Procedure : 2015/2095(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0066/2016

Ingediende teksten :

A8-0066/2016

Debatten :

PV 12/04/2016 - 3
CRE 12/04/2016 - 3

Stemmingen :

PV 12/04/2016 - 5.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0102

VERSLAG     
PDF 696kWORD 347k
23.3.2016
PE 575.215v02-00 A8-0066/2016

over de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie

(2015/2095(INI))

Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

Rapporteurs: Roberta Metsola, Kashetu Kyenge

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie

(2015/2095(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag van Genève van 1951 en het aanvullende protocol daarbij, en in het bijzonder het recht op non-refoulement,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989 en de resolutie van het Europees Parlement van 27 november 2014 over het 25-jarig bestaan van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties van 1982 inzake het recht van de zee, het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee van 1974 en het Internationaal Verdrag inzake opsporing en redding op zee van 1979, zoals gewijzigd,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden van 1990,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de mededeling van de Commissie "Actieplan niet-begeleide minderjarigen (2010-2014)" (COM(2010) 213) en de resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2013 over de situatie van niet-begeleide minderjarigen in de EU(1),

–  gezien zijn resolutie van 29 april 2015 over de recente tragedies op de Middellandse Zee en het migratie- en asielbeleid van de EU(2),

–  gezien zijn resolutie van 10 september 2015 over migratie en vluchtelingen in Europa(3),

–  gezien de volgende debatten van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken van het Europees Parlement: van 14 april 2015 in aanwezigheid van commissaris Avramopoulos; van 6 mei over solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid, onder meer inzake verplichtingen op het gebied van opsporing en redding; van 26 mei over de strategie voor samenwerking met derde landen; van 4 juni over het ontwikkelen van veilige en legale routes voor asielzoekers en vluchtelingen naar de EU en over de uitvoering van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel; van 25 juni over de aanpak van criminele mensensmokkel, mensenhandel en arbeidsuitbuiting van irreguliere migranten, het ontwikkelen van passende kanalen voor legale economische migratie en grensbeheer en visumbeleid; van 2 juli over de wijze waarop financiële middelen voor binnenlandse zaken worden besteed aan migratie en ontwikkeling; van 6 juli over het eerste pakket voorstellen van de Commissie naar aanleiding van de migratieagenda, en over solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid, onder meer inzake verplichtingen op het gebied van opsporing en redding, en over het ontwikkelen van veilige en legale routes voor asielzoekers en vluchtelingen naar de EU; van 16 juli, in aanwezigheid van deskundigen op het gebied van EU-middelen voor migratiebeleid, over beleid, praktijk en gegevens inzake niet-begeleide minderjarigen in de EU-lidstaten en Noorwegen, over de samenwerking van de EU met derde landen op het gebied van migratie en over het verkennen van nieuwe wegen voor wetgeving op het gebied van economische migratie; van 22 september over het tweede pakket voorstellen van de Commissie naar aanleiding van de migratieagenda; van 23 september met de nationale parlementen over de hotspotaanpak en over de nationale en lokale aanpak van migratie; van 19 oktober over het aanpakken van criminele mensensmokkel, mensenhandel en arbeidsuitbuiting van irreguliere migranten; van 10 november over de mededeling van de Commissie "Aanpak van de vluchtelingencrisis: voortgang van de uitvoering van de prioritaire maatregelen van de Europese migratieagenda" (COM(2015) 510); van 19 november over de interne en externe financiering van het EU-migratiebeleid en asielbeleid; van 10 december over de samenwerking van de EU met derde landen op het gebied van migratie; van 21 december over grensbeheer en visumbeleid, over doeltreffende uitvoering van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel en over het ontwikkelen van passende kanalen voor legale economische migratie,

–  gezien de debatten in de gezamenlijke vergadering van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie ontwikkelingssamenwerking van 1 april 2015 over de samenhang tussen ontwikkeling en migratie, en in de gezamenlijke vergadering van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie buitenlandse zaken en de Subcommissie mensenrechten van 15 september over de eerbiediging van de mensenrechten in het kader van de migratiestromen in het Middellandse Zeegebied,

–  gezien de verslagen van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken over de bezoeken van haar delegaties in september 2015 aan Lampedusa met als thema opsporings- en reddingsoperaties en in oktober 2015 aan Tunesië met als thema samenwerking met derde landen op het gebied van migratie, asiel en grenscontrole, en gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken over het bezoek van hun gezamenlijke delegatie in juli 2015 aan Sicilië met als thema de aanpak van migratiedruk in de regio, met bijzondere aandacht voor de begrotingsaspecten daarvan,

–  gezien het tienpuntenplan inzake migratie van de Commissie, gepresenteerd tijdens de gezamenlijke Raad van ministers van Buitenlandse en Binnenlandse Zaken van 20 april 2015,

–  gezien de mededeling van de Commissie "Een Europese migratieagenda" (COM(2015) 240),

–  gezien Besluit (GBVB) 2015/778 van de Raad inzake een militaire operatie van de Europese Unie in het zuidelijke deel van het centrale Middellandse Zeegebied,

–  gezien het besluit van de EU-ambassadeurs in het Politiek en Veiligheidscomité om de tweede fase van de operatie EUNAVFOR Med op te starten, onder de nieuwe naam "Operatie Sophia"(4), en gezien de door de NAVO geleide operatie in de Egeïsche Zee,

–  gezien resolutie 2240(2015) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 9 oktober 2015,

–  gezien de mededeling van de Commissie "EU-actieplan tegen migrantensmokkel (2015 - 2020)" (COM(2015) 285),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie over de tenuitvoerlegging van de Eurodac-verordening wat betreft de verplichting vingerafdrukken te nemen (SWD(2015) 150),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie over een Europese hervestigingsregeling (C(2015)3560 final) en de conclusies van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende het hervestigen middels multilaterale en nationale regelingen van 20 000 personen die duidelijk internationale bescherming behoeven, gepresenteerd tijdens de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 20 juli 2015,

–  gezien de toelichtende nota van de Commissie over de hotspotaanpak, de verslagen over de stand van zaken in Griekenland en Italië van 10 februari 2016 en het voortgangsverslag over Griekenland van 4 maart 2016,

–  gezien Besluit (EU) 2015/1523 van de Raad van 14 september 2015 tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en van Griekenland,

–  gezien Besluit (EU) 2015/1601 van de Raad van 22 september 2015 tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en Griekenland,

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een crisisherplaatsingsmechanisme en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (COM(2015) 450),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor de toepassing van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, en tot wijziging van Richtlijn 2013/32/EU (COM(2015) 452),

–  gezien de mededeling van de Commissie "EU-actieplan inzake terugkeer" (COM(2015) 453),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie tot vaststelling van een gemeenschappelijk "terugkeerhandboek" voor gebruik door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bij het uitvoeren van terugkeergerelateerde taken (C(2015)6250) en de bijlagen daarbij,

–  gezien de mededeling van de Commissie over de regels inzake overheidsopdrachten in verband met de huidige asielcrisis (COM(2015) 454),

–  gezien de mededeling van de Commissie "Aanpak van de vluchtelingencrisis in Europa: de rol van het externe optreden van de EU" (JOIN(2015)40),

–  gezien het besluit van de Commissie tot oprichting van een EU-noodtrustfonds voor stabiliteit en de aanpak van de diepere oorzaken van irreguliere migratie en ontheemding in Afrika (C(2015)7293),

–  gezien de mededeling van de Commissie "Aanpak van de vluchtelingencrisis: nu te nemen operationele, budgettaire en wetgevende maatregelen in het kader van de Europese migratieagenda" (COM(2015) 490) en de bijlagen daarbij,

–  gezien de mededeling van de Commissie "Aanpak van de vluchtelingencrisis: voortgang van de uitvoering van de prioritaire maatregelen van de Europese migratieagenda" (COM(2015) 510) en de bijlagen daarbij,

–  gezien de mededeling van de Commissie "Een Europese grens- en kustwacht en adequaat beheer van de Europese buitengrenzen" (COM(2015) 673) en het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de Europese grens- en kustwacht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2007/2004, Verordening (EG) nr. 863/2007 en Besluit 20005/267/EG van de Raad (COM(2015) 671), het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een Europees reisdocument voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen (COM(2015) 668), het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 562/2006 inzake het aanscherpen van de controles aan de hand van relevante databanken aan de buitengrenzen (COM(2015) 670), het voorstel van de Commissie voor een besluit van de Raad tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Zweden overeenkomstig artikel 9 van Besluit (EU) 2015/1523 van de Raad en artikel 9 van Besluit (EU) 2015/1601 van de Raad tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en Griekenland, en de aanbeveling van de Commissie inzake een vrijwillige regeling voor toelating op humanitaire gronden met Turkije (COM(2015)9490),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de voortgang van de uitvoering van de prioritaire maatregelen van de Europese migratieagenda (COM(2016) 85),

–  gezien de Aanbeveling van de Commissie gericht tot de Helleense Republiek over de door Griekenland te nemen dringende maatregelen in het licht van de hervatting van overdrachten uit hoofde van Verordening (EU) nr. 604/2013, (C(2016) 871),

–  gezien het voorstel voor een uitvoeringsbesluit van de Raad inzake de tijdelijke opschorting van de herplaatsing van 30 % van de verzoekers die aan Oostenrijk zijn toegewezen op grond van Besluit (EU) 2015/1601 van de Raad tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië en Griekenland (COM(2016) 80),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad en de Raad getiteld "Terug naar Schengen – Een stappenplan" (COM(2016) 120),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad getiteld "Second Report on progress by Turkey in fulfilling the requirements of its visa liberalisation roadmap" (COM(2016) 140),

–  gezien het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de verstrekking van noodhulp binnen de Unie (COM(2016) 115), het begeleidende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2016) 97) en de komende gewijzigde begroting voor 2016 om een begrotingsonderdeel voor dit instrument te creëren,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van de buitengewone bijeenkomst van 23 april 2015, de bijeenkomst van 25 en 26 juni 2015, de informele bijeenkomst van de staatshoofden en regeringsleiders van de EU over migratie van 23 september 2015, de bijeenkomst van 15 oktober 2015 en de bijeenkomsten van 17 en 18 december 2015 en 18 en 19 februari 2016,

–  gezien de conclusies van de Raad van 20 juli 2015 over veilige landen van herkomst, van 20 juli 2015 over migratie, van 8 oktober 2015 over de toekomst van het terugkeerbeleid, van 12 oktober 2015 over migratie, van 9 november 2015 over maatregelen om de vluchtelingen- en migratiecrisis te beheersen, van 4 december 2015 over staatloosheid en van 10 maart 2016 over migrantensmokkel,

–  gezien de conclusies van het voorzitterschap, goedgekeurd op 14 september 2015,

–  gezien de conclusies van 20 juli 2015 van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende het hervestigen middels multilaterale en nationale regelingen van 20 000 personen die duidelijk internationale bescherming behoeven,

–  gezien het gezamenlijk actieplan EU-Turkije van 15 oktober 2015 en de uitvoeringsverslagen van 10 februari en 4 maart 2016,

–  gezien de verklaring van de staatshoofden en regeringsleiders van 7 maart 2016,

–  gezien de verklaring van de Conferentie op hoog niveau van 8 oktober 2015 over de oostelijke route door het Middellandse Zeegebied en de Westelijke Balkanroute en de verklaring van de regeringsleiders van 25 oktober 2015 over vluchtelingenstromen via de Westelijke Balkanroute en het voortgangsverslag van 10 februari 2016,

–  gezien het actieplan en de politieke verklaring, goedgekeurd tijdens de top EU-Afrika over migratie in Valetta op 11 en 12 november 2015,

–  gezien de werkzaamheden en de verslagen van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), met name het jaarverslag over de situatie op het gebied van asiel in de Europese Unie 2014 en de maandelijkse asielverslagen,

–  gezien de werkzaamheden en de verslagen van Frontex, en met name de jaarlijkse risicoanalyse 2015 en de kwartaalverslagen van het Frontex-netwerk voor risicoanalyse,

–  gezien de werkzaamheden en verslagen van Europol, en met name het gezamenlijk operationeel team Mare, evenals de oprichting van het Europees centrum tegen migrantensmokkel (EMSC) door Europol,

–  gezien de werkzaamheden en de verslagen van Eurojust, en met name de verslagen over mensenhandel,

–  gezien de werkzaamheden, jaarverslagen en studies van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), en met name de studies over ernstige vormen van arbeidsuitbuiting en over criminalisering van migranten in een irreguliere situatie en bij hen betrokken personen,

–  gezien de studies van beleidsondersteunende afdeling C over de tenuitvoerlegging van artikel 80 VWEU, over nieuwe methoden, alternatieve wegen en middelen om toegang te krijgen tot asielprocedures voor personen die om internationale bescherming verzoeken, over het verkennen van nieuwe wegen voor wetgeving op het gebied van arbeidsmigratie naar de EU, over versterking van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel en alternatieven voor Dublin, over de opvang van vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers in de EU en over samenwerking van de EU met derde landen op het gebied van migratie, en gezien de studie van beleidsondersteunende afdeling D over EU-fondsen voor migratiebeleid: analyse van doelmatigheid en goede praktijken voor de toekomst, en de studie van de beleidsondersteunende afdeling van DG EXPO over migranten in het Middellandse Zeegebied: bescherming van de mensenrechten,

–  gezien de studies van het Europees migratienetwerk (EMN), en met name de studie over beleid, praktijk en gegevens inzake niet-begeleide minderjarigen,

–  gezien de werkzaamheden en de rapporten van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen,

–  gezien de werkzaamheden en de rapporten van de speciale rapporteur van de Verenigde Naties voor de mensenrechten van migranten,

–  gezien de werkzaamheden, verslagen en resoluties van de Raad van Europa,

–  gezien de werkzaamheden en de rapporten van de Internationale Organisatie voor Migratie,

–  gezien de werkzaamheden en de rapporten van het Bureau van de Verenigde Naties voor drugs- en misdaadbestrijding,

–  gezien het advies van het Europees Comité van de Regio's – Europese migratieagenda, goedgekeurd tijdens de 115e zitting van 3-4 december 2015,

–  gezien de adviezen van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Europese migratieagenda en over het EU-actieplan tegen migrantensmokkel,

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2014 over de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie(5),

–  gezien het werkdocument over artikel 80 – solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid, met inbegrip van verplichtingen op het gebied van opsporing en redding;

–  gezien het werkdocument over het aanpakken van criminele mensensmokkel, mensenhandel en arbeidsuitbuiting van irreguliere migranten,

–  gezien het werkdocument over grensbeheer en visumbeleid, met inbegrip van de rol van Frontex en andere bevoegde agentschappen,

–  gezien het werkdocument over het ontwikkelen van veilige en legale routes voor asielzoekers en vluchtelingen naar de EU, inclusief het hervestigings- en overeenkomstig integratiebeleid van de Unie,

–  gezien het werkdocument over het opzetten van een passend rechtskader voor economische migratie,

–  gezien het werkdocument over de interne en externe financiering van het EU-migratiebeleid en asielbeleid,

–  gezien het werkdocument over effectieve uitvoering van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (CEAS) en de rol van het EASO daarin,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Begrotingscommissie, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de Commissie verzoekschriften (A8-0066/2016),

A.  overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 17 december 2014 de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken heeft verzocht de verschillende beleidsmaatregelen op dit gebied onder de loep te nemen, een reeks aanbevelingen te ontwikkelen en aan de plenaire vergadering te rapporteren in de vorm van een strategisch initiatiefverslag;

B.  overwegende dat volgens gegevens van Frontex(6) in 2015 1,83 miljoen personen hebben gepoogd om op irreguliere wijze de EU-buitengrenzen te overschrijden, een recordaantal vergeleken met de 282 500 migranten die in heel 2014 de EU binnenkwamen; overwegende dat volgens gegevens van de Internationale Organisatie voor Migratie/Unicef 20 % van alle migranten die via zee Europa binnenkomen kinderen zijn(7);

C.  overwegende dat volgens gegevens van het EASO(8) in 2015 in de EU+(9) meer dan 1,4 miljoen verzoeken om internationale bescherming zijn ingediend en dat dit aantal sinds april gestaag toeneemt en dat het aantal herhaalde verzoeken afneemt; overwegende dat ongeveer 6 % van de verzoekers stelde een niet-begeleide minderjarige te zijn; overwegende dat in februari 2016 22 % van de binnenkomsten op zee in Griekenland vrouwen waren en 40 % kinderen(10);

D.  overwegende dat op grond van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind ieder mens jonger dan achttien jaar als kind wordt beschouwd;

E.  overwegende dat volgens de Internationale Organisatie voor Migratie in 2015 van 3 771 personen is gemeld dat zij in het Middellandse Zeegebied zijn omgekomen of vermist zijn geraakt(11); overwegende dat tot 8 maart 2016 van 444 personen is gemeld dat zij in het Middellandse Zeegebied zijn verdronken; overwegende dat in de eerste negen weken van 2016 77 kinderen zijn overleden, gemiddeld meer dan één per dag; overwegende dat volgens recente gegevens van Europol minstens 10 000 niet-begeleide kinderen na hun aankomst in Europa zijn verdwenen;

F.  overwegende dat 3 oktober moet worden erkend als een dag van herinnering voor alle mannen, vrouwen en kinderen die omkomen bij een poging om hun land te ontvluchten ten gevolge van vervolging, conflict en oorlog, alsook voor alle mannen en vrouwen die elke dag hun leven wagen om hen te redden;

G.  overwegende dat sommige delen van de wereld door oorlog en geweld worden getroffen en onder extreme armoede, de achteruitgang van het milieu en het gebrek aan kansen voor jongeren lijden, hetgeen nog meer geweld en onzekerheid kan veroorzaken en nieuwe volksverhuizingen tot gevolg kan hebben;

Artikel 80 VWEU – Solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid, met inbegrip van verplichtingen op het gebied van opsporing en redding

H.  overwegende dat artikel 80 VWEU bepaalt dat de beginselen van solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de lidstaten kernbeginselen van het hele Uniesysteem vormen en dat dit artikel de rechtsgrondslag biedt voor de tenuitvoerlegging van deze beginselen in het beleid van de Unie inzake asiel, migratie en grenscontroles;

I.  overwegende dat er twee soorten solidariteit bestaan, interne en externe solidariteit; overwegende dat herplaatsing, wederzijdse erkenning van asielbesluiten, operationele steunmaatregelen, een proactieve uitlegging van de Dublinverordening, alsook de richtlijn tijdelijke bescherming instrumenten zijn voor interne solidariteit, en dat hervestiging, toelating op humanitaire gronden en opsporings- en reddingsoperaties op zee de externe solidariteit bevorderen, en dat het mechanisme voor civiele bescherming op beide kan worden gericht;

J.  overwegende dat er, op 3 maart 2016, van de 39 600 asielzoekers, die in Italië worden opgevangen en over de andere lidstaten moeten worden herverdeeld, in realiteit slechts 338 zijn gehervestigd, terwijl er in Griekenland 322 van de 66 400 geplande hervestigingen hebben plaatsgevonden;

Het aanpakken van criminele mensensmokkel, mensenhandel en arbeidsuitbuiting van irreguliere migranten

K.  overwegende dat mensensmokkel, mensenhandel en arbeidsuitbuiting van migranten verschillende juridische fenomenen zijn, die onder verschillende wettelijke kaders op Europees en internationaal niveau vallen en die elk een eigen aanpak vergen, maar in de praktijk vaak overlappen; overwegende dat criminele mensensmokkel- en mensenhandelnetwerken hun werkwijze zeer snel kunnen aanpassen en dat het dus zaak is de aanpak van deze fenomenen voortdurend af te stemmen op de allerlaatste en nauwkeurigste gegevens; overwegende dat het optreden tegen criminele migrantensmokkel geen nadelige gevolgen mag hebben voor personen die humanitaire hulp verlenen aan irreguliere migranten;

L.  overwegende dat de bestrijding van mensensmokkel, mensenhandel en arbeidsuitbuiting van migranten zowel korte- als middellange- als langetermijnantwoorden vergt, waaronder maatregelen gericht op het aanpakken van criminele netwerken, maatregelen om criminelen voor de rechter te brengen, het verzamelen en analyseren van gegevens, maatregelen ter bescherming van slachtoffers en maatregelen gericht op de terugkeer van irreguliere migranten, alsook samenwerking met derde landen en langetermijnstrategieën om de vraag naar verhandelde en gesmokkelde personen te verminderen en de onderliggende oorzaken van migratie die ervoor zorgen dat mensen in handen van criminele smokkelaars vallen, aan te pakken;

Grensbeheer en visumbeleid, met inbegrip van de rol van het Grensagentschap en andere bevoegde agentschappen

M.  overwegende dat er momenteel een gewone wetgevingsprocedure loopt met betrekking tot diverse Commissievoorstellen op het gebied van grenzen en visumbeleid, bijvoorbeeld het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de visumcode van de Unie (herschikking) (2014/0094 COD), het voorstel voor een verordening tot vaststelling van een rondreisvisum (2014/0095 COD) en het voorstel voor een verordening betreffende de invoering van een uniform visummodel: veiligheid (2015/0134 COD); overwegende dat de Commissie onlangs nieuwe voorstellen op dit gebied heeft ingediend, die eveneens volgens de gewone wetgevingsprocedure zullen worden behandeld;

N.  overwegende dat de afschaffing van controles aan de binnengrenzen moet samengaan met een doeltreffend beheer van de buitengrenzen, met hoge gemeenschappelijke normen, doeltreffende uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en volledige eerbiediging van de fundamentele rechten van iedereen;

O.  overwegende dat het Europees Parlement het Grensagentschap van de Unie heeft gevraagd zijn capaciteiten om met mogelijke schendingen van grondrechten om te gaan te versterken, ook in het kader van zijn werkafspraken met bevoegde autoriteiten van derde landen, en overwegende dat het voorstel van de Commissie voor een nieuw grensagentschap van de Unie een klachtenmechanisme bevat;

P.  overwegende dat de huidige visumcode de lidstaten de mogelijkheid biedt van de gewone ontvankelijkheidscriteria af te wijken "op humanitaire gronden" (artikelen 19 en 25);

Het ontwikkelen van veilige en legale routes voor asielzoekers en vluchtelingen naar de EU, inclusief het hervestigings- en overeenkomstig integratiebeleid van de Unie

Q.  overwegende dat 86 % van de vluchtelingen in de wereld wordt opgevangen in niet-geïndustrialiseerde landen; overwegende dat criminele netwerken en smokkelaars misbruik maken van de wanhoop van mensen die op de vlucht zijn voor vervolging of oorlog en die proberen de Unie binnen te komen;

R.  overwegende dat er slechts een beperkt aantal veilige en legale routes is voor vluchtelingen om de Unie binnen te komen en dat velen nog altijd het risico nemen om via een gevaarlijke route te reizen; overwegende dat de ontwikkeling, op basis van de huidige wetgeving en praktijken, van veilige en legale routes voor asielzoekers en vluchtelingen om de Unie binnen te komen de Unie en de lidstaten in staat zou stellen om een beter overzicht te krijgen van de behoefte aan bescherming en van de instroom in de Unie, en om het bedrijfsmodel van mensensmokkelaars te ontwrichten;

De strategie voor samenwerking met derde landen, met name op het gebied van regionale beschermingsprogramma's, hervestiging, terugkeer en de aanpak van de onderliggende oorzaken van migratie

S.  overwegende dat de samenwerking tussen de EU en derde landen gestalte krijgt via politieke instrumenten zoals regionale dialogen, bilaterale dialogen, gemeenschappelijke agenda's inzake migratie en mobiliteit en mobiliteitspartnerschappen, via juridische instrumenten, zoals migratieclausules in mondiale overeenkomsten, overnameovereenkomsten, overeenkomsten voor visumversoepeling en -vrijstelling en via operationele instrumenten, zoals regionale beschermingsprogramma's (RPP's), regionale ontwikkelings- en beschermingsprogramma's (RDPP's), werkafspraken van Frontex en samenwerking door het EASO met derde landen;

T.  overwegende dat individuele lidstaten op bilateraal niveau nog altijd intensieve vormen van extern optreden op het gebied van migratie ontwikkelen;

U.  overwegende dat de Unie haar externe samenwerking met derde landen op het vlak van migratie en asiel heeft geïntensiveerd om adequaat te reageren op de huidige vluchtelingencrisis, en nieuwe samenwerkingsinitiatieven heeft gelanceerd, zoals het gezamenlijk actieplan van de EU en Turkije, de toezeggingen die zijn gedaan met betrekking tot de Westelijke Balkanroutes en het op de top van Valetta goedgekeurde actieplan;

Het ontwikkelen van passende kanalen voor legale economische migratie

V.  overwegende dat de beroepsbevolking in de Unie in de periode tot 2020 naar verwachting met 7,5 miljoen personen zal dalen; overwegende dat volgens prognoses met betrekking tot de ontwikkeling van de behoeften van de arbeidsmarkt in de Unie er op bepaalde gebieden in de toekomst tekorten zullen ontstaan; overwegende dat onderdanen van derde landen veel problemen ondervinden met de erkenning van hun buitenlandse kwalificaties en om die reden vaak werk verrichten waarvoor zij overgekwalificeerd zijn;

W.  overwegende dat de huidige aanpak van de Unie op het gebied van arbeidsmigratie gefragmenteerd is, en dat er veel verschillende richtlijnen zijn die zich richten op specifieke categorieën werknemers en onderdanen van derde landen die, onder bepaalde voorwaarden, mogen werken; overwegende dat deze aanpak alleen maar kan inspelen op specifieke kortetermijnbehoeften;

Onderzoek naar de wijze waarop financiële middelen voor binnenlandse zaken, waaronder noodfondsen, worden besteed aan migratie en ontwikkeling

X.  overwegende dat er diverse financiële instrumenten van de Unie bestaan voor de financiering van acties van de lidstaten en derde landen op het gebied van migratie, asiel en grensbeheer; overwegende dat financiële middelen voor de lidstaten voornamelijk worden toegewezen via het Fonds voor asiel, migratie en integratie (Asylum Migration and Integration Fund, AMIF) en het Fonds voor interne veiligheid (Internal Security Fund, ISF), maar dat er talloze andere programma's en fondsen ingezet kunnen worden voor activiteiten op het gebied van migratie; overwegende dat de toewijzing van middelen aan derde landen voornamelijk plaatsvindt via het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (Development Cooperation Instrument, DCI), maar beheerd wordt door talloze directoraten-generaal van de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden;

Y.  overwegende dat de huidige versnippering van begrotingslijnen en verantwoordelijkheden ertoe kan leiden dat het moeilijk is om een goed overzicht te krijgen van de besteding van de fondsen of om precies vast te stellen hoeveel middelen de Unie aan migratie uitgeeft;

