuziev, Bahrom Ibragimov, Davron Kabilov, Erkin Musaev, Davron Tojiey and Ravshanbek Vafoev were shot and killed by governmental forces.

 

In its Resolution, adopted on 23 October 2014, the European Parliament:

 

- Calls for the immediate and unconditional release of all persons imprisoned on politically motivated charges, held for peaceful expression of their political views, civil society activism, journalistic activity or religious views.

VENEZUELA

 

Leopoldo Lopez

 

 

 

 

 

 

 

Daniel Ceballos, Vicencio Scarano and Salvatore Lucchese

 

 

Juan Carlos Caldera, Ismael García and Richard Mardo

 

 

 

 

Sairam Rivas, Cristian Gil and Manuel Cotiz

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

María Corina Machado

 

Leopoldo López is the opposition leader who was arbitrarily detained on 18 February 2014 on charges of conspiracy, instigating violent demonstrations, arson and damage to property. Since his detention he has suffered physical and psychological torture and undergone solitary confinement.

 

Daniel Ceballos and Vicencio Scarano are opposition mayors and Salvatore Lucchese is a police office. They have been arrested for failing to end protests and civil rebellion in their cities, and have been sentenced to several years in prison. In addition, Juan Carlos Caldera, Ismael García and Richard Mardo who are opposition congressmen are facing investigations and trial proceedings aimed at their suspension and disqualification from Congress.

 

Sairam Rivas is the president of the Students’ Centre of the School of Social Work at the Central University of Venezuela. She has been unjustly held on premises belonging to the Bolivarian Intelligence Service for more than 120 days together with Cristian Gil and Manuel Cotiz. They have been subjected to torture and ill-treatment in connection with the protests that took place between February and May 2014, having been accused of the offences of instigating crimes and using minors to commit crimes.

 

María Corina Machado is a Member of the National Assembly who had obtained the largest popular vote in Venezuela. In March 2014 she was unlawfully and arbitrarily removed from office, deprived of her mandate and expelled from Parliament by the President of the National Assembly, Diosdado Cabello, who accused her of treason because she had spoken out against the massive and systematic violation of human rights in Venezuela before the Permanent Council of the OAS. In the course of her political and parliamentary activity María Corina Machado was subjected to a series of criminal proceedings, political persecution, threats, intimidation, harassment and even physical violence from government supporters inside the Chamber of the National Assembly. In addition, she was recently charged with attempting to assassinate President Maduro and may face up to 16 years in prison.

 

In its Resolution, adopted on 18 December 2014, the European Parliament:

 

- Urges the immediate release of those arbitrarily detained prisoners, in line with the demands made by several UN bodies and international organisations

 

- Strongly condemns the political persecution and repression of the democratic opposition, the violations of freedom of expression and of demonstration, and the existence of media and web censorship

 

- Strongly condemns the use of violence against protesters; expresses its sincere condolences to the families of the victims; calls on the Venezuelan authorities to investigate these crimes and to hold those responsible fully accountable with no margin of impunity.

BIJLAGE II

LIST OF RESOLUTIONS

List of resolutions adopted by the European Parliament during the year 2014 and relating directly or indirectly to human rights violations in the world

