Procedure : 2015/2272(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0069/2016

Ingediende teksten :

A8-0069/2016

Debatten :

PV 12/04/2016 - 17
CRE 12/04/2016 - 17

Stemmingen :

PV 13/04/2016 - 11.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0120

VERSLAG     
PDF 513kWORD 134k
29.3.2016
PE 572.905v02-00 A8-0069/2016

over de EU in een veranderende mondiale omgeving – een meer geconnecteerde, gecontesteerde en complexe wereld

(2015/2272(INI))

Commissie buitenlandse zaken

Rapporteur: Sandra Kalniete

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de EU in een veranderende mondiale omgeving – een meer geconnecteerde, gecontesteerde en complexe wereld

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 3, leden 1, 2 en 5, artikel 21, in het bijzonder lid 1, lid 2, onder h), en lid 3, tweede alinea, en de artikelen 22, 24, 25, 26, artikel 42, lid 7, en artikel 46 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 222 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de Europese veiligheidsstrategie voor 2003 (EVS) en het desbetreffende uitvoeringsverslag uit 2008,

–  gezien het verslag van de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger (VV/HR), getiteld "De Europese Unie in een veranderende mondiale omgeving – een meer geconnecteerde, gecontesteerde en complexe wereld",

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger getiteld "De alomvattende EU-aanpak van externe conflicten en crisissituaties en conclusies" (JOIN(2013)0030),

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "De Europese veiligheidsagenda" (COM(2015)0185),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger getiteld "Herziening van het Europees nabuurschapsbeleid" (JOIN(2015)0050),

–  gezien zijn resolutie van 21 mei 2015 over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (op basis van het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid)(1),

–  gezien zijn resolutie van 21 januari 2016 over de clausule inzake wederzijdse verdediging (artikel 42, lid 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie)(2),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad op 19 en 20 december 2013 (EUCO 217/13) en van 25 en 26 juni 2015 (EUCO 22/15) en de conclusies van de Raad over het GVDB van 18 mei 2015 (8971/15),

–  gezien besluit (GBVB) 2015/1835 van de Raad van 12 oktober 2015 tot vaststelling van het statuut, de zetel en de voorschriften voor de werking van het Europees Defensieagentschap(3),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger getiteld "Strategie inzake cyberbeveiliging van de Europese Unie: een open, veilige en beveiligde cyberspace" (JOIN(2013)0001),

–  gezien de maritieme veiligheidsstrategie van de EU, zoals goedgekeurd door de Raad van de Europese Unie op 24 juni 2014,

–  gezien het strategisch concept van de NAVO in 2010 en de verklaring van de NAVO bij de top in Wales in 2014,

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld 2014 en het mensenrechtenbeleid van de Europese Unie(4),

–  gezien het strategisch kader en het actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie, die op 25 juni 2012 door de Raad Buitenlandse Zaken zijn goedgekeurd,

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2015 over wapenuitvoer: tenuitvoerlegging van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB(5),

–  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, zoals goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de VN in september 2015 en door de overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering,

–  gezien de brief van de Commissie internationale handel,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0069/2016),

A.  overwegende dat de vele huidige en toekomstige uitdagingen en dreigingen voor de EU complex en met elkaar verbonden zijn, afkomstig zijn van Europese en niet-Europese actoren, en zowel van binnenuit als van buiten de gemeenschappelijke grenzen komen; overwegende dat de lokale, regionale en mondiale contexten met elkaar moeten worden verbonden; overwegende dat meer politieke wil en leiderschap voor resolute gemeenschappelijke maatregelen van de EU en de lidstaten nodig zijn om een proactief, gemeenschappelijk en doeltreffend antwoord te kunnen bieden op deze uitdagingen, om de waarden en het samenlevingsmodel van de EU te beschermen, om van de EU een effectieve en meer strategische actor te maken en om bij te dragen tot de veiligheid op wereldvlak; overwegende dat de algehele EU-strategie voor buitenlands en veiligheidsbeleid het pad voor deze ontwikkeling moet effenen door een politieke ambitie te definiëren voor de EU als internationale actor;

B.  overwegende dat de EU zich volledig rekenschap moet geven van de verslechterende situatie in haar directe strategische omgeving en van de gevolgen daarvan op lange termijn; overwegende dat er zich verscheidene crises tegelijk voordoen, die in toenemende mate directe gevolgen binnen de EU hebben, wat betekent dat geen enkele lidstaat er alleen het hoofd aan kan bieden en dat de Europeanen hun verantwoordelijkheden gezamenlijk moeten uitoefenen om hun veiligheid te waarborgen;

