Procedure : 2015/2230(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0034/2016

Ingediende teksten :

A8-0034/2016

Debatten :

PV 07/03/2016 - 17
CRE 07/03/2016 - 17

Stemmingen :

PV 08/03/2016 - 6.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0072

VERSLAG     
PDF 347kWORD 138k
23.2.2016
PE 573.219v02-00 A8-0034/2016

over gendermainstreaming in de werkzaamheden van het Europees Parlement

(2015/2230(INI))

Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

Rapporteur: Angelika Mlinar

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over gendermainstreaming in de werkzaamheden van het Europees Parlement

(2015/2230(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM),

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–  gezien het VN-verdrag van 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–  gezien de verklaring en het actieplatform van Peking, die op 15 september 1995 zijn goedgekeurd op de vierde Wereldvrouwenconferentie, de latere slotdocumenten die zijn aangenomen op de speciale bijeenkomsten van de Verenigde Naties Peking +5 (2000), Peking +10 (2005) en Peking +15 (2010), en het slotdocument van de toetsingsconferentie Peking +20,

–  gezien de conclusies van de Raad van 26 mei 2015 over gender in ontwikkeling,

–  gezien het gezamenlijke werkdocument van 21 september 2015 getiteld "Gendergelijkheid en empowerment van vrouwen: het leven van meisjes en vrouwen via de externe betrekkingen van de EU veranderen (2016-2020) (SWD(2015)0182) en de Conclusies van de Raad van 26 oktober 2015 inzake het genderactieplan 2016-2020,

–  gezien artikel 3 van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, dat "gender" definieert als "de sociaal geconstrueerde rollen, gedragingen, activiteiten en eigenschappen die een bepaalde maatschappij passend acht voor vrouwen en mannen",

–  gezien het Europees pact voor gendergelijkheid (2011-2020) dat werd aangenomen door de Europese Raad in maart 2011,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 maart 2010 getiteld "Een grotere inzet voor de gelijkheid van vrouwen en mannen: Een Vrouwenhandvest" (COM(2010)0078),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 september 2010 getiteld "Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015" (COM(2010)0491),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019" (SWD(2015)0278),

–  gezien het onderzoeksverslag van de Commissie getiteld "Beoordeling van de sterke en zwakke punten van de strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015",

–  gezien de Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2014-2017 van de Raad van Europa,

–  gezien de in 2015 gepubliceerde studie van het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) getiteld "Advancing women in political decision-making – Way forward",

–  gezien de conclusies en aanbevelingen in het rapport van het EIGE over genderspecifieke parlementen: een mondiaal overzicht van goede praktijken, gepubliceerd in 2011,

–  gezien zijn resoluties van 10 februari 2010 over gelijkheid tussen vrouwen en mannen in de Europese Unie – 2009(1), van 8 maart 2011 over gelijkheid tussen vrouwen en mannen in de Europese Unie – 2010(2), van 13 maart 2012 over gelijkheid tussen vrouwen en mannen in de Europese Unie – 2011(3) en van 10 maart 2015 over vooruitgang op het gebied van de gelijkheid tussen vrouwen en mannen in de Europese Unie in 2013(4),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2003 over gendermainstreaming in het Europees Parlement(5),

–  gezien zijn resolutie van 18 januari 2007 over de geïntegreerde benadering van de gelijkheid van mannen en vrouwen in de werkzaamheden van de commissies(6),

–  gezien zijn resolutie van 22 april 2009 over de geïntegreerde benadering van gendergelijkheid in het kader van de werkzaamheden van de commissies en delegaties(7),

–  gezien zijn resolutie van 7 mei 2009 over gendermainstreaming in de externe betrekkingen van de EU en haar vredesopbouw/natievorming(8),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2012 over vrouwen in politieke besluitvorming ‑ kwaliteit en gelijkheid(9),

–  gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015(10),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 februari 1996 getiteld "Integratie van de gelijke kansen voor vrouwen en mannen in alle communautaire beleidsvormen en acties" (COM(1996)0067), waarin zij zich verbond aan "de bevordering van de gelijke kansen voor vrouwen en mannen [...] in het geheel van acties en beleidsvormen [...] op alle niveaus", waarmee feitelijk het principe van gendermainstreaming werd vastgelegd,

–  gezien de in 2014 gepubliceerde studie van beleidsondersteunende afdeling C van het Europees Parlement getiteld "Evaluatie van de bijdrage van de strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015 aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het actieprogramma van Peking",

–  gezien de in 2014 gepubliceerde studie van beleidsondersteunende afdeling C van het Europees Parlement getiteld "Gendermainstreaming in commissies en delegaties van het Europees Parlement",

–  gezien de in 2015 gepubliceerde studie van beleidsondersteunende afdeling D van het Europees Parlement getiteld "De EU-begroting voor gendergelijkheid",

–  gezien de in mei 2014 gepubliceerde nota van UN Women getiteld "Guidance on the development of gender equality and the empowerment of women policies",

–  gezien het in 2014 gepubliceerde document van het European Policy Institutes Network getiteld "Advances in EU Gender Equality: Missing the mark?",

–  gezien het jaarverslag 2014 van de personeelsdienst, gepubliceerd door het directoraat‑generaal Personeelszaken,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0034/2016),

A.  overwegende dat artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bepaalt dat gendermainstreaming een horizontaal beginsel is, en dat artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) bepaalt dat gelijkheid van vrouwen en mannen een waarde is waarop de Unie berust;

B.  overwegende dat het Handvest van de grondrechten specifieke bepalingen bevat over gelijkheid tussen vrouwen en mannen als horizontaal beginsel, en dat artikel 6 VEU bepaalt dat het Handvest dezelfde juridische waarde heeft als de Verdragen;

C.  overwegende dat het verwezenlijken van gelijkheid tussen vrouwen en mannen van wezenlijk belang is voor de bescherming van de mensenrechten, voor de werking van de democratie, voor de eerbiediging van de rechtsstaat en voor economische groei, sociale insluiting en duurzaamheid;

D.  overwegende dat er geen schot zit in de verwezenlijking van gendergelijkheid in de EU, en het in dit tempo nog enige tijd zal duren voordat er gelijkheid is;

