Procedure : 2014/0091(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0011/2016

Ingediende teksten :

A8-0011/2016

Debatten :

PV 23/11/2016 - 17
CRE 23/11/2016 - 17

Stemmingen :

PV 24/11/2016 - 8.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0448

VERSLAG     ***I
PDF 1017kWORD 760k
3.2.2016
PE 565.015v04-00 A8-0011/2016

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (herschikking)

(COM(2014)0167 – C7-0112/2014 – 2014/0091(COD))

Commissie economische en monetaire zaken

Rapporteur: Brian Hayes

(Herschikking – artikel 104 van het Reglement)

AMENDEMENTEN
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (herschikking)

(COM(2014)0167 – C7-0112/2014 – 2014/0091(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: herschikking)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2014)0167),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 53 en 62 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0112/2014),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(1),

–  gezien de brief d.d. 15 juli 2014 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie economische en monetaire zaken overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 104 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0011/2016),

A.  overwegende dat het voorstel van de Commissie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast, rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Amendement    1

AMENDEMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT(2)*

op het voorstel van de Commissie

---------------------------------------------------------

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening

(herschikking)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 53, artikel 62 en artikel 114, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Na raadpleging van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad(3) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd(4). Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van deze richtlijn te worden overgegaan.

(2)  Op de interne markt moeten instellingen de mogelijkheid hebben om in andere lidstaten te opereren en daarbij deelnemers aan en pensioengerechtigden van regelingen voor bedrijfspensioenvoorziening een hoog niveau van bescherming en veiligheid te bieden. In deze richtlijn wordt vastgesteld welke procedures moeten worden gevolgd om grensoverschrijdende activiteiten te ontplooien.

(2 bis)  Deze richtlijn beoogt in een minimale harmonisatie te voorzien en mag de lidstaten niet beletten verdere voorschriften ter bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden in te voeren, mits deze voorschriften in overeenstemming zijn met de verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van het EU-recht. Deze richtlijn is niet van toepassing op andere kwesties in verband met nationaal sociaal, arbeids-, belasting- en contractenrecht of de toereikendheid van de pensioenvoorziening in de lidstaten dan de in deze richtlijn vastgestelde voorschriften betreffende bedrijfspensioenvoorziening.

(2 ter)  Teneinde de mobiliteit van werknemers tussen de lidstaten verder te vergemakkelijken, beoogt deze richtlijn goede governance, informatieverstrekking aan deelnemers en een transparante en veilige bedrijfspensioenvoorziening te garanderen. Deze richtlijn moet het makkelijker maken om binnen collectieve stelsels nieuwe, innovatieve pensioenproducten te ontwikkelen die tot doel hebben eenieder van een adequate pensioenvoorziening te verzekeren.

(2 quater)  De wijze waarop instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening zijn georganiseerd en gereglementeerd, verschilt aanzienlijk van lidstaat tot lidstaat. Zowel instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening als levensverzekeringsondernemingen voeren bedrijfspensioenregelingen uit. Een uniforme aanpak van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening is daarom niet aangewezen. De Commissie en de bij Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad(5) opgerichte Europese Toezichthoudende Autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) (EIOPA) moeten in het kader van hun werkzaamheden rekening houden met de verschillende tradities van de lidstaten en moeten de nationale sociale en arbeidswetgeving onverlet laten bij de organisatie van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.

(3)  Met Richtlijn 2003/41/EG is een eerste wetgevende stap gezet op de weg naar een interne markt voor op Europese schaal georganiseerde bedrijfspensioenvoorziening. Een echte interne markt voor bedrijfspensioenvoorziening blijft van wezenlijk belang voor de economische groei en de schepping van werkgelegenheid in de Europese Unie en voor het aanpakken van de uitdaging van een vergrijzende Europese samenleving. De richtlijn, die van 2003 dateert, behoefde niet ingrijpend te worden gewijzigd om er ook een modern risicogebaseerd governancesysteem voor instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening in op te nemen. Passende regelgeving en passend toezicht op nationaal en EU-niveau blijft belangrijk voor de ontwikkeling van een veilige bedrijfspensioenvoorziening in alle lidstaten. De lidstaten moeten er rekening mee houden dat alle instellingen tot doel moeten hebben om het intergenerationele evenwicht in bedrijfspensioenregelingen te waarborgen door een eerlijke spreiding van risico's en voordelen over de generaties te beogen.

(3 bis)  De activiteiten van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening moeten het intergenerationele evenwicht waarborgen door een eerlijke spreiding van risico's en voordelen over de generaties.

(4)  Passende actie is geboden om aanvullende particuliere pensioenspaarregelingen, zoals bedrijfspensioenregelingen, verder te verbeteren. Dat is belangrijk omdat socialezekerheidsstelsels onder toenemende druk komen te staan, wat inhoudt dat burgers in de toekomst steeds meer op bedrijfspensioenen kunnen gaan vertrouwen als aanvulling op toekomstige pensioenspaarregelingen. Instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening spelen een belangrijke rol bij de langetermijnfinanciering van de EU-economie en bij het verstrekken van veilige pensioenuitkeringen aan de EU-burgers. Bedrijfspensioenvoorzieningen dienen verder te worden verbeterd, zonder evenwel te tornen aan het fundamentele belang van socialezekerheidspensioenregelingen als een veilige, duurzame en doeltreffende sociale bescherming, die alle burgers op hogere leeftijd een acceptabele levensstandaard dient te waarborgen voor alle burgers en derhalve centraal dient te staan bij de doelstelling van de versterking van het Europese sociale model.

(4 bis)  Gezien de demografische ontwikkelingen in de Unie en de toestand van de nationale begrotingen vormt bedrijfspensioenvoorziening een waardevolle aanvulling op het pensioenstelsel van de sociale zekerheid, maar kan bedrijfspensioenvoorziening het fundamentele belang van dat laatste niet vervangen als het om de voorziening van adequate, veilige en duurzame pensioenuitkeringen gaat.

(4 ter)  De lidstaten moeten de sociale bescherming van werknemers met betrekking tot pensioenen garanderen door te voorzien in overheidspensioenen die toereikend zijn om een waardige levensstandaard te behouden en die ouderen beschermen tegen armoede, en door aanvullende pensioenregelingen die aan arbeidsovereenkomsten gekoppeld zijn, te promoten als aanvullende dekking.

(5)  Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en in het bijzonder het recht op bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van ondernemerschap, het recht op eigendom, recht op collectieve onderhandelingen en collectieve actie en het recht op een hoog niveau van consumentenbescherming, met name door het waarborgen van een transparantere pensioenvoorziening, een geïnformeerde persoonlijke financiële en pensioenplanning en het faciliteren van grensoverschrijdende activiteiten van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening en de overdracht van pensioenregelingen. Deze richtlijn moet worden toegepast overeenkomstig deze rechten en beginselen.

(5 bis)  Een van de doelstellingen van Richtlijn 2003/41/EG bestond erin grensoverschrijdende activiteiten van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening te faciliteren, maar er moet worden erkend dat deze activiteiten beperkt zijn gebleven door de beperkingen die door de nationale sociale en arbeidswetgeving worden opgelegd en door andere belemmeringen voor de goede werking van de interne markt.

(5 ter)  Om de werking van de interne markt op het gebied van bedrijfspensioenvoorzieningen te verbeteren, is het belangrijk dat de procedures die instellingen in staat stellen grensoverschrijdende activiteiten te verrichten, worden verduidelijkt en dat onnodige belemmeringen die dergelijke grensoverschrijdende activiteiten in de weg staan, worden weggenomen. Het faciliteren van grensoverschrijdende activiteiten op basis van een passend prudentieel EU-kader kan positieve gevolgen hebben voor verbonden ondernemingen en hun werknemers, in welke lidstaat zij ook werken, door het centraliseren van het beheer van de bedrijfspensioenvoorziening.

(5 quater)  De lidstaten moeten de pensioenrechten van werknemers die tijdelijk naar een andere lidstaat worden gestuurd om daar te werken, beter beschermen.

(6)  Ondanks de inwerkingtreding van Richtlijn 2003/41/EG blijven er belangrijke prudentiële belemmeringen bestaan die het duurder maken voor instellingen om over de grenzen heen pensioenregelingen uit te voeren. Bovendien moet het huidige minimumniveau van bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden worden opgetrokken. Dit is des te belangrijker omdat het aantal Europeanen dat vertrouwt op regelingen die het hogeleeftijdsrisico en het marktrisico doorschuiven van de instelling of onderneming die de bedrijfspensioenregeling aanbiedt ("bijdragende onderneming") naar de betrokken persoon, sterk is gestegen. Bovendien moet het huidige minimumniveau van informatieverstrekking aan deelnemers en pensioengerechtigden worden verhoogd. ▌

(7)  De in de richtlijn verankerde prudentiële regels zijn bedoeld om alle toekomstige gepensioneerden door middel van strenge toezichtsnormen een hoge mate van zekerheid te bieden en tegelijkertijd een gezonde, prudente en efficiënte uitvoering van de regelingen voor bedrijfspensioenvoorziening mogelijk te maken.

(8)  Instellingen die volledig zijn gescheiden van bijdragende ondernemingen en die op basis van kapitaaldekking opereren met als enig doel het verstrekken van pensioenuitkeringen, dienen vrijelijk diensten en beleggingen te kunnen verrichten met als enige voorwaarde dat aan gecoördineerde prudentiële vereisten wordt voldaan, ongeacht of deze instellingen als rechtspersonen worden beschouwd.

(9)  Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel dienen de lidstaten volledig verantwoordelijk te blijven voor de organisatie van hun pensioenstelsels en voor de besluitvorming inzake de rol van elke der drie pensioenpijlers in de individuele lidstaten. In de context van de tweede pensioenpijler moeten zij ook volledig verantwoordelijk blijven voor de rol en de functies van de verschillende instellingen die bedrijfspensioenen uitkeren, zoals pensioenfondsen voor een bedrijfstak, ondernemingspensioenfondsen en levensverzekeringsondernemingen. Dit recht van de lidstaten wordt door deze richtlijn niet ter discussie gesteld. Met deze richtlijn wordt veeleer beoogd de lidstaten aan te moedigen om een veilige en toereikende bedrijfspensioenvoorziening op te bouwen en grensoverschrijdende activiteiten te faciliteren.

(9 bis)  Rekening houdend met de noodzaak om de bedrijfspensioenvoorzieningen te verbeteren, moet de Commissie aanzienlijke meerwaarde op EU-niveau creëren door verdere maatregelen te nemen om de samenwerking tussen de lidstaten en de sociale partners bij de verbetering van de tweedepijlerstelsels te ondersteunen en door een deskundigengroep op hoog niveau in te stellen om tweedepijlerpensioensparen in de lidstaten te bevorderen, onder meer door het aanmoedigen van de uitwisseling van best practices tussen de lidstaten, met name wat grensoverschrijdende activiteiten betreft.

(9 ter)  In sommige lidstaten vindt bij de particuliere pensioenen een verschuiving plaats van vaste toezeggingen ("defined benefit") naar vaste bijdragen ("defined contribution"), wat tot een dekkingskloof tussen mannen en vrouwen leidt.

(9 quater)  Aangezien het belangrijk is toereikende pensioenniveaus te waarborgen en de genderkloof te dichten, moet de Commissie de gevolgen van de verschillende pijlers, pensioenregelingen en structuren voor zowel mannen als vrouwen nauwkeurig bestuderen. Op basis van de resultaten moet de Commissie maatregelen en mogelijke structurele aanpassingen voorstellen om in de verschillende lidstaten gelijke pensioenniveaus voor mannen en vrouwen te waarborgen.

(9 quinquies)  De pensioenkloof tussen mannen en vrouwen in de Unie bedraagt gemiddeld 39 % en daarom mag de Commissie niet uitsluitend vertrouwen op prudentiële regels, maar moet zij de lidstaten ook stimuleren om aanvullende regelingen te ontwikkelen met controlemechanismen waarmee de gevolgen kunnen worden gemonitord, teneinde bij te dragen tot de tweede pensioenpijler als een manier om de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen te dichten en een behoorlijk pensioen bereikbaar te maken voor vrouwen.

(10)  De nationale voorschriften betreffende de deelname van zelfstandigen aan instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening lopen uiteen. In sommige lidstaten mogen instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening opereren op grond van overeenkomsten met een branche of met bedrijfsorganisaties waarvan de aangeslotenen als zelfstandigen werkzaam zijn, dan wel op grond van rechtstreeks met zelfstandigen en werknemers gesloten overeenkomsten. In sommige lidstaten kan een zelfstandige zich ook aansluiten bij een instelling wanneer de zelfstandige handelt als werkgever of professionele diensten ten behoeve van een onderneming verricht. In sommige lidstaten mogen zelfstandigen niet aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening deelnemen tenzij bepaalde voorwaarden, waaronder die welke voortvloeien uit de sociale en de arbeidswetgeving, vervuld zijn.

(11)  Instellingen die socialezekerheidsregelingen beheren en die reeds op Unieniveau worden gecoördineerd, dienen van het toepassingsgebied van deze richtlijn te worden uitgesloten. Wel moet rekening worden gehouden met het speciale geval van instellingen die in één lidstaat zowel socialezekerheidsregelingen als bedrijfspensioenregelingen beheren.

(12)  Financiële instellingen waarop reeds Unieregelgeving van toepassing is, dienen in de regel van het toepassingsgebied van deze richtlijn te worden uitgesloten. Daar deze instellingen in sommige gevallen echter ook bedrijfspensioendiensten aanbieden, moet ervoor worden gezorgd dat deze richtlijn niet tot mededingingsverstoringen leidt. Deze verstoringen kunnen worden vermeden door de prudentiële vereisten van deze richtlijn ook toe te passen op de bedrijfspensioenactiviteiten van levensverzekeringsondernemingen overeenkomstig artikel 2, lid 3, onder a), punten i) tot en met iii), en artikel 2, lid 3, onder b), punten iii) en iv), van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad(6) bis. De Commissie moet zorgvuldig toezien op de situatie op de markt voor bedrijfspensioenregelingen en nagaan of het mogelijk is de facultatieve toepassing van deze richtlijn uit te breiden tot andere financiële instellingen waarop regelgeving van toepassing is.

(13)  Aangezien instellingen voor bedrijfspensioenregelingen tot doel hebben financiële zekerheid na pensionering te verschaffen, dient ervoor gezorgd te worden dat de pensioenuitkeringen van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening in de regel voorzien in uitbetaling van een levenslang pensioen, een qua tijdsduur beperkte uitkering, de uitkering van een bedrag ineens of om het even welke combinatie daarvan.

(14)  Het is van belang ervoor te zorgen dat ouderen en gehandicapten niet het gevaar lopen in armoede te geraken en dat zij van een behoorlijke levensstandaard kunnen genieten. Een passende dekking van biometrische risico's in bedrijfspensioenregelingen is een belangrijk aspect van de bestrijding van armoede en onzekerheid bij ouderen. Bij de opzet van een pensioenregeling moeten werknemers en werkgevers of hun respectieve vertegenwoordigers overwegen of het mogelijk is in de pensioenregeling voorzieningen op te nemen ter dekking van het hoge leeftijdsrisico en arbeidsongeschiktheid, alsmede uitkeringen aan nabestaanden die van de verzekeringnemer afhankelijk zijn.

(15)  De lidstaten toestaan om instellingen die regelingen met minder dan 100 deelnemers uitvoeren of waarvan de technische voorzieningen in totaal niet meer dan 25 miljoen EUR bedragen, van de werkingssfeer van de nationale uitvoeringsbepalingen uit te sluiten, kan het toezicht in bepaalde lidstaten vergemakkelijken zonder de deugdelijke werking van de interne markt op dit gebied te ondermijnen. Een en ander mag echter geen afbreuk doen aan het recht van die instellingen om in een andere lidstaat gevestigde en naar behoren erkende beleggingsbeheerders te benoemen voor het beheer van hun beleggingsportefeuille en in een andere lidstaat gevestigde en naar behoren erkende bewaarnemers of bewaarders te benoemen voor de bewaring van hun activa▐.

(16)  Instellingen zoals de "Unterstützungskassen" in Duitsland, waarvan de deelnemers geen wettelijke rechten op uitkeringen van een bepaald bedrag hebben en waarbij de belangen van de deelnemers door een verplichte wettelijke verzekering tegen insolventie worden beschermd, dienen van het toepassingsgebied van deze richtlijn te worden uitgezonderd.

(17)  Ter bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden is vereist dat instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening hun activiteiten▐, en de daarmee verband houdende werkzaamheden, beperken tot de activiteiten die in deze richtlijn worden genoemd, en de deelnemers en pensioengerechtigden duidelijke en relevante informatie verstrekken omwille van het garanderen van een goede governance en een degelijk risicobeheer.

(18)  In geval van faillissement van een bijdragende onderneming loopt de deelnemer het gevaar zowel zijn werk als zijn verworven pensioenrechten te verliezen. Derhalve is een duidelijke scheiding tussen de bijdragende onderneming en de instelling noodzakelijk en dienen door middel van verzekeringen minimale prudentiële normen te worden vastgesteld om de deelnemers te beschermen. De toegang van de instelling tot pensioenbeschermingsregelingen of soortgelijke regelingen die bescherming bieden aan de verworven individuele aanspraken van deelnemers en pensioengerechtigden tegen het risico van faillissement van de bijdragende onderneming moet bij de vaststelling van prudentiële normen worden meegerekend en gespecificeerd.

(19)  De werking van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening lopen in de lidstaten aanzienlijk uiteen. In sommige lidstaten kan niet alleen op de instelling zelf toezicht worden uitgeoefend, maar ook op de lichamen of ondernemingen die gemachtigd zijn deze instellingen te beheren. De lidstaten moeten met een dergelijke specifieke omstandigheid rekening kunnen houden zolang daadwerkelijk aan alle in deze richtlijn opgenomen vereisten wordt voldaan. Daarnaast moeten de lidstaten verzekeringslichamen en andere financiële lichamen kunnen toestaan om instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening te beheren.

(19 bis)  Een veerkrachtig stelsel berust op de diversificatie van de producten, de diversiteit en de omvang van de instellingen, alsook effectieve en convergente toezichtgebruiken.

(20)  Instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening verrichten financiële diensten en dragen een grote verantwoordelijkheid voor de verschaffing van bedrijfspensioenuitkeringen en moeten uit dien hoofde aan een aantal minimale prudentiële normen voldoen met betrekking tot hun werkzaamheden en de voorwaarden voor de uitvoering daarvan, rekening houdend met de nationale regelgeving en tradities. Deze instellingen mogen echter niet als louter financiële instellingen worden behandeld, omdat zij een belangrijke sociale functie vervullen vanwege de centrale rol van de sociale partners in het beheer van de instellingen.

(20 bis)  De sociale functie van een instelling en de driehoeksverhouding tussen de werknemer, de werkgever en de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening moeten naar behoren worden erkend en ondersteund als leidende beginselen van deze richtlijn.

(20 ter)  Instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening maken een vitaal deel uit van de Europese economie: zij beheren een kapitaal van 2,5 triljoen EUR ten behoeve van ongeveer 75 miljoen burgers van de Unie.

(21)  Gezien het enorme aantal instellingen in bepaalde lidstaten moet een pragmatische oplossing worden gevonden in verband met de voorafgaande vergunningverlening aan de instellingen. Wanneer een instelling in een andere lidstaat een pensioenregeling wenst uit te voeren, moet echter een voorafgaande vergunning, verleend door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, worden verlangd.

(22)  Onverminderd de nationale sociale en arbeidswetgeving op het gebied van de organisatie van pensioenstelsels, daaronder begrepen verplichte deelneming en het resultaat van collectieve arbeidsovereenkomsten, dienen instellingen de mogelijkheid te hebben na het verkrijgen van een vergunning van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de instelling hun diensten in andere lidstaten te verrichten. Het dient hun te zijn toegestaan in gelijk welke lidstaat gevestigde ondernemingen als bijdragende onderneming te aanvaarden en pensioenregelingen met deelnemers in meer dan één lidstaat uit te voeren. Dit zou deze instellingen aanzienlijke schaalvoordelen kunnen opleveren, het concurrentievermogen van deze bedrijfstak in de Unie kunnen verbeteren en de arbeidsmobiliteit kunnen vergroten.

(23)  Het recht van een in een bepaalde lidstaat gevestigde instelling om een bedrijfspensioenregeling overeengekomen in een andere lidstaat uit te voeren, moet worden uitgeoefend met volledige inachtneming van de bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving die in de lidstaat van ontvangst van kracht zijn, voor zover deze voor bedrijfspensioenregelingen relevant zijn, bijvoorbeeld de definitie en de betaling van pensioenuitkeringen en de voorwaarden voor de overdraagbaarheid van pensioenrechten.  Het toepassingsgebied van de prudentiële regels moet worden verduidelijkt om de rechtszekerheid van de grensoverschrijdende activiteiten van de instellingen te garanderen.

(24)  Instellingen moeten pensioenregelingen binnen de Unie over de grenzen heen aan andere instellingen kunnen overdragen om de organisatie van de bedrijfspensioenvoorziening op Uniebrede schaal te vergemakkelijken, waarbij als enige beperking geldt dat aan de instelling waaraan de pensioenregeling wordt overgedragen (de "ontvangende instelling"), vergunning moet zijn verleend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de betrokken instelling.▌De overdracht en de daaraan verbonden voorwaarden moeten van tevoren worden goedgekeurd door de betrokken deelnemers en pensioengerechtigden of, in voorkomend geval, hun vertegenwoordigers. Bij een overdracht van een pensioenregeling moeten de betrokken deelnemers en pensioengerechtigden voorafgaande toestemming geven voor de overdracht. Vertegenwoordigers van de deelnemers en pensioengerechtigden moeten namens hen voorafgaande toestemming kunnen geven.

(24 bis)  Bij een overdracht van een deel van een pensioenregeling moet de levensvatbaarheid van zowel het overgedragen als het resterende deel van de pensioenregeling worden gegarandeerd en moeten de rechten van alle deelnemers en pensioengerechtigden na de overdracht afdoende worden beschermd, door te vereisen dat zowel de overdragende als de ontvangende instelling over voldoende en passende activa beschikken om de technische voorzieningen voor het overgedragen deel en het resterende deel van de regeling te dekken.

(25)  Een prudente berekening van de technische voorzieningen is van wezenlijk belang om ervoor te zorgen dat zowel op korte als op lange termijn aan de uitkeringsverplichtingen kan worden voldaan. De technische voorzieningen moeten derhalve worden berekend op basis van erkende actuariële methoden en door een actuaris of door een andere deskundige op dat gebied worden gewaarmerkt. De maximale rentevoeten moeten prudent worden gekozen overeenkomstig relevante nationale voorschriften. Het minimumbedrag van de technische voorzieningen moet toereikend zijn om de uitbetaling van de reeds verschuldigde uitkeringen aan pensioengerechtigden te kunnen voortzetten en de verplichtingen weergeven die uit de opgebouwde pensioenrechten van de deelnemers voortvloeien. De actuariële functie moet worden uitgeoefend door personen die kennis van actuariële en financiële wiskunde hebben die in verhouding staat tot de aard, de schaal en de complexiteit van de risico's die aan de activiteiten van de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening verbonden zijn, en die kunnen aantonen over relevante ervaring met de toepasselijke beroeps- en andere normen te beschikken.

(26)  De door de instellingen gedekte risico's lopen van lidstaat tot lidstaat sterk uiteen. De lidstaten van herkomst dienen derhalve de mogelijkheid te hebben de berekening van de technische voorzieningen te onderwerpen aan aanvullende en uitvoeriger regels dan die welke in deze richtlijn zijn vastgesteld.

(27)  Toereikende en passende activa ter dekking van de technische voorzieningen moeten worden vereist om de belangen te beschermen van de deelnemers aan en pensioengerechtigden van de pensioenregeling wanneer de bijdragende onderneming insolvent wordt. Toekomstige steun van bijdragende ondernemingen kan in de activa worden opgenomen indien de waardebepaling daarvan aan een onafhankelijke controle wordt onderworpen en indien daarbij op prudente wijze rekening wordt gehouden met het risico van in gebreke blijven van de bijdragende onderneming.

(27 bis)  De lidstaten moeten best practices met betrekking tot grensoverschrijdende instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening uitwisselen en bilaterale samenwerking tussen de bevoegde toezichthoudende instanties aanmoedigen om nationale belemmeringen weg te nemen en grensoverschrijdende pensioenen te stimuleren.

(28)  ▌Lidstaten moeten kunnen toestaan dat instellingen gedurende een beperkte periode ontoereikend gedekt zijn, mits een deugdelijk herstelplan met een duidelijk tijdschema wordt opgesteld om tot volledige kapitaaldekking te komen, onverminderd de vereisten van Richtlijn 80/987/EEG(7).

(29)  Dikwijls kan het de bijdragende onderneming en niet de instelling zelf zijn die hetzij het biometrische risico dekt, hetzij een bepaald uitkeringsniveau of bepaalde beleggingsresultaten waarborgt. Soms verschaft de instelling deze dekking of garanties echter zelf en blijven de verplichtingen van de bijdragende onderneming over het algemeen beperkt tot de betaling van de noodzakelijke bijdragen. Onder deze omstandigheden zijn de aangeboden producten vergelijkbaar met die van levensverzekeringsondernemingen en moeten de desbetreffende instellingen ten minste hetzelfde aanvullende eigen vermogen aanhouden als levensverzekeringsondernemingen.

(30)  Instellingen zijn beleggers op zeer lange termijn. De door deze instellingen aangehouden activa mogen in de regel niet voor andere doeleinden worden gebruikt dan ter verstrekking van pensioenuitkeringen. Bovendien moeten de instellingen, om de rechten van deelnemers en pensioengerechtigden afdoende te beschermen, kunnen kiezen voor een allocatie van activa die nauwkeurig strookt met de aard en de looptijd van hun verplichtingen. Deze overwegingen maken een efficiënte controle en benadering van de beleggingsregels noodzakelijk, die de instellingen voldoende flexibiliteit biedt om het veiligste en doelmatigste beleggingsbeleid te kiezen en hen verplicht prudent te handelen. Toepassing van de "prudent person"-regel vereist derhalve een beleggingsbeleid dat is toegespitst op de deelnemersstructuur van de afzonderlijke instelling voor bedrijfspensioenvoorziening.

(31)  Door de "prudent person"-regel tot onderliggend beginsel te maken voor vermogensbelegging en door het voor instellingen mogelijk te maken om grensoverschrijdende activiteiten te verrichten, wordt de overheveling van spaargelden naar de sector bedrijfspensioenvoorziening gestimuleerd, waardoor wordt bijgedragen aan de economische en sociale vooruitgang.

(32)  De toezichtmethoden en -praktijken lopen van lidstaat tot lidstaat uiteen. Daarom moet de lidstaten een zekere vrijheid worden gelaten om te bepalen welke beleggingsvoorschriften zij aan de op hun grondgebied gevestigde instellingen wensen op te leggen.▐Deze voorschriften moeten ook ruimte laten voor ontwikkeling van individuele pensioenproducten binnen een collectief systeem en mogen het vrije kapitaalverkeer niet belemmeren▐.

(33)  Deze richtlijn moet ervoor zorgen dat instellingen een passende mate van investeringsvrijheid hebben. Als beleggers met een zeer lange beleggingshorizon, lage liquiditeitsrisico's en een sociale functie, bevinden instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening zich in een geschikte positie om binnen prudente grenzen in niet-liquide activa, zoals aandelen, alsmede in instrumenten die een economisch langetermijnprofiel hebben en niet op gereglementeerde markten, multilaterale handelsfaciliteiten (MTF's) of georganiseerde handelsfaciliteiten (OTF's) worden verhandeld, te beleggen. Zij kunnen ook van de voordelen van internationale diversificatie profiteren. Beleggingen in aandelen, in andere valuta's dan die waarin de verplichtingen zijn uitgedrukt, en in instrumenten die een economisch langetermijnprofiel hebben en niet op gereglementeerde markten, MTF's of OTF's worden verhandeld, mogen derhalve, tenzij om prudentiële redenen, niet worden beperkt, overeenkomstig de "prudent person"-regel, teneinde de belangen van de deelnemers en pensioengerechtigden te beschermen.

(34)  Instrumenten met een economisch langetermijnprofiel is een ruim begrip. Het betreft effecten die niet overdraagbaar zijn en die dus niet van de door secundaire markten geboden liquiditeit kunnen profiteren. Zij vereisen vaak dat men zich gedurende een bepaalde termijn vastlegt, waardoor de verhandelbaarheid ervan beperkt is. Deze instrumenten moeten worden geacht participaties, schuldinstrumenten van niet-beursgenoteerde ondernemingen en aan dergelijke ondernemingen verstrekte leningen te omvatten. Niet-beursgenoteerde ondernemingen zijn onder meer infrastructuurprojecten, niet-beursgenoteerde vennootschappen die groei nastreven en vastgoed of andere activa welke geschikt kunnen zijn voor langetermijnbeleggingsdoeleinden. Koolstofarme en klimaatbestendige infrastructuurprojecten zijn veelal niet-beursgenoteerd en zijn wat projectfinanciering betreft vaak op langetermijnkredieten aangewezen.

(35)  Het moet instellingen worden toegestaan conform de voorschriften van hun lidstaat van herkomst in andere lidstaten te beleggen om de aan grensoverschrijdende activiteiten verbonden kosten te drukken. Het dient de lidstaten van ontvangst bijgevolg verboden te zijn extra beleggingsvereisten op te leggen aan in andere lidstaten gevestigde instellingen.

(35 bis)  EU-burgers die in een andere lidstaat werken, moeten een duidelijk overzicht hebben van hun opgebouwde pensioenrechten uit wettelijke en bedrijfspensioenregelingen. Dat overzicht kan worden gerealiseerd door in de hele EU pensioentraceerdiensten in te stellen, naar analogie met de diensten die in sommige lidstaten reeds zijn ingesteld naar aanleiding van het witboek van de Commissie van 16 februari 2012 met als titel "Een agenda voor adequate, veilige en duurzame pensioenen", waarmee de ontwikkeling van deze diensten werd bevorderd.

(36)  Sommige risico's kunnen niet worden gereduceerd met behulp van kwantitatieve vereisten die in de technische voorzieningen en financieringsvereisten tot uiting komen, maar kunnen alleen met behulp van governancevereisten naar behoren worden aangepakt. Voor een adequaat risicobeheer en voor de bescherming van de deelnemers en pensioengerechtigden is een doeltreffend governancesysteem derhalve van essentieel belang. Dergelijke systemen dienen in verhouding te staan tot de aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden van de instelling.

(37)  Een beloningsbeleid dat aanspoort tot het nemen van buitensporige risico's kan een degelijk en doeltreffend risicobeheer van instellingen ondermijnen. De beginselen en openbaarmakingsvereisten in verband met het beloningsbeleid die in de Unie voor andere▐ financiële instellingen gelden, moeten ook op de instellingen toepasselijk worden gemaakt, waarbij evenwel rekening moet worden gehouden met de bijzondere governancestructuur van de instellingen in vergelijking met andere financiële instellingen, alsook met de▐ aard, de schaal en de complexiteit van de werkzaamheden van de instellingen.

(38)  Een sleutelfunctie is een capaciteit om bepaalde governancetaken uit te voeren. Instellingen moeten over voldoende capaciteit beschikken voor een risicobeheerfunctie, een interneauditfunctie en, in voorkomend geval, een actuariële functie. De identificatie van een bepaalde sleutelfunctie belet de instelling niet om deze in de praktijk naar eigen inzicht te organiseren, tenzij in deze richtlijn anders is bepaald. Dit mag evenwel niet tot al te belastende vereisten leiden, want er dient rekening te worden gehouden met de aard, de schaal en de complexiteit van de werkzaamheden van de instelling.

