Procedure : 2015/2109(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0042/2016

Ingediende teksten :

A8-0042/2016

Debatten :

PV 11/04/2016 - 24
CRE 11/04/2016 - 24

Stemmingen :

PV 12/04/2016 - 5.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0100

VERSLAG     
PDF 291kWORD 97k
25.2.2016
PE 571.452v02-00 A8-0042/2016

over visserijaspecten in het kader van het internationaal akkoord over mariene biodiversiteit in zones die buiten de nationale rechtsgebieden vallen, Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee

(2015/2109(INI))

Commissie visserij

Rapporteur: Norica Nicolai

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over visserijaspecten in het kader van het internationaal akkoord over mariene biodiversiteit in zones die buiten de nationale rechtsgebieden vallen, Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee

(2015/2109(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos) en zijn twee uitvoeringsovereenkomsten: uitvoeringsovereenkomst deel XI en de VN-visbestandenovereenkomst (UNFSA),

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN over de ontwikkeling van een internationaal, juridisch bindend instrument uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee met betrekking tot de instandhouding en het duurzaam gebruik van mariene biologische diversiteit van zones die buiten de nationale rechtsgebieden vallen (ABNJ's),

–  gezien het slotdocument van de Conferentie van de Verenigde Naties over duurzame ontwikkeling die in 2012 plaatsvond in Rio de Janeiro, getiteld "The future we want" (De toekomst die we willen),

–  gezien de verslagen van de open informele ad-hocwerkgroep van de VN,

–  gezien het Verdrag inzake biologische diversiteit (CBD) en de door de partijen bij het CBD goedgekeurde Aichi-doelstellingen inzake biodiversiteit, en met name de doelstellingen 6, 10 en 11,

–  gezien de in 2009 door het CBD aangenomen en in de Azoren geconsolideerde wetenschappelijke criteria en richtsnoeren voor het vaststellen van ecologisch of biologisch belangrijke mariene zones (EBSA's) en het ontwikkelen van representatieve netwerken van beschermde mariene gebieden in open oceaanwateren en diepzeehabitats,

–  gezien het CBD-proces voor de beschrijving van EBSA's, dat al geleid heeft tot de beschrijving van 204 gebieden die aan de criteria voldoen en die in vele gevallen in ABNJ's liggen,

–  gezien het feit dat er weliswaar EBSA's beschreven zijn in de zuidelijke Indische Oceaan, de oostelijke tropische en gematigde Stille Oceaan, de noordelijke Stille Oceaan, de zuidoostelijke Atlantische Oceaan, het Arctisch gebied, het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan, de Middellandse Zee, het westelijk deel van de zuidelijke Stille Oceaan, het Caribisch gebied in ruimere zin en het westen van het centrale deel van de Atlantische Oceaan, maar dat andere regio's nog niet gedekt zijn,

–  gezien de Verklaring van Rio de Janeiro inzake milieu en ontwikkeling, Agenda 21, het programma voor de verdere tenuitvoerlegging van Agenda 21, het uitvoeringsplan van de wereldtop inzake duurzame ontwikkeling (de verklaring van Johannesburg inzake duurzame ontwikkeling en het uitvoeringsplan),

–  gezien de gedragscode voor een verantwoorde visserij van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO), die in oktober 1995 door de FAO-conferentie is aangenomen, alsook de bijbehorende instrumenten, met name de Overeenkomst om te bevorderen dat vissersvaartuigen op de volle zee de internationale maatregelen voor instandhouding en beheer van de visbestanden naleven van 1995,

–  gezien de VN-Agenda inzake duurzame ontwikkeling voor de periode tot 2030 (AVVN A/RES/70/1, goedgekeurd in 2015) en duurzame-ontwikkelingsdoelstelling 14 voor het behoud en het duurzame gebruik van de oceanen, zeeën en mariene hulpbronnen voor duurzame ontwikkeling,

–  gezien doelstelling 14 van de VN-Agenda inzake duurzame ontwikkeling,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij (A8-0042/2016),

A.   overwegende dat 71 % van het aardoppervlak ingenomen wordt door de zee en dat deze 97 % van het water op de planeet bevat; overwegende dat de zee een aanzienlijk deel van 's werelds biodiversiteit herbergt waarvan een groot deel nog steeds niet verkend is;