C.  overwegende dat de dreigingen die in de Europese Veiligheidsstrategie 2003 in kaart gebracht zijn – terrorisme, massavernietigingswapens, regionale conflicten, falende staten en georganiseerde misdaad – voor het grootste deel nog steeds relevant zijn; overwegende dat de EU momenteel geconfronteerd wordt met een aantal ernstige en onvoorziene extra uitdagingen, zoals de pogingen van revisionistische machten om de grenzen met geweld en door schendingen van het internationaal recht te hertekenen en de op regels gebaseerde wereldorde te verstoren, de klimaatverandering, trage economische groei, grote migratie- en vluchtelingenstromen en de grootste vluchtelingencrisis sinds de Tweede Wereldoorlog, alsook technologische ontwikkelingen in de ruimte en de cybernetica, financiële misdrijven, nucleaire proliferatie en wapenwedlopen, en hybride en asymmetrische oorlogvoering en dreigingen;

D.  overwegende dat de Europese veiligheidsarchitectuur is gebaseerd op de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE); overwegende dat de EU een sleutelrol speelt in de OVSE;

E.  overwegende dat de EU, gezien de verminderde regionale veiligheid, prioriteit moet geven aan het stabiliseren van haar directe omgeving, zonder echter afbreuk te doen aan haar mondiale verplichtingen; overwegende dat de veiligheidscrises aan de grenzen van de EU zijn ontstaan en vorm hebben gekregen door wereldwijde tendensen, en dat de EU dus eerst voor een doeltreffend beheer van de regionale veiligheid moet zorgen voordat zij wereldwijd kan optreden;

F.  overwegende dat de Europese Raad de hoge vertegenwoordiger op 26 juni 2015 heeft opgedragen om het proces van strategische reflectie voort te zetten, zodat in nauw overleg met de lidstaten een algehele EU-strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid tot stand kan komen die uiterlijk in juni 2016 aan de Europese Raad moet worden voorgelegd;

G.  overwegende dat de EU pas snel en efficiënt op dreigingen kan reageren als de lidstaten onderling sterk solidair zijn, als er een einde wordt gemaakt aan de barrières en het hokjesdenken binnen de instellingen, bij de buitenlandse vertegenwoordigingen van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en in de lidstaten, en als er voldoende en flexibele begrotingsmiddelen worden uitgetrokken om de belangen van de EU te helpen behartigen; overwegende dat een doeltreffende Europese strategie in de eerste plaats vereist dat alle lidstaten een sterke politiek wil hebben en er gezamenlijk naar streven om echte Europese instrumenten te creëren en te gebruiken;

H.  overwegende dat verschillende soorten dreigingen tegen afzonderlijke lidstaten moeten worden gezien als dreigingen tegen de hele EU, die een sterke eensgezindheid en solidariteit tussen de lidstaten en een consistent gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vereisen;

I.  overwegende dat de nieuwe strategie moet uitgaan van een alomvattende aanpak en een consistent en gecoördineerd gebruik van de EU-instrumenten voor extern en intern beleid; overwegende dat de wapenuitvoer van de EU niet kan worden geacht in het rechtstreekse belang van de veiligheid van de EU te zijn en dat er bij de ontwikkeling van een algehele EU-strategie rekening moet worden gehouden met Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB; overwegende dat het voornaamste doel van de EU erin bestaat haar waarden te promoten en zo bij te dragen aan vrede, veiligheid en duurzame ontwikkeling in de wereld, alsook aan solidariteit en wederzijds respect tussen de volkeren; overwegende dat deze fundamentele doelstellingen niet uit het oog mogen worden verloren wanneer de EU maatregelen neemt om haar interne en externe beleid uit te voeren; overwegende dat de EU, zelfs wanneer zij haar handelsbelangen behartigt, er altijd voor moet zorgen dat haar acties stroken met het nastreven van haar doelstellingen met betrekking tot vredeshandhaving en bescherming van de mensenrechten;

J.  overwegende dat de EU in zo'n veranderlijke en onzekere internationale omgeving de nodige strategische onafhankelijkheid moet hebben om haar veiligheid te kunnen waarborgen en haar belangen en waarden te kunnen bevorderen;

K.  overwegende dat menselijke veiligheid centraal moet staan in de algehele EU-strategie en dat er ten volle rekening moet worden gehouden met het genderperspectief van veiligheid en met resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad;

L.  overwegende dat de EU zich sinds de goedkeuring van de Europese Veiligheidsstrategie van 2003 tot doel heeft gesteld om een op effectief multilateralisme en de regels van het internationaal recht gebaseerde internationale orde tot stand te brengen;