(39)  Personen die de instelling daadwerkelijk besturen, moeten collectief deskundig en betrouwbaar zijn en personen die sleutelfuncties vervullen, moeten over de nodige beroepskwalificaties, -kennis en -ervaring beschikken. Alleen degenen die (eind)verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van sleutelfuncties, zijn echter tot verplichte kennisgeving aan de bevoegde autoriteit gehouden.

(40)  Verder moet het▐ mogelijk zijn dat één persoon of één organisatorische eenheid meer dan één sleutelfunctie vervult, behalve wat de interneauditfunctie betreft. De persoon of organisatorische eenheid die een sleutelfunctie vervult, moet echter verschillen van de persoon of organisatorische eenheid die in de bijdragende onderneming een soortgelijke sleutelfunctie vervult▐. De lidstaten moeten de instelling kunnen toestaan om sleutelfuncties door dezelfde persoon of door een organisatorische eenheid te laten uitvoeren, mits er geen belangenconflict is en mits de instelling adequate maatregelen heeft getroffen om belangenconflicten te voorkomen.

(41)  Het is van essentieel belang dat instellingen, rekening houdend met de doelstelling om het intergenerationele evenwicht van de pensioenregeling te waarborgen, hun risicobeheer zodanig verbeteren dat mogelijke kwetsbare punten wat de houdbaarheid van de pensioenregeling betreft, naar behoren kunnen worden onderkend en met de bevoegde autoriteiten kunnen worden besproken. In het kader van hun risicobeheerssysteem dienen de instellingen een risicotoetsing voor hun met pensioenen verband houdende activiteiten op te stellen. Deze risicotoetsing moet ook beschikbaar worden gesteld voor de bevoegde autoriteiten en moet onder andere de volgende risico's omvatten: risico's in verband met de klimaatverandering, het gebruik van hulpbronnen en het milieu, sociale risico's en risico's in verband met de waardevermindering van activa als gevolg van veranderde regelgeving ("gestrande activa").▐

(42)  Elke lidstaat eist dat een op zijn grondgebied gevestigde instelling een jaarrekening en een jaarverslag opstelt rekening houdend met elke door de instelling uitgevoerde pensioenregeling en, indien van toepassing, een jaarverslag en een jaarrekening voor elke pensioenregeling. De jaarrekening en het jaarverslag, waarin, rekening houdend met elke door de instelling uitgevoerde pensioenregeling, een getrouw beeld van de activa, passiva en financiële positie van de instelling wordt gegeven en die naar behoren door een bevoegde persoon zijn goedgekeurd, vormen een essentiële bron van informatie voor de deelnemers aan en de pensioengerechtigden van een pensioenregeling, alsmede voor de bevoegde autoriteiten. Zij stellen met name de bevoegde autoriteiten in staat de financiële draagkracht van een instelling te controleren en te beoordelen of de instelling aan al haar contractuele verplichtingen kan voldoen.

(43)  Het beleggingsbeleid van een instelling is doorslaggevend voor zowel de veiligheid van de bedrijfspensioenregelingen als de economische houdbaarheid ervan op de lange termijn. De instellingen dienen derhalve een "verklaring inzake de beleggingsbeginselen" op te stellen, die zij ten minste eens in de drie jaar herzien. Deze verklaring dient aan de bevoegde autoriteiten en desgevraagd ook aan de deelnemers aan en de pensioengerechtigden van de pensioenregeling ter beschikking te worden gesteld.

(44)  Het moet instellingen zijn toegestaan om het even welke activiteit, met inbegrip van sleutelfuncties, geheel of gedeeltelijk toe te vertrouwen aan dienstverleners die namens hen handelen. Bij de uitbesteding van sleutelfuncties of enigerlei andere werkzaamheden moeten de instellingen echter volledig verantwoordelijk blijven voor de nakoming van al hun verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn.

(45)  De bewarings- en toezichttaken met betrekking tot de activa van instellingen moeten worden versterkt door de rol en taken van de bewaarder te verduidelijken. ▌Instellingen die regelingen uitvoeren waarbij deelnemers en pensioengerechtigden alle risico's dragen en die nog niet over gelijkwaardige beschermingen beschikken, moeten verplicht zijn een bewaarder aan te stellen.

(46)  Instellingen moeten duidelijke en adequate informatie aan toekomstige deelnemers, deelnemers en pensioengerechtigden verstrekken ter ondersteuning van hun besluitvorming betreffende hun pensionering en ter verzekering van een grote transparantie in alle verschillende fasen van een regeling, namelijk vóór de deelneming, tijdens de deelneming (met inbegrip van vóór de pensionering) en na de pensionering. Er dient meer bepaald informatie te worden verstrekt over opgebouwde pensioenrechten, verwachte omvang van de pensioenuitkeringen, risico's, garanties en kosten. Ingeval deelnemers een beleggingsrisico dragen, is ook aanvullende informatie over het beleggingsprofiel, eventuele beschikbare opties en in het verleden behaalde resultaten van cruciaal belang. Alle informatie moet aan de behoeften van de gebruiker beantwoorden en in overeenstemming zijn met het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, in het bijzonder wat betreft toegankelijkheid en toegang tot informatie, zoals bepaald in artikel 3, respectievelijk artikel 21 van dat verdrag.

(47)  Voordat toekomstige deelnemers zich bij een regeling aansluiten, moet hun alle nodige informatie worden verstrekt opdat zij met kennis van zaken een keuze kunnen maken; het betreft onder meer informatie over uitstapmogelijkheden, bijdragen, kosten en beleggingsmogelijkheden, indien van toepassing. Als toekomstige deelnemers geen keus hebben en automatisch bij een pensioenregeling aangesloten zijn, moet de instelling hun de essentiële relevante informatie over hun deelneming verstrekken zodra zij aangesloten zijn.

(48)  Ten behoeve van de deelnemers▐ die nog niet gepensioneerd zijn, moet de betrokken instelling een▐ pensioenuitkeringsoverzicht opstellen met essentiële persoonsgebonden en algemene informatie over de pensioenregeling. Het pensioenuitkeringsoverzicht moet duidelijk en begrijpelijk zijn en moet relevante en passende informatie bevatten, zodat het een goed inzicht biedt in de pensioenrechten in de tijd en van de verschillende regelingen, en tevens de arbeidsmobiliteit ten goede komt.

(49)  Instellingen moeten deelnemers ver genoeg vóór hun pensionering informeren over hun uitbetalingsmogelijkheden. Ingeval de pensioenuitkering niet in de vorm van een levenslange lijfrente wordt uitbetaald, dienen deelnemers van wie de pensionering nadert, informatie over de beschikbare uitkeringsproducten te ontvangen ter vergemakkelijking van de financiële planning voor de pensionering.

(50)  Tijdens de fase waarin pensioenuitkeringen worden uitbetaald, moeten pensioengerechtigden informatie over hun uitkeringen en de desbetreffende betalingsmogelijkheden blijven ontvangen. Dat is in het bijzonder van belang wanneer tijdens de uitbetalingsfase een aanzienlijk deel van het beleggingsrisico door de pensioengerechtigden wordt gedragen. Pensioengerechtigden moeten ook in kennis worden gesteld van een mogelijke verlaging van de hun toekomende uitkeringen voordat een besluit over een dergelijke mogelijke verlaging wordt genomen.

(51)  Het hoofddoel van de bevoegde autoriteit bij de uitoefening van haar bevoegdheden moet de bescherming van de rechten van de deelnemers en pensioengerechtigden en de stabiliteit en soliditeit van de instellingen zijn.

(52)  De reikwijdte van het prudentiële toezicht verschilt van lidstaat tot lidstaat. Dit kan problemen veroorzaken wanneer een instelling zich moet houden aan de prudentiële regelgeving van haar lidstaat van herkomst en tegelijkertijd de sociale en arbeidswetgeving van haar lidstaat van ontvangst in acht moet nemen. Door te verduidelijken welke terreinen voor de toepassing van deze richtlijn als onderdeel van het prudentiële toezicht moeten worden beschouwd, worden de rechtsonzekerheid en de daarmee gepaard gaande transactiekosten gereduceerd.

(53)  Een interne markt voor instellingen vereist wederzijdse erkenning van prudentiële normen. Op de inachtneming van die normen door de instelling moet toezicht worden gehouden door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de instelling. De lidstaten moeten de bevoegde autoriteiten de nodige bevoegdheden verlenen opdat deze preventieve of corrigerende maatregelen kunnen nemen bij schending van voorschriften van deze richtlijn.

(54)  Om een doeltreffend toezicht op de uitbestede werkzaamheden, met inbegrip van alle vervolgens onderuitbestede werkzaamheden, te kunnen uitoefenen, is het van essentieel belang dat de bevoegde autoriteiten toegang hebben tot alle relevante gegevens in het bezit van de dienstverleners waaraan werkzaamheden zijn uitbesteed, ongeacht of deze al dan niet onder toezicht staan, en tevens het recht hebben controles ter plaatse te verrichten. Teneinde met de marktontwikkelingen rekening te houden en ervoor te zorgen dat de uitbestedingsvoorwaarden steeds worden nageleefd, moeten de bevoegde autoriteiten de nodige bevoegdheden hebben om van de instellingen inlichtingen te verlangen over uitbestede activiteiten.

(55)  Er dient te worden voorzien in regelingen voor de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten, andere autoriteiten en organen die uit hoofde van hun functie tot de versterking van de financiële stabiliteit en de beëindiging van pensioenregelingen bijdragen. Het is daarom noodzakelijk te bepalen op welke voorwaarden de bovengenoemde uitwisseling van informatie mogelijk moet zijn. Wanneer informatie alleen met de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteiten openbaar mag worden gemaakt, dienen deze autoriteiten bovendien in staat te zijn eventueel strikte voorwaarden aan hun instemming te verbinden.

(56)  Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad(8) is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door de lidstaten in het kader van deze richtlijn en onder het toezicht van de bevoegde autoriteiten. Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad(9) regelt de verwerking van persoonsgegevens door de Europese toezichthoudende autoriteiten overeenkomstig deze richtlijn en onder het toezicht van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming. Elke verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn, zoals het uitwisselen of doorgeven van persoonsgegevens door de bevoegde autoriteiten, moet in overeenstemming zijn met de nationale uitvoeringsvoorschriften van Richtlijn 95/46/EG, en elke uitwisseling of doorgifte van gegevens door de Europese toezichthoudende autoriteiten moet in overeenstemming zijn met Verordening (EG) nr. 45/2001.

(57)  Om een soepele werking van de interne markt voor een op EU-schaal georganiseerde bedrijfspensioenvoorziening te garanderen, dient de Commissie, na raadpleging van de EIOPA, de toepassing van deze richtlijn te onderzoeken en hierover een verslag uit te brengen dat zij uiterlijk op ...* [zes jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] aan het Europees Parlement en de Raad voorlegt. .▐

(60)  Daar de doelstellingen van het voorgestelde optreden, namelijk het scheppen van een Uniebreed juridisch kader dat de instellingen voor bedrijfspensioenenvoorziening bestrijkt, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(60 bis)  De verdere ontwikkeling van solvabiliteitsmodellen, zoals het "holistic balance sheet" (HBS)-model, op EU-niveau is praktisch gezien niet realistisch en niet kosteneffectief, met name omdat instellingen grote verschillen vertonen binnen en tussen de lidstaten. Daarom mogen er met betrekking tot instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening geen kwantitatieve eigenvermogensvereisten – zoals bijvoorbeeld Solvabiliteit II of daarvan afgeleide HBS-modellen – op EU-niveau worden ontwikkeld, omdat werkgevers daardoor minder bereid zouden kunnen zijn om in bedrijfspensioenregelingen te voorzien.

(61)  Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken(10) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd.

(62)  De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt tot de bepalingen die ten opzichte van de eerdere richtlijnen materieel zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit deze eerdere richtlijnen.

(63)  Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage I, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Titel I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze richtlijn worden voorschriften vastgesteld inzake de toegang tot en de uitoefening van werkzaamheden van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1. Deze richtlijn is van toepassing op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. Wanneer instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening overeenkomstig de nationale wetgeving geen rechtspersoonlijkheid hebben, passen de lidstaten deze richtlijn toe op deze instellingen of, onverminderd lid 2, op de vergunninghoudende lichamen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van deze instellingen en in hun naam handelen.

2. Deze richtlijn is niet van toepassing op:

a) instellingen die socialezekerheidsregelingen beheren welke onder de Verordeningen (EG) nr. 883/2004(11) en (EG) nr. 987/2009(12) van het Europees Parlement en de Raad vallen;

  b) instellingen die onder de Richtlijnen▐ 2009/65/EG(13), 2009/138/EG(14), 2011/61/EU(15), 2013/36/EU(16) en 2014/65/EU(17) van het Europees Parlement en de Raad vallen;

  c) instellingen die op basis van een omslagstelsel werken;

  d) instellingen waarbij de werknemers van de bijdragende ondernemingen geen juridisch afdwingbare rechten op pensioenuitkeringen hebben, en waarbij de bijdragende onderneming de activa te allen tijde kan onttrekken en niet noodzakelijk hoeft te voldoen aan haar verplichtingen inzake de betaling van pensioenuitkeringen;

  e) ondernemingen die boekreserves aanhouden teneinde hun werknemers pensioenuitkeringen te betalen.

Artikel 3

Toepassing op instellingen die socialezekerheidsregelingen uitvoeren

Instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening die tevens verplichte arbeidsgerelateerde pensioenregelingen uitvoeren welke worden beschouwd als socialezekerheidsregelingen, vallende onder Verordening (EG) nr. 883/2004 en Verordening (EG) nr. 987/2009, vallen met betrekking tot hun werkzaamheden op het gebied van de niet-verplichte bedrijfspensioenvoorziening onder deze richtlijn. In dat geval worden de passiva en de overeenkomstige activa afgescheiden en kunnen ze niet worden overgedragen aan verplichte pensioenregelingen welke worden beschouwd als socialezekerheidsregelingen, of omgekeerd.

Artikel 3 bis

Zorgplicht

1. Ingeval een grensoverschrijdende overdracht overeenkomstig artikel 13, lid 1, door de leden en pensioengerechtigden van een pensioenregeling is goedgekeurd overeenkomstig artikel 13, lid 3, en ingeval de overdragende instelling zelf dekking tegen biometrische risico's biedt of hetzij een beleggingsrendement, hetzij een bepaalde hoogte van de uitkeringen garandeert, beoordeelt de EIOPA, op verzoek van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de overdragende instelling, of de overdracht een systeemrisico voor het financiële systeem van Unie kan inhouden en, onverminderd de artikelen 49 en 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), of de langetermijnbelangen van de deelnemers en pensioengerechtigden worden geschaad als de regeling in de lidstaat van herkomst van de ontvangende instelling wordt uitgevoerd.

2. De in lid 1 bedoelde beoordeling door de EIOPA, die grensoverschrijdende activiteiten niet mag ondermijnen, wordt door de EIOPA afgerond binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de overdragende instelling en wordt meegedeeld aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de ontvangende instelling.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de ontvangende instelling zien erop toe dat de deelnemers en pensioengerechtigden voldoende worden beschermd, rekening houdend met de aanbevelingen in de beoordeling van de EIOPA.

3. De beoordeling van de EIOPA en eventuele corrigerende maatregelen die de lidstaat van herkomst op grond van de beoordeling neemt, worden openbaar gemaakt.

Artikel 4

Facultatieve toepassing op onder Richtlijn 2009/138/EG vallende instellingen

De lidstaten van herkomst kunnen ervoor kiezen de bepalingen van de artikelen 9 tot en met 15, 20 tot en met 23, artikel 24, leden 1 en 2, de artikelen 25 tot en met 29, 31 tot en met 53 en 55 tot en met 71 van deze richtlijn toe te passen op de werkzaamheden inzake bedrijfspensioenvoorziening van levensverzekeringsondernemingen overeenkomstig artikel 2, lid 3, onder a), punten i) tot en met iii), en artikel 2, lid 3, onder b), punten iii) en iv), van Richtlijn 2009/138/EG. In dat geval worden alle met die werkzaamheden overeenkomende activa en passiva afgescheiden en gescheiden van de overige werkzaamheden van de levensverzekeringsondernemingen beheerd en georganiseerd, zonder dat er enige mogelijkheid tot overdracht bestaat.

In dat geval zijn levensverzekeringsondernemingen, uitsluitend wat betreft hun bedrijfspensioenvoorzieningwerkzaamheden, niet onderworpen aan de artikelen 76 tot en met 86, artikel 132, artikel 134, lid 2, artikel 173, artikel 185, lid 5, artikel 185, leden 7 en 8, en artikel 209 van Richtlijn 2009/138/EG.

De lidstaat van herkomst waarborgt dat ofwel de bevoegde autoriteiten, ofwel de met het toezicht op de onder Richtlijn 2009/138/EG vallende verzekeringsondernemingen belaste autoriteiten in het kader van hun toezicht de strikte scheiding van de betrokken bedrijfspensioenvoorzieningswerkzaamheden controleren.

Artikel 5

Kleine pensioeninstellingen en wettelijke regelingen

Met uitzondering van artikel 20, lid 1 en leden 3 tot en met 7, artikel 22, leden 1 tot en met 5, en de artikelen 34 tot en met 37, kunnen de lidstaten ervoor kiezen deze richtlijn geheel of gedeeltelijk niet toe te passen op de op hun grondgebied gevestigde instellingen die pensioenregelingen uitvoeren die tezamen in totaal minder dan 100 deelnemers tellen of waarvan de technische voorzieningen in totaal niet meer dan 25 miljoen EUR bedragen. Onverminderd artikel 2, lid 2, wordt dergelijke instellingen niettemin het recht verleend deze richtlijn vrijwillig toe te passen. Artikel 12 kan alleen worden toegepast indien alle overige artikelen van deze richtlijn van toepassing zijn.

De lidstaten kunnen ervoor kiezen de artikelen 1 tot en met 8, 12, 20 en 34 tot en met 37 toe te passen op instellingen waarbij de bedrijfspensioenvoorziening geschiedt krachtens wetgeving en door een overheidsinstantie wordt gegarandeerd. Artikel 12 kan alleen worden toegepast indien alle overige artikelen van deze richtlijn van toepassing zijn.

Artikel 6

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

  a)"instelling voor bedrijfspensioenvoorziening" of "instelling": een op basis van kapitalisatie gefinancierde instelling, ongeacht de rechtsvorm, die onafhankelijk van enige bijdragende onderneming of bedrijfstak is opgericht met als doel het verstrekken van arbeidsgerelateerde pensioenuitkeringen op basis van een als volgt gesloten overeenkomst of contract:

–  individueel of collectief tussen de werkgever(s) en de werknemer(s) of hun respectieve vertegenwoordigers, of

–  met zelfstandigen, overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst,

  en die hiermee rechtstreeks verband houdende werkzaamheden verricht;

  b)"pensioenregeling": een contract, een overeenkomst, een trustakte of voorschriften waarin is bepaald welke pensioenuitkeringen worden toegezegd en onder welke voorwaarden;

  c)"bijdragende onderneming": een onderneming of ander lichaam, ongeacht of deze een of meer natuurlijke personen of rechtspersonen die optreden als werkgever of zelfstandige dan wel een combinatie daarvan, omvat of hieruit bestaat, en die aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening bijdragen betaalt;

  d)"pensioenuitkeringen": uitkeringen die worden uitbetaald bij het bereiken of naar verwachting bereiken van de pensioendatum, of, wanneer deze een aanvulling op die uitkeringen vormen en op bijkomende wijze worden verstrekt, in de vorm van betalingen bij overlijden, arbeidsongeschiktheid of beëindiging van de werkzaamheid, dan wel in de vorm van ondersteunende betalingen of diensten in geval van ziekte, behoeftigheid of overlijden. Om voor financiële zekerheid na pensionering te zorgen, hebben deze uitkeringen gewoonlijk de vorm van betalingen gedurende het gehele leven. Het kan echter ook gaan om een qua tijdsduur beperkte uitkering of de uitkering van een bedrag ineens.

  e) "deelnemer": persoon die op grond van zijn beroepswerkzaamheden gerechtigd is of zal zijn pensioenuitkeringen te ontvangen overeenkomstig de bepalingen van een pensioenregeling;

  f) "pensioengerechtigde": persoon die pensioenuitkeringen ontvangt;

  g) "bevoegde autoriteiten": de nationale autoriteiten die zijn aangewezen om de in deze richtlijn vastgestelde taken te verrichten;

  h) "biometrische risico's": risico's in verband met overlijden en/of arbeidsongeschiktheid en levensverwachting;

  i) "lidstaat van herkomst": lidstaat waar de instelling haar statutaire zetel heeft of, indien zij geen statutaire zetel heeft, waar zij haar haar hoofdbestuur heeft;

  j) "lidstaat van ontvangst": lidstaat waarvan de voor bedrijfspensioenvoorziening geldende sociale en arbeidswetgeving van toepassing is op de door de instelling uitgevoerde pensioenregeling;

k) "overdragende instelling": instelling die de passiva, technische voorzieningen, andere verplichtingen en rechten en de overeenkomstige activa van een pensioenregeling geheel of gedeeltelijk overdraagt aan een in de Unie gevestigde instelling▐;

l) "ontvangende instelling": instelling waaraan de passiva, technische voorzieningen, andere verplichtingen en rechten en de overeenkomstige activa van een pensioenregeling geheel of gedeeltelijk worden overgedragen door een in de Unie gevestigde instelling▐;

m) "gereglementeerde markt": een gereglementeerde markt als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 21, van Richtlijn 2014/65/EU;

n) "multilaterale handelsfaciliteit" of "MTF" (multilateral trading facility): een multilaterale handelsfaciliteit of MTF als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 22, van Richtlijn 2014/65/EU;

o) "georganiseerde handelsfaciliteit" of "OTF" (organised trading facility): een georganiseerde handelsfaciliteit of OTF als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 23, van Richtlijn 2014/65/EU;

p) "duurzame drager": elk hulpmiddel dat een deelnemer of pensioengerechtigde in staat stelt om persoonlijk aan die deelnemer of pensioengerechtigde gerichte informatie op zodanige wijze op te slaan dat deze achteraf gedurende een voor het doel van de informatie toereikende periode kan worden geraadpleegd en waarmee de opgeslagen informatie ongewijzigd kan worden gereproduceerd;

q) "sleutelfunctie": binnen een governancesysteem, een▐ capaciteit om praktische taken uit te voeren, hetgeen de risicobeheerfunctie, de interneauditfunctie en▐ de actuariële functie omvat;

q bis) "grensoverschrijdende activiteit": de uitvoering van een pensioenregeling die valt onder de op bedrijfspensioenregelingen toepasselijke sociale en arbeidswetgeving van een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst.

Artikel 7

Werkzaamheden van de instellingen

De lidstaten leggen de op hun grondgebied gevestigde instellingen de verplichting op hun werkzaamheden te beperken tot activiteiten in verband met pensioenuitkeringen en werkzaamheden die daarmee verband houden.

Wanneer een levensverzekeringsonderneming haar werkzaamheden inzake bedrijfspensioenvoorziening overeenkomstig artikel 4 door afscheiding van de activa en passiva beheert, worden die afgescheiden activa en passiva uitsluitend aangewend voor verrichtingen inzake pensioenuitkeringen en werkzaamheden die daar rechtstreeks verband mee houden.

Artikel 8

Juridische scheiding tussen de bijdragende onderneming en de instelling▐

De lidstaten dragen er zorg voor dat er een juridische scheiding bestaat tussen de bijdragende onderneming en de instelling voor bedrijfspensioenvoorziening, zodat in geval van faillissement van de bijdragende onderneming de activa van de instelling in het belang van de deelnemers en de pensioengerechtigden beschermd zijn.

Artikel 9

 Registratie of vergunningverlening 

1. Met betrekking tot alle op hun grondgebied gevestigde instellingen zorgen de lidstaten ervoor▐ dat de instelling door de bevoegde autoriteit in een nationaal register is ingeschreven of van de bevoegde autoriteit een vergunning heeft verkregen.

2. Met de locatie van het hoofdbestuur wordt de plaats bedoeld waar de voornaamste strategische beslissingen van het besluitvormingsorgaan van de instelling worden genomen. Bij grensoverschrijdende activiteiten in de zin van artikel 12 worden ook de lidstaten waar de instelling werkzaam is, in het register vermeld.

3. Deze gegevens worden medegedeeld aan de EIOPA, die ze publiceert op haar website.

4. De lidstaten verplichten instellingen om hun hoofdbestuur te hebben in dezelfde lidstaat als hun statutaire zetel.

Artikel 10

Operationele regels

1. Met betrekking tot alle op hun grondgebied gevestigde instellingen zorgen de lidstaten ervoor dat:

a) de instelling naar behoren vastgestelde regels betreffende de uitvoering van elke pensioenregeling▐ heeft toegepast;

b)▌de bijdragende onderneming bij regelingen waarin zij garant staat voor de betaling van de pensioenuitkeringen, tot regelmatige financiële bijdragen verplicht is.

1 bis. Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel en met inachtneming van de omvang van de pensioenvoorzieningen die de socialezekerheidsstelsels bieden, kunnen de lidstaten bepalen dat bijkomende voorzieningen zoals dekking van het hogeleeftijdsrisico en van arbeidsongeschiktheid, voorzieningen voor nabestaanden en een garantie van terugbetaling van bijdragen optioneel▐ aan de deelnemers worden aangeboden met instemming van de werkgevers en de werknemers of hun respectieve vertegenwoordigers▐.

Artikel 12

Grensoverschrijdende activiteiten en procedures

1. Onverminderd de nationale sociale en arbeidswetgeving op het gebied van de organisatie van de nationale pensioenstelsels, daaronder begrepen verplichte deelneming en het resultaat van collectieve arbeidsovereenkomsten, staan de lidstaten de op hun grondgebied gevestigde ondernemingen toe bij te dragen aan instellingen die voornemens zijn grensoverschrijdende activiteiten te ontplooien. De lidstaten staan▐ de op hun grondgebied vergunninghoudende instellingen ook toe grensoverschrijdende activiteiten te ontplooien door bijdragen te aanvaarden van een onderneming die op het grondgebied van een andere lidstaat is gevestigd.

2. Indien een instelling voornemens is grensoverschrijdende activiteiten te ontplooien en bijdragen te aanvaarden van een bijdragende onderneming, dan is hiervoor voorafgaande goedkeuring door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst vereist. Zij stelt de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst in kennis van haar voornemen om bijdragen te aanvaarden van een bijdragende onderneming.

3. De lidstaten verlangen van instellingen▐ op hun grondgebied▐ die voornemens zijn bijdragen te ontvangen, dat zij bij een kennisgeving ingevolge lid 2 de volgende gegevens verstrekken:

a)  de lidstaat (lidstaten) van ontvangst;

a)  de naam en de locatie van het hoofdbestuur van de bijdragende onderneming;

b)  de voornaamste kenmerken van de pensioenregeling die voor de bijdragende onderneming zal worden uitgevoerd.

4. Wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst in kennis worden gesteld overeenkomstig lid 2, doen zij, tenzij zij een met redenen omkleed besluit hebben uitgevaardigd dat de administratieve structuur of de financiële positie van de instelling, of de goede reputatie en de beroepskwalificaties of beroepservaring van de personen die de instelling besturen niet met de voorgenomen grensoverschrijdende activiteiten verenigbaar zijn, binnen drie maanden na ontvangst van de in lid 3 bedoelde gegevens, mededeling van deze gegevens aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst en stellen zij de instelling daarvan dienovereenkomstig in kennis.

Het in de eerste alinea bedoelde met redenen omklede besluit wordt uitgevaardigd binnen drie maanden na ontvangst van alle in lid 3 bedoelde gegevens.

Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst weigert de in de eerste alinea bedoelde gegevens aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst mede te delen, doet zij binnen drie maanden na ontvangst van alle in lid 3 bedoelde gegevens opgave van de redenen van haar weigering aan de betrokken instelling. Tegen deze weigering of het uitblijven van een antwoord staat beroep open bij de rechter in de lidstaat van herkomst.

5. Voordat de instelling met het ontplooien van grensoverschrijdende activiteiten begint, informeren de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst binnen twee weken, te rekenen vanaf de ontvangst van de in lid 3 bedoelde gegevens, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst over de op bedrijfspensioenregelingen toepasselijke bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving die gelden voor de uitvoering van de pensioenregeling waaraan wordt bijgedragen door een onderneming in de lidstaat van ontvangst. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst doen de instelling mededeling van deze gegevens.

6. Zodra de instelling de in lid 5 bedoelde mededeling ontvangt of, wanneer bij het verstrijken van de in lid 5 genoemde periode geen mededeling van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst is ontvangen, kan de instelling met het ontplooien van grensoverschrijdende activiteiten beginnen, met inachtneming van de op bedrijfspensioenregelingen toepasselijke bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving van de lidstaat van ontvangst.

7. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst in kennis van elke significante wijziging in de op bedrijfspensioenvoorziening toepasselijke bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving van de lidstaat van ontvangst die gevolgen kan hebben voor de kenmerken van de pensioenregeling, voor zover het gaat om grensoverschrijdende activiteiten. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst doen de instelling mededeling van die gegevens.

8. De instelling wordt onderworpen aan voortdurend toezicht door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst om na te gaan of haar activiteiten in overeenstemming zijn met de in lid 5 bedoelde op bedrijfspensioenregelingen toepasselijke bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving van de lidstaat van ontvangst. Wanneer bij dit toezicht onregelmatigheden aan het licht komen, stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst hiervan onverwijld in kennis. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst nemen in coördinatie met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de instelling een einde maakt aan de vastgestelde inbreuk op de sociale en arbeidswetgeving.

9. Indien de instelling, in weerwil van de door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen of omdat de lidstaat van herkomst geen passende maatregelen heeft getroffen, inbreuk blijft maken op de op bedrijfspensioenregelingen toepasselijke bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving van de lidstaat van ontvangst, kunnen de bevoegde autoriteiten van deze laatste, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen nemen om verdere onregelmatigheden te voorkomen of te bestraffen en, voor zover zulks volstrekt noodzakelijk is, de instelling te beletten in de lidstaat van ontvangst activiteiten te verrichten voor de bijdragende onderneming.

Artikel 13

Overdrachten van pensioenregelingen

1. Onverminderd artikel 12 verlenen de lidstaten▐ toestemming aan instellingen die op hun grondgebied een vergunning hebben verkregen of geregistreerd zijn, om de passiva of technische voorzieningen van een pensioenregeling, andere verplichtingen en rechten en de overeenkomstige activa, en de geldwaarde daarvan, geheel of gedeeltelijk over te dragen aan een ontvangende instelling. Bij een overdracht van een deel van een pensioenregeling vereisen de lidstaten dat de overdragende en de ontvangende instelling over voldoende en passende activa beschikken om de technische voorzieningen voor het overgedragen deel en het resterende deel van de regeling te dekken overeenkomstig artikel 15, lid 1.

2. De overdracht van het geheel of een deel van de passiva, technische voorzieningen, andere verplichtingen en rechten en de overeenkomstige activa van een pensioenregeling tussen overdragende en ontvangende instellingen die in verschillende lidstaten een vergunning hebben verkregen of geregistreerd zijn, wordt afhankelijk gesteld van de voorafgaande goedkeuring door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de ontvangende instelling. De aanvraag tot goedkeuring van de overdracht wordt door de ontvangende instelling ingediend.

3. De overdracht en de daaraan verbonden voorwaarden worden van tevoren goedgekeurd door een meerderheid van de betrokken deelnemers en een meerderheid van de betrokken pensioengerechtigden of, in voorkomend geval, door een meerderheid van hun vertegenwoordigers. ▐Ten minste vier maanden voor de indiening van de in lid 2 bedoelde aanvraag wordt de informatie over de aan de overdracht verbonden voorwaarden ter beschikking gesteld van de betrokken deelnemers en pensioengerechtigden of, in voorkomend geval, hun vertegenwoordigers.