E.  overwegende dat de Commissie in haar Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019 beloofde werk te blijven maken van gendermainstreaming, onder meer door middel van beoordelings- en monitoringsactiviteiten; overwegende dat de Commissie wat betreft haar strategisch engagement voor gendergelijkheid na 2015 echter slechts volstaat met een intern werkdocument;

F.  overwegende dat de vijfde doelstelling van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen het bereiken van gendergelijkheid in uiterlijk 2030 is;

G.  overwegende dat gendermainstreaming gedefinieerd wordt als "de integratie van een genderperspectief in alle fasen van het EU-beleid – voorbereiding, ontwerp, tenuitvoerlegging, monitoring en beoordeling van het beleid, wettelijke maatregelen en bestedingsprogramma's – om de gelijkheid tussen vrouwen en mannen te bewerkstelligen"(11);

H.  overwegende dat gendermainstreaming ook de rechten en standpunten en het welzijn van LGBTIQ's en mensen van welke genderidentiteit dan ook moet omvatten;

I.  overwegende dat gendermainstreaming zowel proactief als reactief ingezet moet kunnen worden om gelijkheid tussen vrouwen en mannen te verwezenlijken;

J.  overwegende dat gendermainstreaming op zichzelf geen beleidsdoelstelling is, maar een essentieel middel om gendergelijkheid te bewerkstelligen, en dat het altijd gecombineerd wordt met andere specifieke acties en beleidsmaatregelen om gendergelijkheid te bevorderen;

K.  overwegende dat het tot de verantwoordelijkheden van de bevoegde commissie behoort om er mede voor te zorgen dat gendermainstreaming in alle beleidsdomeinen ten uitvoer wordt gelegd en verder wordt ontwikkeld;

L.  overwegende dat de meerderheid van de parlementaire commissies over het algemeen belang hecht aan gendermainstreaming (in het kader van hun wetgevingswerkzaamheden, bij hun contacten met de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en bij de opstelling van actieplannen inzake gelijkheid), maar dat een aantal commissies niet of nauwelijks aandacht aan dit onderwerp schenkt;

M.  overwegende dat de bevoegde commissie sinds de vorige zittingsperiode de werkwijze heeft ontwikkeld om door middel van "amendementen gendermainstreaming" (GMA's) specifieke bijdragen te leveren aan de verslagen van andere commissies; overwegende dat een in 2014 gepubliceerde studie(12) heeft uitgewezen dat van de GMA's die tussen juli 2011 en februari 2013 ingediend werden, 85 % opgenomen werd in de definitieve verslagen die door de ten principale bevoegde commissies goedgekeurd werden; overwegende dat er gegevens verzameld moeten worden met betrekking tot de periode na februari 2013, om ook de huidige stand van zaken op het gebied van gendermainstreaming in het Parlement te kunnen beoordelen;

N.  overwegende dat, overeenkomstig de resolutie over gendermainstreaming uit 2003, elke parlementaire commissie één lid benoemt tot verantwoordelijke voor gendermainstreaming, en er zo een "netwerk voor gendermainstreaming" is ontstaan; overwegende dat in de daaropvolgende resoluties over dit onderwerp opgeroepen werd om het netwerk verder uit te bouwen en om een gelijkaardig netwerk op te richten in de interparlementaire delegaties; overwegende dat het netwerk ondersteund wordt door een netwerk op personeelsniveau in de secretariaten van de commissies;

O.  overwegende dat de leden van het netwerk een vragenlijst hebben ingevuld ter beoordeling van de stand van zaken van gendermainstreaming in hun respectieve beleidsdomeinen;

P.  overwegende dat bij het MFK (meerjarig financieel kader) een gezamenlijke verklaring hoort van de drie instellingen, die overeengekomen zijn dat "in de jaarlijkse begrotingsprocedures voor het MFK 2014-2020 waar nodig genderelementen zullen worden geïntegreerd, waarbij rekening wordt gehouden met de wijze waarop het algeheel financieel kader van de Unie aan meer gendergelijkheid bijdraagt (en voor gendermainstreaming zorgt)"; overwegende dat er desondanks in de praktijk meer inspanningen moeten worden gedaan ter bevordering van gendermainstreaming en empowerment van vrouwen, omdat de bestaande beleidsmaatregelen slechts zeer ten dele ten uitvoer zijn gelegd en er onvoldoende financiële middelen beschikbaar zijn gesteld voor genderkwesties;

Q.  overwegende dat genderbudgettering door geen van de EU-instellingen consequent wordt toegepast;

R.  overwegende dat het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE) werd opgericht om de gelijkheid tussen vrouwen en mannen te bevorderen, onder meer door middel van gendermainstreaming in al het beleid van de Unie en het daaruit voortvloeiende nationale beleid; overwegende dat het EIGE een Platform voor gendermainstreaming heeft ontwikkeld en een gendergelijkheidswoordenboek met een verklarende woordenlijst heeft opgesteld ter ondersteuning van beleidsmakers, personeel van EU‑instellingen en overheidsorganen bij de integratie van een genderperspectief in hun werkzaamheden;

S.  overwegende dat gendermainstreaming zowel gaat over het integreren van een genderperspectief in de inhoud van de verschillende beleidsdomeinen, als over het zorgen voor vertegenwoordiging van vrouwen en mannen en personen van welke genderidentiteit dan ook in die beleidsdomeinen; overwegende dat deze twee facetten in alle fasen van het beleidsvormingsproces de nodige aandacht moeten krijgen;

T.  overwegende dat alle interne en externe EU-beleidsmaatregelen zodanig ontworpen moeten zijn dat zij in gelijke mate jongens en meisjes, mannen en vrouwen, en alle andere genderidentiteiten ten goede komen;

U.  overwegende dat de tenuitvoerlegging van gendermainstreaming in het evaluatieverslag van de Commissie over de strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010‑2015 wordt genoemd als een van de belangrijkste zwakke punten;

V.  overwegende dat een gendergevoelig parlement een cruciale rol speelt bij het bestrijden van genderongelijkheid, het bevorderen van gelijke economische, sociale en politieke participatie van vrouwen en mannen en het uitbreiden van het kader voor gendergelijkheid;

W.  overwegende dat scholing van EP-leden en -personeelsleden, met name personen die een leidinggevende functie bekleden, op het gebied van gendermainstreaming van cruciaal belang is bij het bevorderen van de integratie van het genderperspectief op alle beleidsgebieden en in alle fasen van de beleidsvorming;