M.  overwegende dat de nieuwe strategie moet stroken met de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling;

N.  overwegende dat de toekomstige strategie moet worden opgevolgd met jaarlijkse uitvoeringsverslagen en de volgende doelstellingen moet omvatten, die verder moeten worden uitgewerkt in "substrategieën" met specifieke bepalingen voor verschillende actiegebieden:

•    De mensen, de lidstaten, de samenlevingen en de waarden van de EU verdedigen

1.  merkt op dat het doel van de EU erin bestaat vrede, haar waarden en het welzijn van haar volkeren te bevorderen, en tegelijk de veiligheid van haar burgers en haar grondgebied te waarborgen; benadrukt dat het externe optreden van de EU berust op de beginselen die zijn vastgelegd in artikel 21 VEU; benadrukt dat de EU er bijgevolg voor moet zorgen dat zij zowel intern als extern weerbaar is, dat zij in staat is te anticiperen op voorspelbare uitdagingen en dreigingen en deze kan ondervangen en oplossen, maar eveneens paraat is om snel te reageren op onvoorspelbare crises, dat zij kan herstellen van verschillende soorten aanvallen, en dat zij de zekerheid van de energie- en grondstoffenvoorziening kan veiligstellen, rekening houdend met de gevolgen van de klimaatverandering, die dringend moeten worden aangepakt, waarbij de EU een leidende rol moet vervullen bij de wereldwijde klimaatmaatregelen en de bevordering van duurzame ontwikkeling;

2.  is ervan overtuigd dat de EU-strategie, om het hoofd te bieden aan een veranderende mondiale omgeving, gebaseerd moet zijn op:

a. het in kaart brengen en prioriteren van de dreigingen en uitdagingen;

b. het bepalen van het antwoord daarop;

c. het bepalen van de benodigde middelen;

3.  benadrukt dat de grenzen van elke lidstaat de grenzen van de EU vormen en als zodanig moeten worden verdedigd;

4.  is van mening dat het van essentieel belang is om de belangen van een echt gemeenschappelijk buitenlands beleid van alle 28 EU-lidstaten in elke regio van de wereld en op elk relevant beleidsgebied in kaart te brengen; benadrukt voorts dat het zichtbaar maken van die gemeenschappelijke belangen de EU als actor op het gebied van buitenlandse zaken al aanzienlijk zou versterken; vraagt de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger de EDEO op te dragen om die specifieke belangen in kaart te brengen en strategische en operationele doelstellingen te helpen vaststellen die rechtstreeks tot concrete resultaten kunnen leiden;

5.   is van mening dat de Verenigde Staten de belangrijkste strategische partner van de EU zijn; merkt op dat de EU en haar lidstaten meer verenigd moeten zijn en bereid moeten zijn om meer verantwoordelijkheid voor hun collectieve veiligheid en de verdediging van hun grondgebied op zich te nemen, en zich minder op de Verenigde Staten moeten verlaten, met name in de buurlanden van Europa; benadrukt dat het trans-Atlantisch bondgenootschap een essentiële pijler van een op regels gebaseerde wereldorde moet blijven; vraagt de EU en de lidstaten daarom hun defensiecapaciteit te vergroten teneinde paraat te zijn om, in synergie met de NAVO, op een brede waaier aan civiele, militaire en hybride dreigingen en risico's te reageren, en ten volle gebruik te maken van de bepalingen van het Verdrag van Lissabon betreffende het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB);

6.  spoort de EU bijgevolg aan tot een meer coherente en gestructureerde samenwerking op het gebied van defensieonderzoek, de industriële basis en cyberdefensie, met gebruikmaking van bundelen en delen en andere samenwerkingsprojecten teneinde de nationale defensiebegrotingen efficiënter te benutten, teneinde de collectieve doelstelling te verwezenlijken om 2 % van de defensie-uitgaven aan onderzoek te besteden, en teneinde binnen het volgende meerjarig financieel kader een door de EU gefinancierd programma voor defensieonderzoek en -technologie op te zetten; is van mening dat het Europees Defensieagentschap (EDA) een grotere rol en meer middelen moet krijgen zodat het doeltreffender kan optreden; is van mening dat de lidstaten meer verantwoordelijkheid moeten dragen voor het opbouwen van dringend noodzakelijke Europese capaciteiten en het bijdragen aan de strategische autonomie van de EU, meer moeten uitgeven aan militair onderzoek via het EDA, en de Europese industriële en technologische defensiebasis (EDTIB) en de Europese defensiemarkt (EDM) moeten versterken; vraagt dat de lidstaten de veiligheids- en defensiebegrotingen op transparantere wijze gebruiken en daar meer verantwoording over afleggen; vraagt de EU-lidstaten ook de nodige capaciteit ter beschikking te stellen om de taken overeenkomstig artikel 43 VEU te vervullen, onder meer voor desbetreffende VN-vredesmissies; is voorts van mening dat de Europese uitwisseling van inlichtingen moet worden verbeterd en dat er een echte Europese inlichtingen- en voorspellingscapaciteit moet worden ontwikkeld, met de nodige toezichtsmechanismen;

