Procedure : 2015/2285(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0030/2016

Ingediende teksten :

A8-0030/2016

Debatten :

PV 24/02/2016 - 14
CRE 24/02/2016 - 14

Stemmingen :

PV 25/02/2016 - 7.7
CRE 25/02/2016 - 7.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0058

VERSLAG     
PDF 394kWORD 173k
22.2.2016
PE 572.914v02-00 A8-0030/2016

over het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: Jaarlijkse groeianalyse 2016

(2015/2285(INI))

Commissie economische en monetaire zaken

Rapporteur: Maria João Rodrigues

Rapporteurs voor advies (*):

Jean Arthuis, Begrotingscommissie

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 54 van het Reglement

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: Jaarlijkse groeianalyse 2016

(2015/2285(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name artikel 121, lid 2, artikel 136 en artikel 148,

–  gezien artikel 9 VWEU (horizontale sociale clausule),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1175/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid(1),

–  gezien Richtlijn 2011/85/EU van de Raad van 8 november 2011 tot vaststelling van voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1174/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende handhavingsmaatregelen voor de correctie van buitensporige macro-economische onevenwichtigheden in het eurogebied(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1177/2011 van de Raad van 8 november 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1467/97 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1173/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 inzake de effectieve handhaving van het begrotingstoezicht in het eurogebied(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 473/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende gemeenschappelijke voorschriften voor het monitoren en beoordelen van ontwerpbegrotingsplannen en voor het garanderen van de correctie van buitensporige tekorten van de lidstaten van de eurozone(7),

–  gezien Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 21 mei 2013 betreffende de versterking van het economische en budgettaire toezicht op lidstaten in de eurozone die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden ten aanzien van hun financiële stabiliteit(8),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 25-26 maart 2010 en 17 juni 2010 en de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 getiteld "Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien Aanbeveling (EU) 2015/1184 van de Raad van 14 juli 2015 betreffende de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en de Europese Unie(9),

–  gezien Besluit (EU) 2015/1848 van de Raad van 5 oktober 2015 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten voor 2015(10),

–  gezien Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 – het Europees Fonds voor strategische investeringen(11),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 januari 2015 over optimaal benutten van de flexibiliteit binnen de bestaande regels van het stabiliteits- en groeipact (COM(2015)0012),

–  gezien zijn resolutie van 24 juni 2015 over de evaluatie van het kader voor economische governance: balans en uitdagingen(12),

–  gezien het verslag over de voltooiing van de economische en monetaire unie ("verslag van de vijf voorzitters"),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 oktober 2015 getiteld "Stappen naar de voltooiing van de economische en monetaire unie" (COM(2015)0600),

–  gezien het communiqué van de leiders van de G20 tijdens de top van Antalya van 15 en 16 november 2015,

–  gezien de door de diensten van het Internationaal Monetair Fonds opgestelde update van de duurzaamheidsbeoordelingen voor het wederzijdse beoordelingsproces van de G20 betreffende onevenwichtigheden en groei (oktober 2015),

–  gezien het akkoord dat op 12 december 2015 tijdens de COP 21-klimaatconferentie in Parijs is bereikt,

–  gezien de Europese economische najaarsprognose 2015 van de Commissie,

–  gezien de studies en grondige analyses over de coördinatie van het economisch beleid in de eurozone in het kader van het Europees semester die in opdracht van de Commissie economische en monetaire zaken zijn opgesteld (november 2015),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2015 over de jaarlijkse groeianalyse 2016 (COM(2015)0690), het waarschuwingsmechanismeverslag 2016 (COM(2015)0691) en het ontwerp van het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid (COM(2015)0700),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het steunprogramma voor structurele hervormingen voor de periode 2017-2020 en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1303/2013 en (EU) nr. 1305/2013 (COM(2015)0701),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2015 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect(13),

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2015 over de voltooiing van Europa's economische en monetaire unie(14),

–  gezien de aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone,

–  gezien het debat met de vertegenwoordigers van de nationale parlementen over de prioriteiten van het Europees semester van 2016,

–  gezien het verslag van de Commissie van 14 december 2015 over de overheidsfinanciën in de EMU 2015 (institutionele paper 014),

–  gezien het debat met de Commissie in het Europees Parlement over het pakket betreffende het Europees semester – Jaarlijkse groeianalyse 2016,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0030/2016),

A.  overwegende dat het economisch herstel in de Europese Unie op gang is gekomen, maar dat het herstel zwak blijft, nog steeds verschilt tussen en binnen de lidstaten en deels afhangt van tijdelijke en externe factoren, zoals de lage olieprijzen;

B.  overwegende dat sommige lidstaten kampen met het hardnekkige probleem van zeer lage groei;

C.  overwegende dat de wereldwijde economische groei vertraagt, uitgerekend op een ogenblik dat verscheidene opkomende economieën in economische en financiële onrust verkeren, wat leidt tot nieuwe strategische uitdagingen waaraan de Europese Unie zich op de juiste wijze moet aanpassen;

D.  overwegende dat Europa nog steeds met een grote investeringskloof te kampen heeft, waardoor het groeipotentieel van de EU op de langere termijn aanzienlijk verzwakt, terwijl het overschot op de lopende rekening van de eurozone toeneemt; overwegende dat de overheids- en de particuliere schuld in veel landen hoog blijft, hoewel de tekorten op de lopende rekening zijn verminderd; overwegende dat verscheidene lidstaten meer inspanningen moeten doen om belangrijke structurele hervormingen door te voeren;

E.  overwegende dat er in verscheidene lidstaten weliswaar sprake is van een aanzienlijke daling van het tekort op de lopende rekening en van een verlaging van de loonkosten per eenheid product, maar dat de netto buitenlandse schuld als percentage van het bbp in de meeste lidstaten niet is afgenomen;

F.  overwegende dat de arbeidsparticipatie toeneemt, maar nog steeds te laag is om de werkloosheid – met name de jeugdwerkloosheid en de langdurige werkloosheid – en de armoede in aanzienlijke mate te verminderen;

G.  overwegende dat Europa het economische gebied is dat, in vergelijking met zijn concurrenten, het meest afhankelijk is van ingevoerde hulpbronnen; overwegende dat de ontwikkeling van een echte circulaire economie in Europa dus een basisvoorwaarde is voor economische groei in de toekomst;

H.  overwegende dat de crisis van 2008 niet alleen conjunctureel, maar ook structureel van aard was, wat de blijvende gevolgen ervan verklaart;

I.  overwegende dat het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal de hoeksteen vormt voor duurzame economische groei op de interne markt van de Europese Unie;

J.  overwegende dat verscheidene lidstaten door belastingontwijking, belastingontduiking en agressieve fiscale planning miljarden aan potentiële overheidsinkomsten mislopen ten voordele van grote bedrijven, waardoor de basis voor solidariteit tussen landen en eerlijke concurrentie tussen bedrijven wordt ondermijnd;

Beleidsmix

1.  is verheugd over het pakket jaarlijkse groeianalyse 2016 en de voorgestelde beleidsmix van investeringen, structurele hervormingen en budgettaire verantwoordelijkheid, met als doel hogere groeicijfers te bevorderen en het herstel en de opwaartse convergentie in Europa te versterken; benadrukt dat er grote nationale inspanningen op het vlak van effectieve uitvoering van structurele hervormingen, alsook sterkere Europese coördinatie nodig zijn om te komen tot een steviger economisch herstel en duurzame, algemene welvaart;

2.  is ingenomen met de verbetering van de overheidsfinanciën, in het bijzonder de geleidelijk dalende schuld-bbp-verhouding in de EU en de eurozone en de dalende nominale begrotingstekorten; wijst er evenwel op dat de overheidsschuld blijft stijgen in verscheidene lidstaten met een lage nominale bbp-groei en een lage inflatie, en dat negen lidstaten nog steeds onder de buitensporigtekortprocedure vallen; wijst erop dat veel lidstaten weinig budgettaire ruimte hebben om het hoofd te kunnen bieden aan eventuele nieuwe economische schokken, en dat daarom sterkere Europese coördinatie moet worden overwogen om de begrotingsconsolidatie te ondersteunen zonder de groei te belemmeren;

3.  merkt op dat de concurrentiepositie van de Europese Unie in de wereld een belangrijke doelstelling blijft, en wijst op het belang van structurele hervormingen, investeringen in onderzoek en ontwikkeling, efficiënt gebruik van hulpbronnen, productiviteitsverhogende innovatie en vermindering van de macro-economische onevenwichtigheden; is tegelijkertijd van mening dat de verslechtering van de wereldwijde vooruitzichten ertoe noopt de binnenlandse vraag te versterken om de Europese economie veerkrachtiger te maken; maakt zich met name zorgen over een mogelijke vertraging van de wereldwijde vraag;

4.  is van mening dat macro-economische onevenwichtigheden moeten worden aangepakt door een gecoördineerde inspanning van alle lidstaten, voortbouwend op relevante hervormingen en investeringen; benadrukt dat elke lidstaat in dit verband zijn eigen verantwoordelijkheid op zich moet nemen; merkt op dat grote overschotten op de lopende rekening de mogelijkheid van een grotere binnenlandse vraag inhouden; benadrukt dat een grote overheids- en particuliere schuld ons bijzonder kwetsbaar maken en dat een verantwoord begrotingsbeleid en meer groei nodig zijn om die schuld sneller te verminderen;

5.  dringt aan op verdere inspanningen om het herstel te ondersteunen, convergentie in de richting van de best presterende landen te bevorderen en macro-economische onevenwichtigheden te corrigeren, onder meer door de productiviteit te verhogen en investeringen te stimuleren;

6.  vindt de lichte verbetering van de arbeidsmarktindicatoren bemoedigend, maar erkent dat er nog steeds grote verschillen tussen de lidstaten bestaan en dat de werkloosheid onaanvaardbaar hoog blijft; wijst erop dat op de recente verbeteringen moet worden voortgebouwd door ook de kwaliteit van de gecreëerde banen en de productiviteit ervan te verhogen; dringt aan op grotere inspanningen om meer te investeren in vaardigheden, de arbeidsmarkten inclusiever maken, hoogwaardige banen te scheppen en armoede, sociale uitsluiting en toenemende ongelijkheid op het gebied van inkomen en welvaart terug te dringen, zonder evenwel de begrotingsdiscipline los te laten; benadrukt dat werkgelegenheidsindicatoren dezelfde status moeten krijgen als de bestaande indicatoren, teneinde een grondige analyse te kunnen maken en een tweeklassenbenadering te voorkomen, en dat er naar behoren rekening mee moet worden gehouden in het EU-beleid en de richtsnoeren voor de lidstaten;

