Procedure : 2015/2094(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0053/2016

Ingediende teksten :

A8-0053/2016

Debatten :

PV 27/04/2016 - 21
CRE 27/04/2016 - 21

Stemmingen :

PV 28/04/2016 - 4.67
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0203

VERSLAG     
PDF 537kWORD 210k
5.4.2016
PE 569.470v04-00 A8-0053/2016

over vrouwen die als huishoudelijk personeel en als verzorger werken in de EU

(2015/2094(INI))

Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

Rapporteur: Kostadinka Kuneva

Rapporteur voor advies (*):

Tania González Peñas, Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

(*)  Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 54 van het Reglement

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over vrouwen die als huishoudelijk personeel en als verzorger werken in de EU

(2015/2094(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name de preambule en de artikelen 3 en 6,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 1, 3, 5, 27, 31, 32, 33 en 47,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en met name artikel 4, lid 1, inzake het verbod op slavernij en dwangarbeid, en artikel 14 inzake het verbod op discriminatie,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties van 18 december 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–  gezien het Europees Sociaal Handvest van 3 mei 1996, met name deel I en deel II, artikel 3,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 juni 2014 inzake een strategisch EU-kader voor gezondheid en veiligheid op het werk 2014-2020 (COM(2014) 332 final),

–  gezien zijn resolutie van 19 oktober 2010 over vrouwen in onzeker dienstverband(1),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2010 over atypische arbeidsovereenkomsten, verzekerde beroepstrajecten, flexizekerheid en nieuwe vormen van sociale dialoog(2),

–  gezien zijn resolutie van 20 september 2001 over pesterijen op het werk(3),

–  gezien het verslag van 2013 van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound) getiteld "Vrouwen, mannen en arbeidsomstandigheden in Europa",

–  gezien het verslag van Eurofound van 2008 getiteld "Maatregelen tegen zwartwerk in de Europese Unie", en haar verslag van 2013, getiteld "Tackling undeclared work in 27 EU Member States and Norway: Approaches and measures since 2008" (Zwartwerk in 27 lidstaten van de Europese Unie en Noorwegen: benaderingen en maatregelen sinds 2008),

–  gezien zijn resolutie van 23 mei 2007 over bevordering van waardig werk voor iedereen(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 24 mei 2006 getiteld "Bevordering van waardig werk voor iedereen – Bijdrage van de Europese Unie aan de uitvoering van de agenda voor waardig werk over de hele wereld" (COM(2006) 249 definitief),

–  gezien de studie van het Bureau voor de grondrechten (FRA) getiteld "Severe labour exploitation: workers moving within or into the European Union. States' obligations and victims' rights" (Ernstige arbeidsuitbuiting: werknemers die zich binnen of naar de Europese Unie verplaatsen. Verplichtingen van de staten en rechten van de slachtoffers),

–  gezien het verslag van het FRA van 2011 getiteld "Migrants in an irregular situation employed in domestic work: fundamental rights challenges for the European Union and its Member States" (Migranten in een ongedocumenteerde situatie die als huishoudelijk personeel werken: uitdagingen op het vlak van grondrechten voor de Europese Unie en haar lidstaten),

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking)(5),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 16 oktober 2014 over de ontwikkeling van gezinsondersteunende dienstverlening om de arbeidsparticipatie te verhogen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen op de werkplek te bevorderen,

–  gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015(6),

–  gezien zijn resolutie van 10 maart 2015 over vooruitgang op het gebied van gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie in 2013(7),

–  gezien zijn resolutie van 18 november 2008 met aanbevelingen aan de Commissie over de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen(8),

–  gezien het verslag van Eurofound van 2007 getiteld "Arbeidsomstandigheden in de Europese Unie: Het genderperspectief",

–  gezien het verslag van Eurofound van 2014 getiteld "Residential care sector: Working conditions and job quality" (De sector van de residentiële zorg: arbeidsomstandigheden en werkkwaliteit),

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2014 over vrouwelijke migranten zonder papieren in de Europese Unie(9),

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden van 18 december 1990,

–  gezien het Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers van 24 november 1977,

–  gezien het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap van 13 december 2006,

–  gezien het verslag van Eurofound van 2011 getiteld "Bedrijfsinitiatieven voor werknemers met zorgtaken voor kinderen of volwassenen met een handicap",

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2011 over de situatie van vrouwen die de pensioengerechtigde leeftijd naderen(10),

–  gezien het gezamenlijke verslag van het Comité voor sociale bescherming en de Commissie getiteld "Adequate social protection for long-term care needs in an ageing society" (Adequate sociale bescherming voor langdurige zorgbehoefte in een vergrijzende samenleving),

–  gezien het verslag van Eurofound van 2015 getiteld "Werk en zorg: hoe dit te combineren in tijden van demografische veranderingen",

–  gezien het advies van 26 mei 2010 van de Gespecialiseerde afdeling Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap van het Europees Economisch en Sociaal Comité over professionalisering van huishoudelijk werk(11),

–  gezien de publicatie van het Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) getiteld "Convention 189 & Recommendation 201 on Decent Work for Domestic Workers" (Verdrag nr. 189 en Aanbeveling nr. 201 betreffende waardig werk voor huishoudelijk personeel), waarvan de inhoud op 16 juni 2011 is goedgekeurd door de Internationale Arbeidsconferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO),

–  gezien het besluit van de Raad waarbij de lidstaten worden gemachtigd om in het belang van de Europese Unie het Verdrag betreffende waardig werk voor huishoudelijk personeel, 2011, van de Internationale Arbeidsorganisatie te bekrachtigen (Verdrag nr. 189)(12),

–  gezien zijn resolutie van 12 mei 2011 over het voorgestelde IAO-verdrag, aangevuld door een aanbeveling, over huishoudelijk personeel(13),

–  gezien de verslagen IV (1) en IV (2) van het IAB getiteld "Decent work for domestic workers" (Waardig werk voor huishoudelijk personeel), die zijn opgesteld voor de 99e zitting van de Internationale Arbeidsconferentie in juni 2010, en de verslagen IV (1) en IV (2) (gepubliceerd in twee delen), getiteld "Decent work for domestic workers" (Waardig werk voor huishoudelijk personeel), die zijn opgesteld voor de 100e zitting van de Internationale Arbeidsconferentie in juni 2011,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0053/2016),

A.  overwegende dat volgens IAO-Verdrag nr. 189 het begrip "huishoudelijk personeel" betrekking heeft op elke persoon die huishoudelijk werk verricht in het kader van een arbeidsverhouding, voor één of meerdere gezinnen, maar dat een persoon die slechts bij gelegenheid of sporadisch huishoudelijk werk verricht zonder hiervan zijn of haar beroep te maken niet als huishoudelijk personeel wordt beschouwd;

B.  overwegende dat de term "zorg" betrekking heeft op werk dat wordt verricht in openbare of particuliere instellingen of in één of meerdere particuliere huishoudens om persoonlijke zorg te verlenen aan kinderen, ouderen, zieke of gehandicapte personen; overwegende dat zorgtaken kunnen worden verricht door professionele verzorgers die mogelijk in dienst zijn bij openbare of particuliere entiteiten of gezinnen, of die als zelfstandige werken, en/of kunnen worden verricht door niet-professionele verzorgers, gewoonlijk familieleden;

C.  overwegende dat de categorie "huishoudelijk en verzorgend personeel" verscheidene groepen werknemers omvat, zoals, maar niet beperkt tot, inwonende werknemers, externe werknemers, per uur betaalde werknemers in verschillende huishoudens, meewerkende gezinsleden, personeel voor dag- of nachtverzorging, babysitters, au-pairs en tuinarbeiders, van wie de situatie en de omstandigheden aanzienlijk kunnen verschillen;

D.  overwegende dat de sector van het huishoudelijk werk volgens cijfers van de IAO in 2010 wereldwijd meer dan 52 miljoen mensen tewerkstelde, met nog een bijkomende 7,4 miljoen werknemers van minder dan 15 jaar, wat neerkomt op 5 à 9 % van alle werkgelegenheid in de geïndustrialiseerde landen; overwegende dat volgens de IAO de meeste werknemers uit deze sector vrouwen zijn, in 2010 goed voor meer dan 83 % van het huishoudelijk personeel wereldwijd, en dat er van de 2,5 miljoen personen die als huishoudelijk personeel tewerkgesteld zijn in de EU 88 % van het vrouwelijke geslacht is; overwegende dat deze sector sterk vervrouwelijkt; overwegende dat huishoudelijk personeel en verzorgers een grote bijdrage leveren aan de verwezenlijking van de gendergelijkheidsdoelstellingen van de Europa 2020-strategie doordat zij het voor veel gezinnen in de EU mogelijk maken een goede balans tussen werk en privéleven te vinden;

E.  overwegende dat professionalisering betekent dat aan de werknemers van een bepaalde sector rechten op het gebied van arbeids- en sociale bescherming moeten worden verleend die gelijkwaardig zijn aan de rechten die werknemers met wettelijk gereguleerde arbeidscontracten genieten, waaronder een waardig loon, gereguleerde werktijden, betaald verlof, gezondheid en veiligheid op het werk, pensioenregelingen, moederschaps-/vaderschaps- en ziekteverlof, compensatie in geval van invaliditeit, regels voor ontslag of beëindiging van het contract, verhaalmogelijkheden in geval van misbruik en toegang tot opleiding; overwegende dat de sector van huishoudelijk en verzorgend personeel kan worden geprofessionaliseerd via een combinatie van overheidsfinanciering (belastingvoordelen), sociale financiering (gezinstoeslagen, steun aan bedrijven, onderlinge maatschappijen en ziektekostenverzekering, ondernemingsraden, enz.) en particuliere financiering (particulieren die betalen voor de dienstverlening);

F.  overwegende dat zwartwerk en uitbuiting in beide sectoren wijdverbreid zijn;

G  overwegende dat huishoudelijk werk en zorg in de eerste plaats gekenmerkt worden door instabiele banen, geografische mobiliteit, ad-hocwerktijden, seizoensgebonden werkroosters, ploegendiensten, gebrek aan werkzekerheid, tijdelijk werk, en dat het hoofdzakelijk zwartwerk betreft;

H.  overwegende dat volgens de IAO 29,9 % van het huishoudelijk personeel volledig buiten de nationale arbeidswetgeving valt, en dat het werk dat door huishoudelijk en verzorgend personeel wordt verricht tot op heden zeer zelden en ongelijkmatig is gereguleerd in de lidstaten, met als gevolg dat huishoudelijk personeel vaak niet wordt beschouwd als typische of reguliere werknemers en om die reden zeer beperkte werknemersrechten en sociale bescherming geniet(14);

I.  overwegende dat huishoudelijk en verzorgend personeel dat wordt uitgesloten van arbeidswetgeving geen garantie op een veilige en gezonde werkomgeving kan worden geboden en dat dit personeel zwaar wordt gediscrimineerd wat betreft het aantal rechten en de beschermingsgraad die op hen van toepassing zijn in vergelijking met de algemene normen van een land, met name wanneer huishoudelijk werk wordt gereguleerd door specifieke wetgeving en/of collectieve onderhandelingen in plaats van gewoonweg onder de algemene arbeidswetgeving te vallen; overwegende dat deze werknemers bovendien het recht niet hebben deel uit te maken van vakbonden of andere vormen van collectieve onderhandeling, of niet weten hoe ze hieraan kunnen deelnemen of hierbij op moeilijkheden stoten, wat hen bijzonder kwetsbaar maakt, met name wegens beperkte socialezekerheidsdekking (in het bijzonder werkloosheids-, ziekte- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, moeder- en vaderschapsverlof en ander zorgverlof) en door het feit dat zij vaak zijn uitgesloten van ontslagbescherming;

J.  overwegende dat de bestaande nationale wetten inzake de bescherming van de arbeidsrechten van huishoudelijk personeel en verzorgers in een aantal lidstaten nog steeds niet worden toegepast en nageleefd;

K.  overwegende dat huishoudelijk werk in de meeste lidstaten in de vorm van zwartwerk binnen de informele economie wordt verricht, waardoor ongelijke behandeling, mishandeling of pesterijen mogelijk worden gemaakt door de "onzichtbaarheid" van deze werknemers en hun isolement ten opzichte van anderen die gelijkaardige functies en taken vervullen;

L.  overwegende dat een adequate regulering van deze sector zou bijdragen tot de bestrijding van zwartwerk;

M.  overwegende dat een aantal sectorale ondersteuningsmaatregelen, zoals de Zweedse belastingaftrek voor huishoudelijke diensten of de Franse en Belgische "dienstencheques" voor huishoudelijk en verzorgend personeel, hun doeltreffendheid hebben bewezen wat het verminderen van zwartwerk, het verbeteren van arbeidsomstandigheden en het verlenen van reguliere arbeidsrechten betreft;

N.  overwegende dat wordt ingeschat dat het grootste deel van de zorgdiensten in de EU momenteel wordt verstrekt door informele, onbetaalde verzorgers die zelf als een kwetsbare groep kunnen worden beschouwd wegens de toenemende druk om zorg te bieden op een meer gesofisticeerd en technisch niveau; overwegende dat 80 % van alle zorgverleners van het vrouwelijke geslacht is en dat dit een invloed heeft op de werkgelegenheidsgraad bij vrouwen, de combinatie van werk en gezin, gendergelijkheid en gezond ouder worden;

O.  overwegende dat de sector van huishoudelijk werk – waarin hoofdzakelijk vrouwen tewerkgesteld zijn – zich goed leent voor uitbuiting door werkgevers; overwegende dat dit fenomeen een ernstige schending van de grondrechten vormt waartegen zowel werknemers zonder papieren als EU-onderdanen moeten worden beschermd; overwegende dat slechts vier lidstaten wat uitbuiting betreft dezelfde bescherming bieden aan werknemers die EU-onderdaan zijn als aan werknemers zonder papieren die van buiten de EU komen;

P.  overwegende dat het FRA huishoudelijk werk en zorg beschouwt als een van de sectoren in de EU met een hoger risico op ernstige arbeidsuitbuiting; overwegende dat deze uitbuiting zich vaak manifesteert door een gebrek aan formele arbeidsovereenkomsten of overeenkomsten die niet beantwoorden aan de werkelijke geleverde prestaties, door te lage lonen, onregelmatige betalingen en vaak zelfs het ontbreken van betaling, door al te lange werktijden en het ontbreken van verlofregelingen, en door gevallen van seksueel, raciaal en/of seksistisch misbruik;

Q.  overwegende dat huishoudelijk personeel vaak buitensporig veel uren moet werken en dat 45 % van deze werknemers geen aanspraak kan maken op wekelijks verlof of jaarlijks verlof met behoud van loon(15); overwegende dat inwonend huishoudelijk en vooral verzorgend personeel verantwoordelijkheden en taken krijgt die behoorlijke en aaneengesloten rusttijden onmogelijk maken;