4. De in lid 2 bedoeld aanvraag bevat de volgende gegevens:

a) de schriftelijke overeenkomst tussen de overdragende en de ontvangende instelling met de voorwaarden van de overdracht▐;

a bis) een beschrijving van de belangrijkste kenmerken van de pensioenregeling;

a ter) een beschrijving van de overgedragen passiva of technische voorzieningen, alsook andere verplichtingen en rechten en de overeenkomstige activa, of de geldwaarde daarvan;

a ter) goedkeuring door de deelnemers en pensioengerechtigden van de overdragende instelling of, in voorkomend geval, door hun vertegenwoordigers;

b) de naam en de locatie van het hoofdbestuur van de overdragende en de ontvangende instelling en de naam van de lidstaat waar de ontvangende instelling is geregistreerd of een vergunning heeft verkregen;

c) de locatie van het hoofdbestuur van de bijdragende onderneming en de naam van de bijdragende onderneming;

d) in voorkomend geval, de naam van de lidstaten van ontvangst waar de voor bedrijfspensioenregelingen geldende sociale en arbeidswetgeving van toepassing is op de betreffende pensioenregeling.

5. Wanneer de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de ontvangende instelling▐ geen met redenen omkleed besluit overeenkomstig artikel 12, lid 4, heeft uitgevaardigd, doet zij binnen drie maanden na ontvangst van alle in lid 4 bedoelde gegevens, mededeling van haar besluit tot goedkeuring van de overdracht aan de ontvangende instelling en aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de overdragende instelling. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de overdragende instelling stelt de overdragende instelling in kennis van dat besluit en de redenen daarvoor.

▌Indien de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de ontvangende instelling weigert het in de eerste alinea bedoelde vergunningsbesluit aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de overdragende instelling mede te delen, doet zij binnen drie maanden na ontvangst van alle in lid 4 bedoelde gegevens opgave van de redenen van haar weigering aan de ontvangende instelling. Tegen deze weigering of het uitblijven van een antwoord staat beroep open door de ontvangende instelling bij de rechter in de lidstaat van herkomst van de ontvangende instelling.

6. Binnen twee weken, te rekenen vanaf de ontvangst van het in lid 5 bedoelde vergunningsbesluit, informeert de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de overdragende instelling de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de ontvangende instelling over de op bedrijfspensioenregelingen van de lidstaat van ontvangst toepasselijke bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving die gelden voor de uitvoering van de pensioenregeling. De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de ontvangende instelling deelt deze informatie aan de ontvangende instelling mede.

7. Zodra de ontvangende instelling de in lid 6 bedoelde mededeling ontvangt of, wanneer bij het verstrijken van de in lid 6 genoemde termijn geen mededeling van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de ontvangende instelling is ontvangen, kan de ontvangende instelling met de uitvoering van de pensioenregeling beginnen, met inachtneming van de op bedrijfspensioenregelingen toepasselijke bepalingen van de sociale en arbeidswetgeving van de lidstaat van ontvangst.

8. Instellingen mogen begunstigden niet verplichten een bankrekening te hebben met de IBAN-code van in hun lidstaat van vestiging.

Titel II

KWANTITATIEVE VEREISTEN

Artikel 14

Technische voorzieningen

1. De lidstaat van herkomst zorgt ervoor dat instellingen die bedrijfspensioenregelingen uitvoeren te allen tijde met betrekking tot het geheel van de door hen uitgevoerde pensioenregelingen een juist bedrag van de passiva vaststellen overeenkomend met de financiële verplichtingen die uit hun portefeuille van bestaande pensioenovereenkomsten voortvloeien.

2. De lidstaat van herkomst zorgt ervoor dat instellingen die bedrijfspensioenregelingen uitvoeren en dekking bieden tegen biometrische risico's of een garantie bieden met betrekking tot hetzij het beleggingsrendement, hetzij een bepaalde hoogte van de uitkeringen, toereikende technische voorzieningen vaststellen met betrekking tot het geheel van deze regelingen.

3. De technische voorzieningen worden elk jaar berekend. De lidstaat van herkomst kan evenwel toestaan dat deze berekening om de drie jaar wordt uitgevoerd indien de instelling de deelnemers of de bevoegde autoriteiten voor de tussenliggende jaren een verklaring of een verslag met aanpassingen verstrekt. In die verklaring of dat verslag moet de aangepaste ontwikkeling van de technische voorzieningen en van wijzigingen in de gedekte risico's worden weergegeven.

4. De berekening van de technische voorzieningen wordt uitgevoerd door een actuaris en gewaarmerkt door een actuaris of door een andere deskundige op dit gebied, waaronder een accountant, op grond van door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst erkende actuariële methoden en met inachtneming van de volgende beginselen:

  a) het minimumbedrag van de technische voorzieningen wordt berekend aan de hand van een voldoende prudente actuariële waardering, rekening houdend met alle verplichtingen inzake uitkeringen en inzake bijdragen, overeenkomstig de door de instelling uitgevoerde pensioenregeling. Het moet voldoende zijn om te waarborgen dat de uitbetaling van reeds verschuldigde pensioenen en uitkeringen aan de pensioengerechtigden, kan worden voortgezet, en om de verplichtingen te weerspiegelen die voortvloeien uit de opgebouwde pensioenrechten van de deelnemers. De economische en actuariële hypothesen die voor de waardering van de passiva zijn gehanteerd, moeten eveneens op prudente wijze worden bepaald, waarbij een redelijke marge voor negatieve afwijkingen in acht genomen moet worden, indien van toepassing;

  b) de toegepaste maximale rentepercentages moeten op prudente wijze worden bepaald, volgens alle desbetreffende voorschriften van de lidstaat van herkomst. Bij de bepaling van deze prudente rentepercentages wordt rekening gehouden met:

i) het rendement van de overeenkomstige activa die door de instelling worden beheerd en met de geprojecteerde beleggingsopbrengsten, en/of

ii) de actuele marktrendementen van kwalitatief hoogwaardige obligaties, staatsobligaties, obligaties van het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM), obligaties van de Europese Investeringsbank (EIB) of obligaties van de Europese faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF), of

ii bis) een combinatie van i) en ii);

  c) de voor de berekening van de technische voorzieningen gebruikte biometrische tabellen worden gebaseerd op prudente beginselen, rekening houdend met de hoofdkenmerken van de deelnemersgroep en de pensioenregelingen, in het bijzonder de verwachte veranderingen in de relevante risico's;

  d) de methode en de grondslag van de berekening van de technische voorzieningen blijft in het algemeen van boekjaar tot boekjaar ongewijzigd. Wijzigingen kunnen evenwel gerechtvaardigd zijn als gevolg van een verandering van de juridische, demografische of economische omstandigheden die aan de hypothesen ten grondslag liggen;

  d bis) indien de instelling de berekeningsmethode en -grondslag voor de technische voorzieningen wijzigt, geeft zij een volledige uitleg over de gevolgen van de wijzigingen in de technische voorzieningen voor de deelnemers en pensioengerechtigden.

5. De lidstaat van herkomst kan ten aanzien van de berekening van de technische voorzieningen aanvullende en meer uitvoerige voorwaarden opleggen met het oog op een voldoende bescherming van de belangen van de deelnemers en de pensioengerechtigden.

Artikel 15

Financiering van de technische voorzieningen

1. De lidstaat van herkomst verplicht iedere instelling te allen tijde over voldoende en passende activa te beschikken om de technische voorzieningen met betrekking tot het geheel van de door haar uitgevoerde pensioenregelingen te dekken.

2. De lidstaat van herkomst kan een instelling toestaan gedurende een korte periode over onvoldoende activa te beschikken om de technische voorzieningen te dekken. In dat geval verplichten de bevoegde autoriteiten de instelling een concreet en haalbaar herstelplan met een duidelijk tijdschema aan te nemen om ervoor te zorgen dat opnieuw aan de vereisten van lid 1 wordt voldaan. Bedoeld plan is aan de volgende voorwaarden onderworpen:

  a) de instelling stelt een concreet en haalbaar plan op om de hoeveelheid activa die noodzakelijk is om de technische voorzieningen volledig te dekken, tijdig te herstellen. Het plan wordt ter beschikking gesteld van de deelnemers of, indien van toepassing, hun vertegenwoordigers en/of wordt door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst goedgekeurd;

  b) bij de opstelling van het plan wordt rekening gehouden met de specifieke situatie van de instelling, met name de structuur van activa en passiva, het risicoprofiel, de liquiditeitsplanning, het leeftijdsprofiel van de deelnemers die aanspraak kunnen maken op pensioenuitkeringen, aanvangsregelingen en regelingen die van niet- of gedeeltelijke kapitalisatie in volledige kapitalisatie worden gewijzigd;

  c) ingeval een pensioenregeling tijdens de in de eerste zin van lid 2 genoemde periode wordt geliquideerd, stelt de instelling de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis. De instelling stelt een procedure vast om alle activa en alle overeenkomstige passiva aan een andere financiële instelling of een vergelijkbaar lichaam over te dragen. ▐

Ingeval een instelling grensoverschrijdende activiteiten ontplooit en de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat van ontvangst menen dat de belangen van de deelnemers en de pensioengerechtigden niet volledig worden beschermd door de besluiten die de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst krachtens dit lid nemen, helpt de EIOPA meningsverschillen schikken overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 1094/2010.

3.▌De voorwaarden van de leden 1 en 2 zijn ook van toepassing op grensoverschrijdende activiteiten als bedoeld in artikel 12, mits de belangen van de deelnemers en de pensioengerechtigden volledig worden beschermd.

Artikel 16

Voorgeschreven eigen vermogen

1. De lidstaat van herkomst zorgt ervoor dat instellingen die pensioenregelingen uitvoeren en zelf, en niet de bijdragende ondernemingen, een dekking tegen biometrische risico's verzekeren of een beleggingsrendement of een bepaalde hoogte van de uitkeringen garanderen, permanent bij wijze van buffer aanvullende activa aanhouden naast de technische voorzieningen. De omvang van de buffer is in overeenstemming met het soort risico en de aard van de activaportefeuille met betrekking tot het geheel van uitgevoerde regelingen. Deze activa zijn vrij van alle voorzienbare verplichtingen en dienen als veiligheidskapitaal om verschillen tussen de verwachte en de daadwerkelijke uitgaven en winsten op te vangen.

2. Voor de berekening van het minimumbedrag van de aanvullende activa zijn de in de artikelen 17, 18 en 19 vastgestelde regels van toepassing.

3. Lid 1 belet de lidstaten echter niet op hun grondgebied gevestigde instellingen te verplichten tot instandhouding van het voorgeschreven eigen vermogen, of gedetailleerdere voorschriften vast te stellen, mits die vanuit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zijn.

Artikel 17

Beschikbare solvabiliteitsmarge

1. Teneinde de duurzaamheid van de bedrijfspensioenvoorziening te waarborgen, verplichten de lidstaten elke op hun grondgebied gevestigde instelling in de zin van artikel 16, lid 1, te allen tijde te beschikken over een voldoende beschikbare solvabiliteitsmarge met betrekking tot het geheel van haar werkzaamheden, die ten minste gelijk is aan hetgeen in deze richtlijn als vereiste is gesteld.

2. De beschikbare solvabiliteitsmarge bestaat uit het vermogen van de instelling dat niet dient ter dekking van enige voorzienbare verplichting, na aftrek van de immateriële bestanddelen, met inbegrip van:

  a) het gestorte maatschappelijk kapitaal of, wat onderlinge waarborgmaatschappijen betreft, het gestorte gedeelte van het waarborgkapitaal plus de rekeningen van de leden van die waarborgmaatschappij, die aan alle volgende criteria voldoen:

  i) de statuten bepalen dat er langs deze rekeningen alleen betalingen aan leden mogen worden verricht indien zulks geen daling van de beschikbare solvabiliteitsmarge tot onder het vereiste niveau veroorzaakt of, na ontbinding van de onderneming, indien alle andere schulden zijn voldaan;

  ii) de statuten bepalen dat de bevoegde autoriteiten ten minste een maand van tevoren in kennis moeten worden gesteld van de in punt i) bedoelde betalingen voor andere doeleinden dan de individuele opzegging van het lidmaatschap en dat zij gedurende deze termijn de voorgenomen betaling kunnen verbieden; en

  iii) de relevante bepalingen in de statuten kunnen pas worden gewijzigd wanneer de bevoegde autoriteiten, onverminderd de onder i) en ii) genoemde criteria, hebben verklaard geen bezwaar tegen deze wijziging te hebben;

  b) de (wettelijke of vrije) reserves die niet tegenover verplichtingen staan;

  c) de overgebrachte winst of het overgebrachte verlies, na aftrek van de uit te keren dividenden; en

  d) voor zover de nationale wetgeving zulks toestaat: de op de balans opgenomen winstreserves, wanneer deze kunnen worden gebruikt tot dekking van eventuele verliezen en wanneer zij niet beschikbaar zijn gesteld voor uitkering aan de verzekeringnemers.

De beschikbare solvabiliteitsmarge wordt verminderd met het bedrag van de eigen aandelen die rechtstreeks door de instelling worden gehouden.

3. De lidstaten kunnen bepalen dat de beschikbare solvabiliteitsmarge ook kan bestaan uit:

  a) het gecumuleerd preferent aandelenkapitaal en de achtergestelde leningen tot een maximum van 50 % van de beschikbare of de vereiste solvabiliteitsmarge naargelang welk bedrag het laagst is, waarvan niet meer dan 25 % in de vorm van achtergestelde leningen met vaste looptijd, of het gecumuleerd preferent aandelenkapitaal met vaste termijn, mits bindende overeenkomsten gelden op grond waarvan, in geval van faillissement of liquidatie van de instelling, de achtergestelde leningen of preferente aandelen achtergesteld worden bij de vorderingen van alle andere crediteuren en pas worden terugbetaald nadat alle andere op dat tijdstip uitstaande schulden zijn voldaan;

  b) effecten met onbepaalde looptijd en andere instrumenten, met inbegrip van andere gecumuleerde preferente aandelen dan de onder a) bedoelde, ten belope van maximaal 50 % van de beschikbare of de vereiste solvabiliteitsmarge, naargelang welk bedrag het laagst is, voor het totaal van deze effecten en van de onder a) vermelde achtergestelde leningen, mits deze aan de volgende voorwaarden voldoen:

  i) zij kunnen niet worden terugbetaald op initiatief van de houder of zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit;

  ii) de emissieovereenkomst biedt de instelling de mogelijkheid de betaling van de rente over de lening uit te stellen;

  iii) de vorderingen van de kredietverlener op de instelling moeten volledig worden achtergesteld bij de vorderingen van alle niet-achtergestelde crediteuren;

  iv) in de documenten met betrekking tot de effectenemissie wordt bepaald dat de verliezen gecompenseerd kunnen worden door de schuld en de niet-betaalde rente, terwijl de instelling haar activiteiten kan voortzetten; en

  v) alleen de daadwerkelijk gestorte bedragen worden in aanmerking genomen.

  Voor de toepassing van punt a) moeten achtergestelde leningen tevens voldoen aan de volgende voorwaarden:

  i) alleen de daadwerkelijk gestorte middelen worden in aanmerking genomen;

  ii) voor leningen met een vaste looptijd bedraagt de oorspronkelijke looptijd ten minste vijf jaar. Uiterlijk een jaar voor de vervaldag legt de instelling de bevoegde autoriteiten een plan ter goedkeuring voor waarin wordt uiteengezet op welke wijze de beschikbare solvabiliteitsmarge zal worden gehandhaafd of op het vereiste niveau gebracht op de vervaldag, tenzij de mate waarin de lening als bestanddeel van de beschikbare solvabiliteitsmarge in aanmerking mag worden genomen, gedurende minimaal de laatste vijf jaren voor de vervaldag geleidelijk wordt verlaagd. De bevoegde autoriteiten kunnen toestemming verlenen voor vervroegde terugbetaling van dergelijke leningen, mits het initiatief hiertoe uitgaat van de emitterende herverzekeringsonderneming en haar beschikbare solvabiliteitsmarge niet onder het vereiste niveau daalt;

  iii) leningen waarvan de looptijd niet bepaald is, worden slechts terugbetaald met een opzeggingstermijn van vijf jaar, tenzij de leningen niet langer als bestanddelen van de beschikbare solvabiliteitsmarge worden aangemerkt of uitdrukkelijk de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten vereist is voor vervroegde terugbetaling. In dit laatste geval dient de instelling de bevoegde autoriteiten ten minste zes maanden van tevoren in kennis te stellen van de voorgenomen terugbetaling, onder vermelding van de beschikbare en de vereiste solvabiliteitsmarge zowel vóór als na deze terugbetaling. De bevoegde autoriteiten verlenen alleen toestemming voor de terugbetaling indien de beschikbare solvabiliteitsmarge van de herverzekeringsonderneming niet onder het vereiste niveau dreigt te dalen;

  iv) de leningsovereenkomst bevat geen bepalingen op grond waarvan de lening in bepaalde omstandigheden, andere dan de liquidatie van de instelling, vóór de overeengekomen datum moet worden terugbetaald; en

  v) de leningsovereenkomst kan alleen worden gewijzigd nadat de bevoegde autoriteiten verklaard hebben geen bezwaar te hebben tegen de wijziging.

4. Op een met bewijzen gestaafd verzoek van de instelling aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst en met instemming van deze bevoegde autoriteit kan de beschikbare solvabiliteitsmarge ook bestaan uit:

  a) in geval van niet-zillmeren of in geval van zillmeren waarbij de in de premie begrepen afsluitkosten niet worden bereikt, het verschil tussen de niet-gezillmerde of gedeeltelijk gezillmerde wiskundige voorziening en een gezillmerde wiskundige voorziening waarbij het percentage van het zillmeren gelijk is aan de in de premie begrepen afsluitkosten;

  b) de latente netto meerwaarden die voortvloeien uit de waardering van de activa, voor zover deze nettoreserves geen uitzonderlijk karakter hebben;

  c) de helft van het niet-gestorte gedeelte van het maatschappelijk kapitaal of van het waarborgkapitaal, zodra het gestorte gedeelte 25 % van dit kapitaal bedraagt, tot een maximum van 50 % van de beschikbare of de vereiste solvabiliteitsmarge, naargelang welk bedrag het laagst is.

Het onder a) bedoelde bedrag mag echter niet groter zijn dan 3,5 % van de som van de verschillen tussen de kapitalen voor levensverzekering en bedrijfspensioenvoorziening en de wiskundige voorzieningen voor alle overeenkomsten waarbij zillmeren mogelijk is. dit verschil wordt eventueel verminderd met het bedrag van de niet afgeschreven afsluitkosten die als een debetpost worden opgenomen.

Artikel 18

Vereiste solvabiliteitsmarge

1. De vereiste solvabiliteitsmarge wordt bepaald als aangegeven in de leden 2 tot en met 6, al naargelang de verzekerde risico's.

2. De vereiste solvabiliteitsmarge is gelijk aan de som van de volgende twee uitkomsten:

  a) eerste uitkomst:

  een component van 4 % van de wiskundige voorzieningen met betrekking tot het directe verzekeringsbedrijf en tot de geaccepteerde herverzekeringen zonder aftrek van de overdrachten uit hoofde van herverzekering wordt vermenigvuldigd met het getal dat de voor het laatste boekjaar bestaande verhouding aangeeft tussen de wiskundige voorzieningen onder aftrek van de overdrachten uit hoofde van herverzekering en het brutobedrag van de wiskundige voorzieningen; dit verhoudingsgetal mag in geen geval lager zijn dan 85 %;

  b) tweede uitkomst:

  voor overeenkomsten waarbij het risicokapitaal niet negatief is, wordt een component van 0,3 % van dit kapitaal dat ten laste komt van de instelling, vermenigvuldigd met het getal dat de voor het laatste boekjaar bestaande verhouding aangeeft tussen het risicokapitaal dat ten laste van de instelling blijft, na overdracht en retrocessie uit hoofde van herverzekering, en het risicokapitaal zonder aftrek van de herverzekering; dit verhoudingsgetal mag in geen geval lager zijn dan 50 %.

  Voor de tijdelijke verzekeringen bij overlijden, met een looptijd van ten hoogste drie jaar, bedraagt deze component 0,1 %. voor verzekeringen met een looptijd van meer dan drie, doch niet meer dan vijf jaar, bedraagt deze component 0,15 %.

3. Voor de aanvullende verzekeringen bedoeld in artikel 2, lid 3, onder a) iii), van Richtlijn 2009/138/EG is de vereiste solvabiliteitsmarge gelijk aan de vereiste solvabiliteitsmarge voor instellingen als bedoeld in artikel 19.

4. Voor de kapitalisatieverrichtingen bedoeld in artikel 2, lid 3, onder b) iii), van Richtlijn 2009/138/EG is de vereiste solvabiliteitsmarge gelijk aan 4 % van de wiskundige voorzieningen, berekend overeenkomstig lid 2, onder a).

5. Voor activiteiten als bedoeld in artikel 2, lid 3, onder b) i), van Richtlijn 2009/138/EG is de vereiste solvabiliteitsmarge gelijk aan 1 % van hun activa.

6. Voor de verzekeringen bedoeld in artikel 2, lid 3, onder a), i) en ii), van Richtlijn 2009/138/EG, die verbonden zijn met beleggingsfondsen en voor de verrichtingen als bedoeld in artikel 2, lid 3, onder b), iii), iv) en v), van Richtlijn 2009/138/EG is de vereiste solvabiliteitsmarge gelijk aan de som van:

  a) voor zover de instelling een beleggingsrisico draagt, een component van 4 % van de technische voorzieningen, berekend overeenkomstig lid 2, onder a), van dit artikel;

  b) voor zover de instelling geen beleggingsrisico draagt maar het bedrag ter dekking van de beheerslasten vast is voor een periode van meer dan vijf jaar, een component van 1 % van de technische voorzieningen, berekend overeenkomstig lid 2, onder a), van dit artikel;

  c) voor zover de onderneming geen beleggingsrisico draagt en het bedrag ter dekking van de beheerslasten vast is voor een periode van vijf jaar of minder, een bedrag dat gelijk is aan 25 % van de nettobeheerskosten in verband met dergelijke verrichtingen in het voorgaande boekjaar;

  d) voor zover de verzekeringsonderneming een overlijdensrisico draagt, een component van 0,3 % van het risicokapitaal, berekend overeenkomstig lid 2, onder b), van dit artikel.

Artikel 19

De vereiste solvabiliteitsmarge in de zin van artikel 18, lid 3

1. De vereiste solvabiliteitsmarge wordt bepaald ten opzichte van het jaarlijkse totaal van premies of bijdragen, dan wel ten opzichte van de gemiddelde schadelast van de laatste drie boekjaren.

2. Het bedrag van de vereiste solvabiliteitsmarge moet gelijk zijn aan de hoogste uitkomst van de in de leden 3 en 4 omschreven berekeningen.

3. Voor de berekening ten opzichte van de premies of bijdragen wordt uitgegaan van hetzij het bedrag van de uitgegeven brutopremies of -bijdragen, zoals hieronder berekend, hetzij het bedrag van de verdiende brutopremies of -bijdragen, naargelang welk van beide bedragen het hoogst is.

De premies of bijdragen die in het kader van het directe verzekeringsbedrijf gedurende het laatste boekjaar zijn uitgegeven, met inbegrip van bijkomende kosten, worden samengeteld.

Daaraan wordt toegevoegd het bedrag van de premies die gedurende het laatste boekjaar uit hoofde van herverzekering werden geaccepteerd.

Daarvan worden afgetrokken het totaalbedrag van de gedurende het laatste boekjaar geannuleerde premies of bijdragen, alsmede het totaalbedrag van de belastingen en rechten op de samengetelde premies of bijdragen.

Het aldus verkregen bedrag wordt in twee gedeelten is gesplitst, namelijk een eerste gedeelte ten belope van maximaal 50 miljoen EUR en een tweede gedeelte dat het restant omvat; van deze gedeelten wordt respectievelijk 18 % en 16 % genomen en vervolgens opgeteld.

De aldus verkregen uitkomst wordt vermenigvuldigd met het getal dat de voor de som van de laatste drie boekjaren bestaande verhouding aangeeft tussen het bedrag van de schaden die na aftrek van de uit hoofde van herverzekering invorderbare bedragen ten laste van de instelling blijven, en het bedrag van de brutoschaden; dit verhoudingsgetal mag in geen geval lager zijn dan 50 %.

4. De solvabiliteitsmarge op schadebasis wordt berekend als volgt:

Eerst worden de bedragen van de schaden die gedurende de in lid 1 bedoelde perioden in het kader van het directe verzekeringsbedrijf zijn betaald, bij elkaar opgeteld, zonder aftrek van de ten laste van de cessionarissen en retrocessionarissen komende schaden.

Daaraan wordt toegevoegd het bedrag van de schaden die gedurende dezelfde perioden uit hoofde van geaccepteerde herverzekeringen of retrocessies zijn betaald, en het bedrag van de voorzieningen voor te betalen schaden die aan het einde van het laatste boekjaar voor zowel het directe verzekeringsbedrijf als geaccepteerde herverzekeringen zijn gevormd.

Daarvan worden de gedurende de in lid 1 bedoelde perioden voor het uitoefenen van verhaalsrecht ontvangen bedragen afgetrokken.

Van deze uitkomst wordt eveneens afgetrokken het bedrag van de voorzieningen voor te betalen schaden die aan het begin van het tweede boekjaar voorafgaande aan het laatste afgesloten boekjaar, voor zowel het directe verzekeringsbedrijf als geaccepteerde herverzekeringen zijn gevormd.

Een derde van het aldus verkregen bedrag wordt in twee gedeelten gesplitst, namelijk een eerste gedeelte ten belope van maximaal 35 miljoen EUR en een tweede gedeelte dat het restant omvat; van deze gedeelten wordt respectievelijk 26 % en 23 % genomen en vervolgens opgeteld.

De aldus verkregen uitkomst wordt vermenigvuldigd met het getal dat de voor de som van de laatste drie boekjaren bestaande verhouding aangeeft tussen het bedrag van de schaden die na aftrek van de uit hoofde van herverzekering invorderbare bedragen ten laste van de instelling blijven, en het bedrag van de brutoschaden; dit verhoudingsgetal mag in geen geval lager zijn dan 50 %.

5. Indien de vereiste solvabiliteitsmarge zoals berekend overeenkomstig de leden 2, 3 en 4 lager is dan de vereiste solvabiliteitsmarge van het voorgaande jaar, moet de vereiste solvabiliteitsmarge ten minste gelijk zijn aan de vereiste solvabiliteitsmarge van het voorgaande jaar, vermenigvuldigd met het verhoudingsgetal van het bedrag van de technische voorzieningen voor te betalen schaden aan het einde van het laatste boekjaar en het bedrag van de technische voorzieningen voor te betalen schaden aan het begin van het laatste boekjaar. Bij deze berekeningen worden de technische voorzieningen berekend verminderd met de herverzekering, maar het quotiënt mag in geen geval meer dan 1 bedragen.

Artikel 20

Beleggingsvoorschriften

1. De lidstaten verplichten de instellingen die binnen hun rechtsgebied gevestigd zijn een beleggingsbeleid te voeren dat in overeenstemming is met de "prudent person"-regel en met name met de volgende voorschriften:

  a) de activa worden belegd in het belang op de lange termijn van de deelnemers en de pensioengerechtigden in hun geheel. In geval van mogelijke tegenstrijdige belangen zorgt de instelling of het lichaam dat haar portefeuille beheert, ervoor dat de belegging uitsluitend in het belang van de deelnemers en de pensioengerechtigden geschiedt;

  a bis) de "prudent person"-regel weerhoudt de instellingen er niet van rekening te houden met het mogelijke langetermijneffect van beleggingsbeslissingen op ecologische, sociale, bestuurlijke of ethische factoren;

  b) de activa worden op zodanige wijze belegd dat de veiligheid, de kwaliteit, de liquiditeit en het rendement van de portefeuille als geheel worden gewaarborgd.

  Activa die ter dekking van de technische voorzieningen worden aangehouden, worden voorts belegd op een wijze die strookt met de aard en de duur van de verwachte toekomstige pensioenuitkeringen, rekening houdend met de doelstelling het intergenerationeel evenwicht van de pensioenregeling te waarborgen;

  c) de activa worden hoofdzakelijk op gereglementeerde markten belegd. Beleggingen in niet tot de handel op een gereglementeerde financiële markt toegelaten activa, moeten in elk geval tot een prudent niveau worden beperkt;

  d) beleggingen in derivaten zijn toegestaan voor zover deze bijdragen tot een vermindering van het beleggingsrisico of een doeltreffend portefeuillebeheer vergemakkelijken. Dergelijke beleggingen moeten op een prudente basis worden gewaardeerd, met inachtneming van de onderliggende activa, en moeten mede in aanmerking genomen worden bij de waardering van de activa van de instelling. De instelling vermijdt voorts een bovenmatig risico met betrekking tot één en dezelfde tegenpartij en tot andere derivatenverrichtingen;

  e) de activa moeten naar behoren gediversifieerd zijn zodat een bovenmatige afhankelijkheid van (of vertrouwen in) bepaalde activa, of een bepaalde emittent of groep van ondernemingen en risicoaccumulatie in de portefeuille als geheel worden vermeden.

  Beleggingen in activa uitgegeven door dezelfde emittent of door emittenten die tot dezelfde groep behoren, mogen de instelling niet blootstellen aan bovenmatige risicoconcentratie;

  f) beleggingen in de bijdragende onderneming worden beperkt tot ten hoogste 5 % van de portefeuille als geheel, en ingeval de bijdragende onderneming tot een groep behoort, worden beleggingen in de ondernemingen die tot dezelfde groep als de bijdragende onderneming behoren, beperkt tot ten hoogste 10 % van de portefeuille.

  Wanneer een groep van ondernemingen aan de instelling bijdragen betaalt, geschieden beleggingen in deze bijdragende ondernemingen prudent, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak van een behoorlijke diversificatie.

De lidstaten kunnen ertoe besluiten de onder e) en f) bedoelde vereisten niet toe te passen op beleggingen in staatsobligaties.

2. Met inachtneming van de aard, de schaal en de complexiteit van de werkzaamheden van de onder toezicht vallende instellingen, zien de lidstaten erop toe dat de bevoegde autoriteiten toezicht houden op de toereikendheid van de kredietbeoordelingsprocessen van deze instellingen, dat zij het gebruik van verwijzingen naar ratings, uitgegeven door ratingbureaus als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad(18), in het beleggingsbeleid van die instellingen beoordelen en dat zij, indien passend, de beperking van de impact van dergelijke referenties aanmoedigen, met als doel het verminderen van het uitsluitend en mechanisch vertrouwen op dergelijke ratings.

3. De lidstaat van herkomst verbiedt de instelling leningen aan te gaan of namens derde partijen als garant op te treden. De lidstaten kunnen de instellingen evenwel toestaan om tijdelijk en uitsluitend voor liquiditeitsdoelstellingen leningen aan te gaan.

4. De lidstaten mogen van de op hun grondgebied gevestigde instellingen niet verlangen dat zij in bepaalde categorieën activa beleggen.

5. Onverminderd het bepaalde in artikel 32, stellen de lidstaten geen eisen inzake voorafgaande goedkeuring of systematische kennisgeving aan de beleggingsbesluiten van een op hun grondgebied gevestigde instelling of de vermogensbeheerder ervan.

6. De lidstaten kunnen, overeenkomstig het bepaalde in de leden 1 tot en met 5, voor op hun grondgebied gevestigde instellingen nadere voorschriften vaststellen, met inbegrip van kwantitatieve voorschriften, mits deze vanuit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd zijn, die het geheel van door deze instellingen uitgevoerde pensioenregelingen weerspiegelen.