B.  overwegende dat naar schatting 64 % van de zee, met name de volle zee en de zeebodem, bestaat uit zones die buiten de nationale rechtsgebieden van staten vallen en waarop het internationaal recht van toepassing is;

C.  overwegende dat oceanen een essentiële rol spelen in vele van de grote systemen van de aarde, zoals klimaat en weer, en een plaats vormen waar een breed scala aan menselijke activiteiten plaatsvindt, zoals visserij, energiewinning, vervoer en handel;

D.  overwegende dat minder dan 1 % van de zones die buiten de nationale rechtsgebieden vallen beschermd wordt als gevolg van de instelling van beschermde zeegebieden, en dat er in het overgrote deel van de oceaanregio's geen beheerskader bestaat met een juridisch mandaat om beschermde zeegebieden in te stellen;

E.  overwegende dat het behoud en de instandhouding van de mariene biodiversiteit een gedeeld belang van de hele mensheid vormen en ook als zodanig behandeld moeten worden;

F.  overwegende dat de instandhouding van gezonde mariene habitats en duurzame visbestanden essentieel is voor de duurzaamheid van de visserij op lange termijn;

G.  overwegende dat beschermde ecosystemen in 2014 wereldwijd 15,2 % van het land en slechts 8,4 % van de mariene gebieden bestreken;

H.  overwegende dat de negatieve gevolgen van overexploitatie, verontreiniging, zwerfafval in zee en de vernietiging van mariene habitats en ecosystemen nog erger worden door klimaatverandering en verzuring;

I.  overwegende dat in het slotdocument van de Conferentie van de Verenigde Naties over duurzame ontwikkeling (Rio de Janeiro, 2012), getiteld "The future we want", beklemtoond wordt dat de bescherming en het beheer van de natuurlijke rijkdommen als basis voor economische en sociale ontwikkeling de overkoepelende doelstellingen van en de basisvoorwaarden voor duurzame ontwikkeling vormen;

J.  overwegende dat de zeeën en oceanen een tot nog toe onaangeboord potentieel aan blauwe groei in zich dragen, onder meer op het vlak van hernieuwbare energie en geneesmiddelen, hetgeen ook een waardevol ontwikkelingstraject voor de huidige ontwikkelingslanden kan vormen; overwegende dat de ontwikkeling van de kennis van de mariene soorten en het mariene milieu, de bathymetrische kenmerken van het mariene milieu en het in kaart brengen van kwetsbare mariene ecosystemen een noodzakelijke voorwaarde vormen voor maritieme ontwikkeling en het potentieel daarvan in termen van blauwe groei;

K.  overwegende dat de instandhouding en het duurzaam gebruik van de mariene biodiversiteit rechtstreeks verband houden met duurzame ontwikkeling op lange termijn en dus sociaal, economisch en ecologisch gezien voor alle landen en grondgebieden van belang zijn;

L.  overwegende dat het bestaande rechtskader met betrekking tot zones die buiten de nationale rechtsgebieden vallen, dat meer dan 30 jaar geleden is ontwikkeld en op de doctrine van vrijheid van de volle zee stoelt, nader uitgewerkt moet worden om de instandhouding en het duurzaam gebruik van mariene biodiversiteit in zones buiten de rechtsgebieden met succes te bevorderen;

M.  overwegende dat het aantal activiteiten dat in het mariene milieu wordt ontplooid de afgelopen decennia is toegenomen; overwegende dat wij inzien dat er sprake is van interactie tussen de verschillende activiteiten die zich op volle zee afspelen en beseffen hoe zij mariene biodiversiteit beïnvloeden;

N.  overwegende dat wij de interacties en de cumulatieve effecten van de verschillende activiteiten die zich op volle zee voltrekken en de gevolgen daarvan voor mariene biodiversiteit onderkennen;

O.  overwegende dat de Algemene Vergadering van de VN (AVVN) in 2004 de open informele ad-hocwerkgroep heeft aangesteld om de instandhouding en het duurzaam gebruik van mariene biodiversiteit in zones buiten de nationale rechtsgebieden te bestuderen en te analyseren;