7.  is ingenomen met de vernieuwing van de geïntegreerde Europa 2020-richtsnoeren en vraagt dat de Europa 2020-strategie een grotere rol krijgt als leidraad voor het Europees semester, overeenkomstig de doelstellingen van het Verdrag en de toepasselijke wetgeving, en dat een herhaling van de staatsschuldencrisis wordt voorkomen; benadrukt het belang van ambitieuze beleidsmaatregelen en instrumenten om ervoor te zorgen dat Europa het beste haalt uit de energietransitie en de digitale transitie, mede dankzij passende investeringen in onderzoek, ontwikkeling, innovatie en vaardigheden, zodat de achterstand van Europa op zijn belangrijkste wereldconcurrenten qua totale factorproductiviteit kleiner wordt; acht het van essentieel belang iets te doen aan economische ongelijkheid, die een belemmering vormt voor langdurige economische groei; vraagt de Commissie milieuvriendelijke belastinghervormingen te vermelden in de landenspecifieke aanbevelingen, ook in de context van budgettaire verantwoordelijkheid; vraagt wat de doelstellingen van de Europa 2020-strategie betreft om consequente en allesomvattende monitoring van de convergentie in de richting van de best presterende landen;

Investeringen

8.  vraagt dat het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) overeenkomstig zijn mandaat optimaal wordt benut om strategische projecten te steunen die anders geen financiering zouden krijgen; vraagt de lidstaten en het EFSI om lokale en regionale overheden nauw bij de ontwikkeling van projectenpijplijnen en investeringsplatformen te betrekken, met behulp van de Europese investeringsadvieshub en het Europees investeringsprojectenportaal; benadrukt ook hoe belangrijk het is synergieën tot stand te brengen tussen het EFSI en de Europese structuur- en investeringsfondsen;

9.  vraagt de Commissie en de lidstaten het potentieel van de Europese structuur- en investeringsfondsen ten volle en in overeenstemming met de Europa 2020-strategie te benutten teneinde de cohesie te versterken en de verschillen op de interne markt te beperken door alle regio's in staat te stellen hun concurrentievoordelen te ontwikkelen en aanvullende particuliere investeringen te vergemakkelijken; is van mening dat deze investeringen ten dienste moeten staan van een samenhangend industriebeleid en dat er bijzondere nadruk moet worden gelegd op het scheppen van hoogwaardige banen, vooral voor jongeren; onderstreept de noodzaak van adequate bestuurlijke capaciteit, een actieve rol voor de regio's en betere coördinatie op en tussen alle overheidsniveaus; vraagt dat mogelijke verdere beleidsmaatregelen worden overwogen om de investeringskloof in de EU te verkleinen;

10.  is zich ervan bewust dat de particuliere sector zijn schulden aan het afbouwen is; benadrukt dat de investeringen in Europa ver onder het peil van vóór de crisis blijven; wijst er in dit verband op hoe belangrijk het is om de bankenunie en de structurele hervorming van het bankwezen spoedig ten uitvoer te leggen, en om kapitaalinvesteringen in kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) te stimuleren door middel van een kapitaalmarktenunie; vraagt dat het EFSI en het Cosme maximaal worden benut om kmo's een betere toegang tot financiering te geven; is van mening dat een grotere voorspelbaarheid van de regelgeving in de interne markt investeerders meer vertrouwen zou geven;

11  benadrukt dat er meer moet worden geïnvesteerd in menselijk kapitaal, met name in onderwijs en innovatie, ook in de context van arbeidsmarkthervormingen; benadrukt dat de nationale stelsels voor onderwijs, beroepsopleiding en levenslang leren moeten worden verbeterd en worden aangepast aan de nieuwe behoeften aan vaardigheden en kennis op de arbeidsmarkt in de EU; onderstreept dat dit alles innovatie zal mogelijk maken als belangrijke motor voor groei, productiviteit en concurrentievermogen; vraagt de lidstaten in dit verband de productiviteit van overheidsinvesteringen te verbeteren;

12.   is ingenomen met de landenspecifieke investeringsprofielen die een aantal van de voornaamste uitdagingen voor investeringen in de verschillende lidstaten in kaart brengen; verzoekt de Commissie en de lidstaten alle bestuursniveaus en belanghebbenden te betrekken bij het signaleren van belemmeringen voor investeringen, met bijzondere aandacht voor de interne markt, zwakke binnenlandse vraag en structurele hervormingen, alsook voor het beschikbaar stellen van passende instrumenten om publieke en private financiering te combineren; wijst op het belang van grote, productieve investeringen voor een duurzame economische inhaalbeweging tussen de lidstaten; merkt op dat in elk land een passend evenwicht moet worden gevonden tussen de lopende uitgaven, de houdbaarheid van de openbare financiën en investeringen in het economische groeipotentieel, en dat er voor de interne markt en Europese instrumenten zoals het EFSI en een belangrijke rol is weggelegd bij het ondersteunen van een gezond niveau van investeringen; benadrukt dat landen met lage overheidsinvesteringen in onderzoek en innovatie het risico lopen in een middeninkomensval vast te blijven zitten;

Structurele hervormingen

13.  is van mening dat, na een lange periode van macro-economische aanpassing, de nadruk moet worden gelegd op structurele hervormingen en investeringen die beogen het groeipotentieel op basis van hoogwaardige banen en productiviteit te versterken, billijke, solide, efficiënte en budgettair houdbare socialezekerheidsstelsels te bevorderen en een duurzame overgang van de economieën van de lidstaten naar een koolstofvrije economie in de hand te werken;

14.  vraagt om een duurzame hervorming van de producten-, diensten- en arbeidsmarkten, alsook in verband met de pensioenregelingen, en om betere regelgeving die innovatie, banencreatie en welvaartsbevorderende, eerlijke concurrentie bevordert zonder de consumentenbescherming te verzwakken;

15.  benadrukt het belang van een efficiënter gebruik van hulpbronnen en energie, onder meer door de ontwikkeling van de circulaire economie; benadrukt dat het belangrijk is te blijven werken aan een echte energie-unie op basis van solidariteit, efficiëntie en diversiteit, zonder binnenlandse energiebronnen, waaronder hernieuwbare energie, uit het oog te verliezen; verzoekt de Commissie deze aandachtspunten in de landenspecifieke aanbevelingen op te nemen waar zij het meest relevant zijn voor het concurrentievermogen en duurzame groei;

16.  vraagt dat er verdere maatregelen worden genomen om het scheppen van hoogwaardige banen te stimuleren en veerkrachtige arbeidsmarkten met minder segmentatie tot stand te brengen; benadrukt het belang van duurzame en doeltreffende socialezekerheidsstelsels; herinnert eraan dat een belangrijke factor om de houdbaarheid van de pensioenstelsels te waarborgen, erin bestaat voor een grote arbeidsparticipatie te zorgen;

17.  benadrukt de noodzaak van moderne, efficiënte, democratische en burgervriendelijke overheidsdiensten op alle bestuursniveaus, en van efficiënte en transparante regels inzake overheidsopdrachten; benadrukt het belang van verdere stappen in de richting van een echte e-administratie in en tussen de lidstaten; verzoekt de Commissie en de lidstaten tekortkomingen in hun respectieve administraties, die in crisissituaties schadelijk kunnen zijn, op te sporen en te corrigeren;

18.  vraagt om een belastingverschuiving met minder belastingen op arbeid, waarover op nationaal niveau moet worden beslist en waarbij de houdbaarheid van de socialebeschermingsstelsels moet worden gewaarborgd;

19.  neemt kennis van het voorstel voor een steunprogramma voor structurele hervormingen, dat is ontworpen om de tenuitvoerlegging van groeibevorderende hervormingen in de lidstaten te versterken, en waarover volgens de gewone wetgevingsprocedure moet worden beslist; herhaalt dat het de lidstaten zijn die verantwoordelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van structurele hervormingen;

Budgettaire verantwoordelijkheid

20.  wijst nogmaals op de noodzaak van een verantwoord, groeivriendelijk begrotingsbeleid, dat de houdbaarheid van de schuld waarborgt en rekening houdt met de economische cyclus en investeringstekorten, maar tegelijkertijd de sociale rechten van de burgers eerbiedigt; herinnert eraan dat de zeer hoge schuldenlast van een aantal lidstaten een substantieel risico vormt in geval van mogelijke toekomstige schokken in de eurozone; benadrukt dat de inspanningen om de veerkracht van de overheidsfinanciën te vergroten en de groei te stimuleren, zullen moeten worden opgevoerd in landen met een hoge schuld-bbp-verhouding, zodat hun schuld duurzaam gaat dalen;

21.  dringt erop aan dat het stabiliteits- en groeipact wordt uitgevoerd en dat volledig gebruik wordt gemaakt van de bestaande flexibiliteitsclausules, overeenkomstig de mededeling van de Commissie van 13 januari 2015 (COM(2015)0012), onder meer om meer investeringen en structurele hervormingen te ondersteunen, alsook om het hoofd te bieden aan veiligheidsdreigingen en de instroom van vluchtelingen;

22.  benadrukt de noodzaak van een betere belastinginning, bestrijding van belastingfraude en belastingontduiking, maatregelen tegen agressieve belastingplanning en belastingparadijzen, en een betere coördinatie van het belastingbeleid binnen de EU; vraagt om efficiënte en transparante belastingstelsels teneinde meer belastingen te innen, belastingontwijking te voorkomen en georganiseerde misdaad te bestrijden; is daarom van mening dat de belasting- en douaneautoriteiten over voldoende personele, materiële en financiële middelen moeten beschikken;

23.  steunt rationele en landenspecifieke inspanningen ter verbetering van de kwaliteit, efficiëntie en groeivriendelijkheid van de overheidsuitgaven, met name door een verschuiving van niet-productieve uitgaven naar groeibevorderende investeringen, maar zonder daarbij essentiële openbare en sociale dienstverlening op de helling te zetten;

