Procedure : 2015/2330(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0031/2016

Ingediende teksten :

A8-0031/2016

Debatten :

PV 24/02/2016 - 14
CRE 24/02/2016 - 14

Stemmingen :

PV 25/02/2016 - 7.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0059

VERSLAG     
PDF 488kWORD 163k
22.2.2016
PE 573.167v02-00 A8-0031/2016

over het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2016

(2015/2330(INI))

Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

Rapporteur: Sofia Ribeiro

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

inzake het Europees semester voor coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2016

(2015/2330(INI))

Het Europees Parlement,

  gezien artikel 5 VEU en artikel 9 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

  gezien de artikelen 145, 148 en 152 en artikel 153, lid 5, VWEU,

–  gezien artikel 174 VWEU,

  gezien artikel 349 VWEU, dat de ultraperifere gebieden een specifieke status geeft,

  gezien Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name hoofdstuk IV (solidariteit),

  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2015 getiteld "Jaarlijkse groeianalyse 2016 – Het herstel versterken en de convergentie bevorderen" (COM(2015)0690),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2015 getiteld "Waarschuwingsmechanismeverslag 2016" (COM(2015)0691),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 26 november 2015 voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone (COM(2015)0692),

–  gezien het ontwerp van het gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid van de Commissie en de Raad van 26 november 2015 bij de mededeling van de Commissie over de jaarlijkse groeianalyse 2016 (COM(2015)0700),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 oktober 2015 getiteld "Stappen naar de voltooiing van de economische en monetaire unie" (COM(2015)0600),

–  gezien het voorstel van de Commissie van 2 maart 2015 voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (COM(2015)0098) en de desbetreffende wetgevingsresolutie van het Parlement van 8 juli 2015(1),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 13 januari 2015 getiteld "Het optimaal benutten van de flexibiliteit binnen de bestaande regels van het stabiliteits- en groeipact" (COM(2015)0012),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2014 getiteld "Een investeringsplan voor Europa" (COM(2014)0903),

  gezien de mededeling van de Commissie van 4 april 2014 met betrekking tot doeltreffende, toegankelijke en veerkrachtige gezondheidsstelsels (COM(2014)0215),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 oktober 2013 getiteld "Versterking van de sociale dimensie van de Economische en Monetaire Unie" (COM(2013)0690),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 februari 2013 getiteld "Naar sociale investering voor groei en cohesie – inclusief de uitvoering van het Europees Sociaal Fonds 2014-2020" (COM(2013)0083),

  gezien de aanbeveling van de Commissie van 20 februari 2013 getiteld "Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken" (C(2013)778),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 18 april 2012 getiteld "Naar een banenrijk herstel" (COM(2012)0173),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 december 2011 getiteld "Initiatief 'Kansen voor jongeren' " (COM(2011)0933),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 december 2010 getiteld "Het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting: een Europees kader voor sociale en territoriale samenhang" (COM(2010)0758) en de desbetreffende resolutie van het Parlement van 15 november 2011(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 over "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

  gezien de mededeling getiteld "Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015" en het daarop volgende "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019", waarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar werkgelegenheid en economische onafhankelijkheid voor vrouwen,

  gezien Aanbeveling 2008/867/EG van de Commissie van 3 oktober 2008 over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten,

  gezien het verslag van de vijf voorzitters van 22 juni 2015 getiteld "De voltooiing van Europa's Economische en Monetaire Unie",

  gezien de conclusies van de Raad over de bevordering van de sociale economie als belangrijkste motor van economische en sociale ontwikkeling in Europa (13414/15 SOC 614 EMPL 404),

  gezien het verslag van het Comité voor sociale bescherming getiteld "Adequate sociale bescherming voor behoeften aan langdurige zorg in een vergrijzende samenleving",

–  gezien zijn resolutie van 24 november 2015 over vermindering van de ongelijkheid, met bijzondere focus op kinderarmoede(3),

–  gezien zijn resolutie van 28 oktober 2015 over het cohesiebeleid en de evaluatie van de Europa 2020-strategie(4),

–  gezien vraag voor mondeling antwoord O-000121/2015 – B8-1102/2015 aan de Raad en zijn daarmee samenhangende resolutie van 29 oktober 2015 over de aanbeveling van de Raad betreffende de integratie van langdurig werklozen op de arbeidsmarkt(5),

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over sociaal ondernemerschap en sociale innovatie bij de bestrijding van werkloosheid(6),

  gezien zijn wetgevingsresolutie van 8 juli 2015 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten(7),

–  gezien zijn resolutie van 11 maart 2015 over het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2015(8),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2014 over werkgelegenheids- en sociale aspecten van de Europa 2020-strategie(9),

–  gezien zijn resolutie van 17 juli 2014 over werkgelegenheid voor jongeren(10),

–  gezien zijn resolutie van 15 april 2014 getiteld "Hoe kan de Europese Unie bijdragen tot de totstandkoming van een stimulerend klimaat voor het scheppen van banen door ondernemingen, bedrijven en starters?"(11),

  gezien zijn resolutie van 16 januari 2014 over een EU-strategie tegen dakloosheid(12),

  gezien zijn resolutie van 19 februari 2009 over de sociale economie(13),

  gezien zijn wetgevingsresolutie van 2 februari 2016 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees platform voor de intensivering van de samenwerking bij het voorkomen en tegengaan van zwartwerk(14),

  gezien de slotopmerkingen van het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap over het initiële verslag van de Europese Unie (september 2015),

  gezien speciaal verslag nr. 3/2015 van de Europese Rekenkamer getiteld "De EU-jongerengarantie: eerste stappen genomen maar uitvoeringsrisico's in het verschiet"(15),

  gezien de publicatie van Eurostat van april 2015 over de werkloosheid in de regio's van de Europese Unie,

  gezien de "EU Employment and Social Situation – Quarterly Review" van maart 2015(16),

  gezien het werkdocument van de OESO van 9 december 2014 getiteld "Trends in Income Inequality and its Impact on Economic Growth",

  gezien de vijfde en zesde editie van het Europese onderzoek naar de arbeidsomstandigheden (2010 en 2015)(17),

  gezien het verslag van Eurofound van 16 februari 2016 getiteld "Role of social partners in the European Semester",

  gezien het verslag van Eurofound van 17 juni 2014 getiteld "Changes to wage-setting mechanisms in the context of the crisis and the EU's new economic governance regime",

  gezien het debat met de vertegenwoordigers van de nationale parlementen over de prioriteiten van het Europees semester van 2016,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0031/2016),

A.  overwegende dat het werkloosheidspercentage sinds de tweede helft van 2013 langzaam daalt, maar niet in voldoende mate om de werkloosheid en armoede om te buigen, ondanks een aantal ondersteunende macro-economische beleidsmaatregelen en structurele hervormingen; overwegende dat de werkloosheid in veel lidstaten niettemin te hoog blijft, namelijk 9,9 % van de beroepsbevolking, hetgeen neerkomt op 23 miljoen Europeanen, van wie ongeveer de helft langdurig werkloos is, en meer dan 10 % van de beroepsbevolking in de eurozone, en dat al deze cijfers nog steeds hoger liggen dan die van 2008; overwegende dat hieruit blijkt dat het, met het oog op het terugdringen van de werkloosheid, van essentieel belang is om rekening te houden met specifieke micro-economische omstandigheden en om sociaal rechtvaardige structurele hervormingen uit te stippelen waarvan de sociale gevolgen worden beoordeeld alvorens zij in werking treden;

B.  overwegende dat het economisch herstel zijn derde jaar ingaat, met voor 2016 een voorspelde groei van 2 % in de EU28 en 1,8 % in de eurozone, maar dat er nog steeds verschillen tussen en binnen de lidstaten zijn en dat het economisch herstel deels afhangt van tijdelijke factoren, zoals de aanhoudende daling van de energieprijzen, die bijdraagt aan de toename van de koopkracht, in gevallen waarin sprake is van gevolgen voor de reële economie; overwegende dat hieruit blijkt dat de EU meer kan doen om het economische en sociale herstel een impuls te geven, teneinde het op middellange termijn duurzamer te maken, met name gezien de huidige onzekerheid over de wereldeconomie;

C.  overwegende dat de begrotingsconsolidatie in de EU28 verbetert, met een algemeen begrotingstekort dat is afgenomen van 4,5 % in 2011 tot 2,5 % in 2015;

D.  overwegende dat er volgens de Europese Commissie(18) op werkgelegenheids- en sociaal gebied nog steeds verschillen zijn binnen en tussen de lidstaten, en dat de sociale ontwikkelingen erop blijven wijzen dat de verschillen in de EU toenemen, hetgeen de groei, de werkgelegenheid en de convergentie belemmert; overwegende dat samenlevingen die door een grote gelijkheid en veel investeringen in mensen worden gekenmerkt, het beter doen op het vlak van groei en veerkracht van de werkgelegenheid;

E.  overwegende dat de jeugdwerkloosheid in de EU 22,6 % bedraagt, dat in 2014 12,3 % van de jongeren geen werk had en geen onderwijs of opleiding volgde en dat deze jongeren (ook wel NEET's genoemd) het risico liepen van de arbeidsmarkt uitgesloten te worden en vaardigheden en menselijk kapitaal te verliezen; overwegende dat dit ertoe bijdraagt dat de persoonlijke zelfstandigheid en de sociale integratie worden ondermijnd; overwegende dat het in de eerste plaats de lidstaten zijn die verantwoordelijk zijn voor het aanpakken van de jeugdwerkloosheid, namelijk door een regelgevingskader voor de arbeidsmarkt, onderwijs- en opleidingsstelsels en een actief arbeidsmarktbeleid te ontwikkelen en toe te passen;