7.  verzoekt de VV/HR het gebrek aan duidelijkheid over de clausule betreffende wederzijdse verdediging in artikel 42, lid 7, VEU, te verhelpen en de richtsnoeren en procedures voor de uitvoering ervan vast te stellen, zodat de lidstaten doeltreffend kunnen reageren wanneer er een beroep op wordt gedaan;

8.  uit scherpe kritiek op de Commissie omdat zij zich niet op tijd heeft gekweten van de taken die de Europese Raad haar in 2013 heeft toevertrouwd wat betreft een geplande routekaart voor een alomvattende EU-regeling voor gegarandeerde aanvoer, een gepland groenboek inzake de controle op industriële capaciteiten op defensie- en veiligheidsgebied, het toezicht op overheidsopdrachten op defensie- en veiligheidsgebied en verkooptransacties tussen regeringen in de defensiesector;

9.  neemt kennis van Besluit (GBVB) 2015/1835 van de Raad van 12 oktober 2015; vraagt de directeur van het Europees Defensieagentschap (EDA) en de VV/HV het Europees Parlement te laten weten hoe dit besluit van de Raad strookt met de herhaalde vraag van het Parlement om het EDA te versterken door zijn personeel en exploitatiekosten uit de EU-begroting te financieren;

10.   is van mening dat eerst en vooral de overstap moet worden gemaakt naar permanent gebundelde multinationale militaire eenheden, gezamenlijke defensiekrachten en een kader voor een gemeenschappelijk defensiebeleid, dat uiteindelijk moet leiden tot een Europese defensie-unie; vraagt in dit verband dat er een permanent militair hoofdkwartier van de EU wordt opgericht om de militaire crisisbeheersingscapaciteit te verbeteren, voor noodplanning te zorgen en de interoperabiliteit van de strijdkrachten en de uitrusting te garanderen; vraagt de lidstaten de samenwerking op defensiegebied collectief, bilateraal of in regionale clusters te versterken; is voorstander van de goedkeuring van een witboek inzake Europese defensie op basis van de algehele EU-strategie;

11.  is van mening dat de huidige activering van artikel 42, lid 7, VEU de aanzet moet geven om het potentieel van alle Verdragsbepalingen inzake veiligheid en defensie te ontsluiten;

12.   benadrukt hoe belangrijk is om de samenwerking tussen de EU en de NAVO te versterken, die de coördinatie tussen operaties moet garanderen, en is voorstander van de oprichting van Europese capaciteiten die de NAVO versterken bij de verdediging van het grondgebied en die in staat zijn om autonoom interventies buiten de grenzen van de EU uit te voeren; benadrukt dat het GVDB de Europese pijler van de NAVO moet versterken en ervoor moet zorgen dat de Europese NAVO-leden hun NAVO-verbintenissen daadwerkelijk nakomen; stelt voor om de concepten van EU-gevechtsgroepen en NAVO-reactiemacht te combineren; herinnert eraan dat de militaire bijdragen moeten worden gebaseerd op het beginsel van solidariteit onder de EU-lidstaten;

13.  benadrukt dat de controle op wapenuitvoer een integraal onderdeel vormt van het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU en moet plaatsvinden volgens de beginselen van artikel 21 VEU, met name de bevordering van de democratie en de rechtsstaat, handhaving van de vrede, voorkoming van conflicten en versterking van de internationale veiligheid; herinnert eraan dat het van cruciaal belang is te zorgen voor samenhang tussen wapenuitvoer en de geloofwaardigheid van de EU als wereldwijd pleitbezorger van de mensenrechten; is er ten stelligste van overtuigd dat een effectievere toepassing van de acht criteria van het gemeenschappelijk standpunt een belangrijke bijdrage zou leveren aan de ontwikkeling van de algehele EU-strategie;