X.  overwegende dat onvoldoende middelen en personeel worden toegekend om een reële vooruitgang in de gendermainstreaming van de werkzaamheden van het Parlement te waarborgen;

Y.  overwegende dat de systematische en periodieke verzameling van naar geslacht uitgesplitste gegevens en statistieken bij beleidseffectbeoordelingen en in het kader van de beleidsvorming onontbeerlijk is om de vooruitgang op het vlak van gendergelijkheid te kunnen analyseren; overwegende dat er binnen het Parlement meer degelijk onderzoek gedaan moet worden om het belang en de gevolgen van instrumenten op het gebied van gendermainstreaming voor beleidsresultaten, -oplossingen en wetgevingsteksten in kaart te brengen;

Z.  overwegende dat vrouwen in besluitvormende topfuncties op politiek en administratief niveau ondervertegenwoordigd blijven, ook binnen de fracties van het Parlement; overwegende dat vrouwen vaak voorzitter zijn van de commissies die minder te maken hebben met de toewijzing van middelen en economische besluitvorming; overwegende het Parlement ervoor moet zorgen dat de verhouding tussen mannen en vrouwen in besluitvormende functies evenwichtig is, om de kwaliteit van de besluitvorming te verbeteren; overwegende dat ook mannen betrokken moeten worden bij de bevordering van gendergelijkheid op alle gebieden en op alle niveaus en dat mannelijke EP-leden aangespoord moeten worden om zich binnen hun werkzaamheden met gendermainstreaming bezig te houden;

Aa.  overwegende dat het Parlement beschikt over de organisatorische structuur om gendermainstreaming bij zijn activiteiten te bevorderen, maar dat deze structuur beter gecoördineerd, versterkt en uitgebreid moet worden, door middel van een versterkte politieke en bestuurlijke inzet, om een hogere mate van gendergelijkheid te verwezenlijken;

Ab.  overwegende dat de interinstitutionele samenwerking tussen het Parlement, de Raad en de Commissie op het gebied van gendermainstreaming moet worden verbeterd, om ervoor te zorgen dat genderperspectieven in alle fasen van de beleidsvorming kunnen worden geïntegreerd en de gendermainstreaming bij de werkzaamheden van het Parlement wordt ondersteund;

Ac.  overwegende dat de inbreng van externe belanghebbenden, zoals maatschappelijke organisaties, lokale organisaties die zich inzetten voor vrouwenrechten en gendergelijkheid, internationale instellingen, de academische wereld en nationale parlementen, een belangrijke rol speelt bij de verbetering van de gendermainstreamingprocessen van het Parlement en tevens onmisbaar is als het gaat om het uitwisselen van informatie met het oog op de bevordering van beste praktijken;

Ad.  overwegende dat in de resolutie van het Parlement over gendermainstreaming uit 2007 wordt voorgesteld de gendermainstreaming bij de werkzaamheden van het Parlement elke twee jaar te beoordelen;

Algemene beoordeling van het huidige institutionele kader

1.  is van mening dat een genderperspectief maar in een beleidsproces geïntegreerd is als twee verschillende facetten in overweging worden genomen: de inhoud van het beleid, en de gendervertegenwoordiging in de diensten en bij de beleidsvorming; merkt voorts op dat het voor het streven naar gendergelijkheid van cruciaal belang is om te kunnen beschikken over duidelijke gegevens over de gevolgen van het beleid;

2.  merkt op dat binnen het organigram van het Parlement verschillende organen de taak hebben om gendermainstreaming te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen, zowel op beleidsniveau als op niveau van de dagelijkse werking:

  –  de Groep op hoog niveau inzake gendergelijkheid en diversiteit, die verantwoordelijk is voor het stimuleren van volledige gelijkwaardigheid tussen vrouwen en mannen op alle vlakken van de dagelijkse werking van het secretariaat van het Parlement;

  –  de commissie die bevoegd is voor specifieke maatregelen ter integratie van een genderperspectief in het werk van de andere commissies en delegaties;

  –  het netwerk voor gendermainstreaming;

  –  de diensten die ervoor moeten zorgen dat er in alle functies van het organigram een evenwichtige gendervertegenwoordiging is;

3.  betreurt dat de activiteiten van deze verschillende voor gendermainstreaming bevoegde organen niet worden gecoördineerd of geïntegreerd, noch binnen het Parlement noch in samenwerking met andere instellingen (er is geen interinstitutioneel samenwerkingsmechanisme voor gendermainstreaming); neemt zich voor om een daadwerkelijke samenwerking tussen alle actoren binnen dit institutioneel kader tot stand te brengen, op basis van specifieke mechanismen zoals monitoring en feedback over prestaties;

4.  spreekt nogmaals de belofte uit om regelmatig een beleidsplan voor gendermainstreaming binnen het Parlement goed te keuren en ten uitvoer te leggen, teneinde gendergelijkheid in het algemeen te bevorderen door het genderperspectief te integreren in zijn beleid en in zijn activiteiten, ook in beleidsvormingsstructuren en administratie;

5.  roept op om het netwerk voor gendermainstreaming, waarin niet alleen de commissies vertegenwoordigd zijn maar ook de interparlementaire delegaties, verder uit te bouwen, en vraagt dat het netwerk volledig betrokken wordt bij de regelmatige monitoring van gendermainstreaming over de beleidsgrenzen heen; wijst op het belang van een grotere deelname van EP-leden aan dit netwerk en pleit ervoor om bij het netwerk, net als bij commissies en delegaties, plaatsvervangende EP-leden aan te wijzen, zodat de participatiegraad zal stijgen;

6.  benadrukt dat volgens de bovengenoemde studie uit 2014 procedures waarbij met andere commissies wordt samengewerkt het meest doeltreffend zijn om een gendergelijkheidsperspectief in het beleidsvormingsproces te integreren; benadrukt dat het belangrijk is dat de andere commissies hun medewerking verlenen aan gendermainstreaming, en dit in hun werkzaamheden implementeren;

7.  verzoekt de bevoegde diensten om te blijven werken aan maatregelen die voor een beter evenwicht tussen werk en privéleven moeten zorgen; betreurt dat vrouwelijke ambtenaren van het EP vooral tot de functiegroep assistent (AST) behoren; vraagt om de gendergelijkheid binnen het Parlement jaarlijks te analyseren op basis van naar geslacht uitgesplitste gegevens, op alle personeelsniveaus en in alle politieke organen, en vraagt dat het verslag hiervan openbaar wordt gemaakt;