Specifieke aandacht voor de eurozone

24.  verwelkomt de aanbeveling over het economisch beleid van de eurozone, die de Commissie zes maanden voor de landenspecifieke aanbevelingen heeft voorgesteld, als een stap in de richting van sterkere beleidscoördinatie als vervolg op het verslag van de vijf voorzitters en de betreffende resoluties van het Europees Parlement;

25.  benadrukt dat de eurozone, gezien haar grote onderlinge afhankelijkheid en haar gemeenschappelijke monetaire beleid, een economische entiteit is waar convergentie in de richting van de best presterende landen moeten worden bevorderd en ondersteund door een sterkere coördinatie van de nationale beleidslijnen; benadrukt hoe belangrijk het is dat alle nationale regeringen in hun lidstaten meer actie ondernemen met het oog op de nodige economische hervormingen en investeringen om macro-economische onevenwichtigheden te verkleinen en negatieve overloopeffecten van nationaal beleid in andere lidstaten te voorkomen; vraagt daarom om een grondige beoordeling van deze macro-economische onevenwichtigheden en overloopeffecten, als aanvulling op de beoordeling van de zwakke punten van elk land en de macro-economische dialoog; dringt aan op volledige coherentie tussen de aanbevelingen voor de eurozone en de landenspecifieke aanbevelingen;

26.  is ingenomen met de toegenomen aandacht voor de begrotingssituatie van de eurozone als geheel, die de aandacht niet afleidt van de verantwoordelijkheden van de afzonderlijke lidstaten; herinnert eraan dat een begrotingstekort in een van de lidstaten niet kan worden gecompenseerd door een begrotingsoverschot in een andere lidstaat wat de buitensporigtekortprocedure betreft; vraagt dat er regelmatig wordt nagegaan of de begrotingssituatie van de eurozone als geheel passend is gezien de bestaande investeringskloof;

27.  steunt de aanbeveling om een onderscheid te maken tussen de budgettaire inspanningen van de afzonderlijke lidstaten, rekening houdend met hun respectieve positie ten aanzien van de vereisten van het stabiliteits- en groeipact en de behoefte aan stabilisatie, alsook overloopeffecten; merkt op dat dit voor veel lidstaten betekent dat naar groeivriendelijke begrotingsconsolidatie moet worden gestreefd; merkt anderzijds op dat sommige landen steeds meer budgettaire ruimte hebben ten aanzien van de vereisten van het stabiliteits- en groeipact, die onder de huidige omstandigheden kan worden gebruikt om de binnenlandse economie te helpen ondersteunen;

28.  merkt op dat het hoge overschot op de lopende rekening van de eurozone weliswaar een welkom teken is van het externe concurrentievermogen van de eurozone, maar dat het niveau ook wijst op een gebrek aan interne investeringen, met nadelige gevolgen voor de groei en de werkgelegenheid; is van mening dat een sterkere binnenlandse vraag zowel voor duurzame groei in de eurozone alsook vanuit mondiaal oogpunt beter zou zijn; realiseert zich dat het overschot op de lopende rekening van sommige lidstaten gepaard gaat met positieve overloopeffecten in de hele de waardeketen, die op verschillende manieren sommige andere lidstaten ten goede kunnen komen; erkent ook dat de eenheidsmunt een rol kan spelen om de meer concurrerende landen te helpen hoge overschotten te handhaven ten opzichte van de rest van de wereld; is verheugd over de bevinding in de winterprognoses 2016 van de Commissie dat de economische groei in sommige lidstaten in 2015 hoofdzakelijk het gevolg was van de binnenlandse vraag; vindt het belangrijk dat de lidstaten met een hoger overschot op de lopende rekening hun binnenlandse vraag blijven uitbreiden in hun eigen belang en in het algemene belang; vraagt tegelijk dat de minder concurrerende lidstaten effectief structurele hervormingen doorvoeren en hoogwaardige investeringen doen om hun economie te moderniseren en een duurzaam ondernemingsklimaat tot stand te brengen voor investeringen op de lange termijn, overeenkomstig de Europa 2020-strategie; meent dat dit de beste manier is om macro-economische onevenwichtigheden in de lidstaten te verminderen, eerder dan interne devaluatie, die de vraag doet afnemen en de economische groei in de hele eurozone doet vertragen;

29.  benadrukt dat echte economische en sociale convergentie moet worden bevorderd door verbeteringen op het vlak van productiviteit en niet-kostenfactoren; onderstreept hoe belangrijk het is dat alle lidstaten effectief structurele hervormingen doorvoeren, de kwaliteit van de overheidsuitgaven verbeteren en over voldoende investeringscapaciteit beschikken om evenwichtige en duurzame groei mogelijk te maken, die ook cruciaal is om de schuld-bbp-verhouding te verlagen; erkent dat hoge overheids- en particuliere schulden het investeringsvermogen aanzienlijk verminderen en zo de groei doen vertragen;

30.  herinnert eraan dat de loonvorming een kwestie van autonome collectieve onderhandelingen is, en vraagt de betrokken actoren te zorgen voor een verantwoorde en groeivriendelijke loonontwikkeling die gepaard gaat met productiviteitsstijgingen; vraagt met name de betrokken actoren in landen waar de lopende rekening een tekort vertoont of bijna in evenwicht is, zich te blijven inspannen om de productiviteit te verhogen en het concurrentievermogen te handhaven; vraagt tegelijk de betrokken actoren in landen met een hoog overschot om de spaaroverschotten te gebruiken om de binnenlandse vraag en investeringen te ondersteunen;

31.  vraagt om maatregelen om een race naar de bodem op het vlak van belastingen en sociale normen te voorkomen, die tot meer ongelijkheid leidt; herinnert aan de noodzaak om het internationale concurrentievermogen te handhaven op basis van productiviteit en opwaartse convergentie; is verheugd dat in het scorebord van macro-economische onevenwichtigheden meer aandacht wordt besteed aan drie werkgelegenheidsgerelateerde indicatoren, en verzoekt de Commissie daar evenveel waarde aan toe te kennen als aan de overige indicatoren; is ook van mening dat de analyse van het bestaande scorebord van sociale en werkgelegenheidsindicatoren en relevante indicatoren voor hulpbronnenefficiëntie naar behoren in aanmerking moet worden genomen in het beleidsadvies;

32.   neemt kennis van de conclusies van de Europese Raad van december 2015 over de economische en monetaire unie en vraagt de Commissie zo spoedig mogelijk te beginnen met de voorbereiding van maatregelen op langere termijn;

Een doeltreffender Europees semester met meer democratische verantwoording

33.  betreurt de gebrekkige uitvoering van landenspecifieke aanbevelingen en is van mening dat voor een betere uitvoering duidelijk omschreven prioriteiten op Europees niveau moeten worden vastgesteld en op nationaal niveau een echt publiek debat en meer politieke wil en engagement moeten worden bevorderd, hetgeen moet leiden tot meer relevantie en nationaal ownership; is in dit verband ingenomen met de bezoeken die leden van de Commissie aan de lidstaten hebben gebracht om het proces van het Europees semester en de bijbehorende documenten te bespreken;

34.  vraagt dat in de landenspecifieke aanbevelingen een juist evenwicht wordt gevonden tussen enerzijds de nadruk leggen op de belangrijkste prioriteiten en anderzijds alle belangrijke uitdagingen aan bod laten komen, zoals de noodzaak om een herhaling van een staatsschuldencrisis te voorkomen en de noodzaak om het concurrentievermogen, de groei en de werkgelegenheid te vergroten, rekening houdend met de doelstellingen van de Europa 2020-strategie;

35.  is ingenomen met het debat met de voorzitters van de Commissie en de Eurogroep over de ontwerpaanbeveling voor de eurozone in de plenaire vergadering van 15 december 2015 en wenst dat dergelijke debatten een regelmatig onderdeel van het Europees semester worden; meent dat dergelijke debatten de bestaande democratische dialoog – met name de economische dialoog – versterken en aanvullen en ertoe bijdragen de uitvoerende macht meer verantwoording te laten afleggen;

36.  onderstreept dat de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad het centrale moment moet blijven waarop beleidsprioriteiten worden vastgesteld; is verheugd dat er, vóór en na de vaststelling van de jaarlijkse groeianalyse, in de plenaire vergadering met de Commissie is gediscussieerd over de prioriteiten daarvan; herinnert eraan dat de vaststelling van het economisch beleid op grond van de aanbeveling van de Raad aan de lidstaten een uitvoeringshandeling is die aan democratische controle door en een debat in het Europees Parlement onderworpen dient te zijn; vraagt de Raad daarom de aanbevelingen voor de eurozone en de conclusies over de jaarlijkse groeianalyse pas goed te keuren nadat het Parlement daarover zijn mening heeft kunnen geven; bevestigt zijn voornemen om deze documenten snel te behandelen en ruim vóór de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad een standpunt in te nemen; is verheugd dat de Voorzitter van het Europees Parlement is uitgenodigd om het standpunt van het Parlement te presenteren op de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad; wijst er voorts op dat in het Verdrag is bepaald dat het Europees Parlement wordt geïnformeerd nadat de Raad aanbevelingen heeft aangenomen alsook over de resultaten van het multilaterale toezicht;

37.  benadrukt hoe belangrijk het is dat de nationale parlementen over de landenverslagen en de landenspecifieke aanbevelingen debatteren en over de nationale hervormingsprogramma's en de nationale convergentie- of stabiliteitsprogramma's stemmen; vraagt de lidstaten om de sociale partners, de lokale en regionale overheden en andere belanghebbenden op structurele wijze bij het proces te betrekken, daarbij profiterend van de vroege openbaarmaking van de landenverslagen; benadrukt de onvervangbare rol van de sociale partners bij de loonvorming en de centrale rol die voor hen is weggelegd bij bredere economische discussies, in het bijzonder wanneer het de bevordering van de productiviteit betreft; vraagt voorts om nauwere samenwerking tussen de nationale parlementen en het Europees Parlement;

38.  vraagt de Commissie onderhandelingen te beginnen over een interinstitutioneel akkoord inzake economische governance; benadrukt dat dit interinstitutioneel akkoord ervoor moet zorgen dat de structuur van het Europees semester, binnen het kader van de Verdragen, zinvol en regelmatig parlementair toezicht op het proces mogelijk maakt, in het bijzonder wat de prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse en de aanbevelingen voor de eurozone betreft;