De effectieve uitvoering van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel en de rol van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken daarin

Z.  overwegende dat het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (Common European Asylum System, CEAS) een reeks gemeenschappelijke regels behelst, alsmede een gemeenschappelijke asielprocedure en een in de gehele Unie geldige uniforme asielstatus; overwegende dat de vele waarschuwingen, waaronder inbreukbesluiten van de Commissie, laten zien dat het CEAS in veel lidstaten nog niet volledig ten uitvoer is gelegd; overwegende dat tenuitvoerlegging essentieel is om nationale wetgeving te harmoniseren en solidariteit tussen de lidstaten te bevorderen en overwegende dat de lidstaten het EASO om ondersteuning kunnen vragen om aan de in het kader van het CEAS geldende normen te voldoen; overwegende dat harmonisatie van normen voor opvang en asielprocedures de druk op landen die betere voorzieningen bieden kan verminderen en van cruciaal belang is voor een billijke verdeling van verantwoordelijkheid tussen de lidstaten;

AA.  overwegende dat de huidige mechanismen van het Dublinsysteem niet objectief zijn, niet voorzien in eerlijke criteria voor toewijzing van verantwoordelijkheid inzake verzoeken om internationale bescherming, en geen snelle toegang tot internationale bescherming bieden; overwegende dat het systeem in de praktijk niet wordt toegepast en dat er door middel van twee besluiten van de Raad inzake tijdelijke herplaatsing uitdrukkelijke afwijkingen zijn goedgekeurd; overwegende dat de Commissie had aangekondigd tegen maart 2016 een voorstel te zullen indienen voor een grondige herziening van de Dublin III-verordening;

Solidariteit

1.  wijst erop dat solidariteit het beginsel moet zijn waarop het optreden van de Unie op gebied van migratie berust; merkt op dat het solidariteitsbeginsel zoals in artikel 80 VWEU geformuleerd, het asiel-, immigratie- en grenscontrolebeleid omvat; is van mening dat artikel 80 VWEU "tezamen" met de artikelen 77 tot en met 79 VWEU een rechtsgrondslag biedt om op deze gebieden aan het solidariteitsbeginsel invulling te geven;

Opsporing en redding

2.  gaat ervan uit dat het redden van levens de eerste prioriteit moet zijn, en dat een behoorlijke financiering van opsporings- en reddingsoperaties zowel op Unie- als op lidstaatniveau van essentieel belang is; merkt op dat de irreguliere toestroom over zee is toegenomen en het aantal doden op zee een alarmerende stijging te zien geeft, en dat er nog steeds een betere Europese respons nodig is;

3.  herinnert eraan dat het redden van levens een daad van solidariteit is met mensen in gevaar, maar ook een verplichting ingevolge internationaal recht, want artikel 98 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee – geratificeerd door alle lidstaten en door de Unie zelf – vereist dat hulp geboden moet worden aan eenieder die op zee in nood geraakt;

4.  is van mening dat een permanente, robuuste en doeltreffende respons van de EU bij opsporings- en reddingsoperaties op zee van cruciaal belang is om het oplopende dodental onder migranten die de Middellandse Zee proberen over te steken een halt toe te roepen;

5.  brengt in dit verband naar voren dat de capaciteit voor opsporings- en reddingsoperaties verhoogd moet worden en dat de regeringen van de lidstaten meer middelen moeten inzetten – in de vorm van financiële bijstand en materieel – binnen de context van een Uniebrede humanitaire operatie met als opdracht de migranten die in gevaar zijn te vinden, te redden en te helpen, en hen naar de dichtstbijzijnde veilige plaats te brengen;

6.  wijst erop dat particuliere schippers of non-gouvernementele organisaties (ngo's) die werkelijk hulp bieden aan personen die op zee in nood verkeren, niet de kans mogen lopen voor hun hulpverlening te worden bestraft; gelooft niet dat de koopvaardij als alternatief kan dienen voor de lidstaten en de Unie waar het gaat om plichtvervulling ten aanzien van zoek- en reddingsacties;

Mensenhandel en criminele mensensmokkel

7.  dringt er op aan duidelijk onderscheid te maken tussen degenen die de Europese Unie worden binnengesmokkeld, en degenen die ten prooi vallen aan mensenhandel, omdat de beleidsrespons weliswaar terdege moet worden geïntegreerd, maar ook goed moet zijn afgestemd; stelt dat algemeen gesteld, migrantensmokkel als misdrijf de facilitering behelst van irreguliere binnenkomst van een persoon in een lidstaat, terwijl het bij mensenhandel gaat om het werven, overbrengen of opnemen van personen, met gebruik van geweld, misleiding of andere malafide middelen en met de uitbuiting van die personen als oogmerk;

8.  is van mening dat een holistische aanpak van migratie hoe dan ook maatregelen moet omvatten gericht op het oprollen van de criminele netwerken die zich met mensenhandel en -smokkel bezighouden;

9.  waardeert de positieve rol van marineschepen tot dusver die levens redden op zee en criminele netwerken helpen oprollen; stelt zich achter de doelstellingen van marine-operaties als de operatie Sophia, en onderstreept de noodzaak tot bescherming van mensenlevens, en stelt nadrukkelijk dat bij alle aspecten van de operatie de bescherming van de levens van migranten gewaarborgd moet blijven;

10.  onderstreept dat militaire operaties niet het overheersende aspect mogen worden in de holistische aanpak van migratie, en herhaalt dat operatie Sophia geen middelen mag onttrekken aan het materiaal dat reeds in de Middellandse Zee voor de redding van drenkelingen wordt ingezet;

De rol van de Unie-agentschappen bij de bestrijding van criminele mensensmokkel

11.  wijst erop dat criminelen hun werkwijze zeer snel kunnen veranderen en dat beleidsrespons daarom moet zijn afgestemd op de meest recente en accurate gegevens; verneemt dat de Commissie op 27 mei 2015, bij wijze van eerste stap een Unie-actieplan tegen migrantensmokkel heeft uitgevaardigd ("het actieplan tegen migrantensmokkel"), dat voorziet in de oprichting van een contactgroep van EU-agentschappen inzake migrantensmokkel, ter bevordering van de operationele samenwerking en onderlinge informatie-uitwisseling;

12.  benadrukt dat bestaande instrumenten, zoals de risicoanalyses van de agentschappen, ten volle moeten worden benut; merkt op dat de agentschappen van de Unie elkaar volledige medewerking moeten verlenen, maar ook intensiever moeten samenwerken met de lidstaten; wijst erop dat met een betere coördinatie van de inspanningen gegevens op nationaal niveau kunnen worden verzameld en aan de agentschappen doorgegeven;

Herplaatsing

13.  herinnert eraan dat herplaatsing – de overbrenging van een persoon die om internationale bescherming verzoekt, of een persoon die internationale bescherming geniet, van de ene naar een andere EU-lidstaat – een praktisch voorbeeld is van solidariteit binnen de Unie; herinnert er tevens aan dat het Parlement al sinds 2009 aandringt op een bindend mechanisme voor verdeling van asielzoekers over alle lidstaten;

14.  merkt op dat de Raad in het afgelopen jaar twee besluiten heeft genomen inzake tijdelijke herplaatsingsmaatregelen in de Unie ("herplaatsingsbesluiten")(12), en dat het daarbij gaat om overbrenging van aanvragers van internationale bescherming vanuit Griekenland en Italië naar andere lidstaten; wijst erop dat de herplaatsingsbesluiten de huidige Dublin-regels niet opheffen, maar wel een "tijdelijke afwijking" van die regels inhouden;

15.  is van mening dat de invoering van urgente herplaatsingsmaatregelen een stap is in de goede richting en roept de lidstaten op zo spoedig mogelijk hun verplichtingen ingevolge die maatregelen te vervullen;

16.  herinnert er aan dat voor de herplaatsingsbesluiten de herplaatsing alleen de nationaliteiten omvat die blijkens gegevens van Eurostat een aandeel van positieve beschikkingen tot verlening van internationale bescherming in de Unie uitwijzen van ten minste 75 % over de voorafgaande drie maanden; merkt op dat de herplaatsingsbesluiten een relatief klein aantal mensen zullen betreffen, en de grote aantallen aanvragers uit andere derde landen die niet uit hoofde van die besluiten kunnen worden herplaatst, zullen buitensluiten;

17.  is bezorgd dat de lidstaat van eerste aankomst in het kader van de herplaatsingsbesluiten nog altijd de meer gecompliceerde verzoeken om internationale bescherming (en beroepen) zal moeten afhandelen, langduriger opvang zal moeten organiseren en de terugkeer zal moeten regelen en coördineren van degenen die uiteindelijk geen recht hebben op internationale bescherming; herinnert eraan dat een nieuw beheerssysteem voor het gemeenschappelijk Europees asielstelsel op solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid moet zijn gebaseerd;

18.  is van mening dat naast de in de herplaatsingsbesluiten genoemde criteria, te weten het bbp van de lidstaat, de bevolkingsomvang van de lidstaat, het werkloosheidsniveau in de lidstaat en de aantallen asielzoekers in de voorgaande jaren in de lidstaat, ook naar twee andere criteria moet worden gekeken, namelijk de territoriale omvang en de bevolkingsdichtheid van de lidstaat;

19.  vindt dat bij de herplaatsing zoveel als praktisch doenlijk met de voorkeuren van de aanvrager rekening moet worden gehouden; onderkent dat dit een manier is om secundaire stromen te ontmoedigen en de aanvragers zelf ertoe te bewegen een herplaatsingsbesluit te aanvaarden, maar dat dit het herplaatsingsproces niet mag tegenhouden;

Hervestiging

20.  beschouwt hervestiging als te verkiezen optie voor verlening van veilige en legale toegang tot de Unie aan vluchtelingen en anderen die internationale bescherming behoeven, wanneer die vluchtelingen niet naar hun eigen land kunnen terugkeren maar in het gastland evenmin effectieve bescherming kunnen krijgen of zich kunnen integreren;

21.  merkt voorts op dat hervestiging onder auspiciën van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen (United Nations High Commissioner for Refugees, UNHCR) een beproefd humanitair programma is en een nuttig instrument voor de verwerking van ordelijke aankomst van mensen die internationale bescherming behoeven op het grondgebied van lidstaten;

22.  wijst erop dat gezien de ongekende toestroom van migranten die bij de buitengrenzen van de Unie blijven aankomen, en de gestaag toenemende aantallen verzoekers om internationale bescherming, de Unie een bindende en dwingende wetgevende aanpak voor hervestiging moet kiezen, zoals de Commissie in haar agenda voor migratie ook aangeeft; acht het raadzaam dat het programma, wil het effect hebben, hervestiging biedt aan een beduidend aantal vluchtelingen, ten opzichte van het totaal aantal vluchtelingen op zoek naar internationale bescherming in de Unie, rekening houdend met de totale behoeften aan hervestiging die jaarlijks door de UNHCR worden bekendgemaakt;

23.  onderstreept dat er behoefte is aan een permanent, voor de hele Unie geldend hervestigingsprogramma met verplichte deelname van alle lidstaten, dat voorziet in hervestiging van een beduidend aantal vluchtelingen ten opzichte van het totale aantal vluchtelingen dat bescherming zoekt in de EU;

Toelating op humanitaire gronden

24.  wijst erop dat toelating op humanitaire gronden als aanvulling op hervestiging kan dienen waardoor zo nodig – en vaak tijdelijk – spoedeisende bescherming kan worden geboden aan de meest kwetsbaren, bijvoorbeeld onbegeleide minderjarigen of vluchtelingen met handicaps of mensen die op medische gronden moeten worden geëvacueerd;

25.  onderstreept dat voor zover hervestiging niet openstaat voor onderdanen uit derde landen, alle EU-lidstaten moeten worden aangemoedigd om programma’s voor toelating op humanitaire gronden op te stellen en uit te voeren;

Humanitaire visa

26.  wijst erop dat humanitaire visa de mensen die internationale bescherming nodig hebben, de mogelijkheid geven een derde land binnen te komen om aldaar asiel te kunnen aanvragen; verzoekt de lidstaten om gebruik te maken van eventueel bestaande mogelijkheden om humanitaire visa te verstrekken, vooral voor kwetsbare personen, in EU-ambassades en -consulaten in landen van herkomst of in transitlanden;

27.  is van mening dat personen die internationale bescherming zoeken, rechtstreeks bij een consulaat of ambassade van de lidstaten een humanitair visum moeten kunnen aanvragen, en indien een dergelijk humanitair visum na een beoordeling wordt verleend, de houder ervan wordt toegelaten op het grondgebied van de lidstaat die het visum heeft afgegeven met als enig doel een verzoek om internationale bescherming in te dienen; is daarom van mening dat de visumcode van de Unie moet worden gewijzigd door specifiekere gemeenschappelijke bepalingen over humanitaire visa op te nemen;

Gemeenschappelijk Europees asielstelsel

28.  wijst erop dat er nog nadere stappen nodig zijn om te bereiken dat het Gemeenschappelijk Europees asielstelsel (Common European Asylum System, CEAS) een werkelijk uniform systeem wordt;

29.  herinnert eraan dat een uitgebreide beoordeling (in de vorm van de evaluatierapporten van de Commissie) van de uitvoering van dit pakket, gevolgd door een snelle reactie in geval van een tekortschietende uitvoering in bepaalde lidstaten, absoluut noodzakelijk is voor een verbeterde harmonisatie;

30.  merkt bijvoorbeeld op dat niet-ontvankelijke aanvragen, opvolgende aanvragen, versnelde procedures en grensprocedures evenzovele specifieke gevallen zijn waar is getracht met de herschikking van de richtlijn inzake asielprocedures een fijn evenwicht te bereiken tussen de efficiëntie van het systeem en de rechten van de aanvragers, vooral van kwetsbare personen, onderstreept dat dit evenwicht alleen te bereiken is wanneer volledige en deugdelijke uitvoering aan deze wetgeving wordt gegeven;

31.  benadrukt het belang van juridische controle op elke vorm van detentie krachtens de desbetreffende immigratie- en asielwetten; herinnert eraan dat zowel het internationale recht als het Handvest van de grondrechten van de EU de lidstaten verplichten om alternatieven voor detentie te onderzoeken; vraagt de lidstaten de richtlijn inzake asielprocedures en de richtlijn inzake opvangvoorzieningen correct toe te passen wat toegang tot inrichtingen voor detentie betreft;

32.  herhaalt dat het aantal staatlozen moet dalen en moedigt de lidstaten aan procedures voor de vaststelling van staatloosheid in te voeren en onderling goede praktijken uit te wisselen met betrekking tot het verzamelen van betrouwbare gegevens over staatlozen en de procedures voor de vaststelling van staatloosheid;

Herziening van de Dublin III-verordening

33.  merkt op dat de operatie van de Dublin III-verordening(13) veel vragen heeft opgeroepen omtrent eerlijkheid en solidariteit bij de aanwijzing van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming; merkt op dat het huidige systeem onvoldoende rekening houdt met de specifieke migratiedruk waarmee sommige lidstaten aan de buitengrenzen van de EU te kampen hebben; gelooft dat de lidstaten de aanhoudende problemen met de Dublin-gedachte onder ogen moeten zien en dat de Unie opties moet bedenken voor solidariteit onder zowel de lidstaten als de betrokken migranten;

34.  wijst erop dat de druk op het door de Dublin-verordening ingerichte systeem als gevolg van de toenemende aantallen migranten die in de Unie arriveren, laat zien dat het systeem met de invulling die het krijgt, grotendeels heeft gefaald in zijn twee primaire doelen, namelijk de vaststelling van objectieve en eerlijke criteria voor toewijzing van verantwoordelijkheid en het bieden van snelle toegang tot internationale bescherming; herhaalt zijn bedenkingen bij het criterium dat momenteel de lidstaat van eerste binnenkomst verantwoordelijk is voor het onderzoek van het verzoek om internationale bescherming en vindt dat dit criterium moet worden herzien;

35.  wijst er tevens op dat zich in de Unie nog steeds veel secundaire stromen voordoen; stelt dat het Dublin-systeem sinds zijn creatie klaarblijkelijk niet was bedoeld voor verdeling van verantwoordelijkheid onder de lidstaten, maar in de eerste plaats voor snelle toewijzing van de verantwoordelijkheid voor de behandeling van een asielaanvraag aan een enkele lidstaat;

36.  acht het raadzaam de criteria waarop de herplaatsingsbesluiten berusten, rechtstreeks over te nemen in de standaardregels van de Unie voor toewijzing van de verantwoordelijkheid voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming; onderstreept dat het bij de herziening van de Dublin-verordening belangrijk is het concept "verzoekers die duidelijk internationale bescherming nodig hebben" te herzien, omdat migranten en vluchtelingen die niet in die categorie vallen nog steeds door de staat van eerste aankomst moeten worden behandeld;

37.  is van mening dat de Europese Unie de landen die de meeste asielaanvragen krijgen, moet ondersteunen met evenredige en passende financiële en technische steun; is van mening dat de verbetering van de kwaliteit en werking van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel de ultieme motivering moet zijn voor het treffen van maatregelen die gericht zijn op solidariteit en het delen van verantwoordelijkheid;

38.  noemt als een van de opties voor een grondige bewerking van het Dublin-systeem een centrale inzameling van asielaanvragen op Unieniveau – waarbij elke aanvrager te beschouwen zou zijn als iemand die asiel zoekt in de Unie als geheel en niet meer in een afzonderlijke lidstaat – en de inrichting van een centraal systeem voor toewijzing van verantwoordelijkheid voor personen die in de Unie asiel zoeken; oppert als mogelijkheid een dergelijk systeem te laten voorzien in bepaalde relatieve plafonds per lidstaat, waardoor secundaire stromen waarschijnlijk zouden worden tegengegaan, omdat alle lidstaten volledig betrokken zouden zijn bij het gecentraliseerde systeem en geen individuele verantwoordelijkheid meer zouden dragen voor toewijzing van aanvragers aan andere lidstaten; gelooft dat dit systeem zou kunnen werken op basis van een aantal "hotspots" in de Unie van waaruit de verdeling over de Unie zou moeten plaatsvinden; onderstreept dat in elk nieuw systeem voor toewijzing van verantwoordelijkheid de principiële punten van gezinseenheid en belang van het kind terug te vinden moeten zijn;

Wederzijdse erkenning

39.  merkt op dat lidstaten op dit moment de asielbesluiten van andere lidstaten alleen erkennen als ze afwijzend luiden; herhaalt dat wederzijdse erkenning door lidstaten van positieve asielbesluiten een logische stap zou zijn voor een correcte uitvoering van artikel 78, lid 2, onder a), VWEU, waarin wordt opgeroepen tot een uniforme vluchtelingenstatus die geldig is in de hele Unie;

Richtlijn tijdelijke bescherming

40.  wijst erop dat in geval van een massale toestroom de Commissie, op eigen initiatief of na bestudering van een verzoek van een lidstaat, kan voorstellen om Richtlijn 2001/55/EG van de Raad inzake tijdelijke bescherming in werking te stellen (de "richtlijn tijdelijke bescherming")(14); merkt op dat voor deze inwerkingstelling een besluit van de Raad nodig is dat bij gekwalificeerde meerderheid moet worden genomen; constateert dat de richtlijn in werking moet worden gesteld als het gevaar dreigt dat het asielstelsel van de Unie de massale toestroom of de dreigende massale toestroom van ontheemden niet aankan; onderstreept evenwel dat de richtlijn tijdelijke bescherming sinds de vaststelling ervan in 2001 nog nooit in werking is gesteld;

41.  merkt op dat de richtlijn ook in de mogelijkheid voorziet van evacuatie van ontheemden uit derde landen, met behulp van humanitaire corridors, in samenwerking met de UNHCR, waarbij de lidstaten verplicht zijn om waar nodig alle faciliteiten te bieden voor verkrijging van visa;

42.  gelooft dat in sommige frontlijnlidstaten het asielsysteem al duidelijk overbelast is en dat de richtlijn tijdelijke bescherming dus – volgens de eigenlijke opzet– in werking had moeten worden gesteld; dringt er in ieder geval op aan dat bij herziening van de richtlijn een duidelijke definitie van "massale instroom" wordt opgenomen; begrijpt dat een dergelijke herziening van de richtlijn tijdelijke bescherming deel kan uitmaken van de herziening van het Dublin-systeem;

Integratie

43.  merkt op dat de deelname van alle bij de samenleving betrokken actoren cruciaal is en stelt derhalve voor om, met eerbiediging van de bevoegdheden van de lidstaten met betrekking tot integratiemaatregelen, de uitwisseling van goede praktijken op dit vlak te versterken; benadrukt dat integratiemaatregelen voor alle legaal verblijvende onderdanen van derde landen inclusie moeten stimuleren in plaats van isolatie; merkt op dat lokale en regionale autoriteiten, waaronder steden, een belangrijke rol spelen in integratieprocessen;

44.  benadrukt dat gast-lidstaten de vluchtelingen steun en de gelegenheid moeten bieden om zich te integreren en hun leven op te bouwen in hun nieuwe samenleving; merkt op dat dit accommodatie, alfabetiserings- en taalcursussen, interculturele dialoog, onderwijs en beroepsopleiding en toegang tot de democratische structuren in de samenleving, zoals bepaald in de richtlijn inzake asielkwalificaties(15), moet omvatten; merkt op dat vluchtelingen, net als burgers van de Unie, zowel rechten als plichten hebben in de lidstaten van ontvangst; benadrukt derhalve dat integratie een tweerichtingsproces is en dat eerbiediging van de waarden waarop de EU is gegrondvest alsook de eerbiediging van de grondrechten van vluchtelingen integraal deel moeten uitmaken van dat proces;

45.  herinnert eraan dat de lidstaten ingevolge artikel 15 van de opvangrichtlijn moeten bepalen onder welke voorwaarden verzoekers om internationale bescherming toegang tot de arbeidsmarkt krijgen, dat er sprake moet zijn van daadwerkelijke toegang, en dat een en ander moet geschieden binnen de in lid 1 gestelde termijn; begrijpt dat de lidstaten ingevolge artikel 15, lid 2, om redenen van arbeidsmarktbeleid voorrang kunnen geven aan onderdanen van de Unie en onderdanen van staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en aan onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied verblijven;

46.  stelt dat wanneer iemand die in de Unie internationale bescherming geniet werk aangeboden krijgt in een andere lidstaat dan waar hem internationale bescherming is verleend, van zo'n aanbod ook gebruik moet kunnen maken;

47.  stelt nogmaals dat vlottere erkenning van buitenlandse kwalificaties een praktische manier is om te bereiken dat onderdanen van derde landen die reeds in de Unie verblijven, zich beter integreren, en vraagt de Commissie om met passende daartoe strekkende voorstellen te komen;

48.  stimuleert particuliere en gemeentelijke integratieprogramma's voor mensen die voor hervestiging zijn toegelaten, waarbij moet worden samengewerkt met en voortgebouwd op goede praktijken van lidstaten en plaatselijke overheden;

Instandhouding van de gezinseenheid

49.  spoort de lidstaten aan gezinnen en familieleden bijeen te houden, wat voor de integratievooruitzichten bevorderlijk is doordat de aandacht kan worden gericht op het opbouwen van een nieuw leven in plaats van de onzekerheid omtrent familieleden;

50.  onderstreept dat de lidstaten eventuele juridische en praktische hindernissen opzij moeten zetten om sneller tot besluiten te kunnen komen omtrent gezinshereniging;

51.  acht het belangrijk dat de lidstaten, in afwachting van de grondige bewerking van de Dublin-verordening, beter gebruik maken van de beoordelingsvrijheidsclausules, om recht te doen aan het beginsel van gezinseenheid;

Kinderen

52.  benadrukt dat de kinderen die in de Unie arriveren, zich in een kwetsbare positie bevinden, en wijst nogmaals op het recht van kinderen om bovenal als kind te worden behandeld; roept de lidstaten op de specifieke bepalingen van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel betreffende niet-begeleide minderjarigen volledig toe te passen, met inbegrip van de toegang tot rechtsbijstand, voogdij, toegang tot gezondheidszorg, huisvesting en onderwijs, het recht op communicatie in een taal die zij begrijpen, en op ondervraging door daartoe opgeleide ambtenaren; herhaalt dat de lidstaten kinderen niet mogen vasthouden met als grond dat zij migranten zijn;

53.  wijst erop dat steun-, informatie- en beschermingsmaatregelen tot niet-begeleide of van hun familie gescheiden kinderen moeten worden uitgebreid met inachtneming van hun belangen, en dat door niet-begeleide of van hun familie gescheiden kinderen ingediende verzoeken om gezinshereniging met spoed moeten worden behandeld;

54.  merkt op dat doeltreffende voogdijstelsels en beschermingssystemen voor kinderen belangrijk zijn om misbruik, verwaarlozing en uitbuiting van kinderen zonder ouderlijke zorg te voorkomen; benadrukt het belang van de vaststelling van richtsnoeren van de Unie voor een voogdijstelsel gericht op gepaste ondersteuning en bescherming alsook op een gelijke behandeling van buitenlandse en binnenlandse kinderen;

55.   is van mening dat leeftijdsbepaling op de minst invasieve, interdisciplinaire en veilige wijze met inachtneming van de fysieke integriteit en menselijke waardigheid van het kind, en met bijzonder respect voor meisjes, moet worden uitgevoerd door onafhankelijke gekwalificeerde beroepsbeoefenaars en deskundigen;

56.  roept de lidstaten op uitgesplitste gegevens over de situatie van vluchtelingen- en migrantenkinderen te verzamelen om die stelsels beter in staat stellen deze kinderen te integreren;

Terugkeer

57.  begrijpt dat veilige terugkeer van degenen die na individuele beoordeling van hun asielaanvraag niet voor bescherming in de Unie in aanmerking blijken te komen, nu eenmaal moet worden uitgevoerd als iets dat bij een correcte tenuitvoerlegging van het CEAS hoort;

58.  onderkent dat er verbetering nodig is in de doelmatigheid van het terugkeersysteem van de Unie, in aanmerking genomen dat in 2014 slechts 36 % van de onderdanen van derde landen die de Unie moesten verlaten, daadwerkelijk zijn teruggekeerd;

59.  is van oordeel dat Europese overnameovereenkomsten moeten worden aangenomen waaraan de voorkeur moet worden gegeven boven bilaterale overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen, teneinde voor een doeltreffendere repatriëring en een coherenter terugkeerbeleid op Europees niveau te zorgen;

60.  is van mening dat de terugkeer van migranten veilig moet verlopen, met volle inachtneming van de fundamentele en procedurele rechten van de betrokken migranten, en alleen als het land waarheen zij worden teruggestuurd voor hen veilig is; herhaalt in dit verband dat vrijwillige terugkeer de voorkeur verdient boven gedwongen terugkeer;