Country

Date of adoption in plenary

Title

Africa

Burundi

18.09.2014

Burundi, in particular the case of Pierre Claver Mbonimpa

Egypt

06.02.2014

Situation in Egypt

Egypt

13.03.2014

Security and human trafficking in Sinai

Egypt

17.07.2014

Freedom of expression and assembly in Egypt

Libya

18.09.2014

Situation in Libya

Mauritania

18.12.2014

Mauritania, in particular the case of Biram Dah Abeid

Nigeria

17.07.2014

Nigeria, recent attacks by Boko Haram

Nigeria and Uganda

13.03.2014

Launching consultations to suspend Uganda and Nigeria from the Cotonou

Agreement in view of recent legislation further criminalising homosexuality

South Sudan

16.01.2014

Situation in South Sudan

South Sudan

13.11.2014

Humanitarian situation in South Sudan

Sudan

17.07.2014

Sudan, the case of Meriam Yahia Ibrahim

Sudan

18.12.2014

Sudan: the case of Dr Amin Mekki Medani

Americas

Ecuador

17.12.2014

Tariff treatment for goods originating from Ecuador

Mexico

23.10.2014

Disappearance of 43 teaching students in Mexico

Venezuela

18.12.2014

Persecution of the democratic opposition in Venezuela

Asia

Azerbaijan

18.09.2014

Persecution of human rights defenders in Azerbaijan

Bangladesh

16.01.2014

Recent Elections on Bangladesh

Bangladesh

18.09.2014

Human rights violations in Bangladesh

Cambodia and Laos

16.01.2014

Situation of rights defenders and opposition activists in Cambodia and Laos

Georgia

18.12.2014

Conclusion of the Association agreement with Georgia

Japan

17.04.2014

Negotiation of the EU-Japan strategic partnership agreement

North Korea

17.04.2014

Situation in North Korea

Pakistan

17.04.2014

Pakistan: recent cases of persecution

Pakistan

27.11.2014

Pakistan: blasphemy laws

Thailand

06.02.2014

Situation in Thailand

Uzbekistan

23.10.2014

Human rights in Uzbekistan

Europe

Moldova

13.11.2014

Association agreement between the European Union and the Republic of Moldova

Ukraine

06.02.2014

Situation in Ukraine

Ukraine

17.07.2014

Situation in Ukraine

Ukraine

18.09.2014

Situation in Ukraine and state of play of EU-Russia relations

Russia

13.03.2014

Russia: sentencing of demonstrators involved in the Bolotnaya Square events

Russia

23.10.2014

Closing down of Memorial (Sakharov Prize 2009) in Russia

Russia

06.02.2014

EU-Russia summit

Serbia

27.11.2014

Serbia: the case of accused war criminal Šešelj

Transnistrian region

06.02.2014

Right to education in the Transnistrian region

Middle East

Bahrain

06.02.2014

Bahrain, in particular the cases of Nabeel Rajab, Abdulhadi al-Khawaja and Ibrahim Sharif

Iraq

17.07.2014

Situation in Iraq

Iraq

27.11.2014

Iraq: kidnapping and mistreatment of women

Iraq

27.02.2014

Situation in Iraq

Iraq and Syria

18.09.2014

Situation in Iraq and Syria and the IS offensive including the persecution of

minorities

Syria

06.02.2014

Situation in Syria

Syria

17.04.2014

Syria: situation of certain vulnerable communities

Iran

03.04.2014

EU strategy towards Iran

Israel-Palestine

17.07.2014

Escalation of violence between Israel and Palestine

Israel-Palestine

18.09.2014

Israel-Palestine after the Gaza war and the role of the EU

Cross-cutting issues

LGBTI

16.01.2014

Recent move to criminalise LGBTI people

Female genital mutilation

06.02.2014

Elimination of female genital mutilation

25th Session of the UN Human Rights Council

13.03.2014

EU priorities for the 25th session of the UN Human Rights Council

Right to food

27.11.2014

Child undernutrition in developing countries

Rights of the child

27.11.2014

25th anniversary of the UN Convention on the Rights of the Child

Religious and cultural differences

17.04.2014

Resolution on EU foreign policy in a world of cultural and religious differences

Crime of aggression

17.07.2014

Crime of Aggression

Use of armed drones

27.02.2014

The use of armed drones

Arms Trade Treaty

05.02.2014

Ratification of the Arms Trade Treaty

EU and global development framework after 2015

25.11.2014

The EU and the global development framework after 2015

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.11.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

47

4

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Lars Adaktusson, Michèle Alliot-Marie, Francisco Assis, James Carver, Javier Couso Permuy, Andi Cristea, Mark Demesmaeker, Georgios Epitideios, Knut Fleckenstein, Eugen Freund, Sandra Kalniete, Manolis Kefalogiannis, Afzal Khan, Janusz Korwin-Mikke, Eduard Kukan, Ilhan Kyuchyuk, Barbara Lochbihler, Sabine Lösing, Ulrike Lunacek, Andrejs Mamikins, Tamás Meszerics, Francisco José Millán Mon, Pier Antonio Panzeri, Demetris Papadakis, Vincent Peillon, Tonino Picula, Kati Piri, Andrej Plenković, Cristian Dan Preda, Jozo Radoš, Sofia Sakorafa, Jacek Saryusz-Wolski, Alyn Smith, László Tőkés, Johannes Cornelis van Baalen

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Ignazio Corrao, Luis de Grandes Pascual, Angel Dzhambazki, Tanja Fajon, Mariya Gabriel, Liisa Jaakonsaari, Javi López, Norica Nicolai, Soraya Post, Marietje Schaake, Helmut Scholz, Igor Šoltes, Traian Ungureanu, Marie-Christine Vergiat

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Beatriz Becerra Basterrechea, Ramona Nicole Mănescu, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Ivan Štefanec, Jaromír Štětina, Patricija Šulin

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0070.