8.  pleit voor het aanpakken van de structurele belemmeringen en voor het scheppen van een klimaat dat gunstig is voor de participatie van vrouwen in beleidsbepalende functies op welk niveau dan ook, zoals maatregelen voor het verenigen van werk, privé- en gezinsleven en positieve acties die zich richten op het vergroten van het aantal personen van het ondervertegenwoordigde geslacht in functies die hetzij door mannen hetzij door vrouwen gedomineerd worden; verzoekt politieke partijen hun verantwoordelijkheden ter zake van het bevorderen van de deelname van vrouwen te nemen, aangezien de bevoegdheid om kandidaten te werven, te selecteren en te nomineren bij de politieke partijen ligt;

9.  betreurt dat de streefcijfers voor genderevenwicht in het hoger en middenkader die in 2006 door het Bureau werden goedgekeurd (verslag-Kaufmann), niet tegen de deadline van 2009 werden gehaald en ook tot op heden niet zijn verwezenlijkt; merkt op dat de Groep op hoog niveau inzake gendergelijkheid en diversiteit deze streefcijfers telkens voor de daaropvolgende jaren heeft overgenomen; dringt erop aan dat er doeltreffende en ingrijpende maatregelen worden genomen om deze gendergelijkheidsdoelstellingen op zo kort mogelijke termijn te realiseren;

10.  merkt op dat de Groep op hoog niveau inzake gendergelijkheid en diversiteit bevoegd is voor de goedkeuring van een Actieplan voor de bevordering van gelijkheid en diversiteit in het Parlement, en voor de opvolging van de implementatie ervan; verzoekt de Groep op hoog niveau om met de steun van de bevoegde diensten een alomvattende routekaart voor gendergelijkheid in te dienen, die aangeeft hoe de vertegenwoordiging van vrouwen in het hoger en middenkader tegen 2020 tot 40 % verhoogd kan worden; verzoekt het directoraat-generaal Personeelszaken en de fracties te overwegen om, als er een vacature is, voor de functie van afdelingshoofd zowel een vrouw als een man voor te dragen;

11.  pleit ervoor dat de vaste rapporteur voor gendermainstreaming, als die functie eenmaal is ingesteld, met de Groep op hoog niveau samenwerkt om te waarborgen dat de voor het secretariaat en het personeel van het Parlement geldende streefcijfers inzake gendermainstreaming worden gehaald;

12.  verzoekt de fracties de mogelijkheid te overwegen om zowel een vrouw als een man als kandidaat-voorzitter voor commissies en werkgroepen voor te stellen;

13.  merkt op dat gelijke vertegenwoordiging van mannen en vrouwen binnen alle commissies wenselijk is, voor zover de omstandigheden dat toelaten; verzoekt de fracties te overwegen op gecoördineerde wijze in alle commissies EP-leden van het ondervertegenwoordigde geslacht te benoemen; verzoekt de fracties een gelijk aantal mannelijke en vrouwelijke EP-leden te benoemen als leden en leden-plaatsvervangers van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, om de betrokkenheid van mannen bij het gendergelijkheidsbeleid te vergroten;

Instrumenten voor gendermainstreaming

14.  benadrukt dat het gebruik van GMA's doeltreffender is dan werken met adviezen, omdat GMA's beknopter zijn, sneller ingediend kunnen worden en fundamentele, specifieke en afgebakende kwesties betreffen; roept de bevoegde commissie opnieuw op om deze werkwijze met GMA's in het reglement op te nemen, met inachtneming van de specifieke rol die de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid vervult bij gendermainstreaming als een horizontaal principe; dringt aan op nauwere samenwerking tussen de commissies en op doeltreffende coördinatie, zowel op politiek als op administratief niveau, tussen het netwerk voor gendermainstreaming en de bevoegde commissie, met als doel om de genderdimensie daadwerkelijk een plaats te geven in de verslagen; wijst erop dat de leden van het netwerk in de commissies een belangrijke taak hebben, omdat zij ervoor zorgen dat de bevoegde commissie een doeltreffende bijdrage kan leveren in de vorm van GMA's en adviezen, en dringt aan op doeltreffende coördinatie tussen de verantwoordelijke leden van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de leden van het netwerk in het kader van de GMA-procedure; wijst op het belang van nauwe samenwerking inzake GMA's en adviezen tussen de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de secretariaten van de ten principale bevoegde commissies, om te zorgen voor een optimale organisatie en planning voor een doeltreffende input in het verslag;

15.  betreurt het dat er nog steeds geen maatregelen voor genderbudgettering zijn getroffen, ondanks de interinstitutionele verklaring over het bijdragen tot gendermainstreaming die als bijlage aan het MFK is toegevoegd; benadrukt in dit verband dat het noodzakelijk is om nauw toezicht te houden op hoe de principes van de gezamenlijke verklaring zijn geïmplementeerd, met name wat betreft de jaarlijkse begrotingsprocedures, en vraagt dat de bevoegde commissie een formele rol toegewezen krijgt bij de herziening van het MFK;

16.  benadrukt dat het gendervriendelijk maken van de begroting door middel van planning, programmering en budgettering die bijdraagt aan de bevordering van gendergelijkheid en de verwezenlijking van de rechten van vrouwen behoort tot de middelen die beleidsmakers inzetten om de genderkloof te dichten; betreurt dat uit inspanningen om de begroting gendervriendelijk te maken is gebleken dat het genderperspectief nog lang niet in alle beleid, op alle niveaus en in elke fase van het beleidsvormingsproces aanwezig is; merkt op dat het in dit verband essentieel is om de capaciteit binnen het Parlement op het gebied van genderbewust budgetteren te vergroten, om de toezichthoudende rol van het Parlement op dit gebied te versterken; merkt op dat besluiten over uitgaven en ontvangsten volledig andere gevolgen hebben voor vrouwen dan voor mannen en benadrukt dat de EU-leden in de desbetreffende commissies deze uiteenlopende gevolgen bij het opstellen van de begroting moeten laten meewegen; benadrukt dat het gendervriendelijk maken van de begroting de controleerbaarheid en transparantie met betrekking tot de inzet van het Parlement inzake gendergelijkheid bevordert;