61.  brengt naar voren dat eventuele pogingen van lidstaten om migranten die niet eens de kans gekregen hebben asiel aan te vragen, meteen "weg te sturen" tegen het recht van de Unie en het internationaal recht indruisen, en vindt dat de Commissie geëigende stappen moet ondernemen tegen een lidstaat die dit probeert;

Lijst van veilige herkomstlanden

62.  neemt kennis van het recente Commissievoorstel voor een Unie-lijst van veilige herkomstlanden, met wijziging van de richtlijn asielprocedures(16); merkt op dat een dergelijke Unie-lijst, indien eenmaal bindend voor alle lidstaten, in beginsel een belangrijk instrument zou worden voor de vergemakkelijking van de asielprocedure, inclusief terugkeeroperaties;

63.  betreurt de huidige situatie waarin lidstaten elk een andere lijst hanteren waarop verschillende veilige landen staan, waardoor een uniforme toepassing wordt bemoeilijkt en secundaire stromen worden aangemoedigd;

64.  onderstreept evenwel dat zulk een lijst van veilige herkomstlanden niet kan afdoen aan het beginsel dat aan eenieder een passende individuele beoordeling toekomt van zijn of haar verzoek om internationale bescherming;

Inbreukprocedures

65.  merkt op dat de Commissie zich in september 2015 genoopt zag om 40 maal tot een inbreukprocedure te besluiten in verband met de tenuitvoerlegging van het CEAS, tegen 19 lidstaten, wat bovenop de 34 reeds aanhangige zaken kwam; herhaalt dat het Parlement volledig geïnformeerd moet blijven omtrent de procedures die de Commissie opent tegen lidstaten die de Uniewetgeving op dit gebied niet of niet correct omzetten;

66.  benadrukt nog eens hoe essentieel het is dat wanneer er eenmaal Uniewetgeving is overeengekomen en vastgesteld, de lidstaten zich aan hun deel van de afspraak houden en die wetgeving ook omzetten;

67.  merkt voorts op dat de voordelen en tekortkomingen van sommige elementen van het CEAS zich niet goed laten beoordelen doordat veel lidstaten de wetgeving nog niet volledig hebben omgezet;

Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken

68.  acht het raadzaam dat het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (European Asylum Support Office, EASO) op de lange termijn tot de belangrijkste coördinator van het CEAS wordt uitgebouwd, om een gemeenschappelijke toepassing van de regels van dat systeem te waarborgen; herhaalt dat naarmate het CEAS werkelijk tot Europese aangelegenheid wordt, het EASO zich van een verzameling deskundigen uit de lidstaten moet ontwikkelen tot een volwaardig Unie-agentschap dat aan de lidstaten en aan de buitengrenzen operationele steun moet bieden; onderstreept dienaangaande dat het voor de korte, middellange en lange termijn dan ook moet worden toegerust met de nodige financiële middelen en personeelsbezetting;

69.  wijst erop dat het budget van het EASO voor herplaatsing, hervestiging en de externe dimensie voor 2015 niet meer bedroeg dan 30 000 EUR; herhaalt dat zo'n uiterst klein budget niet ernstig te nemen valt gezien de actuele gebeurtenissen in het Middellandse Zeegebied en gezien de talloze malen dat in de herplaatsingsbesluiten naar het EASO wordt verwezen; herinnert eraan dat er op korte, middellange en lange termijn een aanzienlijke verhoging nodig is van het budget en het personeelsbestand van het EASO, en de bedragen die het EASO voor herplaatsing en hervestiging toewijst;

Frontex en de voorgestelde nieuwe Europese grens- en kustwacht

70.  neemt nota van het recente optreden van Frontex bij de hulpverlening aan schepen of mensen in nood en betuigt zijn waardering voor de bijdrage die het bij de gezamenlijke operaties Triton en Poseidon heeft geleverd aan de redding van vele levens in de Middellandse Zee;

71.  begrijpt dat de onlangs voorgestelde Europese grens- en kustwacht is bedoeld ter vervanging van Frontex en moet zorgen voor een Europees geïntegreerd grensbeheer aan de buitengrenzen, met het oog op een effectieve beheersing van de migratie en een hoog niveau van interne veiligheid binnen de Unie, onder waarborging van het vrije personenverkeer daarbinnen; stelt vast dat, in overeenstemming met de verdragen en de protocollen daarbij, de lidstaten die partij zijn bij het Schengenakkoord maar nog geen deel uitmaken van de Schengenruimte zonder interne grenscontroles, kunnen deelnemen aan en/of voordeel halen uit alle maatregelen van het nieuwe voorstel;

72.  ziet belangstellend uit naar de onderhandelingen over het voorstel binnen en tussen beide medewetgevers in het kader van de gewone wetgevingsprocedure overeenkomstig artikel 294 VWEU;

Schengen en het beheer en de veiligheid van de buitengrenzen

73.  herinnert eraan dat de Unie sinds de totstandbrenging van het Schengengebied een gebied zonder grenzen is, dat de lidstaten die deel uitmaken van Schengen stapsgewijs een gemeenschappelijk beleid hebben ontwikkeld voor de buitengrenzen van Schengen, en dat de logica achter dit systeem altijd is geweest dat de afschaffing van binnengrenzen gepaard moet gaan met compensatiemaatregelen om de buitengrenzen van het Schengengebied te versterken, en met het delen van informatie via het Schengeninformatiesysteem (SIS);

74.  beseft dat de integriteit van het Schengengebied en de afschaffing van controles aan de binnengrenzen afhankelijk zijn van een doeltreffend beheer van de buitengrenzen, met hoge gemeenschappelijke normen die door de lidstaten aan de buitengrenzen worden gehanteerd, en een doeltreffende onderlinge uitwisseling van informatie;

75.  accepteert het dat de Unie de bescherming van haar buitengrenzen moet opvoeren en het CEAS verder moet ontwikkelen, en dat er maatregelen nodig zijn om de capaciteit van het Schengengebied te vergroten, de nieuwe uitdagingen waarmee Europa kampt aan te pakken en de grondbeginselen van veiligheid en het vrije verkeer van personen in ere te houden;

76.  wijst erop dat de toegang tot het grondgebied van Schengen algemeen wordt gecontroleerd aan de buitengrens op grond van de Schengengrenscode, en dat daarnaast burgers uit veel derde landen een visum nodig hebben om het Schengengebied binnen te komen;

77.  herinnert aan de oproep van UNHCR dat de eerbiediging van de grondrechten en de naleving van internationale verplichtingen alleen kunnen worden gegarandeerd als deze verplichtingen terugkomen in operationele procedures en plannen, in de vorm van praktische en duidelijke richtsnoeren voor grenspersoneel, onder andere aan land-, zee- en luchtgrenzen; wijst op de behoefte om het EU-mechanisme voor civiele bescherming verder te versterken om te kunnen reageren op gebeurtenissen met uiteenlopende gevolgen voor een aanzienlijk aantal lidstaten;

78.  benadrukt opnieuw dat het voor specifieke wetgeving op het vlak van asiel en migratie cruciaal is dat de op het niveau van de Unie overeengekomen maatregelen op de juiste wijze door de lidstaten ten uitvoer worden gelegd zodat de wetgeving over binnen- en buitengrenzen doeltreffend kan zijn; onderstreept dat, na toegenomen druk, een betere tenuitvoerlegging van de maatregelen door de lidstaten aan de buitengrenzen essentieel is en de angst voor een gebrek aan veiligheid als gevolg van de instroom van migranten enigszins kan wegnemen;

79.  merkt op dat de Commissie op 15 december 2015 een voorstel indiende voor een doelgerichte herziening van de Schengengrenscode, waarin zij voorstelde om de stelselmatige controle van alle onderdanen van de Unie (dus niet alleen van onderdanen van derde landen) in te voeren op basis van de desbetreffende databanken aan de buitengrenzen van het Schengengebied;

80.   beschouwt de Schengenzone als een van de grootste verworvenheden van de Europese integratie; wijst erop dat het conflict in Syrië en andere conflicten in de regio hebben geleid tot recordaantallen vluchtelingen en migranten die in de Unie aankomen, waardoor de gebreken bij delen van de buitengrenzen van de Unie werden blootgelegd; is bezorgd over het feit dat sommige lidstaten als reactie het nodig achten hun interne grenzen te sluiten of tijdelijke grenscontroles in te voeren, waardoor vraagtekens worden geplaatst bij de goede werking van het Schengengebied;

Hotspots

81.  herinnert eraan dat in het kader van de "hotspot-benadering" die de Commissie uiteengezet heeft in haar Europese migratieagenda, het grensagentschap, EASO, Europol en Eurojust overeenkomstig hun respectieve mandaten operationele bijstand moeten verlenen aan de lidstaten;

82.  wijst er in dat verband op dat de agentschappen van de Unie voldoende hulpbronnen nodig hebben om de hun toegewezen taken uit te kunnen voeren; dringt er bij de agentschappen van de Unie en de lidstaten op aan dat zij het Parlement volledig op de hoogte houden van het werk dat wordt verzet op de hotspots;

83.  constateert dat er in beide besluiten inzake herplaatsing is vastgelegd dat er operationele steun moet worden geboden aan Italië en Griekenland voor de doorlichting van migranten bij aankomst, de registratie van hun verzoek om internationale bescherming, het verstrekken van informatie aan aanvragers over herplaatsing, het organiseren van terugkeeroperaties voor personen die geen verzoek om internationale bescherming hebben ingediend maar ook op andere gronden niet mogen blijven of voor degenen van wie dit verzoek is afgewezen, en de uitvoering van alle stappen van de herplaatsingsprocedure;

84.  pleit ervoor dat de hotspots zo spoedig mogelijk worden opgezet, zodat aan de lidstaten in kwestie concrete operationele bijstand kan worden verleend; vraagt de toewijzing van technische en financiële middelen en steun aan de lidstaten van eerste aankomst, zoals Italië en Griekenland, teneinde te zorgen voor snelle en doeltreffende registratie bij de bevoegde autoriteiten van alle migranten die in de Unie arriveren met volledige eerbiediging van hun fundamentele mensenrechten; is van mening dat de snelle en doeltreffende steun van de Unie aan de lidstaten en de aanvaarding van dergelijke steun belangrijk zijn voor het wederzijds vertrouwen;

85.  beseft dat een van de belangrijkste doelstellingen van de hotspots is om de Unie in staat te stellen snel bescherming en humanitaire hulp te bieden aan mensen in nood; benadrukt dat het indelen in categorieën van migranten op hotspots met de grootste omzichtigheid moet gebeuren om de rechten van alle migranten volledig te eerbiedigen; ziet echter ook in dat de correcte identificatie van de personen die een verzoek om internationale bescherming indienen op het punt van eerste binnenkomst in de Unie bij moet dragen aan een betere werking van het CEAS na een eventuele hervorming;

Het strafrecht in verband met migratie

86.  merkt op dat de Commissie in haar actieplan tegen smokkel een herziening overweegt van Richtlijn 2004/81/EG betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie;

87.  is van mening dat deze herziening nodig is en dat moet worden overwogen om een systeem in te voeren dat slachtoffers van mensenhandel en criminele mensensmokkel in staat stelt voor het voetlicht te treden en hulp biedt bij de daadwerkelijke vervolging van een mensenhandelaar of criminele mensensmokkelaar zonder daarbij bang te hoeven zijn zelf te worden vervolgd;

88.  constateert dat de Commissie een herziening overweegt van Richtlijn 2002/90/EG van de Raad tot omschrijving van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf; is van mening dat er geen sancties mogen worden opgelegd aan personen die enige vorm van humanitaire bijstand verlenen aan mensen in nood, en dat dit tot uiting moet komen in de wetgeving van de Unie;

89.  onderstreept dat een andere cruciale stap bij de ontmanteling van criminele netwerken voor mensensmokkel en mensenhandel is om voorrang te geven aan financiële onderzoeken, aangezien het traceren en confisqueren van de winsten van deze criminele netwerken cruciaal is om ze te verzwakken en uiteindelijk op te rollen; verzoekt de lidstaten in dit verband de vierde antiwitwasrichtlijn snel en doeltreffend om te zetten;

90.  wijst erop dat, om een doeltreffende uitvoering van strafrechtelijke onderzoeken te waarborgen, het van essentieel belang is dat wordt voorzien in opleidingsprogramma's voor beroepsbeoefenaars, zodat de betrokkenen het fenomeen dat zij willen bestrijden volledig kunnen doorgronden en in een vroeg stadium kunnen herkennen;

Samenwerking met derde landen

91.  wijst erop dat in het kader van de totaalaanpak van migratie en mobiliteit (Global Approach to Migration and Mobility, GAMM) de pijler asiel en internationale bescherming verder moet worden ontwikkeld, met een grotere betrokkenheid van derde landen; merkt op dat de maatregelen die momenteel worden genomen in het kader van regionale beschermingsprogramma's of regionale ontwikkelings- en beschermingsprogramma's gericht zijn op capaciteitsopbouw om criminele netwerken voor mensensmokkel en mensenhandel aan te pakken in de derde landen van herkomst en doorvoer; constateert tegelijkertijd dat de hervestigingscomponent van deze programma's zwak blijft; is van mening dat de inspanningen op het vlak van capaciteitsopbouw evenals de hervestigingsactiviteiten moeten worden geïntensiveerd en uitgevoerd in samenwerking met derde landen die grote aantallen vluchtelingen opvangen;

92.  onderkent dat het basisinstrument waarmee de doelstellingen van het buitenlands beleid van de Unie inzake migratie, asiel en grenzen worden vastgesteld, de GAMM is; merkt op dat er diverse instrumenten onder die overkoepelende aanpak vallen, waaronder regionale dialogen, bilaterale dialogen, mobiliteitspartnerschappen, gemeenschappelijke agenda's voor migratie en mobiliteit, overnameovereenkomsten, overeenkomsten voor visumversoepeling en -vrijstelling, regionale beschermingsprogramma's en regionale ontwikkelings- en beschermingsprogramma's;

93.  ziet in dat de externe dimensie gericht moet zijn op samenwerking met derde landen om de onderliggende oorzaken van de irreguliere stromen naar Europa aan te pakken en die stromen in goede banen te leiden; beseft dat de aandacht moet blijven uitgaan naar partnerschappen en samenwerkingsverbanden met de belangrijkste landen van herkomst, doorvoer en bestemming, bijvoorbeeld via de processen van Khartoem en Rabat, de dialoog tussen de EU en Afrika inzake migratie en mobiliteit, alsmede de processen van Boedapest en Praag;

94.  wijst erop dat de Unie en haar lidstaten selectief moeten zijn bij het verlenen van steun aan rechtshandhavingsinstanties in derde landen en daarbij rekening moeten houden met de mate waarin deze instanties zich schuldig hebben gemaakt aan schendingen van de mensenrechten van migranten;

95.  acht het raadzaam dat de samenwerking met derde landen een beoordeling omvat van de asielstelsels van die landen, de mate waarin zij steun verlenen aan vluchtelingen, en hun vermogen en bereidheid om mensenhandel en criminele mensensmokkel naar en via hun landen aan te pakken;

96.  roept de Unie op derde landen te helpen bij de opbouw van hun asielstelsels en de uitwerking van hun integratiestrategieën om onderdanen van derde landen die internationale bescherming behoeven in staat te stellen om daar een verzoek om bescherming in te dienen; is van mening dat de EU een win-winbenadering moet hanteren ten aanzien van de samenwerking met derde landen, wat wil zeggen dat zowel de Unie als het derde land in kwestie en de vluchtelingen en migranten die zich in dat land bevinden gebaat moeten zijn bij de samenwerking;

97.  herinnert eraan dat de Unie haar externe samenwerking met derde landen op het vlak van migratie en asiel heeft geïntensiveerd om adequaat te reageren op de huidige vluchtelingencrisis, en nieuwe samenwerkingsinitiatieven heeft gelanceerd, zoals het gezamenlijk actieplan van de EU en Turkije; benadrukt in dit verband dat alle partijen hun verplichtingen uit het gezamenlijk actieplan moeten nakomen, waaronder het aanpakken van de onderliggende oorzaken van de massale instroom van Syriërs, nauwere samenwerking ter ondersteuning van de Syriërs die tijdelijke bescherming genieten en van hun gastgemeenschappen in Turkije, en dat Turkije zijn verplichtingen moet nakomen om irreguliere migratiestromen van zijn grondgebied naar de Unie te voorkomen;

Bewustmakingscampagnes

98.  wijst erop dat veel gesmokkelde personen tot op zekere hoogte beseffen aan welke risico's ze blootgesteld zullen worden tijdens een mogelijk gevaarlijke reis naar Europa, maar de reis desondanks ondernemen, aangezien ze de risico's lager inschatten dan de risico's die ze zouden lopen als ze in hun thuisland zouden blijven;

99.  is ingenomen met het feit dat in het actieplan tegen smokkel het opzetten van nieuwe bewustmakingscampagnes gekoppeld wordt aan de beoordeling van bestaande campagnes; pleit ervoor dat deze campagnes informatie bevatten over de criteria voor de toekenning van een beschermingsstatus in de Unie, aangezien deze informatie sommige migranten er misschien van kan weerhouden de gevaarlijke reis te ondernemen waarbij ze bovendien het risico lopen te worden teruggestuurd naar hun land van herkomst als ze niet voor bescherming in aanmerking komen;

De aanpak van de onderliggende oorzaken

100.  bevestigt dat de Unie een langetermijnstrategie moet ontwikkelen om tegenwicht te bieden aan de factoren in derde landen die migratie in de hand werken (conflict, vervolging, etnische zuivering, wijdverbreid geweld of andere factoren als extreme armoede, klimaatverandering of natuurrampen), als gevolg waarvan mensen hun toevlucht zoeken tot criminele netwerken voor mensensmokkel, omdat ze denken dat dit hun enige kans is om de Unie te bereiken;

101.  wijst erop dat de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechten van migranten de Unie ook heeft opgeroepen om reguliere migratieroutes open te stellen, zodat migranten gebruik kunnen maken van formele in- en uitreisroutes in plaats van zich te moeten verlaten op criminele netwerken voor mensensmokkel;

102.  benadrukt dat de recente toename van vluchtelingen die de Unie binnenkomen, heeft aangetoond dat preventieve maatregelen alleen niet voldoende zijn om de huidige migratieverschijnselen in goede banen te leiden;

103.  ziet in dat er op de lange termijn meer inspanningen moeten worden geleverd voor het oplossen van de geopolitieke kwesties die aan migratie ten grondslag liggen, zoals oorlog, armoede, corruptie, honger en een gebrek aan kansen, waardoor mensen zich gedwongen zullen blijven voelen om naar Europa te vluchten, tenzij de Unie bekijkt hoe ze kan bijdragen aan de wederopbouw van de landen in kwestie; wijst erop dat dit betekent dat de Commissie en de lidstaten het geld op tafel moeten leggen dat nodig is om bij te dragen aan de capaciteitsopbouw in derde landen, zoals door het scheppen van voorwaarden voor investeringen en onderwijs, het versterken en handhaven van asielstelsels, beter grensbeheer, en het verbeteren van het rechtsstelsel en het gerechtelijk apparaat ter plaatse;

Financiële steun aan derde landen

104.  constateert dat het belangrijkste financieringsinstrument voor steun aan derde landen het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (Development Cooperation Instrument, DCI) is, dat de enige wereldwijde thematische financiering voor migratie van de Unie in het kader van het programma voor mondiale collectieve goederen en uitdagingen omvat en beheerd wordt door het directoraat-generaal (DG) Internationale Samenwerking en Ontwikkeling (DEVCO); merkt daarnaast op dat evenals bij de middelen die rechtstreeks aan de lidstaten worden toegewezen, ook andere DG's van de Commissie en andere organen van de Unie bij het beheer van het DCI betrokken zijn, en wel op de volgende manieren: de steun van de Unie aan de landen van het nabuurschap wordt verstrekt door DG Nabuurschap en Uitbreidingsonderhandelingen via het instrument voor pretoetredingssteun; humanitaire hulp wordt verleend door DG Humanitaire Hulp en Burgerbescherming (ECHO); en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) beheert het Instrument dat bijdraagt aan stabiliteit en vrede; wijst erop dat, aangezien de twee fondsen die beheerd worden door DG Binnenlandse Zaken en Migratie (HOME) – het AMIF en het ISF – ook een externe dimensie omvatten, dit een nieuwe belanghebbende oplevert op het gebied van externe financiering;

105.  is ingenomen met het onlangs opgezette Emergency Trust Fund voor Afrika en de 1,8 miljard EUR die hiervoor is toegezegd, waardoor er een extra element is toegevoegd aan de financiering voor derde landen; verzoekt de lidstaten te blijven bijdragen aan dit fonds;

106.  pleit ervoor dat, overeenkomstig de GAMM, in het extern beleid en bij de financiering van de Unie evenveel belang wordt toegekend aan alle vier de thematische pijlers, te weten i) legale migratie en mobiliteit, ii) irreguliere migratie en mensenhandel, iii) internationale bescherming, en iv) de gevolgen van migratie voor ontwikkeling;

Transparante financiering

107.  constateert dat het migratiebeleid van de Unie via verschillende beleidsinstrumenten ten uitvoer wordt gelegd, elk met hun eigen, niet noodzakelijkerwijs aan elkaar gekoppelde doelstellingen, en dat de financiering van de vele actoren die erbij betrokken zijn, niet altijd goed genoeg wordt gecoördineerd; wijst erop dat de versnippering van de begrotingslijnen en de verantwoordelijkheden een beheersstructuur creëert waarmee het moeilijker kan worden om een uitgebreid overzicht te geven van de wijze waarop de verschillende beschikbare fondsen worden toegewezen en uiteindelijk worden besteed; wijst er verder op dat deze versnippering het moeilijker maakt te kwantificeren hoeveel de Unie in totaal aan migratiebeleid uitgeeft;

108.  is van mening dat er moet worden gezorgd voor het bovengenoemde uitgebreide overzicht van de financiering van de Unie in verband met migratie, zowel binnen als buiten de Unie, aangezien het gebrek aan overzicht de transparantie en goede beleidsvorming duidelijk in de weg staat; merkt in dit verband op dat een website met een databank van alle door de Unie gefinancierde projecten in het kader van het migratiebeleid een optie is; onderstreept dat de behoefte aan transparantie zich ook uitstrekt naar de begrotingslijnen om toereikende financiering te waarborgen voor alle doelstellingen van het migratiebeleid van de Unie;

109.  herinnert eraan dat de positieve impact van de EU-migratiefondsen stoelt op processen op nationaal en EU-niveau om de transparantie, het doeltreffend toezicht en verantwoording te waarborgen, is van mening dat er moet nagedacht worden over de vraag hoe de processen voor monitoring en evaluatie een permanent karakter kan worden gegeven en dus kan worden voorkomen dat ze uitsluitend een ex post-karakter hebben en dat de Rekenkamer in dit verband een grotere rol moet worden toebedeeld; merkt op dat er kwalitatieve en kwantitatieve, onderling vergelijkbare indicatoren moeten worden ontwikkeld voor het meten van de impact van de EU-fondsen en om te helpen bepalen of de fondsen in kwestie tot verwezenlijking van de beoogde doelstellingen hebben bijgedragen;

Aanvullende financiering voor migratie

110.  is verheugd over de aanvullende financiering die beschikbaar is gesteld in de begroting van de Unie voor 2016 om een begin te maken met de aanpak van de huidige migratieverschijnselen; wijst erop dat het grootste deel van die nieuwe financiering onder het meerjarig financieel kader 2014-2020 (MFK) valt en vervroegd is, zodat de Unie nu al uitgeeft wat bedoeld was voor later;

111.  is het ermee eens dat, ofschoon de onlangs gedane begrotingsvoorstellen en de aanvullende financiering die is voorzien in de begroting van de Unie voor 2016, waaronder het gebruik van het flexibiliteitsinstrument, moeten worden toegejuicht, de financiering voor de middellange en langere termijn een bron van zorg blijft; vindt het verontrustend dat de voorgestelde verhoging van de bedragen op de AMIF-begrotingslijnen voor 2016 niet vergezeld gaan van een voorgestelde herziening van de algemene middelen die in het kader van dat fonds voor de financieringsperiode 2014-2020 beschikbaar zijn; beseft dat, indien dit zo blijft, de middelen uit het AMIF dus lang vóór 2020 op zullen zijn;

112.  spoort de lidstaten aan ten volle gebruik te maken van de mogelijkheden die worden geboden door andere fondsen die niet rechtstreeks verband houden met het migratiebeleid, maar die wel voor de financiering van acties op dat gebied ingezet kunnen worden (bijvoorbeeld integratieacties), zoals de beschikbare middelen uit het Europees Sociaal Fonds, het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen, Horizon 2020, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Rechten-, gelijkheids- en burgerschapsprogramma;

113.  doet de aanbeveling dat er in het kader van de voor eind 2016 geplande toetsing van het MFK substantiële, aanvullende middelen worden voorzien in rubriek 3 van de begroting van de Unie over burgerschap, vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, zodat er voldoende geld beschikbaar wordt gesteld op basis van de ontwikkelingen die zich nu op migratiegebied aftekenen en de financiële eisen die daardoor worden gesteld aan het asiel-, migratie- en integratiebeleid van de Unie en de lidstaten;

De participatie van het maatschappelijk middenveld

114.  wijst erop dat het binnenhalen van operationele financiering een van de grootste uitdagingen voor ngo's is, aangezien de meeste financiering projectgebonden is; bevestigt dat initiatieven van vrijwilligers en het maatschappelijk middenveld voor het verlenen van bijstand aan migranten bevorderd en, in voorkomend geval, gefinancierd moeten worden door de Commissie en de lidstaten; verzoekt de lidstaten en de Commissie, waar passend en mogelijk, projecten te financieren die beheerd worden door organisaties van het maatschappelijk middenveld die actief zijn op de gebieden migratie, integratie en asiel;

115.  herhaalt dat de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij de uitwerking van acties van de Unie en van nationale programma's moet worden gegarandeerd, in overeenstemming met het in het AMIF vastgelegde partnerschapsbeginsel; stelt voor dat op het niveau van de Unie nagedacht moet worden over regelmatig overleg tussen de Commissie en de relevante organisaties van het maatschappelijk middenveld over migratie, asiel en integratievraagstukken;

Demografische trends

116.  merkt op dat volgens een studie van de OESO en de Commissie uit 2014, die was uitgevoerd vóór de toename van de migratiestromen naar de Unie in 2015, de beroepsbevolking (15-64-jarigen) in de Unie tussen 2013 en 2020 zal dalen met 7,5 miljoen personen, en dat als de netto migratie buiten beschouwing zou worden gelaten in hun prognoses, de daling zelfs nog aanzienlijker zou zijn met een afname van de beroepsbevolking van 11,7 miljoen personen;

117.  wijst erop dat in november 2015 het werkloosheidspercentage onder jongeren in alle lidstaten desondanks 20 % bedroeg;