Begrotingsbeleid

39.  betreurt het ontbreken van een bevredigende hefboom – als gevolg van de beperkte omvang van de EU-begroting – alsmede de onmogelijkheid om het stelsel van eigen middelen van de Unie te wijzigen, en verder het feit dat coherentie ontbreekt tussen de economische prognoses, de prioriteiten van het economisch beleid en de opstelling van de jaar- en meerjarenbegroting;

40.  wijst erop dat de begroting van de EU rechtstreeks bijdraagt aan de verwezenlijking van twee van de drie doelstellingen van de jaarlijkse groeianalyse 2016 (investeringen aanzwengelen, structurele hervormingen doorvoeren, verantwoord begrotingsbeleid voeren dat eerlijk is en in staat is de aangekondigde politieke verplichtingen na te komen); is in dit verband verheugd over het voorstel van de Commissie om EU-middelen te gebruiken voor technische bijstand in het kader van ondersteuning bij structurele hervormingen;

41.  is van mening dat de begroting van de EU verlichting kan helpen bieden voor nationale begrotingen en de inspanningen met het oog op begrotingsconsolidatie kan helpen ondersteunen door de beschikbaarstelling van eigen middelen en door een rationalisering van de uitgaven; is ervan overtuigd dat een grootschaliger beheer van overheidsfinanciën op het niveau van de EU het mogelijk zou maken om schaalvoordelen te verwezenlijken en dus geld te besparen, bijvoorbeeld op diplomatiek en militair terrein, zonder evenwel het beginsel van gedeeld beheer, met name voor de structuurfondsen, ter discussie te stellen;

42.  herinnert eraan dat een tekort op de begroting van de EU onwettig is; stelt vast dat de lidstaten de EU-begroting tot een sluitpost voor hun nationale begrotingen maken;

43.  onderstreept dat een grotere integratie in de eurozone noodzakelijk is om te komen tot voltooiing van de economische en monetaire unie (EMU), en dat de begrotingsunie onmisbaar is voor de goede werking van de euro;

44.  dringt er met betrekking tot de positie van het Parlement ten opzichte van de eurozone en haar begrotingscapaciteit op aan rekening te houden met de conclusies van het initiatiefverslag over de begrotingscapaciteit voor de eurozone, dat in de loop van 2016 zal worden opgesteld;

45.  verzoekt de Commissie om verder te gaan met de herziening van het meerjarig financieel kader zoals overeengekomen in juni 2013 in het kader van het politiek akkoord tussen het Parlement, de Commissie en de Raad; onderstreept dat de ontoereikendheid van het huidig meerjarig financieel kader is gebleken uit de financiële en humanitaire crises die de Europese Unie tussen 2009 en 2014 hebben getroffen; onderstreept bovendien dat het noodzakelijk is om over te gaan tot een grondige hervorming van de financiële programmering van de EU die de doelstellingen, de financiering en de duur van de beschikbare instrumenten samen in aanmerking neemt;

Milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

46.  benadrukt dat het, om de hervorming van de afvalwetgeving en het actieplan voor een circulaire economie ertoe te laten bijdragen de Europese economie om te zetten naar een circulair model, noodzakelijk is om de desbetreffende aanbevelingen op te nemen in het proces van het Europees semester teneinde het concurrentievermogen te vergroten, banen te scheppen en duurzame groei te genereren; beveelt aan de beginselen van de circulaire economie op te nemen in de landenspecifieke aanbevelingen;

47.  benadrukt nogmaals het belang van een fiscaal kader waarin de ontwikkeling van duurzaam beleid wordt beloond en dat uitgaat van het beginsel "de vervuiler betaalt", zodat de juiste signalen worden afgegeven voor investeringen in hulpbronnenefficiëntie, de modernisering van productieprocessen en de vervaardiging van beter recycleerbare en duurzame producten; pleit andermaal voor de geleidelijke afschaffing van subsidies die schadelijk zijn voor het milieu en voor een verschuiving van de belasting op arbeid naar een belasting op milieuvervuiling;

48.  acht het belangrijk om in het kader van het Europees semester de functionering en duurzaamheid van gezondheidszorgstelsels te evalueren en is er voorstander van een op de resultaten daarvan gebaseerde benadering te volgen en nadruk te leggen op ziektepreventie en gezondheidsbevordering; dringt er bij de Commissie op aan instrumenten te ontwikkelen om, in samenwerking met alle belanghebbenden, gezondheidsresultaten te monitoren, de toegang tot kwalitatief hoogstaande gezondheidszorg te meten en transparantie van de kosten van medisch onderzoek te bevorderen, teneinde de sociale divergentie en ongelijkheid binnen en tussen de lidstaten op het gebied van gezondheidszorg te verminderen; dringt er bij de Commissie op aan om in de landenspecifieke aanbevelingen rekening te houden met de langetermijngevolgen op het gebied van gezondheid en overheidsfinanciën van maatregelen die zijn gericht op preventieprogramma's;

49.  benadrukt het belang van duurzaamheid in de zorgsector, die met 8 % van de Europese beroepsbevolking en 10 % van het bbp in de EU een belangrijke rol in de economie als geheel vervult, en wijst eveneens op het belang van gelijke toegang tot gezondheidsdiensten voor alle burgers, omdat gezondheid een essentiële factor vormt voor de stabiliteit, duurzaamheid en de verdere ontwikkeling van de lidstaten en hun economie;

Regionaal beleid

50.  wijst op het belang van EU-investeringen voor de minder ontwikkelde regio's en benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat die verdere investeringen kunnen aantrekken en zo de economische, sociale en territoriale samenhang versterken;

51.  wijst op de banden tussen de doelstellingen van het Europees semester en de programmering van de ESI-fondsen 2014-2020, die tot uiting komen in de partnerschapsovereenkomsten; is derhalve van mening dat de instrumenten van het cohesiebeleid ingevolge de hervorming 2014-2020 een uiterst belangrijke rol kunnen spelen bij de ondersteuning van de uitvoering van de relevante landenspecifieke aanbevelingen en zo de structurele hervormingen ondersteunen en bijdragen aan de verwezenlijking van de strategische doelen van de EU en de doeltreffende uitvoering van de partnerschapsovereenkomsten; benadrukt evenwel dat de programma's en doelstellingen in het kader van de ESI-fondsen een meerjarig en langetermijnkarakter hebben, wat botst met de jaarcyclus van het Europees semester, en wijst op de noodzaak van coördinatie tussen de prioriteiten van de Unie en nationale, regionale en lokale behoeften;

o

o  o

52.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen van de lidstaten, de nationale parlementen en de Europese Centrale Bank.

TOELICHTING

Dit verslag vormt de bijdrage van het Europees Parlement aan de vaststelling van de economische prioriteiten voor het Europees semester 2016 voor de coördinatie van het economisch beleid, als antwoord op de jaarlijkse groeianalyse van de Commissie en de daarmee verband houdende documenten, waaronder een ontwerpaanbeveling voor het economisch beleid van de eurozone. Tegelijk worden ook verslagen over de werkgelegenheids- en sociale aspecten en de internemarktaspecten van het Europees semester opgesteld. Alle drie de verslagen zullen met de Commissie en de Raad worden besproken ter voorbereiding van de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad.

Deze discussie moet op dusdanige wijze door de instellingen worden opgezet en gevoerd dat de Europese economische governance er democratischer door wordt, in afwachting van een interinstitutioneel akkoord waarom in het verslag van de vijf voorzitters wordt gevraagd(15).

Het onderhavige verslag heeft tot doel een debat op Europees niveau te stimuleren, waarbij ook de nationale parlementen, de sociale partners en het maatschappelijk middenveld worden betrokken, over drie belangrijke vragen:

•  welke combinatie van budgettair, monetair en structureel beleid moet de Europese Unie de komende 12-18 maanden voeren?

•  hoe moet de beleidscoördinatie op het niveau van de eurozone worden versterkt?

•  hoe kan de besluitvorming over de prioriteiten en aanbevelingen van het Europees semester democratischer worden gemaakt en hoe kan ervoor worden gezorgd dat de aanbevelingen vollediger worden uitgevoerd?

Een nieuw evenwicht in de beleidsmix met het oog op een sterker herstel

De Europese Unie herstelt van een lange economische crisis, die ernstige sociale ontbering heeft veroorzaakt en het economische groeipotentieel heeft verzwakt. Tegelijkertijd wordt de EU geconfronteerd met nieuwe uitdagingen, met name de dreiging van terroristische aanslagen, geopolitieke instabiliteit in de buurlanden en een ongekend grote toestroom van asielzoekers. Om haar politieke legitimiteit te waarborgen, moet de EU de middelen ontwikkelen om deze uitdagingen aan te pakken.

De burgers verlangen naar een sterker economisch herstel, dat hoogwaardige banen helpt scheppen en opnieuw gelijke kansen biedt. Allemaal willen we ook in een schoon milieu leven en profiteren van de mogelijkheden die de digitale revolutie en andere technologische innovaties bieden. We staan echter voor grote uitdagingen op lange termijn, zoals de klimaatverandering, robotisering, versnippering van werktaken, demografische veranderingen en een gestage verschuiving naar een multipolaire wereld.

De mix van economische beleidsmaatregelen die de EU, de eurozone en de afzonderlijke lidstaten in 2016 moeten uitvoeren, moet het recente economisch herstel versterken, structurele uitdagingen aanpakken en bijdragen aan een langetermijnstrategie voor duurzame groei. De Europa 2020-strategie(16) is aan een tussentijdse evaluatie onderworpen en is door het Europees Parlement(17) en de Commissie(18) herbevestigd als algemeen kader voor de ontwikkeling van slimme, duurzame en inclusieve groei in Europa. Ook de bijbehorende geïntegreerde richtsnoeren zijn eerder dit jaar vernieuwd.

Deze strategie kan slechts zinvol en realistisch zijn als de in het kader van het Europees semester overeengekomen prioriteiten en aanbevelingen er volledig mee stroken en op de uitvoering ervan gericht zijn.

In het eerste deel van dit verslag wordt de exacte inhoud van de mix van economisch beleid omschreven. Gezien de huidige economische omstandigheden is de rapporteur van mening dat de "virtueuze driehoek" van investeringen, budgettaire verantwoordelijkheid en structurele hervormingen, die door de Commissie wordt bepleit, moet worden uitgebreid tot een "solide vierkant", met de binnenlandse vraag als vierde onderdeel.