R.  overwegende dat meer dan één derde van het vrouwelijk huishoudelijk personeel geen recht heeft op moederschapsverlof of verwante rechten en uitkeringen(16) en dat huishoudelijk en verzorgend personeel in sommige landen geen aanspraak kan maken op werkloosheidsuitkeringen;

S.  overwegende dat banen in de gezondheidszorg en de zorgsector in een aantal lidstaten nog steeds slecht betaald worden, vaak geen formele arbeidsovereenkomsten of andere fundamentele arbeidsrechten bieden en weinig aantrekkelijk zijn vanwege het verhoogde risico op fysieke en emotionele stress, het gevaar van een burn-out, en het gebrek aan mogelijkheden voor loopbaanontwikkeling; overwegende dat de sector weinig opleidingskansen biedt en bovendien overwegend ouderen, vrouwen en migranten onder zijn werknemers telt;

T.  overwegende dat huishoudelijk personeel vaak in schrijnende of gevaarlijke omstandigheden werkt of over onvoldoende opleiding beschikt voor het uitvoeren van bepaalde taken die mogelijk tot letsels tijdens het werk kunnen leiden; overwegende dat al het huishoudelijk en verzorgend personeel de garantie moet krijgen op dezelfde voorwaarden inzake gezondheid en veiligheid op het werk, ongeacht het type dienstverband, dus zowel voor formeel tewerkgesteld personeel als voor werknemers die rechtstreeks zijn aangeworven door particuliere huishoudens;

U.  overwegende dat de plek waar deze mensen hun werk uitvoeren de werkgever er niet van vrijstelt om de normen op het gebied van gezondheid, veiligheid en risicopreventie na te leven, noch om de persoonlijke levenssfeer van wie bij hem thuis overnacht te eerbiedigen;

V.  overwegende dat au pairs binnen de categorieën van huishoudelijk personeel vaak niet als reguliere werknemers worden beschouwd; overwegende dat uit een groot aantal verslagen blijkt dat dit tot misbruik kan leiden, bijvoorbeeld doordat au pairs gedwongen worden buitensporig veel uren te werken; overwegende dat au pairs dezelfde bescherming als ander huishoudelijk personeel moeten krijgen;

W.  overwegende dat de meerderheid van het huishoudelijk personeel en de verzorgers vrouwelijke migranten zijn, waarvan een hoog percentage zich in een irreguliere situatie bevindt, en dat velen minderjarig zijn of tijdelijk werk verrichten of dat hun rechten en kwalificaties niet worden erkend, en dat ze zich vaak niet bewust zijn van hun rechten, een beperkte toegang hebben tot de openbare dienstverlening of problemen ondervinden wanneer ze een beroep willen doen op deze diensten, een beperkte kennis hebben van de plaatselijke taal en onvoldoende geïntegreerd zijn in de maatschappij;

X.  overwegende dat migrantenwerknemers zoals huishoudelijk personeel blootgesteld kunnen worden aan meervoudige discriminatie en dat ze in het bijzonder kwetsbaar zijn voor op gender gebaseerde vormen van geweld en discriminatie, aangezien ze vaak in slechte en niet-gereguleerde omstandigheden werken; overwegende dat concrete inspanningen moeten worden gedaan om te voorkomen dat dergelijke werknemers worden mishandeld, onregelmatig worden betaald, onrechtmatig worden ontslagen en daden van geweld of seksueel misbruik te verwerken krijgen;

Y.  overwegende dat vrouwelijke migranten zonder papieren die als huishoudelijk personeel gaan werken een bijzonder risico lopen het slachtoffer te worden van discriminatie en uitbuiting; overwegende dat zij zich, gezien hun irreguliere status, weinig geneigd voelen zich te verdedigen en hulp te zoeken, uit angst om opgespoord en uitgezet te worden; overwegende dat deze toestand wordt uitgebuit door werkgevers met weinig scrupules;

Z.  overwegende dat vrouwelijke migrantenwerknemers zonder papieren blootgesteld zijn aan zorgwekkend veel vormen van discriminatie, waardoor ze gevallen van misbruik, onrechtmatig ontslag, onbetaalde lonen, geweld, discriminatie, mishandeling, dwangarbeid, slavernij of opsluiting niet aangeven omdat zij niet weten wat hun rechten zijn, omdat de taal een obstakel vormt of omdat zij bang zijn aangehouden of uitgezet te worden of hun baan te verliezen;

AA.  overwegende dat vrouwelijke migranten vaak beslissen of ertoe gebracht worden werk te zoeken in de sector van huishoudelijk werk en zorg, aangezien deze banen worden beschouwd als tijdelijk werk dat weinig vaardigheden vereist;

AB.  overwegende dat de toenemende vraag naar huishoudelijke hulp en zorgverlening voor kinderen, personen met een beperking en ouderen geleid heeft tot een stijgende vervrouwelijking van de migratie naar Europa;

AC.  overwegende dat vrouwelijke migranten vaak gedwongen zijn de toevlucht te nemen tot zwartwerk;

AD.  overwegende dat externe bureaus soms banden hebben met vrouwenhandel en netwerken voor dwangarbeid of met andere criminele activiteiten waarbij vrouwen illegaal aangeworven worden en verschillende vormen van uitbuiting ondergaan; overwegende dat gegevens van Eurostat aantonen dat 80 % van de geregistreerde slachtoffers van mensenhandel van het vrouwelijke geslacht is, waarvan 19 % het slachtoffer wordt van arbeidsuitbuiting, onder meer met huishoudelijk werk als doel;

AE.  overwegende dat aandacht moet worden besteed aan kinderarbeid, pesterijen en de wijdverspreide schending van arbeidsrechten in de sector van huishoudelijk werk, met name in huishoudens van diplomaten uit derde landen in de lidstaten, aangezien het huishoudelijk personeel in de meeste van deze gevallen de EU is binnengekomen met een werkvergunning die verschilt van de vergunning voor andere migrantenwerknemers in de sector, terwijl de huishoudens in kwestie het voorrecht van exterritorialiteit genieten;

AF.  overwegende dat de integratie van migranten in de arbeidsmarkt een belangrijke stap voorwaarts is in het proces van sociale en culturele inclusie;

AG.  overwegende dat in het aandeel van atypische of niet-standaardcontracten een steeds sterker wordende generationele dimensie zichtbaar wordt, waarbij voornamelijk jonge vrouwen getroffen worden;

AH.  overwegende dat huishoudelijk werk en zorg door patriarchale samenlevingen de maatschappelijke rol van gendergebonden activiteit is toebedeeld en dat dit soort werk vanouds wordt gekenmerkt door een lage waardering en onzichtbaarheid en in de huidige samenleving nog steeds niet als waardevol werk wordt beschouwd; overwegende dat betaald werk in het huishouden en de zorg ook ondergewaardeerd, onderbetaald, onbeschermd en slecht gereglementeerd is, in weerwil van de bijdrage van huishoudelijk personeel aan de verzorging en het welzijn van miljoenen huishoudens;

AI.  overwegende dat huishoudelijk werk of zorgverlening vaak ondergewaardeerd en dus onderbetaald wordt, en dat deze werknemers hierdoor belemmerd worden in hun pogingen om onafhankelijk te worden en genoeg te verdienen om een waardig leven te leiden en een gezin te onderhouden;

AJ.  overwegende dat vrouwen een veel grotere verantwoordelijkheid dragen voor huishoudelijk werk dan mannen en dat deze last niet in geld wordt uitgedrukt, noch naar waarde geschat wordt; overwegende dat er een onderling verband is tussen de arbeidsparticipatie van vrouwen en hun gezinstaken; overwegende dat meer dan 20 miljoen Europeanen (waarvan twee derde vrouwen) de zorg voor niet-zelfstandige volwassenen op zich nemen, wat hen belet een voltijdse baan uit te oefenen, en waardoor de loonkloof tussen mannen en vrouwen nog groter wordt en vrouwen die de pensioenleeftijd naderen meer risico lopen om op hun oude dag in de armoede te belanden;

AK.  overwegende dat de meeste taken die bij huishoudelijk werk en verzorging komen kijken worden beschouwd als "vrouwenwerk" en een lage status krijgen toebedeeld, met als gevolg dat vrouwen in deze sector lagere lonen ontvangen dan vrouwen met zo goed als elke andere baan, of zelfs dan vrouwen met een gelijkaardige baan maar dan in andere sectoren, en lagere lonen dan mannelijk huishoudelijk personeel;

AL.  overwegende dat informele werknemers en/of meewerkende gezinsleden, ondanks het bekende gegeven dat bijna 20 % van de Europese bevolking meer dan 65 jaar oud is en dit percentage tegen 2050 naar schatting 25 % zal bedragen, nog steeds instaan voor ongeveer 80 % van de tijd die aan de zorg voor een oudere of een persoon met een beperking wordt besteed, wat neerkomt op verschillende dagen per week of elke dag, en dat informele zorg in de EU, ondanks het stijgende aantal zorgverleners, grotendeels door vrouwen van 45 tot 75 jaar wordt verleend (gewoonlijk echtgenoten en dochters of schoondochters van middelbare leeftijd);

AM.  overwegende dat de besparingsmaatregelen ten gevolge van de crisis tot een daling van de overheidsinvesteringen in de zorgsector hebben geleid waardoor vele mensen, vooral vrouwen, werden verplicht om minder uren te gaan werken of terug te keren naar de haard om voor hulpbehoevende familieleden, ouderen, zieken of kinderen te zorgen;

AN.  overwegende dat het toenemende aantal ouderen, het dalende aantal personen in de werkende leeftijd en de beperkingen van de overheidsbegroting grote gevolgen hebben voor sociale diensten, en overwegende dat dit ook gevolgen zal hebben voor personen die werk moeten combineren met zorgtaken, vaak onder moeilijke omstandigheden;

AO.  overwegende dat de financiële en sociale crisis en de besparingsmaatregelen die in de EU zijn doorgevoerd de burgers en inwoners zwaar hebben getroffen, met meer baanonzekerheid, armoede, werkloosheid en sociale uitsluiting als gevolg, naast een beperkte of onbestaande toegang tot openbare en sociale dienstverlening;

AP.  overwegende dat de huidige beleidsmodellen voor langdurige zorg in de meeste lidstaten niet voldoen om te beantwoorden aan de behoeften van onze vergrijzende samenleving en overwegende dat in de beleidsinitiatieven van de meeste lidstaten tot nu toe geen aandacht is besteed aan demografische veranderingen;

AQ.  overwegende dat er een aanzienlijke evolutie heeft plaatsgevonden in de gewoonten en gebruiken van gezinnen en in de gezinsvormen, waardoor er meer werknemers nodig zijn in de huishoudelijke sector en er onvermijdelijk nieuwe behoeften ontstaan met betrekking tot zorg en ondersteuning binnen het moderne huishouden, in het bijzonder voor vrouwen die buitenshuis werken en eenoudergezinnen;

AR.  overwegende dat afhankelijke personen ook wonen in gebieden die getroffen zijn door een gebrek aan openbare diensten, isolement of andere omstandigheden die de toegang tot professionele verzorgers, openbare of particuliere zorginstellingen bemoeilijken, en overwegende dat deze afhankelijke personen soms alleen kunnen worden verzorgd door niet-professionele verzorgers, die vaker wel dan niet familieleden zijn;

AS.  overwegende dat een aantal lidstaten niet beschikt over een kwaliteitsvolle zorgverlening waarop iedereen een beroep kan doen, ongeacht het inkomen, wat betekent dat de diensten toegankelijk en betaalbaar moeten zijn voor alle gebruikers en hun gezinnen;

AT.  overwegende dat de steeds langer wordende wachtlijsten voor ondersteunende diensten en zorgverlening als gevolg hebben dat er steeds meer op huishoudelijk personeel en verzorgers wordt gerekend, waardoor wie van deze diensten afhankelijk is vaak veroordeeld is tot armoede en sociale uitsluiting;

AU.  overwegende dat een adequate bescherming van personen met een handicap, ouderen, zieken, hulpbehoevenden en minderjarigen tot de fundamentele beginselen van de Europese Unie behoort en dat de sector van het huishoudelijk werk en de zorg van essentieel belang is om die bescherming te blijven garanderen;

AV.  overwegende dat het recht op een reeks van diensten aan huis, residentiële diensten en andere ondersteunende gemeenschapsdiensten, waaronder persoonlijke assistentie, is opgenomen in de artikelen 19 en 26 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap;

AW.  overwegende dat de aanwezigheid van betaalbaar vrouwelijk huishoudelijk en verzorgend personeel bevrijdend werkt, vooral voor andere vrouwen, die hierdoor in staat zijn een carrière uit te bouwen en er een sociaal leven op na te houden, en ervoor zorgt dat wie een beroep op hen doet zijn beroeps- en privéleven beter op elkaar kan afstemmen, maar ook dat een groot aantal personen hierdoor de kans krijgt zich beschikbaar te stellen op de arbeidsmarkt;

AX.  overwegende dat huishoudelijke diensten, tewerkgestelde familieleden en verzorging aan huis het potentieel hebben om de economische en sociale cohesie in de EU te verbeteren;

AY.  overwegende dat hier sprake is van een economisch belangrijke sector, die een aanzienlijk deel van de beroepsbevolking, met name laaggeschoolden, kansen op een baan biedt;

AZ.  overwegende dat de sector van huishoudelijk werk en zorg een sector is waarin banen worden gecreëerd; overwegende dat het om kwaliteitsvolle banen moet gaan, aangezien het net dankzij dit werk is dat veel mensen buitenshuis actief kunnen zijn in het economische en sociale leven;

BA.  overwegende dat gereglementeerd en aangemeld huishoudelijk en verzorgend werk tot een verbetering van de levenskwaliteit leidt van de mensen die dit werk verrichten en ervoor zorgt dat zij een beroep kunnen doen op sociale dienstverlening, beschermd zijn tegen misbruik en discriminatie, minder risico lopen op armoede, marginalisering, stigmatisering en gezichtsverlies, en overwegende dat de werkgever hierdoor ook meer garanties krijgt op een kwaliteitsvolle dienstverlening en de lidstaten aan extra inkomsten voor de socialezekerheidsinstellingen worden geholpen;

BB.  overwegende dat het in een aantal lidstaten een ingeburgerde praktijk is om huishoudelijk en verzorgend personeel aan te werven via een bilaterale overeenkomst tussen de werknemer en het gezinshoofd of de afhankelijke persoon, en niet zozeer op een formele manier via bijvoorbeeld overheidsstructuren of bedrijven en ondernemingen;

BC.  overwegende dat huishoudelijk personeel en verzorgers recht hebben op een waardig leven waarin rekening wordt gehouden met hun behoefte aan een evenwichtige combinatie van werk, gezin en privéleven, in het bijzonder voor inwonend huishoudelijk personeel, en dat zij dezelfde sociale en arbeidsrechten moeten genieten als andere werknemers;