De lidstaten verbieden de instellingen evenwel niet om:

  a) maximaal 70 % van de activa ter dekking van de technische voorzieningen of van de gehele portefeuille voor regelingen waarvan de deelnemers de beleggingsrisico's dragen, te beleggen in aandelen, met aandelen gelijk te stellen verhandelbare waardepapieren en bedrijfsobligaties die zijn toegelaten tot de handel op gereglementeerde markten, multilaterale handelsfaciliteiten of georganiseerde handelsfaciliteiten, en te beslissen over het relatieve gewicht van deze waardepapieren in hun beleggingsportefeuille; ;

  b) maximaal 30 % van hun activa die tegenover hun technische voorzieningen staan, te beleggen in activa in andere valuta's dan die waarin de passiva luiden;

c) te beleggen in instrumenten die een beleggingshorizon op lange termijn hebben en niet op gereglementeerde markten, MTF's of OTF's worden verhandeld;

c bis) te beleggen in instrumenten die door de Europese Investeringsbank worden uitgeven of gegarandeerd in het kader van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), Europese langetermijnbeleggingsfondsen (ELTIF's), Europese sociaalondernemerschapsfondsen (ESO's) en Europese durfkapitaalfondsen.

7. Onverminderd lid 6 kunnen de lidstaten ▌op individuele basis de toepassing van beleggingsvoorschriften ▌ eisen door instellingen die op hun grondgebied een vergunning hebben verkregen of geregistreerd zijn, op voorwaarde dat deze met name in het licht van de door de instelling aangegane verplichtingen, prudentieel gerechtvaardigd zijn.

8. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst van een instelling die grensoverschrijdende activiteiten zoals bedoeld in artikel 12 ontplooit, stelt geen beleggingsvoorschriften naast die van de leden 1 tot en met 6 vast voor het deel van de activa die de technische voorzieningen voor grensoverschrijdende activiteiten dekken.

Titel III

VOORWAARDEN VOOR DE BEDRIJFSUITOEFENING

HOOFDSTUK 1

Governancesysteem

Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 21

Verantwoordelijkheid van het ▌beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan

1. De lidstaten zorgen ervoor dat het ▌ beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de instelling krachtens de nationale wetgeving de eindverantwoordelijkheid draagt voor de naleving door de betrokken instelling van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn worden vastgesteld.

2. Deze richtlijn laat de rol van de sociale partners in het bestuur van de instellingen onverlet.

Artikel 22

Algemene governancevereisten

1. De lidstaten schrijven voor dat alle instellingen moeten beschikken over een doeltreffend governancesysteem dat voor een gezonde en prudente bedrijfsvoering zorgt. Dit systeem bevat een adequate transparante organisatiestructuur met een duidelijke verdeling en correcte scheiding van verantwoordelijkheden en een doeltreffend systeem voor de overdracht van informatie. Het governancesysteem wordt periodiek intern geëvalueerd. Het governancesysteem vereist dat bij de beleggingsbeslissingen rekening wordt gehouden met ecologische, sociale en bestuurlijke factoren met betrekking tot het belegde vermogen, geeft inspraak aan de relevante belanghebbenden en wordt periodiek intern geëvalueerd.

2. Het ▌governancesysteem staat in verhouding tot de aard, de schaal en de complexiteit van de werkzaamheden van de instelling.

3. De instellingen stellen schriftelijk vastgelegde beleidslijnen voor het risicobeheer, de interne audit en, indien van toepassing, actuariële activiteiten en uitbesteding vast en passen deze toe. De instellingen zorgen ervoor dat deze beleidslijnen ten uitvoer worden gelegd. Deze schriftelijk vastgelegde beleidslijnen worden vooraf door het beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan goedgekeurd; zij worden ten minste om de drie jaar geëvalueerd en worden aangepast als er zich een duidelijke wijziging in het betrokken systeem of gebied voordoet.

4. De lidstaten zorgen ervoor dat de instellingen beschikken over een doeltreffend systeem van interne controle. Dit systeem omvat de administratieve en financiële verslagleggingsprocedures, een internecontrolekader en passende rapportageregelingen op alle niveaus van de instelling.

5. De lidstaten zorgen ervoor dat instellingen redelijke maatregelen treffen, waaronder de ontwikkeling van noodplannen, om voor continuïteit en regelmatigheid in de verrichting van hun werkzaamheden te zorgen. Daartoe maakt de instelling gebruik van passende en proportionele systemen, middelen en procedures.

6. De lidstaten schrijven voor dat de instelling daadwerkelijk beschikt over ten minste twee personen die de leiding hebben over de activiteiten van die instelling. De lidstaten kunnen toestaan dat de instelling daadwerkelijk wordt bestuurd door slechts één persoon, mits daarvoor een met redenen omklede beoordeling door de bevoegde autoriteiten wordt verricht. Bij deze beoordeling wordt rekening gehouden met de rol van de sociale partners binnen het algehele bestuur van de instellingen, evenals met de omvang, de aard, de schaal en de complexiteit van de werkzaamheden van de instellingen.

Artikel 23

Vereisten voor een deskundig en betrouwbaar bestuur

1. De lidstaten schrijven voor dat de instellingen erop toezien dat alle personen die de instelling daadwerkelijk besturen en personen die sleutelfuncties vervullen, bij de uitvoering van hun taken aan de volgende vereisten voldoen:

a)  deskundigheidsvereiste:

-  personen die de instelling daadwerkelijk besturen: hun beroepskwalificaties, -kennis en -ervaring volstaan collectief om een gezond en prudent bestuur van de instelling mogelijk te maken en

-  personen die sleutelfuncties vervullen: hun beroepskwalificaties, -kennis en -ervaring volstaan om hun sleutelfuncties naar behoren te vervullen ▌ en

b)  betrouwbaarheidsvereiste: ze hebben een goede reputatie en zijn integer ▌.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat ▌de bevoegde autoriteiten nagaan of de personen die de instelling daadwerkelijk besturen of ▌ sleutelfuncties vervullen, aan de vereisten van lid 1 voldoen.

3. Indien een lidstaat van herkomst van zijn eigen onderdanen een bewijs van betrouwbaarheid en het bewijs dat er voorheen geen faillissement heeft plaatsgehad of slechts één van deze twee bewijzen eist, aanvaardt deze lidstaat als voldoende bewijs voor onderdanen van andere lidstaten het overleggen van een uittreksel uit het strafregister van de andere lidstaat of, bij het ontbreken van een strafregister in de andere lidstaat, ▌een gelijkwaardig document waaruit blijkt dat aan deze eisen is voldaan, dat is afgegeven door een bevoegde rechterlijke of overheidsinstantie van de lidstaat waarvan de betrokken persoon onderdaan is of door de lidstaat van herkomst.

4. Wanneer de lidstaat ▌ of de lidstaat waarvan de ▌betrokken persoon onderdaan is, geen document verstrekt dat gelijkwaardig is aan het in lid 3 bedoelde document, is het die persoon toegestaan in plaats daarvan een verklaring onder ede af te leggen.

In lidstaten waar niet in verklaringen onder ede is voorzien, mag de onderdaan van de andere betrokken lidstaat evenwel een plechtige verklaring afleggen ten overstaan van een bevoegde rechterlijke of overheidsinstantie ▌van de lidstaat van herkomst of van de lidstaat waarvan hij onderdaan is of ten overstaan van een notaris in een van die lidstaten.

Die instantie of notaris geeft een attest af dat deze eed of deze plechtige verklaring bewijskracht geeft.

5. Het in lid 3 bedoelde bewijs dat er voorheen geen faillissement heeft plaatsgehad, mag ook worden verstrekt in de vorm van een verklaring die door de onderdanen van de andere betrokken lidstaat wordt afgelegd ten overstaan van een bevoegde rechterlijke instantie, beroeps- of bedrijfsorganisatie van de betrokken andere lidstaat.

6. De in de leden 3, 4 en 5 bedoelde documenten en attesten mogen bij overlegging niet ouder zijn dan drie maanden.

7. De lidstaten wijzen de autoriteiten en organisaties aan die bevoegd zijn voor de afgifte van de in de leden 3, 4 en 5 bedoelde documenten en stellen de overige lidstaten en de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

De lidstaten delen de overige lidstaten en de Commissie tevens mede bij welke autoriteiten en organisaties de in de leden 3, 4 en 5 bedoelde documenten tot staving van het verzoek om op het grondgebied van deze lidstaat de in artikel 12 bedoelde werkzaamheden te mogen uitoefenen, moeten worden ingediend.

Artikel 24

Beloningsbeleid

1. De lidstaten schrijven voor dat de instellingen voor alle personen die de instelling daadwerkelijk besturen en sleutelfuncties vervullen, en andere personeelscategorieën waarvan de beroepswerkzaamheden wezenlijke gevolgen hebben voor het risicoprofiel van de instelling, een deugdelijk beloningsbeleid moeten vaststellen en toepassen dat past zowel bij hun omvang en interne organisatie, als bij de aard, de reikwijdte en de complexiteit van hun werkzaamheden.

1 bis. Dit artikel is niet van toepassing op instellingen krachtens de Richtlijnen 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/65/EU en 2014/91/EU gemachtigd zijn.

2. De instellingen maken periodiek dienstige informatie over het beloningsbeleid openbaar, tenzij anders is bepaald in de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen tot omzetting van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad.(19)

3. Bij de vaststelling en toepassing van het in lid 1 bedoelde beloningsbeleid nemen de lidstaten de volgende beginselen in acht:

–  het beloningsbeleid is in overeenstemming met de werkzaamheden, ▌ het risicoprofiel, de doelstellingen, het langetermijnbelang, de financiële stabiliteit en de prestaties van de instelling als geheel, en het beloningsbeleid werkt een deugdelijk, prudent en doeltreffend bestuur van de instelling in de hand;

–  het beloningsbeleid is in overeenstemming met het risicoprofiel en de langetermijnbelangen van de deelnemers aan en de pensioengerechtigden van de door de instelling uitgevoerde pensioenregelingen;

–  het beloningsbeleid omvat ▌maatregelen die erop gericht zijn belangenconflicten te vermijden;

–  het beloningsbeleid strookt met een degelijk en doeltreffend risicobeheer en moedigt niet aan tot het nemen van zodanige risico's dat de vastgestelde risicotolerantielimieten worden overschreden;

–  het beloningsbeleid is van toepassing op de instelling en op de partijen die de sleutelfuncties of enigerlei andere werkzaamheden uitvoeren, met inbegrip van sleutelfuncties of enigerlei andere werkzaamheden die uitbesteed en vervolgens onderuitbesteed zijn;

–  ▐

–  het ▌ beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de instelling stelt de algemene beginselen van zijn beloningsbeleid vast, toetst deze op gezette tijden en is verantwoordelijk voor het toezicht op de tenuitvoerlegging ervan;

–  ▐

–  er is sprake van een duidelijke, transparante en doeltreffende governance ten aanzien van het beloningsbeleid en het toezicht daarop.

Afdeling 2

Sleutelfuncties

Artikel 25

Algemene bepalingen

1. De lidstaten schrijven voor dat instellingen over de volgende sleutelfuncties moeten beschikken: een risicobeheerfunctie, een interneauditfunctie en, in voorkomend geval, een actuariële functie. Instellingen stellen medewerkers met een sleutelfunctie in staat hun taken op een objectieve, eerlijke en onafhankelijke manier te vervullen.

2. Instellingen mogen toestaan dat één persoon of organisatorische eenheid meer dan een sleutelfunctie vervult. De interneauditfunctie wordt door één persoon of organisatorische eenheid vervuld.

3. De ene persoon of organisatorische eenheid die de sleutelfunctie vervult, verschilt van de persoon of organisatorische eenheid die in de bijdragende onderneming een soortgelijke sleutelfunctie vervult. Op grond van een met redenen omkleed verzoek van de instelling kunnen de bevoegde autoriteiten de instelling toestaan sleutelfuncties door dezelfde persoon of organisatorische eenheid te laten uitvoeren, mits er geen belangenconflict met de bijdragende onderneming bestaat. De lidstaten staan het de bevoegde autoriteiten toe passende maatregelen te nemen wanneer er een belangenconflict geconstateerd wordt.

5. Bevindingen en aanbevelingen van medewerkers met een sleutelfunctie worden gerapporteerd aan het ▌ beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de instelling, dat besluit welke maatregelen moeten worden getroffen.

6. De medewerker met een sleutelfunctie stelt de bevoegde autoriteit van de instelling in kennis van bevindingen die ernstige gevolgen kunnen hebben voor de belangen van de deelnemers en de pensioengerechtigden.

7. De lidstaten zorgen ervoor dat personen die de bevoegde autoriteit overeenkomstig lid 6 in kennis stellen, rechtsbescherming genieten.

Artikel 26

Risicobeheer

1. De lidstaten schrijven voor dat instellingen op een wijze die in overeenstemming is met hun omvang en interne organisatie, evenals met de aard, de schaal en de complexiteit van hun werkzaamheden, moeten beschikken over een doeltreffend risicobeheersysteem dat bestaat uit strategieën, processen en rapportageprocedures die nodig zijn om op individueel en geaggregeerd niveau de risico’s waaraan zij blootgesteld zijn of kunnen worden, alsook de onderlinge afhankelijkheden en relaties daartussen voortdurend te onderkennen, te meten, te bewaken, te beheren en aan de bevoegde autoriteiten te rapporteren.

Dit risicobeheersysteem is doeltreffend en goed geïntegreerd in de organisatiestructuur en de besluitvormingsprocessen van de instelling.

2. In verhouding tot hun omvang en interne organisatie en tot de aard, de reikwijdte en de complexiteit van hun werkzaamheden bestrijkt het risicobeheersysteem de risico's die zich ten minste op de volgende terreinen kunnen voordoen in de instellingen of in de ondernemingen waaraan taken of werkzaamheden zijn uitbesteed:

a)  aangaan van verzekeringstechnische verplichtingen en reservevorming;

b)  afgestemd beheer van activa en passiva (asset-liability management - ALM);

c)  beleggingen, met name derivaten, securitisaties en vergelijkbare verbintenissen;

d)  beheer van het liquiditeits- en concentratierisico;

e)  beheer van het operationele risico;

f)  verzekering en andere risicolimiteringstechnieken;

f bis)  sociale en milieurisico's met betrekking tot de beleggingsportefeuille en het beheer daarvan.

3. Ingeval deelnemers en pensioengerechtigden overeenkomstig de voorwaarden van de pensioenregeling risico's dragen, neemt het risicobeheersysteem ook deze risico's uit het oogpunt van de deelnemers en pensioengerechtigden in aanmerking.

4. Instellingen voorzien in een zodanig opgezette risicobeheerfunctie dat het risicobeheersysteem gemakkelijk kan functioneren.

Artikel 27

Interne audit

1. De lidstaten schrijven voor dat instellingen op een wijze die in overeenstemming is met hun omvang en interne organisatie, evenals met de aard, de schaal en de complexiteit van hun werkzaamheden, in een doeltreffende interneauditfunctie moeten voorzien. In het kader van de interneauditfunctie wordt onder meer geëvalueerd of het internecontrolesysteem en andere onderdelen van het governancesysteem ▌adequaat en doeltreffend zijn.

2. De lidstaten schrijven voor dat instellingen ten minste één onafhankelijke persoon van binnen of buiten de instelling aanwijzen die voor de interneauditfunctie verantwoordelijk is.▌

Artikel 28

Actuariële functie

1. Indien een instelling zelf dekking tegen biometrische risico's biedt of een beleggingsrendement of een bepaalde hoogte van de uitkeringen garandeert, schrijven de lidstaten voor dat instellingen in een actuariële functie moeten voorzien met de volgende taken:

a)  zij coördineert en houdt toezicht op de berekening van technische voorzieningen;

b)  zij ziet erop toe dat de bij de berekening van de technische voorzieningen gehanteerde methodieken, onderliggende modellen en aannamen passend zijn;

c)  zij beoordeelt of er genoeg gegevens worden gebruikt bij de berekening van technische voorzieningen, en zij beoordeelt de kwaliteit van die gegevens;

d)  zij toetst bij de berekening van technische voorzieningen gehanteerde aannames aan de ervaring;

e)  zij verstrekt het ▌ beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de instelling informatie over de betrouwbaarheid en adequaatheid van de berekening van technische voorzieningen;

f)  zij brengt advies uit over de algehele gedragslijn voor het aangaan van verzekeringstechnische verplichtingen ingeval de instelling een dergelijke gedragslijn heeft;

g)  zij brengt advies uit over de adequaatheid van de verzekeringsregelingen ingeval de instelling dergelijke verzekeringsregelingen heeft; en

h)  zij draagt ertoe bij dat het risicobeheersysteem doeltreffend wordt toegepast.

2. De lidstaten schrijven voor dat instellingen ten minste één onafhankelijke persoon van binnen of buiten de instelling moeten aanwijzen die voor de actuariële functie verantwoordelijk is.

Afdeling 3

Documenten betreffende de governance

Artikel 29

Eigen risicotoetsing

1. In het kader van haar risicobeheersysteem verricht elke instelling , op een wijze die in overeenstemming is met haar omvang en interne organisatie, evenals met de aard, de schaal en de complexiteit van haar werkzaamheden, haar eigen risicotoetsing.

De risicotoetsing ▌ wordt periodiek en terstond na een significante wijziging in het risicoprofiel van de instelling of van de door de instelling uitgevoerde pensioenregelingen verricht.

2. De in lid 1 bedoelde risicotoetsing heeft, indien dat in overeenstemming is met de aard, de schaal en de complexiteit van de werkzaamheden van de instellingen, betrekking op het volgende:

a)  de doelmatigheid van het risicobeheersysteem;

b)  de totale financieringsbehoeften van de instelling;

c)  de risico's die inherent zijn aan de toereikendheid van de technische voorzieningen met betrekking tot het geheel van de uitgevoerde pensioenregelingen;

e)  de risico's voor de deelnemers en pensioengerechtigden met betrekking tot de uitbetaling van hun pensioenrechten en de effectiviteit van eventuele corrigerende maatregelen;

f)  een kwalitatieve toetsing van eventuele financiële steun waartoe de instelling of deelnemers en pensioengerechtigden toegang hebben, met inbegrip van garanties, pensioenbeschermingsregelingen of convenanten;

g)  een kwalitatieve toetsing van de operationele risico's▌;

h)  een ▌toetsing van nieuwe of zich aandienende risico's, met inbegrip van risico's die met klimaatverandering, het gebruik van hulpbronnen en het milieu verband houden, sociale risico's en risico's in verband met de waardevermindering van activa als gevolg van veranderde regelgeving.

3. Voor de toepassing van lid 2 beschikken de instellingen over methoden om de risico's te detecteren en te toetsen waaraan zij op korte en op lange termijn zijn of kunnen zijn blootgesteld. Deze methoden staan in verhouding tot de aard, de schaal en de complexiteit van de risico's die aan hun werkzaamheden verbonden zijn. De methoden worden beschreven in de toetsing.

4. De in lid 3 bedoelde risicotoetsing houdt rekening met de doelstelling om het intergenerationeel evenwicht in de pensioenregeling te waarborgen, wordt periodiek uitgevoerd, maakt integraal deel uit van de bedrijfsstrategie en wordt in aanmerking genomen bij de strategische beslissingen van de instelling. Zij wordt aan de deelnemers van de regeling ter beschikking gesteld.

Artikel 31

Jaarrekening en jaarverslag

De lidstaten eisen dat elke op hun grondgebied gevestigde instelling een jaarrekening en een jaarverslag opstelt en openbaar maakt waarin iedere door de instelling uitgevoerde pensioenregeling, alsmede, elke van toepassing, een jaarrekening en een jaarverslag voor elke pensioenregeling, worden opgenomen. De jaarrekeningen en jaarverslagen geven een getrouw beeld van de activa, de passiva en de financiële positie van de instelling, en bevatten een lijst van alle belangrijke beleggingsdeelnemingen. De jaarrekeningen en de informatie in de jaarverslagen zijn consistent, alomvattend en correct gepresenteerd en ze worden naar behoren goedgekeurd door overeenkomstig de nationale wetgeving bevoegde personen.

Artikel 32

Verklaring inzake de beleggingsbeginselen

De lidstaten zorgen ervoor dat elke op hun grondgebied gevestigde instelling een schriftelijke verklaring inzake beleggingsbeginselen opstelt en deze ten minste om de drie jaar herziet. Deze verklaring moet onverwijld worden herzien na een belangrijke wijziging van het beleggingsbeleid. De lidstaten zien erop toe dat deze verklaring ten minste onderwerpen omvat als de toegepaste wegingsmethoden voor beleggingsrisico's, de risicobeheersprocedures en de strategische allocatie van activa in het licht van de aard en de looptijd van de pensioenverplichtingen evenals de wijze waarop in het beleggingsbeleid rekening wordt gehouden met ecologische, sociale en bestuurlijke aangelegenheden. De verklaring wordt openbaar gemaakt op een website.

HOOFDSTUK 2

Uitbesteding en beleggingsbeheer

Artikel 33

Uitbesteding

1. De lidstaten kunnen toestaan of eisen dat de op hun grondgebied gevestigde instellingen het beheer van deze instellingen geheel of ten dele toevertrouwen aan andere lichamen die handelen in naam van die instellingen.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat instellingen bij de uitbesteding van sleutelfuncties of enigerlei andere werkzaamheden volledig verantwoordelijk blijven voor de nakoming van al hun verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn.

3. Uitbesteding van sleutelfuncties of enigerlei andere werkzaamheden mag niet tot het volgende leiden:

a)  er wordt afbreuk gedaan aan de kwaliteit van het governancesysteem van de betrokken instelling;

b)  het operationele risico neemt onnodig toe;

c)  er wordt afbreuk gedaan aan het vermogen van de bevoegde autoriteiten om te controleren of de instelling haar verplichtingen nakomt;

d)  de continuïteit en de toereikendheid van de dienstverlening aan deelnemers en pensioengerechtigden worden ondermijnd.

4. Via het selectieproces van een dienstverlener en de continue controle van de werkzaamheden van die dienstverlener zorgt de instelling ervoor dat de uitbestede werkzaamheden naar behoren worden uitgevoerd.

5. De lidstaten zorgen ervoor dat instellingen die een werkzaamheid uitbesteden, ten minste een schriftelijke overeenkomst sluiten met de dienstverlener. De overeenkomst is rechtens afdwingbaar en bevat een duidelijke omschrijving van de rechten en plichten van de instelling en de dienstverlener.

6. De lidstaten zorgen ervoor dat instellingen vóór de uitbesteding van een werkzaamheid de bevoegde autoriteiten tijdig daarvan in kennis stellen, alsook van latere wezenlijke ontwikkelingen met betrekking tot die werkzaamheden.

7. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de nodige bevoegdheden hebben om te allen tijde van de instellingen informatie te verlangen over uitbestede werkzaamheden.

Artikel 34

Beleggingsbeheer

De lidstaten beletten niet dat de instellingen voor het beheer van hun beleggingsportefeuille beleggingsbeheerders aanwijzen die in een andere lidstaat gevestigd zijn en waaraan voor deze activiteit naar behoren vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2009/65/EG en de Richtlijnen , 2009/138/EG, 2011/61/EG, , 2013/36/EU en 2014/65/EU, alsmede degenen bedoeld in artikel 2, lid 1, van deze richtlijn.

HOOFDSTUK 3

Bewaarder

Artikel 35

Aanstelling van een bewaarder

1. ▌Voor elke bedrijfspensioenregeling waarbij deelnemers en pensioengerechtigden het volledige beleggingsrisico dragen, kunnen de lidstaten, ingeval de nationale wetgeving van de lidstaat van herkomst geen bescherming biedt voor de bewaring van activa en de vervulling van toezichttaken overeenkomstig de artikelen 36 en 37, en ingeval nog geen bewaarder is aangesteld met betrekking tot de activa van de pensioenregelingen in financiële producten overeenkomstig Richtlijnen 2011/61/EU of 2009/65/EU, voorschrijven dat de instelling één of meerdere bewaarders moet aanstellen voor de bewaring van activa en de vervulling van toezichttaken overeenkomstig de artikelen 36 en 37.

2. De lidstaat van herkomst kan voorschrijven dat de instelling voor bedrijfspensioenregelingen waarbij de deelnemers en pensioengerechtigden niet het volledige beleggingsrisico dragen, een bewaarder moet aanstellen voor de bewaring van activa en de vervulling van toezichttaken overeenkomstig de artikelen 36 en 37. Onverminderd artikel 36. lid 5, is dit vereiste niet van toepassing op die activa van een instelling voor zover deze instelling die activa rechtstreeks heeft belegd in een of meer eenheden in naam waarvan overeenkomstig Richtlijn 2011/61/EU of Richtlijn 2014/91/EU een bewaarder voor de bewaring van activa en de vervulling van de toezichttaken van de pensioenregeling is aangesteld.

3. De lidstaten beletten niet dat de instellingen ▌bewaarders aanstellen die in een andere lidstaat gevestigd zijn en waaraan naar behoren vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU of Richtlijn 2014/65/EU of die voor de doeleinden van Richtlijn 2009/65/EG of Richtlijn 2011/61/EU als bewaarder zijn aanvaard.

4. De lidstaten voeren de nodige maatregelen uit om de bevoegde autoriteiten overeenkomstig hun nationaal recht in staat te stellen om overeenkomstig artikel 62 op verzoek van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de instelling de vrije beschikking ▌ te verbieden over activa die zich op hun grondgebied bevinden.

5. De aanstelling van de bewaarder wordt ▌schriftelijk vastgelegd in een contract. Het contract regelt het doorgeven van de informatie die noodzakelijk wordt geacht om de bewaarder in staat te stellen zijn taken ▌overeenkomstig deze richtlijn uit te voeren.

6. Bij de uitvoering van de in de artikelen 36 en 37 vastgelegde taken handelen de instelling en de bewaarder betrouwbaar, eerlijk, professioneel, onafhankelijk en in het belang van de deelnemers aan en de pensioengerechtigden van de regeling.

7. Een bewaarder mag geen werkzaamheden met betrekking tot de instelling uitvoeren die tot belangenconflicten tussen de instelling, de deelnemers aan en pensioengerechtigden van de regeling en hemzelf kunnen leiden, tenzij de bewaarder het vervullen van zijn bewaarnemingstaken functioneel en hiërarchisch heeft gescheiden van zijn andere mogelijkerwijs conflicterende taken, en de mogelijke belangenconflicten afdoende worden onderkend, beheerd, gecontroleerd en meegedeeld aan de instelling en de deelnemers aan en pensioengerechtigden van de regeling.

8. Ingeval geen bewaarder is aangesteld en ingeval de instelling niet het gehele pensioenvermogen heeft belegd in de financiële producten die onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2011/61/EU of Richtlijn 2009/65/EU vallen en er geen bewaarder is aangesteld overeenkomstig deze richtlijnen, treffen de instellingen regelingen om de belangenconflicten te voorkomen of te verhelpen die zich kunnen voordoen bij de uitvoering van taken die anders door een bewaarder of een vermogensbeheerder worden vervuld.

Artikel 36

Bewaring van activa en aansprakelijkheid van de bewaarder

1. Wanneer de activa van een pensioenregeling die bestaan uit financiële instrumenten die in bewaring kunnen worden genomen, voor bewaring aan een bewaarder worden toevertrouwd, houdt de bewaarder alle financiële instrumenten in bewaring die op een financiële-instrumentenrekening in de boeken van de bewaarder kunnen worden geregistreerd, alsook alle financiële instrumenten die fysiek aan de bewaarder kunnen worden geleverd.

Hiertoe zorgt de bewaarder ervoor dat de financiële instrumenten die op een financiële-instrumentenrekening in de boeken van de bewaarder kunnen worden geregistreerd, overeenkomstig de voorschriften van Richtlijn 2004/39/EG op aparte rekeningen in de boeken van de bewaarder worden geregistreerd; deze aparte rekeningen zijn geopend op naam van de instelling, zodat te allen tijde duidelijk kan worden vastgesteld dat zij aan de instelling of aan de deelnemers aan en pensioengerechtigden van de regeling toebehoren.

2. Wanneer de activa van een instelling bestaan uit andere activa dan die bedoeld in lid 1, verifieert de bewaarder of de instelling de eigenaar van deze activa is en houdt hij een register van deze activa bij. Bij de verificatie wordt uitgegaan van door de instelling verstrekte informatie of documenten en van extern bewijsmateriaal als dit voorhanden is. De bewaarder houdt zijn register actueel.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat een bewaarder jegens de instelling en de deelnemers en pensioengerechtigden aansprakelijk is voor alle door hen geleden schade ten gevolge van verwijtbare niet-nakoming of gebrekkige nakoming van zijn verplichtingen.

4. De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 3 bedoelde aansprakelijkheid van een bewaarder blijft bestaan wanneer hij de activa die hij in bewaring heeft genomen, geheel of ten dele aan derden heeft toevertrouwd.

5. Wanneer voor de bewaring van activa geen bewaarder is aangesteld en wanneer de instelling niet het gehele pensioenvermogen heeft belegd in de financiële producten die onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2011/61/EU of Richtlijn 2009/65/EU vallen en er geen bewaarder is aangesteld overeenkomstig deze richtlijnen, wordt van de instellingen ten minste het volgende verlangd:

a)  zij zorgen ervoor dat financiële instrumenten te allen tijde aan passende zorg en bescherming onderworpen zijn;

b)  zij houden gegevens bij die hen in staat stellen alle activa te allen tijde terstond te identificeren;

c)  zij nemen de nodige maatregelen om belangenconflicten met betrekking tot de bewaring van activa te vermijden;

d)  zij stellen de bevoegde autoriteiten, op hun verzoek, in kennis van de wijze waarop de activa worden bijgehouden.

Artikel 37

Toezichttaken

1. Ten minste een van de overeenkomstig artikel 35 aangestelde bewaarders vervult ook de volgende taken:

a)  hij voert instructies van de instelling uit, tenzij deze strijdig zijn met de nationale wetgeving of de regels van de instelling;

b)  hij zorgt ervoor dat bij transacties met betrekking tot de activa van een instelling ▌ de tegenprestatie binnen de gebruikelijke termijnen aan de instelling wordt voldaan;

c)  hij ziet erop toe dat de inkomsten uit de activa overeenkomstig de regels van de instelling worden aangewend.

2. Onverminderd lid 1 kan de lidstaat van herkomst van de instelling andere toezichttaken vaststellen die door de bewaarder moeten worden vervuld.

3. Ingeval geen bewaarder voor het vervullen van toezichttaken is aangesteld en de instelling niet het gehele pensioenvermogen heeft belegd in de financiële producten die onder Richtlijn 2011/61/EU of Richtlijn 2009/65/EU vallen en er geen bewaarder is aangesteld overeenkomstig die richtlijnen, stelt de instelling procedures in die garanderen dat de taken die anders aan het toezicht van bewaarders onderworpen zijn, naar behoren binnen de instelling worden uitgevoerd

Titel IV

AAN TOEKOMSTIGE DEELNEMERS, DEELNEMERS EN PENSIOENGERECHTIGDEN TE VERSTREKKEN INFORMATIE

HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen

Artikel 38

Beginselen

1. Rekening houdend met de aard van de pensioenregeling en de administratieve lasten die ermee gemoeid zijn, draagt iedere elke lidstaat er zorg voor dat iedere elke op zijn grondgebied gevestigde instelling:

a) toekomstige deelnemers ten minste de in artikel 55 bedoelde informatie verstrekt;

b)▌deelnemers ten minste de in de artikelen 40 bis en 58 bedoelde informatie verstrekt; en

c) pensioengerechtigden ten minste de in de artikelen 57 en 58 bedoelde informatie verstrekt.

2. De informatie voldoet aan alle volgende vereisten:

a)  zij wordt regelmatig bijgewerkt en aangepast aan de behoeften van toekomstige leden, leden en pensioengerechtigden;

b)  zij is op duidelijke wijze op schrift gesteld in heldere, bondige en begrijpelijke taal, waarbij wordt vermeden zowel jargon als technische termen te hanteren wanneer in plaats daarvan alledaagse woorden kunnen worden gebruikt;

c)  zij is niet misleidend. Er wordt zorg gedragen voor de consistentie, zowel wat woordgebruik als wat inhoud betreft;

d)  zij wordt op zodanige wijze gepresenteerd dat zij gemakkelijk leesbaar is, met gebruik van tekens van leesbare grootte;

d bis)  zij is beschikbaar in een officiële taal van de lidstaat waarvan de voor bedrijfspensioenregelingen geldende sociale en arbeidswetgeving van toepassing is op de betreffende pensioenregeling;

d ter)  zij wordt de toekomstige deelnemers, de deelnemers en de pensioengerechtigden kosteloos ter beschikking gesteld in enigerlei elektronische vorm, onder meer op een duurzame gegevensdrager of op een website, dan wel op papier.