F.  overwegende dat de arbeidsparticipatie in de EU28 in 2014 weliswaar met 0,8 % is gestegen – ten opzichte van een stijging van 0,4 % in de eurozone – maar dat er grote verschillen tussen de prestaties van de lidstaten zijn: zo is de arbeidsparticipatie in vijf lidstaten tussen 2009 en 2014 met ten minste vijf procentpunten afgenomen; overwegende dat de toename van het aantal zelfstandigen en de groei van de werkgelegenheid in 2014 ongeveer gelijk op zijn gegaan en dat de groei van de totale werkgelegenheid sinds 2013 voornamelijk samenhangt met een toename van het aantal tijdelijke contracten, hoewel er op dit punt grote verschillen tussen de lidstaten bestaan; overwegende dat er grote verschillen tussen de Europese landen bestaan als het gaat om de werkloosheidscijfers en de sociale gevolgen van de werkloosheid; overwegende dat veel jongeren hetzij een aanvullende universitaire studie gaan volgen om aan de werkloosheid te ontsnappen, hetzij hun thuisland verlaten om in andere lidstaten werk te gaan zoeken; overwegende dat deze twee gevallen buiten de nationale jeugdwerkloosheidsstatistieken vallen;

G.  overwegende dat de arbeidsparticipatie van vrouwen (63,5 % in mei 2015) ver onder het Europa 2020-kerndoel van 75 % blijft en dat het percentage vrouwen dat in deeltijd werkt, scherp blijft afsteken tegen het percentage mannen dat in deeltijd werkt (32,2 % vs. 8,8 %), zelfs wanneer rekening wordt gehouden met individuele vrije keuzen en behoeften,; overwegende dat de verhoging van de arbeidsparticipatie van vrouwen ertoe kan bijdragen dat deze verschillen verdwijnen en daarnaast ervoor kan zorgen dat vrouwen niet langer méér risico lopen op armoede en sociale uitsluiting dan mannen;

H.  overwegende dat er door de werkloosheid enorm veel menselijk kapitaal verloren gaat en dat de totale kosten van de jeugdwerkloosheid op 153 miljard EUR per jaar worden geraamd(19); overwegende dat werkloosheid, jeugdwerkloosheid en langdurige werkloosheid, naast de financiële en sociale gevolgen, ook een negatieve invloed hebben op de sociale convergentie en uiteindelijk de duurzame economische groei belemmeren;

I.  overwegende dat in 2014 ongeveer 5 % van de beroepsbevolking in de EU28 al meer dan een jaar werkloos was, en 3,1 % al meer dan twee jaar; overwegende dat slechts de helft van de werknemers tussen 55 en 65 werk heeft en dat langdurige werkloosheid vooral voorkomt onder jongeren en ouderen; overwegende dat discriminatie van langdurig werkloze werkzoekenden helaas maar al te vaak voorkomt; overwegende dat dergelijke praktijken gebaseerd zijn op het psychologische stigma dat aan werkloosheid kleeft en dat werkgevers oudere werkloze sollicitanten mogelijk als minder bekwaam en inzetbaar beschouwen dan mensen die werk hebben; overwegende dat werknemers hun humanresourcesmanagers moeten leren eventuele vooroordelen ten aanzien van werklozen en oudere werknemers te laten varen en zich te richten op kwalificaties en ervaring in plaats van op de huidige arbeidsstatus;

J.  overwegende dat ongeveer 20 % van de beroepsbevolking van de EU slechts over basisvaardigheden beschikt en dat 40 % van de bevolking van de EU als onvoldoende digitaal vaardig kan worden beschouwd; overwegende dat er in de EU ongeveer 2 miljoen onvervulde vacatures zijn, waarvan bijna 900 000 in de digitale sector, en dat terwijl het voor velen, waaronder jongeren, moeilijk is een plaats op de arbeidsmarkt te bemachtigen; voorts overwegende dat 39 % van de bedrijven moeilijk personeel met de vereiste vaardigheden kan vinden, hoewel uit onderzoek blijkt dat dit juist de bedrijven zijn die geen langetermijncontracten willen aanbieden; overwegende dat in 2012 een op de drie Europeanen noch overgekwalificeerd, noch ondergekwalificeerd was voor zijn baan; overwegende dat een laag opleidingsniveau en de mismatch tussen het onderwijs en de behoeften van de arbeidsmarkt de voornaamste oorzaken zijn waardoor jongeren NEET's worden, hetgeen de groei in negatieve zin beïnvloedt; overwegende dat het van essentieel belang is de onderliggende oorzaken van voortijdig schoolverlaten in kaart te brengen en adviseert de lidstaten hun uitgaven op onderwijsgebied weer op te schroeven naar een niveau dat voldoende is om de Europa 2020-doelstellingen te verwezenlijken;

K.  overwegende dat zwartwerk werknemers van hun sociale en arbeidsrechten berooft, sociale dumping in de hand werkt en ernstige gevolgen heeft voor de begroting, aangezien zwartwerk tot verlies aan belastinginkomsten en sociale bijdragen leidt en negatieve gevolgen heeft voor de werkgelegenheid, de productiviteit en de kwaliteit van werk, de ontwikkeling van vaardigheden en een leven lang leren, alsook voor doeltreffende en doelmatige pensioenstelsels, onder meer doordat het de genderkloof op het gebied van pensioenen vergroot en in sommige lidstaten ook de toegang tot gezondheidszorg aantast; overwegende dat er meer inzet aan de dag moet worden gelegd om zwartwerk wit te maken;

L.  overwegende dat atypische arbeidsvormen weliswaar als zodanig geen onzeker werk vormen, maar dat er vaker sprake is van onzeker werk wanneer dit soort contracten van toepassing zijn, hoewel zij slechts een klein deel van de bestaande arbeidsverhoudingen vormen(20); overwegende dat onzekerheid zich ook laat voelen door werkonzekerheid, een ontoereikend inkomen, gebrek aan ontslagbescherming en de onbekende duur van arbeidscontracten; overwegende dat er in sommige lidstaten een zorgwekkende toename van dit soort contracten heeft plaatsgevonden; overwegende dat er, om oneigenlijk gebruik van dergelijke contracten te voorkomen, op nationaal niveau een doeltreffender en doelmatiger arbeidsinspectiemechanisme moet worden toegepast; overwegende dat het belangrijk is om kwalitatief hoogwaardige banen te bevorderen die gezinnen voldoende inkomsten en economische veiligheid bieden;

M.  overwegende dat een van de vijf doelstellingen van Europa 2020 erin bestaat het aantal mensen dat zich in een situatie van armoede of sociale uitsluiting bevindt of daarin dreigt terecht te komen, met ten minste 20 miljoen te verminderen; overwegende dat bijna 123 miljoen mensen in de EU zich in zo'n situatie bevinden; overwegende dat in 2013 26,5 miljoen kinderen in de EU28 het risico liepen in een situatie van armoede of sociale uitsluiting terecht te komen; overwegende dat het aantal Europeanen voor wie armoede dreigt, in de periode 2009-2012 is toegenomen, maar dat de cijfers van 2013 en 2014 doen vermoeden dat de situatie inmiddels is gestabiliseerd; overwegende dat het aantal daklozen in veel EU-lidstaten is toegenomen; overwegende dat in 2012 32,2 miljoen personen van boven de 16 met een beperking, het risico liepen in een situatie van armoede of sociale uitsluiting terecht te komen; overwegende dat de Europa 2020-doelstellingen nog niet gehaald zijn en dat de Europa 2020-strategie dus onverwijld moet worden herzien;

N.  overwegende dat het percentage personen van 65 jaar of ouder in verhouding tot het percentage personen tussen de 15 en 64 jaar in de EU tot aan 2060 naar verwachting zal stijgen van 27,8 % naar 50,1 %, en dat de totale economische afhankelijkheidsratio13 naar verwachting halverwege het komende decennium zal stabiliseren op ruim 120 % en daarna tot aan 2060 zal stijgen tot meer dan 140 %; overwegende dat deze factoren, evenals andere demografische veranderingen zoals de vergrijzing van de bevolking, de bevolkingsdichtheid en de bevolkingsspreiding, erop wijzen dat de overheid alomvattende en sociaal verantwoorde beleidsmaatregelen moet ontwikkelen die erop gericht zijn de geboortecijfers en het aandeel aan kwalitatief hoogwaardig werk te verhogen, de toereikendheid van socialezekerheidsstelsels te bevorderen, actief ouder worden te stimuleren, sociaal verantwoorde hervormingen van de arbeidsmarkt en de pensioenstelsels door te voeren, alsmede de toereikendheid en de adequaatheid van de eerste pensioenpijler op de korte, middellange en lange termijn te waarborgen;

O.  overwegende dat in de EU nog altijd sprake is van een aanzienlijke genderkloof (van 40 %) op het gebied van pensioenen, die de verschillen tussen vrouwen en mannen weerspiegelt als het gaat om voltijdse en deeltijdse arbeid, lonen en de kortere loopbanen van vrouwen;