Om de binnenlandse vraag te versterken, moeten zowel de particuliere als de publieke sector meer gaan investeren, bovenop het investeringsplan voor Europa dat de Commissie in 2014 heeft gepresenteerd. De langzame schuldafbouw maakt nieuwe investeringen moeilijk, omdat veel regeringen, financiële instellingen, bedrijven en huishoudens zich vooral bezighouden met het verminderen van hun oude schulden, wat natuurlijk moeilijker is in een context van lage groei en lage inflatie. Daarom moet vooral worden onderzocht hoe de schuldafbouw kan worden versneld en hoe er verstandige nieuwe investeringen kunnen worden gedaan ter ondersteuning van duurzame en inclusieve groei. In dit verband zijn ook een efficiënt regelgevingsklimaat en goed functionerende overheidsdiensten van belang.

Van groot belang is dat de binnenlandse vraag op korte termijn en het groeipotentieel op langere termijn sterker zouden kunnen worden als de huidige welvaart breder werd gedeeld, met kleinere verschillen in inkomen en vermogen. De OESO, het IMF en andere instellingen hebben de afgelopen jaren herhaaldelijk gesteld dat herverdelingsbeleid van belang is voor duurzame groei, ook uit een louter economisch oogpunt.

Het bevorderen van het groeipotentieel door het verminderen van ongelijkheid strookt met het beginsel van budgettaire verantwoordelijkheid en impliceert – aan de ontvangstenzijde – een effectievere de belastinginning en voorkoming van belastingontwijking, alsook een progressieve inkomstenbelasting en een grotere verschuiving van belastingen op arbeid naar belastingen op vermogen, vermogenswinst, financiële transacties en verontreiniging. Dit moet worden gecombineerd met efficiënte overheidsuitgaven, met name voor hoogwaardige sociale investeringen zoals onderwijs, kinderopvang, gezondheidszorg en adequate sociale bescherming die mensen hun leven lang empowert. Ook de ontwikkeling van infrastructuur, investeringen in energie-efficiëntie en start-ups moeten overheidssteun krijgen.

Voorts moet onze invulling van "structurele hervormingen" evolueren naar gelang van de opgedane ervaringen en de toekomstige uitdagingen. Het begrip "structurele hervormingen" werd lange tijd vooral geassocieerd met het beperken van de rol van de staat in de economie en het flexibeler maken van de markten. Helaas heeft dit niet altijd tot meer productiviteit geleid, en heeft het tegelijkertijd bijgedragen aan deflatoire druk en toenemende ongelijkheid.

Het is nu tijd om over te schakelen naar een "tweede generatie" structurele hervormingen, die vooral tot doel hebben het groeipotentieel te versterken door een hogere werkgelegenheid en productiviteit, billijke en duurzame socialezekerheidsstelsels te bevorderen, en de sociale ongelijkheid te verminderen om opnieuw gelijke kansen te bieden. Ook in het voorgestelde nieuwe steunprogramma voor structurele hervormingen moet daarmee rekening worden gehouden.

Versterking van de governance van de EMU met het oog op stabiliteit en convergentie

Sinds de crisis in 2010 uitbrak, hebben de regeringen en de instellingen van de EU belangrijke maatregelen getroffen om de integriteit van de eurozone te vrijwaren, maar er moet nog veel meer worden gedaan om de veerkracht van onze economische en monetaire unie te vergroten, zoals in het verslag van de vijf voorzitters wordt uiteengezet. Een belangrijk aspect is nauwere coördinatie van het economisch en sociaal beleid in de eurozone. Dit vereist om te beginnen een grondig inzicht in de begrotingssituatie van de eurozone in haar geheel en een totaalbeeld van de macro-economische en macrosociale onevenwichtigheden. In dit verband is het positief dat de ontwerpaanbeveling over het economisch beleid van de eurozone vroeg is gepresenteerd.

In haar algehele beoordeling van de ontwerpbegrotingsplannen van de eurozone voor 2016 komt de Commissie tot de conclusie dat, door het evenwicht tussen de doelstellingen van schuldhoudbaarheid en anticyclische economische stabilisatie, "de zo goed als neutrale, geaggregeerde begrotingskoers van de eurozone die voor volgend jaar wordt verwacht, min of meer passend [lijkt] als ook rekening wordt gehouden met de historisch lage rente en met het hoge externe overschot, dat erop wijst dat de vraag tot op zekere hoogte moet worden ondersteund." Tegelijk wijst de Commissie erop dat [bepaalde] "lidstaten zich nog onvoldoende richten op benutting van de beschikbare budgettaire ruimte"(19).

Wat de macro-economische onevenwichtigheden betreft, wordt in het waarschuwingsmechanismeverslag 2016 opgemerkt dat het overschot op de lopende rekening van de eurozone in 2015 op ongeveer 390 miljard EUR wordt geraamd, d.w.z. 3,7 % van het bbp. Dit wordt beschouwd als "hoger dan hetgeen de fundamentele economische kenmerken impliceren", wat wijst op "economische inefficiëntie en zwakke binnenlandse vraag". Volgens de Commissie moet de verhouding tussen besparingen en investeringen in de eurozone grosso modo in evenwicht zijn, maar wijst het overschot op de lopende rekening op spaaroverschotten die niet naar de binnenlandse economie worden geleid. In het tweede kwartaal van 2015 bedroeg de verhouding investeringen/bbp in de eurozone 19,8 %, wat aanzienlijk lager is dan het gemiddelde over de periode 1998-2007, namelijk 22,1 %(20).

Volgens de rapporteur blijkt uit deze analyse duidelijk dat er meer moet worden geïnvesteerd, met name gelet op de lage rentetarieven. Gezien de hoge publieke en particuliere schuldenlast is het cruciaal dat deze investeringen duurzaam zijn. Duidelijke investeringskloven moeten worden gedicht om te voorkomen dat nuttig bestaand kapitaal (vaste activa en menselijk kapitaal) achteruitgaat, en nieuwe investeringen moeten zorgvuldig worden gepland, met nadruk op innovatie, hulpbronnenefficiëntie, hoogwaardig onderwijs en het scheppen van kwalitatief hoogwaardige banen.

De eurozone staat echter voor een paradoxale situatie: de landen met de grootste budgettaire manoeuvreerruimte behoren tot de landen die het beste presteren qua productie en werkgelegenheid, waardoor hun begrotingsmultipliers relatief lager zijn, hetgeen deels verklaart waarom zij aarzelen om hun overheidsinvesteringen te verhogen. Anderzijds beschikken landen met grotere begrotingsmultipliers (die samenhangen met lage groei, hoge werkloosheid en grote investeringskloven) over weinig budgettaire manoeuvreerruimte, door de regels van het stabiliteits- en groeipact en de reeds bestaande overheidsschuld. Dit beperkt in grote mate de vooruitzichten op echte economische convergentie en op verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag inzake evenwichtige en duurzame groei.

Een sleutel om deze paradox op te lossen, is waarschijnlijk meer bereidwilligheid van de landen die over budgettaire manoeuvreerruimte beschikken, om daar volop gebruik van te maken, rekening houdend met de positieve gevolgen voor de eurozone als geheel. Een andere sleutel is de andere landen betere financiële voorwaarden bieden om te investeren, te hervormen en te convergeren, door de voltooiing van de bankenunie en de ontwikkeling van instrumenten voor een aanvullende begrotingscapaciteit.

Versterking van de democratie met het oog op meer verantwoording, relevantie en doeltreffendheid

Het Europees semester 2016 is opgedeeld in een Europees deel, met als hoogtepunt de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad, en een nationaal deel, dat begint met de publicatie van de landenverslagen. De prioriteiten en aanbevelingen zullen slechts relevant zijn, worden aanvaard en worden uitgevoerd als er op beide niveaus een grondig democratisch debat wordt gevoerd en als de sociale partners daar nauw bij worden betrokken.

In de praktijk houdt dit met name in dat het Europees Parlement met de Commissie en de voorzitter van de Eurogroep het debat moet aangaan over de ontwerpaanbeveling voor de eurozone, en dat het Parlement en de Raad nauwer overleg moeten plegen alvorens de Raad deze aanbeveling en zijn conclusies over het pakket jaarlijkse groeianalyse goedkeurt. Ook het gezamenlijke debat van de Europese en nationale parlementsleden met de Commissie op 16 en 17 februari 2016 is een belangrijk moment. Ook het Europees Parlement neemt aan het semester deel met debatten voor en na de presentatie van de jaarlijkse groeianalyse en voor en na de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad, en met een definitieve beoordeling van de uitvoering van het Europees semester.

Op nationaal niveau zullen de grondige parlementaire debatten met leden van de Commissie en de nationale regeringen van groot belang zijn. Deze gaan over de aanbevelingen voor de eurozone (indien van toepassing), de conclusies van de Europese Raad, de landenverslagen van de Commissie en de landenspecifieke aanbevelingen. Dat de nationale parlementen over de nationale hervormingsprogramma's en de stabiliteits- of convergentieprogramma's debatteren en stemmen, is eveneens een good practice die moet worden uitgebreid.

De nieuwe organen die de Commissie naar aanleiding van het verslag van de vijf voorzitters voorstelt, namelijk de nationale comités voor het concurrentievermogen en het adviserend Europees Begrotingscomité, zullen naar verwachting in de loop van 2016 worden opgericht en mogelijk al bij het lopende Europees semester worden betrokken.

De rapporteur hoopt dat alle actoren actief aan het Europees semester 2016 zullen deelnemen met het oog op een sterker economisch herstel en een Europese sociale markteconomie die weerbaarder is tegen schokken en structurele uitdagingen, zodat wordt aangetoond dat de Europese democratie werkt en in staat is om duurzame welvaart te scheppen en die door zoveel mogelijk mensen wordt gedeeld.