118.  constateert verder dat volgens recente voorspellingen van Eurostat het percentage 65+-ers ten opzichte van de groep mensen tussen de 15 en 64 jaar zal stijgen van 27,5 % aan het begin van 2013 naar bijna 50 % in 2050; merkt op dat dit een kentering tot gevolg zou hebben van de huidige verhouding van vier werkenden op elke persoon van 65 jaar of ouder naar slechts twee werkenden op elke persoon van 65 jaar of ouder;

Legale arbeidsmigratie

119.  stelt vast dat de rechtsgrond voor het beheer van legale migratie op het niveau van de Unie is vastgelegd in artikel 79 VWEU;

120.  begrijpt dat in artikel 79, lid 5, de lidstaten het recht wordt voorbehouden om zelf te bepalen hoeveel onderdanen van derde landen zij op hun grondgebied toelaten om werk te zoeken;

121.  wijst erop dat in de Europa 2020-strategie de behoefte is vastgesteld aan een alomvattend arbeidsmigratiebeleid en aan een betere integratie van migranten, teneinde de doelstelling van de Unie van slimme, duurzame en inclusieve groei te verwezenlijken;

122.  constateert dat het bestaande wetgevingskader van de Unie waarin de toegang van onderdanen van derde landen om in de Unie te werken geregeld is, behoorlijk versnipperd is, aangezien dit gericht is op specifieke categorieën werkenden in plaats van algemene regels vast te stellen die voor alle arbeidsmigranten gelden;

123.  is van mening dat de Unie op lange termijn meer algemene regels moet vaststellen voor de binnenkomst en het verblijf van de onderdanen van derde landen die werk zoeken in de Unie om de hiaten op te vullen die zijn vastgesteld op de arbeidsmarkt van de Unie;

De behoefte aan betere gegevens

124.  pleit voor een alomvattende visie van de arbeidsmarkt in de Unie als een noodzakelijke voorwaarde voor de ontwikkeling van het arbeidsmarktbeleid; wijst erop dat er hulpmiddelen moeten worden ontwikkeld om de huidige en toekomstige behoeften op de arbeidsmarkt in de Unie beter te kunnen bepalen en voorspellen; stelt in dat verband voor om bestaande hulpmiddelen – zoals de hulpmiddelen die ontwikkeld zijn door het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) of de OESO – te verbeteren of zelfs samen te voegen, aan de hand van internationale statistieken over mogelijk arbeidsaanbod uit derde landen om een accurater beeld te schetsen van de situatie;

125.  is van mening dat betere gegevens en hulpmiddelen om deze gegevens te analyseren beleidsmakers van dienst kunnen zijn bij het bepalen van toekomstig beleid op het vlak van arbeidsmigratie, en dat de Unie en de lidstaten moeten aangeven wat de knelpunten op hun arbeidsmarkt zijn zodat ze vacatures kunnen opvullen die anders open blijven;

Arbeidsuitbuiting

126.  constateert dat arbeidsuitbuiting kan voortvloeien uit mensenhandel of mensensmokkel of zelfs kan plaatsvinden zonder een van beide, met als gevolg dat personen die irreguliere migranten uitbuiten in lidstaten waar dit op zich niet strafbaar is, ongestraft blijven;

127.  betreurt het dat het geringe risico dat werkgevers die zich schuldig maken aan arbeidsuitbuiting van irreguliere migranten tegen de lamp lopen en/of vervolgd worden, is aangemerkt als een factor die arbeidsuitbuiting aanzienlijk in de hand werkt, in het bijzonder in bedrijfstakken die zich daar het beste voor lenen (de landbouw, de bouw, de horeca, huishoudelijk werk en de zorg); acht het raadzaam dat er, om een einde te maken aan deze straffeloosheid, allereerst voor wordt gezorgd dat alle vormen van arbeidsuitbuiting strafbaar worden gesteld en dat de nationale wetgeving van iedere lidstaat in passende sancties voorziet, en verder dat er in alle risicosectoren meer arbeidsinspecties worden uitgevoerd;

128.  stelt vast dat veel lidstaten arbeidsuitbuiting momenteel alleen strafbaar stellen als daar sprake van is in het kader van mensenhandel, waardoor er een grote discrepantie optreedt in alle gevallen waarin de personen die zich schuldig maken aan arbeidsuitbuiting niet betrokken waren bij de handel in de werknemers in kwestie of van wie de betrokkenheid niet kan worden bewezen;

129.  herhaalt dat speciale procedures om klachten beter te kunnen behandelen, als vastgelegd in Richtlijn 2009/52/EG tot vaststelling van minimumnormen inzake sancties en maatregelen tegen werkgevers van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen ("richtlijn werkgeverssancties"), volledig ten uitvoer moeten worden gelegd en correct moeten worden toegepast in de praktijk; is van mening dat voor slachtoffers van mensenhandel en voor personen die de Unie zijn binnengesmokkeld, die hun medewerking verlenen en de vervolging van mensenhandelaren en/of criminele mensensmokkelaars vergemakkelijken, extra bescherming vereist is; stelt voor dat er daarnaast steun moet worden uitgetrokken voor de oprichting van een Europese bedrijfscoalitie tegen mensenhandel (zoals aan de orde wordt gesteld in de strategie voor de uitroeiing van mensenhandel van 2014) met als doel om aanvoerketens te ontwikkelen waarin mensenhandel geen rol speelt;

130.  is van mening dat bij het bestrijden van arbeidsuitbuiting te allen tijde een tweeledige aanpak moet worden gevolgd, waarbij de werkgevers die zich schuldig hebben gemaakt aan deze praktijk doeltreffend worden vervolgd en de slachtoffers in bescherming worden genomen;

De herziening van de blauwe kaart

131.  wijst erop dat de Commissie in de migratieagenda haar intentie aankondigde om de Richtlijn betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (de "blauwekaartrichtlijn") te herzien, waarbij zij vooral kijkt naar het toepassingsgebied (om mogelijk ondernemers op te nemen die bereid zijn investeringen te doen in Europa) en een verbetering van de regels voor mobiliteit binnen de EU;

132.  herhaalt dat in het uitvoeringsverslag van de Commissie over de huidige blauwekaartrichtlijn de tekortkomingen daarvan worden onderstreept, waaronder de zeer beperkte mate van harmonisatie als gevolg van de grote vrijheid die de lidstaten hebben bij de tenuitvoerlegging ervan, met name hun recht om ook nationale regelingen in stand te houden;

133.  vindt het bovendien duidelijk dat de richtlijn niet alleen gericht moet zijn op hoogopgeleiden, maar ook op specifieke beroepen waarvoor een hoge opleiding vereist is en waar er een bewezen tekort aan arbeidskrachten is; is verder van mening dat de herziening van de blauwe kaart zowel ambitieus als gericht moet zijn, en dat daarin moet worden gestreefd naar de opheffing van de inconsistenties in de huidige richtlijn, vooral als het gaat om de nationale regelingen die tevens in stand worden gehouden; geeft in overweging om het toepassingsgebied zodanig te herzien dat hieronder ook onderdanen van derde landen vallen die kunnen helpen bij het aanvullen van de vastgestelde tekorten op de arbeidsmarkten in de Unie;

134.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de parlementen en de regeringen van de lidstaten, en aan EASO, Frontex, Europol, Eurojust, FRA, eu-LISA, de Raad van Europa, het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité.

16.11.2015

ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken

aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

inzake de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie

(2015/2095(INI))

Rapporteur voor advies: Demetris Papadakis

SUGGESTIES

De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  drukt zijn bezorgdheid uit over de recente gebeurtenissen aan de EU-grenzen, die het gevolg zijn van deze ongeziene migratiecrisis en die hebben aangetoond dat het huidige systeem voor de opvang van vluchtelingen en migranten ontoereikend is, en wijst erop dat het migratie- en asielbeleid op EU-niveau en op internationaal niveau beter geharmoniseerd moet worden;

2.  onderstreept dat de EU moet zorgen voor een holistische aanpak van migratie, waarbij de coherentie tussen interne en externe beleidsmaatregelen verzekerd wordt, waarin alle migratieroutes in aanmerking worden genomen en die gebaseerd is op solidariteit, volledig respect voor de mensenrechten en naleving van het internationaal recht en de waarden waarop de EU is gebouwd;

3.  is van mening dat een dergelijke alomvattende EU-strategie een belangrijk element van de nieuwe globale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU moet zijn, om actief bij te dragen aan de stabilisering van het nabuurschap van de EU en andere soortgelijke humanitaire crises in de toekomst te voorkomen;

4.  vraagt de EU en haar lidstaten dat zij de bouw van muren aan de buitengrenzen van de EU een halt toeroepen en dat zij ophouden met hun pogingen om te voorkomen dat vluchtelingen en migranten het grondgebied van de EU bereiken;

5.  geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de stijgende trend van illegale, onmiddellijke deportaties en verwerpt deze praktijk als strijdig met de mensenrechten en de rechtsstaat; toont zich diep bezorgd over het lot van onderdanen van derde landen en staatlozen die worden teruggestuurd op grond van EU-overnameovereenkomsten, onder meer gevallen van detentie voor onbepaalde tijd, juridische onzekerheid en refoulement naar hun land van herkomst;

6.  beklemtoont dat de aanhoudende instabiliteit en de voortdurende conflicten in de buurlanden van de EU ernstige gevolgen hebben voor het aantal migranten, vluchtelingen en ontheemden; meent dat er alleen dan een daadwerkelijk en effectief langetermijnantwoord op de humanitaire crisis in de Middellandse Zee kan komen indien de onderliggende oorzaken worden aangepakt, met name instabiliteit, oorlogen, terrorisme, gebrek aan veiligheid en schendingen van de mensenrechten, alsook armoede, ongelijkheid, vervolging, corruptie, klimaatverandering en natuurrampen; benadrukt dat de EU, samen met internationale partners en belangrijke regionale machten zoals de Afrikaanse Unie en de Liga van Arabische Staten, met spoed gezamenlijke diplomatieke initiatieven moet nemen om de uitdagingen waarvoor kwetsbare staten staan, het hoofd te bieden en meer nadruk te leggen op conflictpreventie;

7.  is ervan overtuigd dat de huidige migranten- en vluchtelingencrisis verband houdt met het conflict in Syrië en andere delen van het Midden-Oosten en de instabiliteit in de bredere regio van het Midden-Oosten en Noord-Afrika (MENA), waaraan de EU met alles wat in haar vermogen ligt een einde moet proberen maken; dringt aan op de correcte uitvoering van de EU-strategie ter bestrijding van IS; roept de EU en haar lidstaten op om op een proactieve manier steun te verlenen aan een initiatief onder leiding van de VN om het Syrische conflict op te lossen en om hun diplomatieke inspanningen substantieel op te voeren teneinde oplossingen te vinden voor de lopende conflicten in buurlanden van de EU en in het Midden-Oosten, in samenwerking met alle actoren in de regio, met en ter ondersteuning van de VN;

8.  verwelkomt het actieplan van de top van Valletta, dat moet dienen als een platform voor een verreikende EU-Afrika-strategie die geleid wordt door de beginselen van solidariteit, partnerschap en gedeelde verantwoordelijkheid in respons op de menselijke, sociale en politieke uitdagingen van de migratiestromen tussen Afrika en de EU; vraagt de volledige tenuitvoerlegging en monitoring van de resultaten die op de top van Valletta zijn bereikt; onderstreept dat de EU zich moet engageren ten aanzien van Afrika door middel van ontwikkelingssamenwerking om de onderliggende oorzaken van irreguliere migratie en gedwongen verplaatsing aan te pakken; erkent dat extra inspanningen moeten worden geleverd om legale migratie en mobiliteitsmogelijkheden te bevorderen;

9.  onderstreept dat de Westelijke Balkan als doorreisroute voor vluchtelingen en migranten op weg naar EU-lidstaten, onder toenemende grote druk staat met ernstige humanitaire gevolgen, en dat deze regio dus ondersteund moet worden; verwelkomt het voorstel in de conclusies van de Raad van 12 oktober 2015 (12880/15) om de werkingssfeer van het regionaal Trustfonds van de Europese Unie dat in respons op de Syrische crisis is opgericht (het zogenaamde "Madad-fonds"), uit te breiden tot de Westelijke Balkan; steunt de verklaring die op 8 oktober 2015 in Luxemburg is afgelegd door de Conferentie op hoog niveau over de oostelijke route door het Middellandse Zeegebied en de Westelijke Balkanroute en dringt aan op snelle uitvoering en follow-up van deze verklaring;

10  wijst erop dat de buurlanden van Syrië volgens schattingen van de UNHCR circa 4 miljoen Syrische vluchtelingen opvangen; herinnert eraan dat Turkije, Libanon en Jordanië geconfronteerd worden met grote vluchtelingenstromen en wijst op de noodzaak van effectieve steun van de EU en nauwe samenwerking met deze landen om de humanitaire crisis aan te pakken en betere omstandigheden voor de vluchtelingen te creëren; is van mening dat een actieve rol van de Golfstaten een positieve invloed zou hebben door het betuigen van solidariteit; onderstreept tegelijk dat steun moet worden verleend aan landen in de voorste linie, zoals Griekenland, Italië en Malta, met nieuwe of versterkte mechanismen om humanitaire crises van deze omvang aan te pakken;

11.  is van mening dat toetredingslanden, te weten de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Servië, door de EU ten volle moeten worden gesteund bij hun aanpak van de toestroom van migranten en vluchtelingen; waarschuwt echter voor de negatieve gevolgen die hun acties kunnen hebben voor hun verdere integratie in de EU en herinnert de regeringen van deze landen aan hun internationale mensenrechtenverplichtingen;

12.  wenst dat de HV/VV en de Europese Dienst voor extern optreden de beschikking krijgen over de nodige instrumenten en het mandaat om in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en in coördinatie met de lidstaten de politieke en diplomatieke actie te ondernemen die nodig is in de regio;

13.  pleit voor een ruimere en diepere samenwerking van de EU met derde landen van herkomst en doorreis, met volledige eerbiediging van de rechten van migranten, door middel van bilaterale overeenkomsten, mobiliteitspartnerschappen en overeenkomsten inzake wetenschappelijke en technische samenwerking, waarbij moet worden gezorgd voor controlemechanismen waarbij de plaatselijke maatschappelijke organisaties worden betrokken, teneinde:

  –  een toekomstgerichte aanpak van de migratiecrisis in de Middellandse Zee te ontwikkelen, die is aangepast aan en onderscheid maakt tussen de diverse oorzaken voor deze migrantenstromen,

  –  netwerken voor mensensmokkel en mensenhandel te bestrijden,

  –  te zorgen voor capaciteitsopbouw op het gebied van asielstelsels en grenscontrole,

  –  bescherming te bieden aan mensen in nood in samenwerking met het VN-vluchtelingenbureau (UNHCR) en gespecialiseerde ngo's,

  –  de totaalaanpak van migratie en mobiliteit te versterken,

  –  humanitaire corridors in te stellen,

  –  raamwerken vast te stellen voor veilige en legale migratie en de bestaande restricties op gezinshereniging te versoepelen,

  –  humanitaire visa te verstrekken,

  –  een humaan en doeltreffend terugkeerbeleid voor irreguliere migranten in werking te stellen;

14.  vraagt om mobiliteitspartnerschappen en circulaire-migratieovereenkomsten om de verplaatsing van onderdanen van derde landen tussen hun landen en de EU te vergemakkelijken en de sociaaleconomische ontwikkeling van beide partijen te ondersteunen;

15.  roept de HV/VV op concrete stappen te ondernemen op VN-niveau opdat de Veiligheidsraad de Europese Unie een mandaat verleent voor het nemen van maatregelen om de infrastructuur van groepen mensensmokkelaars in havens te bestrijden;

16.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie inzake "veilige en onveilige" derde landen; vraagt de belangrijkste landen van herkomst en doorreis voor irreguliere migratie naar de EU dat zij de bestaande bilaterale overnameovereenkomsten zo snel mogelijk volledig en effectief toepassen; benadrukt dat er bij de sluiting of toepassing van overnameovereenkomsten voor moet worden gezorgd dat deze overeenkomsten in overeenstemming zijn met de desbetreffende internationaalrechtelijke en mensenrechtenverplichtingen van deze derde landen; wijst er voorts op dat de grensoverschrijdende samenwerking met de aangrenzende lidstaten op dit gebied moet worden verbeterd, onder meer door nauwere operationele en technische samenwerking met het EASO en Frontex;

17.   meent tezelfdertijd dat de EU in nauwe samenwerking met het UNHCR een bindend hervestigingsprogramma voor vluchtelingen moet opzetten met quota en een permanent, verplicht maar flexibel en automatisch in werking tredend herplaatsingssysteem in de hele EU, dat gebaseerd is op objectieve criteria en waarbij rekening wordt gehouden met de situatie en de opvangvoorzieningen in de lidstaten van binnenkomst, alsook met de behoeften en voor zover mogelijk, de wensen van de vluchtelingen;

18.  is ingenomen met de uitbreiding van de middelen voor de operaties Triton en Poseidon; neemt kennis van de lancering van de EUNAVFOR MED-operatie tegen mensensmokkelaars en -handelaars in de Middellandse Zee en steunt het versterkte beheer van de buitengrenzen van de Unie; erkent dat de overgang naar de tweede fase van de operatie in overeenstemming is met het internationaal recht en onderstreept dat moet worden samengewerkt met derde landen om de georganiseerde criminele netwerken die migranten smokkelen, doeltreffend aan te pakken; wijst evenwel op de noodzaak van ruimere, volgehouden, gecoördineerde en efficiënte zoek- en reddingsmechanismen in de Middellandse Zee om levens te redden, met name door de oprichting van een Europese kustwacht, en op de behoefte aan een EU-beleid inzake asiel, subsidiaire bescherming en tijdelijke bescherming, waarmee volledige uitvoering wordt gegeven aan de bindende verplichtingen in het kader van het Verdrag van Genève, het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, en het principe van non-refoulement wordt gerespecteerd;

19.  merkt op dat migranten en vluchtelingen, en met name niet-begeleide kinderen, erg kwetsbaar zijn en als gevolg hiervan gevaar lopen om het slachtoffer te worden van mensenhandel; benadrukt dat bijzondere zorg moet worden verleend aan vrouwelijke en minderjarige vluchtelingen en migranten die het slachtoffer zijn van de mensenhandelaars, en dat zij medische en psychologische steun moeten krijgen alsook adequate kinderbescherming; vraagt de EU en de lidstaten een kinder- en genderperspectief op te nemen in hun beleid inzake immigratie, integratie en asiel en wijst op de noodzaak van een EU-aanpak van migratie en grensbeheer waarin de rechten van kwetsbare mensen en het kernbeginsel van de belangen van het kind gerespecteerd worden;

20.  meent dat ontwikkelingssamenwerking, volgens de beginselen van beleidscoherentie voor ontwikkeling, een cruciale rol speelt in de aanpak van de onderliggende oorzaken van migratie; roept de lidstaten op hun ontwikkelingshulp te hervormen, in overeenstemming met de verbintenis om 0,7% van het bni aan ontwikkelingshulp te besteden, teneinde de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling te bereiken; is verheugd dat het gerichter maken van de ontwikkelingssamenwerking in Afrika een van de doelstellingen is die op de top van Valletta is geformuleerd; onderstreept dat de EU op lange termijn en in de praktijk steun moet blijven verlenen aan de internationale inspanningen voor armoedebestrijding en het uitroeien van corruptie, alsook aan vredesopbouw, het bevorderen van democratie en bestuur, mensenrechten en fundamentele vrijheden, gelijkheid van man en vrouw, werkgelegenheid en onderwijs, regionale, politieke en economische stabiliteit, veiligheid en welvaart;

21.  is van mening dat de migranten- en vluchtelingencrisis in de Middellandse Zee alleen kan worden opgelost door volgehouden politieke wil, internationale samenwerking en coördinatie tussen de EU-instellingen en de lidstaten, en meent dat de EU het initiatief zou kunnen nemen om een internationale conferentie onder auspiciën van de VN bijeen te roepen om de huidige humanitaire crisis aan te pakken;

22.  is van mening dat de regionale beschermingsprogramma's, die bedoeld zijn voor het verhogen van de capaciteit van niet-EU-landen in de regio's waar grote aantallen vluchtelingen vandaan komen of doorheen reizen, aanzienlijk kunnen worden versterkt via een politieke dialoog tussen de EU en derde landen, waardoor ze meer gewicht krijgen en de betrokkenheid vergroot wordt;

23.  verzoekt de Commissie en de EU-lidstaten de noodzakelijke wetgevende en administratieve stappen te ondernemen voor de afgifte van noodvisa en een gemakkelijkere toegang tot tijdelijke opvangcentra voor bedreigde mensenrechtenactivisten in het Middellandse Zeegebied; dringt er bij de lidstaten op aan om bijzondere aandacht te besteden aan gevallen die verband houden met aanvragen van politiek asiel, ter voorkoming van elke terugkeer die potentieel een schending van de mensenrechten inhoudt;

24.  is ingenomen met de oprichting van het EU-noodtrustfonds voor stabiliteit en de aanpak van de grondoorzaken van irreguliere migratie en ontheemding in Afrika, dat tot doel heeft de stabiliteit te bevorderen en bij te dragen tot een beter migratiebeheer in de Afrikaanse landen en regio's die het meest met migratie te maken hebben; beklemtoont evenwel dat waarborgen moeten worden gegeven over waar het geld vandaan zal komen en voor welke actie het zal worden gebruikt; vraagt de lidstaten dat ze blijk geven van hun sterk engagement door het voorgestelde bedrag van 1,8 miljard euro bij te dragen; onderstreept dat meer geld moet worden uitgetrokken voor ontsluiten van het onbenutte potentieel van het Afrikaanse continent, dat door middel van handel en investeringen zal bijdragen aan duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding;

25.  wijst erop dat er bijkomende EU-begrotingsmiddelen, met name voor humanitaire hulp, nodig zijn om de migranten- en vluchtelingencrisis in de Middellandse Zee aan te pakken; wenst dat er in derde landen informatiecentra over migratie worden opgericht en stelt vast dat snel is overgegaan tot het toevoegen van Europese verbindingsfunctionarissen voor immigratie aan EU-delegaties in belangrijke derde landen om informatie over migratiestromen te verzamelen, te zorgen voor coördinatie met nationale verbindingsfunctionarissen en rechtstreeks samen te werken met de plaatselijke autoriteiten, waardoor systemen voor vroegtijdige waarschuwing op EU-niveau kunnen worden geactiveerd, zodat tijdig op nieuwe migratiecrises kan worden gereageerd;

26.  moedigt de HV/VV en de EDEO aan om verder steun te blijven verlenen aan het ratificatieproces van het VN-Verdrag tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, het Protocol inzake de voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, met name van vrouwen en kinderen, het Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over zee en door de lucht en het Protocol tegen de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie;

27.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat het huidige migratieprobleem steeds meer in de criminele sfeer wordt getrokken ten koste van de mensenrechten van de betrokken personen, en over de mishandeling en willekeurige detentie van vluchtelingen in derde landen; verzoekt de EU dit probleem aan te pakken, onder meer in haar mensenrechtendialogen en in de subcommissies die bevoegd zijn voor recht, vrijheid en veiligheid en beschermingscapaciteiten te ontwikkelen in derde landen van doorreis;

28.  vraagt dat de Commissie en de EDEO actief deelnemen aan het debat over de term "klimaatvluchteling", met inbegrip van de mogelijke juridische definitie in het internationale recht of in enige juridisch bindende internationale overeenkomst;

29.  erkent staatloosheid als een aanzienlijke mensenrechtenuitdaging; verzoekt de Commissie en de EDEO om staatloosheid in alle externe acties van de EU te bestrijden, met name door discriminatie in nationaliteitswetgeving op basis van geslacht, religie of minderheidsstatus aan te pakken, door het recht van kinderen op een nationaliteit te bevorderen en door steun te geven aan de campagne van het VN-vluchtelingenbureau (UNHCR) die erop gericht is om tegen 2024 een einde te maken aan staatloosheid;

30.  verzoekt de Commissie het Europees Parlement te raadplegen voordat enige overeenkomst tussen Frontex en een derde land wordt gesloten; dringt erop aan dat deze akkoorden adequate waarborgen bieden om ervoor te zorgen dat de mensenrechtennormen ten volle worden nageleefd, met name voor wat betreft repatriëring, gezamenlijke patrouilles, zoek-, reddings- of onderscheppingsoperaties.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.11.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

49

6

6

Bij de eindstemming aanwezige leden

Lars Adaktusson, Michèle Alliot-Marie, Francisco Assis, James Carver, Javier Couso Permuy, Andi Cristea, Arnaud Danjean, Mark Demesmaeker, Georgios Epitideios, Knut Fleckenstein, Eugen Freund, Sandra Kalniete, Manolis Kefalogiannis, Afzal Khan, Janusz Korwin-Mikke, Eduard Kukan, Ilhan Kyuchyuk, Barbara Lochbihler, Sabine Lösing, Ulrike Lunacek, Andrejs Mamikins, Ramona Nicole Mănescu, Tamás Meszerics, Francisco José Millán Mon, Javier Nart, Pier Antonio Panzeri, Demetris Papadakis, Vincent Peillon, Tonino Picula, Kati Piri, Andrej Plenković, Cristian Dan Preda, Jozo Radoš, Sofia Sakorafa, Jacek Saryusz-Wolski, Alyn Smith, Jaromír Štětina, Charles Tannock, László Tőkés, Johannes Cornelis van Baalen

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Ignazio Corrao, Luis de Grandes Pascual, Angel Dzhambazki, Tanja Fajon, Mariya Gabriel, Liisa Jaakonsaari, Javi López, Norica Nicolai, Urmas Paet, Miroslav Poche, Soraya Post, Marietje Schaake, Helmut Scholz, Igor Šoltes, Renate Sommer, Traian Ungureanu, Marie-Christine Vergiat

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Beatriz Becerra Basterrechea, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Ivan Štefanec, Patricija Šulin

12.11.2015

ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking

aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

inzake de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie

(2015/2095(INI))