P.  overwegende dat het toenemend aantal afhankelijke ouderen steeds meer gevolgen heeft of zal hebben voor de gezondheidsstelsels, de stelsels voor langdurige zorg en de behoefte aan zowel formele verzorgers als mantelzorgers; overwegende dat de huidige socialezekerheidsstelsels onvoldoende rekening houden met de situatie van mantelzorgers, die een belangrijke troef zijn voor de samenleving;

Q.  overwegende dat de openbare en particuliere schuldenlast in veel lidstaten nog steeds te hoog is, waardoor de economieën van de EU aan kracht inboeten; overwegende dat de lage rentepercentages in de eurozone kunnen worden gebruikt om de speelruimte van de lidstaten te vergroten; overwegende dat er grondig moet worden gediscussieerd over de vraag hoe met de schuld in de EU moet worden omgegaan;

R.  overwegende dat, gezien de huidige tendens, de komende 10 à 15 jaar 90 % van de wereldwijde groei buiten de EU zal worden gegenereerd; overwegende dat het daarom noodzakelijk is in de lidstaten strategieën te blijven ontwikkelen en bevorderen waarmee daadwerkelijk groei en werkgelegenheid wordt gecreëerd; overwegende dat het innovatief industrieel beleid en marktbeleid essentieel is om het concurrentievermogen binnen de EU en het concurrentievermogen van de EU in de wereld te vergroten en daarmee duurzame en sociaal inclusieve werkgelegenheidskansen te helpen creëren;

S.  overwegende dat 20 % van de financiële middelen van het Europees Sociaal Fonds moeten worden gebruikt om armoede en sociale uitsluiting in de lidstaten tegen te gaan;

T.  overwegende dat het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) reeds 69 projecten in 18 landen heeft goedgekeurd en 56 verrichtingen heeft ondertekend (met een totale financiering door het EFSI van ongeveer 1,4 miljard EUR), en dat dit naar verwachting zal resulteren in ruim 22 miljard EUR aan investeringen, waarbij ongeveer 71 000 kmo's worden betrokken; overwegende dat er, met het oog op het verwezenlijken van de langetermijndoelstellingen van Barcelona, meer inspanningen moeten worden geleverd om ervoor te zorgen dat in financiering wordt voorzien voor sociale infrastructuur zoals kinderopvang; overwegende dat het bij de meeste projecten momenteel om grootschalige infrastructuurregelingen gaat, waarvan kmo's en micro-ondernemingen meestal worden uitgesloten, ondanks hun belang als ruggengraat van de Europese economie en als bron voor kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid;

U.  overwegende dat de sociale economie 2 miljoen bedrijven omvat (10 % van het totaal aantal bedrijven in de EU), die werk bieden aan ruim 14 miljoen mensen, hetgeen neerkomt op ongeveer 6,5 % van de werknemers in de EU;

V.  overwegende dat de ultraperifere regio's vanwege hun specifieke kenmerken met enorme problemen worden geconfronteerd, waardoor hun groeipotentieel wordt beperkt; overwegende dat de werkloosheid in deze regio's tussen de 15 en de 32,4 % ligt;

W.  overwegende dat momenteel 6,9 miljoen EU-burgers hun fundamentele recht uitoefenen om in een andere lidstaat te wonen en te werken; overwegende dat er ruim 1,1 miljoen grensarbeiders zijn; overwegende dat het vrije verkeer van personen essentieel is om de convergentie tussen de Europese landen te vergroten;

X.  overwegende dat de lidstaten, de regionale autoriteiten en de lokale autoriteiten zich vanwege het toenemend aantal vluchtelingen solidair moeten opstellen en zich niet alleen meer moeten toeleggen op integratiemaatregelen, zoals maatregelen in de vorm van sociale bijstand in overeenstemming met de toepasselijke EU-asielwetgeving, maatregelen voor de middellange en de lange termijn, alsook strategieën voor de opvang van vluchtelingen en voor de integratie van vluchtelingen in de samenleving, maar dat hun inspanningen om maatregelen te ontwikkelen ook evenwichtiger van aard moeten zijn;

Investeren in mensen

1.  benadrukt dat de noodzakelijke investeringen in sociale ontwikkelingen niet alleen een middel zijn om duurzame en inclusieve economische ontwikkeling en convergentie te bewerkstelligen, maar ook een specifieke doelstelling op zich moeten zijn; wijst daarom op het belang van indicatoren voor armoede, ongelijkheid en de kwaliteit van werkgelegenheid; is ingenomen met het pleidooi van de Commissie voor investeringen in diensten zoals huisvestingssteun, gezondheidszorg, kinderopvang en rehabilitatiediensten; benadrukt dat al het EU-beleid in de eerste plaats gericht moet blijven op economische en sociale samenhang en dat er meer inzet aan de dag moet worden gelegd om een complexere en objectievere evaluatie uit te voeren waarbij rekening wordt gehouden met de diversiteit en de kenmerken van de lidstaten;

2.  is verheugd dat de Commissie in haar jaarlijkse groeianalyse onderstreept dat in het kader van de nieuwe nationale stabiliteits- en hervormingsprogramma's meer aandacht moet worden besteed aan sociale rechtvaardigheid, en dat zij drie werkgelegenheidsindicatoren (arbeidsparticipatie, langdurige werkloosheid en jeugdwerkloosheid) aan de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden heeft toegevoegd; wenst dat deze indicatoren op voet van gelijkheid worden geplaatst met de bestaande indicatoren, zodat aan de hand ervan niet alleen diepgaande analyses kunnen worden uitgevoerd in de desbetreffende lidstaten, maar ook wordt gezorgd dat hun interne onevenwichtigheden nader worden onderzocht, dat er voorstellen worden gedaan voor economische en sociale hervormingen en dat er toezicht wordt gehouden op deze hervormingen;

3.  is verheugd dat de Commissie in haar jaarlijkse groeianalyse heeft gesteld dat sociale rechtvaardigheid van wezenlijk belang is voor het economische herstel van Europa; wijst op de convergentie die de EU heeft bewerkstelligd door de EMU te creëren, en vraagt de Commissie en de lidstaten actie te ondernemen om de sociale convergentie in de Unie een impuls te geven; vraagt de Commissie het door haar gehanteerde begrip "sociale rechtvaardigheid" te definiëren en te kwantificeren, rekening houdend met het werkgelegenheids- en het sociaal beleid, dat moet worden gerealiseerd via de jaarlijkse groeianalyse 2016 en het Europees semester;

4.  brengt in herinnering dat kwalitatief hoogwaardige en inclusieve werkgelegenheid een essentiële pijler van sociale rechtvaardigheid vormt en menselijke waardigheid voor iedereen bevordert; is in dit verband van mening dat het scheppen van kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid en het genereren van groei centraal moeten staan in het beleid van de lidstaten en de EU, met name als het gaat om jongeren en de "generatie 55+", als manieren om binnen de EU aan duurzamere sociale economieën te bouwen; vraagt de lidstaten het beleid inzake werkgelegenheid voor jongeren uit te voeren en verder uit te breiden door het af te stemmen op de reële behoeften van de arbeidsmarkt;

5.  vraagt de Commissie op het niveau van de lidstaten vormen van samenwerking tussen regeringen, bedrijven, met inbegrip van bedrijven in de sociale economie, onderwijsinstellingen, geïndividualiseerde diensten, het maatschappelijk middenveld en sociale partners te stimuleren, dit op basis van de uitwisseling van best practices en met het oog op de afstemming van de onderwijs- en opleidingsstelsels van de lidstaten om daarmee de mismatch tussen de vraag naar en het aanbod van vaardigheden tegen te gaan, aan de behoeften van de arbeidsmarkt te voldoen en het voor iedereen op de open arbeidsmarkt in Europa gemakkelijker te maken een baan te vinden en te behouden, met name door middel van duaal leren; spoort de lidstaten aan om, in samenwerking met de sociale partners, alle structurele hervormingen van nationale onderwijssystemen zorgvuldig vorm te geven en ex ante te beoordelen, zodat de burgers ervan op aan kunnen dat onderwijs hen voldoende toerust; vraagt de lidstaten ondernemerscultuur en de beginselen van de sociale economie op te nemen in hun onderwijs- en opleidingsprogramma's; roept de Commissie op tot de bevordering, op het niveau van de lidstaten, van een bredere investeringsstrategie voor de volledige onderwijs- en opleidingscyclus, met inbegrip van alle sectoren van een leven lang leren, leren op de werkplek, alsook formeel en niet-formeel leren;

6.  merkt op dat de onderwijsinspanningen vooral op het jongere deel van de beroepsbevolking gericht zijn, maar dat veel lidstaten de opleiding van de beroepsbevolking ruimer moeten zien en ook volwassenen onderwijs- en beroepsopleidingskansen moeten bieden; onderstreept dat ontoereikende investeringen in onderwijs, en dan met name in digitale vaardigheden, een gevaar vormen voor de concurrentiepositie van Europa en voor de inzetbaarheid van de Europese beroepsbevolking; moedigt de lidstaten daarom aan prioriteit te geven aan brede scholing op het gebied van digitale vaardigheden; roept de Commissie op tot de bevordering, op het niveau van de lidstaten, van een bredere investeringsstrategie voor de volledige onderwijs- en opleidingscyclus, met inbegrip van alle sectoren van een leven lang leren, leren op de werkplek, duaal leren, alsook formeel en niet-formeel leren, en daarbij rekening te houden met de noodzaak tot een dusdanige verbetering van het volwassenonderwijs naar aanleiding van de demografische ontwikkeling, dat de onderwijs- en opleidingsstelsels beter worden afgestemd op de behoeften van de arbeidsmarkt; vraagt de lidstaten om het leerlingwezen te ondersteunen en de beschikbare Erasmus+-middelen voor studenten ten volle te benutten om de kwaliteit en de aantrekkelijkheid van dit soort scholing te waarborgen;