P.  overwegende dat de werkgroep in 2011 heeft aanbevolen een proces op te starten om vast te stellen op welke punten er leemtes bestaan en hoe we verder kunnen gaan, onder meer door eventueel een multilateraal akkoord uit hoofde van het Unclos te ontwikkelen, en dat in dit proces samen en als één geheel aandacht besteed moet worden aan mariene genetische rijkdommen (met inbegrip van kwesties in verband met de verdeling van de baten), maatregelen zoals zonespecifieke beheersinstrumenten (waaronder beschermde mariene zones), milieueffectbeoordelingsprocedures, capaciteitsopbouw en de overdracht van mariene technologie;

Q.  overwegende dat in de samenvatting van de covoorzitters van de werkgroep van 2011 erkend wordt dat er een kloof is tussen de wetenschappelijke methode voor het beschrijven van ecologisch en biologisch belangrijke zones en het daadwerkelijk vaststellen/aanwijzen van dergelijke zones, aangezien geen enkel wereldwijd forum destijds een formeel mandaat had om dat te doen en bestaande regionale en sectorale fora hierbij met legitimiteitsproblemen kampten;

R.  overwegende dat in de samenvatting van de covoorzitters van de werkgroep van 2011 werd geconstateerd dat de status quo zijn beperkingen en tekortkomingen had;

S.  overwegende dat staatshoofden en regeringsleiders in het slotdocument van Rio+20 hebben toegezegd de kwestie van de instandhouding en het duurzaam gebruik van mariene biodiversiteit in zones buiten de nationale rechtsgebieden met spoed en nog voor het einde van de 69e zitting van de Algemene Vergadering te zullen aanpakken, voortbouwend op het werk van de werkgroep, en dat er onder meer een besluit zal worden genomen over de ontwikkeling van een internationaal instrument uit hoofde van het Verdrag inzake het recht van de zee;

T.  overwegende dat de visvangst, op zichzelf en in combinatie met klimaatverandering, zeevervuiling of andere mariene activiteiten, grote gevolgen heeft voor de mariene biomassa en biodiversiteit en dat bijgevolg in alle maatregelen inzake instandhouding en beheer uitvoerig moet worden ingespeeld op de gevolgen van de visvangst voor de mariene biodiversiteit in ABNJ's, teneinde deze gevolgen te voorkomen of te minimaliseren; overwegende dat de visvangst bovendien niet de enige op de mens terug te voeren mortaliteitsfactor is voor de rijkdommen van de oceaan en niet de enige reden mag zijn om internationale actie af te dwingen;

U.  overwegende dat onder meer ertswinning, energieboringen en het gebruik van bodemoppervlak voor stedelijke platforms tot de factoren behoren die de huidige vissterfte in de hand werken en dat de toekomstige maritieme ontwikkeling ook kan leiden tot andere onvoorziene mortaliteitsfactoren ten aanzien waarvan waakzaamheid geboden is;

V.  overwegende dat de mariene biodiversiteit fors achteruit is gegaan; overwegende dat er een nauw verband bestaat tussen het behoud van de vangstmogelijkheden voor de komende generaties enerzijds, en de bescherming van mariene biodiversiteit en de instandhouding van mariene ecosystemen anderzijds;

W.  overwegende dat selectieve en duurzame vistechnieken onontbeerlijk zijn voor een duurzaam beheer van de visbestanden en de beperking van incidentele vangsten, en dus voor het behoud van de mariene biodiversiteit;

X.  overwegende dat coördinatie en overleg tussen al wie mariene activiteiten onderneemt van essentieel belang zijn om de instandhouding van mariene biologische diversiteit en het duurzaam gebruik van rijkdommen te waarborgen;

Y.  overwegende dat de ultraperifere gebieden van de EU van nature bijzondere geografische en soms ook geopolitieke omstandigheden kennen en dat zij deel uitmaken van specifieke regionale samenwerkingsmechanismen;

Z.  overwegende dat de visserij een uiterst belangrijke activiteit is die zowel binnen als buiten nationale rechtsgebieden wordt bedreven;

AA.  overwegende dat de Unie een sleutelrol vervult in de wereldwijde governance van zeeën en oceanen en internationaal veel invloed heeft op het visserijbeleid, met name ook vanwege haar deelname aan 17 regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's); overwegende dat die vooraanstaande rol van de Unie betekent dat zij verantwoordelijkheid draagt voor het voeren van een proactief beleid wat de bescherming van de mariene biodiversiteit wereldwijd betreft;