Rapporteur voor advies: Beatriz Becerra Basterrechea

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is van mening dat er slechts duurzame langetermijnoplossingen kunnen worden gerealiseerd als de huidige migratiecrisis wordt aangepakt in het kader van een Europese holistische benadering, die deel moet uitmaken van een globale visie op migratie in het kader van de Agenda 2030; benadrukt daarom dat de lidstaten beter moeten samenwerken bij het beheer van de migratiestromen; is verheugd over het initiatief om een nieuwe Europese migratieagenda uit te vaardigen, waarin rechten centraal moeten staan, die opgesteld moet worden door het Parlement, de Commissie en de Raad met rechtstreekse betrokkenheid van belanghebbenden tijdens het besluitvormingsproces, in overleg met het maatschappelijk middenveld, waaronder migrantenorganisaties, en die onderbouwd moet zijn door solidariteit en verantwoordelijkheid tussen de lidstaten; benadrukt dat de Dublinverordening in deze agenda vervangen moet worden door een gecentraliseerd Europees asielstelsel waarin rekening wordt gehouden met de voorkeur van asielzoekers en vluchtelingen en waarmee het mogelijk wordt een gebied van veiligheid, vrijheid en gerechtigheid te creëren, asielprocedures te harmoniseren en een effectieve controle op de gemeenschappelijke buitengrens te garanderen; onderstreept dat er een bindend en permanent herplaatsingssysteem nodig is voor asielzoekers die internationale bescherming genieten;

2.  veroordeelt het feit dat de Commissie heeft gewacht tot de nooit eerder geziene humanitaire crisis, gevolgd door een sterke protest- en solidariteitsreactie van het maatschappelijk middenveld, om haar mislukte migratiebeleid opnieuw onder de loep te nemen en te vervangen door een holistische aanpak die ontwikkeling, samenwerking en de eerbiediging van het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling omvat;

3.  dringt aan op een onmiddellijke verbetering van de ellendige omstandigheden waarin miljoenen mensen leven in vluchtelingenkampen, met name in Turkije, Jordanië en Libanon; spoort de EU en de lidstaten aan om de humanitaire hulp uit te breiden, evenals de steunmechanismen aan de buurlanden van de conflictzones, die onderdak bieden aan het grootste aantal vluchtelingen; is ingenomen met de toezegging van de Commissie om de financiële steun aan deze landen te verhogen en verzoekt de lidstaten zich aan hun beloften te houden; wijst er nogmaals op dat de onderliggende oorzaken van migratie daadwerkelijk aangepakt moeten worden door op te treden tegen mondiale ongelijkheden, mensenrechtenschendingen, armoede, werkloosheid, de onstabiliteit van staten en klimaatverandering, en benadrukt in dit verband dat het van essentieel belang is te werken aan een vreedzame oplossing voor de gewapende conflicten; neemt kennis van de top over migratie die op 11 en 12 november heeft plaatsgevonden in Valletta, en die de gelegenheid bood een geïntegreerde benadering uit te werken om de onderliggende oorzaken van gedwongen migratie aan te pakken;

4.  is van mening dat in het Europees migratiebeleid een onderscheid moet worden gemaakt tussen "vluchtelingen" en "economische migranten"; benadrukt dat voor deze twee categorieën migranten een verschillende aanpak moet worden gevolgd;

5.  herinnert eraan dat de mannen, vrouwen en kinderen die getroffen worden door de huidige crisis op de vlucht zijn voor religieuze of politieke vervolging, oorlog, dictatuur, onderdrukking, marteling, onthoofdingen enz., en dat er niet onderhandeld kan worden over hun rechten als mens; merkt op dat voor het merendeel van hen het door alle 28 lidstaten geratificeerde Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen van toepassing is; dringt er bij de EU op aan sancties te treffen ten aanzien van landen die deze rechten schenden en zodoende inbreuk maken op een van de fundamentele voorwaarden van hun EU-lidmaatschap;

6.  roept de Commissie en de Raad op om in het kader van onze trans-Atlantische samenwerking met betrekking tot ontwikkelingsbeleid een verzoek te richten aan de Verenigde Staten om ons te helpen bij het indammen van de migratiestromen door middel van een intensievere ontwikkelingssamenwerking in Afrika en het Midden-Oosten en door een doeltreffende hulpverlening aan de miljoenen mensen die in de vluchtelingenkampen leven;

7.  dringt erop aan dat het complexe verband tussen ontwikkeling en migratie hechter wordt gemaakt, zodat de EU-beleidsmaatregelen voor het beheer van de migratie in de EU afgestemd worden op maatregelen voor het terugdringen van de armoede in ontwikkelingslanden en voor het matigen van een aantal oorzaken van gedwongen migratie, bijvoorbeeld door het effect dat geldoverschrijvingen van migranten kunnen hebben op ontwikkeling te maximaliseren via verlaging van de overschrijvingskosten; benadrukt de noodzaak van een doelmatige samenwerking met derde landen om vast te stellen wat de oorzaken zijn van deze migratiestromen in plaats van de aandacht uitsluitend op de gevolgen te richten; herinnert eraan dat emigratie samenhangt met economische ontwikkeling en toeneemt tot landen de status bereiken van een hogermiddeninkomensland (ongeveer 7 000 - 8 000 USD per hoofd), waarna emigratie weer afneemt; benadrukt daarom dat er een betere samenwerking en een beter beheer van migratiestromen nodig is om een duurzame langetermijnoplossing te bereiken; erkent dat economische ontwikkeling en de opbouw van een staat die gegrondvest is op democratische, stevige en transparante instellingen er in sterke mate toe bijdragen dat de onderliggende oorzaken van gedwongen migratie worden aangepakt; dringt er bij de EU en alle internationale belanghebbenden op aan ontwikkelingssamenwerking en de instrumenten voor aanhoudende politieke dialoog te versterken;

8.  maakt zich zorgen over pogingen om de voor ontwikkelingshulp uitgetrokken kredieten om te leiden naar migratieproblemen die niet met ontwikkeling in verband staan; reageert afwijzend op het feit dat uitgaven ter ondersteuning van vluchtelingen in donorlanden reeds meegerekend kunnen worden als officiële ontwikkelingshulp; verwerpt plannen om ontwikkelingshulp te gebruiken voor en te koppelen aan meer grenscontroles of terugkeerovereenkomsten met derde landen; verzoekt de lidstaten en de Commissie met klem om een verhoging van de beschikbare financiering en middelen voor het terugdringen van humanitaire crises; dringt aan op een plan voor de langere termijn waarin maatregelen worden opgenomen ter versterking van de rol van VN-agentschappen; is ingenomen met de oprichting van een Regionaal Trustfonds van de Europese Unie in respons op de Syrische crisis en van een noodtrustfonds voor Afrika, een doeltreffend instrument voor de strijd tegen destabilisering, gedwongen verplaatsing en irreguliere migratie; verzoekt de Commissie het noodtrustfonds voor Afrika transparanter te maken; spoort de lidstaten aan bij te dragen aan het trustfonds en onderstreept dat toezicht op en beoordeling van de gefinancierde projecten en programma's essentieel zullen zijn om ervoor te zorgen dat het fonds beantwoordt aan zijn doelstelling, namelijk hulp te bieden aan mensen in nood en geen regeringen te financieren die verantwoordelijk zijn voor schendingen van de mensenrechten;

9.  dringt er bij de EU, de Afrikaanse Unie en de Verenigde Naties op aan de internationale samenwerking met betrekking tot migratie te versterken om legale migratiekanalen te creëren en verzoekt de Commissie en de lidstaten maximaal gebruik te maken van de positieve bijdrage die migratie en menselijke mobiliteit kunnen leveren aan de mondiale ontwikkeling, wat voor het eerst erkend werd in de ontwikkelingsagenda voor de periode na 2015 en de voorgestelde doelstellingen voor duurzame ontwikkeling met hun streefdoelen voor migratie; roept de lidstaten op de integratie van immigranten te bevorderen, aangezien hun actieve deelname aan de samenleving kan bijdragen aan de stimulering van de sociaaleconomische ontwikkeling en de culturele diversiteit van de Unie; moedigt de autoriteiten van de EU en de lidstaten aan om de erkenning van academische en beroepskwalificaties van migranten te verbeteren met het oog op een snellere en betere integratie op de arbeidsmarkt;

10.  herinnert eraan dat het recht om een land, waaronder het eigen land, te verlaten, is vastgelegd in artikel 13 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties; benadrukt dat alleen burgers uit het noordelijke deel van de wereld en de meest welvarende burgers uit het zuidelijke deel dit recht echt kunnen uitoefenen, terwijl het een vrijheid en grondrecht is dat iedereen zou moeten kunnen genieten; benadrukt dat het beginsel van "non-refoulement", dat met name voor asielzoekers het logisch gevolg van het recht op migratie betekent, beter en volledig uitgevoerd moet worden, en dat dit beginsel is verankerd in artikel 33 van het verdrag van 1951 betreffende de status van vluchtelingen, deel uitmaakt van het protocol van 1967 betreffende de status van vluchtelingen en is bekrachtigd in artikel 3 van het verdrag van 1984 tegen foltering en andere wrede behandeling of bestraffing;

11.  benadrukt dat het internationale recht om asiel te zoeken zoals vervat in artikel 14 van de Universele verklaring van de Rechten van de Mens van de VN moet worden beschermd, bevorderd en nageleefd, waarbij ook het beginsel van "non-refoulement" beter en ten volle moet worden geëerbiedigd; benadrukt hoe belangrijk het is om in emigratie- en transitlanden centra voor voorlichting inzake migratie op te richten en te versterken, naar het voorbeeld van het Migration Information and Management Centre (CIGEM – Centrum voor voorlichting en beheer inzake migratie) in Mali; benadrukt dat het gebrek aan legale routes vele mannen, vrouwen en kinderen geen andere keuze laat dan zich te wenden tot mensensmokkelaars, tegen een hoge prijs en met groot gevaar voor hun leven; dringt er bij de EU op aan de bestaande wetgeving ten uitvoer te leggen en meer veilige en legale kanalen te creëren om de EU in te reizen en er te verblijven;

12.  verwerpt de voorstellen van de lidstaten om asielcentra op te richten in derde landen en om Noord-Afrikaanse landen en Turkije te betrekken bij de Europese zoek- en reddingsoperaties die tot doel hebben vluchtelingen te onderscheppen en naar het Afrikaanse en Turkse grondgebied terug te sturen; verzoekt de Commissie in dit verband het Parlement een evaluatie voor te leggen van de mate waarin deze voorstellen overeenstemmen met het internationale asielrecht en ook van de praktische en juridische obstakels voor de uitvoering van deze voorstellen; vraagt dat het proces van Khartoem wordt vervangen door een proces dat gebaseerd is op de volledige eerbiediging van de mensenrechten en dat gericht is op het verbeteren van de levensomstandigheden om de onderliggende oorzaken van migratie aan te pakken; dringt er bij de Commissie en de Raad op aan de top van Valletta in november af te stemmen op de onderliggende oorzaken van migratie, zoals armoede, ongelijkheid, onrechtvaardigheid, klimaatverandering, corruptie, wanbestuur en gewapende conflicten;

13.  hecht een groot belang aan de problemen en moeilijkheden waarmee vrouwen, meisjes en kwetsbare groepen als ouderen, kinderen, mensen met een beperking, minderheden en anderen worden geconfronteerd tijdens het migratieproces binnen de EU en de gevolgen hiervan voor hun empowerment en hun mensenrechten; hecht eveneens een groot belang aan de problemen en moeilijkheden waarmee LGBTI-migranten geconfronteerd worden tijdens het migratieproces; dringt erop aan dat alle beleidsmaatregelen in verband met migranten een uitdrukkelijk LGBTI-perspectief krijgen; benadrukt dat er in het migratiebeleid absoluut aandacht moet zijn voor inclusie, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van elke kwetsbare groep, en dringt erop aan dat inclusie een onderdeel zou vormen van alle beleidsmaatregelen ten aanzien van migranten; wijst erop dat genitale verminking in de EU-asielwetgeving genoemd wordt als één van de criteria die in aanmerking moeten worden genomen bij de behandeling van asielaanvragen; hamert erop dat de mensenrechten en individuele rechten van de kwetsbaarsten onder de migranten geëerbiedigd moeten worden;

14.  vraagt de EU en haar lidstaten om ervoor te zorgen dat migranten toegang hebben tot rechten en diensten die hun kansengelijkheid garanderen en om te voorkomen dat racisme en vreemdelinghaat in de EU toenemen;

15.  herinnert eraan dat krachtens het VN-verdrag inzake de rechten van het kind van 1989 en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie het belang van kinderen en niet-begeleide minderjarigen moet primeren, bijvoorbeeld met betrekking tot asiel; benadrukt dat systemen voor kinderbescherming versterkt moeten worden om kinderen te allen tijde te beschermen tegen misbruik en uitbuiting, onder meer door te voorzien in essentiële diensten als medische zorg, psychologische bijstand, kwaliteitsvol onderwijs en specifieke maatregelen voor hun geleidelijke integratie in de lidstaten; dringt erop aan dat er bijzondere aandacht besteed wordt aan de behoeften van gescheiden gezinnen en van diegenen die achterblijven, en dat Richtlijn 2003/86/EG van de Raad herzien wordt om gezinshereniging te vergemakkelijken;

16.  verzoekt de Commissie en de EU met klem het beginsel van beleidssamenhang ten aanzien van ontwikkeling volledig te eerbiedigen in het migratiebeleid, en in het bijzonder bij de uitvoering van de Europese migratieagenda, waarbij in dit verband ook rekening gehouden moet worden met de band tussen intern en extern beleid en dus met de relatie tussen het ontwikkelingsbeleid en migratie enerzijds en het huidige beleid inzake sociale bescherming en werkgelegenheid in de verschillende lidstaten anderzijds; onderstreept daarom dat het noodzakelijk is dat het ontwikkelingsperspectief stelselmatiger wordt opgenomen in het migratiebeleid; herinnert eraan dat sommige EU-beleidsmaatregelen en de beperkte pogingen om illegale geldstromen uit de ontwikkelingslanden te bestrijden onrechtstreeks bijdragen aan instabiliteit en migratiestromen; verzoekt de Commissie om die reden een actieplan inzake beleidscoherentie voor te stellen; benadrukt hoe belangrijk het is beleidssamenhang en coördinatie te waarborgen tussen het externe optreden van de EU, het beleid inzake veiligheid, defensie, handel, humanitaire hulp, migratie en ontwikkelingssamenwerking; is van mening dat Europa zijn verantwoordelijkheden in de conflicten ten volle moet opnemen in de vorm van een grotere inzet voor vredeshandhaving en duurzame oplossingen voor vluchtelingen (hervestiging, plaatselijke integratie, mobiliteit en terugkeer indien mogelijk); roept de Commissie en de lidstaten ertoe op meer inspanningen te leveren om interne en externe beleidsmaatregelen met betrekking tot migratie aan te grijpen voor het faciliteren van de mobiliteit van mensen in een poging hun welzijn en dat van hun gezinnen te verbeteren;

17.  drukt zijn bezorgdheid uit over het groeiende aantal klimaatvluchtelingen, die op de vlucht slaan voor droogte, hongersnood en een dalende gezondheids- en levensstandaard; meent dat de bevolking van de minst ontwikkelde landen kwetsbaarder is voor de gevolgen van de klimaatverandering, wat van invloed kan zijn op groeiende ongelijkheid en maatschappelijke instabiliteit;

18.  verzoekt de Commissie om haar ontwikkelingsbeleid af te stemmen op haar economisch beleid om een einde te maken aan de exploitatie van menselijke en natuurlijke hulpbronnen in derde landen, aangezien die de zin van elke vorm van ontwikkelingshulp ondergraaft; verzoekt de EU en haar lidstaten om de activiteiten van transnationale bedrijven van Europese oorsprong die actief zijn in derde landen streng te reguleren;

19.  is een groot voorstander van de daadwerkelijke en alomvattende verspreiding en tenuitvoerlegging van de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en mensenrechten in en buiten de EU en benadrukt dat alle nodige beleids- en wetgevingsmaatregelen moeten worden genomen om lacunes in de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de VN-richtsnoeren aan te pakken, inclusief voor wat betreft de toegang tot de rechter; herinnert eraan dat de VN-richtsnoeren niet tot doel hebben nieuwe internationale juridische verplichtingen te scheppen, maar tot een gemeenschappelijke wereldwijde norm te komen om de nadelige gevolgen van bedrijfsactiviteiten voor de mensenrechten te voorkomen en aan te pakken;

20.  wijst uitdrukkelijk op de noodzaak om beleidsmaatregelen inzake de toegang tot essentiële geneesmiddelen te integreren in beleidscoherentie voor ontwikkeling; meent dat de regulering van handel en intellectuele eigendom bijzondere aandacht moet krijgen, gezien het belang van deze kwestie voor een doeltreffende geneesmiddelenvoorziening in de ontwikkelingslanden;

21.  is verbijsterd dat 61 % van de officiële ontwikkelingshulp terugvloeit naar de donorlanden, onder meer als gevolg van schuldaflossing en de toekenning van overheidsopdrachten; dringt daarom aan op een verhoging van reële steun die een positief effect heeft op de behoeften van de mensen;

22.  verzoekt de Commissie om een herziening van de evaluatie- en resultaatgerichte toezichtsystemen van Europe Aid, die essentieel zijn voor het plannen, ontwerpen en uitvoeren van het beleid en de interventies van de EU, en voor het vergroten van de transparantie en de democratische aansprakelijkheid; herinnert eraan dat empowerment en de ontwikkeling van duurzame structurele verandering centraal moeten staan in ons beleid;

23.  betreurt het dat in sommige lidstaten, bijvoorbeeld Italië, een reeks ernstige fraudegevallen en administratieve onregelmatigheden heeft plaatsgehad bij het beheer van een aantal opvangcentra voor asielzoekers, vaak gepleegd met deelname van de georganiseerde misdaad, hetgeen zowel een misbruik van Europese middelen als een verdere verslechtering van de levensomstandigheden en de bescherming van de mensenrechten van migranten tot gevolg heeft.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

10.11.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

1

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Beatriz Becerra Basterrechea, Ignazio Corrao, Doru-Claudian Frunzulică, Nathan Gill, Charles Goerens, Enrique Guerrero Salom, Heidi Hautala, Maria Heubuch, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Linda McAvan, Norbert Neuser, Cristian Dan Preda, Lola Sánchez Caldentey, Elly Schlein, Pedro Silva Pereira, Davor Ivo Stier, Paavo Väyrynen, Bogdan Brunon Wenta, Rainer Wieland, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Marina Albiol Guzmán, Louis-Joseph Manscour, Joachim Zeller

4.9.2015

ADVIES van de Begrotingscommissie

aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

De situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie

(2015/2095(INI))

Rapporteur voor advies: Gérard Deprez

SUGGESTIES

De Begrotingscommissie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is ermee ingenomen dat de Commissie een ambitieuze Europese agenda op het gebied van migratie heeft vastgesteld; betreurt het dat de Europese Raad weliswaar mooie beweringen doet, maar niet hetzelfde ambitieniveau heeft, en betreurt het dat hij niet in staat is de Commissie te ondersteunen;

2.  verwelkomt het voorstel van de Commissie tot instelling van een mechanisme voor herplaatsing van 40 000 personen gedurende de periode 2016-2017 ten belope van in totaal 240 000 000 EUR; ondersteunt de inspanningen die enkele lidstaten hebben geleverd nadat zij zich akkoord hebben verklaard met het door de Commissie voorgestelde aantal en in sommige gevallen zelfs meer, maar betreurt het dat vanwege het gebrek aan bereidheid van bepaalde lidstaten het aantal van 40 000 personen nog steeds niet is bereikt;

3.  is eveneens te spreken over de aanbeveling van de Commissie tot ontwikkeling van een hervestigingsprogramma en is ingenomen met de aanvullende 50 000 000 EUR die daarvoor is voorzien in de periode 2015-2016; benadrukt dat het gereserveerde bedrag overeen moet komen met de reële behoeften, al naar gelang de toekomstige migratiestromen, en daarom dienovereenkomstig moet worden aangepast;

4.  staat positief tegenover verhoging van de toewijzingen aan het fonds Asiel, migratie en integratie (AMIF) met een bedrag van 57 000 000 EUR in het vijfde ontwerp van gewijzigde begroting voor 2015, alsook met een bedrag van 169 000 000 EUR (171 900 000 EUR in de herprogrammering) in de ontwerpbegroting van 2016; betreurt het evenwel te moeten constateren dat er bijna 5 000 000 EUR (+ 9 985 847 EUR in de herprogrammering) minder beschikbaar is voor ondersteuning van legale migratie, integratie en de verbetering van strategieën voor rechtvaardige en effectieve terugkeer wanneer de bedragen die binnen het fonds beschikbaar zijn voor de versterking en ontwikkeling van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel worden verhoogd met meer dan 174 000 000 EUR (161 694 285 EUR in de herprogrammering);

5.  verzoekt de Commissie een zo gedetailleerd mogelijke beoordeling op te stellen van de benodigde middelen voor het AMIF tot het jaar 2020, en op basis daarvan een voorstel voor te leggen tot verhoging van de kredieten van rubriek 3; verzoekt de Commissie tevens om, indien van toepassing, een voorstel te doen tot aangepaste verdeling van de kredieten tussen de verschillende tenuitvoerleggingsprogramma's van het fonds in het kader van de herziening van de financiële vooruitzichten, die eind 2016 afgerond zal zijn; onderstreept bovendien het feit dat deze middelen een reële Europese meerwaarde moeten bieden en niet louter mogen dienen ter ondersteuning van de nationale programma's die reeds bestaan;

6.  spreekt zijn voornemen uit om de begrotingsnomenclatuur van het asiel-, migratie- en integratiefonds te wijzigen omwille van de transparantie en een beter toezicht op de toewijzing van de jaarlijkse kredieten aan de programma's en op de tenuitvoerleggingsmethoden van het fonds; wenst dat dit fonds in de toekomst flexibeler kan functioneren;

7.  is ermee ingenomen dat de middelen voor het agentschap Frontex in de ontwerpbegroting 2016 met 41 245 000 EUR zijn verhoogd; verlangt dat betrouwbare gegevens worden verstrekt over de kosten van Triton en Poseidon; betreurt het dat Frontex elf jaar na vestiging in Warschau nog steeds geen overeenkomst inzake de zetel met de Poolse regering heeft getekend, waardoor de medewerkers van het agentschap niet onder optimale omstandigheden kunnen werken; verzoekt de Commissie meer informatie te verstrekken over het voorstel tot wijziging van het mandaat van Frontex inzake de organisatie van terugkeer;

8.  onderkent dat de Raad de belangrijkste onderdelen van AMIF en het Fonds voor interne veiligheid (ISF) voor rubriek 3 niet heeft verlaagd, ervan uitgaande dat een verhoging noodzakelijk zou zijn; uit evenwel kritiek op de verlaging van het onderdeel asiel en migratie in het kader van het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (- 200 000 EUR in vastleggingskredieten en -5 miljoen EUR in betalingskredieten), van de onderdelen armoedebestrijding in zowel mediterrane landen (- 50 miljoen in betalingskredieten EUR) als in het kader van het oostelijk partnerschap (-12 miljoen EUR in betalingskredieten), en, meer in het algemeen, van het IPA; is van mening dat de voorgestelde verlagingen contraproductief zijn voor de algehele beheerstrategie voor de toekomstige migratiestromen;

9.  onderstreept dat het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) voortaan een grotere rol moet vervullen bij het beheer van asiel; wijst erop dat het toevoegen van slechts 4 personen aan het personeelsbestand van EASO duidelijk onvoldoende is; wijst er tevens op dat dat de hoeveelheid middelen (met uitzondering van bestemmingsontvangsten) die in de ontwerpbegroting 2016 aan EASO is toegewezen verlaagd is, hetgeen in tegenspraak is met de reële behoeften van dit moment, die juist een verhoging van de hoeveelheid middelen noodzakelijk maken;

10.  onderkent dat Europol een grote rol speelt bij de bestrijding van mensensmokkel en belangrijke activiteiten verricht ter bestrijding van criminele netwerken, waarvoor in ten minste drie onlangs opgezette hotspots extra personeel nodig is; wijst erop dat het toevoegen van slechts drie personen aan de personeelsformatie onvoldoende is om zich van deze extreem veeleisende taken te kwijten, en dat de middelen die Europol zijn toegewezen in de ontwerpbegroting 2016 niet toereikend zijn om deze taken adequaat te kunnen uitvoeren;

11.  benadrukt dat de JBZ-agentschappen niet met personeelsverminderingen of -verschuivingen geconfronteerd mogen worden; verlangt dat voor deze agentschappen een echte strategie voor de middellange en lange termijn wordt ontwikkeld;

12.  is ermee ingenomen dat de ontwerpbegroting 2016 voorziet in meer middelen voor asiel en immigratie; benadrukt dat niet-besteed geld kan worden overgeheveld naar andere begrotingsonderdelen met het oog op het aanpakken van onvoorziene uitdagingen en ontwikkelingen, zoals uiteengezet is in de Europese agenda voor migratie;

13.  acht het onontbeerlijk dat de bestemming van alle middelen in verband met immigratie strikt wordt gecontroleerd, met bijzondere aandacht voor de procedures voor aanbestedingen en onderaanbestedingen, gezien de diverse gevallen van fraude en wanbeheer die in de lidstaten zijn vastgesteld.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

3.9.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

4

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nedzhmi Ali, Jonathan Arnott, Lefteris Christoforou, Jean-Paul Denanot, Gérard Deprez, José Manuel Fernandes, Eider Gardiazabal Rubial, Carlos Iturgaiz, Bernd Kölmel, Zbigniew Kuźmiuk, Vladimír Maňka, Ernest Maragall, Clare Moody, Siegfried Mureşan, Victor Negrescu, Liadh Ní Riada, Patricija Šulin, Eleftherios Synadinos, Paul Tang, Indrek Tarand, Isabelle Thomas, Inese Vaidere, Daniele Viotti, Marco Zanni

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Anneli Jäätteenmäki, Andrey Novakov, Nils Torvalds, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Anthea McIntyre, Tatjana Ždanoka

18.2.2016

ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

inzake de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie

(2015/2095(INI))

Rapporteur voor advies: Elisabeth Morin-Chartier

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  neemt nota van de inspanningen die de Commissie levert om een ambitieuze migratieagenda vast te stellen, en vraagt de Europese Raad veel ambitie en oog voor detail aan de dag te leggen en eensgezind op te treden om tijdig een krachtig antwoord op de migratiecrisis te bieden; vraagt de Raad de werkzaamheden van de Commissie proactief te steunen door concrete daden te stellen, snel op te treden en praktische maatregelen te nemen om gemeenschappelijke doelstellingen te verwezenlijken op basis van de beginselen van solidariteit en een billijke verdeling van verantwoordelijkheden over alle lidstaten; betreurt het dat een aantal lidstaten de goedkeuring blokkeert van een effectieve en duurzame politieke oplossing die strookt met de fundamentele waarden die aan de Europese Unie ten grondslag liggen, zoals de eerbiediging van de rechtsstaat, de mensenrechten en de beginselen van non-discriminatie, solidariteit en gedeelde verantwoordelijkheid;

2.  stelt vast dat de huidige vluchtelingenstroom een Europese uitdaging in een mondiale context vormt en als zodanig ook in de Europese Raad moet worden behandeld;