(2)

http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-11855-2012-INIT/nl/pdf

(3)

http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/EN/foraff/142549.pdf

(4)

http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/EN/foraff/137585.pdf

(5)

http://www.europarl.europa.eu/document/activities/cont/201203/20120329ATT42170/20120329ATT42170EN.pdf

(6)

http://www.consilium.europa.eu/en/policies/pdf/st10152-en15_pdf/

(7)

http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-10897-2015-INIT/en/pdf

(8)

http://www.consilium.europa.eu/en/meetings/fac/2015/10/st13201-en15_pdf/

(9)

http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/EN/foraff/130243.pdf

(10)

http://register.consilium.europa.eu/doc/srv?l=EN&f=ST%2015559%202014%20INIT

(11)

http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:32015D0260

(12)

http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-9242-2015-INIT/en/pdf

(13)

http://www.un.org/en/ga/search/view_doc.asp?symbol=S/RES/1325(2000)

(14)

Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0226.

(15)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0334.

(16)

Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0470.

(17)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0274.

(18)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0394.

(19)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0420.

(20)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0252.

(21)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0079.

(22)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0259.

(23)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0206.

(24)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0076.

(25)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0272.

(26)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0288.

(27)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0317.

(28)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0350.

(29)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0348.

(30)

http://ec.europa.eu/enlargement/pdf/key_documents/2014/20141008-strategy-paper_nl.pdf

(31)

http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:52011DC0200&from=EN

(32)

http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2011:0303:FIN:nl:PDF

(33)

http://ec.europa.eu/transparency/regdoc/rep/10102/2014/EN/10102-2014-152-EN-F1-1.Pdf

(34)

http://daccess-dds-ny.un.org/doc/UNDOC/GEN/G14/082/52/PDF/G1408252.pdf?OpenElement

(35)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0274.

(36)

http://www.unfpa.org/sites/default/files/pub-pdf/Joint%20Programme%20on%20FGMC%20Summary%20Report.pdf

(37)

http://daccess-dds-ny.un.org/doc/UNDOC/GEN/G14/086/06/PDF/G1408606.pdf?OpenElement

(38)

https://www.consilium.europa.eu/ueDocs/cms_Data/docs/hr/news53.pdf

(39)

http://ec.europa.eu/enlargement/pdf/key_documents/2014/20141008-strategy-paper_nl.pdf

(40)

http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2014:077:0027:0043:nl:PDF

(41)

Aangenomen teksten, P8_TA-PROV(2015)0274.

(42)

http://www.ohchr.org/Documents/Publications/GuidingPrinciplesBusinessHR_EN.pdf

(43)

http://wcip2014.org/wp-content/uploads/2013/03/N1446828.pdf

(44)

http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2011:101:0001:0011:NL:PDF

(45)

https://ec.europa.eu/anti-trafficking/sites/antitrafficking/files/eu_strategy_towards_the_eradication_of_trafficking_in_human_beings_2012-2016_1.pdf

(46)

http://www.coe.int/en/web/portal/10-october-against-death-penalty

(47)

http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cmsUpload/TortureGuidelines.pdf

(48)

http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/en/foraff/137584.pdf

(49)

http://europa.eu/rapid/press-release_IP-15-5690_en.pdf

(50)

http://www.un.org/en/ga/search/view_doc.asp?symbol=S/RES/1325(2000)

(51)

http://www.un.org/en/ga/search/view_doc.asp?symbol=S/RES/1820(2008)

(52)

http://www.un.org/ga/search/view_doc.asp?symbol=E/2015/27

(53)

http://register.consilium.europa.eu/doc/srv?l=nl&f=ST%2015559%202014%20INIT

(54)

http://www.unicef.org/eu/crtoolkit/downloads/Child-Rights-Toolkit-Web-Links.pdf

(55)

SWD(2015)0182.

(56)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0350.

(57)

Bron: http://www.aidos.it/files/1226588271Frontes_Introduzione.pdf

(58)

http://www.ohchr.org/Documents/Publications/Factsheet31.pdf

(59)

Bron: http://www.aidos.it/files/1226588271Frontes_Introduzione.pdf

(60)

Bron: http://www.unicef.org/factoftheweek/index_52778.html

(61)

Zie punten 7.2 en 7.3 van het Actieprogramma van de Internationale Conferentie over bevolking en ontwikkeling.

Juridische mededeling