AB.  overwegende dat de UNFSA, waarin de rechten en plichten van staten die partij zijn worden vastgesteld met betrekking tot de instandhouding en het beheer van grensoverschrijdende en over grote afstanden trekkende visbestanden, een uitgebreid en vooruitziend document is dat niet mag worden gewijzigd, ondermijnd of uitgehold, en dat moet worden gewaarborgd dat de overeenkomst volledig ten uitvoer wordt gelegd door middel van versterkte samenwerkingsprocessen die in het raam van het nieuwe internationale instrument moeten worden vastgesteld;

AC.  overwegende dat lering moet worden getrokken uit de recente meningsverschillen van de EU met de Faeröer en IJsland, opdat een duurzaam beheer van de visbestanden wereldwijd mogelijk wordt;

AD.  overwegende dat elk land op grond van het Unclos het recht heeft voordeel te halen uit de instandhouding en het duurzaam gebruik van zijn rijkdommen;

AE.  overwegende dat we instemmen met de verplichting van landen om het mariene milieu te beschermen en in stand te houden, met inbegrip van de bescherming van zeldzame en gevoelige ecosystemen en de habitats van kwetsbare, uitgedunde, met uitsterven bedreigde soorten en andere mariene levensvormen;

AF.  overwegende dat in de UNFSA wordt voorzien in een kader voor het toepassen van de voorzorgsbenadering en op het ecosysteem gebaseerde benaderingen van het visserijbeheer, voor maatregelen voor instandhouding en beheer van de grensoverschrijdende en over grote afstanden trekkende visbestanden, voor internationale samenwerking via de werkzaamheden van subregionale en regionale organisaties (ROVB's) en regelingen voor visserijbeheer; overwegende dat de daadwerkelijke tenuitvoerlegging voor verbetering vatbaar is;

AG.  overwegende dat de staten en de ROVB's er in AVVN-resoluties 61/105 en 64/72 toe worden opgeroepen een reeks maatregelen vast te stellen om de doeltreffende instandhouding van diepzeerijkdommen te waarborgen en te voorkomen dat bodemvisserij aanzienlijke negatieve gevolgen met zich meebrengt voor kwetsbare mariene ecosystemen in ABNJ's;

AH.  overwegende dat we erkennen dat ontwikkelingslanden rechten en bijzondere behoeften hebben in de context van capaciteitsopbouw om in staat te zijn voordeel te halen uit de instandhouding en het duurzaam gebruik van de rijkdommen en van grensoverschrijdende en over grote afstanden trekkende visbestanden;

AI.  overwegende dat de inspanningen die reeds gedaan zijn door ROVB's die tonijnbestanden beheren en die onafhankelijke prestatiebeoordelingen hebben uitgevoerd erkenning krijgen in de handelwijze van het zogenaamde "proces van Kobe" en dat alle ROVB's hierin worden opgeroepen regelmatig dergelijke beoordelingen uit te voeren, de resultaten ervan openbaar te maken en de daarin vervatte aanbevelingen volledig uit te voeren; overwegende dat instanties als de AVVN en de Visserijcommissie (COFI) de andere ROVB's eveneens hebben verzocht hetzelfde te doen, en dat deze beoordelingen inmiddels zijn uitgevoerd;

AJ.  overwegende dat er ROVB's zijn opgezet en dat sommige daarvan werk maken van de instelling van beschermde zeegebieden om de visbestanden op een duurzaam peil te houden en te herstellen;

AK.  overwegende dat via het CBD een reeks workshops is gefaciliteerd om EBSA's te beschrijven, ook in ABNJ's, en dat de resultaten van deze workshops nu op grote schaal beschikbaar zijn op een website van het CBD ter consultering voor beheerdoeleinden;

AL.  overwegende dat het verzamelen en delen van wetenschappelijke gegevens van het grootste belang is om te goeder trouw en op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies besluiten te kunnen nemen;

AM.  overwegende dat het milieuprobleem van plastic zwerfafval in zee een onmiddellijke bedreiging vormt voor de mariene diversiteit, dat er tot dusverre onvoldoende is onderzocht wat de reikwijdte en de middelen zijn voor het bestrijden van dit probleem en dat het aanpakken ervan wel eens economische kansen zou kunnen bieden;