BD.  overwegende dat IAO-Verdrag nr. 189 en Aanbeveling nr. 201 betreffende waardig werk voor huishoudelijk personeel een belangrijke verzameling van internationale normen vormen om over de hele wereld voor betere arbeidsomstandigheden te zorgen voor tientallen miljoenen mensen die als huishoudelijk personeel werken; overwegende dat huishoudelijk personeel grotendeels uit vrouwen bestaat en de nieuwe in IAO-Verdrag nr. 189 geformuleerde normen een belangrijke stap vooruit vormen in het streven naar gendergelijkheid in het beroepsleven en gelijke rechten en wettelijke bescherming voor vrouwen; overwegende dat er zich onder de 22 landen die het verdrag hebben geratificeerd tot nu toe slechts zes EU-lidstaten bevinden (België, Duitsland, Finland, Ierland, Italië en Portugal);

BE.  overwegende dat IAO-verdrag nr. 189 gericht is op een wettelijke erkenning van huishoudelijk werk, een uitbreiding van rechten naar alle soorten huishoudelijk personeel en de preventie van schendingen en misbruiken;

BF.  overwegende dat het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden (1990) reeds door 48 landen geratificeerd en door 18 landen ondertekend is, maar dat nog geen enkele EU-lidstaat het verdrag tot nu toe heeft ondertekend of geratificeerd;

BG.  overwegende dat huishoudelijk personeel en verzorgers belangrijke bijdragen leveren aan de socialezekerheidsstelsels, maar dat hun rol vaak ondervertegenwoordigd, miskend of afwezig is of genegeerd wordt in het debat over hervormingen op dit gebied;

BH.  overwegende dat de voorwaarden waaronder huishoudelijk personeel en verzorgers worden tewerkgesteld sterk verschillen van lidstaat tot lidstaat, variërend van onderbetaalde, zwartwerkende migranten zonder papieren en zonder contract tot huishoudelijk werk en zorg die worden aangeboden als openbare sociale dienstverlening of als particuliere sociale dienstverlening van bedrijven, instellingen, verenigingen en coöperaties, of als een rechtstreekse tewerkstelling door particuliere entiteiten;

BI.  overwegende dat er in de EU ook mannen werken in de sector van huishoudelijk werk, in het bijzonder als verzorgers, en dat zij bijgevolg op dezelfde manier beschermd en ondersteund moeten worden om elke vorm van discriminatie op grond van geslacht te voorkomen en gelijke kansen op de arbeidsmarkt te garanderen, overeenkomstig respectievelijk artikel 19 en artikel 153 VWEU;

BJ.  overwegende dat de meeste huishoudens die huishoudelijk personeel tewerkstellen niet op de hoogte zijn van hun rechten en plichten;

BK.  overwegende dat huishoudelijk werk vaak niet aan arbeidsinspectie wordt onderworpen wegens een gebrek aan toezicht op de sector in de meeste lidstaten;

BL.  overwegende dat de toegang tot het gerechtelijk apparaat voor schendingen van het arbeidsrecht en slachtoffers van misbruik of uitbuiting vaak problematisch is; overwegende dat de angst voor uitzetting, isolement op de werkplek en problemen om toegang te krijgen tot juridische bijstand mogelijk bepalende hindernissen vormen voor migranten in een irreguliere situatie die als huishoudelijk en verzorgend personeel werken;

BM.  overwegende dat de situatie van mannen die als huishoudelijk personeel en verzorger werken niet uit het oog mag worden verloren en dat zo spoedig mogelijk een verslag moet worden opgesteld over de specifieke problemen en uitdagingen waarmee zij worden geconfronteerd;

BN.  overwegende dat de huidige richtlijn betreffende veiligheid en gezondheid op het werk (Richtlijn 89/391/EEG) betrekking heeft op formeel tewerkgesteld huishoudelijk en verzorgend personeel, en dat werknemers die rechtstreeks in dienst zijn bij particuliere huishoudens van deze richtlijn zijn uitgesloten;

1.  is van mening dat het beroep en de waarde van huishoudelijk werk en zorg door de EU gemeenschappelijk erkend moeten worden als echt werk, aangezien de erkenning van deze beroepssector zwartwerk waarschijnlijk zal terugdringen en de sociale integratie wellicht zal bevorderen, en roept de EU en de lidstaten daarom op om gemeenschappelijke regels vast te leggen voor huishoudelijk werk en zorg;

2.  verzoekt de Commissie om met betrekking tot huishoudelijk werk en zorg met een reeks beleidsinstrumenten te komen, zowel wetgevende als niet-wetgevende, waarin kwaliteitsvolle richtsnoeren voor beide sectoren tot stand worden gebracht; meent dat dergelijke initiatieven moeten worden toegespitst op volgende aandachtspunten:

(a)  de uitwerking van een algemeen kader voor de professionalisering van huishoudelijk werk en zorg, met het oog op de erkenning en standaardisering van de desbetreffende beroepen, vaardigheden en loopbaanontwikkeling, met inbegrip van rechten die zijn opgebouwd in overeenstemming met de specifieke kenmerken van de lidstaten;

(b)  een spoedig voorstel voor een richtlijn inzake zorgverlof en een kader voor de erkenning van de status van niet-professionele verzorgers, waarin voor de periode waarin ze de zorgtaken verrichten wordt voorzien in een vergoeding en in minimumnormen voor sociale bescherming, en in ondersteuning in de vorm van opleiding en specifieke maatregelen om hen te helpen hun levens- en arbeidsomstandigheden te verbeteren;

3.  is blij met de inzet van de Commissie voor het initiatief "New start for working parents and caregivers" (nieuwe start voor werkende ouders en verzorgers);

4.  verzoekt de lidstaten een beroepskwalificatie in te voeren voor bepaalde soorten huishoudelijk werk (bejaardenzorg, kinderzorg, gehandicaptenzorg) die specifieke vaardigheden vereisen;

5.  is van mening dat de sector van huishoudelijk werk en zorg en de professionalisering van de sector banen en groei kan genereren en dat een billijke vergoeding om die reden noodzakelijk is; is van mening dat oplossingen deel kunnen uitmaken van een model voor sociale innovatie;

6.  is van mening dat de professionalisering van de werknemers in de huishoudelijke dienstverlening zal zorgen voor een grotere aantrekkingskracht van de sector en een betere kwaliteit van de geleverde diensten, en dat dit waardig en erkend werk zal bevorderen;

7.  benadrukt dat het belangrijk is de professionele erkenning van vaardigheden en kwalificaties van huishoudelijk personeel en verzorgers te stimuleren om hen betere vooruitzichten op professionele ontwikkeling te bieden; wijst ook op het belang van een specifieke opleiding voor personen die werken met ouderen en kinderen om aan te zetten tot het creëren van kwaliteitsvolle banen die tot kwaliteitsvolle werkgelegenheid en betere arbeidsomstandigheden leiden, onder meer door formele arbeidsovereenkomsten, toegang tot opleiding en een grotere maatschappelijke erkenning te bieden; erkent dat het belangrijk is voor een validatie en certificering van verworven vaardigheden, kwalificaties en ervaring te zorgen en loopbaanontwikkeling te stimuleren; acht het in dit verband van fundamenteel belang dat er opleidingen en omscholingscursussen worden ingericht;

8.  verzoekt de Commissie de lidstaten aan te sporen systemen uit te werken voor de professionalisering, opleiding, permanente ontwikkeling van vaardigheden en erkenning van de kwalificaties – onder meer geletterdheid (indien van toepassing) – van vrouwelijk huishoudelijk personeel en verzorgers, teneinde hun betere vooruitzichten te kunnen bieden voor persoonlijke, professionele en loopbaanontwikkeling;

9.  verzoekt de lidstaten ondertussen regels vast te stellen voor alle soorten arbeidsverhoudingen tussen gezinshoofden – in de hoedanigheid van werkgevers – en een werknemer die tegen betaling arbeid verricht binnen het huishouden van de werkgever;

10.  verzoekt de lidstaten om een specifiek wettelijk kader te ontwikkelen om huishoudelijk personeel en verzorgers op een wettelijke en georganiseerde manier in dienst te kunnen nemen en waarin de rechten en verantwoordelijkheden van alle betrokkenen worden vastgelegd, teneinde zowel de werknemers in deze sector als hun potentiële werkgevers rechtszekerheid te bieden; vraagt ook dat er rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de arbeidsovereenkomst en met het feit dat vele werkgevers particulieren zijn die niet vertrouwd zijn met juridische vormvoorschriften;

11.  verzoekt de lidstaten om doortastend op te treden in de sector van huishoudelijk werk en zorg, die een grote meerwaarde betekent voor de economie, door dit werk als een volwaardig beroep te erkennen en ervoor te zorgen dat huishoudelijk personeel en verzorgers echte werknemersrechten en sociale bescherming genieten via het arbeidsrecht of collectieve overeenkomsten, in het bijzonder met betrekking tot loon, werktijden, gezondheid en veiligheid op het werk, verlof, moederschapsverlof, pensioenrechten en erkenning van vaardigheden, rekening houdend met het specifieke karakter van de sector;

12.  is voorstander van Verdrag nr. 189 van de IAO met betrekking tot waardig werk voor huishoudelijk personeel, aangevuld met Aanbeveling nr. 201, aangezien hierin een globale benadering van de behoeften van werknemers om beschermd te worden door het arbeidsrecht wordt gehanteerd en sociale rechten, non-discriminatie en gelijke behandeling worden geëist;

13.  spoort alle lidstaten aan om Verdrag nr. 189 van de IAO met spoed te ratificeren, ervoor te zorgen dat het strikt wordt toegepast om de arbeidsomstandigheden te verbeteren en er ook op toe te zien dat dit Verdrag en Aanbeveling nr. 201 van de IAO betreffende waardig werk voor huishoudelijk personeel uit 2011 worden nageleefd; herinnert eraan dat regeringen volgens de IAO-statuten de verplichting hebben om het verdrag en de aanbeveling voor te leggen aan hun nationale wetgevende organen om maatregelen voor de tenuitvoerlegging van deze instrumenten te bevorderen en dat, in het geval van het verdrag, de indieningsprocedure er mede op gericht is om de ratificatie te bevorderen;

14.  is van mening dat ratificatie door alle EU-lidstaten een belangrijke stap vooruit zou zijn voor de bevordering en bescherming van de mensenrechten, en ook een krachtig politiek signaal zou afgeven tegen alle vormen van misbruik, pesterijen en geweld jegens alle werknemers en met name vrouwelijk huishoudelijk personeel;

15.  verzoekt de EU-instellingen om alle EU-richtlijnen die in strijd zijn met IAO-Verdrag nr. 189 te wijzigen;

16.  verzoekt de lidstaten huishoudelijk personeel en verzorgers op te nemen in alle nationale wetgeving met betrekking tot arbeid, gezondheidszorg, sociale zorg, verzekering en de strijd tegen discriminatie, en aldus hun bijdrage aan de economie en de samenleving te erkennen; dringt er daarom bij de Commissie op aan een herziening te overwegen van elke EU-richtlijn die huishoudelijk personeel en verzorgers uitsluit van rechten die andere werknemerscategorieën genieten;

17.  toont begrip voor de aarzeling van een aantal lidstaten om wetgeving voor de persoonlijke levenssfeer vast te stellen; is niettemin van mening dat zowel de samenleving als de betrokken werknemers een hoge prijs zullen betalen als er geen actie wordt ondernomen; benadrukt dat de voorspelde groei van de vraag naar verzorgers, met name in particuliere huishoudens, dergelijke wetgeving noodzakelijk maakt om deze werknemers volledige bescherming te kunnen bieden; verzoekt de lidstaten derhalve om samen met de sociale partners maatregelen te nemen waarmee wordt voorzien in een adequaat en passend inspectiesysteem, in overeenstemming met artikel 17 van IAO-Verdrag nr. 189, en adequate sancties in geval van schending van de wet- en regelgeving inzake veiligheid en gezondheid op het werk;

18.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om een passend niveau van gezondheid en veiligheid op het werk te verzekeren en te handhaven, bijvoorbeeld wat moederschapsbescherming betreft, en om maatregelen te nemen om arbeidsongevallen en het risico op arbeidsletsels en beroepsziekten te voorkomen; benadrukt dat er voor personen die reeds in deze sector werkzaam zijn hogere normen moeten komen door middel van praktijkgerichte opleidings- en omscholingsregelingen; is van mening dat in dergelijke opleidingen aandacht moet worden besteed aan het omgaan met de risico's die verbonden zijn aan taken die specifieke houdingen en bewegingen vergen, aan biologische en chemische risico's en het gebruik van ondersteunende technologie;

19.  verzoekt de Commissie de vrijstelling in Richtlijn 89/391/EEG betreffende de veiligheid en gezondheid op het werk te evalueren;

20.  vindt het van essentieel belang de strijd aan te gaan met onzekere banen en zwartwerk, aangezien huishoudelijk personeel, met inbegrip van vrouwelijke migrantenwerknemers, zwaar getroffen wordt door dit verschijnsel en de kwetsbare positie van deze werknemers hierdoor nog verergert; benadrukt hoe belangrijk het is dergelijke praktijken, met inbegrip van kinderarbeid, uit te bannen en te vervolgen; spreekt er in dit verband zijn steun voor uit om de onzekere situatie van huishoudelijk personeel en verzorgers aan te pakken in het kader van het Europees Platform tegen zwartwerk; herinnert eraan dat zij door het zwartwerk geen aanspraak kunnen maken op sociale zekerheid en dat zwartwerk negatieve gevolgen heeft voor hun arbeidsomstandigheden wat gezondheid en veiligheid betreft; spreekt daarom zijn verwachting uit dat het Europees platform tegen zwartwerk ervoor zal zorgen dat zwartwerk wordt voorkomen en minder aantrekkelijk wordt, aangezien de zwarte economie de werkzekerheid in het gedrang brengt, een invloed heeft op de kwaliteit van de zorg en de arbeidsomstandigheden van vele in het zwart werkende verzorgers, de houdbaarheid van het sociale zekerheidsstelsel in gevaar brengt en ervoor zorgt dat staten minder belastinginkomsten ontvangen;

21.  verzoekt de lidstaten te investeren in meer en betere methoden voor de preventie, opsporing en bestrijding van de overvloedige aanwezigheid van zwartwerk in de sector van huishoudelijk werk en zorg, met name wat gevallen van mensenhandel en arbeidsuitbuiting betreft, alsook gevallen van bedrijven die huishoudelijke en zorgdiensten aanbieden met behulp van zwartwerk en schijnzelfstandigheid, teneinde werknemers te beschermen en de overgang van zwartwerk naar aangemeld werk te bevorderen via een betere bescherming en degelijkere, beter gestroomlijnde mechanismen voor arbeidscontrole en -inspectie;