3.  beklemtoont dat met name het sociale aspect van de vluchtelingenstroom een gemeenschappelijk Europees asielbeleid, een debat over Europese quota-afspraken en registratie ter plaatse van bijzonder kwetsbare groepen vluchtelingen in overbelaste buurlanden van de crisisgebieden in kwestie noodzakelijk maakt;

4.  benadrukt dat de enige haalbare oplossing om de instroom van onderdanen van derde landen en staatlozen te beheersen, erin bestaat zo spoedig mogelijk een permanent herplaatsingsmechanisme voor alle lidstaten in te stellen; wijst erop dat de huidige vluchtelingencrisis wat de middellange termijn betreft, de vraag doet rijzen of Europa vluchtelingen in zijn samenleving wil integreren, aangezien zij niet op permanent verblijf uit zijn; onderstreept dat onderwijs en werkgelegenheid onontbeerlijk zijn voor een geslaagde integratie van vluchtelingen en migranten; vraagt de Commissie daarom in zeer nauwe samenwerking met de lidstaten onmiddellijk maatregelen te nemen en te opteren voor een plan dat erop gericht is vluchtelingen te helpen integreren in de samenleving en op de EU-arbeidsmarkt, die nog steeds onder de gevolgen van de economische crisis te lijden heeft, rekening houdend met de verschillen tussen economische migranten en vluchtelingen;

5.  benadrukt dat echte integratie van twee kanten moet komen en wederzijdse inzet van zowel de vluchtelingen als Europa en zijn burgers vereist; benadrukt dat het essentieel is te zorgen voor een effectief en soepel systeem voor de erkenning van de vluchtelingenstatus en de toewijzing van vluchtelingen aan de landen van bestemming, zodat het proces van integratie in de samenleving en op de arbeidsmarkt zo snel mogelijk kan beginnen; vraagt de Commissie om in alle lidstaten opwaartse convergentie van de sociale bescherming te bevorderen en een norm voor de snelle aflevering van werkvergunningen aan erkende vluchtelingen tot stand te helpen brengen;

6.  vraagt de lidstaten om good practices inzake de integratie van vluchtelingen in de Europese samenleving en op de arbeidsmarkt uit te wisselen; vraagt de Commissie lering te trekken uit de ervaringen van de lidstaten en een reeks aanbevelingen voor de effectieve voltooiing van dit proces te doen;

7.  herinnert aan de gemeenschappelijke basisbeginselen voor het beleid inzake de integratie van immigranten(17), die aan de integratie-aanpak ten grondslag liggen;

8.  verzoekt de Commissie bijzondere aandacht te besteden aan de behoeften van personen die recht hebben op internationale bescherming en van kwetsbare groepen, zoals niet-begeleide minderjarigen, vrouwen, jongeren, kinderen en ouderen, en zo mogelijk in derde landen de nodige maatregelen tijdens de fase vóór het vertrek te bevorderen; vraagt hierbij speciale aandacht voor de vaak kwetsbare positie van vrouwen in het proces van integratie in de samenleving en op de arbeidsmarkt; is bezorgd over de recente bevindingen over een groot aantal niet-begeleide vluchtelingenkinderen die vermist zijn, en vraagt de autoriteiten te onderzoeken waar zij zich bevinden;

9.  moedigt de Commissie aan om meer met bedrijven en werknemers te overleggen over migratie en vaardigheden om na te gaan of er in bepaalde bedrijfssectoren, waaronder ondernemerschap, tekorten op de arbeidsmarkt zijn en om goed beheerde legale migratiekanalen en arbeidsmogelijkheden open te stellen voor vluchtelingen; is van mening dat dit overleg moet worden gebaseerd op een evenwichtige belangenvertegenwoordiging, zodat de integratie van migranten en vluchtelingen op de arbeidsmarkt op basis van rechten verloopt;

10.  is van mening dat bij de ontwikkeling van integratiebeleid in de EU en in het permanente herplaatsingsmechanisme voor vluchtelingen rekening moet worden gehouden met arbeidsmarktgegevens, met name betreffende werkloosheid en arbeidsmogelijkheden, en gegevens over de sociale situatie, om te voorkomen dat dit proces leidt tot een verslechtering van de sociale en economische situatie in de gastregio's, met name de regio's die het zwaarst onder de economische crisis te lijden hebben en in de lidstaten met de grootste schuldenlast die nog steeds aan begrotingsconsolidatie werken, en om vluchtelingen beter te integreren in de samenleving en op de arbeidsmarkt, aangezien de sociale en economische kwetsbaarheid van deze gebieden en hun bevolking een factor is die losstaat van de huidige vluchtelingencrisis, gezien de huidige arbeidsmogelijkheden in de regio's in kwestie;

11.  suggereert dat een systeem waarbij asielzoekers, voor zover dat in de praktijk mogelijk is, asiel kunnen aanvragen in een lidstaat waar zij reeds familie- of gemeenschapsbanden of betere arbeidsperspectieven hebben, hun integratievooruitzichten aanzienlijk zou verbeteren;

12.  benadrukt dat er een alomvattende migratieaanpak moet worden ontwikkeld waarin ook wordt gekeken naar de grote demografische uitdaging waar Europa en zijn economie momenteel mee worden geconfronteerd; wijst er tegelijk op dat de integratie van vluchtelingen en migranten op middellange en lange termijn ook een kans kan vormen voor de demografische ontwikkeling en de versterking van het vaardighedenbestand in Europa; vraagt de lidstaten de arbeidsprofielen van de vluchtelingen digitaal te inventariseren zodat de herplaatsing kan worden afgestemd op de nationale en regionale arbeidsmarktsituatie;

13.  wijst erop dat de Commissie heeft aangegeven dat Europese fondsen, waaronder het Europees Sociaal Fonds, kunnen worden gebruikt om vluchtelingen te helpen integreren; vraagt de beheersautoriteiten van deze fondsen om ze zo doeltreffend mogelijk te gebruiken om vluchtelingen te helpen integreren, zonder dat dit andere doelstellingen en begunstigden, met name de meest kwetsbare groepen, benadeelt, en ervoor te zorgen dat dit alle begunstigden ten goede komt; neemt er nota van dat de Commissie zich ook bereid heeft verklaard de beheersautoriteiten te helpen om hun operationele ESF-programma's aan te passen teneinde migranten en vluchtelingen effectief te integreren, zonder afbreuk te doen aan de werkgelegenheidsdoelstellingen van het ESF; vestigt ook de aandacht op de fondsen die beschikbaar zijn voor scholing in diversiteits- en gelijkheidsmanagement op het werk en voor ondersteuning van lokale en regionale overheden bij integratiemaatregelen;

14.  vraagt de Commissie om er bij de voor 2016 geplande tussentijdse evaluatie van het meerjarig financieel kader voor te zorgen dat in de EU-begroting, en met name in het Europees Sociaal Fonds, meer aandacht wordt besteed aan de integratie van legale vluchtelingen in de samenleving en op de arbeidsmarkt; verzoekt de Commissie te onderzoeken hoe het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) kan worden gebruikt voor maatregelen om onderdanen van derde landen te integreren in de samenleving en op de arbeidsmarkt; verzoekt de lidstaten het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) in combinatie met andere EU-fondsen ten volle te benutten om te zorgen voor de nodige investeringen om de binnenkomende vluchtelingen op de middellange termijn te integreren; vraagt de Commissie om bij de herziening van het meerjarig financieel kader meer geld voor sociaal beleid uit te trekken, zodat het cohesiebeleid beter berekend is op de integratie van vluchtelingen in de samenleving en op de arbeidsmarkt;

15.  vraagt de lidstaten hun openbare diensten voor arbeidsvoorziening voldoende middelen ter beschikking te stellen om vluchtelingen die in aanmerking komen om te werken, volledig te integreren op de arbeidsmarkt; benadrukt dat het Europees Netwerk van openbare diensten voor arbeidsvoorziening een belangrijke rol kan spelen bij de integratie van migranten op de Europese arbeidsmarkt;

16.  herinnert er ook aan hoe belangrijk het is om kmo's zo nodig te helpen om arbeidsmigranten in dienst te nemen;

17.  benadrukt dat toegang tot de arbeidsmarkt essentieel is voor de integratie en de waardigheid van vluchtelingen; is ingenomen met de inspanningen van bepaalde lidstaten om in het kader van de omzetting van Richtlijn 2013/33/EU(18) de termijnen voor toegang tot de arbeidsmarkt te verkorten;

18.  verzoekt de lidstaten om hun onderwijsstelsels zorgvuldig tegen het licht te houden om na te gaan hoe vluchtelingenkinderen zo snel mogelijk in het onderwijsproces kunnen worden geïntegreerd;

19.  vraagt de Commissie nogmaals om in samenwerking met de lidstaten een uniform systeem – in overeenstemming met de bestaande Europese systemen – op te zetten om de officiële gelijkstelling van diploma's en de formele en informele erkenning van vaardigheden mogelijk te maken en te bespoedigen, in combinatie met de standaardisering van erkenningen en gelijkstellingen tussen de lidstaten op Europees niveau, zodat vluchtelingen en migranten volledig in de samenleving kunnen worden geïntegreerd en op het niveau van hun vaardigheden kunnen werken in plaats van onder hun niveau, zoals vaak het geval is;

20.  meent dat scholing beschikbaar en makkelijk toegankelijk moet zijn voor vluchtelingen en migranten, en dat vluchtelingen en migranten zo vlug mogelijk taalcursussen en integratiecursussen moeten krijgen, die een integraal onderdeel van het herplaatsingsprogramma vormen en die, naast medische en psychologische begeleiding, moeten worden aangeboden zodra ontheemden in het land van herplaatsing aankomen;

21.  herinnert eraan hoe belangrijk het is dat vaardigheden die op het werk in de EU zijn verworven, worden gevalideerd, zodat zij de betrokkene meerwaarde bieden indien hij de EU verlaat om in een ander land te gaan werken;

22.  merkt op dat een vlotte integratie van vluchtelingen en migranten in de gemeenschappen van ontvangst een op rechten gebaseerde aanpak vergt, alsook de inzet van alle instellingen en het hele maatschappelijke middelveld, aangezien de sociale partners ertoe kunnen bijdragen de vruchten te plukken van een snellere integratie van migranten en vluchtelingen op de lokale arbeidsmarkt; verzoekt de lidstaten daarom om bij de opstelling van integratiestrategieën rekening te houden met alle belanghebbenden;

23.  vraagt de lidstaten om lokale gemeenschappen met goed geplande voorlichtingscampagnes voor te bereiden op de ontvangst van vluchtelingen en hun gezinnen;

24.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan om initiatieven van het georganiseerde maatschappelijk middenveld te bevorderen en te ondersteunen die gericht zijn op hulpverlening aan migranten en vluchtelingen, bijvoorbeeld via het Europese netwerk van contactpunten voor migranten en UnionMigrantNet, om maar een paar voorbeelden te noemen van grensoverschrijdende samenwerking tussen contactpunten die migranten voorlichten over en helpen met integratie;

25.  wijst de Commissie erop dat zwartwerk door migranten een gevaar voor hun gezondheid en veiligheid vormt en hen van hun arbeids- en socialezekerheidsrechten berooft; dringt er bij de Commissie op aan ernstige arbeidsuitbuiting te voorkomen; herinnert eraan dat er in de richtlijn inzake sancties tegen werkgevers(19) en de richtlijn inzake seizoenarbeiders(20) wordt voorzien in sancties tegen werkgevers die arbeidsmigranten uitbuiten; vraagt de Commissie evenwel werk te maken van een meer op integratie gericht systeem dat alle aspecten van deze problemen omvat, onder meer om vluchtelingen adequate bescherming te bieden en een einde te maken aan misbruik van arbeidsmigranten;

26.  herinnert eraan dat het om een tweedeling op de werkvloer te voorkomen, belangrijk is dat arbeidsmigranten volledige toegang hebben tot hun arbeidsrechten, waaronder het recht op vakbondslidmaatschap;

27.  wijst erop dat de ondertekening van een arbeidsovereenkomst door een asielzoeker risico's voor zowel de werknemer als de werkgever inhoudt omdat de asielaanvraag kan worden afgewezen; meent dat dit ook de doelstellingen van het beleid van de Commissie inzake terugkeer naar het land van oorsprong zou kunnen doorkruisen;

28.  wijst erop dat de meeste asielzoekers wier aanvraag in een EU-lidstaat is afgewezen, zonder wettelijke status in de EU blijven, wat betekent dat er een toenemend aantal illegale migranten is zonder recht op werk en zonder toegang tot onderwijs voor hun kinderen; benadrukt derhalve dat illegale migranten moeten worden gecontroleerd en gemonitord omdat zij risico lopen op sociale uitsluiting en armoede, waardoor zij vatbaar zijn voor allerlei vormen van invloed van buitenaf, waaronder radicalisme;

29.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om in de landen van herkomst van migranten een informatiecampagne te houden om hen goed en adequaat voor te lichten over de wettelijke procedures om de EU binnen te komen en over hun rechten en plichten in de lidstaten, om ervoor te zorgen dat wie afreist, een geldige wettelijke aanspraak heeft;

30.  benadrukt dat de EU mensen die naar Europa willen komen, legale mogelijkheden moet bieden om de EU binnen te komen en er te verblijven, alsook manieren om hun migratiestatus te wijzigen terwijl zij in de EU zijn, en dat zij een echt beleid voor circulaire migratie moet ontwikkelen; vraagt dat er voor kandidaat-EU-lidstaten een corridor voor arbeidsmigratie wordt ingesteld, zodat burgers van die landen gemakkelijker toegang krijgen tot de Europese arbeidsmarkt;

31.  vraagt de Commissie om bij de herziening van de blauwekaartrichtlijn(21) ambitieus te zijn en meer belang toe te kennen aan de Europese blauwe kaart, die voor hooggekwalificeerde werknemers uit derde landen bestemd is en de demografische uitdagingen in de EU helpt aanpakken door tekorten op de EU-arbeidsmarkten aan te vullen; benadrukt dat hooggekwalificeerde migranten een waardevolle rol kunnen spelen bij de integratie en assimilatie van andere onderdanen van derde landen in de Europese samenlevingen, en benadrukt dat migratie op alomvattende wijze moet worden geëvalueerd, waarbij onder meer een evaluatie moet worden gemaakt van de maatregelen om de bestaande tekorten op de Europese arbeidsmarkten aan te vullen teneinde een win-winsituatie te creëren;

32.  beveelt aan om de steun aan de landen in het zuiden die een groot aantal vluchtelingen en migranten hebben opgevangen, massaal te verhogen en ter plaatse nauw samen te werken met het Hoog Commissariaat voor de vluchtelingen van de Verenigde Naties en met ngo's.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

17.2.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

42

9

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laura Agea, Guillaume Balas, Brando Benifei, Mara Bizzotto, Vilija Blinkevičiūtė, Enrique Calvet Chambon, David Casa, Ole Christensen, Jane Collins, Martina Dlabajová, Lampros Fountoulis, Elena Gentile, Arne Gericke, Marian Harkin, Czesław Hoc, Danuta Jazłowiecka, Agnes Jongerius, Jan Keller, Ádám Kósa, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Kostadinka Kuneva, Jean Lambert, Jérôme Lavrilleux, Patrick Le Hyaric, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Javi López, Thomas Mann, Dominique Martin, Joëlle Mélin, Elisabeth Morin-Chartier, Emilian Pavel, João Pimenta Lopes, Marek Plura, Terry Reintke, Sofia Ribeiro, Maria João Rodrigues, Claude Rolin, Anne Sander, Sven Schulze, Siôn Simon, Jutta Steinruck, Romana Tomc, Ulrike Trebesius, Marita Ulvskog, Renate Weber, Jana Žitňanská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Amjad Bashir, Tania González Peñas, Miapetra Kumpula-Natri, António Marinho e Pinto, Tamás Meszerics, Neoklis Sylikiotis, Ivo Vajgl

19.10.2015

ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme

aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

inzake de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie

(2015/2095(INI))

Rapporteur voor advies: Merja Kyllönen

SUGGESTIES

De Commissie vervoer en toerisme verzoekt de ten principale bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat de zeegrenzen van de Unie in het Middellandse Zeegebied buitengrenzen van de Europese Unie vormen en anders dan landgrenzen niet kunnen worden gesloten, en overwegende dat het probleem van de toestroom van vluchtelingen dringend moet worden aangepakt om te voorkomen dat vluchtelingen het slachtoffer worden van mensenhandelaars en maffiabendes;

1.  spreekt er zijn bezorgdheid over uit dat het aantal mensen dat zijn leven waagt door de EU te proberen bereiken via de gevaarlijke overtocht van de Middellandse Zee dramatisch blijft stijgen; benadrukt dat de Middellandse Zee de grootste maritieme migratieroute ter wereld is, met een dicht netwerk van handelsverkeer; onderstreept dat de commerciële maritieme sector zware druk ondervindt van de huidige migratiecrisis en dat de last is toegenomen, vooral wat de veiligheid van de bemanningen en de algemene naleving van veiligheidsvoorschriften betreft; is van mening dat hiermee in de uitgebreide maatregelen waarmee de EU de multidimensionale problemen van deze crisis wil aanpakken rekening gehouden moet worden, en dat de negatieve gevolgen voor de vervoersector hierdoor zouden moeten afnemen;

2.  herinnert eraan dat elk land dat partij is bij het VN-Vluchtelingenverdrag(22), het Unclos-Verdrag(23), het SOLAS-Verdrag(24) en het SAR-Verdrag(25) uit hoofde van deze verdragen verlangt van de kapiteins die onder zijn vlag varen dat zij, voor zover zij zulks kunnen doen zonder ernstig gevaar voor het schip, de bemanning of de passagiers, bijstand bieden aan personen die op zee verloren dreigen te gaan, ongeacht de nationaliteit of status van dergelijke personen of de omstandigheden waarin die personen zijn aangetroffen, hen de eerste medische zorgen toedienen of in andere behoeften voorzien, hen overbrengen naar een veilige plaats en actief deelnemen aan opsporings- en reddingsoperaties op zee; benadrukt dat het redden van een persoon die op zee in gevaar verkeert niet alleen een internationale verplichting maar ook een ethische plicht is;

  doet een oproep aan alle haven- en maritieme autoriteiten van de lidstaten en aan het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA), en in het bijzonder aan de kapiteins van schepen op de Middellandse Zee, om uiterst waakzaam te zijn met betrekking tot vaartuigen met migranten en vluchtelingen aan boord die mogelijk in gevaar zijn; raadt in dit verband aan om de richtsnoeren van de Internationale Maritieme Organisatie en het VN-vluchtelingenbureau (UNHCR) over de behandeling van op zee geredde personen(26) strikt toe te passen;

  wijst erop dat van de 47 265 migranten die in de periode van 1 januari tot 31 mei 2015 zijn gered op de Middellandse Zee er 13 475 gered zijn door koopvaardijschepen(27)6; merkt op dat tijdens deze vijf maanden aan 302 koopvaardijschepen is gevraagd van koers te veranderen om te helpen bij reddingsoperaties, waarbij uiteindelijk aan 104 schepen is gevraagd migranten te redden en aan land te brengen wegens het urgente karakter van de situatie;

5.  betreurt dat alleen al in 2015 meer dan 3 000 mensen tot nu toe het leven hebben gelaten tijdens fatale overtochten, zoals gemeld door UNHCR(28)7;

6.  verzoekt de Raad om het door de Commissie op 9 september 2015 gepresenteerde en door de plenaire vergadering van het Parlement op 17 september aangenomen voorstel voor de herplaatsing van 120 000 personen die internationale bescherming nodig hebben met spoed goed te keuren en mogelijke bijkomende behoeften met betrekking tot de bescherming van vluchtelingen continu te evalueren;

7.  benadrukt dat koopvaardijschepen de voorhoede vormen bij reddingsoperaties, zowel qua volume als qua activiteit, hoewel de hoofdverantwoordelijkheid bij de lidstaten ligt; wijst erop dat koopvaardijschepen niet uitgerust zijn en dat hun personeel niet opgeleid is om voldoende voorbereid te zijn op stelselmatige deelname aan dergelijke grootschalige reddingsoperaties;

8.  herinnert eraan dat de hulp die handelsschepen en hun bemanning bieden bij reddingsoperaties niet in de plaats mag komen van de bijstand aan migranten op zee die de bevoegde autoriteiten van de EU en de lidstaten moeten blijven verlenen, met toewijzing van de nodige personele en financiële middelen; erkent en toont grote waardering voor de aanzienlijke en gulle bijdragen van humanitaire organisaties met betrekking tot de redding van vaartuigen en de inzet van schepen in mediterrane wateren, met name de bijdragen van Artsen zonder Grenzen en Migrant Offshore Aid Station (MOAS);

9.  merkt op dat de mogelijke economische en gerechtelijke consequenties voor de reddingsschepen en hun eigenaren sommige schepen ervan weerhouden om hulp te verlenen; verzoekt de lidstaten geen straffen op te leggen aan wie vrijwillig op humanitaire gronden hulp biedt aan migranten, onder wie vervoerders en scheepseigenaren; verzoekt de Commissie een herziening van Richtlijn 2001/51/EG van de Raad voor te stellen;

10.  is bezorgd dat de toestand in het Middellandse Zeegebied – waar zich nu al een menselijke tragedie afspeelt – zowel voor migranten als voor bemanningen tot ongevallen en het verlies van mensenlevens kan leiden en ook risico's voor de maritieme veiligheid en het milieu met zich meebrengt, aangezien schepen en hun bemanning nooit voldoende voorbereid kunnen zijn op dergelijke opsporings- en reddingsoperaties, die niet tot hun normale taken behoren;

11.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie getiteld "Een Europese migratieagenda" (COM(2015)0240 final) en dringt er bij alle lidstaten sterk op aan hun verantwoordelijkheid te aanvaarden, passende en onmiddellijke maatregelen te nemen op zowel nationaal als EU-niveau om verder menselijk leed in het Middellandse Zeegebied te voorkomen en ervoor te zorgen dat internationale en ethische verplichtingen worden nagekomen overeenkomstig de beginselen van solidariteit en gedeelde verantwoordelijkheid; verzoekt de EU en haar lidstaten met klem om een doeltreffende en duurzame oplossing te zoeken voor de huidige tekortkomingen in het EU-migratiesysteem, de werkelijke oorzaken van de huidige immigratiecrisis aan te pakken en te voorkomen dat er nog voor mensenhandel gebruikte schepen vertrekken en nog meer levens verloren gaan in het Middellandse Zeegebied; is van mening dat op EU-niveau uitgebreide maatregelen moeten worden genomen die gericht zijn op een gecontroleerde, beheersbare, veilige en legale migratie;

12.  maakt zich ernstige zorgen over de aanhoudende migratiecrisis in het Middellandse Zeegebied, in het bijzonder over de humanitaire kant, maar ook over de gevolgen voor het maritiem vervoer op de Middellandse Zee met passagiers-, cruise- en containerschepen, over de veiligheid van de schepen en hun bemanning, en over de algemene maritieme veiligheid;

13.  is van mening dat de navigatievrijheid niet mag worden ondermijnd door de strijd tegen de migrantensmokkel;

14.  dringt er in afwachting van de noodzakelijke maatregelen voor de middellange en lange termijn bij de lidstaten, de Raad en de Commissie op aan de financiering voor toereikende reddingsoperaties in het Middellandse Zeegebied te blijven verhogen en het actieterrein van de huidige operaties uit te breiden, zodat de veiligheid en de grondrechten van zowel de migranten en personen die recht hebben op internationale bescherming die Europa willen binnenkomen als van de in mediterrane wateren actieve zeevaartbemanning gewaarborgd worden;

15.  dringt erop aan dat strikte controle wordt verricht op de daadwerkelijke bestemming van de middelen voor reddingsoperaties en opvangvoorzieningen om te garanderen dat deze correct en doelgericht worden gebruikt en te voorkomen dat ze op onrechtmatige wijze worden weggesluisd;

16.  spoort de autoriteiten van de EU en de lidstaten aan de bestaande monitoring- en informatiesystemen voor de zeescheepvaart volledig in te zetten op de Middellandse Zee, bijgewerkte informatie te verzamelen over schepen die langs de kustlijnen van de EU varen, en de samenwerking tussen verschillende maritieme autoriteiten, waaronder de autoriteit voor de veiligheid van het vervoer en de zee- en kustwacht, verder te ontwikkelen, zo nodig door middel van een nauwere samenwerking krachtens artikel 20 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 329, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, om doeltreffende maritieme veiligheidsfuncties aldus beter te coördineren en in werking te stellen, bij te dragen aan de ontmanteling van smokkelnetwerken en de inbeslagneming van schepen van deze netwerken, en om de toestand in real time te kunnen blijven overzien met het oog op de ondersteuning van reddingsoperaties; benadrukt dat het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA) betrokken moet worden, om in zijn volledige capaciteit als verlener van geïntegreerde maritieme diensten de opsporings- en reddingsoperaties in het Middellandse Zeegebied te ondersteunen, en dat deze rol gestimuleerd moet worden;

17.  benadrukt dat de lidstaten en de betrokken autoriteiten er in de aangewezen zeehaven voor moeten zorgen dat geredde vluchtelingen en migranten de schepen die hebben deelgenomen aan een reddingsoperatie vlot kunnen verlaten;

18.  onderstreept dat de bemanning van passagiers-, cruise- en containerschepen die betrokken zijn bij een reddingsactie het werk van de functionarissen die verantwoordelijk zijn voor de doorlichting van de migranten in de lidstaten met buitengrenzen, gecoördineerd door Frontex, onder geen beding mogen bemoeilijken of belemmeren, ongeacht het besluit dat deze functionarissen nemen overeenkomstig het recht van de lidstaat en de EU;

19.  benadrukt dat Frontex snel meer bevoegdheden en competenties moet krijgen;

20.  verzoekt alle partijen die betrokken zijn bij de toestand in het Middellandse Zeegebied oplossingen te zoeken voor de vluchtelingencrisis, onder meer door inspanningen te leveren om de veiligheid en de grondrechten van vluchtelingen in hun thuisland te verbeteren; moedigt de EU en haar lidstaten aan bijstand te verlenen en middelen te verstrekken aan lidstaten in de voorste linie, oplossingen te zoeken voor de onderliggende oorzaken van grootschalige migratie, beter samen te werken met derde landen in het Middellandse Zeegebied als Turkije, Libië, Libanon en Jordanië wat informatie-uitwisseling, de organisatie van gemeenschappelijke opsporings- en reddingsoperaties, grenscontrole, bewaking en de bevordering van overeenkomsten inzake migratiebeheersing betreft, en mensensmokkelaars, bendeleiders en criminele netwerken van smokkelaars aan te pakken met zware strafrechtelijke sancties;