AN.  overwegende dat de werkgroep in haar tekst van 23 januari 2015 benadrukt dat de instandhouding en het beheer van mariene biologische diversiteit in zones die buiten de nationale rechtsgebieden vallen in de uitgebreide mondiale regeling beter moeten worden aangepakt;

AO.  overwegende dat de EU actief optimale werkwijzen ontwikkelt en ertoe aanspoort ze toe te passen om tot een duurzaam gebruik van de visbestanden te komen en dat zij met programma's als Horizon 2020 gegevensverzameling, onderzoek en duurzame ontwikkeling aanmoedigt en financiert;

AP.  overwegende dat de werkgroep op 23 januari 2015 haar steun heeft uitgesproken voor een aanbeveling om uit hoofde van het verdrag een internationaal, juridisch bindend instrument te ontwikkelen;

AQ.  overwegende dat de AVVN op 19 juni 2015 een resolutie heeft aangenomen over de ontwikkeling van een internationaal, juridisch bindend instrument uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee met betrekking tot de instandhouding en het duurzaam gebruik van mariene biologische diversiteit van zones die buiten de nationale rechtsgebieden vallen;

1.  is verheugd over de beslissing van de AVVN om uit hoofde van het Unclos een internationaal juridisch bindend instrument te ontwikkelen voor de instandhouding en het duurzaam gebruik van mariene biologische diversiteit van zones die buiten de nationale rechtsgebieden vallen om onder meer de huidige tekortkomingen aan te pakken; benadrukt dat dit proces de op dit gebied bestaande instrumenten en kaders en de mondiale, regionale en sectorale instanties (bv. ROVB's) niet mag ondermijnen; wijst erop dat het van belang is dit nieuwe instrument met spoed maar ook met de nodige voorzichtigheid uit te werken en de streefdatum van eind 2017 voor de afronding van de ontwerptekst te eerbiedigen;

2.   benadrukt de visie, de kansen en de gevolgen die het Unclos inhoudt voor de goede betrekkingen tussen staten en voor de duurzame exploitatie van de hulpbronnen, maar beseft dat de nieuwe moeilijkheden en kansen nopen tot het aanbrengen van aanpassingen;

3.  benadrukt het belang van de instandhouding en het duurzaam gebruik van de oceanen en zeeën en hun rijkdommen; verzoekt de EU en de internationale gemeenschap de instandhouding en het duurzaam gebruik van de mariene biodiversiteit te bevorderen door, naast andere maatregelen, moderne en duurzame concepten van marien ecosysteembeheer, beginselen van oceaanbeheer, het beheer van de exploitatie van mariene rijkdommen (ertswinning, energieboringen, enz.) en van het visserijbeheer ten uitvoer te leggen, waarin marien beheer op wetenschappelijke basis, het herstel en de instandhouding van de bestanden op een niveau dat toelaat de maximale duurzame opbrengst te produceren, op het ecosysteem gebaseerd beheer en instandhouding van mariene biodiversiteit en de voorzorgsbenadering zijn vervat;

4.  benadrukt dat het, om tegen 2020 het hoofd te kunnen bieden aan de problemen in verband met de mariene biodiversiteit, noodzakelijk is dat in de lidstaten maatregelen worden getroffen om beheersplannen ten uitvoer te leggen, toezicht te houden op de toepassing van de regels, de kennisbasis te verdiepen en de onderzoeksnetwerken en coördinatie van gegevens over mariene diversiteit te versterken;

5.  erkent en steunt de positieve voortrekkersrol van de EU en de Commissie, gezien de invloedrijke positie van de visindustrie en de visserijmarkt van de EU en gezien het feit dat het Europese visserijbeleid op duurzaamheid gericht is;

6.  ziet in dat de EU een belangrijke rol speelt bij het waarborgen van het duurzame beheer van de biologische rijkdommen van de zee, in het bijzonder in de strijd tegen illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij); benadrukt dat IOO-visserij van nature een bedreiging vormt voor de mariene biodiversiteit en de instandhouding van de mariene ecosystemen ernstig in het gedrang brengt; herinnert eraan dat de Unie de bestrijding van IOO-visserij tot prioriteit heeft verheven en dat internationale samenwerking cruciaal is om die strijd met succes te voeren; spoort de FAO en de ROVB's aan de krachten te bundelen voor het verbeteren van de multilaterale samenwerking;