22.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat er legale kanalen beschikbaar zijn om naar de EU te migreren en gerichte programma's voor legale migratie in te voeren; benadrukt dat de lidstaten bilaterale overeenkomsten tot stand moeten brengen met de staten vanwaar huishoudelijk personeel en verzorgers volgens de statistieken uitgezonden worden, teneinde regels vast te stellen voor de beweging van uitzenden en ontvangen, en op die manier de netwerken voor mensenhandel en dwangarbeid te helpen bestrijden, maar evengoed het fenomeen van sociale dumping te ontmoedigen; roept de lidstaten op om het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden, dat op 18 december 1999 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties werd aangenomen, te ratificeren;

23.  herinnert de lidstaten eraan dat in het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 1961 is bepaald dat diplomatieke delegaties verplicht zijn de wet- en regelgeving van hun gaststaat te respecteren, met inbegrip van het arbeidsrecht, en spoort de lidstaten aan om effectief toe te zien op de naleving van dit verdrag, teneinde in geval van misbruik van huishoudelijk personeel te voorkomen dat diplomatieke huishoudens ongestraft blijven; verzoekt de lidstaten te overwegen hoe personen die voor en binnen het diplomatieke corps werkzaam zijn beter kunnen worden beschermd, en huishoudelijk personeel het recht te geven om van baan te veranderen;

24.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de visa van huishoudelijk en verzorgend personeel deze werknemers in staat stellen om van werkgever te veranderen als zij te maken hebben gekregen met misbruik, schending van mensenrechten, een ondermaatse werkomgeving of andere omstandigheden die niet in overeenstemming zijn met de nationale normen zoals vastgelegd in nationale of EU-arbeidswetgeving;

25.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te ijveren voor regularisatiestelsels op basis van lessen die zijn getrokken uit eerdere ervaringen, als een manier om migrantenwerknemers in een irreguliere situatie minder bloot te stellen aan uitbuiting en misbruik; verzoekt de lidstaten met klem zwartwerkend huishoudelijk of verzorgend personeel steun en bescherming te bieden wanneer iemand beslist uit de vicieuze cirkel van "verborgen" arbeid te treden;

26.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om het onderzoek naar gevallen van mensenhandel met het oog op uitbuiting te bevorderen, en om meer specifiek met betrekking tot huishoudelijk werk betere mechanismen uit te werken voor het identificeren en beschermen van deze slachtoffers en om ngo's, vakbonden, de overheid en alle burgers te betrekken bij het opsporingsproces van het fenomeen mensenhandel en ernstige uitbuiting;

27.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om een uitbreiding van de instrumenten en mechanismen voor het aanpakken van mensenhandel – zoals verwijzingsmechanismen of tijdelijke verblijfsvergunningen – en om een herziening ervan met het oog op een uitbreiding van hun toepassingsgebied naar gevallen van ernstige arbeidsuitbuiting waar geen mensenhandel bij komt kijken;

28.  verzoekt de lidstaten om overeenkomstig artikel 17 van IAO-Verdrag nr. 189 te voorzien in doeltreffende en toegankelijke klachtenmechanismen en hulpmiddelen om de naleving van de nationale wet- en regelgeving inzake de bescherming van huishoudelijk personeel te verzekeren; verzoekt de lidstaten voorts maatregelen voor arbeidsinspecties, handhaving en sancties te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen, met inachtneming van de specifieke kenmerken van huishoudelijk werk, overeenkomstig de nationale wet- en regelgeving; vraagt dat in dergelijke maatregelen, voor zover verenigbaar met de nationale wet- en regelgeving, specifiek wordt omschreven onder welke voorwaarden toegang tot een woonhuis mag worden verleend, met inachtneming van de privacy; verzoekt de lidstaten om overeenkomstig de nationale regelgeving na te denken over mechanismen om misbruik effectief aan te pakken, bijvoorbeeld met inspecties ter plaatse indien een vermoeden van misbruik bestaat;

29.  toont zich bezorgd over het gebrek aan inspecties om toezicht te houden op de rekrutering van vrouwelijk huishoudelijk personeel en verzorgers door bedrijven of wervingsbureaus en herhaalt dat het noodzakelijk is het aantal overheidsinspecteurs en ‑inspecties te verhogen om te kunnen nagaan of de wet wordt nageleefd;

30.  dringt er bij de lidstaten op aan de nodige inspanningen te leveren om het aantal inspecties op te voeren en op zoek te gaan naar vernieuwende inspectiemethoden die de privacy eerbiedigen, in het bijzonder met betrekking tot privéwoningen, die inspecteurs niet mogen betreden zonder machtiging van de rechtbank, en inspecteurs op passende wijze te instrueren en op te leiden om mishandeling, uitbuiting (met inbegrip van financiële uitbuiting) en daden van geweld of seksueel misbruik ten aanzien van huishoudelijk personeel uit te bannen;

31.  verzoekt de lidstaten campagnes te voeren om de voordelen van geregulariseerd huishoudelijk werk en zorg zichtbaarder te maken en meer bekendheid te geven bij het grote publiek en privébedrijven, zodat het beroep in ere wordt hersteld en erkend wordt dat vrouwelijk huishoudelijk personeel en verzorgers belangrijk werk verrichten en een belangrijke schakel zijn in het raderwerk van de maatschappij; verzoekt de lidstaten tegelijkertijd om het grote publiek bewuster te maken van het bestaan van ernstige uitbuiting in particuliere huishoudens door ten aanzien van de uitbuiting van deze werknemers naar een nultolerantie te streven;

32.  verzoekt de lidstaten bewustmakingscampagnes op te starten over de rechten en plichten van huishoudelijk en verzorgend personeel en hun werkgevers en over de risico's en gevolgen van uitbuiting in de sector van huishoudelijk werk, en in deze campagnes te ijveren voor de erkenning van huishoudelijk werk en zorg; raadt de lidstaten aan programma's met een stappenplan te ontwikkelen;

33.  verzoekt de lidstaten om in samenspraak met de sociale partners informatiekanalen over de rechten van huishoudelijk personeel en verzorgers tot stand te brengen en te verbeteren, en om ervoor te zorgen dat alle werknemers deze informatie wel degelijk ontvangen; pleit in deze context voor de oprichting van informatiepunten op regionaal en lokaal niveau, volgens beproefde methoden in de lidstaten, met hulplijnen en websites die bijstand en informatie bieden, ook in de vorm van campagnes, over de rechten van huishoudelijk personeel en verzorgers in elke lidstaat, in de landstaal en in andere relevante talen; onderstreept dat ook organisaties uit het maatschappelijk middenveld, zoals organisaties die vrouwen en migranten vertegenwoordigen, deze informatie zouden moeten kunnen verstrekken; merkt op dat deze instrumenten moeten worden opgevat als bron van beproefde methoden, nuttig advies en richtsnoeren voor potentiële werkgevers, zowel gezinnen als instellingen, met modelarbeidsovereenkomsten om te verzekeren dat werkgevers hun verantwoordelijkheden vervullen;

34.  vraagt dat streng wordt opgetreden tegen alle ondernemingen, ongeacht de sector, die hun bedrijfsmodel baseren op de uitbuiting van illegale werknemers om de bedrijfskosten zo laag mogelijk te houden, zo hoog mogelijke winsten te realiseren en legale ondernemingen weg te concurreren;

35.  verzoekt vakbonden al wie huishoudelijk werk en zorgtaken verricht voorzichtig te benaderen, met behulp van methoden die aangepast zijn aan de specifieke werkomgeving van deze werknemers en het onzekere karakter van hun banen;

36.  benadrukt de belangrijke rol die vakbonden kunnen spelen om werknemers te organiseren en te informeren over hun rechten en plichten; wijst erop dat dit voor huishoudelijk personeel een manier is om met één stem vertegenwoordigd te worden, collectief te kunnen onderhandelen over hun contracten en hun rechten en belangen te verdedigen;

37.  pleit voor een gedegen vertegenwoordiging van de sociale partners, met name de vakbonden, op Europees en nationaal niveau om sectorale collectieve onderhandelingen in overeenstemming met nationale praktijken te intensiveren, teneinde effectief vooruitgang te boeken wat waardige arbeidsomstandigheden in deze sectoren betreft en deze ook af te dwingen; pleit tevens voor een gedegen vertegenwoordiging van beroepsorganisaties en organisaties die met en namens huishoudelijk personeel en verzorgers werken en andere relevante organisaties uit het maatschappelijk middenveld, en vraagt om ervoor te zorgen dat zij zich ten volle bewust zijn van de uitdagingen die gepaard gaan met de bescherming van de arbeidsrechten van vrouwen die als huishoudelijk personeel en als verzorger werken;

38.  betreurt dat vrouwelijk huishoudelijk en verzorgend personeel nog steeds slecht vertegenwoordigd is in de vakbondsorganisaties van de verschillende lidstaten en benadrukt dat deze werkneemsters aangespoord moeten worden om zich bij een vakbond aan te sluiten;

39.  benadrukt ook hoe belangrijk het is dat werkgevers zich verenigen in federaties of andere soorten organisaties op nationaal niveau, aangezien het van mening is dat inspanningen om huishoudelijk werk en zorg te erkennen alsook de arbeidsomstandigheden en de aantrekkelijkheid van deze banen te verbeteren zonder dergelijke werkgeversorganisaties tevergeefs zullen zijn;

40.  merkt op dat werkgevers in particuliere huishoudens een primordiale rol spelen bij de inachtneming van redelijke arbeidsvoorwaarden en -rechten; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat werknemers en werkgevers over de desbetreffende informatie beschikken;

41.  verzoekt de Commissie al het nodige te doen om beter te kunnen toezien op het kwetsbare en ondergewaardeerde beroep van huishoudelijk personeel en verzorgers, het beter te kunnen documenteren en maatregelen voor te stellen om het fenomeen aan te pakken;

42.  vraagt de Commissie en de bevoegde Europese agentschappen een studie uit te voeren om de verschillende stelsels voor geregulariseerd huishoudelijk werk te vergelijken en gegevens te verzamelen met betrekking tot de toestand in de lidstaten; is van oordeel dat deze gegevens gebruikt moeten worden om beproefde methoden uit te wisselen tussen de lidstaten, zodat met name de strijd tegen de uitbuiting van huishoudelijk personeel geoptimaliseerd kan worden; verzoekt de Commissie tevens een onderzoek te starten over de bijdrage van verzorgers en huishoudelijk personeel aan de socialezekerheidsstelsels en economieën van de lidstaten;

43.  spoort aan tot de uitwisseling van beproefde methoden tussen de lidstaten om maatregelen en effecten te optimaliseren;

44.  is van mening dat het overnemen en aanpassen van beproefde methoden uit bepaalde lidstaten tot reguliere vormen van arbeid voor huishoudelijk personeel en verzorgers kan leiden;

45.  verzoekt de Commissie en de lidstaten betrouwbare statistische gegevens, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht en nationaliteit, te verzamelen, te analyseren en te publiceren om discussies met kennis van zaken mogelijk te maken bij de zoektocht naar de beste oplossingen voor de professionalisering van de sector van huishoudelijk werk; vraagt dat Eurofound en het Europees Agentschap voor veiligheid en gezondheid op het werk (EU-OSHA) belast worden met het uitwerken van methoden om bescherming te bieden, klacht in te dienen en het bewustzijn te vergroten;

46.  verzoekt de Commissie om het debat over de situatie van huishoudelijk personeel en verzorgers op te nemen in de agenda van het Comité voor de werkgelegenheid (EMCO);

47.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om er bij het herzien en voorstellen van respectievelijk rechtshandelingen en nationale wetgeving ter zake op toe te zien dat de belangen van huishoudelijk personeel en verzorgers in aanmerking worden genomen, met eerbiediging van de nationale bevoegdheden;

48.  is zich bewust van de enorme sociale en economische bijdrage van vrijwilligers en van gezinsleden die zorgtaken uitvoeren (informele zorg), alsook van het groeiende aantal verantwoordelijkheden dat op hun schouders terechtkomt doordat de dienstverlening wordt afgebouwd of de kosten van deze diensten stijgen;

49.  wijst op een stijging in het aantal personen dat langdurig in een zorginstelling verblijft en de verdere sociale uitsluiting van personen met een handicap in de EU, wat een rechtstreekse schending vormt van de verplichtingen van de EU op grond van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en de Europese strategie inzake handicaps 2010-2020;

50.  is van mening dat er een stimulans moet worden gegeven aan de ontwikkeling van gesubsidieerde regelingen voor thuiszorg, waardoor personen met een handicap de mogelijkheid krijgen zelfstandig te wonen en gekwalificeerde vakmensen te kiezen die hen bij hen thuis komen verzorgen, met name in het geval van een ernstige handicap;

51.  beklemtoont dat de lidstaten door middel van passende financiering moeten zorgen voor een bredere toegang tot laagdrempelige, betaalbare, kwaliteitsvolle en inclusieve voorzieningen voor kinderopvang, gehandicaptenzorg en ouderenzorg, waardoor de argumenten om deze taken op informele en onzekere basis te verrichten tot een minimum worden herleid en het werk dat professionele zorgverleners verzetten een grotere erkenning krijgt; wijst erop dat de lidstaten diensten moeten ontwikkelen ter ondersteuning van mantelzorgers, formele en informele verzorgers;

52.  verzoekt de lidstaten aanwervingen in de sociale dienstverlening te bevorderen en inspanningen te leveren om de sector aantrekkelijker te maken als mogelijke loopbaankeuze;

53.  dringt er bij de lidstaten op aan te investeren in het creëren van stabiele, kwaliteitsvolle banen in de sector van huishoudelijk werk en zorg, onder meer door middel van EU-fondsen als het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI);

54.  verzoekt de Commissie en de lidstaten innovatieve oplossingen en investeringen in sociale dienstverlening en gezondheidszorg te stimuleren en te bevorderen, aangezien deze sectoren een groot banenscheppend vermogen hebben, van essentieel belang zijn om te kunnen inspelen op de behoeften van onze vergrijzende samenleving en demografische verandering in het algemeen, en ook noodzakelijk zijn om de negatieve sociale gevolgen van de crisis af te wenden;

55.  verzoekt de Commissie informatie en beproefde methoden uit te wisselen, afkomstig van verenigingen en coöperaties van huishoudelijk personeel en verzorgers die deel uitmaken van de modellen voor sociale economie in de EU;

56.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de oprichting van werknemerscoöperaties in de sectoren van huishoudelijke dienstverlening en zorgverlening te bevorderen, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan plattelandsgebieden, gezien de positieve effecten die dit zal hebben op het creëren van hoogwaardige en duurzame banen, met name voor werknemers die moeite hebben met integratie op de arbeidsmarkt;

57.  verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat huishoudelijk personeel van jonge leeftijd de school niet opgeeft om te gaan werken;

58.  verzoekt de Commissie om een herziening van Richtlijn 2006/54/EG betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep; richt zich ook tot de lidstaten om deze richtlijn consequent ten uitvoer te leggen;