15.2.2016

ADVIES van de Begrotingscommissie (*)

aan de Commissie economische en monetaire zaken

inzake het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: jaarlijkse groeianalyse 2016

(2015/2285(INI))

Rapporteur voor advies (*): Jean Arthuis

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 54 van het Reglement

SUGGESTIES

De Begrotingscommissie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  betreurt de geringe parlementaire dimensie van het Europees semester en dat de voorstellen in dit verband in het verslag van de vijf voorzitters zo weinig ambitieus zijn; vindt het betreurenswaardig dat de eerste jaarlijkse groeianalyse ingevolge dit verslag nog altijd niet de vorm aanneemt van een tekst die onder de gewone wetgevingsprocedure valt, hetgeen de wens is van het Parlement;

2.  is van mening dat de Europese Unie geen ander economisch beleid heeft dan de optelsom van nationale beleidsmaatregelen; veroordeelt het ontbreken van een gemeenschappelijke strategische visie en het onvermogen om sectorspecifieke industriemaatregelen te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen; dringt, gezien de wezenlijke verschillen tussen de lidstaten op economisch, sociaal en politiek vlak, aan op een gemeenschappelijk economisch beleid; betreurt het ontbreken van een bevredigende 'hefboom' - als gevolg van de beperkte omvang van de EU-begroting- alsmede de onmogelijkheid om het stelsel van eigen middelen van de Unie te wijzigen, en verder het feit dat coherentie ontbreekt tussen de economische prognoses, de prioriteiten van het economisch beleid en de opstelling van de jaar- en meerjarenbegroting;

3.  herinnert aan het belang van de Europese Structuur- en Investeringsfondsen (ESIF's) en van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) voor de verwezenlijking van de Europa 2020-doelstellingen, en onderstreept dat een betere koppeling tot stand moet worden gebracht tussen de implementatie van de landenspecifieke aanbevelingen enerzijds en de ESIF's anderzijds, teneinde de besteding van de EU-middelen in de lidstaten doeltreffender te maken en de structurele hervormingen effectiever te ondersteunen, waarmee de lidstaten uiteindelijk beter weerstand zullen kunnen bieden aan crises;

4.  wijst erop dat de begroting van de EU rechtstreeks bijdraagt aan de verwezenlijking van twee van de drie doelstellingen van de jaarlijkse groeianalyse 2016 (investeringen aanzwengelen, structurele hervormingen doorvoeren, verantwoord begrotingsbeleid voeren dat eerlijk is en in staat is de aangekondigde politieke verplichtingen na te komen); is in dit verband verheugd over het voorstel van de Commissie om EU-middelen te gebruiken voor technische bijstand in het kader van ondersteuning bij structurele hervormingen;

5.  is van mening dat de begroting van de EU verlichting kan helpen bieden voor nationale begrotingen en de inspanningen met het oog op begrotingsconsolidatie kan helpen ondersteunen door de beschikbaarstelling van eigen middelen en door een rationalisering van de uitgaven; is ervan overtuigd dat een grootschaliger beheer van overheidsfinanciën op het niveau van de EU het mogelijk zou maken om schaalvoordelen te verwezenlijken en dus geld te besparen, bijvoorbeeld op diplomatiek en militair terrein, zonder evenwel het beginsel van gedeeld beheer, met name voor de Structuurfondsen, ter discussie te stellen;

6.  herinnert eraan dat een tekort op de begroting van de Unie onwettig is; stelt vast dat de lidstaten de EU-begroting tot een sluitpost voor hun nationale begrotingen maken;

7.  onderstreept dat een grotere integratie in de eurozone noodzakelijk is om te komen tot voltooiing van de economische en monetaire unie (EMU), en dat de begrotingsunie onmisbaar is voor de goede werking van de euro;

8.  dringt erop aan dat de eurozone maatregelen treft om de begrotingsintegratie van de EMU verder uit te diepen, teneinde asymmetrische schokken te bestrijden door nationale hervormingsinspanningen te steunen; onderstreept dat elk instrument of governancestructuur die met het oog hierop wordt ontwikkeld volledig in de Verdragen geïntegreerd en aan democratische controle onderworpen moet zijn, en dat er geen sprake mag zijn van overlapping met en/of vervanging van de taak en de rol van de algemene begroting van de EU zoals bedoeld in de Verdragen;

9.  dringt er met betrekking tot de positie van het Parlement ten opzichte van de eurozone en haar begrotingscapaciteit op aan rekening te houden met de conclusies van het initiatiefverslag over de begrotingscapaciteit voor de eurozone, dat in de loop van 2016 zal worden opgesteld;

10.  dringt aan op de totstandbrenging van synergie (een beleidsmix) tussen het begrotingsbeleid en het monetair beleid, teneinde de duurzame groei en het scheppen van fatsoenlijke banen te bevorderen;

11.  herinnert eraan dat het investeringsplan voor Europa, dat wordt gefinancierd uit het EFSI, bedoeld is voor de financiering van investeringen met een hoog risico, die niet mogelijk zouden zijn zonder de risicodekking van het EFSI; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat alleen projecten met een hoog risico die aan het additionaliteitsbeginsel voldoen financieringssteun van het EFSI ontvangen; onderstreept in dit opzicht dat het Parlement de projecten evenals hun hefboomeffect zal evalueren om ervoor te zorgen dat het EFSI-garantiefonds op passende wijze wordt gebruikt in de EU-begroting;

12.  verzoekt de Europese Commissie om verder te gaan met de herziening van het meerjarig financieel kader zoals overeengekomen in juni 2013 in het kader van het politiek akkoord tussen het Parlement, de Commissie en de Raad; onderstreept dat de ontoereikendheid van het huidig meerjarig financieel kader is gebleken uit de financiële en humanitaire crises die de Europese Unie tussen 2009 en 2014 hebben getroffen; onderstreept bovendien dat het noodzakelijk is om over te gaan op een grondige hervorming van de financiële programmering van de Unie die de doelstellingen, de financiering en de duur van de beschikbare instrumenten samen in aanmerking neemt.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

15.2.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

17

8

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jean Arthuis, Reimer Böge, Lefteris Christoforou, Gérard Deprez, Eider Gardiazabal Rubial, Jens Geier, Monika Hohlmeier, Bernd Kölmel, Vladimír Maňka, Clare Moody, Siegfried Mureşan, Liadh Ní Riada, Younous Omarjee, Paul Rübig, Patricija Šulin, Eleftherios Synadinos, Indrek Tarand, Isabelle Thomas, Monika Vana, Marco Zanni

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Stanisław Ożóg, Andrej Plenković, Pavel Poc, Marco Valli, Tomáš Zdechovský

22.1.2016

ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

aan de Commissie economische en monetaire zaken

inzake Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: Jaarlijkse groeianalyse 2016

(2015/2285(INI))

Rapporteur voor advies: Andrey Kovatchev

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  brengt in herinnering dat het proces van het Europees Semester is ingevoerd om de Europa 2020-doelstellingen voor slimme, duurzame en inclusieve groei te verwezenlijken; dringt er in dit verband bij de Commissie op aan om de herziene Europa 2020-strategie krachtiger in het Europees Semester te integreren en de doelstellingen op het gebied van milieu en volksgezondheid een centrale plaats in het proces te geven, gezien de aanzienlijke mogelijkheden voor groei, investeringen en het creëren van werkgelegenheid op deze terreinen en hun bijdrage aan de bredere doelstellingen van de strategie, namelijk zorgen voor een terugkeer naar hogere groeipercentages in de lidstaten en verdere stappen in de richting van de ontwikkeling van duurzame samenlevingen;

2.  onderstreept dat het vergroenen van de economie en investeringen in efficiëntere gezondheidszorgstelsels zullen bijdragen tot herstel van het concurrentievermogen van de Europese economie, de energievoorzieningszekerheid zullen vergroten, de gezondheid en het welzijn van de Europese burgers zullen verbeteren en kwaliteitsbanen zullen creëren; wijst er in dit verband op dat rekening moet worden gehouden met zowel de kortetermijngevolgen voor de overheidsfinanciën, als de milieu-, economische en sociale effecten op de lange termijn van structurele hervormingen, alsook met de doelstelling van efficiëntere coördinatie tussen verschillende beleidsterreinen; roept met het oog hierop op tot een grotere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld; brengt in herinnering dat gezondheidsuitgaven een investering vormen in gezondere, veiligere, productievere en meer concurrerende samenlevingen;

3.  stelt vast dat diverse projecten waaraan financiering met middelen van het Europees Fonds voor strategische investeringen zal worden toegekend, gericht zijn op infrastructuur en innovatie in de sectoren milieu en gezondheid; onderstreept dat het belangrijk is het volledige potentieel van het investeringsplan te benutten, teneinde de structurele hervormingen te helpen doorvoeren die nodig zijn om onze economie groen, duurzaam en hulpbronnenefficiënt te maken, hetgeen banen en groei moet opleveren; verzoekt de Commissie de voortgang bij de investeringen van het Europees Fonds voor strategische investeringen nauwlettend te volgen, teneinde de beleidsdoelstellingen te realiseren met betrekking tot het opnieuw aanzwengelen van investeringen, de modernisering van de economie, en de bevordering van economische en sociale convergentie in de gehele EU;

4.  onderstreept dat het Europees Semester een van de instrumenten is voor het mainstreamen en integreren van milieuoverwegingen in andere relevante beleidsterreinen, in overeenstemming met de aanpak zoals bedoeld in artikel 11 VWEU; herhaalt derhalve dat de milieudimensie, net als de economische en de sociale dimensie, een volwaardige rol in het proces van het Europees Semester moet spelen, teneinde ervoor te zorgen dat de lidstaten weer hogere groeipercentages bereiken en zich tegelijkertijd blijven ontwikkelen in de richting van duurzame samenlevingen;

5.  beklemtoont dat de ministers van Milieu en van Volksgezondheid van de EU op het niveau van de Raad nauwer bij het proces van het Europees Semester betrokken moeten worden;

6.  wijst erop dat de lidstaten actie moeten ondernemen om de werkgelegenheid te stimuleren door het potentieel van de groene economie te benutten; verzoekt de Commissie het Europees Semester te gebruiken om investeringen in onderwijs en opleidingen met betrekking tot groene banen te stimuleren en bij te dragen tot de inspanningen om groene werkgelegenheid te scheppen en milieuvoetafdrukken te beperken, om zo de overgang naar een daadwerkelijk duurzame economie te bevorderen;

7.  benadrukt dat het, om de hervorming van de afvalwetgeving en het actieplan voor een circulaire economie ertoe te laten bijdragen de Europese economie om te zetten naar een circulair model, noodzakelijk is om de desbetreffende aanbevelingen op te nemen in het proces van het Europees Semester teneinde het concurrentievermogen te vergroten, banen te scheppen en duurzame groei te genereren; beveelt aan de beginselen van de circulaire economie op te nemen in de landenspecifieke aanbevelingen;