7.   benadrukt de positieve rol van de milieukeurmerken voor visserijproducten, waardoor de consumenten kunnen bijdragen aan de duurzaamheid van de rijkdommen en de instandhouding van de mariene diversiteit door met kennis van zaken hun keuzes te maken;

8.  spoort de Commissie aan ervoor te zorgen dat de gevolgen voor de biodiversiteit in ABNJ's van menselijke activiteiten, waaronder de visserij en alle vormen van exploitatie van de zeebodem, daadwerkelijk worden aangepakt in de context van dit nieuw internationaal akkoord, hiervoor te blijven ijveren en hierbij een coördinerende rol te spelen; wijst daarom op de noodzaak de bestaande wetgeving beter te doen handhaven en de nodige beheersinstrumenten te ontwikkelen om samenhang en consistentie te waarborgen;

9.  spoort ROVB's aan te waarborgen dat hun aanbevelingen volledig ten uitvoer worden gelegd, regelmatige onafhankelijke beoordelingen te blijven verrichten en ervoor te zorgen dat dergelijke beoordelingen behoorlijk ten uitvoer worden gelegd;

10.  verzoekt de Commissie met klem haar steun uit te spreken en te ijveren voor een holistische en omvattende benadering met betrekking tot beschermde mariene zones, aangezien er op het vlak van instandhoudingsinspanningen pas echt gecoördineerd en samengewerkt kan worden bij deelname van een zo breed mogelijke groep van belanghebbenden die actief zijn in een uiteenlopende reeks menselijke mariene activiteiten in zeeën en oceanen;

11.  spoort de Commissie en de lidstaten nadrukkelijk aan de aanwijzing en toepassing van EBSA's in ABNJ's te bevorderen;

12.  dringt er bij de Commissie op aan om in het kader van het nieuwe internationale akkoord uit hoofde van het Unclos de ontwikkeling van een institutioneel mechanisme voor het aanwijzen, beheren en invoeren van de nodige bepalingen betreffende het toezicht op en de handhaving van verbonden, samenhangende, werkbare en representatieve netwerken van beschermde mariene zones samen met alle belanghebbende partijen te blijven ondersteunen en bevorderen als essentiële instrumenten voor het waarborgen van ecologische en biologische connectiviteit;

13.  verzoekt de Commissie een reeks uitgebreide gegevens te verwerken over mariene biodiversiteit in de Europese regionale zeeën; is van mening dat het verzamelen van die gegevens noodzakelijk is, aangezien 80 % van de soorten en de habitats die in de kaderrichtlijn mariene strategie aan bod komen als onbekend is ingedeeld;

14.  roept de EU op een voortrekkersrol te spelen bij de bestrijding van plastic zwerfafval in zee en dringt erop aan dat onderzoek op dit gebied wordt gefinancierd in het kader van de blauwe economie;

15.  benadrukt dat in dit nieuw internationaal akkoord gelijke voorwaarden moeten worden gegarandeerd tussen alle belanghebbende partijen; is van mening dat in het nieuw internationaal akkoord bovendien rekening moet worden gehouden met de specifieke behoeften van ontwikkelingslanden, met name de kleine eilandstaten, op het vlak van capaciteitsopbouw om de doelstellingen van de internationale gemeenschap met betrekking tot o.a. beschermde mariene zones te behalen;

16.  verzoekt de Commissie met klem te ijveren voor een verbeterde samenwerking, coördinatie, transparantie en verantwoordingsplicht tussen alle belanghebbende partijen, alsook tussen de nieuwe onderhandelde instrumenten, de bestaande instrumenten van de UNFSA en de FAO, de ROVB's en andere sectorale organisaties, zoals onder meer de Internationale Zeebodemautoriteit en de Internationale Maritieme Organisatie;

17.  verzoekt de VN samen te werken met staten om de bestaande regelgeving doeltreffender ten uitvoer te leggen en waar nodig bijkomende regels uit te werken die de biodiversiteit in volle zee op een onrechtstreekse manier kunnen helpen beschermen en voor betere omstandigheden op het gebied van sociale voorwaarden, veiligheid en toezicht kunnen zorgen, zoals de totstandbrenging van mondiale beheerinstrumenten, namelijk een gecentraliseerd instrument voor de registratie van vaartuigen, zoals het mondiaal register van vissersvaartuigen waaraan onder leiding van de FAO wordt gewerkt; verzoekt de VN hierbij te voorkomen dat de administratieve last voor vissers toeneemt;