17.  merkt op dat de Commissie zich voorgenomen heeft om verder te gaan met gendermainstreaming door, in overeenstemming met de beginselen voor betere regelgeving, gendergelijkheid als criterium op te nemen in effectbeoordelingen en evaluaties, en overweegt om in 2017 een verslag op te stellen over gendermainstreaming in de Commissie;

18.  herhaalt dat voldoende middelen nodig zijn, ook op het niveau van het Parlement, om naar geslacht gespecificeerde effectbeoordelingen en analyses te kunnen ontwikkelen; verzoekt de Commissie bij alle nieuwe wetgevings- of beleidsvoorstellen een gendereffectbeoordeling uit te voeren, op basis van een grondige beoordeling van de effecten ervan op de grondrechten en om te waarborgen dat de EU de vrouwenrechten handhaaft; benadrukt dat bij dergelijke analyses en bij de methoden voor het verzamelen van gegevens rekening moet worden gehouden met de ervaringen van LGBTIQ's; onderstreept dat commissies moeten worden gestimuleerd om gebruik te maken van interne deskundigheid, alsook van de externe deskundigheid van andere particuliere of overheidsorganen en -instellingen die activiteiten ontplooien op het gebied van gendergelijkheid;

19.  roept het EIGE op om alle commissies regelmatig te informeren, zodat het genderperspectief in alle domeinen van de beleidsvorming benadrukt wordt, en om de gegevens en de instrumenten die het heeft ontwikkeld, zoals het platform voor gendermainstreaming, beschikbaar te stellen, als onderdeel van een bredere inspanning voor capaciteitsopbouw, ook ten behoeve van personeel en parlementaire medewerkers; verzoekt de Onderzoeksdienst om regelmatig gedetailleerd kwalitatief en kwantitatief onderzoek uit te voeren naar de vooruitgang op het gebied van gendermainstreaming binnen het Parlement en naar het functioneren van de daarvoor bedoelde organisatiestructuren;

20.  betreurt dat het EIGE op dit moment over onvoldoende middelen beschikt om alle werkzaamheden waarmee het is belast uit te voeren, en benadrukt dat er daarom voor gezorgd moet worden dat de begroting van het EIGE beter aansluit bij het ruime mandaat van dit instituut;

21.  benadrukt dat het gebruik van sekseneutrale taal in zijn werkzaamheden belangrijk is en een positief effect heeft; drukt nogmaals zijn steun uit voor de richtsnoeren van het Bureau inzake sekseneutraal taalgebruik en voor het feit dat deze voortdurend geactualiseerd worden, onder meer op basis van de instrumenten die door het EIGE en op interinstitutioneel niveau ontwikkeld zijn; dringt aan op specifieke scholing inzake het gebruik van sekseneutraal taalgebruik voor vertaal- en vertolkingsdiensten;

22.  merkt op dat op basis van de antwoorden op de vragenlijsten over de stand van zaken op het gebied van gendermainstreaming binnen de parlementaire commissies geconcludeerd kan worden dat bepaalde instrumenten zeer doeltreffend zijn om een genderperspectief in de werkzaamheden van de commissies te integreren, waaronder:

–  het verspreiden van belangrijke documenten en het opnemen van het thema gendergelijkheid in de taakomschrijving voor bestelde studies;

–  de aandacht toespitsen op het gebruik van specifieke terminologie en definities in verband met gendergelijkheid;

–  stimuleren dat ontwerpvoorstellen voor wetgeving en voor toekomstige overeenkomsten ex ante en ex post geëvalueerd worden;

–  opleiding en bewustmaking voor leden, personeel, politiek adviseurs en medewerkers;

pleit ten zeerste voor de verdere ontwikkeling en integratie van deze instrumenten in de werkzaamheden van het Parlement;

23.  herinnert eraan dat evaluaties en programma's op het gebied van gendermainstreaming vergezeld moeten gaan van doeltreffende follow-upmaatregelen, om te waarborgen dat alle maatregelen doeltreffend zijn en eventuele problemen worden aangepakt; benadrukt dat het belangrijk is dat er in voorkomend geval corrigerende maatregelen worden genomen, en dat gendermainstreaming wordt toegepast als blijkt dat er na de tenuitvoerlegging van corrigerende maatregelen te weinig vooruitgang is geboekt;

24.  pleit ervoor dat er een systeem wordt ingevoerd waarbij personen die binnen het Parlement hebben deelgenomen aan scholing inzake gendermainstreaming, daarvoor een officieel certificaat kunnen ontvangen, dat geldig is tijdens hun verdere loopbaan;

25.  beveelt het directoraat-generaal Voorlichting van het Parlement aan om bij informatieverstrekking over de beleidsvorming binnen het Parlement meer aandacht te schenken aan de genderdimensie;

26.  spreekt uitdrukkelijk zijn steun uit voor de ontwikkeling van gerichte en regelmatige opleidingen over gendermainstreaming, waarvoor voldoende middelen beschikbaar worden gemaakt en die in de specifieke behoeften van het Parlement voorzien, voor alle personeelsleden van het Parlement die zicht bezighouden met beleid, met uitgebreidere scholing voor het middenkader en hoger leidinggevend personeel, met name afdelingshoofden; dringt erop aan dat EP-leden, parlementaire medewerkers en fractiemedewerkers toegang krijgen tot scholing inzake gendermainstreaming; vraagt dat leiderschapscursussen worden georganiseerd voor vrouwen en dat vrouwen de gelegenheid wordt geboden om ervaring op te doen in leidinggevende posities; pleit ervoor dat in het kader van trainingen ook aandacht wordt besteed aan meervoudige en intersectionele vormen van discriminatie; wijst erop dat alle diensten van het Parlement zich bewust moeten zijn van hun verantwoordelijkheden inzake de toepassing van gendermainstreaming, ook de diensten die bevoegd zijn op het gebied van personeelszaken, beveiliging en facilitaire ondersteuning; stelt voor specifieke richtsnoeren op het gebied van personeelszaken in te voeren voor de doeltreffende toepassing van gendermainstreaming, met als doel het welzijn van alle personeelsleden, waaronder LGBTIQ's, op het werk te verbeteren;