Er wordt niet van kleuren gebruikgemaakt wanneer deze afbreuk kunnen doen aan de begrijpelijkheid van de informatie als het pensioenuitkeringsoverzicht in zwart-wit wordt afgedrukt of wordt gefotokopieerd.

Artikel 39

Voorwaarden van de pensioenregeling

1. Met betrekking tot alle op hun grondgebied gevestigde instellingen zorgen de lidstaten ervoor dat deelnemers voldoende over de voorwaarden van de pensioenregeling worden ingelicht, en met name over:

a) de rechten en plichten van de partijen betrokken bij de pensioenregeling;

b) de ▌ aan de pensioenregeling verbonden risico's die door de leden en pensioengerechtigden worden gedragen.

2. Bij regelingen waarbij deelnemers een beleggingsrisico dragen en waarbij meerdere beleggingsmogelijkheden met verschillende beleggingsprofielen worden geboden, wordt ▌tevens de volgende informatie aan de deelnemers verstrekt: de voorwaarden die aan het scala aan beschikbare beleggingsmogelijkheden verbonden zijn, de standaard beleggingsmogelijkheid en, in voorkomend geval, de in het kader van de pensioenregeling gehanteerde regel om een bepaalde deelnemer aan een beleggingsmogelijkheid toe te wijzen.

3. Deelnemers en pensioengerechtigden, of, indien van toepassing, hun vertegenwoordigers, ontvangen binnen een redelijke termijn alle relevante informatie over wijzigingen in de voorschriften inzake de pensioenregeling.

4. Instellingen publiceren de voorwaarden van de pensioenregeling ▌.

HOOFDSTUK 2

Pensioenuitkeringsoverzicht en andere informatie

Artikel 40 bis

Pensioenuitkeringsoverzicht

1. De lidstaten schrijven voor dat instellingen ten behoeve van iedere deelnemer een beknopt document met essentiële relevante informatie moeten opstellen. De titel van het document bevat het woord "pensioenuitkeringsoverzicht".

2. De lidstaten schrijven voor dat de informatie in het pensioenuitkeringsoverzicht nauwkeurig en actueel moet zijn en ten minste jaarlijks kosteloos aan iedere deelnemer moet worden toegezonden.

3. Elke wezenlijke wijziging in de in het pensioenuitkeringsoverzicht opgenomen informatie ten opzichte van het voorgaande jaar wordt duidelijk toegelicht.

4. Wanneer zij regels voor het pensioenuitkeringsoverzicht vaststellen, schrijven de lidstaten voor dat het de essentiële relevante informatie voor de deelnemers moet bevatten, rekening houdend met de specifieke aard van de nationale pensioenregelingen en de toepasselijke nationale sociale, arbeids- en belastingwetgeving.

5. In het kader van deze richtlijn omvat de essentiële relevante informatie voor deelnemers:

a) de persoonsgegevens van de deelnemer, met inbegrip van een duidelijke vermelding van de datum waarop hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt of de datum waarop de pensioenuitkering verschuldigd wordt;

b) identificatie van de instelling en identificatie van de pensioenregeling van de deelnemer;

c) indien van toepassing, alle informatie over volledige of gedeeltelijke garanties uit hoofde van de pensioenregeling; d) informatie over pensioenprojecties, rekening houdend met de specifieke aard en organisatie van de pensioenregeling, en een waarschuwing dat die projecties kunnen verschillen van de definitieve waarde van de ontvangen uitkeringen;

e) informatie over het beleggingsprofiel, met inbegrip van een duidelijke vermelding van de risico's die worden gedragen door de deelnemer bij een best denkbaar scenario en een extreem, maar mogelijk slechtst denkbaar scenario, rekening houdend met de specifieke aard van de pensioenregeling;

f) informatie over de opgebouwde rechten, bijdragen en uitgesplitste kosten van de pensioenregeling, rekening houdend met de specifieke aard en organisatie van de pensioenregeling;

g) informatie over de resultaten die de pensioenregeling in het verleden heeft behaald, rekening houdend met de specifieke aard van de pensioenregeling;

i) informatie over waar en hoe nadere informatie kan worden verkregen met betrekking tot de instelling of de pensioenregeling, met inbegrip van de in de artikelen 31 en 32 gespecificeerde informatie.

Ingeval er geen garantie wordt verleend uit hoofde van de pensioenregeling, wordt dat voor de toepassing van de eerste alinea, punt c), in het pensioenuitkeringsoverzicht vermeld. Indien er een garantie wordt verleend, wordt in het pensioenuitkeringsoverzicht de aard van de garantie kort toegelicht en informatie verstrekt over het actuele financieringsniveau van de in totaal opgebouwde individuele pensioenrechten van de deelnemer.

5. De lidstaten wisselen best practices uit met betrekking tot het formaat en de inhoud van het pensioenuitkeringsoverzicht.

Artikel 55

Aan toekomstige deelnemers te verstrekken informatie

De lidstaten schrijven voor dat instellingen ervoor moeten zorgen dat toekomstige deelnemers voordat zij zich bij een pensioenregeling aansluiten over de relevante kenmerken van de pensioenregeling en alle voor leden beschikbare opties worden geïnformeerd, waarbij onder meer informatie wordt verstrekt over de wijze waarop in het kader van de beleggingsbenadering rekening is gehouden met kwesties die met milieu, klimaat, samenleving en corporate governance verband houden.

Indien toekomstige deelnemers geen keus hebben en automatisch bij een pensioenregeling aangesloten zijn, verstrekt de instelling hun de essentiële relevante informatie over hun deelneming zodra zij aangesloten zijn.

Artikel 56

Tijdens de fase vóór de pensionering aan deelnemers te verstrekken informatie

Afgezien van het pensioenuitkeringsoverzicht verstrekken de instellingen aan iedere deelnemer ten minste twee jaar voor de pensioenleeftijd waarin de regeling voorziet, dan wel op verzoek van de deelnemer, de volgende informatie:

a)  informatie over de opties waarover de deelnemers beschikken bij het innen van hun pensioeninkomen▌;

b)  wanneer de uitbetaling in het kader van de pensioenregeling niet in de vorm van een levenslange lijfrente plaatsvindt, informatie over de beschikbare producten voor de uitbetaling van de pensioenuitkering▌.

Artikel 57

Tijdens de uitbetalingsfase aan pensioengerechtigden te verstrekken informatie

1. De lidstaten schrijven voor dat instellingen ▌pensioengerechtigden periodiek informatie moeten verstrekken over de verschuldigde uitkeringen en de overeenkomstige uitbetalingsmogelijkheden.

1 bis. De instellingen stellen pensioengerechtigden in kennis van een mogelijke verlaging van het niveau van de verschuldigde uitkeringen voordat een besluit over een dergelijke mogelijke verlaging wordt genomen.

2. Wanneer tijdens de uitbetalingsfase een aanzienlijk deel van het beleggingsrisico door de pensioengerechtigden wordt gedragen, zorgen de lidstaten ervoor dat de pensioengerechtigden hierover regelmatig en tijdig passende informatie ontvangen.

Artikel 58

Op verzoek aan deelnemers en pensioengerechtigden te verstrekken aanvullende informatie

1. Op verzoek van een deelnemer, een pensioengerechtigde of hun vertegenwoordigers verstrekt de instelling de volgende aanvullende informatie:

a) de jaarrekeningen en de jaarverslagen als bedoeld in artikel 31 of, indien een instelling voor meer dan één regeling verantwoordelijk is, de jaarverslagen en de jaarrekeningen die met hun specifieke pensioenregeling verband houden;

b) de in artikel 32 bedoelde verklaring inzake de beleggingsbeginselen;

c) eventuele nadere informatie over de gehanteerde aannamen om de in artikel 40 bis, lid 4, onder d), bedoelde projecties op te stellen.

2. ▌De instelling verstrekt ook informatie over:

  a) indien van toepassing, het richtniveau van de pensioenuitkeringen;

  b) het niveau van de uitkeringen in geval van beëindiging van de dienstbetrekking.

Titel V

PRUDENTIEEL TOEZICHT

Hoofdstuk 1

Algemene regels betreffende het prudentiële toezicht

Artikel 59

Hoofddoel van het prudentiële toezicht

1. Het hoofddoel van het prudentiële toezicht is de bescherming van de rechten van deelnemers en pensioengerechtigden en de stabiliteit en soliditeit van de instellingen.

2. ▌De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten van de noodzakelijke middelen worden voorzien en over de relevante deskundigheid en capaciteit alsook het relevante mandaat beschikken om het in lid 1 bedoelde hoofddoel van het toezicht te verwezenlijken.

Artikel 60

Reikwijdte van het prudentiële toezicht

De lidstaten zorgen ervoor dat instellingen ▌ onder prudentieel toezicht staan, met inbegrip van het toezicht op het volgende:

a) de voorwaarden voor de uitvoering van de werkzaamheden;

b) de technische voorzieningen;

c) de financiering van de technische voorzieningen;

d) het voorgeschreven eigen vermogen;

e) de beschikbare solvabiliteitsmarge;

f) de vereiste solvabiliteitsmarge;

g) de beleggingsvoorschriften en het beleggingsbeheer;

h bis) het intergenerationeel evenwicht van pensioenregelingen;

i) het governancesysteem; en

j) de aan de deelnemers en pensioengerechtigden te verstrekken informatie.

Artikel 61

Algemene beginselen van het prudentiële toezicht

1. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst zijn verantwoordelijk voor het prudentiële toezicht op instellingen▌.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat het toezicht op een prospectieve en risicogebaseerde benadering berust.

3. Het toezicht op de instellingen omvat een passende combinatie van werkzaamheden op afstand en controles ter plaatse.

4. De toezichthoudende bevoegdheden worden tijdig uitgeoefend op een wijze die in verhouding staat tot de aard, de schaal en de complexiteit van de risico's die aan de uitvoering van pensioenregelingen door een instelling verbonden zijn.

5. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten naar behoren rekening houden met de potentiële gevolgen van hun optreden voor de stabiliteit van de financiële stelsels in de Europese Unie, met name in noodsituaties.

Artikel 62

Interventiebevoegdheden en taken van de bevoegde autoriteiten

1. De bevoegde autoriteiten eisen dat er in iedere op hun grondgebied gevestigde instelling goede administratieve en boekhoudkundige procedures en adequate interne controlemechanismen bestaan.

2. De lidstaten stellen regels vast betreffende administratieve sancties en andere administratieve maatregelen die van toepassing zijn op alle inbreuken op de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn, zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten deze sancties en maatregelen kunnen opleggen en nemen alle nodige maatregelen opdat zij worden uitgevoerd. De lidstaten zorgen ervoor dat hun administratieve sancties en andere administratieve maatregelen doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

2 bis. De lidstaten schrijven voor dat de bevoegde autoriteit een administratieve sanctie of andere administratieve maatregel die wegens een inbreuk op de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn is opgelegd en waartegen niet tijdig beroep is aangetekend, onverwijld bekend moet maken en daarbij informatie moet verstrekken over het type en de aard van de inbreuk en de identiteit van de verantwoordelijke personen. Indien de bevoegde autoriteit de bekendmaking van die informatie na een per geval uitgevoerde beoordeling van de evenredigheid van de bekendmaking van dergelijke gegevens onevenredig acht, of indien de bekendmaking de stabiliteit van de financiële markten of een lopend onderzoek kan schaden, kan de bevoegde autoriteit besluiten de bekendmaking uit te stellen, de informatie niet bekend te maken of de informatie anoniem bekend te maken.

3. Een eventueel besluit om activiteiten van een instelling te verbieden of te beperken wordt gedetailleerd met redenen omkleed en de betrokken instelling wordt hiervan in kennis gesteld. Dat besluit wordt ook meegedeeld aan de EIOPA, die het meedeelt aan alle bevoegde autoriteiten in de Unie.

4. De bevoegde autoriteiten kunnen tevens de vrije beschikking over de activa van de instelling beperken of verbieden, met name wanneer de instelling:

a)  geen toereikende technische voorzieningen heeft gevormd met betrekking tot het geheel van haar werkzaamheden, dan wel onvoldoende activa heeft om de technische voorzieningen te dekken;

b)  er niet in is geslaagd het voorgeschreven eigen vermogen in stand te houden.

5. De bevoegde autoriteiten kunnen, teneinde de belangen van de deelnemers aan en de pensioengerechtigden van een regeling te beschermen, de bevoegdheden waarover de personen die een op haar grondgebied gevestigde instelling besturen, overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat van herkomst beschikken, geheel of gedeeltelijk overdragen aan een bijzondere vertegenwoordiger die geschikt is om deze bevoegdheden uit te oefenen.

6. De bevoegde autoriteiten kunnen de activiteiten van een op haar grondgebied gevestigde instelling verbieden of beperken, met name indien:

a)  de instelling de belangen van de deelnemers aan en de pensioengerechtigden van de regeling niet afdoende beschermt;

b)  de instelling niet langer aan de voorwaarden voor de verrichting van de werkzaamheden voldoet;

c)  de instelling ernstig in gebreke blijft bij het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de op haar van toepassing zijnde voorschriften;

d)  de instelling, in geval van grensoverschrijdende activiteiten, de vereisten inzake arbeidsrecht en sociaal recht van de betrokken lidstaat van ontvangst op het gebied van bedrijfspensioenregelingen niet in acht neemt.

7. De lidstaten dragen er zorg voor dat tegen besluiten ten aanzien van instellingen die worden genomen op grond van overeenkomstig deze richtlijn vastgestelde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, beroep op de rechter openstaat.

Artikel 63

Prudentieel toezichtsproces

1. Wanneer de bevoegde autoriteiten dat passend achten, zorgen de lidstaten ▌ ervoor dat de bevoegde autoriteiten de strategieën, processen en rapportageprocedures beoordelen die de instellingen hebben vastgesteld om te voldoen aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die ter uitvoering van deze richtlijn zijn vastgesteld, rekening houdend met de aard, de schaal en de complexiteit van de werkzaamheden van de instelling.

Bij deze beoordeling wordt rekening gehouden met de omstandigheden waarin de instellingen opereren, en, in voorkomend geval, de partijen die voor hen sleutelfuncties of enigerlei andere werkzaamheden uitvoeren die zijn uitbesteed. De beoordeling omvat de volgende elementen:

a) een beoordeling van de kwalitatieve vereisten in verband met het governancesysteem;

b) een beoordeling van de risico's die de instelling loopt;

c) een beoordeling van het vermogen van de instelling om die risico's te evalueren en te beheren.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten beschikken over monitoringinstrumenten, met inbegrip van stresstests, waarmee ze kunnen constateren dat de financiële omstandigheden in een instelling verslechteren en waarmee ze kunnen volgen hoe een verslechtering wordt verholpen.

3. De bevoegde autoriteiten hebben de nodige bevoegdheden om instellingen te verplichten zwakke punten of tekortkomingen te verhelpen die in het kader van het prudentiële toezichtsproces zijn geconstateerd.

4. De bevoegde autoriteiten stellen de minimale frequentie en de reikwijdte van de in lid 1 bedoelde beoordeling vast, waarbij rekening wordt gehouden met de aard, de schaal en de complexiteit van de werkzaamheden van de betrokken instellingen.

Artikel 64

Aan de bevoegde autoriteiten te verstrekken informatie

1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten met betrekking tot elke op hun grondgebied gevestigde instelling over de noodzakelijke bevoegdheden en middelen beschikken om:

  a) de instelling, de leden van de raad van bestuur, andere met het beheer of de leiding van op de instelling belaste personen of personen die de instelling daadwerkelijk besturen of sleutelfuncties vervullen, te verplichten te allen tijde informatie te verstrekken over alle zakelijke aangelegenheden of alle bedrijfsdocumenten over te leggen;

  b) toezicht te houden op de betrekkingen tussen de instelling en andere ondernemingen of tussen instellingen waarbij sleutelfuncties of enigerlei andere werkzaamheden aan deze ondernemingen of instellingen worden uitbesteed ▌en alle verdere onderuitbesteding▌, waarbij de financiële positie van de instelling wordt beïnvloed of die op concrete wijze van belang zijn voor de uitoefening van een doeltreffend toezicht;

  c) periodiek de volgende documenten te verkrijgen: ▌de eigen risicotoetsing, de verklaring inzake de beleggingsbeginselen▌, de jaarrekening en het jaarverslag, ▌alsmede alle overige documenten die voor de uitoefening van toezicht noodzakelijk zijn;

  d) vast te stellen welke documenten noodzakelijk zijn voor toezichtdoeleinden. Daartoe behoren:

  i)  interne tussentijdse verslagen;

  ii)  actuariële schattingen en gedetailleerde hypothesen;

  iii)  activa-passiva-studies;

  iv)  bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de beleggingsbeginselen werkelijk worden gevolgd;

  v)  bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de bijdragen volgens plan zijn betaald;

  vi)  rapporten van de in artikel 31 bedoelde personen die met de controle van de jaarrekening zijn belast;

  e) verificaties uit te voeren in de bedrijfsruimten van de instelling en, waar nodig, onderzoek naar uitbestede en alle vervolgens onderuitbestede werkzaamheden in te stellen om na te gaan of deze overeenkomstig de toezichtregels worden verricht.

f) op gelijk welk tijdstip instellingen om informatie te verzoeken over uitbestede en alle vervolgens onderuitbestede werkzaamheden.

Artikel 65

Transparantie en verantwoording

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten hun in de deze richtlijn vastgelegde taken op een transparante, onafhankelijke en verantwoorde wijze verrichten en daarbij vertrouwelijke informatie op behoorlijke wijze beschermen.

2. De lidstaten zorgen ervoor dat de volgende informatie wordt bekendgemaakt:

a) de bewoordingen van de wet en regelgeving en bestuursrechtelijke voorschriften en algemene richtsnoeren op het gebied van bedrijfspensioenregelingen, en informatie over de vraag of de lidstaat ervoor kiest deze richtlijn overeenkomstig de artikelen 4 en 5 toe te passen;

b) informatie over het in artikel 63 beschreven prudentiële toezichtsproces;

c) geaggregeerde statistische gegevens over de voornaamste aspecten van de toepassing van het prudentiële kader;

d)▌het hoofddoel van het prudentiële toezicht ▌ en informatie over de voornaamste toezichtfuncties en -werkzaamheden van de bevoegde autoriteiten;

e) de voorschriften inzake administratieve sancties voor inbreuken op nationale bepalingen die ter uitvoering van deze richtlijn zijn vastgesteld.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat er transparante procedures bestaan en worden toegepast voor de benoeming en het ontslag van de leden van de bestuursorganen van hun bevoegde autoriteiten.

Hoofdstuk 2

Beroepsgeheim en uitwisseling van informatie

Artikel 66

Beroepsgeheim

1. De lidstaten stellen regelgeving vast om ervoor te zorgen dat alle personen die werkzaam zijn of zijn geweest voor de bevoegde autoriteiten, alsmede auditors en deskundigen die in opdracht van deze autoriteiten handelen, aan het beroepsgeheim gebonden zijn.

Onverminderd de gevallen die onder het strafrecht vallen, mogen deze personen vertrouwelijke informatie die zij tijdens de uitvoering van hun taken hebben ontvangen, aan geen enkele persoon of autoriteit bekendmaken, behalve in samengevatte of geaggregeerde vorm, zodat de individuele instellingen niet kunnen worden geïdentificeerd.

2. Indien een pensioenregeling wordt geliquideerd, kunnen de lidstaten in afwijking van lid 1 toestaan dat vertrouwelijke informatie ▌ in het kader van civiele of handelsrechtelijke procedures openbaar wordt gemaakt.

Artikel 67

Gebruik van vertrouwelijke informatie

De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten die overeenkomstig deze richtlijn vertrouwelijke informatie ontvangen, deze slechts gebruiken bij de uitoefening van hun taken en voor de volgende doeleinden:

a)  om na te gaan of instellingen aan de voorwaarden voor de toegang tot bedrijfspensioenvoorzieningswerkzaamheden voldoen voordat zij hun werkzaamheden aanvatten;

b)  om de controle van de werkzaamheden van instellingen te faciliteren, met inbegrip van de controle van de technische voorzieningen, de solvabiliteit, het governancesysteem en de aan deelnemers en pensioengerechtigden verstrekte informatie;

c)  om corrigerende maatregelen, met inbegrip van sancties, op te leggen;

d)  in het kader van een beroep tegen een besluit dat de bevoegde autoriteiten op grond van de bepalingen tot omzetting van deze richtlijn hebben genomen;

e)  in rechtszaken betreffende bepalingen tot omzetting van deze richtlijn.

Artikel 67 bis

Onderzoeksbevoegdheden van het Europees Parlement

De artikelen 66 en 67 laten de onderzoeksbevoegdheden die aan het Europees Parlement bij artikel 226 VWEU zijn verleend, onverlet.

Artikel 68

Informatie-uitwisseling tussen autoriteiten

1. De artikelen 66 en 67 vormen geen beletsel voor het volgende:

a)  de uitwisseling van informatie tussen meerdere bevoegde autoriteiten in dezelfde lidstaat bij de uitoefening van hun toezichthoudende taken;

b)  de uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten in verschillende lidstaten bij de uitoefening van hun toezichthoudende taken;

c)  de uitwisseling van informatie bij de uitoefening van hun toezichthoudende taken tussen de bevoegde autoriteiten en een van de volgende, zich in dezelfde lidstaat bevindende partijen:

i) autoriteiten aan wie het toezicht op entiteiten uit de financiële sector en andere financiële organisaties is opgedragen, alsmede autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de financiële markten;

ii) de autoriteiten of instanties die verantwoordelijk zijn voor het bewaren van de stabiliteit van het financiële stelsel in de lidstaten door middel van macroprudentiële regels;

iii) instanties die betrokken zijn bij de liquidatie van pensioenregelingen en bij andere soortgelijke procedures;

iv) saneringsinstanties of -autoriteiten ter vrijwaring van de stabiliteit van het financiële stelsel;

v) de met de wettelijke controle van de jaarrekening van instellingen, verzekeringsondernemingen en andere financiële instellingen belaste personen;

d)  de verstrekking aan instanties die het beheer over de liquidatie van een pensioenregeling voeren, van de informatie die nodig is voor de vervulling van hun taak.

2. De informatie die de in lid 1 bedoelde autoriteiten, instanties en personen ontvangen, valt onder de overeenkomstig artikel 66 vastgestelde regelgeving betreffende de geheimhoudingsplicht.

3. De artikelen 66 en 67 beletten de lidstaten niet toe te staan dat informatie wordt uitgewisseld tussen de bevoegde autoriteiten en een van de volgende partijen:

a)  de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de instanties die betrokken zijn bij de liquidatie van pensioenregelingen en bij andere soortgelijke procedures;

b)  de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de personen die belast zijn met de wettelijke controle van de jaarrekening van instellingen, ▌verzekeringsondernemingen en andere financiële instellingen;

c)  de van de instellingen onafhankelijke actuarissen die ▌een controlefunctie ten aanzien van deze instellingen uitoefenen, en de organen die met het toezicht op deze actuarissen belast zijn.

Artikel 69

Doorgifte van informatie aan centrale banken, monetaire autoriteiten, Europese toezichthoudende autoriteiten en het Europees Comité voor systeemrisico's

1. De artikelen 66 en 67 beletten een bevoegde autoriteit niet aan de volgende entiteiten voor de uitoefening van hun respectieve taken dienstige informatie mede te delen:

a) centrale banken en andere instanties met een soortgelijke taak in hun hoedanigheid van monetaire autoriteit;

b) in voorkomend geval, andere overheidsinstanties die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op betalingssystemen;

c) het Europees Comité voor systeemrisico's en de EIOPA▌.

2. De artikelen 68 tot en met 71 beletten de in lid 1, onder a), b) en c), bedoelde autoriteiten of instanties niet aan de bevoegde autoriteiten de informatie toe te zenden die de bevoegde autoriteiten nodig kunnen hebben ter uitvoering van artikel 67.

3. De overeenkomstig de leden 1 en 2 ontvangen informatie is onderworpen aan vereisten inzake het beroepsgeheim die ten minste gelijkwaardig zijn aan de vereisten van deze richtlijn.

Artikel 70

Bekendmaking van informatie aan overheidsdiensten die met financiële wetgeving zijn belast

1. Artikel 66, lid 1, artikel 67 en artikel 71, lid 1, beletten de lidstaten niet om de bekendmaking toe te staan van vertrouwelijke informatie tussen bevoegde autoriteiten en andere centrale overheidsdiensten die bevoegd zijn voor de handhaving van de wetgeving inzake het toezicht op instellingen, kredietinstellingen, financiële instellingen, beleggingsdiensten en verzekeringsondernemingen, alsmede aan inspecteurs die in opdracht van deze overheidsdiensten optreden.

Deze informatie mag alleen worden verstrekt wanneer zulks nodig is ter wille van het prudentiële toezicht, en de preventie en afwikkeling van falende instellingen. Onverminderd lid 2 van dit artikel zijn de personen die toegang tot de informatie hebben, onderworpen aan eisen betreffende het beroepsgeheim die ten minste gelijkwaardig zijn aan de vereisten van deze richtlijn. De lidstaten bepalen evenwel dat de informatie die op grond van artikel 68 is ontvangen, en informatie welke is verkregen naar aanleiding van verificatie ter plaatse, alleen mag worden bekendgemaakt met uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteit van wie de informatie afkomstig was, of van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de verificatie ter plaatse is verricht.

2. De lidstaten staan toe dat vertrouwelijke informatie over het prudentieel toezicht op de instellingen aan parlementaire onderzoekscommissies en de rekenkamer in hun lidstaat, alsook aan andere voor onderzoek verantwoordelijke entiteiten in hun lidstaat wordt meegedeeld onder de volgende voorwaarden:

a) de entiteiten hebben de bevoegdheid uit hoofde van het nationale recht om de maatregelen van autoriteiten die voor het toezicht op instellingen of voor wetten inzake dit toezicht verantwoordelijk zijn, te onderzoeken of te controleren;

b) de informatie is strikt noodzakelijk om de onder a) bedoelde bevoegdheid te vervullen;

c) voor de personen die toegang tot de informatie hebben, gelden krachtens de nationale wetgeving professionele geheimhoudingsverplichtingen die ten minste gelijkwaardig zijn aan die van deze richtlijn;

d) indien de informatie van een andere lidstaat afkomstig is, mag deze niet worden doorgegeven zonder de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteiten die de informatie hebben meegedeeld, en alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarmee deze autoriteiten hebben ingestemd.

Artikel 71

Voorwaarden voor de uitwisseling van informatie

1. Voor de uitwisseling van informatie overeenkomstig artikel 68, de doorgifte van informatie overeenkomstig artikel 69 en de bekendmaking van informatie overeenkomstig artikel 70 eisen de lidstaten dat ten minste aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) de informatie wordt uitgewisseld, doorgegeven of bekendgemaakt voor de uitoefening van het ▌toezicht;

b) de ontvangen informatie valt onder het in artikel 66 vastgelegde beroepsgeheim;

c) informatie die uit een andere lidstaat afkomstig is, wordt niet bekendgemaakt zonder de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteit van wie deze afkomstig is, en wordt, in voorkomend geval, alleen gebruikt voor de doeleinden waarmee deze autoriteit heeft ingestemd.

Artikel 72

Nationale bepalingen van prudentiële aard

1. De lidstaten stellen de EIOPA in kennis van hun nationale bepalingen van prudentiële aard die relevant zijn voor het gebied van bedrijfspensioenregelingen en die niet vallen onder de verwijzing naar de nationale sociale en arbeidswetgeving op het gebied van de organisatie van pensioenregelingen als bedoeld in artikel 12, lid 1.

2. De lidstaten actualiseren die informatie regelmatig en ten minste om de twee jaar; de EIOPA maakt die informatie beschikbaar op haar website.

Titel VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 73

Samenwerking tussen de lidstaten, de EIOPA en de Commissie

1. De lidstaten dragen op passende wijze zorg voor de uniforme toepassing van deze richtlijn door een regelmatige uitwisseling van informatie en ervaringen, met het doel om de beste praktijken op dit gebied alsmede een nauwere samenwerking samen met de sociale partners te ontwikkelen en op deze wijze mededingingsverstoringen te voorkomen en de voorwaarden te scheppen voor vlotte grensoverschrijdende deelneming.

2. De Commissie en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten werken nauw samen met het doel om het toezicht op de activiteiten van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening te vergemakkelijken.

3. De bevoegde autoriteiten werken voor de toepassing van deze richtlijn samen met de EIOPA, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1094/2010.

De bevoegde autoriteiten verstrekken de EIOPA onverwijld alle informatie die zij nodig heeft voor de uitoefening van haar taken uit hoofde van deze richtlijn en van Verordening (EU) nr. 1094/2010, overeenkomstig artikel 35 van die verordening.

4. Elke lidstaat brengt de Commissie en de EIOPA op de hoogte van eventuele belangrijke moeilijkheden die het gevolg zijn van de toepassing van deze richtlijn.

De Commissie, de EIOPA en de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten onderzoeken deze moeilijkheden zo spoedig mogelijk teneinde een afdoende oplossing te vinden.

Artikel 74

Verwerking van persoonsgegevens

Met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn voeren instellingen en bevoegde autoriteiten hun taken zoals bedoeld in deze richtlijn uit in overeenstemming met de nationale wetgeving ter uitvoering van Richtlijn 95/46/EG. Met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens door de EIOPA in het kader van deze richtlijn leeft de EIOPA de bepalingen van Verordening (EG) nr. 45/2001 na.

Artikel 75

Evaluatie en herziening

1. Uiterlijk op ...* [zes jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] gaat de Commissie over tot een evaluatie van deze richtlijn en de opstelling van een verslag over de tenuitvoerlegging en de doeltreffendheid ervan; dat verslag wordt aan het Europees Parlement en de Raad voorgelegd.

2. In de in lid 1 bedoelde evaluatie wordt met name ingegaan op:

a) de adequaatheid van deze richtlijn vanuit een prudentieel en bestuurlijk oogpunt;

b) grensoverschrijdende activiteit;

c) de ervaringen die zijn opgedaan bij de toepassing van deze richtlijn en het effect ervan op de stabiliteit van de instellingen;

d) kwantitatieve vereisten die voor instellingen gelden;

e) het pensioenuitkeringsoverzicht.

3. De resultaten van de evaluatie worden voorgelegd aan het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 76

Wijziging van Richtlijn 2009/138/EG

1. In Richtlijn 2009/138/EG wordt het volgende artikel 306 bis ingevoegd:

"Artikel 306 bis

Wanneer de lidstaten van herkomst op de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn bepalingen als bedoeld in artikel 4 van Richtlijn .…/../EU van het Europees Parlement en de Raad(20) toepassen, kunnen deze lidstaten van herkomst de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die zij met het oog op de naleving van de op 31 december 2015 geldende artikelen 1 tot en met 19, 27 tot en met 30, 32 tot en met 35 en 37 tot en met 67 van Richtlijn 2002/83/EG hebben aangenomen, blijven toepassen gedurende een overgangsperiode die op 31 december 2022 verstrijkt.

Ingeval een lidstaat van herkomst deze wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen blijft toepassen, berekenen verzekeringsondernemingen in de betrokken lidstaat van herkomst hun solvabiliteitskapitaalvereiste als de som van het volgende:

a) een fictief solvabiliteitskapitaalvereiste met betrekking tot hun verzekeringsactiviteiten, berekend zonder de werkzaamheden inzake bedrijfspensioenvoorziening uit hoofde van artikel 4 van Richtlijn …./../EU;

b) de solvabiliteitsmarge met betrekking tot de werkzaamheden inzake bedrijfspensioenvoorziening, berekend overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die met het oog op de naleving van artikel 28 van Richtlijn 2002/83/EG zijn aangenomen.