8.  vindt het belangrijk dat de overgang naar een nieuw economisch model op basis van een circulaire economie en geïnspireerd op de universeel toepasselijke doelstellingen voor duurzame ontwikkeling op passende wijze tot uitdrukking komt in de prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse en de landenspecifieke aanbevelingen;

9.  benadrukt nogmaals het belang van een fiscaal kader waarin de ontwikkeling van duurzaam beleid wordt beloond en dat uitgaat van het beginsel 'de vervuiler betaalt', zodat de juiste signalen worden afgegeven voor investeringen in hulpbronnenefficiëntie, de modernisering van productieprocessen en de vervaardiging van beter recycleerbare en duurzame producten; pleit andermaal voor de geleidelijke afschaffing van subsidies die schadelijk zijn voor het milieu en voor een verschuiving van de belasting op arbeid naar een belasting op milieuvervuiling;

10.  benadrukt dat vermindering van de afhankelijkheid van externe hulpbronnen en energie en een overstap van fossiele brandstoffen op hernieuwbare energie van cruciaal belang zijn om groei op lange termijn mogelijk te maken en bij zullen dragen tot versterking van het concurrentievermogen van de EU; wijst met klem op de economische voordelen van grotere inspanningen op dit vlak; onderstreept dat obstakels voor de interne energiemarkt moeten worden weggenomen door diversifiëring van de externe energievoorziening, modernisering van de energie-infrastructuur van de EU, investeringen in meer energie-interconnecties en hernieuwbare energiebronnen, en door de interne energiemarkt van de EU te voltooien, als prioriteiten van de EU-strategie voor de energie-unie; is van oordeel dat het Europees Semester eveneens verslaglegging over hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en interconnectiviteit moet omvatten aan de hand van bindende, in de EU-wetgeving vastgelegde doelstellingen;

11.  dringt er bij de Commissie op aan het Europees Semester te gebruiken als instrument om de EU-verplichtingen te vervullen die voortvloeien uit de 2030 Agenda voor duurzame ontwikkeling, en in het proces met name beleidslijnen en doeltreffende maatregelen op te nemen op het gebied van klimaatverandering, duurzame productie en consumptie, voedselveiligheid, voeding en biodiversiteit;

12.  onderstreept dat de tussentijdse toetsing van de Europa 2020-strategie en het Europees Semester nauw moet aansluiten bij de nieuwe agenda voor duurzame ontwikkeling; herhaalt dat het belangrijk is bij de planning in de EU verder te kijken dan 2020 daar waar het gaat om de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, door een geïntegreerde strategie voor een duurzaam Europa in een geglobaliseerde wereld tot ten minste 2030 vast te stellen;

13.  is ingenomen met de hernieuwde aandacht van de Commissie voor het bevorderen van opwaartse economische en sociale convergentie door middel van de geleidelijke introductie van benchmarks en onderlinge vergelijkingen die beleids- en thematische gebieden overschrijden, en is van oordeel dat dit ertoe kan bijdragen dat de Europese economie beter bestand is tegen toekomstige crises; spoort de Commissie aan in het proces van het Europees Semester beter gebruik te maken van sociale, milieu-, en gezondheidsindicatoren om de convergentie in de hele EU te beoordelen; dringt derhalve aan op significante investeringen in onderzoek naar en innovatie op het vlak van milieugezondheid;

14.  acht het belangrijk om in het kader van het Europees Semester de functionering en duurzaamheid van gezondheidszorgstelsels te evalueren en is er voorstander van een op de resultaten daarvan gebaseerde benadering te volgen en nadruk te leggen op ziektepreventie en gezondheidsbevordering; dringt er bij de Commissie op aan instrumenten te ontwikkelen om, in samenwerking met alle belanghebbenden, gezondheidsresultaten te monitoren, de toegang tot kwalitatief hoogstaande gezondheidszorg te meten en transparantie van de kosten van medisch onderzoek te bevorderen, teneinde de sociale divergentie en ongelijkheid binnen en tussen de lidstaten op het gebied van gezondheidszorg te verminderen; dringt er bij de Commissie op aan om in de landenspecifieke aanbevelingen rekening te houden met de langetermijngevolgen op het gebied van gezondheid en overheidsfinanciën van maatregelen die zijn gericht op preventieprogramma´s;

15.  onderstreept dat een meer alomvattende beoordeling van de gezondheidsstelsels binnen het proces van het Europees Semester, waarbij niet alleen naar de financiële kant wordt gekeken, maar ook naar toegankelijkheid, doeltreffendheid en kwaliteit, een nauwkeuriger beeld van de prestaties van de stelsels in kwestie zou opleveren en het nut van het Europees Semester op het gebied van gezondheid zou vergroten; onderstreept dat preventiebeleid voor zowel overdraagbare, als niet-overdraagbare ziektes cruciaal is voor het reduceren van de kosten van de nationale gezondheidszorgstelsels; verzoekt de Commissie het Europees Semester te gebruiken om de rol van preventie te bevorderen bij het efficiënter maken van de nationale gezondheidszorgstelsels;

16.  benadrukt dat gelijke toegang tot de gezondheidszorg bijdraagt tot sociale cohesie, sociale gerechtigheid en terugdringing van maatschappelijke uitsluiting, terwijl zij eveneens bijdraagt tot duurzame ontwikkeling aangezien zij de solidariteit tussen generaties versterkt en negatieve effecten op de volksgezondheid ten gevolge van externe factoren kan corrigeren;

17.  benadrukt het belang van duurzaamheid in de zorgsector, die met 8 % van de Europese beroepsbevolking en 10 % van het bbp in de EU een belangrijke rol in de economie als geheel vervult, en wijst eveneens op het belang van gelijke toegang tot gezondheidsdiensten voor alle burgers, omdat gezondheid een essentiële factor vormt voor de stabiliteit, duurzaamheid en de verdere ontwikkeling van de lidstaten en hun economie;

18.  dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan in deze tijd van economische crisis af te zien van de schadelijkste maatregelen, zoals bezuinigingen op korte termijn die zullen uitmonden in hoge kosten op middellange en lange termijn, en zich in plaats daarvan te richten op verdere ontwikkeling van kwalitatief hoogwaardige en efficiënte zorgstelsels;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

21.1.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

53

11

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Pilar Ayuso, Zoltán Balczó, Catherine Bearder, Ivo Belet, Simona Bonafè, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Birgit Collin-Langen, Mireille D’Ornano, Miriam Dalli, Seb Dance, Angélique Delahaye, Jørn Dohrmann, Ian Duncan, Stefan Eck, Bas Eickhout, Eleonora Evi, José Inácio Faria, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Gerben-Jan Gerbrandy, Jens Gieseke, Julie Girling, Sylvie Goddyn, Matthias Groote, Françoise Grossetête, Jytte Guteland, György Hölvényi, Anneli Jäätteenmäki, Jean-François Jalkh, Benedek Jávor, Karin Kadenbach, Peter Liese, Norbert Lins, Valentinas Mazuronis, Susanne Melior, Miroslav Mikolášik, Piernicola Pedicini, Bolesław G. Piecha, Marcus Pretzell, Frédérique Ries, Daciana Octavia Sârbu, Annie Schreijer-Pierik, Davor Škrlec, Renate Sommer, Tibor Szanyi, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Estefanía Torres Martínez, Nils Torvalds, Glenis Willmott, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Paul Brannen, Herbert Dorfmann, Christofer Fjellner, Luke Ming Flanagan, Elena Gentile, Martin Häusling, Karol Karski, Andrey Kovatchev, Merja Kyllönen, Marijana Petir, Christel Schaldemose, Bart Staes, Mihai Ţurcanu, Tom Vandenkendelaere, Carlos Zorrinho

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Daniel Dalton

17.2.2016

ADVIES van de Commissie regionale ontwikkeling

aan de Commissie economische en monetaire zaken

inzake het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: Jaarlijkse groeianalyse 2016

(2015/2285(INI))

Rapporteur voor advies: Iskra Mihaylova

SUGGESTIES

De Commissie regionale ontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  neemt nota van de nieuwe aanpak voor een meer gestroomlijnd Europees semester dat in twee opeenvolgende fases wordt georganiseerd: eerst de vroegtijdige publicatie van de aanbevelingen voor de gehele eurozone, samen met deze jaarlijkse groeianalyse, en vervolgens de landenspecifieke aanbevelingen, waardoor de lidstaten daarmee rekening kunnen houden en de plaatselijke en regionale autoriteiten en de andere belanghebbenden kunnen betrekken bij de nationale beleidsvorming, waardoor de eigen inbreng bij de tenuitvoerlegging van de landenspecifieke aanbevelingen wordt vergroot; onderstreept dat de lidstaten een begrotingsbeleid moeten uitstippelen waarin rekening wordt gehouden met de op regionaal niveau vastgestelde prioriteiten;

2.  maakt zich zorgen over het feit dat de economieën van veel EU-lidstaten weliswaar enige bescheiden tekenen van herstel te zien geven, maar nog steeds verkeren in een periode van trage groei, hoge langdurige en jeugdwerkloosheid, toenemende armoede en toename van de regionale verschillen qua bbp per hoofd van de bevolking; doet derhalve een beroep op de Commissie en de lidstaten om meer vaart te zetten achter de uitvoering van de ESI-fondsen 2014-2020 en alle activiteiten ter ondersteuning van de uitvoering, zoals vereenvoudiging, het werk van de taskforce voor betere uitvoering en institutionele capaciteitsopbouw; benadrukt dat de ongekende toestroom van vluchtelingen en asielzoekers in het afgelopen jaar sommige lidstaten voor grote problemen heeft gesteld en een antwoord op EU-niveau vereist; onderstreept dat met de landenspecifieke aanbevelingen bereikbare doelen moeten worden nagestreefd in het licht van de nieuwe uitdagingen;