59.  verzoekt de lidstaten stimulansen te overwegen om het gebruik van aangemeld werk in het huishouden en de zorg aan te moedigen; spoort de lidstaten aan eenvoudige aangiftesystemen in te voeren om zwartwerk te ontraden en het probleem te bestrijden, zoals aanbevolen door het Europees Economisch en Sociaal Comité in zijn advies over de ontwikkeling van gezinsondersteunende dienstverlening om de arbeidsparticipatie te verhogen en gelijke behandeling van vrouwen en mannen op de werkplek te bevorderen (SOC/508); raadt de Commissie aan om de uitwisseling van beproefde methoden tussen de lidstaten te bevorderen, in navolging van succesmodellen die een positief effect hebben gehad op de sector wat sociale en arbeidsvoorwaarden betreft, zoals de dienstencheques in België of de "chèque emploi service universel" (Cesu) in Frankrijk;

60.  raadt de lidstaten aan om na afloop van een sociale dialoog tussen maatschappelijk werkers, werkgevers en vrouwelijke werknemers in elke lidstaat een consensueel contract voor huishoudelijk en verzorgend werk op te stellen;

61.  vindt het nuttig de wetgeving aan te passen om flexibele maar grotendeels zekere contractuele overeenkomsten tot stand te kunnen brengen tussen huishoudelijk personeel en verzorgers enerzijds en gezinshoofden die als werkgever fungeren anderzijds, teneinde beide partijen te helpen bij het gebruiken/aanbieden van huishoudelijke diensten zoals het hen het best schikt, terwijl de bescherming van de werknemers gewaarborgd wordt;

62.  raadt de lidstaten aan om bovenop duidelijke regelgeving voor legale tewerkstelling van huishoudelijk personeel en verzorgers ook te voorzien in stimulansen voor huishoudelijk personeel en hun potentiële werkgevers om voor de legale weg te kiezen; verzoekt de lidstaten eveneens om de wettelijke barrières weg te nemen die een aangemelde, rechtstreekse tewerkstelling van werknemers door gezinnen momenteel in de weg staan;

63.  herhaalt zijn oproep voor een gestructureerde sectorale dialoog in de zorgsector(17);

64.  verzoekt de lidstaten om au pairs van binnen en buiten de EU gelijk te behandelen door hen een gecombineerde verblijfs- en werkvergunning te verlenen waarop de werktijden, het type arbeidsovereenkomst en de betalingsvoorwaarden vermeld worden; verzoekt de lidstaten om de binnen de Raad van Europa gesloten overeenkomst inzake de plaatsing van au pairs te ratificeren; eist dat de lidstaten verbeteringen aanbrengen in het erkenningssysteem en de controlemechanismen voor bureaus voor de plaatsing van au pairs;

65.  herinnert aan de noodzaak om au pairs in overeenstemming met de Europese Overeenkomst inzake de plaatsing van au pairs formeel te erkennen en het aantal inspecties op te voeren, zodat au pairs geen informeel en goedkoop substituut voor huishoudelijk personeel en verzorgers worden;

66.  stelt voor dat de Commissie zich beraadt op de noodzaak en het nut van een rechtshandeling waarin de rechten uit IAO-Verdrag nr. 189 zijn opgenomen en die ook betrekking heeft op verzorgers en personen die op tijdelijke, occasionele of ad-hocbasis betaalde verzorgende diensten leveren, met een specifieke verwijzing naar bijzonder kansarme groepen;

67.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat huishoudelijk personeel en verzorgers in Europa op hun waarde worden geschat als mensen en de mogelijkheid krijgen werk en privéleven te combineren, onder meer door deze werknemers op te nemen in de werktijdenrichtlijn (2003/88/EG), zodat zij recht hebben op essentiële rustperioden en niet kunnen worden gedwongen om buitensporig veel uren te maken;

68.  vraagt de lidstaten maatregelen te treffen voor een betere combinatie van werk en gezin, aangezien dit tot voordeel heeft dat vrouwen aangemoedigd worden om in loondienst te blijven werken en dat hun latere pensioenkloof hierdoor kleiner wordt;

69.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat huishoudelijk personeel en verzorgers een pensioenregeling krijgen overeenkomstig de nationale wetgeving;

70.  verzoekt de lidstaten die een nationaal minimumloon hebben ingevoerd om ervoor te zorgen dat al het huishoudelijk personeel en alle verzorgers minimaal dit loon ontvangen;

71.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de IAO.

TOELICHTING

Een kwestie van menselijke waardigheid

In een brief aan zijn broer schreef Anton Tsjechov het volgende:

"Beschaafde mensen moeten naar mijn mening beantwoorden aan de volgende criteria: ze tonen eerbied voor de mens als individu..."

De kwestie van huishoudelijk personeel en verzorgers is in de eerste plaats een kwestie van eerbied voor de waardigheid van mensen, van vrouwen in deze specifieke context. Hoewel in dit verslag maatregelen worden voorgesteld ter bescherming van de vrouw en er daarom bij verwijzing naar werknemers gedoeld wordt op vrouwelijke werknemers, spreekt het voor zich dat de voorgestelde maatregelen van toepassing moeten zijn op alle werknemers in deze sectoren, aangezien waardigheid geen voorrecht van een bepaald geslacht is, hoewel ze bij vrouwen wellicht vaker en ernstiger wordt aangetast.

Definities

Eerst en vooral moeten we proberen te definiëren wat bedoeld wordt met huishoudelijk werk en zorg. Het is uiteraard onmogelijk hierover te spreken zonder referentie.

Van alle officiële instellingen die zich op nationaal, Europees of internationaal niveau bezighouden met arbeidskwesties heeft tot nu toe, buiten de academische wereld, alleen de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) een gezaghebbende definitie geformuleerd van huishoudelijk werk en huishoudelijk personeel. De definities van de IAO luiden als volgt:

- "huishoudelijk werk" betekent "werk dat in of voor een huishouden of huishoudens verricht wordt", en

- "huishoudelijk personeel" betekent "elke persoon die in dienstverband huishoudelijk werk verricht".

Hoewel we akkoord gaan met deze definities zijn we van mening dat ze herzien moeten worden zodat ook "deeltijds werk dat af en toe of sporadisch verricht wordt" eronder valt. Dit verslag heeft ook betrekking op deze categorie van werknemers.

Ook de categorie van "verzorgers", waarvan evenmin een algemeen geldende en toegepaste definitie bestaat, wordt in dit verslag behandeld. Verschillende belanghebbenden, hoofdzakelijk onderzoekers, gebruiken uiteenlopende definities naargelang van de invalshoek van hun studies. Er bestaat een relatieve consensus over het begrip verzorger als een persoon die min of meer stelselmatig hulp en diensten verleent aan ouderen, personen met een beperking, een aandoening of een ziekte. Zo moeilijk de definitie van wat een verzorger precies is, zo uiteenlopend ook de benaderingen van de lidstaten in de manier waarop deze activiteit gepercipieerd wordt, wat dan weer zijn weerslag heeft op hun respectieve socialezekerheidsstelsels.

Wie wordt bedoeld met huishoudelijk personeel en verzorgers

Beide ruime categorieën van huishoudelijk personeel en verzorgers bestaan in hoofdzaak uit vrouwen. De meesten van deze vrouwen zijn ook migranten.

Gewoonlijk zijn ze laaggeschoold en moeten ze werken om te overleven of om hun gezin bijkomend te onderhouden.

Waarom hebben we huishoudelijk personeel en verzorgers nodig

De laatste decennia heeft Europa aanzienlijke demografische en socio-economische veranderingen gekend.

De bevolking wordt ouder en heeft een hogere levensverwachting, en het aantal geboorten neemt af.

Ook de gezinsvormen veranderen. Grotere gezinnen zijn vervangen door kleinere huishoudens, met wijzigingen in de verdeling van de verantwoordelijkheden als gevolg.

Tegelijkertijd participeren vrouwen in steeds grotere aantallen in de arbeidsmarkt.

Door de stijging van het bbp in Europa is de levensstandaard toegenomen.

Door dit soort veranderingen ontstaat de behoefte om een aantal taken die traditioneel door vrouwen binnen het gezin werden opgenomen (schoonmaken, de zorg voor zorgbehoevende gezinsleden, etc.) door professionals te laten uitvoeren.

In de grote meerderheid van nationale socialezekerheidsstelsels is niet voorzien in de dekking van deze behoeften (ten minste niet in de mate die nodig is), mede als gevolg van de algemene afbrokkeling van de welvaartsstaat.

Wat staat er op het spel

De lidstaten zijn zich bewust van de behoeften met betrekking tot huishoudelijk werk en zorg, maar laten toe dat deze taken door de zwarte economie worden opgenomen, omdat ze liever besparen op de openbare uitgaven en willen profiteren van de toegenomen migratiegolven om de gaten in deze dienstverlening op te vullen met nieuwe werkkrachten.

Doordat er in vele gevallen een gebrek is aan passende officiële structuren voor dienstverlening met betrekking tot huishoudelijk werk en zorg en door de grote vraag naar deze diensten worden ze regelmatig op informele basis aangeboden, met uiteenlopende problemen en een reeks complicaties als gevolg.

A.  Illegaliteit

In de meeste EU-landen worden huishoudelijk werk en zorg in het zwart verricht, waardoor de werknemers veroordeeld zijn tot een onzichtbaar leven in de schaduw en ze verstoken zijn van fundamentele rechten en bescherming via de sociale zekerheid.

Bovendien versterkt deze situatie de informele economie en draagt zo bij tot de vicieuze cirkel die de draagkracht van de socialezekerheidsstelsels steeds verder doet afnemen.

B.  Niet gedekt door het arbeidsrecht

Een andere paradox bij arbeid die binnenshuis wordt aangeboden, in het bijzonder bij inwonend huishoudelijk en verzorgend personeel, is dat dit werk in vele gevallen niet onder het arbeidsrecht valt, in de zin dat het niet om geregulariseerde beroepen in de nationale wetgeving gaat, en het personeel dus niet erkend wordt als werknemers.

Door deze ernstige lacune kunnen werknemers geen beroep doen op rechten met betrekking tot bijvoorbeeld het bepalen van het loon, de organisatie van de werktijd, wekelijks, jaarlijks en moederschapsverlof en de bijhorende uitkeringen.

Bovendien wordt hierdoor ook geen garantie op een veilige en gezonde werkomgeving geboden. Huishoudelijk personeel en verzorgers worden vaak blootgesteld aan gevaarlijke arbeidsomstandigheden of beschikken niet over de nodige opleiding om specifieke taken uit te voeren, waardoor ze snel betrokken raken in ongevallen, terwijl ze niet altijd toegang hebben tot gezondheidszorg.

C.  Pesterijen

Wanneer er geen zekerheid is omtrent arbeidsrechten en sociale bescherming ontstaat er ruimte voor discriminatie, mishandeling of zelfs misbruik en geweld, en in het geval van vrouwen - en dit is uiterst verwerpelijk - zelfs seksueel misbruik.

De specifieke situatie van migranten / illegale handel

Voor velen die als huishoudelijk personeel of verzorger werken, vormt het feit dat ze migranten zijn een bijkomend probleem. Vaak zijn ze ertoe gebracht om in irreguliere omstandigheden naar Europa te komen en zijn ze zich totaal niet bewust van hun rechten. Bijgevolg zijn ze zelfs nog kwetsbaarder.

Vrouwen die in Europa komen werken, is vaak een beter leven beloofd, of ze denken dat ze voor een beperkte periode tewerkgesteld zullen worden om hun familie uit de problemen te halen, terwijl ze uiteindelijk in werkomstandigheden belanden waarin ze geen controle hebben over de taken die ze in feite moeten uitvoeren of de voorwaarden waaronder ze hun diensten aanbieden. Er zijn gevallen bekend van illegale handel en netwerken voor dwangarbeid die vrouwelijke werknemers ronselen en manipuleren.

Deze vrouwen zijn totaal hulpeloos en geïsoleerd, ook door de bijkomende taalbarrière, aangezien ze meer dan waarschijnlijk de taal van het land waar ze terechtkomen niet spreken.

D.  Sociale uitsluiting / armoede / gebrek aan toekomstperspectieven

Wanneer huishoudelijk personeel en verzorgers vertrekken in onzekere omstandigheden, zonder enige aanspraak op sociale of arbeidsrechten, kunnen ze in de armoede belanden en uitgesloten worden van de samenleving met het gevoel hun leven kwijt te zijn.

Doordat ze geen toegang krijgen tot stelsels voor ondersteuning en persoonlijke vooruitgang (bijvoorbeeld onderwijs) wordt hen het perspectief op een beter leven ontzegd en worden ze met hun kinderen mogelijk gedoemd tot de vicieuze cirkel van armoede.

E.  Psychische druk

Het emotionele gewicht waaronder vooral inwonend huishoudelijk personeel gebukt gaat door te moeten omgaan met moeilijke situaties met betrekking tot de patiënten waar deze werknemers voor zorgen en daarbovenop de slechte psychische gemoedstoestand waarin ze zich kunnen bevinden door hun slechte arbeidsomstandigheden en het feit dat ze vaak gescheiden leven van hun thuis en gezin, zijn bijkomende factoren die van invloed zijn op hun toestand.

F.  Het ontbreken van toegang tot informatie, beschermingsstelsels, vakbonden

Velen die werken als huishoudelijk personeel of verzorgers worden ernstig benadeeld in hun rechten en weten bovendien niet waarnaartoe wanneer ze beslissen om hulp te vragen.

Zelfs in landen waar geprobeerd wordt deze beroepen te reguleren in wetgeving over huishoudelijk werk en zorg is het niet gemakkelijk de werknemers in kwestie te benaderen om hen te informeren over hun rechten. Ook de vakbonden nemen dit type van werknemer niet consequent op in hun afdelingen, waardoor collectieve onderhandelingen quasi onmogelijk zijn.

Bovendien zijn deze werknemers, aangezien het vaak gaat om documentloze migranten zonder wettelijke verblijfsvergunning of geldig werkvisum, bang om zich tot eender wie te richten wegens de mogelijke gevolgen.

G.  Vrouwen worden het meest getroffen

Het werk dat omschreven wordt als huishoudelijk werk en zorg wordt van oudsher verricht door vrouwen in de hoedanigheid van echtgenotes, moeders of dochters en zussen, en wordt daarom onvoldoende naar waarde geschat, niet als echt werk beschouwd of opgevat als minderwaardig werk. De lonen in deze sectoren kunnen dan ook zo laag zijn dat een waardig leven onmogelijk wordt, en ze leveren niet de erkenning op die deze vrouwen verdienen.