Uiterlijk op 31 december 2017 legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor met betrekking tot de vraag of de in de eerste alinea vermelde termijn moet worden verlengd, rekening houdend met de door Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad(21) teweeggebrachte wijzigingen in de nationale of Uniewetgeving."

2. In Richtlijn 2009/138/EG wordt artikel 13, punt 7, vervangen door het volgende:

(7) "herverzekering: een van de volgende activiteiten:

a) de activiteit waarbij risico's worden aanvaard die door een verzekeringsonderneming, een verzekeringsonderneming van een derde land, een andere herverzekeringsonderneming of een herverzekeringsonderneming van een derde land worden overgedragen;

b) in het geval van de assuradeursvereniging die bekend staat als "association of underwriters known as Lloyd's": een activiteit waarbij een andere verzekerings- of herverzekeringsonderneming dan de "association of underwriters, known as Lloyd's" de risico's overneemt die door een lid van Lloyd's worden overgedragen;

c) het verschaffen van dekking door een herverzekeringsonderneming aan een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn .../.../EU [IBPV II] valt.

Artikel 78

Omzetting

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op ...* [18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] aan artikel 6, onder c) en i) tot en met p), artikel 12, lid 4, tweede en derde alinea, artikel 12, lid 10, artikel 13, artikel 20, leden 6 en 8, de artikelen 21 tot en met 30, artikel 33, artikel 35, leden 1 en 2, artikel 35, leden 4 tot en met 7, de artikelen 36, 37 en 38, artikel 39, leden 1 en 3, de artikelen 40 tot en met 53, de artikelen 55, 56 en 57, artikel 58, lid 1, de artikelen 59, 60, 61 en 63, artikel 64, lid 1, onder b), c) en d), de artikelen 65 tot en met 71 van deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst daarvan onverwijld mede.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. In de bepalingen wordt tevens vermeld dat verwijzingen in bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar deze richtlijn. De regels voor die verwijzing en de formulering van die vermelding worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 79

Intrekking

Richtlijn 2003/41/EG, zoals gewijzigd bij de in bijlage I, deel A, genoemde richtlijnen, wordt met ingang van ... *[18 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn] ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de termijnen voor de omzetting in intern recht en de toepassing van de in bijlage I, deel B, genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken Richtlijn 2003/41/EG gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.

Artikel 80

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De artikelen 1 tot en met 5, artikel 6, onder a), b), d) tot en met h) en j), de artikelen 7 tot en met 11, artikel 12, leden 1 tot en met 9, de artikelen 14 tot en met 19, artikel 20, leden 1 tot en met 5 en lid 7, de artikelen 31, 32 en 34, artikel 35, leden 2 en 3, artikel 39, leden 1 en 3, artikel 58, lid 2, artikel 62, artikel 64, lid 1, onder a) en e), en artikel 64, lid 2, zijn van toepassing met ingang van ...* [18 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn].

Artikel 81

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

BIJLAGE I

Deel A

Ingetrokken richtlijn met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen (bedoeld in artikel 79)

Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 235 van 23.9.2003, blz.10)

 

Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1)

Richtlijn 2010/78/EU van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 331 van 15.12.2010, blz. 120),

Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 174 van 1.7.2011, blz.1)

Richtlijn 2013/14/EU van het Europees Parlement en de Raad

(PB L 145van 31.5.2013, blz. 1),

Uitsluitend artikel 303

 

 

Uitsluitend artikel 4

 

Uitsluitend artikel 62

 

 

Uitsluitend artikel 1

Deel B

Termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing(bedoeld in artikel 79)

Richtlijn

Omzettingstermijn

Toepassingsdatum

2003/41/EC

2009/138/EC

2010/78/EU

2011/61/EU

2013/14/EU

23.09.2005

31.03.2015

31.12.2011

22.07.2013

21.12.2014

23.09.2005

01.01.2016

31.12.2011

22.07.2013

21.12.2014

_____________

BIJLAGE II

Concordantietabel

Richtlijn 2003/41/EG

Deze richtlijn

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6, onder a) en b)

Artikel 6, onder c)

 

Artikel 6, onder d) tot en met h)

Artikel 6, onder i)

 

Artikel 6, onder j)

 

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9, lid 1, onder a)

Artikel 9, lid 1, onder b) en c)

 

Artikel 9, lid 1, onder d)

Artikel 9, lid 1, onder e)

Artikel 9, lid 2

Artikel 9, lid 3

Artikel 9, lid 5

Artikel 20, leden 1 tot en met 9

 

Artikel 20, lid 10

 

 

Artikel 15, leden 1 tot en met 5

Artikel 15, lid 6

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 17 bis, leden 1 t/m 4

Artikel 17 bis, lid 5

Artikel 17 ter

Artikel 17 quater

Artikel 17 quinquies

Artikel 18, lid 1

Artikel 18, lid 1 bis

Artikel 18, leden 2 tot en met 4

Artikel 18, lid 5, eerste alinea

Artikel 18, lid 5, tweede en derde alinea

 

Artikel 18, lid 6

Artikel 18, lid 7

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Artikel 10

Artikel 12

Artikel 9, lid 4

 

Artikel 19, lid 1

 

Artikel 19, lid 2, eerste alinea

Artikel 19, lid 2, tweede alinea

Artikel 19, lid 3

 

 

 

Artikel 11, lid 1

 

Artikel 9, lid 1, onder f)

 

Artikel 11, lid 2, onder a)

Artikel 11, lid 2, onder b)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Artikel 11, lid 3

Artikel 11, lid 4, onder a) en b)

Artikel 11, lid 4, onder c) en d)

 

 

 

Artikel 14, lid 1

Artikel 14, lid 2, eerste alinea

Artikel 14, lid 4, tweede alinea

Artikel 14, lid 2, tweede alinea

Artikel 14, lid 3

Artikel 14, lid 4, eerste alinea

Artikel 14, lid 5

 

Artikel 13, lid 1, onder a)

Artikel 13, lid 1, onder b) tot en met d)

 

Artikel 13, lid 2

 

 

 

 

 

 

 

Artikel 20, lid 11, eerste alinea

Artikel 20, lid 11, tweede alinea

Artikel 20, lid 11, derde en vierde alinea

Artikel 21, leden 1 en 2

Artikel 21, lid 2 bis

Artikel 21, lid 3

 

 

 

Artikel 21 bis

Artikel ter

Artikel 22

Artikel 23

 

 

 

 

Artikel 24

Artikel 1

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6, onder a) en b)

 

Artikel 6, onder c)

Artikel 6, onder d) tot en met h)

 

Artikel 6, onder i)

 

Artikel 6, onder j) tot en met p)

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

 

Artikel 10

 

Artikel 11, lid 1

Artikel 11, lid 2

 

 

 

Artikel 12, leden 1 tot en met 8

Artikel 12, lid 9

Artikel 12, lid 10

Artikel 13

Artikel 14, leden 1 tot en met 5

 

Artikel 15

Artikel 16

Artikel 17, leden 1 tot en met 4

 

Artikel 18

 

Artikel 19

Artikel 20, lid 1

Artikel 20, lid 2

Artikel 20, leden 3 tot en met 5

Artikel 20, lid 6, eerste alinea

 

Artikel 20, lid 6, tweede alinea

Artikel 20, lid 7

 

Artikel 20, lid 8

Artikel 21

Artikel 22

Artikel 23

Artikel 24

Artikel 25

Artikel 26

Artikel 27

Artikel 28

Artikel 29

Artikel 30

Artikel 31

Artikel 32

Artikel 33, lid 1

Artikel 33, leden 2 tot en met 7

Artikel 34

Artikel 35, leden 1 en 2

Artikel 35, lid 3

 

Artikel 35, lid 4

Artikel 35, leden 5 tot en met 8

Artikel 36

Artikel 37

Artikel 38, lid 1

Artikel 38, lid 2

Artikel 39, lid 1

Artikel 39, lid 2

 

Artikel 39, lid 3

Artikel 39, lid 4

Artikel 40

Artikel 41

Artikel 42

Artikel 43

Artikel 44

Artikel 45

Artikel 46

Artikel 47

Artikel 48

Artikel 49

Artikel 50

Artikel 51

Artikel 52

Artikel 53

Artikel 54

Artikel 55

Artikel 56

Artikel 57

Artikel 58, lid 1

 

Artikel 58, lid 2, onder a) en b)

 

Artikel 59

Artikel 60

Artikel 61

Artikel 62, lid 1

Artikel 62, lid 2

Artikel 62, lid 3

Artikel 62, lid 4

Artikel 62, lid 5

Artikel 62, lid 6

Artikel 62, lid 7

Artikel 63

Artikel 64, lid 1, onder a)

 

Artikel 64, lid 1, onder b) tot en met f)

Artikel 64, lid 2

Artikel 65

Artikel 66

Artikel 67

Artikel 68

Artikel 69

Artikel 70

Artikel 71

Artikel 72, lid 1

Artikel 72, lid 2

 

Artikel 73, leden 1 en 2

Artikel 73, lid 3

Artikel 73, lid 4

Artikel 74

Artikel 75

Artikel 76

 

 

 

 

Artikel 77

Artikel 78

Artikel 79

Artikel 80

Artikel 81

_____________

BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN

Ref. D(2014)40797

Roberto Gualtieri

Voorzitter van de Commissie economische en monetaire zaken

ASP 15G206

Brussel

Betreft:  Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (herschikking)

  (COM(2014)167 – C7-0112/2014 – 2014/0091(COD))

Geachte voorzitter,

De Commissie juridische zaken heeft bovengenoemd voorstel behandeld krachtens artikel 104 van het Reglement inzake herschikking.

Lid 3 van dat artikel luidt als volgt:

"Als de voor juridische zaken bevoegde commissie van oordeel is dat het ontwerp geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig zijn aangegeven, stelt zij de ter zake bevoegde commissie hiervan in kennis.

In dat geval en onverminderd de in de artikelen 169 en 170 vastgelegde voorwaarden zijn amendementen in de ter zake bevoegde commissie alleen ontvankelijk als zij betrekking hebben op onderdelen van het ontwerp die wijzigingen bevatten.

Wanneer de ter zake bevoegde commissie evenwel voornemens is, overeenkomstig punt 8 van het Interinstitutioneel Akkoord, ook amendementen op de gecodificeerde delen van het ontwerp van wetgevingshandeling in te dienen, stelt zij de Raad en de Commissie daarvan onverwijld in kennis. Alvorens tot stemming wordt overgegaan maakt laatstgenoemde overeenkomstig artikel 58 haar standpunt inzake de amendementen kenbaar en geeft zij aan of zij voornemens is het herschikkingsontwerp in te trekken."

Op grond van het advies van de adviesgroep, die het voorstel tot herschikking heeft onderzocht, is de Commissie juridische zaken van oordeel dat het betreffende voorstel geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel of in het advies van de adviesgroep worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die inhoudelijke wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijziging.

Daarom heeft de Commissie juridische zaken tijdens haar vergadering van 3 september 2014 met 18 stemmen voor en 3 onthoudingen besloten aan te bevelen dat de Commissie economische en monetaire zaken commissie ten principale bovengenoemd voorstel overeenkomstig artikel 104 in behandeling neemt.

Hoogachtend,

Pavel Svoboda

Bijlage: advies van de adviesgroep

BIJLAGE: ADVIES VAN DE ADVIESGROEP VAN DE JURIDISCHE DIENSTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD EN DE COMMISSIE

 

 

 

 

ADVIESGROEP VAN DE

JURIDISCHE DIENSTEN

Brussel, 3 juli 2014

ADVIES

  AAN  HET EUROPEES PARLEMENT

    DE RAAD

    DE COMMISSIE

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (herschikking)

COM(2014)0167 van 27.3.2014 – 2014/0091(COD)

Overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten, en met name paragraaf 9 daarvan, is de uit de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie bestaande adviesgroep op 30 april 2014 bijeengekomen om bovengenoemd voorstel van de Commissie te bestuderen.

Tijdens deze bijeenkomst heeft de adviesgroep, na bestudering van het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot herschikking van Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van dinsdag 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, in overleg het volgende vastgesteld:

1) Voor de toelichting geldt dat deze, om volledig in overeenstemming te zijn met de voorschriften van het Interinstitutioneel Akkoord, precies moet aangeven welke bepalingen van de vorige tekst in het voorstel ongewijzigd blijven, overeenkomstig het bepaalde in punt 6, onder a) iii), van dat akkoord.

2) In het voorstel voor een herschikking hadden de volgende voorgestelde wijzigingen moeten zijn aangeduid door middel van de grijze markering die over het algemeen gebruikt wordt voor inhoudelijke wijzigingen:

- in de tweede alinea van artikel 5, de schrapping van het woord "niet" en de vervanging van de bestaande verwijzing naar "de artikelen 9 tot en met 17" door een nieuwe verwijzing naar "de artikelen 1 tot en met 8, artikel 12, artikel 20 en de artikelen 34 tot en met 37";

- in artikel 12, lid 2, de schrapping van de woorden "die op het grondgebied van een andere lidstaat is gevestigd”;

- de schrapping van de volledige tekst van artikel 18, lid 7, van Richtlijn 2003/41/EG;

- de schrapping van de volledige tekst van artikel 20, lid 7, van Richtlijn 2003/41/EG.

Na behandeling van het voorstel heeft de adviesgroep dan ook met algemene stemmen kunnen concluderen dat het voorstel geen inhoudelijke wijziging bevat behalve die welke als zodanig in de tekst of in het onderhavige advies zijn aangegeven. Ten aanzien van de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van het eerdere besluit met die inhoudelijke wijzigingen heeft de adviesgroep verder geconcludeerd dat het voorstel een directe codificatie van de bestaande tekst zonder enige inhoudelijke wijziging behelst.

F. DREXLER      H. LEGAL    L. ROMERO REQUENA

Juridisch adviseur    Juridisch adviseur  directeur-generaal

23.6.2015

ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

aan de Commissie economische en monetaire zaken

inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (herschikking)

(COM(2014)0167 – C7-0112/2014 – 2014/0091(COD))

Rapporteur voor advies: Jeroen Lenaers

BEKNOPTE MOTIVERING

De algemene doelstelling van deze richtlijn is het faciliteren van de opbouw van een bedrijfspensioen. De rapporteur schaart zich volledig achter deze doelstelling. Tijdens de economische en financiële crisis van de afgelopen jaren is met name de eerste pensioenpijler in veel lidstaten zwaar onder druk komen te staan. Daardoor moesten in veel landen de pensioenuitkeringen worden gekort.

Bovendien is in alle lidstaten de bevolking aan het vergrijzen. De levensverwachting in Europa varieert, maar is overal stijgend. Het aantal langer levende en gezonde pensioengerechtigden stijgt. Tegelijk krimpt de beroepsbevolking, neemt het geboortecijfer af, studeren jongeren langer en komen ze later op de arbeidsmarkt. In de EU zijn veel te weinig zestigplussers nog aan het werk. De solidariteit tussen de generaties, waarbij werkende jongeren de kosten van de pensioenen van ouderen dragen, kan niet verder opgerekt worden. Landen met een omslagstelsel, waarbij de pensioenen uit de lopende begroting worden betaald, hebben vooral te kampen met de (toekomstige) financiering van adequate pensioenen.

Daarom zouden meer landen moeten overwegen een aanvullende tweede pensioenpijler in te stellen die de pensioenuitkeringen zekerder zou maken. Uit de ervaring met de economische en financiële crisis blijkt echter dat goede regels inzake toezicht en governance hard nodig zijn om mensen voldoende vertrouwen in hun pensioenstelsel te geven en hen te motiveren aan een dergelijk stelsel deel te nemen. Daarom dient de herschikking van deze richtlijn – op voorwaarde dat daarbij het juiste doel voor ogen wordt gehouden en geen onnodige lasten worden opgelegd – te worden aangegrepen om de lidstaten aan te moedigen bedrijfspensioenregelingen in te stellen waar mensen vertrouwen in kunnen hebben.

Bedrijfspensioenvoorzieningen dienen verder te worden ontwikkeld, zonder evenwel te tornen aan het belang van socialezekerheidspensioenregelingen als een veilige, duurzame en doeltreffende sociale bescherming, die op hogere leeftijd een acceptabele levensstandaard dient te waarborgen en derhalve centraal dient te staan bij de doelstelling van de versterking van de Europese sociale modellen.

Om de algemene doelstelling van deze richtlijn te verwezenlijken, stelt de Commissie vier specifieke doelstellingen voor: prudentiële belemmeringen voor grensoverschrijdende IBPV's opheffen, een goede governance en een degelijk risicobeheer garanderen, deelnemers en pensioengerechtigden heldere en relevante informatie verstrekken, en waarborgen dat toezichthouders over de benodigde instrumenten beschikken om op doelmatige wijze toezicht op IBPV's te kunnen uitoefenen.

De rapporteur beseft ten volle de noodzaak van goede governance, informatieverstrekking aan de deelnemers en een transparante en veilige bedrijfspensioenvoorziening. Instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening zijn pensioeninstellingen die – in de eerste plaats – een sociaal doel dienen en een grote verantwoordelijkheid voor de verschaffing van bedrijfspensioenuitkeringen dragen.

De pensioenstelsels in Europa zijn echter zeer divers en hangen nauw samen met nationale tradities en de nationale belasting-, sociale en arbeidswetgeving. Daarom zou een uniforme Europese aanpak niet het gewenste resultaat opleveren en niet efficiënt zijn om de doelstelling van deze richtlijn te helpen verwezenlijken.

Precies daarom vindt de rapporteur het belangrijk dat de lidstaten voldoende flexibiliteit wordt gegund om de vereisten van deze richtlijn ten uitvoer te leggen en te reglementeren op een wijze die rekening houdt met de grote verscheidenheid aan pensioenstelsels in Europa en past bij de wijze waarop de nationale stelsels georganiseerd zijn, in het belang van de deelnemers en pensioengerechtigden.

Dit is des te belangrijker omdat de lidstaten overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel volledig verantwoordelijk dienen te blijven voor de organisatie van hun pensioenstelsels en voor de besluitvorming inzake de rol van elk van de drie pensioenpijlers in de afzonderlijke lidstaten. In de context van de tweede pensioenpijler moeten zij ook volledig verantwoordelijk blijven voor de rol en de functies van de verschillende instellingen die bedrijfspensioenen uitkeren.

Met dit advies streeft de rapporteur naar het juiste evenwicht tussen enerzijds de noodzaak van strenge Europese normen inzake governance, toezicht, informatieverstrekking en transparantie, en anderzijds de broodnodige flexibiliteit om de lidstaten deze normen op efficiënte en geslaagde wijze te laten aanpassen aan hun specifieke nationale situatie.

AMENDEMENTEN

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie economische en monetaire zaken onderstaande amendementen in aanmerking te nemen:

Amendement    1

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(1 bis) De lidstaten moeten de sociale bescherming van werknemers met betrekking tot pensioenen garanderen door te voorzien in overheidspensioenen die toereikend zijn om een waardige levensstandaard te behouden en die ouderen beschermen tegen armoede, en door aanvullende pensioenregelingen die aan arbeidsovereenkomsten gekoppeld zijn, te promoten als aanvullende dekking.

Amendement    2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2) De interne markt moet instellingen in staat stellen in andere lidstaten te opereren en deelnemers aan en pensioengerechtigden van regelingen voor bedrijfspensioenvoorziening een hoog beschermingsniveau bieden .

(2) Op de interne markt moeten instellingen de mogelijkheid hebben om in andere lidstaten te opereren, op voorwaarde dat deelnemers aan en pensioengerechtigden van regelingen voor bedrijfspensioenvoorziening een hoog beschermingsniveau wordt gegarandeerd.

Amendement     3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(2 bis) Teneinde de mobiliteit van werknemers tussen de lidstaten verder te vergemakkelijken, beoogt deze richtlijn goede governance, informatieverstrekking aan deelnemers en een transparante en veilige bedrijfspensioenvoorziening te garanderen.

Amendement    4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(2 ter) De wijze waarop instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV's) zijn georganiseerd en gereglementeerd, verschilt aanzienlijk van lidstaat tot lidstaat. Een uniforme aanpak van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening is daarom niet aangewezen. De Commissie en de Eiopa houden in het kader van hun werkzaamheden rekening met de verschillende tradities van de lidstaten en geven bij de organisatie van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening prioriteit aan het nationale arbeidsrecht en sociale recht.

Amendement     5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(2 quater) Deze richtlijn beoogt een minimale harmonisatie en mag de lidstaten dan ook niet beletten strengere voorschriften ter bescherming van deelnemers aan en pensioengerechtigden van bedrijfspensioenregelingen te handhaven of in te voeren. Deze richtlijn is niet van toepassing op kwesties die met nationale sociale en arbeidswetgeving, nationaal fiscaal of contractenrecht, of de toereikendheid van de pensioenvoorziening in de lidstaten te maken hebben.

Amendement    6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(3) Met Richtlijn 2003/41/EG is een eerste wetgevende stap gezet op de weg naar een interne markt voor op Europese schaal georganiseerde bedrijfspensioenvoorziening. Een echte interne markt voor bedrijfspensioenvoorziening blijft van wezenlijk belang voor de economische groei en de schepping van werkgelegenheid in de Europese Unie en voor het aanpakken van de uitdaging van een vergrijzende Europese samenleving. De richtlijn, die van 2003 dateert, behoefde niet ingrijpend te worden gewijzigd om er ook een modern risicogebaseerd governancesysteem voor instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening in op te nemen.

(3) Met Richtlijn 2003/41/EG zijn minimumnormen ingevoerd voor in de Unie georganiseerde bedrijfspensioenvoorziening. De invoering van en verdere ontwikkeling van bedrijfspensioenregelingen in meer lidstaten blijven van wezenlijk belang voor het aanpakken van de uitdaging van een vergrijzende Europese samenleving. Daarom is meer sociaal overleg op EU- en nationaal niveau van belang.

Amendement    7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4) Actie is geboden om aanvullende particuliere pensioenspaarregelingen, zoals bedrijfspensioenen, verder uit te bouwen. Dat is belangrijk omdat socialezekerheidsstelsels onder toenemende druk komen te staan, wat inhoudt dat burgers in de toekomst steeds meer op bedrijfspensioenen zullen gaan vertrouwen om als aanvulling te fungeren. Bedrijfspensioenvoorzieningen dienen verder te worden ontwikkeld, zonder evenwel te tornen aan het belang van socialezekerheidspensioenregelingen als een veilige, duurzame en doeltreffende sociale bescherming, die op hogere leeftijd een acceptabele levensstandaard dient te waarborgen en derhalve centraal dient te staan bij de doelstelling van de versterking van het Europese sociale model.

(4) Actie is geboden om er verder voor te zorgen dat wettelijke socialezekerheidsstelsels ouderen beschermen tegen armoede, terwijl bedrijfspensioenregelingen een waardevolle aanvulling kunnen bieden. Dat is belangrijk omdat werknemers hun toekomstige financiële situatie kunnen verbeteren dankzij bedrijfspensioenen. Daarom bestaat een centrale doelstelling van deze richtlijn erin bedrijfspensioenregelingen te bevorderen, geslaagde modellen van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening te versterken en hun voortbestaan te beschermen. Bedrijfspensioenvoorzieningen dienen verder te worden ontwikkeld, zonder evenwel te tornen aan het belang van socialezekerheidspensioenregelingen als een veilige, duurzame en doeltreffende sociale bescherming, die op hogere leeftijd een acceptabele levensstandaard dient te waarborgen en derhalve centraal dient te staan bij de doelstelling van de versterking van de Europese sociale modellen.

Amendement    8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5) Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en in het bijzonder het recht op bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van ondernemerschap en het recht op een hoog niveau van consumentenbescherming, met name door het waarborgen van een transparantere pensioenvoorziening, een geïnformeerde persoonlijke financiële en pensioenplanning en het faciliteren van grensoverschrijdende activiteiten van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening en ondernemingen. Deze richtlijn moet worden toegepast overeenkomstig deze rechten en beginselen.

(5) Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en in het bijzonder het recht op bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van ondernemerschap en het recht op een hoog niveau van consumentenbescherming, met name door het waarborgen van een transparantere pensioenvoorziening, een geïnformeerde persoonlijke financiële en pensioenplanning en het faciliteren van grensoverschrijdende activiteiten van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening en ondernemingen. Deze richtlijn moet worden toegepast overeenkomstig deze rechten en beginselen.

Amendement     9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(5 bis) De lidstaten moeten ermee rekening houden dat de pensioenrechten van werknemers die tijdelijk naar een andere lidstaat worden gestuurd om daar te werken, beter moeten worden beschermd.

Amendement    10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(9) Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel dienen de lidstaten volledig verantwoordelijk te blijven voor de organisatie van hun pensioenstelsels en voor de besluitvorming inzake de rol van elke der drie pensioenpijlers in de individuele lidstaten. In de context van de tweede pensioenpijler moeten zij ook volledig verantwoordelijk blijven voor de rol en de functies van de verschillende instellingen die bedrijfspensioenen uitkeren, zoals pensioenfondsen voor een bedrijfstak, ondernemingspensioenfondsen en levensverzekeringsondernemingen. Dit recht wordt door deze richtlijn niet ter discussie gesteld.

(Niet van toepassing op de Nederlandse versie.)

Amendement    11

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(9 bis) Rekening houdend met de noodzaak om bedrijfspensioenregelingen verder te ontwikkelen, moet de Commissie aanzienlijke meerwaarde op EU-niveau creëren door verdere maatregelen te nemen om de samenwerking tussen de lidstaten en de sociale partners bij de ontwikkeling van meer tweedepijlerstelsels te ondersteunen en door een deskundigengroep op hoog niveau in te stellen om na te gaan hoe tweedepijlerpensioensparen in de lidstaten kan worden bevorderd, onder meer door het aanmoedigen van de uitwisseling van best practices tussen de lidstaten.

Amendement     12

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 18

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(18) In geval van faillissement van een bijdragende onderneming loopt de deelnemer het gevaar zowel zijn werk als zijn verworven pensioenrechten te verliezen. Derhalve is een duidelijke scheiding tussen de bijdragende onderneming en de instelling noodzakelijk en dienen minimale prudentiële normen te worden vastgesteld om de deelnemers te beschermen.

(Niet van toepassing op de Nederlandse versie.)

Amendement    13

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 20

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(20) Instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening verrichten financiële diensten en dragen een grote verantwoordelijkheid voor de verschaffing van bedrijfspensioenuitkeringen en moeten uit dien hoofde aan een aantal minimale prudentiële normen voldoen met betrekking tot hun werkzaamheden en de voorwaarden voor de uitvoering daarvan.

(20) Instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening zijn geen financiële dienstverleners, maar pensioeninstellingen die – in de eerste plaats – een sociaal doel dienen, een collectief sociaal voordeel bieden en een grote verantwoordelijkheid voor de verschaffing van bedrijfspensioenuitkeringen dragen, en moeten uit dien hoofde aan een aantal minimale prudentiële normen voldoen met betrekking tot hun werkzaamheden en de voorwaarden voor de uitvoering daarvan. Hun sociale functie en de driehoeksverhouding tussen de werknemer, de werkgever en de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening moeten naar behoren worden erkend en ondersteund als leidende beginselen van deze richtlijn.

Amendement    14

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 28

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(28) Wanneer de instelling geen grensoverschrijdende activiteiten verricht, kunnen lidstaten een ontoereikende dekking toestaan, mits een deugdelijk plan wordt opgesteld om tot volledige kapitaaldekking te komen, onverminderd de vereisten van Richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van werknemers bij insolventie van de werkgever28.

(28) Lidstaten kunnen een ontoereikende dekking toestaan, mits een deugdelijk plan wordt opgesteld om tot volledige kapitaaldekking ter bescherming van de werknemers te komen, onverminderd de vereisten van Richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van werknemers bij insolventie van de werkgever28.

_______________

_______________

28 PB L 283 van 28.10.1980, blz. 23.

28 PB L 283 van 28.10.1980, blz. 23.

Amendement    15

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 33

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(33) Als beleggers met een zeer lange beleggingshorizon en lage liquiditeitsrisico's, bevinden instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening zich in een geschikte positie om binnen prudente grenzen in niet-liquide activa, zoals aandelen, alsmede in instrumenten die een economisch langetermijnprofiel hebben en niet op gereglementeerde markten, multilaterale handelsfaciliteiten of georganiseerde handelsfaciliteiten worden verhandeld, te beleggen. Zij kunnen ook van de voordelen van internationale diversificatie profiteren. Beleggingen in aandelen, in andere valuta's dan die waarin de verplichtingen zijn uitgedrukt, en in instrumenten die een economisch langetermijnprofiel hebben en niet op gereglementeerde markten, multilaterale handelsfaciliteiten of georganiseerde handelsfaciliteiten worden verhandeld, mogen derhalve, tenzij om prudentiële redenen, niet worden beperkt.

(33) Als beleggers met een zeer lange beleggingshorizon en lage liquiditeitsrisico's, bevinden instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening zich in een geschikte positie om binnen prudente grenzen in niet-liquide activa, zoals aandelen, alsmede in instrumenten die een economisch langetermijnprofiel hebben en niet op gereglementeerde markten, multilaterale handelsfaciliteiten of georganiseerde handelsfaciliteiten worden verhandeld, te beleggen. Zij kunnen ook van de voordelen van internationale diversificatie profiteren. Beleggingen in aandelen, in andere valuta's dan die waarin de verplichtingen zijn uitgedrukt, en in instrumenten die een economisch langetermijnprofiel hebben en niet op gereglementeerde markten, multilaterale handelsfaciliteiten of georganiseerde handelsfaciliteiten worden verhandeld, mogen derhalve, tenzij om prudentiële redenen, niet worden beperkt, overeenkomstig de "prudent person"-regel, teneinde de belangen van de deelnemers te beschermen.

Amendement    16

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 35

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(35) Het moet instellingen worden toegestaan conform de voorschriften van hun lidstaat van herkomst in andere lidstaten te beleggen om de aan grensoverschrijdende activiteiten verbonden kosten te drukken. Het dient de lidstaten van ontvangst bijgevolg verboden te zijn extra beleggingsvereisten op te leggen aan in andere lidstaten gevestigde instellingen.

(35) Het moet instellingen worden toegestaan conform de voorschriften van hun lidstaat van herkomst in andere lidstaten te beleggen. Indien de instelling grensoverschrijdend werkzaam is, kan zij echter door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst worden gevraagd limieten op de beleggingen toe te passen, op voorwaarde dat dergelijke limieten ook gelden voor in de lidstaat van ontvangst gevestigde instellingen, en voor zover deze limieten strenger zijn dan die welke in de lidstaat van herkomst gelden.

Amendement    17

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 37

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(37) Een beloningsbeleid dat aanspoort tot het nemen van buitensporige risico's kan een degelijk en doeltreffend risicobeheer van instellingen ondermijnen. De beginselen en openbaarmakingsvereisten in verband met het beloningsbeleid die in de Unie voor andere soorten financiële instellingen gelden, moeten ook op de instellingen toepasselijk worden gemaakt, waarbij evenwel rekening moet worden gehouden met de bijzondere governancestructuur van de instellingen in vergelijking met andere soorten financiële instellingen, alsook met de schaal, aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden van de instellingen.

(37) Een beloningsbeleid dat aanspoort tot het nemen van buitensporige risico's kan een degelijk en doeltreffend risicobeheer van instellingen ondermijnen. De beginselen en openbaarmakingsvereisten in verband met het beloningsbeleid die in de Unie voor andere soorten financiële instellingen gelden, moeten ook volledig op de instellingen toepasselijk worden gemaakt, waarbij evenwel rekening moet worden gehouden met een evenwicht tussen de noodzakelijke transparantie en de bijzondere governancestructuur van de instellingen in vergelijking met andere soorten financiële instellingen, alsook met de schaal, aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden van de instellingen.