18.  benadrukt dat de gevolgen van visserij voor de mariene biodiversiteit in ABNJ's onder het mandaat van de ROVB's moeten vallen;

19.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om binnen het mandaat van het nieuw internationaal akkoord uit hoofde van het Unclos de ontwikkeling te ondersteunen en te bevorderen van een institutioneel mechanisme voor de verrichting van milieueffectbeoordelingen vooraf voor activiteiten die aanzienlijke gevolgen zouden kunnen hebben voor het mariene milieu, zoals bepaald in artikel 206 van het Unclos, onder meer voor de exploitatie van mariene rijkdommen en gebaseerd op wetenschappelijke argumenten, voor zover praktisch haalbaar, en dringt erop aan dat deze activiteiten vergezeld gaan van een gedetailleerde milieu- en sociaal-economische monitoring;

20.  verzoekt de Commissie om in het kader van het nieuw internationaal akkoord aan te dringen op de erkenning van ecologische schade op zee en op de vaststelling van de aansprakelijkheidsketen voor die schade;

21.  verzoekt de Commissie de staten die dat nog niet hebben gedaan op te roepen het Unclos te ratificeren of zich erbij aan te sluiten;

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, alsook aan het voorbereidend comité dat belast is met de opstelling van het toekomstig internationaal akkoord.

TOELICHTING

Achtergrond

De VN heeft het belang van de bescherming van de wereldwateren aan de orde gesteld in het essay dat werd gepubliceerd na afloop van de VN-Conferentie over milieu en ontwikkeling, Agenda 21 genaamd, die van 3 tot 14 juni 1992 heeft plaatsgevonden in Rio de Janeiro, Brazilië. Dit toont aan dat de internationale gemeenschap de noodzaak inzag van een internationale benadering om de vervuiling en toenemende bedreiging van de mariene biodiversiteit te beheren. Hierna kwam de verklaring van Johannesburg inzake duurzame ontwikkeling en het uitvoeringsplan, waarover een akkoord werd bereikt tijdens de VN-wereldtop in Zuid-Afrika van 2 tot 4 september 2002. In 2012 verklaarde de internationale gemeenschap nogmaals, in het document dat werd gepubliceerd na afloop van de meest recente Conferentie van de Verenigde Naties over duurzame ontwikkeling, die in Rio de Janeiro werd gehouden en Rio+20 wordt genoemd om een verband te leggen met de eerste Rio-agenda, dat ze vastbesloten is de milieuproblemen aan te pakken en dat er behoefte is aan duurzame ontwikkeling. Dit toont aan dat de VN en al wie partij is bij deze verklaringen en akkoorden, ook al hebben ze toegezegd zich in te zetten voor deze doelstellingen, hun plannen en prioriteiten moeten aanpassen aan een snel evoluerende wereld, waarin activiteiten elk jaar opnieuw diverser en talrijker worden.

In deze context nam de VN in 1995 de visbestandenovereenkomst aan (UNFSA), als een uitvoeringsovereenkomst voor het Unclos uit 1982. De UNFSA wordt in de wereld van de visserij beschouwd als een goede overeenkomst waarin een degelijk juridisch kader wordt geboden door middel van de nodige instrumenten om de ontwikkelingen bij te benen en de centrale doelstellingen tegelijkertijd te blijven volgen en bijstellen.

Naar aanleiding van de bezorgdheden en discussies in de internationale gemeenschap over de doeltreffendheid van het huidige kader voor het aanpakken van de instandhouding en het duurzaam gebruik van de rijkdommen van de zee in zones die buiten de nationale rechtsgebieden vallen, werd krachtens artikel 73 van Resolutie 59/24 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 2004 de open informele ad-hocwerkgroep aangesteld. Deze werkgroep kreeg als een van haar doelstellingen een analyse te maken van en een voorstel te formuleren over de mogelijkheid om de internationale samenwerking en coördinatie op het vlak van de instandhouding en het duurzaam gebruik van mariene biologische diversiteit in zones die buiten de nationale rechtsgebieden vallen te bevorderen. Op basis van de verslagen van de werkgroep zou de AVVN vóór het einde van haar 69e zitting een beslissing nemen met betrekking tot de ontwikkeling van zones die buiten de rechtsgebieden vallen. Na afloop van haar bijeenkomst heeft de werkgroep in 2011 een pakket aanbevelingen ingediend bij de AVVN met betrekking tot mariene genetische rijkdommen, beschermde mariene zones, milieueffectbeoordelingsmethoden en capaciteitsopbouw.