7.  benadrukt dat er zo vroeg mogelijk in de levenscyclus in mensen moet worden geïnvesteerd, om zo ongelijkheid te verminderen en sociale inclusie reeds op jonge leeftijd te bevorderen; wenst daarom dat alle kinderen in alle lidstaten toegang krijgen tot kwalitatief hoogwaardige, inclusieve en betaalbare voor- en vroegschoolse educatie en opvang;

8.  herinnert eraan dat vaardigheden en competenties die in niet-formele en informele leeromgevingen zijn verworven, van belang zijn om jongeren en mensen die de arbeidsmarkt tijdelijk hebben verlaten om zorgtaken op zich te nemen, beter inzetbaar te maken; benadrukt daarom dat het belangrijk is om een valideringssysteem te creëren voor niet-formele en informele vormen van kennis en ervaring, in het bijzonder voor kennis en ervaring die door vrijwilligersactiviteiten zijn verworven; is van mening dat coherente certificering en wederzijdse erkenning van kwalificaties de kloof tussen jonge werkzoekenden en het tekort aan vaardigheden op de Europese arbeidsmarkt zullen helpen dichten; dringt erop aan dat de "een leven lang leren"-aanpak wordt uitgewerkt tot een flexibel leertraject dat formeel, maar ook niet-formeel en informeel leren erkent teneinde billijkheid en sociale cohesie te bevorderen en ook meer kwetsbare groepen kansen op een baan te bieden;

9.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie om de jongerengarantie op nationaal, regionaal en lokaal niveau te verbeteren, en benadrukt dat de jongerengarantie belangrijk is voor de overgang van school naar werk; vindt het echter betreurenswaardig dat de jongerengarantie in veel lidstaten niet effectief ten uitvoer is gelegd; benadrukt dat er voor passende vormen van samenwerking tussen openbare en particuliere diensten voor arbeidsvoorziening en sociale diensten op lokaal, nationaal en Europees niveau moet worden gezorgd, zowel in het geval van algemene als in het geval van geïndividualiseerde ondersteuningsdiensten; benadrukt dat moet worden gewaarborgd dat de jongerengarantie jongeren bereikt die met meervoudige uitsluiting en extreme armoede te kampen hebben; verzoekt de Commissie, in dit verband, om een doelgerichte herziening van zowel de jongerengarantie als de financieringsinstrumenten die ermee samenhangen, en is van mening dat de Commissie ertoe kan bijdragen dat de lidstaten worden doordrongen van de noodzaak om maatregelen te nemen en best practices uit te wisselen over hoe de jeugdwerkloosheid het beste kan worden tegengegaan;

10.  is verheugd over het initiatief van de Commissie voor een geïndividualiseerde benadering voor langdurig werklozen, maar maakt zich zorgen over de benarde situatie waarin de meer dan 12 miljoen langdurig werklozen in Europa zich bevinden; is van mening dat een dergelijke benadering meer inspanningen op het vlak van personele middelen vereist, en dat de deelnemers het benodigde opleidingsniveau moeten hebben om werklozen advies te kunnen geven over hoe zij eventuele onderwijs- of opleidingslacunes kunnen ondervangen; dringt erop aan dat werkzoekenden passende ondersteuning krijgen in de vorm van geïntegreerde dienstverlening en toegang tot onderwijs en opleiding van hoge kwaliteit, om zo eventuele lacunes te ondervangen; benadrukt dat voor omscholing toereikende financiële middelen vereist zijn die werklozen van alle leeftijden moeten bereiken, en beklemtoont dat actief arbeidsbeleid slechts dan effectief kan zijn als er tevens eisen worden gesteld aan de bevoegde nationale autoriteiten, aan de werkgevers en aan de langdurig werklozen zelf;

11.  herinnert eraan dat de integratie van langdurig werklozen van groot belang is voor hun zelfvertrouwen, welzijn en toekomstige ontwikkeling, essentieel is om armoede en sociale uitsluiting te bestrijden en zal bijdragen tot de houdbaarheid van de nationale socialezekerheidsstelsels; vindt dat er rekening moet worden gehouden met de sociale situatie van deze burgers en hun behoeften; onderstreept evenwel dat 12,7 % van de beroepsbevolking in armoede leeft (volgens de cijfers van 2014; in 2009 was dit nog 11 %) en dat een geïntegreerde, op actieve inclusie en sociale investeringen gebaseerde aanpak daarom noodzakelijk is; vraagt de Commissie de lidstaten te betrekken bij strategieën en maatregelen ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting overeenkomstig de Europa 2020-strategie; roept de Commissie op tot de ondersteuning van de inspanningen om inclusieve kansen op levenslang leren te bieden voor werknemers en werkzoekenden van alle leeftijden en vraagt de Commissie zo spoedig mogelijk maatregelen te nemen om meer EU-middelen vrij te maken, en zo mogelijk aanvullende middelen beschikbaar te stellen zoals in het geval van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief is gedaan;

12.  wijst op de dringende noodzaak om ervoor te zorgen dat in het kader van de inspanningen van de EU om armoede en sociale uitsluiting tegen te gaan, ook actief iets wordt gedaan aan het toenemend aantal daklozen, die momenteel niet onder de indicatoren vallen waarmee de armoedebestrijdingsdoelstelling van de EU wordt gemeten, maar die met ten minste 4 miljoen mensen per jaar een zorgwekkende sociale realiteit vormen(21);

13.  benadrukt hoe belangrijk het is dat op snelle en doeltreffende wijze aan de behoeften van werklozen ouder dan 55 jaar wordt beantwoord; roept zowel de Commissie als de lidstaten op ondersteuning te bieden aan flexibele werkgelegenheidsoplossingen (met inbegrip van deeltijdbanen en tijdelijke banen) die aan de specifieke behoeften van deze categorie voldoen, en daarmee te voorkomen dat zij de arbeidsmarkt vroegtijdig verlaten; wijst erop dat oudere werknemers op de werkplek een belangrijke rol te vervullen hebben, omdat zij hun kennis en ervaring aan jongeren kunnen doorgeven, bijvoorbeeld door aan opleidingen op de werkplek deel te nemen, en is van mening dat er daarom voor moet worden gezorgd dat werknemers ouder dan 55 jaar niet in de werkloosheid belanden;

Structurele hervormingen op een sociale en verantwoorde manier

14.  merkt op dat de EU als geheel, alsook veel van haar lidstaten, nog steeds te kampen hebben met structurele problemen die dringend moeten worden aangepakt; maakt zich zorgen over de sociale gevolgen van de fiscale aanpassingsmaatregelen die bezuinigingen als uitgangspunt hebben en benadrukt dat economisch beleid overeenkomstig artikel 9 VWEU moet worden vastgesteld; wijst erop dat publieke en private investeringen en sociaal en economisch evenwichtige structurele hervormingen die de ongelijkheid verminderen, prioritair moeten blijven, en dat duurzame groei en verantwoorde begrotingsconsolidatie (waarbij rekening wordt gehouden met schuldhoudbaarheid, de economische cyclus en het tekort aan investeringen), met inbegrip van inkomstenbeleid ter bestrijding van belastingfraude en belastingontduiking, moeten worden bevorderd, hetgeen het pad zal effenen voor meer cohesie en opwaartse sociale convergentie; is van mening dat dergelijk beleid zal bijdragen tot een gunstig klimaat voor ondernemingen en overheidsdiensten, dit met het oog op het scheppen van kwaliteitsbanen, het bewerkstelligen van sociale vooruitgang en het stimuleren van investeringen die zowel sociaal als economisch rendement genereren; benadrukt dat deze prioritaire doelstellingen slechts kunnen worden verwezenlijkt als passende investeringen in menselijk kapitaal en een leven lang leren prioriteit krijgen als een gemeenschappelijke strategie; benadrukt hoe belangrijk het is dat er sociale partners worden betrokken bij structurele hervormingen en arbeidsmarktbeleid;

15.  benadrukt dat sociaal verantwoorde hervormingen gebaseerd moeten zijn op solidariteit, integratie, sociale rechtvaardigheid en een billijke verdeling van de rijkdom – een model dat gelijkheid en sociale bescherming waarborgt, kwetsbare groepen beschermt en de levensomstandigheden van alle burgers verbetert;

16.  benadrukt dat de sociale markteconomie moet worden bevorderd en beschermd, omdat zij een kader schept waarin het concurrentievermogen en hoge sociale normen bijdragen tot sociale rechtvaardigheid en waarin sociale rechtvaardigheid op haar beurt het concurrentievermogen stimuleert; beklemtoont voorts dat er een evenwicht moet worden gevonden tussen economische overwegingen en de noodzaak van een doeltreffende begrotingsconsolidatie, een duurzame economie, echte sociale cohesie en betere sociale bescherming; verzoekt de Commissie om uitbreiding van haar benadering van insolventie en faillissement(22) en om verbetering van haar regelingen voor schuldherstructurering en een tweede kans;