Aangezien het voornamelijk vrouwen zijn die dergelijke diensten aanbieden, bestaat het gevaar dat er twee snelheden ontstaan in de groep werkende vrouwen. Het is van cruciaal belang dat vrouwen die zich de diensten van andere vrouwen kunnen veroorloven, maar ook werkgevers in het algemeen, beseffen dat huishoudelijk personeel en verzorgers hen de kans geven er een professioneel en sociaal leven op na te houden, wat van essentieel belang is voor ieders persoonlijk evenwicht. Op dezelfde manier moeten zij deze mensen op hun beurt helpen om voor zichzelf een veilig leven op te bouwen, rekening houdend met hun respectieve behoeften.

Aangezien vrouwen erg in trek zijn voor deze banen en migranten tegen lage lonen werken en ook gemakkelijk uit te buiten zijn, tekent er zich bovendien een tendens af tot een vervrouwelijking van migratie.

Wat zijn de oplossingen

Er moet een gecombineerde reeks maatregelen met raakvlakken tussen verschillende maar onderling verbonden beleidssectoren genomen worden om het ingewikkelde probleem van de onzekerheid van huishoudelijk werk en zorg aan te pakken. Zowel initiatieven van wetgevende of niet-wetgevende aard als nationale en Europese verbintenissen zijn nodig.

Het Europees Parlement moet het pad effenen door een initiatiefverslag van wetgevende aard op te stellen waarin wordt opgeroepen tot de invoering van gemeenschappelijke voorschriften met betrekking tot huishoudelijk werk en zorg in de EU. Het voorstel moet specifieke normen bevatten die gericht zijn op vrouwen en migranten, aangezien dit de bevolkingscategorieën zijn die het meest voorkomen bij huishoudelijk personeel en verzorgers.

De Commissie moet:

- als volgende stap een wetgevingsinitiatief nemen, zoals eerder vermeld;

- er bij de lidstaten op aandringen de nodige stappen te zetten voor een professionalisering van huishoudelijk werk en zorg als echte en aparte arbeidssectoren, gericht op de erkenning en standaardisering van de desbetreffende beroepen en vaardigheden;

- samen met de bevoegde Europese agentschappen een studie uitvoeren om de verschillende stelsels voor geregulariseerd huishoudelijk werk te vergelijken en gegevens te verzamelen met betrekking tot de toestand in de lidstaten;

- een bijdrage leveren aan het overnemen en aanpassen van beproefde methoden uit bepaalde regio's of lidstaten;

- al het nodige doen om een EU-observatorium voor huishoudelijk werk en zorg op te richten om beter te kunnen toezien op deze ondergewaardeerde beroepen, ze beter te kunnen documenteren en maatregelen voor te stellen om de onzekerheid op deze domeinen aan te pakken;

- snel aanvatten met de hervorming en aanneming van EU-wetgeving met betrekking tot het migratiebeleid om de regularisatie van immigranten te vergemakkelijken.

De lidstaten moeten:

- huishoudelijk personeel en verzorgers, nadat deze beroepen geprofessionaliseerd zijn, opnemen in alle arbeids- en antidiscriminatiewetgeving;

- het IAO-verdrag nr. 189 met betrekking tot waardig werk voor huishoudelijk personeel onverwijld ratificeren en ten uitvoer brengen, aangezien de behoeften van deze werknemers hierin globaal behandeld worden;

- de bestaande voorschriften daadwerkelijk handhaven;

- zwartwerkend huishoudelijk of verzorgend personeel niet bestraffen wanneer iemand beslist uit de vicieuze cirkel van "verborgen" arbeid te treden, maar hem in plaats daarvan steunen en beschermen;

- de richtsnoeren die voortvloeien uit Richtlijn 2006/54/EG betreffende een gelijk loon voor en een gelijke behandeling van mannen en vrouwen met betrekking tot arbeid onmiddellijk toepassen;

- de nodige inspanningen leveren en op zoek gaan naar vernieuwende inspectiemethoden om mishandeling en geweld of zelfs seksueel misbruik en financiële uitbuiting ten aanzien van huishoudelijk personeel uit te bannen;

- programma's ondersteunen die voorzien in een stappenplan om werknemers informatie en onderricht te bieden over de gevolgen van onzekere banen; en informatiecentra en hulplijnen openen voor huishoudelijk personeel, zodat deze werknemers laagdrempelige informatie kunnen krijgen over hun rechten;

- zwartwerk aanpakken, aangezien huishoudelijk personeel en met name vrouwelijke migrantenwerknemers zwaar getroffen worden door dit verschijnsel; het "Europees platform voor de intensivering van de samenwerking bij het voorkomen en tegengaan van zwartwerk", dat in oprichting is, moet gebruikt worden als hefboom om dit te bewerkstelligen;

- uitgebreide campagnes organiseren om werkgevers en het publiek te informeren over de voordelen van en hun eigen verantwoordelijkheid bij het toepassen van redelijke arbeidsvoorwaarden en -rechten;

- bijdragen aan de vereniging van werkgevers in federaties of andere soorten organisaties, aangezien particuliere werkgevers een primordiale rol spelen bij de legalisering van huishoudelijk werk en zorg, alsook bij de verbetering van hun arbeidsomstandigheden; tenslotte zijn de werkgevers van huishoudelijk personeel en verzorgers zelf ook werknemers in andere sectoren en om die reden perfect geplaatst om te begrijpen dat werknemers aanspraak maken op hun rechten en op bescherming;

- voorzien in stimulansen voor werkgevers, bijvoorbeeld subsidies of aftrekposten voor wie daar behoefte aan heeft, om het gebruik van aangemeld werk in het huishouden en de zorg aan te moedigen;

- vereenvoudigde administratieve procedurele stelsels voor het aanwerven van huishoudelijk personeel en verzorgers in werking stellen om de totstandbrenging van een wettelijke arbeidsverhouding te vergemakkelijken;

- zorgen voor een bredere toegang tot laagdrempelige, betaalbare en kwaliteitsvolle voorzieningen voor kinderopvang, gehandicaptenzorg en ouderenzorg, waardoor de argumenten om deze taken op informele en onzekere basis te verrichten tot een minimum worden herleid;

- huishoudelijk personeel en verzorgers opnemen in hun onderwijsstelsels en ervoor zorgen dat jongeren de school niet opgeven om te beginnen werken als huishoudelijk personeel;

Daarnaast kan de betrokkenheid van vakbonden van cruciaal belang zijn, indien zij huishoudelijk personeel en verzorgers benaderen met methoden die aangepast zijn aan de specifieke werkomgeving van deze werknemers; indien zij deze werknemers proberen te organiseren en informeren over hun rechten en plichten, indien ze hen helpen om met één stem vertegenwoordigd te worden en de gelegenheid te krijgen collectief te onderhandelen, en indien ze hen rechtsbijstand bieden.

Huishoudelijk werk en zorg moeten per slot van rekening een vrije beroepskeuze vormen waarbij de werknemers die in deze sectoren werkzaam zijn op passende en humane wijze ondersteund worden op het vlak van rechten, bescherming, een waardig leven en toekomstperspectieven voor persoonlijke ontwikkeling.

7.12.2015

ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (*)

aan de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

inzake vrouwen die als huishoudelijk personeel en als verzorger werken in de EU

(2015/2094(INI))

Rapporteur voor advies: Tania González Peñas (*)

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 54 van het Reglement

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

–  gezien zijn resolutie van 12 mei 2011 over het voorgestelde verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), aangevuld door een aanbeveling, over huishoudelijk personeel,

–  gezien IAO-Verdrag nr. 189 en Aanbeveling nr. 201 betreffende waardig werk voor huishoudelijk personeel, die op 16 juni 2011 zijn goedgekeurd door de Internationale Arbeidsconferentie van de IAO,

–  gezien het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 1961,

A.  overwegende dat de toegevoegde waarde van huishoudelijk werk voor de samenleving en de economie, alsmede het potentieel ervan, in geldelijke termen nog steeds ondergewaardeerd wordt, en dat het vaak informele, niet aangemelde werkzaamheden betreft die niet als reguliere arbeid worden gezien;

B.  overwegende dat IAO-Verdrag nr. 189 en Aanbeveling nr. 201 betreffende waardig werk voor huishoudelijk personeel samen een historisch geheel van internationale normen vormen die de arbeidsomstandigheden van wereldwijd tientallen miljoenen huishoudelijke werkers beogen te verbeteren; overwegende dat huishoudelijk personeel voor het overgrote deel uit vrouwen bestaat en de nieuwe in IAO-Verdrag nr. 189 geformuleerde normen een belangrijke stap vormen op weg naar gendergelijkheid in arbeid en gelijke rechten en wettelijke bescherming voor vrouwen; overwegende echter dat IAO-Verdrag nr. 189 tot op heden door slechts 22 staten is geratificeerd, waaronder maar zes lidstaten van de EU;

C.  overwegende dat het werk van huishoudelijk personeel en verzorgers in de EU tot op de dag van vandaag nauwelijks is gereguleerd en dan nog op uiteenlopende wijze in de verschillende lidstaten, en dat hoewel deze sector als gevolg van de demografische veranderingen in Europa groeit, er maar weinig bekend is over het werkelijke aandeel ervan in de economie en betrouwbare statistische gegevens daarover ontbreken;

D.  overwegende dat de arbeidsomstandigheden van huishoudelijk personeel en verzorgers in de lidstaten sterk uiteenlopen, variërend van onderbetaalde zwartwerkers en illegale migranten zonder contract tot werknemers die een publieke of particuliere sociale dienst verrichten in dienst van bedrijven, instellingen, verenigingen en coöperaties of rechtstreeks zijn aangesteld door particuliere entiteiten;

E.  overwegende dat de sector huishoudelijk werk volgens cijfers van de IAO in 2010 wereldwijd meer dan 52 miljoen mensen tewerkstelde, waarbij 7,4 miljoen huisbedienden van minder dan 15 jaar moeten worden geteld; overwegende dat volgens de IAO wereldwijd 83 % van het huishoudelijk personeel in 2010 vrouwen waren, en dat de werkzaamheden grotendeels in het zwart werden verricht; overwegende dat er volgens de IAO circa 2,5 miljoen huishoudelijke werkers zijn in de EU; overwegende dat 88 % van het huishoudelijk personeel vrouw is; overwegende dat deze sector sterk vervrouwelijkt; overwegende dat huishoudelijk personeel en verzorgers een grote bijdrage leveren aan de verwezenlijking van de gendergelijkheidsdoelstellingen van de Europa 2020-strategie doordat zij het voor veel gezinnen in de EU mogelijk maken om een goede balans tussen werk en privéleven te vinden; overwegende dat, gezien het vele zwartwerk in de sector huishoudelijk werk wereldwijd en in de EU, de cijfers in werkelijkheid waarschijnlijk hoger liggen; overwegende dat de schaduweconomie in Europa meer dan 15 % van het Europese bbp vertegenwoordigt, wat neerkomt op een winstderving van meer dan 2 000 miljard euro;

F.  overwegende dat vrouwelijke huishoudelijke werkers en verzorgers een groeiende categorie werkenden vormen die gemiddeld circa 1 % van de totale beroepsbevolking vertegenwoordigt;

G.  overwegende dat huishoudelijk personeel geconfronteerd wordt met significante discriminatie wat betreft de rechten en de bescherming die werkers genieten in vergelijking met de algemene normen van een land, met name waar huishoudelijk werk wordt gereguleerd door specifieke wetgeving en/of collectieve arbeidsovereenkomsten in plaats van simpelweg door de algemene arbeidswetgeving; overwegende dat de belangrijkste vormen van discriminatie verband houden met het beperkte beroep dat huishoudelijke werkers kunnen doen op sociale zekerheidsvoorzieningen (in het bijzonder werkloosheids-, ziekte- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, moeder- en vaderschapsverlof en ander zorgverlof) en met het feit dat zij vaak zijn uitgesloten van ontslagbescherming;

H.  overwegende dat huishoudelijk werk en thuishulp merendeels gekenmerkt worden door een gebrek aan stabiliteit, mobiliteit, flexibiliteit, alsook door seizoensgebonden arbeid, ploegendiensten, onzekerheid en tijdelijkheid, en dat het hoofdzakelijk zwartwerk betreft;

I.  overwegende dat zwartwerkers, minderjarigen, migranten, werkers zonder contract of sociale zekerheid, tijdelijke werkers en werkers waarvan de rechten of kwalificaties niet worden erkend, sterk aanwezig zijn in deze sector;

J.  overwegende dat volgens IAO-Verdrag nr. 189 onder het begrip "huispersoneel" wordt verstaan elke persoon die huishoudelijk werk verricht in het kader van een arbeidsrelatie, binnen of voor één of meerdere gezinnen, maar dat een persoon die slechts bij gelegenheid of sporadisch huishoudelijk werk verricht zonder hiervan zijn of haar beroep te maken, geen huishoudelijk werker of werkster is;

K.  overwegende dat de term "zorg" betrekking heeft op werkzaamheden die worden verricht in publieke of particuliere instellingen of in particuliere huishoudens om zorg te verlenen aan ouderen of zieke of gehandicapte personen, en overwegende dat zorgtaken kunnen worden verricht door professionele verzorgers die in dienst zijn bij publieke of particuliere entiteiten of als zelfstandige werken, maar ook door niet-professionele verzorgers, meestal familieleden;

L.  overwegende dat in de sector huishoudelijk werk in de EU, en in het bijzonder in de thuishulpsector, ook mannen werken en dat zij bijgevolg op dezelfde manier beschermd en ondersteund moeten worden om elke vorm van discriminatie op grond van geslacht te voorkomen en gelijke kansen op de arbeidsmarkt te garanderen, respectievelijk overeenkomstig artikel 19 en artikel 153 VWEU;

M.  overwegende dat de situatie van mannen die als huishoudelijk personeel en verzorger werken niet uit het oog mag worden verloren en dat zo spoedig mogelijk een verslag over hun specifieke problemen en uitdagingen moet worden opgesteld;

N.  overwegende dat twee belangrijke demografische trends van invloed zijn op de vraag naar huishoudelijk personeel, namelijk de vergrijzing van de Europese bevolking en de grotere participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt;

O.  overwegende dat vrouwen en mannen die als huishoudelijk personeel en als verzorger werken zowel een economische als sociale rol vervullen, aangezien zij de personen die een beroep op hen doen in staat stellen hun beroeps- en privéleven beter op elkaar af te stemmen, maar ook een groot aantal personen de kans geven zich beschikbaar te stellen op de arbeidsmarkt;

P.  overwegende dat het aantal ouderen toeneemt, het aantal personen in de werkende leeftijd afneemt en begrotingsbeperkingen grote gevolgen hebben voor sociale diensten, en overwegende dat dit ook gevolgen zal hebben voor personen die werk moeten combineren met zorgtaken, vaak onder moeilijke omstandigheden;

Q.  overwegende dat voor een echte verandering in het leven van huishoudelijke werkers sociale verbeteringen en een mentaliteitsverandering moeten worden bevorderd, hetgeen een complex en langdurig proces is;