Amendement    18

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 46

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(46) Instellingen moeten duidelijke en adequate inlichtingen aan toekomstige deelnemers, deelnemers en pensioengerechtigden verstrekken ter ondersteuning van hun besluitvorming betreffende hun pensionering en ter verzekering van een grote transparantie in alle verschillende fasen van een regeling, namelijk vóór de deelneming, tijdens de deelneming (met inbegrip van vóór de pensionering) en na de pensionering. Er dient meer bepaald informatie te worden verstrekt over opgebouwde pensioenrechten, verwachte omvang van de pensioenuitkeringen, risico's, garanties en kosten. Ingeval deelnemers een beleggingsrisico dragen, is ook aanvullende informatie over het beleggingsprofiel, eventuele beschikbare opties en in het verleden behaalde resultaten van cruciaal belang.

(46) Instellingen moeten duidelijke en adequate inlichtingen aan toekomstige deelnemers, deelnemers en pensioengerechtigden verstrekken ter ondersteuning van hun besluitvorming betreffende hun pensionering en ter verzekering van een grote transparantie in alle verschillende fasen van een regeling, namelijk vóór de deelneming, tijdens de deelneming (met inbegrip van vóór de pensionering) en na de pensionering. Er dient meer bepaald informatie te worden verstrekt over opgebouwde pensioenrechten, verwachte omvang van de pensioenuitkeringen, risico's, garanties en kosten. Ingeval deelnemers een beleggingsrisico dragen, is ook aanvullende informatie over het beleggingsprofiel, eventuele beschikbare opties en in het verleden behaalde resultaten van cruciaal belang. Alle inlichtingen moeten aan de behoeften van de gebruiker beantwoorden en in overeenstemming zijn met het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, in het bijzonder wat betreft toegankelijkheid en toegang tot informatie, zoals bepaald in artikel 3, respectievelijk artikel 21 van dat verdrag.

Amendement     19

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 51

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(51) Het hoofddoel van de bevoegde autoriteit bij de uitoefening van haar bevoegdheden moet de bescherming van deelnemers en pensioengerechtgden zijn.

(51) Het hoofddoel van de bevoegde autoriteit bij de uitoefening van haar bevoegdheden moet de bescherming van de rechten van deelnemers en pensioengerechtigden en de stabiliteit en soliditeit van de instellingen zijn.

Amendement     20

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 57

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(57) Om een soepele werking van de interne markt voor een op Europese schaal georganiseerde bedrijfspensioenvoorziening te garanderen, dient de Commissie, na raadpleging van de EIOPA, de toepassing van deze richtlijn te onderzoeken en hierover een verslag uit te brengen dat zij uiterlijk vier jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn aan het Europees Parlement en de Raad voorlegt. In het kader van dat onderzoek moet meer in het bijzonder het volgende worden beoordeeld: de toepassing van de regels voor de berekening van de technische voorzieningen, de financiering van de technische voorzieningen, het voorgeschreven eigen vermogen, de solvabiliteitsmarges, de beleggingsvoorschriften en enigerlei ander aspect dat met de financiële solvabiliteit van de instelling verband houdt.

(57) Om een soepele werking van de interne markt voor een op Europese schaal georganiseerde bedrijfspensioenvoorziening te garanderen, dient de Commissie, na raadpleging van de EIOPA, de toepassing van deze richtlijn te onderzoeken en hierover een verslag uit te brengen dat zij uiterlijk zes jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn aan het Europees Parlement en de Raad voorlegt.

Amendement     21

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 59

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(59) Met het oog op de nadere uitwerking van de in deze richtlijn vervatte voorschriften moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de verduidelijking van het beloningsbeleid, de risicobeoordeling voor pensioenen en het pensioenuitkeringsoverzicht. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

Schrappen

Amendement    22

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 60 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(60 bis) De verdere ontwikkeling van solvabiliteitsmodellen, zoals het "holistic balance sheet" (HBS)-model, op het niveau van de Unie is praktisch gezien niet realistisch en niet kosteneffectief, met name omdat instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening grote verschillen vertonen binnen en tussen de lidstaten. Daarom mogen er met betrekking tot instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening geen kwantitatieve eigenvermogensvereisten – zoals bijvoorbeeld Solvabiliteit II of daarvan afgeleide "holistic balance sheet"-modellen – op Europees niveau worden ontwikkeld, omdat deze de belangen van zowel werknemers als werkgevers mogelijk zouden kunnen schaden, en werkgevers daardoor minder bereid zouden kunnen zijn om in bedrijfspensioenen te voorzien.

Amendement     23

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 6 – letter a – alinea 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

De sociale functie van de instelling en de driehoeksverhouding tussen de werknemer, de werkgever en de IBPV moeten naar behoren worden erkend en ondersteund als leidende beginselen van de richtlijn.

Amendement     24

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 6 – letter d

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(d) "pensioenuitkeringen": uitkeringen die worden uitbetaald bij het bereiken of naar verwachting bereiken van de pensioendatum, of, wanneer deze een aanvulling op die uitkeringen vormen en op bijkomende wijze worden verstrekt, in de vorm van betalingen bij overlijden, arbeidsongeschiktheid of beëindiging van de werkzaamheid, dan wel in de vorm van ondersteunende betalingen of diensten in geval van ziekte, behoeftigheid of overlijden. Om voor financiële zekerheid na pensionering te zorgen hebben deze uitkeringen gewoonlijk de vorm van betalingen gedurende het gehele leven. Het kan echter ook gaan om een qua tijdsduur beperkte uitkering of de uitkering van een bedrag ineens;

(d) "pensioenuitkeringen": uitkeringen die worden uitbetaald bij het bereiken of naar verwachting bereiken van de pensioendatum, of, wanneer deze een aanvulling op die uitkeringen vormen en op bijkomende wijze worden verstrekt, in de vorm van betalingen bij overlijden, arbeidsongeschiktheid of beëindiging van de werkzaamheid, dan wel in de vorm van ondersteunende betalingen of diensten in geval van ziekte, behoeftigheid of overlijden, of nabestaandenuitkeringen indien deze aan aanvullende pensioenregelingen gekoppeld zijn. Om voor financiële zekerheid na pensionering te zorgen hebben deze uitkeringen gewoonlijk de vorm van betalingen gedurende het gehele leven. Het kan echter ook gaan om een qua tijdsduur beperkte uitkering of de uitkering van een bedrag ineens;

Amendement    25

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 11 – lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis. De lidstaten kunnen de voorwaarden voor de verrichting van de werkzaamheden van op hun grondgebied gevestigde instellingen aan andere vereisten onderwerpen, zonder discriminatie en om ervoor te zorgen dat de belangen van de deelnemers en de begunstigden naar behoren wordt beschermd.

Amendement     26

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 12 – lid 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

10. De lidstaten zorgen ervoor dat een instelling die grensoverschrijdende activiteiten ontplooit, met betrekking tot de deelnemers op wie deze grensoverschrijdende activiteiten slaan, niet onderworpen is aan voorschriften betreffende de informatieverschaffing aan deelnemers en pensioengerechtigden welke door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst worden opgelegd.

Schrappen

Amendement     27

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 13 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. De lidstaten verlenen toestemming aan instellingen die op hun grondgebied een vergunning hebben verkregen of geregistreerd zijn, om hun pensioenregelingen geheel of gedeeltelijk over te dragen aan ontvangende instellingen die in andere lidstaten een vergunning hebben verkregen of geregistreerd zijn.

1. De lidstaten kunnen instellingen die op hun grondgebied een vergunning hebben verkregen of geregistreerd zijn, toestemming verlenen om de passiva of technische voorzieningen van een pensioenregeling, alsook andere verplichtingen en rechten en de overeenkomstige activa, of de geldwaarde daarvan, geheel of gedeeltelijk over te dragen aan ontvangende instellingen die in andere lidstaten een vergunning hebben verkregen of geregistreerd zijn, op voorwaarde dat indien een deel van de pensioenregeling wordt overgedragen, de levensvatbaarheid van zowel het overgedragen als het resterende deel van de pensioenregeling gegarandeerd is en de rechten van de deelnemers na de overdracht afdoende beschermd zijn. De ontvangende instelling voert de pensioenregeling uit in overeenstemming met de sociale en arbeidswetgeving van de lidstaat van ontvangst, waarbij het niveau van bescherming van de deelnemers en pensioengerechtigden die met de overdracht te maken krijgen, onveranderd blijft.

Amendement     28

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 13 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. Tenzij in de nationale sociale en arbeidswetgeving op het gebied van de organisatie van de nationale pensioenstelsels anders is bepaald, worden de overdracht en de daaraan verbonden voorwaarden van tevoren goedgekeurd door de betrokken deelnemers en pensioengerechtigden of, in voorkomend geval, hun vertegenwoordigers. In elk geval wordt ten minste vier maanden voor de indiening van de in lid 2 bedoelde aanvraag informatie over de aan de overdracht verbonden voorwaarden ter beschikking gesteld van de betrokken deelnemers en pensioengerechtigden of, in voorkomend geval, hun vertegenwoordigers.

3. Tenzij in de nationale sociale en arbeidswetgeving op het gebied van de organisatie van de nationale pensioenstelsels anders is bepaald, worden de overdracht en de daaraan verbonden voorwaarden van tevoren goedgekeurd door de betrokken deelnemers en pensioengerechtigden of, in voorkomend geval, hun vertegenwoordigers, of door de bijdragende onderneming indien deze gedeeltelijk of geheel aansprakelijk is voor de pensioenuitkeringen. In elk geval wordt ten minste vier maanden voor de indiening van de in lid 2 bedoelde aanvraag informatie over de aan de overdracht verbonden voorwaarden ter beschikking gesteld van de betrokken deelnemers en pensioengerechtigden of, in voorkomend geval, hun vertegenwoordigers.

Amendement    29

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 14 – lid 5 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

5 bis. De Commissie stelt alle maatregelen voor die noodzakelijk zijn ter voorkoming van mogelijke verstoringen die worden veroorzaakt door verschillen in de hoogte van de rentevoeten, en ter bescherming van de belangen van de pensioengerechtigden en de deelnemers aan enigerlei regeling.

Motivering

Herstel van de oorspronkelijke tekst van de richtlijn, omdat deze bepaling bedoeld is om de pensioengerechtigden en de deelnemers aan de regeling te beschermen.

Amendement    30

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3. In geval van grensoverschrijdende activiteiten als bedoeld in artikel 12 moeten de technische voorzieningen met betrekking tot het geheel van de uitgevoerde pensioenregelingen te allen tijde volledig door kapitaal zijn gedekt. Is niet aan deze voorwaarden voldaan, dan handelen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst overeenkomstig artikel 62. Voor de naleving van dit vereiste kan de lidstaat van herkomst verlangen dat de activa en passiva worden afgescheiden.

3. De voorwaarden van de leden 1 en 2 zijn ook van toepassing op grensoverschrijdende activiteiten als bedoeld in artikel 12, mits de belangen van de werknemers, de deelnemers en de begunstigden naar behoren wordt beschermd.

Amendement    31

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 20 – lid 1 – alinea 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

De lidstaten kunnen besluiten om criteria voor beleggingen toe te staan die lagere rendementen, maar meer sociale voordelen opleveren, mits de belanghebbenden daarmee instemmen.

Amendement    32

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 23 – lid 1 – letter a

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(a) hun beroepskwalificaties, -kennis en -ervaring volstaan om een gezond en prudent bestuur van de instelling mogelijk te maken en om hun sleutelfuncties naar behoren te vervullen (deskundigheidsvereiste); en

(a) hun beroepskwalificaties, -kennis en -ervaring collectief volstaan om een gezond en prudent bestuur van de instelling mogelijk te maken en om hun sleutelfuncties naar behoren te vervullen (deskundigheidsvereiste); en

Amendement    33

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 24 – lid 1 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis. Richtlijn 2010/73/EG van het Europees Parlement en de Raad1 bis is ook van toepassing op de personen die IBPV's daadwerkelijk besturen, teneinde een deugdelijk beloningsbeleid te garanderen.

 

__________________

 

1 bis Richtlijn 2010/76/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot wijziging van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG wat betreft de kapitaalvereisten voor de handelsportefeuille en voor hersecuritisaties, alsook het bedrijfseconomisch toezicht op het beloningsbeleid (PB L 329 van 14.12.2010, blz. 3)

Amendement     34

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 24 – lid 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

[...]

Schrappen

Amendement    35

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 29 – lid 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4. De risicobeoordeling voor pensioenen maakt integraal deel uit van de bedrijfsstrategie en wordt in aanmerking genomen bij de strategische beslissingen van de instelling.

4. De risicobeoordeling voor pensioenen wordt periodiek en terstond na een significante wijziging in het risicoprofiel van de instelling of van de pensioenregeling verricht. Zij wordt aan de deelnemers aan de regeling ter beschikking gesteld en wordt openbaar gemaakt.

Amendement     36

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 30

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 30

Schrappen

Gedelegeerde handeling voor de risicobeoordeling voor pensioenen

 

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 77 een gedelegeerde handeling vast te stellen tot nadere bepaling van het volgende:

 

(a) de door artikel 29, lid 2, te bestrijken elementen;

 

(b) de in artikel 29, lid 3, bedoelde methoden, rekening houdend met de detectie en beoordeling van de risico's waaraan zij op korte en op lange termijn zijn of kunnen zijn blootgesteld; en

 

(c) de frequentie waarmee de risicobeoordeling voor pensioenen moet worden uitgevoerd, rekening houdend met de vereisten van artikel 29, lid 1.

 

De gedelegeerde handeling brengt geen andere financieringsbehoeften met zich mee dan die waarin deze richtlijn voorziet.

 

Amendement    37

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 38 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. Afhankelijk van de aard van de pensioenregeling draagt elke lidstaat er zorg voor dat elke op zijn grondgebied gevestigde instelling toekomstige deelnemers, deelnemers en pensioengerechtigden ten minste de in de artikelen 39 tot en met 53 en 55 tot en met 58. bedoelde inlichtingen verstrekt.

1. Afhankelijk van de aard van de pensioenregeling draagt elke lidstaat er zorg voor dat elke op zijn grondgebied gevestigde instelling toekomstige deelnemers, deelnemers en pensioengerechtigden de relevante inlichtingen verstrekt, rekening houdend met de verschillende informatiebehoeften van toekomstige deelnemers, deelnemers en pensioengerechtigden, als vermeld in dit hoofdstuk.

 

De in de eerste alinea bedoelde inlichtingen beantwoorden aan de behoeften van de gebruiker, zijn op duidelijke en gebruiksvriendelijke wijze op schrift gesteld, worden regelmatig bijgewerkt en zijn in overeenstemming met het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, in het bijzonder wat betreft toegankelijkheid en toegang tot informatie, zoals bepaald in artikel 3, respectievelijk artikel 21 van dat verdrag.

Amendement    38

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 38 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. De inlichtingen voldoen aan alle volgende vereisten:

Schrappen

(a) zij worden regelmatig bijgewerkt;

 

(b) zij zijn op duidelijke wijze op schrift gesteld in heldere, bondige en begrijpelijke taal, waarbij wordt vermeden zowel jargon als technische termen te hanteren wanneer in plaats daarvan alledaagse woorden kunnen worden gebruikt;

 

(c) zij zijn niet misleidend. Er wordt zorg gedragen voor de consistentie, zowel wat woordgebruik als wat inhoud betreft;

 

(d) zij worden op zodanige wijze gepresenteerd dat zij gemakkelijk leesbaar zijn, met gebruik van tekens van leesbare grootte.

 

Er wordt niet van kleuren gebruikgemaakt wanneer deze afbreuk kunnen doen aan de begrijpelijkheid van de inlichtingen als het pensioenuitkeringsoverzicht in zwart-wit wordt afgedrukt of wordt gefotokopieerd.

 

Amendement    39

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 39 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. Met betrekking tot alle op hun grondgebied gevestigde instellingen zorgen de lidstaten ervoor dat deelnemers voldoende over de voorwaarden van de pensioenregeling worden ingelicht, en met name over:

1. Afhankelijk van de aard van de pensioenregeling zorgen de lidstaten er met betrekking tot alle op hun grondgebied gevestigde instellingen voor dat deelnemers voldoende over de voorwaarden van de pensioenregeling worden ingelicht, en met name over:

(a) de rechten en plichten van de partijen betrokken bij de pensioenregeling;

(a) de rechten en plichten van de partijen betrokken bij de pensioenregeling;

(b) de financiële, technische en andere aan de pensioenregeling verbonden risico's;

(b) de financiële risico's die aan de pensioenregeling verbonden zijn, voor zover die relevant zijn voor de leden en pensioengerechtigden;

(c) de aard en spreiding van die risico's.

 

Amendement    40

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 39 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. Bij regelingen waarbij deelnemers een beleggingsrisico dragen en waarbij meerdere beleggingsmogelijkheden met verschillende beleggingsprofielen worden geboden, worden, naast de in lid 1, onder a), b) en c), bedoelde inlichtingen, tevens de volgende inlichtingen aan de deelnemers verstrekt: de voorwaarden die aan het scala aan beschikbare beleggingsmogelijkheden verbonden zijn, de standaard beleggingsmogelijkheid en, in voorkomend geval, de in het kader van de pensioenregeling gehanteerde regel om een bepaalde deelnemer aan een beleggingsmogelijkheid toe te wijzen.

2. Bij regelingen waarbij deelnemers een beleggingsrisico dragen en waarbij meerdere beleggingsmogelijkheden met verschillende beleggingsprofielen worden geboden, worden tevens de volgende inlichtingen aan de deelnemers verstrekt: de voorwaarden die aan het scala aan beschikbare beleggingsmogelijkheden verbonden zijn, de standaard beleggingsmogelijkheid en, in voorkomend geval, de in het kader van de pensioenregeling gehanteerde regel om een bepaalde deelnemer aan een beleggingsmogelijkheid toe te wijzen.

Amendement    41

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 40 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 40 bis

 

Pensioenuitkeringsoverzicht

[Ter vervanging van de artikelen 40 t/m 54 van het Commissievoorstel]

1. Bij het vaststellen van regels voor het pensioenuitkeringsoverzicht vereist de bevoegde autoriteit van de lidstaat dat:

 

(a) het pensioenuitkeringsoverzicht de essentiële relevante informatie voor deelnemers bevat, rekening houdend met de specifieke aard van de nationale stelsels en de nationale sociale, arbeids- en belastingwetgeving;

 

(b) de informatie in het pensioenuitkeringsoverzicht op duidelijke wijze op schrift gesteld is en op bondige en gemakkelijk leesbare wijze wordt gepresenteerd;

 

(c) instellingen wordt toestaan het pensioenuitkeringsoverzicht op een duurzame drager of via een website te verstrekken. Op verzoek wordt aan de deelnemers en pensioengerechtigden, naast een pensioenuitkeringsoverzicht in elektronische vorm, ook kosteloos een papieren afschrift verstrekt.

 

2. In het kader van deze richtlijn wordt onder essentiële relevante informatie voor deelnemers verstaan:

 

(a) de persoonsgegevens van de deelnemer, met duidelijke vermelding van de pensioenleeftijd of de datum waarop hij een pensioenuitkering ontvangt;

 

(b) identificatie van de instelling en identificatie van de pensioenregeling van de deelnemer;

 

(c) de precieze datum waarop de informatie in het pensioenuitkeringsoverzicht betrekking heeft;

 

(d) indien van toepassing, informatie, over volledige of gedeeltelijke garanties in het kader van de pensioenregeling. Ingeval een garantie wordt verleend, wordt in het pensioenuitkeringsoverzicht de aard van de garantie kort toegelicht en informatie verstrekt over het actuele financieringsniveau van de in totaal opgebouwde individuele pensioenrechten van de deelnemer;

 

(e) informatie over pensioenprojecties, rekening houdend met de specifieke aard en organisatie van de pensioenregeling.

 

3. De lidstaten zorgen ervoor dat alle aanvullende relevante informatie op verzoek van de deelnemer gemakkelijk beschikbaar en op gebruiksvriendelijke wijze toegankelijk is. Deze informatie wordt in het pensioenuitkeringsoverzicht verstrekt of op een andere wijze beschikbaar gesteld, en kan het volgende omvatten:

 

(a) informatie over de balans, bijdragen en kosten van de pensioenregeling, rekening houdend met de specifieke aard en organisatie van de pensioenregeling;

 

(b) indien van toepassing, rekening houdend met de specifieke aard en organisatie van de pensioenregeling, informatie over het beleggingsprofiel;

 

(c) indien van toepassing, rekening houdend met de specifieke aard en organisatie van de pensioenregeling, informatie over de in het verleden behaalde resultaten.

 

4. De lidstaten wisselen best practices uit met betrekking tot het formaat en de inhoud van het pensioenuitkeringsoverzicht.

Amendement  42

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 55 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 55 bis

 

Andere te verstrekken inlichtingen en documenten

[Ter vervanging van de artikelen 55 t/m 58 van het Commissievoorstel]

1. De instelling zorgt ervoor dat toekomstige deelnemers over alle kenmerken van de regeling en alle beleggingsmogelijkheden worden geïnformeerd, waarbij onder meer informatie wordt verstrekt over of en hoe in het kader van de beleggingsbenadering rekening is gehouden met kwesties die met milieu, klimaat, samenleving en corporate governance verband houden. Als toekomstige deelnemers geen keus hebben en automatisch bij een pensioenregeling aangesloten zijn, ontvangen zij de essentiële relevante informatie over hun deelneming zodra zij aangesloten zijn.

 

2. Afgezien van het pensioenuitkeringsoverzicht verstrekken de instellingen aan iedere deelnemer ten minste twee jaar voor de pensioenleeftijd waarin de regeling voorziet, dan wel op verzoek van de deelnemer, de volgende inlichtingen:

 

(a) evenwichtige informatie over de opties waarover de deelnemers beschikken bij het innen van hun pensioeninkomen;

 

(b) wanneer de uitbetaling in het kader van de pensioenregeling niet in de vorm van een levenslange lijfrente plaatsvindt, evenwichtige informatie over de beschikbare producten voor de uitbetaling van de pensioenuitkering.

 

Instellingen verstrekken pensioengerechtigden informatie over de verschuldigde uitkeringen en de overeenkomstige uitbetalingsmogelijkheden. Wanneer tijdens de uitbetalingsfase een aanzienlijk deel van het beleggingsrisico door de pensioengerechtigden wordt gedragen, zorgen de lidstaten ervoor dat de pensioengerechtigden hierover passende informatie ontvangen.

 

3. Op verzoek van een deelnemer, een pensioengerechtigde of hun vertegenwoordigers verstrekt de instelling de volgende aanvullende informatie:

 

(a) de jaarrekeningen en de jaarverslagen als bedoeld in artikel 31 of, indien een instelling voor meer dan één regeling verantwoordelijk is, de jaarverslagen en de jaarrekeningen die met hun specifieke pensioenregeling verband houden;

 

(b) de in artikel 32 bedoelde verklaring inzake de beleggingsbeginselen;

 

(c) informatie over de gehanteerde aannamen om de in artikel 50 bedoelde projecties op te stellen;

 

(d) informatie over het veronderstelde percentage van de lijfrente, het soort aanbieder en de duur van de lijfrente, zoals bedoeld in artikel 53, onder c).

 

Op verzoek van een deelnemer verstrekt de instelling tevens:

 

(a) indien van toepassing, het richtniveau van de pensioenuitkeringen;

 

(b) het niveau van de uitkeringen in geval van beëindiging van de dienstbetrekking;

Amendement     43

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 59 – lid 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. Het hoofddoel van het prudentiële toezicht is de bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden.

1. Het hoofddoel van het prudentiële toezicht is de bescherming van de rechten van deelnemers en pensioengerechtigden en de stabiliteit en soliditeit van de instellingen.

Amendement     44

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 59 – lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. Onverminderd het hoofddoel van het prudentiële toezicht als genoemd in lid 1 zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteiten bij de uitoefening van hun algemene taken het mogelijke effect van hun beslissingen op de stabiliteit van de betrokken financiële systemen in de Unie, met name in noodsituaties, naar behoren in overweging nemen, rekening houdend met de informatie die op dat moment beschikbaar is.

2. Onverminderd het hoofddoel van het prudentiële toezicht als genoemd in lid 1 beoogt deze richtlijn de oprichting en het functioneren van IBPV's in de hand te werken, het efficiënte beheer ervan aan te moedigen en ze aantrekkelijker te maken voor werknemers en werkgevers.

Amendement     45

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 60 – alinea 1 – inleidende formule

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten zorgen ervoor dat instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening onder prudentieel toezicht staan, met inbegrip van het toezicht op het volgende:

Onverminderd de nationale sociale en arbeidswetgeving zorgen de lidstaten ervoor dat instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening onder prudentieel toezicht staan, met inbegrip van het toezicht op het volgende:

Amendement    46

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 73 – lid 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis. Aangezien er behoefte is aan maatregelen op EU-niveau om bedrijfspensioenstelsels in de lidstaten verder uit te bouwen,

 

(a) neemt de Commissie verdere maatregelen om de samenwerking tussen de lidstaten en de sociale partners bij de ontwikkeling van meer tweedepijlerstelsels te ondersteunen;

 

(b) stelt de Commissie een deskundigengroep op hoog niveau in om na te gaan hoe tweedepijlerpensioensparen in de lidstaten kan worden bevorderd, onder meer door het aanmoedigen van de uitwisseling van best practices tussen de lidstaten.

Amendement     47

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 75

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Vier jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn gaat de Commissie over tot een evaluatie van deze richtlijn en de opstelling van een verslag over de tenuitvoerlegging en de doeltreffendheid ervan; dat verslag wordt aan het Europees Parlement en de Raad voorgelegd.

Zes jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn gaat de Commissie over tot een evaluatie van deze richtlijn en de opstelling van een verslag over de tenuitvoerlegging en de doeltreffendheid ervan; dat verslag wordt aan het Europees Parlement en de Raad voorgelegd.

Amendement     48

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 77

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 77

Schrappen

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

 

1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

 

2. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 24, lid 3, artikel 30 en artikel 54 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

 

3. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

 

4. Een overeenkomstig artikel 24, lid 3, artikel 30 en artikel 54 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement of de Raad binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van de termijn van drie maanden de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met drie maanden verlengd.

 

PROCEDURE

Titel

Werkzaamheden van en toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (herschikking)

Document- en procedurenummers

COM(2014)0167 – C7-0112/2014 – 2014/0091(COD)

Commissie ten principale

Datum bekendmaking

ECON

14.4.2014

 

 

 

Advies uitgebracht door

Datum bekendmaking

EMPL

14.4.2014

Rapporteur voor advies

Datum benoeming

Jeroen Lenaers

1.10.2014

Behandeling in de commissie

5.3.2015

16.4.2015

 

 

Datum goedkeuring

28.5.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

38

10

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laura Agea, Guillaume Balas, Tiziana Beghin, Brando Benifei, Enrique Calvet Chambon, David Casa, Ole Christensen, Lampros Fountoulis, Arne Gericke, Agnes Jongerius, Jan Keller, Ádám Kósa, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Zdzisław Krasnodębski, Jean Lambert, Jérôme Lavrilleux, Patrick Le Hyaric, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Javi López, Thomas Mann, Dominique Martin, Anthea McIntyre, Joëlle Mélin, Elisabeth Morin-Chartier, Emilian Pavel, Georgi Pirinski, Terry Reintke, Claude Rolin, Anne Sander, Sven Schulze, Siôn Simon, Jutta Steinruck, Yana Toom, Ulrike Trebesius, Ulla Tørnæs, Marita Ulvskog, Renate Weber, Tatjana Ždanoka, Jana Žitňanská, Inês Cristina Zuber

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Heinz K. Becker, Lynn Boylan, Mercedes Bresso, Eva Kaili, Eduard Kukan, António Marinho e Pinto, Csaba Sógor, Gabriele Zimmer

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Michaela Šojdrová

6.5.2015

ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

aan de Commissie economische en monetaire zaken

inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening

(COM(2014)0167 – C7-0112014 – 2014/0091(COD))

Rapporteur voor advies: Sirpa Pietikäinen

BEKNOPTE MOTIVERING

Hoewel de lidstaten verschillende pensioenstelsels hebben, staan zij bij het waarborgen van financieel houdbare en passende pensioeninkomens voor soortgelijke uitdagingen. Momenteel neemt de levensverwachting in de Europese Unie ieder jaar met zo'n tweeënhalve maand toe, en is het zaak om armoede onder ouderen laag te houden en een passend pensioen voor iedereen te waarborgen.

De crisis heeft ernstige gevolgen gehad voor de oudedagsvoorziening van huishoudens en particuliere pensioenen blijven onder druk staan, onder meer vanwege de aanhoudend lage rentetarieven. Dit legt ook druk op het rendement van bedrijfspensioenfondsen en dientengevolge op hun rol als een van de grootste institutionele investeerders in Europa. Bedrijfspensioenfondsen reageren hierop door hun bedrijfsmodellen aan te passen en soms zelfs door meer risico's te nemen bij hun investeringsstrategieën, wat uiteindelijk negatieve gevolgen kan hebben voor de pensioenuitkering van de leden van de regeling. In deze context komt de herziening van de IORP-richtlijn op een gelegen moment. Het mag niet worden vergeten dat vrouwen in het licht van deze uitdagingen het kwetsbaarst zijn.

Vrouwen hebben te kampen met een pensioenkloof. Dit verschil in pensioeninkomens is in de eerste plaats te wijten aan de bestaande genderloonkloof: vrouwen verdienen per uur gemiddeld zo'n 16 % minder dan mannen (EU-28, 2013). Hoewel deze kloof langzaam kleiner wordt, zijn er geen concrete aanwijzingen dat de pensioenkloof van gemiddeld 39% deze dalende lijn volgt.

De door vrouwen getroffen flexibele arbeidsregelingen, waaronder deeltijdwerk of carrièreonderbrekingen, houden vaak verband met hun aandeel in de huiselijke en gezinstaken en kunnen deels een kwestie van persoonlijke voorkeur zijn. Deze regelingen hebben vaak een negatief effect op de opbouw van pensioenrechten. Voorts wordt de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen beïnvloed door de segregatie van mannen en vrouwen in verschillende sectoren van de arbeidsmarkt met andere beloningen of een verschillend gebruik van pensioenfondsen, en door de segregatie in verschillende niveaus binnen de hiërarchie van organisaties, waar ook weer andere beloningen gelden.

Als gevolg van de pensioenkloof en de langere levensduur van vrouwen krijgen meer vrouwen dan mannen op hogere leeftijd met armoede te maken. Voorts bevinden oudere vrouwen zich vaak in een bijzonder moeilijke positie wanneer hun recht op een pensioeninkomen wordt toegekend op grond van hun gehuwde staat (pensioen voor echtgenote of weduwe). Stimuleringsmaatregelen voor vervroegd pensioen leiden, aangezien de vraag naar oudere werknemers laag blijft, ook tot lagere inkomens. In 2012 werd 22 % van de vrouwen vanaf 65 jaar met armoede bedreigd, ten opzichte van 16 % van de mannen. Hoewel het Europees Hof in een arrest van 2011 verplicht heeft gesteld dat in alle nieuwe stelsels dezelfde actuariële factoren worden toegepast voor mannen en vrouwen om de langere verwachte levensduur na het pensioen voor vrouwen in aanmerking te nemen, is moeilijk te zien hoe pensioenfondsen omgaan met de uitdaging van een langere levensverwachting voor vrouwen.

Om de armoede onder gepensioneerde vrouwen te overbruggen en gelijke pensioenniveaus te waarborgen, moeten in heel Europa openbare pensioenregelingen onder de eerste pijler worden ontwikkeld, en moeten deze door voldoende bedrijfspensioenen worden aangevuld. De Commissie zou de gevolgen van verschillende pijlers en pensioenstelsels en de structuren daarvan voor mannen en vrouwen nauwkeurig moeten bestuderen. Op basis van de resultaten moet de Commissie de nodige maatregelen en mogelijke wijzigingen van structuren voorstellen om in verschillende lidstaten gelijke pensioenniveaus voor mannen en vrouwen te kunnen waarborgen.