17.  benadrukt dat de ontwikkeling van ongelijkheid in Europa op een meer samenhangende wijze en aan de hand van economische indicatoren zoals de Gini- en Palma-index in de jaarlijkse groeianalyse moet worden geëvalueerd;

18.  verzoekt de lidstaten actief deel te nemen aan het platform tegen zwartwerk en gevolg te geven aan hun uitwisseling van best practices door concrete maatregelen te nemen tegen zwartwerk, brievenbusfirma's en schijnzelfstandigheid, aangezien dergelijke praktijken niet alleen de kwaliteit van werk, maar ook de toegang van werknemers tot socialebeschermingsstelsels en nationale overheidsfinanciën in gevaar brengen en tot oneerlijke concurrentie tussen Europese bedrijven leiden; vraagt de lidstaten zich meer erop toe te leggen om zwartwerk wit te maken, de arbeidsinspectiemechanismen te versterken en voldoende uit te rusten, alsook maatregelen te ontwikkelen om werknemers in staat te stellen over te stappen van de grijze op de formele economie, zodat ze toegang krijgen tot arbeidsbeschermingsstelsels; moedigt de lidstaten ertoe aan belastingtarieven te hanteren naar gelang van de stabiliteit en kwaliteit van de diverse vormen van arbeidsverhoudingen, als een van de stimulansen voor vaste contracten;

19.  is van mening dat loonspreiding de ongelijkheid doet toenemen en de productiviteit en het concurrentievermogen van bedrijven schaadt; vraagt de Commissie en de lidstaten maatregelen te nemen ter verbetering van de kwaliteit van de werkgelegenheid met als doel om de segmentering van de arbeidsmarkt te verminderen, dit in combinatie met maatregelen om, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, de minimumlonen tot een passend niveau te verhogen en het collectief overleg en de positie van de werknemers in de loonvormingssystemen te versterken met als doel om de loonspreiding te verkleinen; meent dat dit alles nodig is om de totale vraag en het economisch herstel te steunen, de loonverschillen te verkleinen en armoede onder werkenden tegen te gaan;

20.  is van mening dat zorgvuldig geformuleerde flexizekerheid fragmentatie van de arbeidsmarkt helpt voorkomen en duurzame kwaliteitsbanen helpt behouden, maar vindt het zorgwekkend dat het flexizekerheidsmodel in diverse lidstaten niet goed is toegepast; roept de lidstaten en de Commissie op ervoor te zorgen dat bij de toepassing van het flexizekerheidsmodel waar nodig de arbeidsrechten worden geëerbiedigd en de socialezekerheidsnormen in acht worden genomen; wenst dat de lidstaten hun wetgeving inzake arbeidsbescherming moderniseren om de toegang van werknemers tot sociale zekerheid en sociale rechten te waarborgen en voor meer arbeidsstabiliteit en veiligheid te zorgen bij de overgang tussen banen, in voorkomend geval ook door middel van een intensievere en betere samenwerking tussen publieke en particuliere arbeidsvoorzieningsdiensten; betreurt het dat bij de arbeidshervormingen, hoewel verschillende lidstaten hervormingen hebben doorgevoerd en deze hervormingen concrete resultaten hebben opgeleverd, zoals de verhoging van de arbeidsparticipatie, in sommige gevallen flexibiliteit is verkozen boven zekerheid, hetgeen tot meer onzekerheid en een gebrek aan arbeidsbescherming heeft geleid; vraagt de Commissie strenger toezicht uit te oefenen op misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en op andere atypische opeenvolgende contracten in de particuliere en de openbare sector;

21.  verzoekt de lidstaten rekening te houden met de ontwikkeling van de inkomens in de publieke sector in het algemeen, alsook met de ontwikkeling van het minimumloon, wanneer van toepassing, zonder daarbij aan de productiviteitstoename voorbij te gaan en op een betaalbare en stabiele wijze die de eigen bevoegdheden van de lidstaten niet laat ondersneeuwen;

22.  is ingenomen met het initiatief van de Commissie met betrekking tot de investering in menselijk kapitaal, dat erop is gericht om de werkgelegenheid te herstellen en de duurzame groei weer op gang te brengen, maar maakt zich ernstig zorgen over het feit dat de overheidsuitgaven op onderwijsgebied sinds 2010 met 3,2%(23) zijn afgenomen, en dat het afgelopen jaar in elf lidstaten op de overheidsuitgaven is bezuinigd, zoals uit de beschikbare cijfers blijkt (2013); onderstreept dat de hervormingen, om doeltreffend te zijn, in het bijzonder op schoolcurricula en de overheidssector gericht moeten zijn;

23.  onderstreept in de huidige context het belang van een actief arbeidsmarktbeleid; dringt er bij de lidstaten op aan het actieve arbeidsmarktbeleid uit te breiden en de doeltreffendheid ervan te vergroten;

24.  wijst erop dat, als het gaat om bijscholing, opleiding en om nieuwe vormen van werkgelegenheid, de verschuiving in de richting van de digitale economie moet worden verwelkomd;

25.  verzoekt de lidstaten de belastingdruk geleidelijk te verschuiven van arbeid naar andere bronnen, en wel op zo'n manier dat de meest kwetsbare groepen van de samenleving, in het bijzonder de laagbetaalden, er niet onder te lijden hebben, dat het algemene concurrentievermogen niet in het gedrang komt, en dat tegelijkertijd de langetermijnduurzaamheid van publieke pensioenstelsels wordt gewaarborgd, evenals toereikende financiering voor socialezekerheids- en socialebeschermingsstelsels; vraagt de lidstaten voorts belastingregelingen toe te passen die een impuls geven aan ondernemerschap en werkgelegenheid, met name voor hooggekwalificeerde jongeren, maar ook voor de "generatie 55+", teneinde hun beroepservaring te benutten, de overdracht van hun kennis te waarborgen en onderzoeks- en innovatieprojecten binnen Europese bedrijven te bevorderen; spoort de lidstaten aan de administratieve lasten te verminderen, teneinde ondernemerschap van jongeren te stimuleren;

26.  vraagt om in het kader van het Europees semester en de jaarlijkse groeianalyse onderzoek te doen naar het belang van inkomensbeleid, onder meer met betrekking tot pensioenen, inkomensindicatoren en fiscaal beleid, met als doel de sociale cohesie te waarborgen en de ongelijkheidstrends te keren;

27.  vraagt de lidstaten om meer beoordelingen uit te voeren van en meer te investeren in hun huidige sociale beschermingsstelsels teneinde garanties te bieden betreffende hun prestaties op het gebied van het aanpakken en voorkomen van armoede en ongelijkheid, de houdbaarheid ervan te garanderen in het licht van de verwachte demografische, economische en nieuwe sociale uitdagingen, en de veerkracht van de economieën van de lidstaten in tijden van crises te verbeteren; benadrukt dat kwalitatief hoogwaardige welzijnssystemen en sociale investeringen uitermate belangrijk zijn als Europa haar belangrijkste concurrentievoordeel in de zin van een hoogopgeleide beroepsbevolking en productieve ondernemingen wil handhaven;

28.  wijst erop dat de lidstaten overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel volledig verantwoordelijk dienen te blijven voor de organisatie van hun pensioenstelsels en voor de besluitvorming inzake de rol van elke der drie pensioenpijlers in de individuele lidstaten; is van mening dat pensioenregelingen garanties moeten bieden tegen armoede onder ouderen en dat er daarom beleid moet worden ontwikkeld om de kracht, duurzaamheid en toereikendheid van de eerste pensioenpijler te waarborgen;

29.  spoort de lidstaten aan zich meer erop toe te leggen om het loonverschil tussen mannen en vrouwen te elimineren en actievere maatregelen te nemen ter bevordering van de arbeidsparticipatie van vrouwen; verzoekt de lidstaten en de Commissie om, indien van toepassing met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en met de hulp van de sociale partners, een gezinsvriendelijker beleid te bevorderen dat ouders beter in staat stelt om de zorg en het welzijn van hun kinderen en andere aan hen toevertrouwde personen te garanderen, onder andere door middel van passend moeder- en vaderschapsverlof, betaalbare kinderopvang en gelijke toegang tot de arbeidsmarkt voor personen met zorgverantwoordelijkheden, zodat er een beter evenwicht kan worden gevonden tussen werk en gezin, hetgeen met name van belang is voor de integratie van vrouwen op de arbeidsmarkt; moedigt de lidstaten aan een onderzoek in te stellen naar de blijvend lage geboortecijfers in de EU en te overwegen een gunstigere belastingdifferentiatie toe te passen naar gelang van het aantal kinderen in een huishouden; verzoekt de lidstaten gezinnen niet alleen bij te staan door financiële bijstand te verlenen, maar ook door diensten ter beschikking te stellen;

30.  wijst erop dat een lage bevolkingsdichtheid of een erg verspreid levende bevolking de kosten van publieke diensten zoals gezondheidszorg of onderwijs flink opdrijven; roept de Commissie en de lidstaten op bij de analyse van de gevolgen van demografische veranderingen en de impact ervan op de houdbaarheid van de openbare financiën oog te hebben voor de oorzaken en gevolgen van die veranderingen;