14.  vraagt de lidstaten het gemeenschappelijk standpunt over wapenuitvoer in acht te nemen en geen wapens meer te verkopen aan derde landen die niet aan de vermelde criteria voldoen;

15.  pleit ervoor om de efficiënte governance van mondiale gemeenschappelijke domeinen zoals de zee, de lucht, de ruimte en cyberspace, verder te verdiepen;

16.  wijst erop dat technologie een steeds grotere rol speelt in onze samenlevingen en dat het EU-beleid een antwoord moet bieden op de snelle veranderingen op het gebied van technologische ontwikkeling; onderstreept in dit opzicht dat internet en technologie een fundamentele emanciperende rol kunnen spelen in de ontwikkeling, democratisering en emancipatie van burgers wereldwijd, en benadrukt daarom hoe belangrijk het is dat de EU werk maakt van het bevorderen en veiligstellen van een vrij en open internet en het beschermen van digitale rechten;

17.  benadrukt dat met de impact van technologie ook rekening moet worden gehouden in de algehele strategie en in initiatieven inzake cyberveiligheid, terwijl het verbeteren van de mensenrechten integraal deel moet uitmaken van alle beleidsgebieden en programma's van de EU, voor zover van toepassing, teneinde de bescherming van de mensenrechten, de bevordering van democratie, de rechtsstaat, goed bestuur en vreedzame conflictoplossing in de hand te werken;

•  De ruimere omgeving van Europa stabiliseren

18.   is van mening dat de EU, om een effectievere en geloofwaardige speler te zijn, meer verantwoordelijkheid op zich moet nemen en zich moet concentreren op het bestrijden van het veiligheidsvacuüm in de buurlanden en de ruimere omgeving, alsook op het scheppen van voorwaarden voor stabiliteit en welvaart, gebaseerd op de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten omvat, hetgeen noodzakelijkerwijs de diepere oorzaken van de huidige oorlogen en conflicten, migratiestromen en de vluchtelingencrisis;

19.  is ervan overtuigd dat de EU zich vooral in het zuidelijke nabuurschap meer moet bezighouden met diplomatie die escalatie voorkomt; is van mening dat de nieuwe strategie moet voorzien in wijzen waarop de EU kan voortbouwen op het recente nucleaire akkoord met Iran en verder kan werken aan vertrouwenwekkende en andere veiligheidsgerelateerde regionale overeenkomsten, die ook zouden kunnen voortbouwen op Europa's eigen ervaring met regionale veiligheidsovereenkomsten zoals de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE) en akkoorden zoals de Slotakte van Helsinki;

20.   is van mening dat de EU, om stabiliteit en vrede tot stand te brengen en de menselijke veiligheid, de rechtsstaat, de eerbiediging van de mensenrechten en democratisering te bevorderen, trouw moet blijven aan haar toezeggingen inzake uitbreiding en integratie, op basis van beleid ter bevordering van economische groei en inclusieve samenlevingen, en moet blijven samenwerken met de landen waarmee zij in het kader van het onlangs herziene Europese nabuurschapsbeleid (ENB) nauw geassocieerd is; brengt in herinnering dat artikel 49 VEU bepaalt dat elke Europese staat kan verzoeken lid te worden van de EU, op voorwaarde dat hij de criteria van Kopenhagen, die vastliggen en waarover niet kan worden onderhandeld, alsook de democratische beginselen in acht neemt, de fundamentele vrijheden, de mensenrechten en de rechten van minderheden eerbiedigt en het functioneren van de rechtsstaat garandeert; is van mening dat de EU zich te allen tijde op coherente en consistente wijze moet blijven engageren in zowel het oostelijke als het zuidelijke nabuurschap;

21.   is van mening dat de huidige vluchtelingencrisis een holistische Europese aanpak en spoedeisende gecoördineerde maatregelen vereist, waarbij zowel interne als externe instrumenten worden gebruikt; vraagt om een langetermijnstrategie en een duurzaam asiel-, migratie- en overnamebeleid op basis van gemeenschappelijke beginselen en solidariteit en met eerbiediging van de mensenrechten en de menselijke veiligheid; vraagt dat het Schengensysteem, de Europese grens- en kustwacht en Frontex worden versterkt; vraagt de Commissie in dit verband doeltreffende en duurzame oplossingen voor te stellen; is van mening dat de EU een meer praktische en alomvattende aanpak van de hulp aan Afrika, het Midden-Oosten en fragiele en voor oorlog vatbare landen en regio's moet stimuleren;