R.  overwegende dat ook in gebieden met een gebrek aan publieke middelen, geïsoleerde gebieden of gebieden met andere nadelige omstandigheden afhankelijke personen wonen, die om genoemde redenen moeilijk toegang hebben tot professionele verzorgers of publieke of particuliere zorginstellingen, en overwegende dat deze afhankelijke personen soms alleen kunnen worden verzorgd door niet-professionele verzorgers, die vaker wel dan niet familieleden zijn;

S.  overwegende dat professionalisering betekent dat aan huishoudelijk personeel en verzorgers bepaalde sectorale rechten op het gebied van arbeids- en sociale bescherming moeten worden verleend die gelijkwaardig zijn aan die welke werknemers met wettelijk gereguleerde arbeidscontracten genieten, waaronder een fatsoenlijk loon, gereguleerde werktijden, betaald verlof, gezondheid en veiligheid op het werk, pensioen, moederschaps-/vaderschaps- en ziekteverlof, compensatie in geval van invaliditeit, regels voor ontslag of beëindiging van het contract, verhaalmogelijkheden in geval van misbruik en toegang tot opleiding; overwegende dat deze sector kan worden geprofessionaliseerd door middel van een combinatie van publieke financiering (fiscale steunmaatregelen), sociale financiering (gezinstoeslagen, steun aan bedrijven, ziekenfondsen en ziektekostenverzekeringen, ondernemingsraden, enz.) en particuliere financiering (particulieren die betalen voor de dienstverlening);

T.  overwegende dat de integratie op de gewone arbeidsmarkt voor huishoudelijk personeel en verzorgers vaak moeilijk verloopt, onder meer door administratieve en taalbarrières, een in sommige lidstaten sinds lang heersende traditie van zwartwerk in de sector huishoudelijk werk en moeilijkheden om werk en privéleven te combineren;

U.  overwegende dat zwartwerk en uitbuiting in beide sectoren wijdverbreid zijn;

V.  overwegende dat aandacht moet worden besteed aan kinderarbeid, intimidatie en wijdverspreide schending van arbeidsrechten in de sector huishoudelijk werk, met name in huishoudens van diplomaten uit derde landen in de lidstaten, die profiteren van het exterritorialiteitsbeginsel en waar het huishoudelijk personeel meestal de EU binnenkomt met een ander type werkvergunning dan gebruikelijk is bij arbeidsmigranten in de sector;

W.  overwegende dat zorg zowel formeel als informeel wordt verleend en dat in het beleid rekening moet worden gehouden met deze dualiteit;

X.  overwegende dat vrouwelijke migrantenwerknemers zonder papieren met een zorgwekkende mate van discriminatie worden geconfronteerd, en gevallen van misbruik, onredelijk ontslag, onbetaalde lonen, geweld, discriminatie, mishandeling, dwangarbeid, slavernij of opsluiting niet aangeven omdat zij niet weten wat hun rechten zijn, omdat de taal een obstakel vormt of omdat zij bang zijn aangehouden of uitgezet te worden of hun baan te verliezen;

Y.  overwegende dat de huidige richtlijn betreffende veiligheid en gezondheid op het werk (Richtlijn 89/391/EEG) betrekking heeft op formeel tewerkgestelde huishoudelijke werkers en verzorgers, en dat werknemers die rechtstreeks in dienst zijn bij particuliere huishoudens van deze richtlijn zijn uitgesloten;

Z.  overwegende dat de sector huishoudelijk werk en thuishulp een sector is waarin banen worden gecreëerd, en dat dit kwaliteitsvolle banen moeten zijn omdat het net dankzij dit werk is dat veel mensen buitenshuis actief kunnen zijn in het economische en sociale leven;

AA.  overwegende dat de relatie tussen een werkgever en een vrouwelijke werknemer voor huishoudelijk werk zeer specifiek is, omdat de vrouwelijke werknemer haar taken meestal in het huis van de werkgever verricht en er soms ook leeft; overwegende dat het recht om beschermd te worden tegen intimidatie en tegen het grotere risico op misbruik moet worden geëerbiedigd;

AB.  overwegende dat het gaat om een economisch belangrijke sector, die een aanzienlijk deel van de beroepsbevolking, en met name laaggeschoolden, kansen op een baan biedt;

AC.  overwegende dat de banen in de gezinshulpsector naar schatting 4,9 % van de Europese banen vertegenwoordigen, op een totaal van 10,7 miljoen, wat bewijst dat deze diensten van economisch belang zijn;

AD.  overwegende dat de vergrijzing van de bevolking en sociale uitsluiting maatschappelijke uitdagingen zijn en dat het noodzakelijk is om de combinatie van werk en privéleven te vergemakkelijken;

AE.  overwegende dat huishoudelijke werkers en verzorgers via hun beroepsactiviteit het leven van oudere mensen, ouders - inclusief alleenstaande ouders - en kinderen beduidend vergemakkelijken en dat hun daarvoor een grote mate van maatschappelijke erkenning toekomt; overwegende dat ook de enorme betrokkenheid van vrijwilligers en familieleden bij de zorg niet hoog genoeg kan worden geschat;

AF.  overwegende dat alle huishoudens in heel Europa, maar in het bijzonder gezinnen met kinderen en families, er baat bij hebben ontlast te worden door professionele dienstverleners die diensten bij de mensen thuis verrichten;

AG.  overwegende dat huishoudelijke diensten, gezinshulp en verzorging aan huis het potentieel hebben om de economische en sociale cohesie in de EU te verbeteren;

AH.  overwegende dat het aandeel van migranten bij het vrouwelijk huishoudelijk personeel de voorbije jaren is toegenomen;

AI.  overwegende dat de bestaande nationale wetten inzake de bescherming van de arbeidsrechten van huishoudelijk personeel en verzorgers in een aantal lidstaten nog steeds niet worden toegepast en nageleefd;

AJ.  overwegende dat een adequate regulering van deze sector zou bijdragen tot de bestrijding van zwartwerk;

AK.  overwegende dat de regulering en aanmelding van huishoudelijk werk en thuishulp leidt tot een verbetering van de levenskwaliteit van de mensen die dit werk verrichten en ervoor zorgt dat zij sociale uitkeringen kunnen ontvangen, beschermd zijn tegen misbruik en discriminatie, en minder risico lopen op armoede, marginalisering, stigmatisering en misprijzen; overwegende dat het tegelijkertijd de werkgever meer garanties biedt op een kwaliteitsvolle dienstverlening en bijdraagt tot extra inkomsten voor de socialezekerheidsfondsen van de lidstaten;

AL.  overwegende dat een adequate bescherming van personen met een handicap, ouderen, zieken, hulpbehoevenden of minderjarigen een essentieel beginsel is van de Europese Unie en dat de sector huishoudelijk werk en thuishulp een essentiële sector is om die bescherming te blijven garanderen;

AM.  overwegende dat de besparingsmaatregelen ten gevolge van de crisis tot een daling van de overheidsinvesteringen in de zorgsector hebben geleid waardoor veel mensen, het merendeel vrouwen, verplicht werden om minder uren te werken of terug te keren naar de haard om te zorgen voor hulpbehoevende familieleden, ouderen, zieken of kinderen;

AN.  overwegende dat de plek waar deze mensen hun werk uitvoeren de werkgever niet vrijstelt van de naleving van de geldende normen op het gebied van gezondheid, veiligheid en risicopreventie, noch van de verplichting om de privacy van de werkers die bij hem thuis overnachten te respecteren;

1.  nodigt alle lidstaten uit om Verdrag nr. 189 van de IAO met spoed te ratificeren en ervoor te zorgen dat het volledig wordt toegepast, teneinde de arbeidsomstandigheden in de sector te verbeteren, alsook de naleving van het IAO-Verdrag en van Aanbeveling R201 uit 2011 van de IAO over waardig werk voor huishoudelijk personeel te verzekeren; herinnert eraan dat regeringen volgens de IAO-statuten de verplichting hebben om het verdrag en de aanbeveling voor te leggen aan hun nationale wetgevende organen om maatregelen voor de tenuitvoerlegging van deze instrumenten te bevorderen en dat, in het geval van het verdrag, de indieningsprocedure er mede op gericht is om de ratificatie te bevorderen;

2.  is van mening dat ratificatie door alle EU-lidstaten een belangrijke stap vooruit zou zijn voor de bevordering en bescherming van de mensenrechten, en ook een krachtig politiek signaal zou afgeven tegen alle vormen van misbruik, intimidatie en geweld jegens alle werknemers en met name vrouwelijk huishoudelijk personeel;

3.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om er bij de herziening of opstelling van desbetreffende rechtshandelingen, respectievelijk nationale wetgeving, op toe te zien dat de belangen van huishoudelijk personeel en verzorgers in aanmerking worden genomen, waarbij de nationale bevoegdheden worden geëerbiedigd;

4.  verzoekt de Commissie werk te maken van de richtlijn inzake zorgverlof waarop het Parlement aandringt en verwelkomt de toezegging van de Commissie inzake een initiatief voor een nieuwe start voor werkende ouders en verzorgers;

5.  verzoekt de lidstaten om een specifiek wettelijk kader te ontwikkelen waarin de rechten en verplichtingen van alle betrokkenen worden vastgelegd en dat de legale en georganiseerde tewerkstelling van huishoudelijk personeel en verzorgers mogelijk maakt, teneinde zowel de werknemers in deze sector als hun potentiële werkgevers rechtszekerheid te bieden; vraagt ook dat er rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de arbeidsovereenkomst en met het feit dat vele werkgevers particulieren zijn die niet vertrouwd zijn met de juridische vormvoorschriften;

6.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de oprichting van werknemerscoöperaties in de sector huishoudelijk werk en thuiszorg te bevorderen, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan plattelandsgebieden, gezien de positieve effecten die hiervan uit zullen gaan voor het creëren van kwalitatief goede en duurzame banen, met name voor werknemers die moeite hebben met de integratie op de arbeidsmarkt;

7.  verzoekt de lidstaten om overeenkomstig artikel 17 van IAO-Verdrag nr. 189 te voorzien in doeltreffende en toegankelijke klachtenmechanismen en instrumenten om de naleving van de nationale wet- en regelgeving inzake de bescherming van huishoudelijk personeel te verzekeren; verzoekt de lidstaten voorts maatregelen voor arbeidsinspecties, handhaving en sancties te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen, met inachtneming van de specifieke kenmerken van huishoudelijk werk, overeenkomstig de nationale wet- en regelgeving; wenst dat, voor zover verenigbaar met de nationale wet- en regelgeving, in dergelijke maatregelen de voorwaarden worden omschreven waaronder de toegang tot een woonhuis mag worden verleend, met inachtneming van de privacy; verzoekt de lidstaten om, overeenkomstig de nationale regelgeving, te voorzien in mechanismen om misbruik doelmatig aan te pakken, bijvoorbeeld met inspecties ter plaatse indien een vermoeden van misbruik bestaat;

8.  onderkent de aarzeling van bepaalde lidstaten om wetgeving voor de privésfeer vast te stellen, maar is van mening dat geen actie ondernemen hoge kosten voor zowel de samenleving als de betrokken werknemers met zich zal brengen; benadrukt dat de voorspelde groei van de vraag naar verzorgers in met name de huishoudelijke sfeer dergelijke wetgeving noodzakelijk maakt, om deze werknemers volledige bescherming te bieden; verzoekt de lidstaten derhalve om samen met de sociale partners maatregelen te nemen met het oog op een doeltreffend en passend inspectiesysteem, in overeenstemming met artikel 17 van IAO-Verdrag nr. 189, en met het oog op passende sancties voor schendingen van de wet- en regelgeving inzake veiligheid en gezondheid op het werk;

9.  herinnert de lidstaten aan het belang van de efficiënte bestrijding van zwartwerk, waar huishoudelijk personeel en verzorgers vaak in terechtkomen; herinnert eraan dat zij door het zwartwerk geen aanspraak kunnen maken op sociale zekerheid en geen garantie hebben op een gezonde en veilige werkplek; verwelkomt het Europees platform tegen zwartwerk, dat zwartwerk wil voorkomen en minder aantrekkelijk maken, aangezien de schaduweconomie de werkzekerheid en de kwaliteit van de zorg en de arbeidsomstandigheden van veel zwartwerkers in de zorgsector bedreigt, de houdbaarheid van het sociale zekerheidsstelsel in gevaar brengt en de inkomsten die de staat via de belastingen ontvangt, vermindert;

10.  verzoekt de lidstaten te investeren in meer en betere maatregelen voor de preventie, opsporing en bestrijding van het veel voorkomende zwartwerk in de sector huishoudelijk werk en thuiszorg, met name om mensenhandel en uitbuiting te bestrijden en bedrijven die huishoudelijke en zorgdiensten door zwartwerkers en schijnzelfstandigen aanbieden aan te pakken, teneinde de rechten van werkers te beschermen en de overgang van zwartwerk naar aangemeld werk te bevorderen dankzij een betere bescherming en betere, geharmoniseerde mechanismen voor arbeidscontrole en -inspectie;

11.  beveelt de lidstaten aan om duidelijke wetgeving voor de aangemelde tewerkstelling van huishoudelijk personeel en verzorgers aan te vullen met stimulansen voor huishoudelijk personeel en hun potentiële werkgevers om voor de legale weg te kiezen; spoort de lidstaten aan om fiscale steunmaatregelen uit te vaardigen voor gezinnen die huishoudelijk personeel en verzorgers in dienst hebben en eenvoudige aangiftesystemen in te voeren om zwartwerk te ontmoedigen en te bestrijden, zoals het Europees Economisch en Sociaal Comité aanbeveelt in zijn advies over de ontwikkeling van gezinsondersteunende dienstverlening om de arbeidsparticipatie te verhogen en gelijke behandeling van vrouwen en mannen op de werkplek te bevorderen (SOC/508); raadt de Commissie aan om de uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten te bevorderen met succesmodellen die een positieve impact hebben gehad op de arbeidsmarkt in de sector en op de maatschappij zoals de dienstencheques in België of de "chèque emploi service universel" (CESU) in Frankrijk; is ingenomen met het alomvattende sociale effect van deze professionalisering, met name in plattelandsgebieden;

12.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om een passend niveau van gezondheid en veiligheid op het werk te verzekeren en te handhaven, bijvoorbeeld wat moederschapsbescherming betreft, en om maatregelen te nemen om arbeidsongevallen en het risico op beroepsletsels en beroepsziekten te voorkomen; benadrukt dat voor personen die reeds in deze sector werkzaam zijn de standaard moet worden verhoogd door middel van praktijkgerichte opleidings- en nascholingsregelingen, waarin aandacht moet worden besteed aan het beheer van risico's rond houding en bewegingspatronen tijdens het uitvoeren van taken, biologische en chemische risico's en het gebruik van ondersteunende technologie;

13.  verzoekt de Commissie de uitsluiting van Richtlijn 89/391/EEG betreffende de veiligheid en gezondheid van werknemers op het werk te evalueren;