31.  benadrukt dat het EFSI alleen doeltreffend kan zijn indien het zijn investeringen richt op het creëren van nieuwe investeringen op gebieden waar de animo van de beleggers gering is, en dat het geen investeringen moet doen die anders elders gedaan zouden worden en zich niet moet richten op zeer rendabele investeringen die anders sowieso gedaan zouden worden; wijst nog eens op het belang van investeringen in menselijk kapitaal en andere sociale investeringen, zoals gezondheidszorg, kinderopvang of betaalbare huisvesting, en benadrukt eens te meer hoe belangrijk het is dat het pakket sociale-investeringsmaatregelen op doeltreffende wijze ten uitvoer wordt gelegd;

32.  verzoekt de Commissie en de lidstaten alle regeringsniveaus en relevante partijen bij de vaststelling van investeringsbelemmeringen te betrekken, en zich daarbij zowel te richten op de regio's en sectoren wier nood het hoogst is, als op het ter beschikking stellen van passende instrumenten, waarbij publieke en private financiering moeten worden gecombineerd;

Bevordering van duurzame groei door meer investeringen

33.  onderstreept het belang van het bevorderen van duurzame en inclusieve groei die leidt tot het scheppen van meer en betere banen en die iedereen tastbare perspectieven biedt, ook jongeren, om zo de interne en externe uitdagingen waarmee de Unie wordt geconfronteerd, het hoofd te bieden; wijst erop dat er meer aandacht zou moeten uitgaan naar de afstemming van bestaande banen, met inbegrip van die van kwetsbare groepen, aan de snel veranderende arbeidsmarkt en opkomende sectoren, teneinde de duurzaamheid ervan te waarborgen;

34.  vraagt de Commissie en de lidstaten bijzondere aandacht te besteden aan micro- en kleine en middelgrote ondernemingen als essentiële sleutel voor duurzame en inclusieve ontwikkeling en werkgelegenheid, en ervoor te zorgen dat de verschillen tussen het percentage mannelijke en vrouwelijke zelfstandige ondernemers verdwijnen; vraagt de lidstaten om belastingregelingen toe te passen die gunstig zijn voor innovatieve start-ups en die het voor kmo's gemakkelijker maken om banen te creëren, om de invloed van belastingstimulansen op duurzame ontwikkeling in kaart te brengen en om mechanismen te ontwikkelen die dergelijke bedrijven kunnen aanmoedigen om actief te zijn in een internationale omgeving; onderstreept in dit verband het belang van alomvattend en samenhangend beleid op het niveau van de EU, teneinde de lidstaten in staat te stellen het hoofd te bieden aan de uitdagingen waarvoor zij door hun concurrenten van buiten de EU worden gesteld;

35.  vraagt de Commissie om, in nauwe samenwerking met de lidstaten, maatregelen te nemen om betere informatie te verschaffen over alle Europese fondsen en programma's die het potentieel hebben om ondernemerschap, investeringen en toegang tot financiering te bevorderen, zoals Erasmus voor ondernemers, het Europees netwerk van diensten voor de arbeidsvoorziening (EURES), het programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en voor kmo's (Cosme), het programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI) en het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI); herinnert aan het belang van het partnerschapsbeginsel, de "bottom up"-benadering en een goede toewijzing van middelen;

36.  verzoekt de Commissie alle bovengenoemde programma's aan een alomvattende beoordeling te onderwerpen, teneinde een mismatch tussen doelstellingen en behoeften te voorkomen en de administratieve lasten te verminderen; is van mening dat bij een dergelijke herziening ook moet worden onderzocht hoe de programma's in de verschillende lidstaten ten uitvoer worden gelegd, teneinde tot een billijker toegang tot de middelen te komen;

37.  is van mening dat er vanuit het Europees Sociaal Fonds meer middelen moeten worden ingezet voor de financiering van de deelname van werklozen aan opleidingsprogramma's in andere EU-lidstaten dan hun lidstaat van herkomst, naast de deelname aan dergelijke programma's in hun eigen lidstaat, zodat hun integratie in de door hen gekozen Europese arbeidsmarkt eenvoudiger wordt gemaakt en Europees burgerschap wordt gestimuleerd;

38.  verzoekt de lidstaten beleid te formuleren voor het stimuleren van ondernemerschap onder jongeren, vanaf jeugdige leeftijd, door middel van stagemogelijkheden en bedrijfsbezoeken;

39.  verzoekt de lidstaten, met het oog op de bevordering van ondernemerschap onder jongeren, steun te geven aan organisaties en initiatieven die jonge ondernemers helpen bij het ontwikkelen van innovatieve projecten door administratieve, juridische of organisatorische bijstand te verlenen;

40.  wijst erop dat bedrijven in de sociale economie, met inbegrip van bedrijven die sociale diensten aanbieden, zelfs meer moeite moeten doen dan traditionele bedrijven om aan openbare of particuliere financiering te komen, hetgeen onder andere te wijten is aan het feit dat de managers van financiële intermediairs nauwelijks op de hoogte zijn van de huidige stand van zaken in dezen; onderstreept dat dergelijke ondernemingen meer ondersteuning moeten krijgen, met name wat betreft de toegang tot de verschillende vormen van financiering, zoals Europese fondsen; onderstreept dat het, om ondersteuning te beiden aan bedrijven in de sociale economie, ook belangrijk is de administratieve lasten te verminderen; onderstreept het belang van een juridisch kader voor deze bedrijven, bijvoorbeeld in de vorm van een Europees statuut voor coöperaties, verenigingen, stichtingen en onderlinge maatschappijen, dit ter onderkenning van hun activiteiten in de EU en om oneerlijke concurrentie te voorkomen; roept de Commissie op investeringen in de sociale economie te stimuleren en is verheugd dat een deel van de financiële middelen van het EaSI-programma is gereserveerd voor het vergemakkelijken van de toegang tot financiering voor ondernemingen in de sociale en solidaire economie;

41.  benadrukt dat investeringen in sociale bescherming, waaronder in sociale diensten, van grote maatschappelijke en economische waarde zijn; is van oordeel dat dergelijke sociale investeringen binnen de procedure inzake macro-economische onevenwichtigheden flexibeler moeten worden behandeld, zodat de lidstaten worden aangemoedigd in sociale diensten te investeren voor positieve sociaal-economische ontwikkeling;

Een beter gebruik van Europese fondsen ter bevordering van sociale, economische en territoriale cohesie

42.  is verheugd over wat het EFSI heeft bereikt in het eerste jaar van de uitvoering ervan en over de rol die het heeft gespeeld bij het ondersteunen van de beste projecten op Europees niveau; verzoekt de Commissie om ervoor te zorgen dat het EFSI een betere sociaal-economische convergentie tussen de lidstaten en hun regio's in de EU mogelijk maakt, en dat alle lidstaten, overeenkomstig de doelstellingen van het cohesiebeleid, de gelegenheid te baat nemen om toegang te krijgen tot dit fonds; verzoekt de Commissie de investeringen in het kader van het EFSI te monitoren en te controleren; is van mening dat er een rapport moet wordt gepubliceerd waarin de sociaal-economische impact van de investeringen in reële termen in kaart wordt gebracht en wordt gemeten;

43.  wijst erop dat de investeringen prioritair naar infrastructuurprojecten moeten gaan indien deze duidelijk noodzakelijk zijn om voor meer cohesie, sociale rechtvaardigheid of de ontwikkeling van menselijk kapitaal te zorgen of duurzame inclusieve groei te bevorderen; verzoekt de Commissie als eis te stellen dat de verwachte sociale en economische resultaten van elk door de EU gefinancierd investeringsproject vooraf worden gepresenteerd en vervolgens worden gemonitord en geëvalueerd; onderstreept het belang van de preventie van de negatieve gevolgen voor het milieu die deze projecten met zich mee kunnen brengen;

44.  benadrukt, aangezien de lidstaten moeite hebben om de Europese fondsen volledig te benutten, dat de EU moet toezien op een correct en beter gebruik van haar investeringen en dat haar investeringen in overeenstemming moeten zijn met haar prioriteiten en fundamentele waarden zoals neergelegd in de Verdragen en het Handvest van de grondrechten, en op efficiënt beheer van haar middelen, en dat ze daarnaast de administratieve lasten moet verminderen en de barrières in verband met toegang, uitvoering en evaluatie moet slechten; onderstreept dat ervoor moet worden gezorgd dat alle ondernemingen in gelijke mate toegang hebben tot financiering; vraagt de Commissie te zorgen voor nauwlettend toezicht op het gebruik van de EU-middelen;

45.  is verheugd dat de Commissie de lidstaten heeft gevraagd meer sociale investeringen te doen om de Europese economische, sociale en territoriale samenhang een impuls te geven, met name in (formele en informele) gezondheidszorg, alsook in langetermijnzorg en sociale diensten, kinderopvang, huisvestingssteun en rehabilitatiediensten; vraagt bedrijven en alle andere in aanmerking komende begunstigden beter gebruik te maken van de investeringsmechanismen waarin wordt voorzien door Europese fondsen en projecten met directe toepassing; verzoekt de Commissie daarnaast erop toe te zien dat de EU-aanbevelingen naar behoren door de lidstaten ten uitvoer worden gelegd;

46.  wijst erop dat formele en met name informele zorgverleners een belangrijke pijler vormen voor de beheersing van de snel groeiende vraag in verband met de toekomst van de gezondheidszorgstelsels in Europa; onderstreept de noodzaak tot een betere sociale bescherming voor familieleden die instaan voor zorg en die vaak hun betaalde baan moeten afbouwen om onbetaalde zorg te verlenen en hierdoor moeten inboeten op hun socialezekerheidsrechten;