22.   is van mening dat inclusieve multilaterale diplomatie, gecoördineerd door en onder leiding van de VV/HV, essentieel is om zowel in het nabuurschap als wereldwijd conflicten op te lossen en met crises om te gaan; benadrukt dat er op EU-niveau, binnen de lidstaten en tussen de EDEO en de Commissie, meer strategische sturing, consistentie en positieve synergieën moeten worden ontwikkeld tussen de steeds nauwer met elkaar verweven maatregelen van extern optreden en van intern beleid;

•    Versterking van de multilaterale mondiale governance

23.   is van mening dat de EU op wereldvlak een constructieve en weerbare actor met een regionale focus moet zijn, die met de nodige civiele en militaire middelen is uitgerust, en dat zij moet ambiëren een "regelgever" te zijn, die bijdraagt tot het versterken van een efficiënte multilaterale mondiale governance, met als doel democratie, goed bestuur, de rechtsstaat en de mensenrechten te bevorderen; onderstreept dat het GVDB een essentieel instrument is om crises te voorkomen en op te lossen;

24.  verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten hun externe optreden op alomvattende / gezamenlijke / geïntegreerde wijze voort te zetten en rekening te houden met het onlosmakelijke verband tussen interne en externe veiligheid; vraagt de EU in dit verband synergieën te ontwikkelen tussen maatregelen ter bevordering van veiligheid, ontwikkeling, handel, mensenrechten, democratie en het externe optreden van de EU, en ervoor te zorgen dat deze beleidsmaatregelen op te nemen in haar algehele strategie; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat het EU-optreden op handelsgebied ook doelstellingen met betrekking tot non-proliferatie, bevordering van vrede en de eerbiediging van de mensenrechten helpt verwezenlijken;

25.  herinnert aan de aanzienlijke en toenemende rol die energiezekerheid zal spelen in de interne ontwikkeling van de EU en haar betrekkingen met lokale, regionale en internationale partners; vraagt dat de vijf pijlers van de energie-unie spoedig en volledig ten uitvoer worden gelegd; is van mening dat het in het strategisch belang van de EU is om de Commissie het prerogatief te verlenen om mee te onderhandelen over alle contracten betreffende energielevering uit en/of energieproductie in derde landen en om deze mee te ondertekenen;

26.  benadrukt dat er politieke wil in de lidstaten nodig is om meer flexibiliteit met betrekking tot het GVDB aan de dag te leggen, zodat er op dit gebied een echte dynamiek ontstaat; steunt de oprichting van een formele Raad van defensieministers en regelmatige vergaderingen van de Europese Raad over defensie; vraagt de lidstaten die dat willen, om een permanente gestructureerde samenwerking op het gebied van defensie (PESCO) op te zetten; benadrukt in dit verband dat structurele beperkingen met betrekking tot, met name, de beoordeling van de behoeften, de (civiele en militaire) capaciteiten en de gemeenschappelijke financiering moeten worden verholpen; is van mening dat gebruikmaking van permanente gestructureerde samenwerking op het gebied van defensie (PESCO) en artikel 44 VWEU de meest geschikte institutionele methoden vormen om dit gemeenschappelijk beleid op realistische wijze te bevorderen;

27.   steunt het principe dat de EU-lidstaten zich ertoe moeten verbinden om tegen 2024 2 % van hun bbp aan defensie te besteden, zodat de noodzakelijke en toereikende civiele en militaire capaciteiten kunnen worden opgebouwd om de doelstellingen van het GBVB/GVDB te verwezenlijken en zodat meer schaalvoordelen kunnen worden gecreëerd door gezamenlijke ontwikkeling, samenwerking en vermindering van de verschillen tussen de lidstaten;

28.  benadrukt dat meer samenwerking met mondiale en regionale actoren met betrekking tot wereldwijde bedreigingen en uitdagingen nodig is om wereldwijd een op regels gebaseerde orde te bewerkstellingen; meent dat samenwerking met geïnteresseerde regionale actoren rond specifieke sectorale thema's de mogelijkheid biedt om Europese waarden te delen, en bijdraagt tot groei en ontwikkeling; herinnert eraan dat wereldwijde bedreigingen vaak lokale oorzaken hebben en dat het vinden van een oplossing bijgevolg de betrokkenheid van lokale actoren vereist; merkt op dat nauwere betrekkingen met niet-overheidsactoren, lokale en regionale overheden en het maatschappelijk middenveld aangaan ook van groot belang is om te zorgen voor een alomvattende aanpak van wereldwijde uitdagingen zoals klimaatverandering en terrorisme, en dat de wijze waarop de EU partnerschappen bouwt en definieert, aan herziening toe is om de partners een groter gevoel van ownership te geven en om een aanpak met diverse belanghebbenden verder te integreren;