Betere openbare pensioenregelingen vormen een randvoorwaarde voor de uitbanning van armoede onder oudere vrouwen, terwijl meer gendergevoelige regelingen onder de tweede pijler noodzakelijk zijn om voor voldoende inkomen te zorgen. Tegelijkertijd dient rekening te worden gehouden met het feit dat momenteel minder vrouwen dan mannen deelnemen aan bedrijfspensioenregelingen. Dit kan hun pensioenkloof vergroten, aangezien de nadruk in de lidstaten meestal naar de tweede pijler verschuift. Op dezelfde wijze zal het nauwer koppelen van pensioenbijdragen en pensioenuitkeringen – waardoor perioden dat men minder verdient of niet actief is op de arbeidsmarkt worden bestraft – bijdragen aan de genderverschillen op het gebied van pensioentoegang en -dekking. In sommige lidstaten, waar in particuliere pensioenen een verschuiving van vaste toezeggingen ('defined benefit') naar vaste bijdragen ('defined contribution') zichtbaar is, heeft onderzoek uitgewezen dat de dekkingskloof tussen mannen en vrouwen in deze tweede pensioenpijler aanzienlijk hoger is dan in de eerste, openbare, pensioenpijler.

Ieder Europees voorstel dat direct of indirect verband houdt met de oudedagvoorzieningen van burgers moet erop gericht zijn deze ongelijkheid te verhelpen. Transparantie moet ook betrekking hebben op verduidelijkingen omtrent de manier waarop technische bepalingen worden aangescherpt om de hogere levensverwachting van vrouwen te dekken en waarop niet-discriminerende toekomstige betalingen kunnen worden gegarandeerd.

Het begrip gendermainstreaming moet ook deel uitmaken van de beginselen van goed bestuur. Dit geldt ook voor het op maat presenteren van informatie door financiële instellingen. Hoewel dit controversieel is en onlosmakelijk verband houdt met genderstereotypen, wordt van vrouwen verondersteld dat zij minder financiële kennis hebben en dat formele financiële producten minder toegankelijk voor hen zijn dan voor mannen. Uit onderzoek van de OESO bleek bijvoorbeeld dat slechts 49 % van de vrouwen weet hoe samengestelde interest werkt, ten opzichte van 75 % van de mannen. In sommige landen weet bijna 60 % van de vrouwen niet dat hoge investeringsopbrengsten gepaard gaan met hoge risico's, ten opzichte van 45 % van de mannen. Financiële kennis kan een uitdaging zijn voor zowel mannen als vrouwen en daarom zijn alle gebruikers gebaat bij een duidelijkere omschrijving van de risico's en kenmerken van de producten.

Duidelijke en relevante communicatie op het gebied van pensioenfondsen omvat daarom ook het bewustzijn van gebrekkige kennis op het gebied van pensioeninkomens. Persoonlijke uitkeringsoverzichten zouden gepensioneerde leden van pensioenregelingen de mogelijkheid bieden om uitdrukkelijk te wijzen op kloven (ten opzichte van andere leden van de regeling) en om voorstellen te doen om deze kloven te dichten. Ten slotte zou dit vrouwen – die in zekere mate vaak "harder moeten werken" om hetzelfde pensioen als mannen te krijgen – kunnen aansporen om zich aan te sluiten bij pensioenregelingen of om hun aanvullende spaargeld vrijwillig onder te brengen bij bedrijfspensioenvoorzieningen.

AMENDEMENTEN

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie economische en monetaire zaken onderstaande amendementen in haar verslag op te nemen:

Amendement    1

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2) De interne markt moet instellingen in staat stellen in andere lidstaten te opereren en deelnemers aan en pensioengerechtigden van regelingen voor bedrijfspensioenvoorziening een hoog beschermingsniveau bieden .

(2) De interne markt moet instellingen in staat stellen in andere lidstaten te opereren en deelnemers aan en pensioengerechtigden van regelingen voor bedrijfspensioenvoorziening een hoog beschermingsniveau bieden, waarbij het EU-acquis inzake gendergelijkheid en het beginsel van non-discriminatie onverkort wordt nageleefd en rekening wordt gehouden met de genderpensioenkloof en de specifieke behoeften van, onder anderen, vrouwen.

Amendement    2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(3 bis) In het licht van de demografische ontwikkeling van Europa en de situatie waarin de nationale begrotingen verkeren, zijn bedrijfspensioenen een nagenoeg onmisbaar onderdeel van een adequate, veilige en duurzame pensioenvoorziening.

Amendement    3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4) Actie is geboden om aanvullende particuliere pensioenspaarregelingen, zoals bedrijfspensioenen, verder uit te bouwen. Dat is belangrijk omdat socialezekerheidsstelsels onder toenemende druk komen te staan, wat inhoudt dat burgers in de toekomst steeds meer op bedrijfspensioenen zullen gaan vertrouwen om als aanvulling te fungeren. Bedrijfspensioenvoorzieningen dienen verder te worden ontwikkeld, zonder evenwel te tornen aan het belang van socialezekerheidspensioenregelingen als een veilige, duurzame en doeltreffende sociale bescherming, die op hogere leeftijd een acceptabele levensstandaard dient te waarborgen en derhalve centraal dient te staan bij de doelstelling van de versterking van het Europese sociale model.

(4) Hoewel de openbare sector verantwoordelijk is voor het waarborgen van een passend inkomen en diensten voor ouderen, is voortdurend actie geboden in de lidstaten om bestaande bedrijfspensioenstelsels (tweede pijler) en, als aanvullende maatregel, particuliere pensioenspaarregelingen (derde pijler), zoals bedrijfspensioenen, verder uit te bouwen, zodat gepensioneerden gemakkelijker over aanvullende, op maat gemaakte diensten kunnen beschikken. Dat is belangrijk omdat socialezekerheidsstelsels onder toenemende druk komen te staan, wat inhoudt dat burgers in de toekomst steeds meer op bedrijfspensioenen zullen gaan vertrouwen om als aanvulling te fungeren. Bedrijfspensioenvoorzieningen dienen verder te worden ontwikkeld, zonder evenwel te tornen aan het belang van socialezekerheidspensioenregelingen als een veilige, duurzame en doeltreffende sociale bescherming, die op hogere leeftijd een acceptabele levensstandaard dient te waarborgen en derhalve centraal dient te staan bij de doelstelling van de versterking van het Europese sociale model. Hierbij zij opgemerkt dat de reeds bestaande ongelijkheid op de arbeidsmarkt, zoals de huidige genderloonkloof, weerspiegeld wordt in het geheel van nadelen in de eerste en tweede pensioenpijler, hetgeen leidt tot lagere pensioenen en een risico op armoede op latere leeftijd.

Amendement    4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 bis) Actie is geboden om behoorlijke pensioenregelingen in gelijke mate toegankelijk te maken voor vrouwen, waarbij de onevenwichtigheden als gevolg van hardnekkige ongelijkheid tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt worden gecorrigeerd.

Amendement    5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5) Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en in het bijzonder het recht op bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van ondernemerschap en het recht op een hoog niveau van consumentenbescherming, met name door het waarborgen van een transparantere pensioenvoorziening, een geïnformeerde persoonlijke financiële en pensioenplanning en het faciliteren van grensoverschrijdende activiteiten van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening en ondernemingen. Deze richtlijn moet worden toegepast overeenkomstig deze rechten en beginselen.

(5) Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en in het bijzonder het recht op bescherming van persoonsgegevens, het recht op gelijkheid en non-discriminatie op grond van geslacht, seksuele geaardheid en samenstelling van het huishouden, de vrijheid van ondernemerschap en het recht op een hoog niveau van consumentenbescherming, met name door het waarborgen van een transparantere pensioenvoorziening, een geïnformeerde persoonlijke financiële en pensioenplanning waarbij rekening wordt gehouden met de financiële kennis van ieder afzonderlijk lid van een bedrijfspensioenregeling en het faciliteren van grensoverschrijdende activiteiten van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening en ondernemingen. Deze richtlijn moet worden toegepast overeenkomstig deze rechten en beginselen.

Amendement    6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(6) Ondanks de inwerkingtreding van Richtlijn 2003/41/EG blijven er belangrijke prudentiële belemmeringen bestaan die het duurder maken voor instellingen om over de grenzen heen pensioenregelingen uit te voeren. Bovendien moet het huidige minimumniveau van bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden worden opgetrokken. Dit is des te belangrijker omdat het aantal Europeanen dat vertrouwt op regelingen die het hogeleeftijdsrisico en het marktrisico doorschuiven van de instelling of onderneming die de bedrijfspensioenregeling aanbiedt ("bijdragende onderneming") naar de betrokken persoon, sterk is gestegen. Bovendien moet het huidige minimumniveau van informatieverstrekking aan deelnemers en pensioengerechtigden worden verhoogd. Al deze ontwikkelingen rechtvaardigen een wijziging van de richtlijn.

(6) Ondanks de inwerkingtreding van Richtlijn 2003/41/EG blijven er belangrijke prudentiële belemmeringen bestaan die het duurder maken voor instellingen om over de grenzen heen pensioenregelingen uit te voeren. Bovendien moet het huidige minimumniveau van bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden worden opgetrokken en vastgesteld met inachtneming van de EU-beginselen van non-discriminatie en gendergelijkheid. Dit is des te belangrijker omdat het aantal Europeanen dat vertrouwt op regelingen die het hogeleeftijdsrisico en het marktrisico doorschuiven van de instelling of onderneming die de bedrijfspensioenregeling aanbiedt ("bijdragende onderneming") naar de betrokken persoon, sterk is gestegen en dergelijke regelingen kunnen leiden tot een toename van de armoede onder ouderen, en met name vrouwen, in de lidstaten. Bovendien moet het huidige minimumniveau van informatieverstrekking aan deelnemers en pensioengerechtigden worden verhoogd en aangepast om informatie gemakkelijker toegankelijk te maken en om tegemoet te komen aan de behoeften van afzonderlijke leden, met name vrouwen. Al deze ontwikkelingen rechtvaardigen een wijziging van de richtlijn.

Amendement    7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(9 bis) Aangezien het belangrijk is passende pensioenniveaus te waarborgen en de genderkloof te dichten, moet de Commissie de gevolgen van verschillende pijlers, pensioenregelingen en structuren voor zowel mannen als vrouwen nauwkeurig bestuderen. Op basis van de resultaten moet de Commissie maatregelen en mogelijke structuuraanpassingen voorstellen om in verschillende lidstaten gelijke pensioenniveaus voor mannen en vrouwen te verzekeren.

Amendement    8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(9 bis) De pensioenkloof tussen mannen en vrouwen in de Unie bedraagt gemiddeld 39 % en daarom moet de Commissie niet uitsluitend vertrouwen op prudentiële regels, maar de lidstaten tevens stimuleren om aanvullende regelingen op te stellen die controlemechanismen bevatten waarmee de effecten kritisch gevolgd kunnen worden, en zo bij te dragen aan de tweede pensioenpijler als een manier om de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen te dichten en een behoorlijk pensioen bereikbaar te maken voor vrouwen.

Amendement    9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(13) Bij het streven naar het verschaffen van financiële zekerheid na pensionering dient ervoor gezorgd te worden dat de uitkeringen van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening in de regel in uitbetaling van een levenslang pensioen voorzien. Tevens dient een qua tijdsduur beperkte uitkering of de uitkering van een bedrag ineens mogelijk te zijn.

(13) Bij het streven naar het verschaffen van financiële zekerheid na pensionering dient ervoor gezorgd te worden dat de uitkeringen van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening in de regel in uitbetaling van een levenslang pensioen voorzien. Tevens dient een qua tijdsduur beperkte uitkering of de uitkering van een bedrag ineens mogelijk te zijn. Voorts moet de Commissie eenvoudige en gebruiksvriendelijke manieren vinden om de kwaliteit van tweedepijlerpensioenproducten voor mannen en vrouwen leesbaar te maken en normen voor consumentenvoorlichting en consumentenbescherming vast te stellen door middel van vrijwillige gedragscodes, en eventueel een compact en gebruiksvriendelijk EU-certificeringssysteem ("Europäisches Rentensiegel") voor deze producten.

Amendement    10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 14

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(14) Het is van belang ervoor te zorgen dat ouderen en gehandicapten niet het gevaar lopen in armoede te geraken en dat zij van een behoorlijke levensstandaard kunnen genieten. Een passende dekking van biometrische risico's in bedrijfspensioenregelingen is een belangrijk aspect van de bestrijding van armoede en onzekerheid bij ouderen. Bij de opzet van een pensioenregeling moeten werknemers en werkgevers of hun respectieve vertegenwoordigers overwegen of het mogelijk is in de pensioenregeling voorzieningen op te nemen ter dekking van het hoge leeftijdsrisico en arbeidsongeschiktheid, alsmede uitkeringen aan nabestaanden die van de verzekeringnemer afhankelijk zijn.

(14) (14) Het is van belang ervoor te zorgen dat landbouwers, thuisblijfmoeders, ouderen en gehandicapten niet het gevaar lopen in armoede te geraken en dat zij van een behoorlijke levensstandaard kunnen genieten, waarbij aandacht moet worden besteed aan de bijzonder moeilijke situatie van oudere vrouwen. Een passende dekking van biometrische risico's in bedrijfspensioenregelingen is een belangrijk aspect van de bestrijding van armoede en onzekerheid bij ouderen. Bij de opzet van een pensioenregeling moeten werknemers en werkgevers of hun respectieve vertegenwoordigers overwegen of het mogelijk is in de pensioenregeling voorzieningen op te nemen ter dekking van het hoge leeftijdsrisico en arbeidsongeschiktheid, opgenomen ouderschapsverlof, alsmede uitkeringen aan nabestaanden die van de verzekeringnemer afhankelijk zijn, waardoor ouderen naar een bejaardentehuis kunnen verhuizen als zij niet meer zelfstandig kunnen wonen.

Amendement    11

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 17

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(17) Ter bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden is vereist dat instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening hun activiteiten beperken tot de activiteiten, en de daarmee verband houdende werkzaamheden, die in deze richtlijn worden genoemd.

(17) Ter bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden is vereist dat instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening hun activiteiten beperken tot de activiteiten, en de daarmee verband houdende werkzaamheden, die in deze richtlijn worden genoemd, en de deelnemers en pensioengerechtigden duidelijke en steekhoudende informatie verstrekken over het garanderen van een goed (risico)beheer.

Amendement    12

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 20

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(20) Instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening verrichten financiële diensten en dragen een grote verantwoordelijkheid voor de verschaffing van bedrijfspensioenuitkeringen en moeten uit dien hoofde aan een aantal minimale prudentiële normen voldoen met betrekking tot hun werkzaamheden en de voorwaarden voor de uitvoering daarvan.

(20) Instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening zijn pensioeninstellingen die – in de eerste plaats – een sociaal doel dienen en een grote verantwoordelijkheid voor de verschaffing van bedrijfspensioenuitkeringen dragen, en moeten uit dien hoofde aan een aantal minimale prudentiële normen voldoen met betrekking tot hun werkzaamheden en de voorwaarden voor de uitvoering daarvan. De sociale functie van instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening en de driehoeksverhouding tussen de werknemer en de werkgever en de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV’s) moeten onverkort worden erkend en ondersteund als leidend beginsel van deze richtlijn. Op collectieve overeenkomsten gebaseerde bedrijfspensioenregelingen met een genderperspectief moeten worden gestimuleerd omdat zij in hoge mate kunnen bijdragen aan de bevordering van gendergelijkheid en het terugdringen van ongelijke pensioenen van mannen en vrouwen.

Amendement    13

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 36

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(36) Sommige risico's kunnen niet worden gereduceerd met behulp van kwantitatieve vereisten die in de technische voorzieningen en financieringsvereisten tot uiting komen, maar kunnen alleen met behulp van governancevereisten naar behoren worden aangepakt. Voor een adequaat risicobeheer is een doeltreffend governancesysteem derhalve van essentieel belang. Dergelijke systemen dienen in verhouding te staan tot de aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden.

(36) Sommige risico's kunnen niet worden gereduceerd met behulp van kwantitatieve vereisten die in de technische voorzieningen en financieringsvereisten tot uiting komen, maar kunnen alleen met behulp van governancevereisten naar behoren worden aangepakt. Voor een adequaat risicobeheer en voor de waarborging van een gelijke bescherming van alle leden van de regeling is een doeltreffend governancesysteem derhalve van essentieel belang. Dergelijke systemen dienen in verhouding te staan tot de aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden.

Amendement    14

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 39

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(39) Alle personen die sleutelfuncties vervullen, moeten deskundig en betrouwbaar zijn. Alleen degenen die (eind)verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van sleutelfuncties, zijn echter tot verplichte kennisgeving aan de bevoegde autoriteit gehouden.

(39) Alle personen die sleutelfuncties vervullen, moeten deskundig en betrouwbaar zijn en een hoge mate van integriteit en genderbewustzijn aan de dag leggen. Alleen degenen die (eind)verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van sleutelfuncties, zijn echter tot verplichte kennisgeving aan de bevoegde autoriteit gehouden.

Amendement    15

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 41

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(41) Het is van essentieel belang dat instellingen hun risicobeheer zodanig verbeteren dat mogelijke kwetsbare punten wat de houdbaarheid van de pensioenregeling betreft, naar behoren kunnen worden onderkend en met de bevoegde autoriteiten kunnen worden besproken. In het kader van hun risicobeheerssysteem dienen de instellingen een risicobeoordeling voor hun met pensioenen verband houdende activiteiten op te stellen. Deze risicobeoordeling moet ook beschikbaar worden gesteld voor de bevoegde autoriteiten. In die beoordeling dienen de instellingen onder meer een kwalitatieve beschrijving te geven van de essentiële elementen die hun financieringspositie overeenkomstig de nationale wetgeving bepalen, de doeltreffendheid van hun risicobeheersysteem en hun vermogen om aan de vereisten inzake de technische voorzieningen te voldoen. In deze risicobeoordeling moeten ook nieuwe of zich aandienende risico's zijn opgenomen, zoals risico's die met klimaatverandering, het gebruik van hulpbronnen of het milieu verband houden.

(41) Het is van essentieel belang dat instellingen hun risicobeheer zodanig verbeteren dat mogelijke kwetsbare punten wat de houdbaarheid van de pensioenregeling betreft, naar behoren kunnen worden onderkend en met de klant en de bevoegde autoriteiten kunnen worden besproken. In het kader van hun risicobeheerssysteem dienen de instellingen een risicobeoordeling voor hun met pensioenen verband houdende activiteiten op te stellen. Deze risicobeoordeling moet ook beschikbaar worden gesteld voor de klant en de bevoegde autoriteiten. In die beoordeling dienen de instellingen onder meer een kwalitatieve beschrijving te geven van de essentiële elementen die hun financieringspositie overeenkomstig de nationale wetgeving bepalen, van de doeltreffendheid van hun risicobeheersysteem en van hun vermogen om aan de vereisten inzake de technische voorzieningen te voldoen, met inbegrip van het vermogen om onderscheid te maken tussen technische bepalingen voor mannen en vrouwen. In deze risicobeoordeling moeten ook nieuwe of zich aandienende risico's zijn opgenomen, zoals risico's die met klimaatverandering, het gebruik van hulpbronnen of het milieu verband houden.

Amendement    16

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 46

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(46) Instellingen moeten duidelijke en adequate inlichtingen aan toekomstige deelnemers, deelnemers en pensioengerechtigden verstrekken ter ondersteuning van hun besluitvorming betreffende hun pensionering en ter verzekering van een grote transparantie in alle verschillende fasen van een regeling, namelijk vóór de deelneming, tijdens de deelneming (met inbegrip van vóór de pensionering) en na de pensionering. Er dient meer bepaald informatie te worden verstrekt over opgebouwde pensioenrechten, verwachte omvang van de pensioenuitkeringen, risico's, garanties en kosten. Ingeval deelnemers een beleggingsrisico dragen, is ook aanvullende informatie over het beleggingsprofiel, eventuele beschikbare opties en in het verleden behaalde resultaten van cruciaal belang.

(46) Instellingen moeten duidelijke en adequate inlichtingen aan toekomstige deelnemers, deelnemers en pensioengerechtigden verstrekken ter ondersteuning van hun besluitvorming betreffende hun pensionering en ter verzekering van een grote transparantie in alle verschillende fasen van een regeling, namelijk vóór de deelneming, tijdens de deelneming (met inbegrip van vóór de pensionering en van perioden waarin niet werd gewerkt of waarin minder uren werden gewerkt) en na de pensionering. Er dient meer bepaald informatie te worden verstrekt over opgebouwde pensioenrechten of verwachte omvang van de pensioenuitkeringen, in vergelijking met andere leden en begunstigden van de regeling, risico's, garanties en kosten. Ingeval deelnemers een beleggingsrisico dragen, moet ook aanvullende informatie over het beleggingsprofiel, eventuele beschikbare opties, in het verleden behaalde en verwachte resultaten, risicoprofielen en kostenstructuren verplicht zijn en in een gemakkelijk te begrijpen vorm worden verstrekt, rekening houdende met de verschillende niveaus van financiële kennis van de leden van de regeling. Duidelijke en adequate inlichtingen verstrekken betekent niet alleen zoveel mogelijk inlichtingen verstrekken, maar ook ervoor zorgen dat deze inlichtingen aan de behoeften van de deelnemer beantwoorden, in overeenstemming zijn met het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, in het bijzonder wat betreft toegankelijkheid en toegang tot informatie, en rekening houden met de financiële kennis van elke persoon. Consumentenvoorlichting en consumentenbescherming zouden door middel van vrijwillige gedragscodes en eventueel een compact en gebruiksvriendelijk EU-certificeringssysteem ("Europäisches Rentensiegel") kort kunnen worden samengevat en leesbaar kunnen worden gemaakt.

Amendement    17

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 47

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(47) Voordat toekomstige deelnemers zich bij een regeling aansluiten, moeten hun alle nodige inlichtingen worden verstrekt opdat zij met kennis van zaken een keuze kunnen maken; het betreft onder meer informatie over uitstapmogelijkheden, bijdragen, kosten en beleggingsmogelijkheden, indien van toepassing.

(47) Voordat toekomstige deelnemers zich bij een regeling aansluiten, moeten hun alle nodige inlichtingen worden verstrekt opdat zij met kennis van zaken een keuze kunnen maken; het betreft onder meer informatie over uitstapmogelijkheden, de gevolgen van carrièreonderbrekingen of deeltijdcontracten, bijdragen, kosten en beleggingsmogelijkheden, indien van toepassing.

Amendement    18

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 49

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(49) Instellingen moeten deelnemers ver genoeg vóór hun pensionering informeren over hun uitbetalingsmogelijkheden. Ingeval de pensioenuitkering niet in de vorm van een levenslange lijfrente wordt uitbetaald, dienen deelnemers van wie de pensionering nadert, informatie over de beschikbare uitkeringsproducten te ontvangen ter vergemakkelijking van de financiële planning voor de pensionering.

(49) Instellingen moeten deelnemers ver genoeg vóór hun pensionering informeren over hun uitbetalingsmogelijkheden. Ingeval de pensioenuitkering niet in de vorm van een levenslange lijfrente wordt uitbetaald, dienen deelnemers van wie de pensionering nadert, duidelijke, op maat gemaakte en genderspecifieke informatie over de beschikbare uitkeringsproducten te ontvangen ter vergemakkelijking van de financiële planning voor de pensionering.

Amendement    19

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 11 - lid 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel en met inachtneming van de omvang van de pensioenvoorzieningen die de socialezekerheidsstelsels bieden kunnen de lidstaten bepalen dat de facultatieve kwestie van de dekking van het hogeleeftijdsrisico en van arbeidsongeschiktheid, de voorzieningen voor nabestaanden en de garantie van terugbetaling van bijdragen als bijkomende voorzieningen worden aangeboden aan de deelnemers als de werkgevers en werknemers, dan wel hun respectieve vertegenwoordigers, zulks overeenkomen.

2. Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel en met inachtneming van de omvang van de pensioenvoorzieningen die de socialezekerheidsstelsels bieden kunnen de lidstaten bepalen dat een nationaal minimumpensioen wordt ingevoerd dat boven de armoedegrens dient te liggen, dat de facultatieve kwestie van de dekking van het hogeleeftijdsrisico en van arbeidsongeschiktheid, de voorzieningen voor nabestaanden en de garantie van terugbetaling van bijdragen als bijkomende voorzieningen worden aangeboden aan de deelnemers als de werkgevers en werknemers, dan wel hun respectieve vertegenwoordigers, zulks overeenkomen.

Amendement    20

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 23 - lid 1 - inleidende formule

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten schrijven voor dat de instellingen erop toezien dat alle personen die de instelling daadwerkelijk besturen of andere sleutelfuncties vervullen, bij de uitvoering van hun taken aan de volgende vereisten voldoen:

De lidstaten schrijven voor dat de instellingen erop toezien dat zij een genderevenwichtig bestuur voeren en dat alle personen die de instelling daadwerkelijk besturen of andere sleutelfuncties vervullen, bij de uitvoering van hun taken aan de volgende vereisten voldoen:

Amendement    21

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 23 - lid 1 - letter b

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(e) ze hebben een goede reputatie en zijn integer (betrouwbaarheidsvereiste).

(b) ze hebben een goede reputatie en zijn integer, en hebben onder meer blijk gegeven van genderbewustzijn (betrouwbaarheidsvereiste).

Amendement    22

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 24 - lid 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2. De instellingen maken periodiek dienstige informatie over het beloningsbeleid openbaar, tenzij anders is bepaald in de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen tot omzetting van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad .

2. De instellingen maken periodiek dienstige informatie over het beloningsbeleid openbaar (waarbij zij gebruikmaken van specifieke indicatoren om beloning beter af te stemmen op deskundig en betrouwbaar bestuur, integriteit en gendergelijkheid), tenzij anders is bepaald in de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen tot omzetting van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad.

Amendement    23

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 24 – lid 3 – letter a – streepje 8

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

- er is sprake van een duidelijke, transparante en doeltreffende governance ten aanzien van het beloningsbeleid en het toezicht daarop.

er is sprake van een duidelijke, transparante, genderbewuste en doeltreffende governance ten aanzien van het beloningsbeleid en het toezicht daarop.

Amendement    24

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 25 - lid 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1. De lidstaten schrijven voor dat instellingen moeten beschikken over een risicobeheerfunctie, een interneauditfunctie en, in voorkomend geval, een actuariële functie. De met elke sleutelfunctie verband houdende rapportagelijnen garanderen dat de sleutelfunctie haar taken op een objectieve, eerlijke en onafhankelijke manier kan vervullen.

1. De lidstaten schrijven voor dat instellingen moeten beschikken over een risicobeheerfunctie, een interne- en externe-auditfunctie en, in voorkomend geval, een actuariële functie. De met elke sleutelfunctie verband houdende rapportagelijnen garanderen dat de sleutelfunctie haar taken op een objectieve, eerlijke, genderneutrale en onafhankelijke manier kan vervullen.

Amendement    25

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 28 - lid 1 - letter c

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(r) zij beoordeelt of er genoeg gegevens worden gebruikt bij de berekening van technische voorzieningen, en zij beoordeelt de kwaliteit van die gegevens;

(c) zij beoordeelt of er genoeg gegevens worden gebruikt bij de berekening van technische voorzieningen, en zij beoordeelt de kwaliteit en gendergevoeligheid van die gegevens;

Amendement    26

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 29 - lid 2 - letter c

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(z) de mogelijkheid om aan de in artikel 14 neergelegde vereisten betreffende de technische voorzieningen te voldoen;

(c) de mogelijkheid om aan de in artikel 14 neergelegde vereisten betreffende de technische voorzieningen te voldoen, zonder indirecte discriminatie van vrouwen in de hand te werken;

Amendement    27

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 38 - lid 2 - letter a

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(tt) zij worden regelmatig bijgewerkt;

(a) zij worden regelmatig bijgewerkt en aangepast aan de behoeften van afzonderlijke leden, om rekening te houden met sekse- en leeftijdgerelateerde verschillen in begrip;

PROCEDURE

Titel

Werkzaamheden van en toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (herschikking)

Document- en procedurenummers

COM(2014)0167 – C7-0112/2014 – 2014/0091(COD)

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

ECON

14.4.2014

 

 

 

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

FEMM

14.4.2014

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Sirpa Pietikäinen

17.10.2014

Behandeling in de commissie

30.3.2015

 

 

 

Datum goedkeuring

6.5.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

25

6

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Maria Arena, Catherine Bearder, Beatriz Becerra Basterrechea, Vilija Blinkevičiūtė, Anna Maria Corazza Bildt, Viorica Dăncilă, Iratxe García Pérez, Anna Hedh, Mary Honeyball, Elisabeth Köstinger, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Angelika Mlinar, Angelika Niebler, Maria Noichl, Marijana Petir, Terry Reintke, Liliana Rodrigues, Jordi Sebastià, Ángela Vallina, Beatrix von Storch, Anna Záborská, Jana Žitňanská, Inês Cristina Zuber

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Stefan Eck, Constance Le Grip, Georg Mayer, Sirpa Pietikäinen, Monika Vana, Julie Ward

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Isabella Adinolfi

PROCEDURE VAN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Titel

Werkzaamheden van en toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (herschikking)

Document- en procedurenummers

COM(2014)0167 – C7-0112/2014 – 2014/0091(COD)

Datum indiening bij EP

19.3.2014

 

 

 

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

ECON

14.4.2014

 

 

 

Medeadviserende commissies

       Datum bekendmaking

EMPL

14.4.2014

JURI

14.4.2014

FEMM

14.4.2014

 

Geen advies

       Datum besluit

JURI

3.9.2014

 

 

 

Rapporteurs

       Datum benoeming

Brian Hayes

22.7.2014

 

 

 

Behandeling in de commissie

14.4.2015

15.9.2015

9.11.2015

 

Datum goedkeuring

25.1.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

47

3

7

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gerolf Annemans, Burkhard Balz, Pervenche Berès, Fabio De Masi, Markus Ferber, Jonás Fernández, Elisa Ferreira, Sven Giegold, Neena Gill, Roberto Gualtieri, Brian Hayes, Gunnar Hökmark, Danuta Maria Hübner, Petr Ježek, Othmar Karas, Georgios Kyrtsos, Werner Langen, Olle Ludvigsson, Ivana Maletić, Notis Marias, Fulvio Martusciello, Costas Mavrides, Bernard Monot, Luděk Niedermayer, Stanisław Ożóg, Dariusz Rosati, Pirkko Ruohonen-Lerner, Molly Scott Cato, Kay Swinburne, Paul Tang, Ernest Urtasun, Marco Valli, Tom Vandenkendelaere, Cora van Nieuwenhuizen, Miguel Viegas, Jakob von Weizsäcker, Pablo Zalba Bidegain, Marco Zanni, Sotirios Zarianopoulos

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Enrique Calvet Chambon, Nessa Childers, Bas Eickhout, Ildikó Gáll-Pelcz, Sophia in ‘t Veld, Ramón Jáuregui Atondo, Eva Kaili, Rina Ronja Kari, Paloma López Bermejo, Thomas Mann, Eva Paunova, Tibor Szanyi, Nils Torvalds, Beatrix von Storch

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Pascal Arimont, Mark Demesmaeker, Theresa Griffin, Marc Tarabella

Datum indiening

28.1.2016

(1)

PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.

(2)

* Amendementen: nieuwe of vervangende tekst staat in vet en cursief, schrappingen zijn met het symbool ▐ aangegeven.

(3)

  Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (PB L 235 van 23.9.2003, blz. 10).

(4)

  Zie bijlage I, deel A.

(5)

PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48.

(6)

 bis Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1).

(7)

  PB L 283 van 28.10.1980, blz. 23.

(8)

  Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).

(9)

  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

(10)

  PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.

(11)

  Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1).

(12)

  Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 284 van 30.10.2009, blz. 1).

(13)

  Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).

(14)

  Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1).

(15)

  Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1).

(16)

  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

(17)

  Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).

(18)

  Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 1).

(19)

  Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).

(20)

  PB:

(21)

PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1.

Juridische mededeling