21.  verzoekt de Commissie om samen met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, humanitaire organisaties ter plaatse, en agentschappen van de EU en de Verenigde Naties een werkgroep in te stellen die met spoed vervoersmiddelen voor de vluchtelingen moet organiseren en veilige en wettelijke routes over land en zee tot stand moet brengen om asielzoekers en vluchtelingen in veilige en fatsoenlijke omstandigheden van het conflictgebied naar vluchtelingenkampen en hun landen van bestemming te vervoeren; is van mening dat moet worden voorzien in legale, gereglementeerde immigratiemogelijkheden waarvoor de verantwoordelijkheid gedeeld wordt tussen de 28 lidstaten;

22.  wijst erop dat het normale Schengen-systeem van open interne grenzen in de EU en het vrije verkeer van personen in gevaar is door de tijdelijke herinvoering van grenscontroles door verschillende lidstaten en dat de toestand van vluchtelingen aan de grenzen hierdoor erger wordt en er problemen ontstaan voor het functioneren van het EU-vervoerssysteem, met inbegrip van het personenvervoer; verzoekt de Commissie passende instrumenten voor een snelle reactie en oplossingen te ontwikkelen met het oog op de handhaving van een soepel functionerend vervoerssysteem en van het recht op vrij verkeer van personen, met inbegrip van passagiersrechten;

23.  benadrukt hoe belangrijk het is een infrastructuur en systeem te creëren om erop te anticiperen wat het volgende gebied zal zijn aan de buitengrenzen van de EU dat te maken krijgt met sterk toegenomen migratiestromen, teneinde hierop voorbereid te zijn;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

13.10.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

34

9

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Lucy Anderson, Marie-Christine Arnautu, Inés Ayala Sender, Georges Bach, Izaskun Bilbao Barandica, Deirdre Clune, Michael Cramer, Luis de Grandes Pascual, Andor Deli, Karima Delli, Isabella De Monte, Ismail Ertug, Jacqueline Foster, Tania González Peñas, Dieter-Lebrecht Koch, Merja Kyllönen, Miltiadis Kyrkos, Bogusław Liberadzki, Peter Lundgren, Marian-Jean Marinescu, Georg Mayer, Gesine Meissner, Jens Nilsson, Markus Pieper, Salvatore Domenico Pogliese, Tomasz Piotr Poręba, Gabriele Preuß, Christine Revault D’Allonnes Bonnefoy, Massimiliano Salini, David-Maria Sassoli, Claudia Schmidt, Jill Seymour, Claudia Tapardel, Pavel Telička, István Ujhelyi, Wim van de Camp, Elissavet Vozemberg, Janusz Zemke, Roberts Zīle, Kosma Złotowski, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Evžen Tošenovský

17.2.2016

ADVIES van de Commissie regionale ontwikkeling

aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

inzake de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie

(2015/2095(INI))

Rapporteur voor advies: Andrea Cozzolino

SUGGESTIES

De Commissie regionale ontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is van oordeel dat het antwoord op de huidige migratie-uitdaging ligt in een gemeenschappelijk Europees migratie- en asielbeleid met een holistische en geïntegreerde benadering voor het aanpakken van de voornaamste aspecten van het vraagstuk, zoals de internationale bescherming van vluchtelingen, de strijd tegen de mensenhandelnetwerken en de regulering van de migratie; onderstreept daarnaast dat een systeem voor samenwerking op meerdere niveaus tussen de EU, de lidstaten en de regionale en plaatselijke autoriteiten moet worden opgezet, inclusief coördinatie met en de betrokkenheid van alle betrokken partijen, gericht op een grensoverschrijdende samenwerking tussen de lidstaten en derde landen, met name die waar de migranten vandaan komen en/of doorheen reizen;

2.  is van mening dat in een gemeenschappelijk Europees migratie- en asielbeleid een onderscheid moet worden gemaakt tussen vluchtelingen en economische migranten; wijst op de precaire situatie van migranten in het algemeen en van vluchtelingen die voor oorlog en vervolging op de vlucht zijn in het bijzonder, en is van oordeel dat deze een waardige en humane reactie behoeft die vrij is xenofobe tendensen en, daar waar er sprake van is, van de manipulatie van de migrantencrisis; benadrukt dat artikel 80 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bepaalt dat aan het beleid van de Unie de beginselen van solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de lidstaten, ook op financieel vlak, ten grondslag liggen; benadrukt de noodzaak van een antwoord op Europees niveau en een gezamenlijke inspanning van alle lidstaten; herinnert eraan dat de lidstaten hun deel van de verantwoordelijkheid op zich moeten nemen, zoals bepaald in artikel 80 VWEU;

3.  onderstreept dat migratie een urgent, mondiaal een zeer menselijk verschijnsel is dat ook een kans voor de EU zou kunnen zijn om de sociaal-economische ontwikkeling in het kader van de economische crisis te verbeteren en te werken aan de demografische uitdagingen waar zij mee wordt geconfronteerd; spoort de Commissie en de lidstaten aan het migratiedossier samen met de regionale en plaatselijke autoriteiten administratief doeltreffend te beheren en daarbij alle betrokken partijen, zoals het maatschappelijk middenveld, een rol toe te kennen, en een pakket haalbare, doeltreffende en gerichte maatregelen voor de opvang en integratie van migranten te ontwikkelen en ten uitvoer te leggen, met name op de gebieden onderwijs, opleiding, toegang tot de arbeidsmarkt, sociale diensten en huisvesting;

4.  wijst erop dat migranten ondanks de inspanningen van overheden om tot een gelijke verdeling te komen, vaak naar stedelijke gebieden trekken en zich daar vestigen; onderstreept dat de opvang van migranten niet tot de stedelijke gebieden moet worden beperkt en dringt erop aan migranten billijk binnen en tussen de lidstaten te verdelen; erkent dat steden op de korte, middellange en lange termijn een belangrijke rol toekomt bij de opvang, huisvesting en integratie van migranten, en verzoekt de Commissie en de lidstaten prioriteit toe te kennen aan de bestrijding van armoede in steden;

5.  is verheugd over de conclusies van het Luxemburgse voorzitterschap van de Raad van 27 november 2015 ter gelegenheid van de informele ministersbijeenkomst over territoriale cohesie en stedelijk beleid, en met name over de zinsnede "overweegt steden en gemeenten adequate steun te verlenen om in te spelen op de vluchtelingensituatie, met name in de vorm van het mobiliseren van de Europese Structuur- en Investeringsfondsen (ESI-fondsen) voor duurzame stadsontwikkeling en het integreren van de kwestie migratie en vluchtelingen in de EU-stedelijke agenda";

6.  herinnert eraan dat in de programmeringsperiode 2014-2020 niet alleen het Europees Sociaal Fonds (ESF), maar ook het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) bijdraagt aan de verwezenlijking van de thematische doelstelling van het bevorderen van sociale integratie en het bestrijden van armoede en discriminatie, in het bijzonder door middel van maatregelen voor de integratie van migranten - zoals investeringen in sociale, gezondheids-, onderwijs-, huisvestings- (inclusief water-) en kinderopvanginfrastructuur - en maatregelen voor stedelijke achterstandsgebieden en start-ups - zoals begeleiding, taalonderricht en -opleiding - en anti-discriminatiemaatregelen; dringt aan op een betere coördinatie van het gebruik van de EU-fondsen die toegewezen zijn aan het integratiebeleid;

7.  verzoekt de Commissie en de lidstaten flexibel te zijn bij het inzetten van de bestaande programma's, teneinde de huidige bijkomende uitdagingen voor het cohesiebeleid het hoofd te kunnen bieden; neemt er kennis van dat de Commissie bij het bestuderen van de voorstellen van de lidstaten in het kader van de huidige operationele programma's flexibel is geweest en waardeert het dat zij bereid is om wijzigingen in deze operationele programma's te bekijken en snel goed te keuren, teneinde de lidstaten te helpen zich aan te passen aan de nieuwe omstandigheden door middel van de noodzakelijke investeringen in de desbetreffende lidstaten; spoort de lidstaten op hun beurt aan gebruik te maken van de beschikbare financiële middelen van de ESI-fondsen en in de voorstellen voor de tussentijdse toetsing van het meerjarig financieel kader - die voor eind 2016 gepland staat - ook passende maatregelen in verband met de Europese agenda voor migratie op te nemen, rekening houdend met de cruciale rol van het cohesiebeleid als een investeringsinstrument dat bijdraagt aan groei en banen in heel Europa en aan het verkleinen van de regionale verschillen in ontwikkeling;

8.  beschouwt de ESI-fondsen, in combinatie met het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF), nuttige instrumenten voor het aanpakken van de grote uitdagingen op het gebied van migratie, zoals huisvesting, herhuisvesting, taalverwerving en beroepsvaardighedentraining, het integratietraject en armoedegerelateerde kwesties en sociale uitsluiting; verzoekt de lidstaten dan ook hun inspanningen met betrekking tot de capaciteitsopbouw van hun overheidsdiensten en instellingen te intensiveren; benadrukt dat - binnen het algehele kader van het cohesiebeleid - de precieze toewijzing van de middelen van de ESI-fondsen aan migratiekwesties onder het mandaat van de lidstaten en de regio's moet vallen, waarbij zij rekening houden met hun specifieke behoeften;

9.  verzoekt de Commissie bij migratie voor dezelfde benadering te kiezen als bij de macroregionale strategie; onderstreept dat een dergelijke geïntegreerde en alomvattende benadering op INTERREG moet stoelen en specifieke doelstellingen moet omvatten, en gebruik moet maken van instrumenten als geïntegreerde territoriale investering (ITI) en vanuit de gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkeling (CLLD); herinnert eraan dat de doelstelling van territoriale samenwerking in het kader van het cohesiebeleid de diverse actoren in staat stelt gemeenschappelijke oplossingen te vinden, waaronder met derde landen; herinnert er in dit verband aan dat het belangrijk is de capaciteiten van het maatschappelijk middenveld, waaronder vrijwilligers, alsook de samenwerking tussen het maatschappelijk middenveld en de plaatselijke actoren, te versterken, en ondernemerschap - als bron van groei, sociale integratie en werkgelegenheid - te steunen en te ontwikkelen;

10.  verzoekt de Commissie om, binnen de regels van het huidige pact voor stabiliteit en groei, in het geval van toepassing van artikel 23, lid 11, bij het analyseren van de sociaal-economische omstandigheden van de lidstaten in kwestie op de basis zoals bedoeld in bijlage III bij de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (1303/2013), rekening te houden met de bijkomende buitengewone overheidsuitgaven waar de lidstaten als gevolg van een niet eerder geziene instroom van vluchtelingen mee worden geconfronteerd;

11.  is van mening dat grensoverschrijdende samenwerking cruciaal is voor de aanpak van migratiestromen; herinnert aan de belangrijke bijdrage van de Europese territoriale samenwerkingsprogramma's en de ervaring die tijdens de uitvoering daarvan is opgedaan, hetgeen ook een goede basis biedt voor samenwerking tussen autoriteiten van verschillende lidstaten en derde partijen; benadrukt verder dat de EU en haar lidstaten ook verder moeten gaan dan nood- en crisisoplossingen, en buitenlands en ontwikkelingsbeleid moeten overwegen dat iets doet aan de hardnekkige structurele kwesties die tot massale migratiestromen leiden;

12.  onderstreept dat de criminele netwerken van mensensmokkelaars en -handelaars doeltreffend moeten worden bestreden; is van mening dat moet worden gewerkt aan de ontwikkeling van een doeltreffende EU-grenspolitie en aan veilige en legale manieren voor vluchtelingen om naar Europa te komen waarmee levens kunnen worden gered en de veiligheid kan worden gewaarborgd, waarbij - in de onderkenning dat dit onderdeel van migratiebeleid uitmaakt - tevens beleid en maatregelen voor de terugkeer van irreguliere immigranten worden bevorderd in samenwerking met de landen van oorsprong en doorgang;

13.  benadrukt de belangrijke rol die de ondernemingen van de sociale economie spelen bij het maatschappelijk en economisch integreren en verwelkomen van immigranten; verzoekt de Commissie een platform voor samenwerking en dialoog over migratiekwesties te ontwikkelen, teneinde voorbeelden van goede praktijken van regio's en steden en hun reactie op de huidige migratiecrisis bijeen te brengen en ervoor te zorgen dat deze praktijken worden uitgewisseld.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.2.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

28

7

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pascal Arimont, Franc Bogovič, Victor Boştinaru, Mercedes Bresso, Steeve Briois, Andrea Cozzolino, Rosa D’Amato, Tamás Deutsch, Bill Etheridge, Iratxe García Pérez, Anna Hedh, Krzysztof Hetman, Ivan Jakovčić, Constanze Krehl, Sławomir Kłosowski, Andrew Lewer, Iskra Mihaylova, Andrey Novakov, Younous Omarjee, Konstantinos Papadakis, Mirosław Piotrowski, Stanislav Polčák, Liliana Rodrigues, Fernando Ruas, Monika Smolková, Ruža Tomašić, Ramón Luis Valcárcel Siso, Matthijs van Miltenburg, Lambert van Nistelrooij, Derek Vaughan, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Viorica Dăncilă, Ivana Maletić, Bronis Ropė, Davor Škrlec, Hannu Takkula, Damiano Zoffoli, Marco Zullo

22.10.2015

ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

inzake de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie

(2015/2095(INI))

Rapporteur voor advies: Mary Honeyball

SUGGIESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

–  gezien de conclusies van de Raad van 12 oktober 2015 over migratie, en met name de sterke betrokkenheid bij de mensenrechten van vrouwen en meisjes die daarin tot uiting wordt gebracht,

A.  overwegende dat de huidige crisis in de eerste plaats een humanitaire crisis is en dat de EU-respons gebaseerd moet zijn op solidariteit en een eerlijke verdeling van de verantwoordelijkheid;

B.  overwegende dat een gecoördineerd, EU-breed hervestigingsmechanisme vereist is om vluchtelingen te hervestigen in de lidstaten;

C.  overwegende dat vrouwen en meisjes die asiel zoeken in de lidstaten op een wijze worden bejegend die van een grote mate van genderongelijkheid getuigt; voorts overwegende dat een holistische EU-aanpak van asiel en migratie voor rechtlijnige en genderbewuste procedures, richtsnoeren en ondersteunende diensten tijdens de asielprocedure moet zorgen;

D.  overwegende dat migrantenvrouwen en -meisjes met of zonder papieren en vrouwelijke asielzoekers tijdens alle etappes van hun reis buitengewoon kwetsbaar zijn voor de diverse vormen van geweld, met inbegrip van seksueel geweld;

E.  overwegende dat minderjarige asielzoekers vaker met vrouwen dan met mannen onderweg zijn en tegen specifieke problemen aanlopen, waardoor ze buitengewoon kwetsbaar zijn tijdens conflicten, tijdens hun reis naar Europa en bij de opvang in de lidstaten;

F.  overwegende dat vrouwelijke asielzoekers specifieke beschermingsbehoeften hebben die verschillen van die van mannen, en dat het integreren van een genderperspectief in asielprocedures het mogelijk maakt om rekening te houden met deze verschillen;

G.  overwegende dat vrouwen en LGBTI-personen te maken hebben met specifieke vormen van op gender gebaseerde vervolging, die nog al te vaak niet worden erkend in de asielprocedures;

H.  overwegende dat slachtoffers van fysiek, psychisch en seksueel geweld al kwetsbaar zijn en dat opsluiting hun trauma's alleen maar kan verergeren;

I.  overwegende dat het noodzakelijk is de opvangvoorzieningen uit te breiden met bijzondere diensten die zwangere vrouwen en vrouwen met ernstige gezondheidsproblemen moeten ondersteunen; overwegende dat migrantenvrouwen in sommige landen niet altijd toegang hebben tot prenatale zorg, zelfs wanneer die voorhanden is;

J.  overwegende dat georganiseerde criminele groeperingen misbruik maken van de huidige onevenwichtige situatie in het Middellandse Zeegebied en de MENA-regio en van de kwetsbaarheid van vrouwen en meisjes die zichzelf in veiligheid proberen te brengen, en deze kans aangrijpen om door middel van mensensmokkel, seksueel geweld, mensenhandel met het oog op arbeidsuitbuiting, prostitutie en seksuele uitbuiting van hen te profiteren;

K.  overwegende dat het integratieproces en de rechten van migrantenvrouwen worden ondermijnd wanneer hun rechtspositie afhankelijk is van hun echtgenoot;

1.  is van mening dat de Europese migratie-aanpak radicale langetermijnveranderingen behoeft; is van mening dat elke duurzame langetermijnstrategie betrekking moet hebben op alle aspecten van migratie en asiel, met inbegrip van het diplomatieke en het buitenlands beleid, de mondiale criminele economie, de verstrekking van humanitaire hulp en betere ondersteuning van degenen die zich al in Europa bevinden; is voorts van mening dat de genderdimensie moet worden geïntegreerd in alle beleidsterreinen;

2.  verzoekt de EU meer verantwoordelijkheid te nemen bij het oplossen van de humanitaire noodsituatie die ook zijn weerslag heeft op vrouwen en meisjes, en deze verantwoordelijkheid gestalte te geven in de vorm van een holistische aanpak, met inbegrip van een bindend mechanisme voor de herplaatsing van vluchtelingen binnen de lidstaten en met bijzondere aandacht voor de behoeften van zwangere vrouwen, vrouwen met een beperking, slachtoffers van geweld (waaronder VGV), alleenstaande moeders, oudere vrouwen en meisjes;

3.  roept de lidstaten op om een doeltreffend, gecoördineerd mechanisme voor de opvang, behandeling, herplaatsing en hervestiging van nieuwe binnengekomen vluchtelingen vast te stellen waarin rekening wordt gehouden met genderkwesties; roept de EU-agentschappen en de lidstaten op ervoor te zorgen dat het overheidspersoneel en het personeel van organisaties uit het maatschappelijk middenveld worden opgeleid om een op gender gebaseerde aanpak toe te passen bij het werken met nieuw binnengekomen vluchtelingen;

4.  wijst erop dat een gecoördineerde EU-respons op de vluchtelingencrisis specifieke maatregelen moet omvatten met betrekking tot de kwetsbaarheid en behoeften van kinderen en met name jonge meisjes, met inbegrip van hun recht op onderwijs;

5.  benadrukt en erkent het belang om, ongeacht de rechtspositie, een holistische aanpak van migratie te ontwikkelen vanuit het oogpunt van gendergelijkheid; is van mening dat bij beslissingen om vrouwen al dan niet op te sluiten in aanmerking moet worden genomen of er sprake is van een traumatisch verleden of een verleden dat getekend is gendergerelateerd geweld (zoals VGV), en benadrukt dat door middel van aangepaste voorzieningen, waar de privacy wordt gewaarborgd en gekwalificeerd personeel aanwezig is dat is opgeleid om met dergelijke situaties om te gaan, beter tegemoet moet worden gekomen aan de behoeften van zwangere vrouwen; benadrukt dat kinderen nooit mogen worden opgesloten vanwege hun migrantenstatus;

6.  verzoekt de lidstaten te waarborgen dat de asielprocedures (waaronder de asielprocedures aan de grens) in overeenstemming zijn met de UNHCR-richtsnoeren inzake gendergerelateerde vervolging in het kader van het Vluchtelingenverdrag van 1951, waarin wordt opgeroepen tot een genderbewuste interpretatie van het Verdrag en tot de vaststelling van gronden voor het aanvragen van de vluchtelingen- of asielstatus;

7.  eist dat het personeel van de UNHCR en van de lidstaten dat in humanitaire noodsituaties wordt ingezet, specifiek is opgeleid voor de psychologische ondersteuning van migrantenvrouwen en -meisjes die gedurende hun reis het slachtoffer zijn geworden van geestelijk of lichamelijk geweld;

8.  maakt zich ernstige zorgen over de omvang van de mensensmokkel, die de huidige crisis verergert en kwetsbare mensen, onder wie vrouwen en kinderen, dwingt om onder onmenselijke en levensgevaarlijke omstandigheden te reizen; wijst erop dat het onderscheid tussen mensensmokkel en mensenhandel in de praktijk kan vervagen wanneer mensen het slachtoffer worden van geweld en uitbuiting; roept de lidstaten derhalve op tot nauwere politiële en justitiële samenwerking op het gebied van de strijd tegen criminele netwerken voor mensenhandel en mensensmokkel;

9.  spreekt zich uit tegen de opsluiting van kinderen, zwangere vrouwen en moeders die borstvoeding geven; roept ertoe op een einde te maken aan de opsluiting van kinderen in de EU en te zorgen voor huisvesting op maat waar ouders in afwachting van hun asielbesluit samen met hun kinderen kunnen wonen; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat de mensenrechten niet worden geschonden;

10.  spoort de lidstaten aan slechts incidenteel en niet stelselmatig over te gaan tot opsluiting, strenge toezichtsprocedures toe te passen en ngo's en andere bevoegde instanties toestemming te geven opvangvoorzieningen te bezoeken en te inspecteren, dit met het oog op de naleving van minimumnormen, zoals normen met betrekking tot de rechten van vrouwen in detentiecentra;

11.  beklemtoont dat het noodzakelijk is om centra voor eerste opvang in de lidstaten zo in te richten dat ze gezinsvriendelijk zijn en tegemoetkomen aan de bijzondere behoeften van moeders met kinderen, moeders die borstvoeding geven en zwangere vrouwen;

12.  onderstreept dat er maatregelen moeten worden genomen om de bescherming van vrouwelijke migranten en asielzoekers te bevorderen, onder meer door te zorgen voor gescheiden opvang- en sanitaire voorzieningen voor niet-verwante mannen en vrouwen;

13.  benadrukt dat er genderbewuste procedures, richtsnoeren en ondersteuningsdiensten moeten worden opgenomen in de asiel- en vluchtelingenprocedures, met inbegrip van gescheiden onderhouden voor mannelijke en vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers, de optie om het onderhoud te laten afnemen door iemand van hetzelfde geslacht en doorverwijzing naar hulp bij psychosociale problemen en trauma's;

14.  wijst erop dat vrouwelijke vluchtelingen en migranten te allen tijde toegang moeten hebben tot vrouwelijke advocaten, zodat zij in een veilige en vertrouwelijke omgeving hun zorgen kunnen uiten over onder meer, maar niet beperkt tot, gezondheid, voortplanting, moederschap, seksuele intimidatie en geweld, en dat dit ook moet gelden voor andere aangelegenheden of informatie;

15.  benadrukt dat bij de ontwikkeling, de tenuitvoerlegging en de evaluatie van EU-beleidslijnen en -maatregelen op het gebied van migratie en asiel altijd rekening moet worden gehouden met gender en herkomst;

16.  benadrukt hoe belangrijk het is om veilige en legale routes naar de EU te creëren; is van mening dat dit ertoe zal bijdragen dat vrouwelijke migranten, vluchtelingen en asielzoekers geen gebruik hoeven te maken van netwerken voor mensensmokkel en hun fundamentele grondrechten volledig kunnen uitoefenen;

17.  onderstreept dat de zoek- en reddingsoperaties in stand moeten worden gehouden en moeten worden geïntensiveerd om het aantal doden op zee tot een minimum te beperken;

18.  roept op tot versterking van het recht op gezinshereniging in de EU en tot een betere tenuitvoerlegging ervan, aan de hand van snellere en minder kostbare procedures;

19.  verzoekt de lidstaten om specifieke maatregelen te nemen ter bevordering van de arbeidsmarktparticipatie van vrouwelijke vluchtelingen en migranten, bijvoorbeeld op het gebied van opleiding, zelfstandige arbeid, taalcursussen, een leven lang leren en vrijwilligerswerk; is van mening dat het onderwijs aan en de vaardigheden en de opleiding van vrouwelijke asielzoekers, migranten en vluchtelingen moeten worden erkend en op waarde geschat en dat er transparante procedures voor de erkenning van in het buitenland behaalde kwalificaties moeten worden opgezet;

20.  onderstreept met name hoe belangrijk het is om migrantenmeisjes, vooral wanneer ze niet-begeleid zijn, toegang te bieden tot onderwijs;

21.  is van mening dat economische onafhankelijkheid cruciaal is voor gelijkheid en integratie; roept de lidstaten derhalve op om de toegang van migrantenvrouwen tot werk te bevorderen;

22.  herinnert eraan dat de staten die partij zijn bij het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (IVDV), krachtens artikel 12 van het Verdrag moeten waarborgen dat vrouwen gebruik kunnen maken van medische zorg, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, prenatale en postnatale zorg en menstruele hygiëne;

23.  eist dat vrouwen, en dan met name zwangere vrouwen, meisjes zonder papieren en niet-begeleide kinderen, passend en met voorrang worden opgevangen en onmiddellijk worden geïdentificeerd zodat de autoriteiten hen in het oog kunnen houden;

24.  benadrukt dat de gastlanden moeten zorgen voor volledige toegang tot het recht op gratis openbaar onderwijs van hoge kwaliteit, tot gezondheidsdiensten, met name op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, tot werkgelegenheid en tot huisvesting, waarbij tegemoet wordt gekomen aan de behoeften en capaciteiten van gevluchte vrouwen en meisjes;

25.  is ingenomen met de aanvullingen die in de herschikking van de richtlijn opvangvoorzieningen(29) zijn opgenomen en juicht het met name toe dat slachtoffers van mensenhandel en vrouwelijke genitale verminking (VGV) als afzonderlijke categorieën kwetsbare personen aan de herschikte richtlijn zijn toegevoegd; maakt zich ernstige zorgen over het feit dat slechts 12 lidstaten slachtoffers van mensenhandel als kwetsbare personen aanmerken; verzoekt de overige lidstaten om de bepalingen van de herschikte richtlijn ten uitvoer te leggen en roept de Commissie op hen daartoe aan te sporen;

26.  is van mening dat personen die het slachtoffer zijn of dreigen te worden van kindhuwelijken en gedwongen huwelijken, de status van kwetsbaar persoon moeten krijgen;

27.  roept ertoe op extra aandacht te besteden aan de behoeften van vrouwelijke migranten en vluchtelingen die met hun eigen kinderen of weeskinderen reizen, door hun tijdens alle etappes van de reis en na aankomst veilige toegang te bieden tot voedsel, water, onderdak, verschoningsfaciliteiten, passende medicijnen, sanitaire voorzieningen en andere noden; roept de lidstaten ertoe op om vrouwelijke asielzoekers en migranten die in het kader van een gezinshereniging naar de EU zijn gekomen, een rechtspositie te verlenen die niet afhangt van die van hun echtgenoot teneinde uitbuiting te vermijden, hun kwetsbaarheid te verminderen en te zorgen voor meer gelijkheid;

28.  dringt bij de lidstaten aan op de volledige tenuitvoerlegging van Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan en Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten;

29.  verzoekt de lidstaten vervolgde vrouwen te verzekeren van internationale bescherming, en de richtsnoeren van de Commissie voor de toepassing van Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging te volgen;