Gendermainstreaming in de werkzaamheden van de commissies

27.  roept nogmaals op om de belofte om een tweejaarlijks verslag over gendermainstreaming in de werkzaamheden van het Parlement uit te brengen, effectief waar te maken; is zich bewust van de rol die het netwerk voor gendermainstreaming speelt bij het beoordelen van de stand van zaken van gendermainstreaming in alle beleidsdomeinen, en raadt aan om van de vragenlijst die als basis voor het hierboven genoemde verslag werd gebruikt, een jaarlijkse monitoringsmethode te maken;

28.  merkt op dat de leden van het netwerk over het algemeen op de vragenlijst antwoordden dat in hun specifieke beleidsdomein rekening werd gehouden met genderspecifieke behoeften, en dit bij verschillende werkzaamheden, zoals verslagen, amendementen over gelijkheid tussen vrouwen en mannen, onderzoeken, hoorzittingen, missies en gedachtewisselingen;

29.  is ingenomen met de specifieke initiatieven van diverse parlementaire commissies op dit gebied; betreurt dat een grote meerderheid van de commissies nog geen actieplan voor gelijkheid tussen vrouwen en mannen voor hun werkzaamheden heeft goedgekeurd noch besproken; onderstreept het belang van samenwerking tussen de bevoegde organen en alle commissies met het oog op de uitwisseling van beste praktijken, ook via het netwerk voor gendermainstreaming, en van de vaststelling van een duidelijke, in het Reglement van het Parlement op te nemen procedure voor de goedkeuring van genderactieplannen voor alle commissies en delegaties; beveelt aan dat alle commissies eens in de twee jaar, gelijktijdig met het opstellen van het verslag over gendermainstreaming, een hoorzitting organiseren over gendermainstreaming binnen hun beleidsgebied;

30.  benadrukt dat het belangrijk is om de werking van het netwerk voor gendermainstreaming grondig te evalueren en op zoek te gaan naar manieren om zijn leden meer te betrekken en nog bewuster te maken; vindt dat de leden en plaatsvervangers van het netwerk voor gendermainstreaming toegewijd moeten zijn aan gendergelijkheid, maar merkt op dat zij niet noodzakelijkerwijs leden hoeven te zijn van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, zodat een grotere pool van leden zich kan inzetten voor gendermainstreaming; raadt aan dat regelmatig contact en uitwisselingen plaatsvinden tussen de bevoegde commissie en het netwerk;

31.  raadt aan dat het netwerk voor gendermainstreaming gezamenlijk wordt voorgezeten door een lid van de bevoegde commissie en een ander lid van het netwerk, dat op basis van een roulatiesysteem telkens uit een andere commissie komt, zodat het signaal wordt gegeven dat gendermainstreaming alle commissies betreft;

32.  is van mening dat het aanstellen van een vaste rapporteur voor gendermainstreaming zal zorgen voor een stevigere structuur, voor de stabiliteit die nodig is voor de samenwerking tussen het netwerk voor gendermainstreaming en de bevoegde commissie, en voor een permanente band met de andere organen voor gendermainstreaming in het Parlement;

33.  is van oordeel dat er een intern toezichthoudend orgaan in het leven moet worden geroepen, dat belast wordt met de follow-up en evaluatie achteraf van de tenuitvoerlegging van instrumenten en acties; vraagt dat specifieke functieomschrijvingen worden opgesteld voor medewerkers die verantwoordelijk zijn voor gendermainstreaming binnen de commissies; verzoekt de bevoegde autoriteiten de vooruitgang op het gebied van gendermainstreaming binnen de commissies en delegaties twee maal per jaar te evalueren;

Interinstitutionele samenwerking ter ondersteuning van gendermainstreaming

34.  is van mening dat sterkere interinstitutionele banden zullen zorgen voor een beter genderevenwicht in de EU-beleidsvorming; merkt op dat er op het gebied gendermainstreaming nog geen gestructureerde samenwerking is opgezet met andere institutionele partners, zoals de Commissie, de Raad of het EIGE; roept de Commissie op om een passend kader voor te stellen voor de totstandbrenging van interinstitutionele samenwerking op het gebied van gendermainstreaming, zoals de oprichting van een interinstitutionele werkgroep op hoog niveau inzake gendermainstreaming, en daarbij ook andere belanghebbenden op dit gebied te betrekken;

35.  raadt aan dat de Europese Ombudsman de Groep op hoog niveau inzake gendergelijkheid en diversiteit van het Parlement elk jaar informeert over klachten van wanbeheer die betrekking hebben op gendergelijkheid in het Parlement, met inachtneming van het Besluit van het Europees Parlement inzake het Statuut van de Europese Ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt;

36.  is van mening dat het delen van beste praktijken met andere organisaties ervoor zorgt dat de capaciteit in het Parlement opgebouwd wordt, en dat de implementatie van gendermainstreaming doeltreffender zal verlopen; roept op om op alle niveaus het delen van beste praktijken te organiseren met andere instellingen en organisaties zoals UN Women, de Raad van Europa, de EU-instellingen en de stakeholders die betrokken zijn bij het bevorderen van gendergelijkheid, zoals organen voor gendergelijkheid, de sociale partners en ngo's; stimuleert deelname aan specifieke programma's voor capaciteitsopbouw van andere internationale organisaties en raadt aan hun steun te winnen om op maat gemaakte programma's voor gendermainstreaming te organiseren;

37.  verzoekt het directoraat-generaal Personeelszaken om beste praktijken en technische bijstand op het gebied van gendergelijkheid en diversiteit uit te wisselen, bijvoorbeeld met het Amerikaans Congres en nationale organen voor gendergelijkheid, met betrekking tot het verbeteren van de positie van ondervertegenwoordigde raciale en etnische minderheden in het kader van aanwervingsprocedures voor kortlopende contracten en EPSO-aanwervingsprocedures; dringt erop aan aandacht te besteden aan stagiairs, en initiatieven en programma's te ontwikkelen ter bevordering van stageplaatsen voor jongeren, met name vrouwen, van ondervertegenwoordigde raciale en etnische minderheden;

38.  benadrukt dat het noodzakelijk is om een open, permanente dialoog te voeren met de nationale parlementen, om regelmatige gedachtewisselingen te realiseren, nieuwe technieken uit te wisselen en verslag uit te brengen van beleidseffectbeoordelingen, teneinde een gezamenlijke aanpak te bevorderen en verder te werken aan de ontwikkeling van beste praktijken op het gebied van gendermainstreaming; beveelt aan op gezette tijden interparlementaire bijeenkomsten inzake gendermainstreaming te organiseren;

39.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

TOELICHTING

Gendermainstreaming is internationaal aanvaard als een strategie voor het bereiken van gelijkheid tussen vrouwen en mannen. In de praktijk wordt gendermainstreaming gedefinieerd als de integratie van een genderperspectief in voorbereiding, ontwerp, tenuitvoerlegging, monitoring en beoordeling van het beleid, wettelijke maatregelen en bestedingsprogramma's om de gelijkheid tussen vrouwen en mannen te bewerkstelligen en discriminatie tegen te gaan.