47.  erkent de inspanningen van de Commissie om ervoor te zorgen dat de Europese structuur- en investeringsfondsen meer worden ingezet om de tenuitvoerlegging van de landenspecifieke aanbevelingen te ondersteunen, en wijst op het voorstel dat de Commissie de lidstaten heeft gedaan met betrekking tot de technische bijstand; benadrukt dat deze fondsen niet uitsluitend mogen worden gebruikt voor de uitvoering van de landenspecifieke aanbevelingen, aangezien er dan mogelijk andere belangrijke investeringsgebieden worden uitgesloten;

48.  is het ermee eens dat er een proces van opwaartse economische en sociale convergentie moet worden ontwikkeld om de sociale, economische en territoriale cohesie binnen en tussen de lidstaten en hun regio's te bevorderen, maar wijst erop dat dit moet worden gezien als een doelstelling van een gemeenschappelijk project waarbij de sociale dialoog en het erbij betrekken van de relevante belanghebbenden een centrale rol spelen; wijst erop dat sociaal beleid deel uitmaakt van de gedeelde bevoegdheden van de EU en de lidstaten en dat de rol van de EU in dezen beperkt is tot het ondersteunen en aanvullen van het optreden van de lidstaten, overeenkomstig artikel 153 VWEU en met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel;

49.  pleit voor het aanpakken van economische ongelijkheden, die een belemmering vormen voor de economische groei op de lange termijn; benadrukt dat de kloof tussen de armste gebieden en de rest van de EU toeneemt en roept op tot dringende gerichte inspanningen op zowel Europees als nationaal niveau om de cohesie en de groei in dergelijke regio's te bevorderen; roept de Commissie en de lidstaten dienovereenkomstig op strategische investeringen te stimuleren, om zo, met inachtneming van artikel 174 VWEU en met name in de regio's die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, het concurrentievermogen te vergroten;

50.  vraagt de Commissie artikel 349 VWEU beter toe te passen teneinde de ultraperifere regio's beter te integreren in het Europa van de regio's, en de EU-beleidsmaatregelen te differentiëren teneinde voor billijkheid tussen de regio's te zorgen en opwaartse convergentie te bevorderen; benadrukt dat het noodzakelijk is bijzondere aandacht te blijven besteden aan ultraperifere regio's, niet alleen wat de toewijzing van middelen betreft, maar ook met betrekking tot de impact die het Europees beleid kan hebben op hun sociale situatie en werkgelegenheid; wenst dat de Commissie ervoor zorgt dat Europese besluiten en de toewijzing van middelen vergezeld gaan van passende controles, hetgeen het welzijn van de burgers in ultraperifere regio's aanzienlijk moet verbeteren;

51.  verzoekt de Commissie in het kader van de tussentijdse evaluatie van het meerjarig financieel kader (MFK) na te gaan of het mogelijk is meer financiële middelen voor het ESF uit te trekken om de adequaatheid van de doelstellingen van het fonds te waarborgen en rekening te houden met de nieuwe uitdagingen die erin zijn opgenomen, zoals langdurige werkloosheid en de integratie van vluchtelingen; dringt voorts erop aan dat in het kader van het overeengekomen MFK een specifiek programma wordt ingevoerd voor die subregio's van de EU waar de werkloosheid hoger ligt dan 30 %;

Sociale inclusie als kans voor de samenleving

52.  is ingenomen met de hernieuwing van de geïntegreerde richtsnoeren van de Europa 2020-strategie; benadrukt dat de relevantie van de Europa 2020-strategie sinds de invoering ervan is toegenomen, en vraagt de lidstaten de uitvoering ervan in de praktijk te verbeteren; vraagt de Commissie en de Raad nauwlettender toezicht te houden op de globale en nationale uitvoering ervan; acht het noodzakelijk om een scenario voor na Europa 2020 te ontwikkelen, dat gekoppeld is aan de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling;

53.  is verontrust over het feit dat een baan an sich niet langer een garantie is om aan de armoede te ontsnappen, noch de beste manier om sociale integratie te waarborgen, aangezien in 2014 12,7 % van de beroepsbevolking in armoede leefde, terwijl dit in 2009 nog 11 % was; verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen voor een geïntegreerde anti-armoedestrategie voor de EU, waarmee de multidimensionaliteit van armoede voor alle groepen, met name voor de meest kwetsbare onder hen, wordt aangepakt en geïntegreerde actieve integratie wordt bevorderd, gegrondvest op het recht op hoogwaardige sociale bescherming; roept de Commissie in dit verband opnieuw op een initiatief te ontwikkelen ter bevordering van de invoering van een minimumloon in de lidstaten, zonder daarmee inbreuk te plegen op het subsidiariteitsbeginsel;

54.  verzoekt de lidstaten om de tenuitvoerlegging en monitoring van effectievere, efficiëntere en meer inclusieve vormen van socialebeschermingsstelsels en inkomenssteun, teneinde ervoor te zorgen dat deze stelsels werklozen en mensen die risico lopen op sociale uitsluiting een passend bestaan bieden, dat sociale afhankelijkheid niet wordt bestendigd door deze mechanismen, maar dat de toegang tot onderwijs, scholing en de arbeidsmarkt erdoor wordt gewaarborgd; vraagt de Commissie en de lidstaten best practices uit te wisselen over de doeltreffendheid van een minimuminkomen in verband met het verminderen van de ongelijkheid en sociale uitsluiting in Europa;

55.  moedigt de lidstaten aan de nodige maatregelen te nemen om vluchtelingen en migranten die legaal in de EU verblijven, overeenkomstig de toepasselijke asielwetgeving te integreren; wijst er echter op dat dergelijke maatregelen alleen doeltreffend kunnen zijn als zij door alle lidstaten worden opgesteld en uitgevoerd; is van mening dat voor een dergelijke aanpak passende middelen moeten worden uitgetrokken die, gezien de huidige precaire situatie, niet door de lidstaten alleen kunnen worden verstrekt; vraagt de Commissie de nodige financiering te verstrekken om, als onderdeel van de tussentijdse evaluatie van het meerjarig financieel kader (MFK), een dergelijke holistische aanpak van migratie te ontwikkelen; verzoekt de Commissie en de lidstaten passende maatregelen te nemen om vluchtelingen te helpen zich te vestigen en te integreren, en ervoor te zorgen dat de openbare diensten over voldoende middelen beschikken en tijdig anticiperen op de behoeften om een vlotte overgang van vluchtelingen naar de arbeidsmarkt te vergemakkelijken, onder meer door middel van mechanismen voor de erkenning van vaardigheden en competenties; benadrukt dat de lokale autoriteiten en sociale partners een prominente rol moeten spelen om de goede integratie van migranten op de arbeidsmarkt te vergemakkelijken en arbeidsuitbuiting te voorkomen;

56.  dringt er bij de lidstaten op aan alle bepalingen die zijn opgenomen in de bijgewerkte Europese migratieagenda, volledig om te zetten in nationale wetgeving en ten uitvoer te leggen; vindt het betreurenswaardig dat de Commissie 40 inbreukbesluiten heeft moeten nemen tegen verschillende lidstaten, onder meer met betrekking tot de ingebrekestelling van 19 lidstaten omdat zij niet de nodige maatregelen hadden genomen om de richtlijn opvangvoorzieningen om te zetten; steunt de Commissie bij haar inspanningen om de Europese migratieagenda te versterken;

57.  wijst de lidstaten erop dat er, gezien de vergrijzing van de Europese bevolking en de hoge werkloosheidspercentages onder jongeren in sommige delen van Europa, een sociaal risico ontstaat als zij de komende decennia niet in staat zijn de houdbaarheid, veiligheid, toereikendheid en doelmatigheid van de socialezekerheidsstelsels te garanderen; moedigt de lidstaten daarom aan strategieën te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat meer mensen actief kunnen blijven binnen de samenleving;

58.  vraagt de Commissie en de lidstaten samen ernaar toe te werken dat de belemmeringen die een billijke arbeidsmobiliteit in de weg staan, worden weggenomen, aangezien vrij verkeer een grondrecht van de EU is, en er verder niet alleen voor te zorgen dat de arbeidsparticipatie wordt bevorderd, maar ook dat migrerende werknemers uit de EU hetzelfde worden behandeld als werknemers uit de lidstaten zelf en dat ze niet onrechtmatig worden behandeld of worden gediscrimineerd en hun werkgelegenheids- en sociale rechten kunnen genieten;

59.  verzoekt de Commissie en de lidstaten steun te verlenen aan arbeidsmobiliteit binnen de Unie, als middel voor het creëren van kansen voor zowel werknemers als bedrijven; verzoekt de lidstaten de Europese instrumenten ter bevordering van deze arbeidsmobiliteit, met name Eures, het netwerk voor Europese banen, te gebruiken en te bevorderen; moedigt de lidstaten aan om in grensoverschrijdende regio's waar de arbeidsmobiliteit zeer groot is, grensoverschrijdende Eures-partnerschappen op te zetten om werknemers bij te staan bij hun mobiliteitsplannen;

60.  verzoekt de Commissie een concreet plan op te stellen over de wijze waarop het Europees semester zal worden gebruikt om de beginselen van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap ten uitvoer te leggen,