In januari 2015 heeft de werkgroep haar meest recente verslag voorgesteld, waarin de nadruk wordt gelegd op de behoefte aan een omvattende mondiale regeling om dit probleem beter aan te pakken, en heeft ze de ontwikkeling van een internationaal, juridisch bindend instrument uit hoofde van het Unclos aanbevolen met betrekking tot de instandhouding en het duurzaam gebruik van mariene biologische diversiteit in zones die buiten de nationale rechtsgebieden vallen. Op basis van deze aanbeveling heeft de AVVN in juli 2015 besloten een voorbereidend comité aan te stellen om tegen het einde van 2017, vóór het samenroepen van een intergouvernementele conferentie, een tekst op te stellen voor een internationaal, juridisch bindend instrument.

Standpunt van de rapporteur

De mariene activiteiten evolueren en vermenigvuldigen zich aan een snel tempo, waardoor de druk op de duurzaamheid en de instandhouding van de mariene biodiversiteit voortdurend toeneemt. Vanuit dit perspectief is de rapporteur verheugd over de lopende werkzaamheden van de AVVN en de open informele ad-hocwerkgroep, die erin geslaagd zijn, ondanks de grote tegenstand, om de kwestie van mariene biologische diversiteit in zones die buiten de nationale rechtsgebieden vallen zover te krijgen dat een internationaal, juridisch bindend instrument in het verschiet ligt.

Tegelijkertijd wil de rapporteur erop wijzen dat het van groot belang is visserijactiviteiten op te nemen in het nieuwe instrument. Het is moeilijk zich een doeltreffend en goed gecoördineerd instrument met betrekking tot mariene biologie voor te stellen waarin niets wordt gezegd over een van de belangrijkste activiteiten die in de wateren plaatsvinden – de visvangst. Ook mag hierbij geen sprake zijn van een wijziging of herroeping van de UNFSA, dat in het geval van de EU een kader biedt waarmee verbeteringen aangebracht en resultaten geboekt kunnen worden wanneer het correct wordt uitgevoerd. In plaats daarvan verdedigt de rapporteur de opname van de UNFSA in het nieuwe akkoord, waardoor de overeenkomst van 1995 de ruggengraat vormt van dit nieuw, internationaal, juridisch bindend instrument en, wat belangrijker is, in zones die buiten de nationale rechtsgebieden vallen voor coördinatie zorgt tussen de ROVB's en de beschermde mariene zones enerzijds, en alle andere mariene activiteiten anderzijds.

Bovendien moet het nieuwe akkoord instrumenten bevatten voor de aansprakelijkheid van alle betrokken partijen, aangezien echte doeltreffendheid en vooruitgang zonder dergelijke instrumenten moeilijk verwacht kunnen worden. Ook moet er rekening gehouden worden met de behoeften van de ontwikkelingslanden door capaciteitsopbouw en het delen van informatie tot prioriteit te verheffen. Vanuit dit standpunt en vanuit de beproefde methoden waarin deze zienswijze gedeeld wordt, moet de EU een voortrekkersrol blijven spelen bij de ontwikkeling en het uitvoeringsproces van dit nieuwe instrument.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

17.2.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

0

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Clara Eugenia Aguilera García, Renata Briano, Alain Cadec, David Coburn, Richard Corbett, Diane Dodds, Raymond Finch, Ian Hudghton, Carlos Iturgaiz, Werner Kuhn, António Marinho e Pinto, Gabriel Mato, Norica Nicolai, Liadh Ní Riada, Ulrike Rodust, Remo Sernagiotto, Isabelle Thomas, Ruža Tomašić, Peter van Dalen, Jarosław Wałęsa

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

José Blanco López, Anja Hazekamp, Francisco José Millán Mon, Lidia Senra Rodríguez

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Liliana Rodrigues

Juridische mededeling