Gendermainstreaming wordt op twee manieren ingevuld: het omvat zowel de integratie van een genderperspectief in de materie van de verschillende beleidsdomeinen als benaderingswijzen om gelijke vertegenwoordiging van vrouwen en mannen in een bepaald beleidsdomein te waarborgen. Beide aspecten – gendervertegenwoordiging en een genderbewuste inhoud – moeten in alle fasen van het beleidsvormingsproces de nodige aandacht krijgen.

Hoewel cijfers belangrijk zijn, moet ook onderzocht worden hoe de beleidsmaatregelen inhoudelijk met gender omspringen, zodat er meer inzicht ontstaat in hoe zij vrouwen en mannen ten goede kunnen komen. Een genderbewust beleid waarborgt dat in dezelfde mate aan de belangen van alle burgers, vrouwen en mannen, tegemoetgekomen wordt.

Volgens de traditionele zienswijze zijn overheidsbeleid en wetgeving genderneutrale instrumenten: de achterliggende gedachte daarbij is dat een overheidsbeleid alle leden van de bevolking evenveel ten goede komt.

In onze maatschappij zijn genderongelijkheden echter nog altijd structureel aanwezig. Zelfs wanneer de wet vrouwen en mannen als gelijken behandelt, hebben vrouwen nog altijd niet dezelfde toegang tot en controle over middelen en goederen. Deze situatie toont bijgevolg aan dat het gendervriendelijk maken van de inhoud van beleidsmaatregelen een cruciaal onderdeel is van een strategie die gericht is op echte gendergelijkheid.

Gendermainstreaming in de EU

De EU erkent gelijkheid tussen vrouwen en mannen als een basisrecht, een gemeenschappelijke waarde, en een noodzakelijke voorwaarde voor het behalen van de EU-doelstellingen van groei, werkgelegenheid en sociale cohesie.

Sinds 1996 hanteert de Commissie een tweeledige werkwijze voor het bewerkstelligen van gelijkheid tussen vrouwen en mannen. Deze aanpak houdt in dat een genderperspectief wordt geïntegreerd in alle beleid, maar ook dat specifieke maatregelen worden ingevoerd om genderongelijkheden te bestrijden, te voorkomen en te verhelpen. Beide facetten gaan hand in hand; het ene kan het andere niet vervangen.

Binnen het Europees Parlement is de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (FEMM) het belangrijkste bevoegde orgaan voor het bevorderen van gelijkheid tussen vrouwen en mannen en gendermainstreaming in alle beleids- en wetgevingsprocessen van het EP.

De werkwijze om "amendementen gendermainstreaming" te gebruiken om het genderaspect te integreren in de verslagen van de andere commissies, werd bij het begin van de 7e zittingsperiode ingevoerd, en wordt nog steeds met succes gebruikt.

Sinds 2009 bestaat er een netwerk van leden die bevoegd zijn voor gendermainstreaming in EP-commissies, alsmede een bijkomend netwerk op personeelsniveau. Het netwerk komt regelmatig samen en wisselt informatie uit over lopende zaken die van belang zijn voor zijn leden; er worden ook beste praktijken uitgewisseld. Tijdens de laatste legislatuur hebben ook de delegaties leden aangeduid die voor gendermainstreaming verantwoordelijk zijn.

Belangrijkste conclusies op basis van de vragenlijsten die door leden van het netwerk beantwoord werden

De vragenlijst had tot doel na te gaan welke activiteiten en beleidsinstrumenten voor gendermainstreaming door de commissies worden gebruikt, en was gericht aan alle leden van het netwerk.

In de antwoorden die de leden van het netwerk op de vragenlijst gaven, werden enkele goede praktijken gesignaleerd, maar kwamen ook een aantal problemen naar boven in verband met de doeltreffendheid van het huidige kader voor gendermainstreaming.

De leden van het netwerk antwoordden over het algemeen dat er in hun respectievelijke beleidsdomeinen activiteiten zijn waarbij rekening gehouden wordt met genderspecifieke behoeften: bijvoorbeeld verslagen, amendementen over gendergelijkheid, studies en gedachtewisselingen. De mate waarin aandacht aan gendermainstreaming geschonken werd, varieerde aanzienlijk, gaande van geen activiteit in het bevraagde tijdskader, tot toepassing in verschillende beleidsdomeinen, soms zelfs als kernelement. Een meerderheid van de leden wees thema's aan waar in de komende tijd nader zal worden gelet op de genderdimensie, en wel in de verschillende werkzaamheden die door de commissie worden verricht, zoals verslagen (waaronder uitvoeringsverslagen), hoorzittingen, studies, begrotingsprocedures en jaarlijkse kwijtingsprocedures.

Wat betreft het Actieplan voor gendergelijkheid, de doelstellingen op korte en lange termijn van de commissies, werd helaas vastgesteld dat de grote meerderheid van de commissies nog geen actieplan had goedgekeurd of besproken. Tot nu toe hebben één commissie en één subcommissie een actieplan voor gendergelijkheid goedgekeurd, en voert een kleine groep besprekingen over de mogelijkheid ervan.

Verschillende leden van het netwerk benadrukten echter dat in hun commissie gendermainstreaming werd gestimuleerd en gerespecteerd, zelfs zonder dat er een actieplan was, en zij gaven als voorbeeld het evenwicht tussen vrouwen en mannen, het contact met stakeholders en de goedkeuring van amendementen gendermainstreaming. Als hulpmiddelen om de implementatie van een actieplan inzake gendermainstreaming te ondersteunen werden statistieken en opleiding genoemd.