29.   is van mening dat de betrekkingen met belangrijke mondiale en regionale actoren – staten, organisaties en instellingen – gebaseerd moeten zijn op de grondbeginselen en strategische belangen van de EU, de eerbiediging van het internationaal recht, en welomschreven gemeenschappelijke doelstellingen en belangen, rekening houdend met hun strategische gewicht en hun potentiële bijdrage aan de aanpak van wereldwijde dreigingen en uitdagingen; is van mening dat strategische connectiviteitsprojecten een belangrijke rol kunnen spelen bij het opbouwen van sterke en stabiele betrekkingen met de belangrijke partners van Europa;

30.  dringt aan op nauwere betrekkingen met regionale machten en kaders met het oog op duurzame synergieën op het vlak van vrede, veiligheid, conflictpreventie en crisisbeheersing, en extra steun voor landen die door regionale crises zwaar onder druk staan, waaronder bijstand bij het opbouwen van veerkrachtige en stabiele instellingen en een inclusieve samenleving, zodat handelsakkoorden en sectorale overeenkomsten als hefboom kunnen dienen om veiligheid, stabiliteit en welvaart te bevorderen en alomvattende regionale strategieën na te streven;

31.  betreurt het dat autocratische en repressieve regimes er steeds beter in slagen om de mensenrechten, ontwikkeling, democratie en de ontwikkeling van een actief maatschappelijk middenveld te ondermijnen of te dwarsbomen; vraagt de VV/HV deze negatieve mondiale trend tegen te gaan in het kader van de algehele EU-strategie;

32.  merkt op dat de welvaart in de EU wordt bepaald door haar vermogen om innovatief en concurrerend te blijven en profijt te trekken van een snel veranderende mondiale economie; meent dat de EU al haar beleidsinstrumenten op coherente wijze moet gebruiken om gunstige externe voorwaarden te creëren voor een duurzame groei van de Europese economie; is van mening dat de EU een betrokken en actieve actor moet zijn, die vrije en eerlijke handel en investeringen, veilige handelskanalen en een betere markttoegang wereldwijd bevordert en die de stabiliteit van het mondiale financiële systeem vrijwaart door strenge normen inzake regelgeving en governance te promoten;

33.  merkt op dat de EU, om de bovenstaande doelstellingen te bereiken, haar samenwerking met een hervormde VN moet versterken en positie moet nemen om maatregelen te beïnvloeden en te sturen in de mondiale fora voor de governance van de gebieden waar de strategische belangen en de veiligheid van de EU in het spel zijn, haar partnerschappen met andere mondiale en regionale actoren moet verdiepen, haar strategische partnerschappen nieuw leven moet inblazen en die moet omvormen tot doeltreffende beleidsinstrumenten, met inbegrip van haar partnerschappen met niet-statelijke actoren; is van oordeel dat de EU ook de Europese diplomatie moet versterken, meer operationele capaciteiten moet opbouwen om conflicten te voorkomen, democratie en vrede te bevorderen, crises te beheren, en allianties te vormen door bemiddeling en dialoog, en het maatschappelijk middenveld moet versterken en empoweren; pleit voor nauwere samenwerking tussen de EU en de VN en tussen de EU en de Afrikaanse Unie bij vredesoperaties; benadrukt dat conflicten zoveel mogelijk via multilaterale overeenkomsten moeten worden opgelost, met inachtneming van de verschillende dimensies die deze interventies moeten omvatten op het vlak van vredeshandhaving en -afdwinging, duurzame ontwikkeling, het aanpakken van de oorzaken van migratie en eerbiediging van de mensenrechten;

34.  wijst op de essentiële rol die de EU speelt op het gebied van ontwikkelingshulp, en vraagt de lidstaten hun belofte na te komen om 0,7 % van hun bbp te besteden aan officiële ontwikkelingshulp; verzoekt de EU een meer pragmatische aanpak van de hulp te bevorderen door het gebruik van begrotingssteun aan te moedigen; vraagt de lidstaten alles in het werk te stellen om de doelstellingen van duurzame ontwikkeling te verwezenlijken;

35.  benadrukt dat ontwikkeling niet mogelijk is zonder veiligheid en dat veiligheid niet mogelijk is zonder ontwikkeling; wijst erop dat het ontwikkelingsbeleid van de EU daarom een essentieel onderdeel moet zijn van de algehele EU-strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid;