14.  verzoekt de Commissie en de lidstaten betrouwbare statistische gegevens, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht en nationaliteit, te verzamelen, te analyseren en te publiceren om geïnformeerde discussies mogelijk te maken en te zoeken naar de beste oplossingen voor de professionalisering van de sector huishoudelijk werk; vraagt dat EUROFOUND en OSHA maatregelen zouden formuleren op het gebied van bescherming, klachtenprocedures en sensibilisering;

15.  verzoekt de Commissie om discussies over de situatie van huishoudelijk personeel en verzorgers op de agenda van het Comité voor de werkgelegenheid (EMCO) te zetten;

16.  vraagt aan de lidstaten om in samenspraak met de sociale partners informatiekanalen over de rechten van huishoudelijk personeel en verzorgers tot stand te brengen en te verbeteren, en om ervoor te zorgen dat deze werkers deze informatie wel degelijk ontvangen; beveelt aan om daartoe, overeenkomstig beste praktijken in de lidstaten, op regionaal en lokaal niveau informatiepunten op te zetten, met hulplijnen en websites die bijstand bieden en ook via voorlichtingscampagnes informatie verstrekken inzake de rechten van huishoudelijk personeel en verzorgers in elke lidstaat, in de landstaal en in andere passende talen; onderstreept dat ook maatschappelijke organisaties zoals organisaties die zich inzetten voor vrouwen en migranten deze informatie zouden moeten kunnen verstrekken; merkt op dat deze instrumenten zo moeten worden opgevat dat informatie over beste praktijken, advies en richtsnoeren kunnen worden verstrekt aan potentiële werkgevers, met inbegrip van gezinnen en agentschappen, en dat modelcontracten worden aangeboden om te verzekeren dat werkgevers hun verplichtingen nakomen;

17.  herinnert de lidstaten eraan dat in het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 1961 is bepaald dat diplomatieke delegaties verplicht zijn de wet- en regelgeving van hun gaststaat te respecteren, met inbegrip van het arbeidsrecht, en moedigt de lidstaten aan om dit verdrag effectief na te leven om straffeloosheid van diplomatieke huishoudens in geval van misbruik van huishoudelijk personeel te voorkomen; verzoekt de lidstaten te overwegen hoe personen die voor en binnen het diplomatieke corps werkzaam zijn beter kunnen worden beschermd, en huishoudelijk personeel het recht te geven om van baan te veranderen;

18.  raadt de lidstaten aan om in het kader van de sociale dialoog samen met de sociale partners, de werkgevers en de vrouwelijke werknemers een standaardcontract voor huishoudelijk werk en thuishulp op te stellen;

19.  benadrukt dat werkgevers gesensibiliseerd moeten worden over hun verplichtingen door hen informatie te verstrekken over goede aanwervingspraktijken, wettelijke verplichtingen, sancties wegens inbreuken en over de bijstand- en informatiediensten waarop de partijen een beroep kunnen doen, en beklemtoont dat de werkgever deze groep moet erkennen als werknemers met rechten;

20.  beveelt aan dat de lidstaten campagnes uitwerken met het oog op een grotere zichtbaarheid van de sector en meer begrip en sensibilisering van overheidsinstanties, privébedrijven, gezinnen en de hele publieke opinie, zodat het beroep in ere wordt hersteld en erkend wordt dat vrouwelijke huishoudelijke werkers en verzorgers belangrijk werk verrichten en een belangrijke schakel zijn in het raderwerk van onze maatschappij;

21.  pleit voor een gedegen vertegenwoordiging van de sociale partners op Europees en nationaal niveau, met name de vakbonden, om sectorale collectieve onderhandelingen te intensiveren teneinde fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden tot stand te brengen en te handhaven in de sector; pleit tevens voor een gedegen vertegenwoordiging van beroepsorganisaties en organisaties die werken met en voor huishoudelijke werkers en verzorgers, alsook van andere betrokken maatschappelijke organisaties, en meent dat deze zich ten volle bewust moeten zijn van de uitdagingen die gepaard gaan met de bescherming en verdediging van de arbeidsrechten van vrouwen die als huishoudelijk personeel en als verzorger werken;

22.  betreurt dat vrouwelijke huishoudelijke werkers en verzorgers nog steeds niet talrijk vertegenwoordigd zijn in de vakbondsorganisaties van de verschillende lidstaten en doet een oproep om de deelname van deze werkneemsters aan de werkzaamheden van de vakbonden te bevorderen;

23.  verzoekt de nationale autoriteiten die belast zijn met het verlenen van overheidssteun de oprichting en promotie van coöperaties, verenigingen in eigen beheer en platforms van huishoudelijke werkers en verzorgers te ondersteunen, aangezien deze organisaties helpen bij de collectieve verdediging van de rechten van deze groep;

24.  vraagt dat streng wordt opgetreden tegen alle ondernemingen, ongeacht de sector, die hun bedrijfsmodel baseren op de uitbuiting van illegale werknemers om de bedrijfskosten zo laag mogelijk te houden, zo hoog mogelijke winsten te realiseren en legale ondernemingen weg te concurreren;

25.  verzoekt beleidsmakers om huishoudelijke diensten, gezinshulp en zorg aan huis te erkennen als een waardevolle economische sector die in de lidstaten beter moet worden gereguleerd teneinde een vriendelijke omgeving voor huishoudelijk personeel te creëren en gezinnen in staat te stellen hun rol als werkgever naar behoren te vervullen;

26.  raadt aan om de maatschappelijke spelers die rechtstreeks betrokken zijn bij de aanpak van het probleem (politieagenten en sociale werkers) gericht op te leiden, opdat zij de slachtoffers van deze vorm van discriminatie doeltreffender kunnen bijstaan;

27.  benadrukt dat het belangrijk is de erkenning van de professionele vaardigheden en kwalificaties van huishoudelijk personeel en verzorgers te bevorderen om hen meer kansen op professionele ontwikkeling te bieden; wijst ook op het belang van een specifieke opleiding voor personen die werken met ouderen en kinderen om het creëren van fatsoenlijke banen en aldus ook hoogwaardige werkgelegenheid, betere arbeidsvoorwaarden, waaronder formele arbeidsovereenkomsten, en de toegang tot opleidingen te bevorderen; erkent dat het belangrijk is de verworven vaardigheden, kwalificaties en ervaring te laten erkennen en certificeren en loopbaanevolutie te bevorderen; acht het in dit verband van fundamenteel belang dat er opleidings- en opfriscursussen worden ingericht;

28.  benadrukt het belang van professionele dienstverlening bij de mensen thuis, met name om families en gezinnen met kinderen te ontlasten;

29.  nodigt de Commissie uit om de lidstaten aan te sporen werk te maken van de professionalisering, opleiding, voortgezette ontwikkeling van vaardigheden en erkenning van de kwalificaties van huishoudelijk personeel en verzorgers, met inbegrip van alfabetisering, teneinde hun persoonlijke en professionele ontwikkelingskansen te vergroten;

30.  toont zich bezorgd over het gebrek aan inspecties in het kader van de controle en opvolging van en het toezicht op de rekrutering van huishoudelijk personeel en verzorgers door bedrijven of bemiddelingsagentschappen en herhaalt dat het noodzakelijk is om het aantal overheidsinspecteurs en inspecties te verhogen om te kunnen nagaan of de wet wordt nageleefd;

31.  verzoekt de lidstaten om duidelijke maatregelen te nemen in de sector huishoudelijk werk en thuishulp, die een grote meerwaarde betekent voor de economie, door dit werk als een volwaardig beroep te erkennen en ervoor te zorgen dat de arbeidsrechten en sociale rechten van huishoudelijke werkers en verzorgers naar behoren worden beschermd door het arbeidsrecht of collectieve overeenkomsten, met name wat betreft loon, werktijden, gezondheid en veiligheid op het werk, verlof, moederschapsverlof, pensioenrechten en erkenning van vaardigheden, rekening houdend met het specifieke karakter van de sector;

32.  herhaalt zijn oproep voor een formele sociale dialoog in de zorgsector(18);

33.  spoort aan tot de uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten om maatregelen en effecten te optimaliseren;

34.  herinnert aan de noodzaak om au pairs in overeenstemming met de Europese Overeenkomst inzake de plaatsing van au pairs formeel te erkennen en het aantal inspecties op te voeren, zodat au pairs geen informeel substituut voor huishoudelijk personeel en verzorgers worden;

35.  stelt voor dat de Commissie zich beraadt op de noodzaak en het nut van een rechtshandeling waarin de rechten uit het Verdrag nr. 189 zijn opgenomen en die ook verzorgers omvat en personen die tijdelijk, occasioneel of sporadisch verzorgende diensten leveren, alsook specifieke verwijzingen naar bijzonder achtergestelde groepen;

36.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat huishoudelijk personeel en verzorgers in Europa op hun waarde worden geschat als mensen en werk en privéleven goed met elkaar kunnen combineren, onder meer door deze werkers op te nemen in de werktijdenrichtlijn (2003/88/EG), zodat zij recht hebben op essentiële rustperioden en niet kunnen worden gedwongen om buitensporig veel uren te maken;

37.  herhaalt de eis van het Europees Parlement dat informele verzorgers toereikende en passende ondersteuning moeten krijgen;

38.  benadrukt de noodzaak om het Europese migratiebeleid aan te passen aan de behoeften van de arbeidsmarkt op het gebied van huishoudelijk personeel, om vrouwelijke migranten te behoeden voor illegale werksituaties;

39.  herinnert de Raad van Europa aan zijn verplichting om te waken over de toepassing van het Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers en van de Internationale Conventie inzake de bescherming van de rechten van arbeidsmigranten en hun gezinsleden, goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in haar Resolutie 45/158 van 18 december 1990;

40.  benadrukt dat moet worden toegezien op een goed beschermingsniveau van huishoudelijk personeel en verzorgers, maar dat het tevens belangrijk is om de aanwervingsprocedures voor deze werknemers niet te verzwaren of ingewikkelder te maken, waardoor sommige werkgevers er mogelijk van zouden afzien een beroep te doen op hun diensten; moedigt de lidstaten in dit verband aan om officiële regelingen in te voeren voor de tewerkstelling van huishoudelijk personeel, zoals de regeling van dienstencheques, zodat gezinnen deze werkers eenvoudig en snel kunnen betalen en ervoor kunnen zorgen dat zij sociale zekerheid genieten;

41.  verzoekt de EU-instellingen om alle EU-richtlijnen die botsen met IAO-Verdrag nr. 189 te wijzigen;

42.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de visa van huishoudelijk personeel en verzorgers werknemers de mogelijkheid bieden om van werkgever te veranderen als zij te maken hebben gekregen met misbruik, schending van mensenrechten, een ondermaatse werkomgeving of andere omstandigheden die niet in overeenstemming zijn met de nationale normen zoals vastgelegd in nationale of Europese arbeidswetgeving;

43.  verzoekt de lidstaten die een nationaal minimumloon hebben ingevoerd om ervoor te zorgen dat al het huishoudelijk personeel en alle verzorgers minimaal dit loon ontvangen;

44.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat huishoudelijk personeel en verzorgers pensioen opbouwen overeenkomstig de nationale wetgeving;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING

IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

3.12.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

43

6

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laura Agea, Guillaume Balas, Tiziana Beghin, Brando Benifei, Mara Bizzotto, Vilija Blinkevičiūtė, Enrique Calvet Chambon, David Casa, Ole Christensen, Elena Gentile, Arne Gericke, Marian Harkin, Danuta Jazłowiecka, Agnes Jongerius, Jan Keller, Ádám Kósa, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Zdzisław Krasnodębski, Jean Lambert, Jérôme Lavrilleux, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Javi López, Thomas Mann, Dominique Martin, Anthea McIntyre, Joëlle Mélin, Elisabeth Morin-Chartier, Emilian Pavel, Georgi Pirinski, Marek Plura, Sofia Ribeiro, Anne Sander, Sven Schulze, Siôn Simon, Jutta Steinruck, Yana Toom, Ulrike Trebesius, Marita Ulvskog, Tatjana Ždanoka, Jana Žitňanská

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Heinz K. Becker, Lynn Boylan, Mircea Diaconu, Tania González Peñas, Paloma López Bermejo, Monika Vana

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Diane James, Martina Michels, Estefanía Torres Martínez, Flavio Zanonato

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

18.2.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

16

1

14

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Maria Arena, Catherine Bearder, Beatriz Becerra Basterrechea, Malin Björk, Viorica Dăncilă, Iratxe García Pérez, Mary Honeyball, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Elisabeth Köstinger, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Angelika Mlinar, Angelika Niebler, Maria Noichl, Marijana Petir, João Pimenta Lopes, Terry Reintke, Jordi Sebastià, Michaela Šojdrová, Ernest Urtasun, Jadwiga Wiśniewska, Anna Záborská, Jana Žitňanská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Biljana Borzan, Rosa Estaràs Ferragut, Arne Gericke, Kostadinka Kuneva, Constance Le Grip, Marc Tarabella

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Mike Hookem

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

16

+

ECR

Arne Gericke

EFDD

Daniela Aiuto

GUE/NGL

Malin Björk, Kostadinka Kuneva, João Pimenta Lopes

PPE

Marijana Petir

S&D

Maria Arena, Biljana Borzan, Viorica Dăncilă, Iratxe García Pérez, Mary Honeyball, Maria Noichl, Marc Tarabella

VERTS/ALE

Terry Reintke, Jordi Sebastià, Ernest Urtasun

1

-

EFDD

Mike Hookem

14

0

ALDE

Catherine Bearder, Beatriz Becerra Basterrechea, Angelika Mlinar

ECR

Jadwiga Wiśniewska, Jana Žitňanská

PPE

Rosa Estaràs Ferragut, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Elisabeth Köstinger, Constance Le Grip, Angelika Niebler, Michaela Šojdrová, Dubravka Šuica, Anna Záborská

Verklaring van de symbolen:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

PB C 70 E van 8.3.2012, blz. 1.

(2)

PB C 351 E van 2.12.2011, blz. 39.

(3)

PB C 77 E van 28.3.2002, blz. 138.

(4)

PB C 102 E van 24.4.2008, blz. 321.

(5)

PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.

(6)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0218.

(7)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0050.

(8)

PB C 16 E van 22.1.2010, blz. 21.

(9)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0068.

(10)

PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 9.

(11)

SOC/372 – CESE 336/2010 fin.

(12)

COM(2013) 152 final, 21 maart 2013.

(13)

PB C 377 E van 7.12.2012, blz. 128.

(14)

Domestic workers across the world: global and regional statistics and the extent of legal protection, Internationaal Arbeidsbureau, IAO, Genève, 2013.

(15)

Ibidem.

(16)

Ibidem.

(17)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0328.

(18)

http://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?type=TA&reference=P7-TA-2013-0328&language=NL&ring=A7-2013-0221

Juridische mededeling