Verschillende commissies vermeldden dat verschillende leden actief waren op het vlak van gendermainstreaming, waaronder leden die ook tot de Commissie FEMM behoren; andere commissies meldden dat enkel de leden van het netwerk bevoegd waren voor gendermainstreaming, en één commissie had een checklist voor gendermainstreaming opgesteld. Slechts een klein aantal commissies gaf aan dat hun personeel opleiding over het onderwerp heeft gekregen of actief was op het vlak van gendermainstreaming.

De vraag over het regelmatig delen en verspreiden van informatie over gendermainstreaming onder leden en personeel bracht aan het licht dat informatie vaak niet tot op de juiste plaats geraakt. Alle leden van het netwerk beschouwden opleiding, naar geslacht uitgesplitste gegevens en gendereffectbeoordelingsstudies als zeer belangrijke instrumenten om de implementatie van gendermainstreaming binnen het Europees Parlement te bevorderen. De mate waarin deze instrumenten gebruikt werden, varieerde aanzienlijk tussen de commissies, gaande van zeer laag tot hoog. Vooral gendereffectbeoordelingsstudies werden als nuttig beschouwd om beleidsmaatregelen te ontwerpen en te implementeren die net die uitdagingen aanpakken waarmee EU-burgers, en met name vrouwen, dagelijks geconfronteerd worden; deze studies zouden kunnen kaderen binnen een meer algemene beoordeling: welke invloed heeft een ontwerpmaatregel op de basisrechten?

De gewoonte om amendementen gendermainstreaming te gebruiken, werd als een goede werkwijze beschouwd, maar er werd opgeroepen tot een aantal verbeteringen. De procedure moet met name geïntegreerd worden in het reglement, en de samenwerking tussen de Commissie FEMM en het lid van het netwerk in elke commissie moet hechter worden, ook in de ontwerpfase van de amendementen. Met de uitspraak "een genderperspectief werd in alle niveaus van het begrotingsproces geïntegreerd" waren maar zeer weinig deelnemers het eens.

En ten slotte, op de vraag of hun commissie aan andere commissies of organen om advies of ondersteuning had gevraagd bij een genderevenwichtige analyse of besluit, waren de antwoorden voor de referentieperiode over het algemeen negatief.

Structuur en interinstitutionele relaties

Het Europees Parlement heeft geleidelijk een structuur voor gendermainstreaming opgebouwd. De werkzaamheden van elk orgaan apart worden positief beoordeeld, maar het algemeen beeld is versnipperd, en het lijkt erop dat het gebrek aan interactie de doeltreffendheid van het systeem ondermijnt.

Daarom heeft de rapporteur een aantal maatregelen voorgesteld om de huidige structuur van het netwerk voor gendermainstreaming steviger, doeltreffender en efficiënter te maken. Tot die maatregelen behoort de oprichting van een solide interinstitutioneel netwerk:

  een verbeterde samenwerking met de nationale parlementen, om regelmatige gedachtewisselingen en contactmomenten vast te leggen, teneinde beste praktijken om gendermainstreaming te bevorderen verder te ontwikkelen,

  een stabiele relatie met de Groep op hoog niveau voor gendergelijkheid en diversiteit van het EP,

  een roterend co-voorzitterschap van het netwerk voor gendermainstreaming,

  het opstarten van een gestructureerde samenwerking met andere institutionele partners, zoals de Commissie en het EIGE,

  de uitwerking van een toereikend kader voor gendermainstreaming door de Commissie,

  een vaste rapporteur voor gendermainstreaming, zodat een stabiele samenwerking tussen de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het netwerk voor gendermainstreaming verzekerd is,

  meer invloed van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid op de gendergerelateerde aspecten van de begroting (gendervriendelijk maken van de begroting).

Voorgesteld geïntegreerd systeem

rapporteringsactiviteiten

 

 

 

 

 

  opleiding

 

 

 

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

18.2.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

6

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Maria Arena, Catherine Bearder, Beatriz Becerra Basterrechea, Malin Björk, Viorica Dăncilă, Iratxe García Pérez, Mary Honeyball, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Elisabeth Köstinger, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Angelika Mlinar, Angelika Niebler, Maria Noichl, Marijana Petir, João Pimenta Lopes, Terry Reintke, Jordi Sebastià, Michaela Šojdrová, Ernest Urtasun, Jadwiga Wiśniewska, Anna Záborská, Jana Žitňanská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Biljana Borzan, Rosa Estaràs Ferragut, Arne Gericke, Kostadinka Kuneva, Constance Le Grip, Sirpa Pietikäinen, Dubravka Šuica, Marc Tarabella, Monika Vana

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Mike Hookem

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

23

+

ALDE

Beatriz Becerra Basterrechea, Angelika Mlinar, Catherine Bearder

EFDD

Daniela Aiuto

GUE/NGL

Malin Björk, Kostadinka Kuneva, João Pimenta Lopes

PPE

Rosa Estaràs Ferragut, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Elisabeth Köstinger, Constance Le Grip, Angelika Niebler, Dubravka Šuica

S&D

Maria Arena, Biljana Borzan, Mary Honeyball, Viorica Dăncilă, Iratxe García Pérez, Maria Noichl, Marc Tarabella

VERTS/ALE

Jordi Sebastià, Terry Reintke,

6

-

ECR

Arne Gericke, Jadwiga Wiśniewska, Jana Žitňanská

EFDD

Hookem Mike

PPE

Marijana Petir, Anna Záborská

1

0

PPE

Šojdrová Michaela

(1)

PB C 341 E van 16.12.2010, blz. 35.

(2)

PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 65.

(3)

PB C 251 E van 31.8.2013, blz. 1.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0050.

(5)

PB C 61 E van 10.3.2004, blz. 384.

(6)

PB C 244 E van 18.10.2007, blz. 225.

(7)

PB C 184 E van 8.7.2010, blz. 18.

(8)

PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 32.

(9)

PB C 251 E van 31.8.2013, blz. 11.

(10)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0218.

(11)

SWD(2015)0278.

(12)

"Gendermainstreaming in commissies en delegaties van het Europees Parlement", beleidsondersteunende afdeling C van het Europees Parlement.

Juridische mededeling