61.  merkt op dat de sociale dialoog een essentieel instrument is om de arbeidsvoorwaarden te verbeteren en dat in dit verband het bestaan van sterke vakbonden, de inspraak van werknemers in bedrijfsaangelegenheden en de versterking van collectieve overeenkomsten de noodzakelijke voorwaarden zijn voor het waarborgen van de best mogelijke omstandigheden voor de dialoog tussen de sociale partners; verzoekt de Commissie en de lidstaten de kwaliteit van de sociale dialoog op Europees niveau een impuls te geven door te zorgen voor tijdig en zinvol overleg met de sociale partners en voor de noodzakelijke analyse en integratie van voorstellen in de besluitvorming;

62.  roept de Commissie en de lidstaten op zich meer in te spannen om sociale dumping en loondumping in de EU aan te pakken, die aanzienlijke schade berokkenen aan de werknemers die erdoor worden getroffen, evenals aan de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten; roept voorts ertoe op de sociale partners op alle niveaus bij deze inspanningen te betrekken;

Betere coördinatie van het Europees semester

63.  is ingenomen met de aanbeveling van de Commissie over de eurozone, waarin de gezamenlijke analyse en de vaststelling van strategieën voor de sociale en economische dimensie van de lidstaten in het kader van de EMU worden samengevoegd, en benadrukt dat deze criteria met elkaar in overeenstemming moeten worden gebracht; waarschuwt echter dat er mogelijk een tweedeling binnen de EU zou kunnen ontstaan;

64.  is van mening dat de aanbeveling over de eurozone het uitgangspunt moet vormen voor de versterking van de sociale dimensie in de zin van:

(a) sterkere mechanismen voor het afleggen van democratische verantwoording, zowel op EU-niveau als op het niveau van de lidstaten, met inbegrip van een interinstitutioneel akkoord en de waarborg dat alle nationale parlementen van de eurozone de mogelijkheid hebben alle stappen van het Europees semester volgen;

(b) een sociale dimensie die niet alleen op het behoud van de Europese sociale markteconomie is gericht, maar ook op betere loondrempels, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en, indien van toepassing, in de vorm van passende minimumlonen die met inspraak van de sociale partners worden vastgesteld;

(c) gezamenlijke bijeenkomsten van de Raad werkgelegenheid, sociaal beleid, volksgezondheid en consumentenzaken (de Raad Epsco) en de Raad economische en financiële zaken (de Raad Ecofin) om gecoördineerde sociale en economische beleidsmaatregelen te bevorderen die gericht zijn op de versterking van het concurrentievermogen in Europa en tevens op de duurzame stimulering van groei en kwalitatieve werkgelegenheid;

(d) bijeenkomsten van de ministers van Arbeid en Sociale Zaken van de eurozone, om de sociale dimensie beter te integreren en sociale wanverhoudingen naar behoren aan te pakken;

65.  verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk het voorstel voor een pijler van sociale rechten in te dienen, waarmee als onderdeel van de inspanningen ter verwezenlijking van een billijke en een echt pan-Europese arbeidsmarkt, in de hele EU een gelijk speelveld tot stand kan worden gebracht en waarmee de sociale en arbeidsrechten worden gewaarborgd en opwaartse economische en sociale convergentie wordt bevorderd, om zo de economische en sociale ongelijkheden tussen de lidstaten en in de samenleving aan te pakken;

66.  roept de Commissie op te voorzien in een passende monitoring en follow-up van de tenuitvoerlegging van de landenspecifieke aanbevelingen en ervoor te zorgen dat er voldoende aandacht uitgaat naar kwesties op het gebied van werkgelegenheid en sociale integratie;

67.  vraagt om de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei een grotere rol te laten spelen en wenst dat de doelstellingen ervan, met name die van sociale aard, dienovereenkomstig worden weerspiegeld in alle instrumenten van het semester, met inbegrip van de landenspecifieke aanbevelingen;

68.  is verheugd dat de Commissie een duidelijk onderscheid heeft gemaakt tussen een Europese en een nationale fase in het Europees semester; onderstreept de noodzaak van nauwere coördinatie tussen de Europese instellingen bij het ontwerpen, uitvoeren en evalueren van de Europese strategie voor duurzame en inclusieve groei; vraagt de Commissie in dit verband een duidelijke agenda op te stellen, waarbij ook de sociale partners, de nationale parlementen en andere relevante belanghebbenden uit het maatschappelijk middenveld worden betrokken, en ervoor te zorgen dat de tijdsplanning om op basis van de inbreng van de Commissie, het Parlement en de Raad tijdens de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad de beleidsprioriteiten vast te stellen, onveranderd blijft; vindt dat de Commissie zou kunnen controleren of suggesties om bepaalde landenspecifieke aanbevelingen "in overleg met de sociale partners" uit te voeren, zijn overgenomen, en hierover verslag zou kunnen uitbrengen;

69.  meent dat het van cruciaal belang is om de sociale partners op zowel Europees als nationaal niveau een grotere rol te laten spelen teneinde het Europese en nationale groeibeleid op elkaar af te stemmen en ervoor te zorgen dat het in de praktijk werkt; benadrukt dat het sociaal overleg in alle fasen van het Europees semester moet worden voortgezet teneinde de opwaartse convergentie te doen vorderen en een evenwicht te bereiken tussen concurrentievermogen en billijkheid; is in dit verband ingenomen met de inspanningen van de Commissie om een nieuwe impuls te geven aan de sociale dialoog en de gestroomlijnde aanpak van de jaarlijkse groeianalyse 2015; wijst er evenwel op dat de situatie op nationaal niveau nog steeds wankel is;

70.  is van oordeel dat de Commissie de rol van de bij het Europees Semester betrokken ambtenaren kan versterken door hun doelstellingen en taken beter te definiëren;

71.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

17.2.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

38

9

8

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laura Agea, Guillaume Balas, Tiziana Beghin, Brando Benifei, Mara Bizzotto, Vilija Blinkevičiūtė, Enrique Calvet Chambon, David Casa, Ole Christensen, Jane Collins, Martina Dlabajová, Lampros Fountoulis, Elena Gentile, Arne Gericke, Thomas Händel, Marian Harkin, Czesław Hoc, Danuta Jazłowiecka, Agnes Jongerius, Jan Keller, Ádám Kósa, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Jean Lambert, Jérôme Lavrilleux, Patrick Le Hyaric, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Javi López, Thomas Mann, Dominique Martin, Joëlle Mélin, Elisabeth Morin-Chartier, Emilian Pavel, João Pimenta Lopes, Marek Plura, Sofia Ribeiro, Maria João Rodrigues, Claude Rolin, Anne Sander, Sven Schulze, Siôn Simon, Jutta Steinruck, Romana Tomc, Ulrike Trebesius, Marita Ulvskog, Renate Weber, Tatjana Ždanoka, Jana Žitňanská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Amjad Bashir, Tania González Peñas, Sergio Gutiérrez Prieto, António Marinho e Pinto, Tamás Meszerics, Neoklis Sylikiotis, Ivo Vajgl

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

38

+

ALDE Group

NI

PPE Group

 

S&D Group

 

 

 

Verts/ALE Group

 

Enrique Calvet Chambon, Marian Harkin, António Marinho e Pinto, Ivo Vajgl, Renate Weber

Lampros Fountoulis,

David Casa, Danuta Jazłowiecka, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Ádám Kósa, Jérôme Lavrilleux, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Thomas Mann, Elisabeth Morin-Chartier, Marek Plura, Sofia Ribeiro, Claude Rolin, Anne Sander, Sven Schulze, Romana Tomc,

Guillaume Balas, Brando Benifei, Vilija Blinkevičiūtė, Ole Christensen, Elena Gentile, Sergio Gutiérrez Prieto, Agnes Jongerius, Jan Keller, Javi López, Emilian Pavel, Maria João Rodrigues, Siôn Simon, Jutta Steinruck, Marita Ulvskog,

 

Jean Lambert, Tamás Meszerics, Tatjana Ždanoka,

 

9

-

EFDD Group

ENF Group

GUE/NGL Group

 

Jane Collins,

Mara Bizzotto, Dominique Martin, Joëlle Mélin,

Tania González Peñas, Thomas Händel, Patrick Le Hyaric, João Pimenta Lopes, Neoklis Sylikiotis,

 

8

0

ALDE Group

ECR Group

EFDD Group

 

Martina Dlabajová,

Amjad Bashir, Arne Gericke, Czesław Hoc, Ulrike Trebesius, Jana Žitňanská,

Laura Agea, Tiziana Beghin,

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0261.

(2)

PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 57.

(3)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0401.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0384.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0389.

(6)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0320.

(7)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0261.

(8)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0068.

(9)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0060.

(10)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0010.

(11)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0394.

(12)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0043.

(13)

Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0062.

(14)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0033.

(15)

http://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/SR15_03/SR15_03_NL.pdf

(16)

http://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=89⟨Id=en≠wsId=2193&furtherNews=yes

(17)

http://www.eurofound.europa.eu/european-working-conditions-surveys-ewcs

(18)

Gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2016, blz. 2.

(19)

http://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/SR15_03/SR15_03_NL.pdf

(20)

Study on Precarious Work and Social Rights (VT/2010/084), blz. 164-170

(21)

http://ec.europa.eu/social/BlobServlet?docId=9770&langId=en 

(22)

Vermeld in haar aanbeveling van 12 maart 2014

(23)

Gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid 2016, blz. 19

Juridische mededeling