3.  verzoekt de Commissie meer rekening te houden met de Europa 2020-strategie, die essentieel is voor het creëren van groei en werkgelegenheid, en de kerndoelen daarvan op de juiste manier aan te pakken door de tenuitvoerlegging ervan te verbeteren, door in de context van het Europees semester een verdere herziening en strategische analyse door te voeren en door maatregelen en methodes voor te stellen om de uitgaven van de EU-fondsen in verband met de Europa 2020-doelen beter te controleren; is van mening dat de aanstaande herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) een gelegenheid zal bieden om de meerwaarde en de steun die de EU-financiering, en met name de ESI-fondsen, oplevert voor het bereiken van de doelen van de Europa 2020-strategie, te analyseren, te evalueren en waar nodig te verbeteren; juicht het concept van resultaatgericht begroten toe en verwacht meer verduidelijking in de toekomst; benadrukt dat het van belang is ook de lokale en regionale autoriteiten en andere belanghebbenden te raadplegen in het kader van de tussentijdse herziening van het MFK; onderstreept voorts dat deze herziening van het MFK in combinatie met de halftijdse herziening van de EU 2020-strategie moet worden verricht;

4.  constateert dat de middelen van de ESI-fondsen in 2014-2016 naar verwachting gemiddeld circa 14 % van de totale overheidsinvesteringen in de EU zullen uitmaken, en in sommige lidstaten zelfs meer dan 70 %; onderstreept het cruciale belang van steun uit de ESI-fondsen voor publieke investeringsprogramma's;

5.  wijst op het belang van EU-investeringen voor de minder ontwikkelde regio's en benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat die verdere investeringen kunnen aantrekken en zodoende de economische, sociale en territoriale samenhang versterken;

6.  benadrukt dat het nieuwe Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) als onderdeel van het investeringsplan voor Europa de bestaansgrond van de lokale en regionale investeringsstrategieën en de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) niet mag ondermijnen, maar daarmee in lijn moet zijn, en dat de lidstaten de lokale en regionale autoriteiten moeten aanmoedigen om projectenpijplijnen en investeringsplatforms te promoten en daarbij alle belanghebbenden, met inbegrip van kmo's en ngo's, nauw te betrekken; dringt aan op verdere maatregelen om te zorgen voor complementariteit en synergie tussen de ESI-fondsen, het EFSI en de andere door de EU gefinancierde programma's en initiatieven, evenals investeringen van nationale overheden en private financieringsinstrumenten, teneinde de maximale toegevoegde waarde en synergie te behalen doordat het volledige potentieel van die investeringen benut wordt; juicht het voornemen van de Commissie toe om richtsnoeren op te stellen voor de complementariteit van de fondsen;

7.  wijst op de banden tussen de doelstellingen van het Europees semester en de programmering van de ESI-fondsen 2014-2020, die tot uiting komen in de partnerschapsovereenkomsten; is derhalve van mening dat de instrumenten van het cohesiebeleid ingevolge de hervorming 2014-2020 een uiterst belangrijke rol kunnen spelen bij de ondersteuning van de uitvoering van de relevante landenspecifieke aanbevelingen en zo de structurele hervormingen ondersteunen en bijdragen aan de verwezenlijking van de strategische doelen van de EU en de doeltreffende uitvoering van de partnerschapsovereenkomsten; benadrukt evenwel dat de programma's en doelstellingen in het kader van de ESI-fondsen een meerjarig en langetermijnkarakter hebben, wat botst met de jaarcyclus van het Europees Semester, en wijst op de noodzaak van coördinatie tussen de prioriteiten van de Unie en nationale, regionale en lokale behoeften;

8.  verzoekt de lidstaten en de Commissie te zorgen voor passende administratieve capaciteit om de kwaliteit van de dienstverlening aan gebruikers te verbeteren, en te zorgen voor meer transparantie, doeltreffendheid en verantwoordingsplicht bij overheidsopdrachten, bijvoorbeeld door gebruik te maken van innoverende oplossingen zoals elektronische aanbesteding en door corruptie tegen te gaan; herinnert in dit verband aan het belang van goed financieel beheer en behoorlijk economisch bestuur; verzoekt daarom om een doeltreffend gebruik van ESI-fondsen zodat die ook bijdragen aan de hervorming van structuren en procedures, het beheer van de menselijke hulpbronnen en de dienstverlening; benadrukt dat het noodzakelijk is prestatiecriteria vast te stellen op het gebied van de begrotingsuitvoering;

9.  benadrukt dat de ESI-fondsen een vitale rol kunnen spelen bij de tenuitvoerlegging van structurele hervormingen middels essentiële investeringen in de reële economie en dat zij, mits zij doelgericht worden ingezet en doeltreffend worden uitgevoerd, de doelen kunnen bereiken die bij de hervorming van het cohesiebeleid voor de periode 2014-2020 zijn vastgesteld; beseft dat het dringend noodzakelijk is in te zetten op verbetering van het investeringsklimaat en wijst erop dat zowel de landenspecifieke aanbevelingen als de ex antevoorwaarden in het kader van het cohesiebeleid 2014-2020 in deze context een belangrijke rol moeten spelen, aangezien zij aanzienlijke overloopeffecten op het bredere investeringsklimaat sorteren; verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat de EU-subsidies volledig en zo doelmatig en doeltreffend mogelijk worden gebruikt, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel;

10.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie voor het opzetten van het steunprogramma voor structurele hervormingen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de middelen die bestemd zijn voor het programma, dat steun moet bieden op verzoek van een lidstaat en beheerd wordt op de voorziene wijze, worden gebruikt met als doel de economische, sociale en territoriale samenhang te versterken, zoals bepaald in artikel 174 VWEU, en dat bij de uitvoering van het programma i) extra administratieve complexiteit wordt vermeden en ii) gezorgd wordt voor samenhang met bestaande hulpbronnen en regelingen voor structurele hervorming; verzoekt de medewetgevers het voorstel van de Commissie te amenderen en de te gebruiken methoden en indicatoren voor het toezicht op de uitvoering en de doeltreffendheid van het programma nader te detailleren, waarbij onnodige afgeleide wetgeving wordt vermeden; verzoekt alle betrokken diensten stroomopwaarts samen te werken om werkzaamheden te coördineren en overlappingen te vermijden bij het aanbieden van hulp voor het doelmatig en doeltreffend gebruiken van EU-fondsen;

11.  verzoekt de Commissie het democratische toezicht op het economisch bestuur te versterken door het Parlement middels een interinstitutioneel akkoord nauwer bij het gehele proces te betrekken, zoals is voorgesteld in het verslag van de vijf voorzitters 22 juni 2015; is van oordeel dat in dit akkoord derhalve onder andere moet worden vastgelegd dat vóór de publicatie van het jaarverslag over de economische groei en de landenspecifieke aanbevelingen een regelmatige gedachtewisseling plaatsvindt tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.2.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

31

5

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pascal Arimont, Franc Bogovič, Victor Boştinaru, Mercedes Bresso, Steeve Briois, Andrea Cozzolino, Rosa D’Amato, Tamás Deutsch, Bill Etheridge, Iratxe García Pérez, Anna Hedh, Krzysztof Hetman, Ivan Jakovčić, Constanze Krehl, Sławomir Kłosowski, Andrew Lewer, Iskra Mihaylova, Andrey Novakov, Younous Omarjee, Konstantinos Papadakis, Mirosław Piotrowski, Stanislav Polčák, Liliana Rodrigues, Fernando Ruas, Monika Smolková, Maria Spyraki, Ruža Tomašić, Ramón Luis Valcárcel Siso, Matthijs van Miltenburg, Lambert van Nistelrooij, Derek Vaughan, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Viorica Dăncilă, Ivana Maletić, Bronis Ropė, Davor Škrlec, Hannu Takkula, Damiano Zoffoli, Marco Zullo

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

18.2.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

37

18

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gerolf Annemans, Burkhard Balz, Hugues Bayet, Pervenche Berès, Udo Bullmann, Fabio De Masi, Markus Ferber, Jonás Fernández, Elisa Ferreira, Sylvie Goulard, Gunnar Hökmark, Othmar Karas, Georgios Kyrtsos, Alain Lamassoure, Philippe Lamberts, Sander Loones, Olle Ludvigsson, Ivana Maletić, Notis Marias, Costas Mavrides, Bernard Monot, Stanisław Ożóg, Dimitrios Papadimoulis, Pirkko Ruohonen-Lerner, Alfred Sant, Molly Scott Cato, Peter Simon, Renato Soru, Paul Tang, Ramon Tremosa i Balcells, Marco Valli, Tom Vandenkendelaere, Cora van Nieuwenhuizen, Jakob von Weizsäcker, Pablo Zalba Bidegain, Marco Zanni, Sotirios Zarianopoulos

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Enrique Calvet Chambon, Bas Eickhout, Ildikó Gáll-Pelcz, Ramón Jáuregui Atondo, Danuta Jazłowiecka, Eva Kaili, Jeppe Kofod, Morten Messerschmidt, Eva Paunova, Michel Reimon, Maria João Rodrigues, Antonio Tajani, Romana Tomc, Nils Torvalds, Beatrix von Storch

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Jens Gieseke, Sven Schulze, Mihai Ţurcanu

(1)

PB L 306 van 23.11.2011, blz. 12.

(2)

PB L 306 van 23.11.2011, blz. 41.

(3)

PB L 306 van 23.11.2011, blz. 8.

(4)

PB L 306 van 23.11.2011, blz. 33.

(5)

PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25.

(6)

PB L 306 van 23.11.2011, blz. 1.

(7)

PB L 140 van 27.5.2013, blz. 11.

(8)

PB L 140 van 27.5.2013, blz. 1.

(9)

PB L 192 van 18.7.2015, blz. 27.

(10)

PB L 268 van 15.10.2015, blz. 28.

(11)

PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1.

(12)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0238.

(13)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0408.

(14)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0469.

(15)

"De voltooiing van de Europese economische en monetaire unie", verslag van J.-C. Juncker, in nauwe samenwerking met D. Tusk, J. Dijsselbloem, M. Draghi en M. Schulz, 22 juni 2015.

(16)

Conclusies van de Europese Raad van 25-26 maart 2010 en 17 juni 2010.

(17)

Resolutie van het Europees Parlement van 16 september 2015 over het werkprogramma van de Commissie voor 2016 (2015/2729(RSP)).

(18)

COM(2015) 690.

(19)

COM(2015)0800, blz. 13-14.

(20)

Europese Commissie, European Economic Forecast – Autumn 2015, blz. 27.

Juridische mededeling