30.  betreurt dat de Europese migratieagenda van de Commissie niet ook een versoepeling van de beperkingen op het gebied van gezinshereniging beoogt; merkt op hoe belangrijk het is dat personen die zich reeds in de EU bevinden, met inbegrip van niet-begeleide minderjarigen, de mogelijkheid krijgen tot hereniging met hun gezinsleden;

31.  beklemtoont dat te allen tijde en ongeacht schommelingen in de vluchtelingen- en migratiestromen waardoor de opvangvoorzieningen onder druk kunnen komen te staan, prioriteit moet worden gegeven aan de behoeften van de kwetsbaren, met inbegrip van vrouwen en meisjes, en in het bijzonder niet-begeleide meisjes, en is bezorgd over de wijze waarop het gemeenschappelijk Europees asielstelsel in de praktijk wordt gebracht;

32.  benadrukt dat bijzondere aandacht moet worden geschonken aan kwetsbare groepen binnen de migratiestromen en onderstreept in dit verband factoren zoals leeftijd, geslacht, beperking, genderidentiteit en geloofsovertuiging. acht het zorgwekkend dat niet wordt voorzien in de specifieke beschermingsbehoeften van mensen;

33.  veroordeelt ten stelligste het gebruik van seksueel geweld tegen vrouwen als oorlogswapen; is van mening dat, door toegang te bieden tot medische en psychische ondersteuning, bijzondere aandacht moet worden geschonken aan migrantenvrouwen en -meisjes die tijdens conflicten zijn misbruikt;

34.  adviseert alle erkende en betrokken organisaties, zoals UNHCR, Frontex, EASO en IOM, evenals de ngo's en de lidstaten, de hoogst mogelijke normen te hanteren voor de werving van vrouwelijk personeel voor alle mogelijke functies en genderbewust onderwijs voor al het personeel verplicht te stellen, dit met het oog op het integreren van het genderperspectief in alle operaties en programma's die gericht zijn op vluchtelingenstromen en asielprocedures;

35.  verzoekt alle lidstaten om, met het oog op de bescherming van migrantenvrouwen en -meisjes tegen geweld, het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul) te ondertekenen en te ratificeren, en uitvoering te geven aan artikel 59 van het Verdrag, waarin duidelijk is bepaald dat de partijen de maatregelen moeten nemen die nodig zijn om te waarborgen dat de uitzettingsprocedure van vrouwelijke migranten wier verblijfstitel afhangt van die van hun echtgenoot bij beëindiging van het huwelijk wordt opgeschort en/of dat deze vrouwen een eigen verblijfsvergunning krijgen;

36.  verzoekt om uitbreiding van de samenwerking met zowel de landen van herkomst van de migranten als de ngo's die daar actief zijn, om zo de leefomstandigheden van vrouwen, die het meest door conflicten worden getroffen, te verbeteren;

37.  vestigt de aandacht op de mededeling van de Commissie van 13 mei 2015, getiteld "Een Europese migratieagenda" (COM(2015)0240)(30); wijst op het voornemen van de Commissie om de bepalingen inzake "veilig land van herkomst" van de richtlijn asielprocedures te versterken; is er stellig van overtuigd dat het genderaspect in aanmerking moet worden genomen bij elk besluit tot harmonisering van de bepalingen inzake veilige landen van herkomst, zo ook bij de mogelijke vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst; merkt evenwel op dat geen enkel land van herkomst en geen enkel derde land echt als veilig kan worden beschouwd, aangezien op gender gebaseerd geweld in alle landen voorkomt; is van mening dat asielaanvragen die uit vrees voor op gender gebaseerd geweld of discriminatie zijn ingediend, nooit mogen worden behandeld aan de hand van een versnelde asielprocedure;

38.  erkent dat vrouwenorganisaties en vrouwelijke vluchtelingen moeten deelnemen aan de besluitvorming over hun behandeling, met inbegrip van de besluitvorming over prioriteiten voor de distributie van hulp, en aan initiatieven op het gebied van vredesopbouw in hun land van herkomst;

39.  benadrukt dat er, tijdens afspraken en gesprekken in het kader van asielprocedures, kinderopvang beschikbaar moet zijn om iedereen een eerlijke kans te bieden een asielverzoek in te dienen; merkt op dat het gebrek aan opvang voor de kinderen van asielzoekers en vluchtelingen hen de toegang tot de reguliere dienstverlening ernstig belemmert en dat dit onevenredig grote gevolgen heeft voor vrouwen, die voor het overgrote deel de verantwoordelijkheid dragen voor de zorg voor de kinderen; onderstreept dat bij de verlening van essentiële diensten rekening moet worden gehouden met de behoeften van gezinnen inzake kinderopvang;

40.  is van mening dat vrouwelijke migranten zonder papieren, evenals personen te hunnen laste, een groot risico lopen om het slachtoffer te worden van geweld, uitbuiting en intersectionele discriminatie op basis van ras en geslacht; merkt op dat de rechtspositie van vrouwelijke migranten zonder papieren hun toegang tot passende dienstverlening, zoals opvanghuizen voor vrouwen, mogelijk beperkt;

41.  is uiterst bezorgd over de negatieve stereotypen ten aanzien van vrouwelijke migranten, vluchtelingen en asielzoekers; dringt bij de lidstaten aan op een verdubbeling van de inspanningen om migranten, vluchtelingen en asielzoekers te beschermen tegen rechts-extremisme en geweld;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

15.10.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

20

5

6

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Maria Arena, Catherine Bearder, Malin Björk, Vilija Blinkevičiūtė, Anna Maria Corazza Bildt, Viorica Dăncilă, Iratxe García Pérez, Anna Hedh, Mary Honeyball, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Elisabeth Köstinger, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Vicky Maeijer, Barbara Matera, Angelika Mlinar, Maria Noichl, Marijana Petir, Jordi Sebastià, Michaela Šojdrová, Ernest Urtasun, Ángela Vallina, Jadwiga Wiśniewska, Jana Žitňanská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Izaskun Bilbao Barandica, Stefan Eck, Arne Gericke, Constance Le Grip, Evelyn Regner, Monika Vana

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Jane Collins

26.10.2015

ADVIES van de Commissie verzoekschriften

aan de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

inzake de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie

(2015/2095(INI))

Rapporteur voor advies: Marlene Mizzi

SUGGESTIES

De Commissie verzoekschriften verzoekt de ten principale bevoegde Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is ingenomen met de belofte van de Commissie om maatregelen te nemen als reactie op de ongekende crisis in het Middellandse Zeegebied en te werken aan verbetering van alle aspecten van migratiebeheer, door haar migratiebeleid te versterken en door een strategische Europese migratieagenda vast te stellen; wijst in dit verband op de sterke kritiek vanuit de bevolking op de tekortkomingen van het migratiebeleid; is van oordeel dat de Europese migratieagenda, mits deze volledig en onverwijld ten uitvoer wordt gelegd en er voldoende financiële middelen beschikbaar worden gesteld, een belangrijke eerste stap vormt om levens te redden, de toegang tot internationale bescherming te verbeteren, te zorgen voor een eerlijker verdeling van verantwoordelijkheden en meer solidariteit, en onevenwichtigheden in het huidige systeem te corrigeren; verzoekt de Commissie het Parlement actief bij de besluitvorming inzake de migratieagenda te betrekken en rekening te houden met zijn aanbevelingen, en alle belanghebbende partijen, waaronder internationale organen, zoals het UNHCR, en migranten en vluchtelingenorganisaties te raadplegen bij de ontwikkeling van haar toekomstige migratiebeleid;

2.  wijst erop dat er door EU-burgers vele verzoekschriften zijn ingediend over diverse onderwerpen met betrekking tot de crisis in het Middellandse Zeegebied en over het tragische verlies van vele mensenlevens op zee, waarin zij de Europese Unie vragen snel en vastberaden op te treden om de situatie te verbeteren en een einde te maken aan alle illegale praktijken waarmee de mensenrechten en de beginselen van de rechtstaat worden geschonden; wijst erop dat de bezorgdheid van de indieners met name betrekking heeft op: tekortkomingen in de tenuitvoerlegging van het Europese asiel- en migratiebeleid en de inefficiëntie van de huidige Dublin III-verordening, het ontbreken van een omvattend EU-migratiebeleid en het onvermogen om toepassing te geven aan het solidariteitsbeginsel, waardoor de lidstaten met de hoogste migratiedruk onevenredig hoge lasten dragen, schendingen van mensenrechten in de vorm van het tegenhouden van vluchtelingen op zee, het weigeren van toegang aan de grenzen en illegale deportaties en de noodzaak om op Europees niveau meer inspanningen te leveren ter bestrijding van xenofobie en intolerantie, ter bescherming van de rechten van migranten, asielzoekers en vluchtelingen en ter ondersteuning van de integratie van deze groepen in de EU;

3.  benadrukt dat de EU en de lidstaten, gezien de omvang van de recente tragische gebeurtenissen en de zorgwekkende stijging van de aantallen onregelmatige binnenkomsten (volgens gegevens van de VN meer dan 1000 000 binnenkomsten in de eerste helft van 2015) en sterfgevallen op zee, niet langer aan de zijlijn kunnen blijven staan, maar een krachtige rol moeten spelen in het politieke debat over deze problematiek, en concrete acties moeten opzetten en specifieke maatregelen moeten vaststellen om de migratieagenda van de Commissie ten volle te ondersteunen;

4.  dringt aan op wederzijdse erkenning van asielbesluiten door de lidstaten, niet alleen in gevallen waarin het verzoek wordt afgewezen, maar ook in gevallen waarin asiel wordt verleend, zodat op behoorlijke wijze uitvoering wordt gegeven aan de bepalingen van artikel 78, lid 2, onder a), VWEU, dat voorziet in een uniforme asielstatus voor onderdanen van derde landen die in de hele Unie geldt;

5.  benadrukt dat alle maatregelen die door de EU en haar organen en agentschappen worden genomen regelmatig moeten worden getoetst en geëvalueerd in het licht van de feitelijke omstandigheden en zo nodig moeten worden aangepast of aangescherpt om ervoor te zorgen dat het gemeenschappelijk Europees asielstelsel door de lidstaten volledig wordt geïmplementeerd, het beheer van het asielsysteem wordt verbeterd, en er gewerkt wordt aan een praktischer en uitvoerbaarder vorm van solidariteit, een rechtvaardiger verdeling van verantwoordelijkheden en eerbiediging van de mensenrechten;

6.  dringt er bij de EU op aan door te gaan met het versterken van operatie Triton, tot deze operatie op dezelfde sterkte is als de operatie Mare Nostrum; verzoekt de Commissie permanente financiële steun te verstrekken voor FRONTEX en te zorgen voor transparante monitoring van dit agentschap en zijn operationele uitgaven en activiteiten;

7.  benadrukt dat het toezicht op en het verzamelen en analyseren van gegevens over migratiestromen en patronen in vluchtroutes tussen Afrika en de EU moeten worden verbeterd en dat voor de coördinatie hiervan een gecentraliseerd EU-mechanisme voor het beheer van migratiedata ingesteld moet worden, in het kader waarvan regelmatige evaluatieverslagen worden opgesteld, en dat zorgt voor meer consistentie, betere planning en een beter crisisbeheer en op die manier een bijdrage levert aan de verwezenlijking van systemen voor vroegtijdige waarschuwing op EU-niveau, zodat in de toekomst snel op migratiecrises kan worden ingespeeld;

8.  dringt er bij de EU en de lidstaten op aan zo spoedig mogelijk een omvattend Europees migratie- en asielbeleid vast te stellen, gebaseerd op de eerbiediging van de mensenrechten, de menselijke waardigheid, de internationale normen en waarden die de grondslag vormen van de EU en de rechten die zijn neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de EU; benadrukt dat daadwerkelijk uitvoering moet worden gegeven aan artikel 80 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), dat bepaalt dat aan het beleid van de Unie de beginselen van solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de lidstaten, ook op financieel vlak, ten grondslag liggen; wijst erop dat Europees en nationaal beleid inzake migratie volledig in overeenstemming moet zijn met het Verdrag van de Verenigde Naties betreffende de status van vluchtelingen van 1951 en het protocol daarbij, en het beginsel van non-refoulement moet eerbiedigen;

9.  is verontrust over de groeiende tendens om illegale onmiddellijke deportaties uit te voeren, bijvoorbeeld bij de hekken aan de grens tussen Marokko en de Spaanse enclaves Ceuta en Melilla, en spreekt zijn absolute afkeuring uit over deze praktijken, die in strijd zijn met de mensenrechten en de beginselen van de rechtstaat; vestigt voorts de aandacht op gevallen waarbij mensen onvrijwillig gedeporteerd zijn naar andere derde landen dan landen van oorsprong, waarvandaan zij niet meer kunnen vertrekken omdat zij niet over de juiste papieren beschikken;

10.  is bezorgd over het feit dat grote aantallen kinderen, waaronder zeer kwetsbare onbegeleide minderjarigen, de oversteek over de Middellandse Zee maken; verzoekt de EU en de lidstaten het beginsel dat het belang van het kind voorop moet staan te eerbiedigen, kinderen goed te behandelen en te zorgen voor kindvriendelijke asielprocedures, overdracht van onbegeleide minderjarigen te voorkomen, tenzij overdracht in hun belang is, en rekening te houden met mogelijkheden van gezinshereniging en met de veiligheid van het kind;

11.  neemt kennis van de met het oog op de urgente situatie te nemen belangrijke maatregelen in de agenda van de Commissie, met name de maatregelen gericht op het redden van mensenlevens, op de bestrijding van netwerken van mensensmokkelaars en op het aanpakken van de oorzaken van migratie, maar benadrukt tegelijkertijd dat de agenda van de Commissie geen einde zal maken aan de huidige migratiestromen en dat er daarom op korte termijn behoefte is aan een voor alle lidstaten bindend, EU-breed permanent mechanisme voor de herplaatsing van een voldoende aantal mensen die om internationale bescherming verzoeken; is van oordeel dat dit bindende herplaatsingsmechanisme snel en automatisch in gang moet worden gezet op basis van rechtvaardige, duidelijke, objectieve, meetbare en vaststaande criteria voor de lidstaten, waarbij tevens zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de voorkeuren van vluchtelingen;

12.  is ingenomen met het wetgevingsvoorstel van de Commissie voor een permanent crisismechanisme voor herplaatsing, gebaseerd op artikel 78, lid 2, VWEU, en met het feit dat de ministers van de lidstaten er tijdens de bijeenkomsten van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken in september in geslaagd zijn overeenstemming te bereiken over de herplaatsing van 40 000 naar Italië en Griekenland gevluchte personen die duidelijk internationale bescherming behoeven, en de herplaatsing van nog eens 120 000 mensen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan te overwegen toepassing te geven aan de bepalingen van Richtlijn 2001/55/EG van de Raad betreffende het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden, en wijst met name op overweging 20 van die richtlijn, maar herinnert eraan dat de Commissie, aangezien er nooit uitvoering aan deze richtlijn is gegeven, met een voorstel moet komen voor herziening van de bepalingen, om de tenuitvoerlegging van een EU-solidariteitsmechanisme te verbeteren, en een instrument moet invoeren voor een directe, veilige en wettige respons op urgente vluchtelingencrises; dringt in dit verband tevens aan op een duidelijke definitie van een "massale toestroom van ontheemden";

13.  benadrukt dat het migratiebeleid van de EU te maken heeft met onevenwichtigheden, zoals het feit dat landen aan de externe zee- en landgrenzen van de EU te maken krijgen met een grotere toestroom van mensen die om internationale bescherming verzoeken, en het feit dat sommige landen met binnengrenzen, zoals Duitsland en Zweden, in 2014 43% van alle asielaanvragen te verwerken kregen; verzoekt de lidstaten en de Commissie ervoor te zorgen dat de Dublin III-verordening op doeltreffende wijze wordt herzien, teneinde de plotselinge en onevenredig sterke migratiedruk op een steeds groter aantal lidstaten, en met name op de landen aan de buitengrenzen van de EU, waar dagelijks grote groepen migranten aankomen, te verlichten, zonder dat dat ten koste gaat van de veiligheid van de buitengrenzen van de Unie;

14.  is van oordeel dat reguliere migratie geen sociaaleconomische last vormt, maar mogelijkheden biedt en een positieve bijdrage aan de maatschappij kan leveren, en dat het ontwikkelen van legale routes naar de EU uitbuiting van migranten door criminele netwerken van mensensmokkelaars kan voorkomen en ertoe kan leiden dat er minder mensen sterven op zee; benadrukt derhalve dat personen die internationale bescherming nodig hebben op veilige en legale wijze toegang tot de EU moeten kunnen krijgen; is van oordeel dat er een verplicht herplaatsingsprogramma ingevoerd moet worden, dat voorziet in de herplaatsing van een zinvol aantal vluchtelingen, en verzoekt de EU en de lidstaten gebruik te maken van de mogelijkheden die er op grond van de bestaande wetgeving zijn om andere instrumenten, gestructureerde mechanismen en transparante, eenvoudige procedures voor binnenkomst in de EU te ontwikkelen, zoals de verstrekking van visa op humanitaire gronden via EU-ambassades en consulaten in landen van herkomst of transitlanden;

15.  verzoekt de EU, de lidstaten en de kandidaat-lidstaten een internationaal kader voor dialoog in het leven te roepen en de aanzet te geven tot een breed debat met herkomst- en transitlanden over de migratieproblematiek, met het oog op meer solidariteit en nauwere samenwerking met de EU en om de oorzaken van migratie aan te pakken; is in dit kader ingenomen met het feit dat er in november 2015 in Valetta een top zal plaatsvinden, in nauwe samenwerking met Afrikaanse partners, die als basis zal dienen voor de goedkeuring van toekomstige kaderovereenkomsten, gericht op de aanpak van de diepere oorzaken van migratie; verzoekt de Commissie en de lidstaten conflictoplossing in de landen van herkomst te bevorderen, de capaciteit van transitlanden te versterken en ervoor te zorgen dat de middelen naar de juiste projecten gaan, zodat er een einde komt aan de exploitatie van menselijke en natuurlijke hulpbronnen en er verbeteringen gerealiseerd kunnen worden op het gebied van gezondheid, onderwijs, industrie en infrastructuur, waardoor de werkgelegenheid en de kansen op een waardige toekomst in landen van herkomst zullen verbeteren;

16.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan te waarborgen dat de tenuitvoerlegging van de terugkeerrichtlijn gepaard gaat met naleving van de procedures, normen en fundamentele waarden die Europa in staat stellen een humane en waardige behandeling van teruggekeerde migranten te waarborgen, in overeenstemming met het beginsel van non-refoulement; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan om bijzondere aandacht te besteden aan asielverzoeken die verband houden met vermeende politieke vervolging, om te voorkomen dat personen moeten terugkeren en vervolgens te maken krijgen met een schending van de mensenrechten in hun land van herkomst of in een derde land;

17.  verzoekt de EU de reeds bestaande kaderovereenkomsten, zoals het Europees nabuurschapsbeleid, het proces van Khartoem en het proces van Rabat, te versterken; benadrukt dat de nodige aandacht moet worden besteed aan aanslepende vluchtelingensituaties, die, als er niets aan wordt gedaan, kunnen leiden tot permanente en steeds groter wordende irreguliere migrantenstromen en levensgevaarlijke overtochten over zee;

18.  betreurt dat in enkele lidstaten sprake is geweest van fraude en administratieve onregelmatigheden bij het beheer van een aantal opvangcentra voor asielzoekers, waarbij in veel gevallen ook sprake was van betrokkenheid van de georganiseerde misdaad, en dat daardoor niet alleen misbruik is gemaakt van Europese middelen, maar tevens de levensomstandigheden van migranten verder zijn verslechterd en hun mensenrechten minder zijn beschermd;

19.  verzoekt de EU en alle lidstaten te stoppen met het bouwen van muren, bestaande muren neer te halen en een einde te maken aan alle samenwerking met het oog op de bouw van muren in derde landen, die bedoeld zijn om te voorkomen dat migranten de EU of andere gebieden bereiken;

20.  verzoekt de lidstaten nationale programma's in het leven te roepen ter ondersteuning van integratie, passende middelen toe te wijzen en ondersteuning te bieden en beter toepassing te geven aan de gemeenschappelijke basisbeginselen voor het beleid inzake de integratie van immigranten in de EU; dringt er bij de Commissie op aan om de rol van het netwerk van nationale contactpunten voor integratie en de rol van het Europees Integratieforum als platform voor dialoog te versterken, om de toepassing van veelbelovende praktijken en de uitwisseling daarvan tussen de lidstaten te verbeteren;

21.  verzoekt de EU en de lidstaten doeltreffende maatregelen vast te stellen om de toenemende vreemdelingenhaat en het toenemend aantal haatmisdrijven aan te pakken door middel van onderwijs en preventie, alsmede door strafbaarstelling van alle vormen van geweld en discriminatie, inclusief haatdragende taal.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

15.10.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

0

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marina Albiol Guzmán, Margrete Auken, Beatriz Becerra Basterrechea, Soledad Cabezón Ruiz, Pál Csáky, Eleonora Evi, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Svetoslav Hristov Malinov, Notis Marias, Edouard Martin, Marlene Mizzi, Julia Pitera, Gabriele Preuß, Sofia Sakorafa, Yana Toom, Bodil Valero, Jarosław Wałęsa, Cecilia Wikström

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Jérôme Lavrilleux, Michèle Rivasi, Ángela Vallina, Axel Voss

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Emilian Pavel, Vladimir Urutchev, Julie Ward

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.3.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

44

11

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jan Philipp Albrecht, Gerard Batten, Heinz K. Becker, Michał Boni, Caterina Chinnici, Ignazio Corrao, Rachida Dati, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Frank Engel, Cornelia Ernst, Tanja Fajon, Laura Ferrara, Lorenzo Fontana, Mariya Gabriel, Ana Gomes, Nathalie Griesbeck, Jussi Halla-aho, Monika Hohlmeier, Sophia in ‘t Veld, Iliana Iotova, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Timothy Kirkhope, Barbara Kudrycka, Kashetu Kyenge, Marju Lauristin, Juan Fernando López Aguilar, Roberta Metsola, Louis Michel, Claude Moraes, Birgit Sippel, Branislav Škripek, Csaba Sógor, Helga Stevens, Bodil Valero, Udo Voigt, Beatrix von Storch, Josef Weidenholzer, Cecilia Wikström, Kristina Winberg, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Marina Albiol Guzmán, Kostas Chrysogonos, Carlos Coelho, Anna Maria Corazza Bildt, Gérard Deprez, Anna Hedh, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Miltiadis Kyrkos, Gilles Lebreton, Andrejs Mamikins, Petri Sarvamaa, Elly Schlein, Barbara Spinelli, Geoffrey Van Orden, Axel Voss

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Margrete Auken

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

44

+

ALDE

Gérard Deprez, Nathalie Griesbeck, Louis Michel, Cecilia Wikström, Sophia in 't Veld

EFDD

Ignazio Corrao, Laura Ferrara

GUE/NGL

Marina Albiol Guzmán, Kostas Chrysogonos, Cornelia Ernst, Barbara Spinelli

PPE

Heinz K. Becker, Michał Boni, Carlos Coelho, Anna Maria Corazza Bildt, Rachida Dati, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Frank Engel, Mariya Gabriel, Monika Hohlmeier, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Barbara Kudrycka, Roberta Metsola, Petri Sarvamaa, Csaba Sógor, Axel Voss

S&D

Caterina Chinnici, Tanja Fajon, Ana Gomes, Anna Hedh, Iliana Iotova, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Kashetu Kyenge, Miltiadis Kyrkos, Marju Lauristin, Juan Fernando López Aguilar, Andrejs Mamikins, Claude Moraes, Elly Schlein, Birgit Sippel, Josef Weidenholzer

Verts/ALE

Jan Philipp Albrecht, Margrete Auken, Bodil Valero

11

-

ECR

Jussi Halla-aho, Timothy Kirkhope, Geoffrey Van Orden, Beatrix von Storch, Branislav Škripek, Helga Stevens

EFDD

Gerard Batten, Kristina Winberg

EFDD

Lorenzo Fontana, Gilles Lebreton

NI

Udo Voigt

1

0

PPE

Tomáš Zdechovský

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

PB C 93 van 9.3.2016, blz. 165.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0176.

(3)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0317.

(4)

http://www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2015/09/28-eunavfor/.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0105.

(6)

Frontex nieuws, http://frontex.europa.eu/news/number-of-migrants-arriving-in-greece-dropped-by-half-in-november-cITv3V.

(7)

IOM en Unicef, gegevensbrief: Migratie van kinderen naar Europa, http://www.iom.int/sites/default/files/press_release/file/IOM-UNICEF-Data-Brief-Refugee-and-Migrant-Crisis-in-Europe-30.11.15.pdf.

(8)

Nieuwsbrief EASO, november-december 2015, https://easo.europa.eu/wp-content/uploads/EASO-Newsletter-NOV-DEC_-20151.pdf.

(9)

De EU+ bestaat uit de EU-28 en Noorwegen en Zwitserland.

(10)

UNHCR - gegevensmomentopname Griekenland - 7 maart 2016.

(11)

Project inzake vermiste migranten van de Internationale Organisatie voor Migratie, http://missingmigrants.iom.int/.

(12)

Besluiten (EU) 2015/1523 en (EU) 2015/1601 van de Raad.

(13)

Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking) (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 31).

(14)

Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen (PB L 212 van 7.8.2001, blz. 12).

(15)

Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB L 337 van 20.12.2011, blz. 9).

(16)

Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 60).

(17)

Conclusies van de Raad van 19 november 2004.

(18)

Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 96).

(19)

Richtlijn 2009/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot vaststelling van minimumnormen inzake sancties en maatregelen tegen werkgevers van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen, PB L 168 van 30.6.2009, blz. 24.

(20)

Richtlijn 2014/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider, PB L 94 van 28.3.2014, blz. 375.

(21)

Richtlijn 2009/50/EG van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan, PB L 155 van 18.6.2009, blz. 17.

(22)

VN-Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951.

(23)

VN-Verdrag inzake het recht van de zee van 1982, artikel 98 ("Plicht om bijstand te bieden").

(24)

Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee van 1974, voorschrift 33 ("Noodberichten: verplichtingen en procedures").

(25)

Internationaal Verdrag inzake opsporing en redding op zee van 1979, zoals gewijzigd.

(26)

Resolutie MSC.167(78) van de Internationale Maritieme Organisatie en "Rescue at Sea: A guide to principles and practice as applied to migrants and refugees".

(27)

6 Volgens statistieken van de Associatie van reders van de Europese Gemeenschap (ECSA).

(28)

7 http://data.unhcr.org/mediterranean/regional.php

(29)

Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 96).

(30)

COM(2015)0240

Juridische mededeling