36.  is verheugd dat de nieuwe algehele EU-strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid beoogt alomvattend te zijn, de samenhang tussen interne en externe beleid te versterken en de coördinatie tussen de instellingen en met de lidstaten te verbeteren; herinnert aan de uit het Verdrag voortvloeiende verplichting om het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling in acht te nemen en tegenstrijdigheden tussen het ontwikkelingsbeleid en ander beleid dat op ontwikkelingslanden van invloed is, te vermijden; verzoekt de lidstaten en de Commissie daarom systemen voor de coördinatie tussen hun respectieve ministeries en binnen het volledige college van commissarissen op te zetten en te consolideren, en de nationale parlementen nog meer te betrekken bij de agenda voor beleidscoherentie voor ontwikkeling, en vraagt de EU te zorgen voor een sterker coördinatiemechanisme om te wijzen op de mogelijke effecten van beleidsmaatregelen op haar ontwikkelingsdoelstellingen, ontwikkelingsaspecten van meet af aan te integreren in beleidsinitiatieven, en het effect en de voortgang met betrekking tot beleidscoherentie voor ontwikkeling systematischer te meten; pleit in dit verband voor doeltreffende rechtsmiddelen voor slachtoffers in zaken waarin de nationale justitie duidelijk niet in staat is om te gaan met beleid dat door een buitenlandse entiteit ten uitvoer wordt gelegd;

37.  is ingenomen met het feit dat het verband tussen vrede en ontwikkeling in de nieuwe Agenda 2030 tot uiting komt en dat daardoor doelstelling 16 inzake duurzame ontwikkeling, die betrekking heeft op vrede en justitie, is opgenomen; verzoekt de EU en de lidstaten onder meer voorrang te geven aan activiteiten ter verwezenlijking van doelstelling 16 (mensenrechten, goed bestuur, vrede en democratieopbouw) en ervoor te zorgen dat deze bij de programmering van ontwikkelingssamenwerking worden aangemerkt als kernsectoren van de nationale indicatieve programma's (NIP's);

38.  vraagt om een herziening van de Europese consensus inzake ontwikkeling als belangrijke bijdrage tot een geactualiseerde, coherente algehele EU-strategie; benadrukt dat bij deze herziening rekening moet worden gehouden met nieuwe mondiale uitdagingen en de verwezenlijking binnen de EU van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, en opnieuw de nadruk moet worden gelegd op onderliggende waarden zoals de eerbiediging van de mensenrechten – met bijzondere aandacht voor de rechten van kwetsbare groepen zoals meisjes, vrouwen en mensen met een handicap, de democratie en de rechtsstaat – maar ook op essentiële beginselen voor de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, zoals eigen inbreng van de partnerlanden in hun ontwikkelingsstrategieën, een grotere verantwoordingsplicht van de nationale systemen van partnerlanden en differentiatie op basis van behoeften, maar ook prestatiecriteria op basis van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling; dringt erop aan dat de EU alles in het werk stelt om de complementariteit tussen alle actoren op het gebied van ontwikkeling te versterken, om zo het volledige potentieel van het Europese ontwikkelingsbeleid te benutten en de verwezenlijking van de ontwikkelingsagenda voor 2013 te versnellen;

39.  neemt met bezorgdheid kennis van de toename van onhoudbare schulden in zowel ontwikkelde als ontwikkelingslanden; verzoekt de Commissie het beginsel van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van kredietgevers en -nemers aan te scherpen en de beginselen van de Conferentie van de Verenigde Naties voor handel en ontwikkeling (UNCTAD) voor het verantwoordelijk verstrekken en opnemen van krediet op al haar beleidsterreinen daadwerkelijk in acht te nemen en te bevorderen; verzoekt de EU en haar lidstaten in dit verband constructief deel te nemen aan de werkzaamheden van de VN met het oog op een internationaal mechanisme voor de herschikking van staatsschulden;

40.  betreurt het dat er nog steeds geen regelgevend kader is voor de wijze waarop bedrijven omgaan met mensenrechten en verplichtingen inzake het respecteren van sociale en milieunormen, waardoor bepaalde landen en bedrijven deze straffeloos kunnen omzeilen; vraagt de EU en de lidstaten actief deel te nemen aan de werkzaamheden van de VN-Mensenrechtenraad en het Milieuprogramma van de VN met het oog op een internationaal verdrag waarmee transnationale ondernemingen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor mensenrechtenschendingen en schendingen van milieunormen;

41.  steunt het idee van het opnieuw definiëren van de betrekkingen van de EU met de landen van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen) door het beginsel van gelijke partners te versterken, de democratische beleidsruimte van de regeringen van soevereine landen voor het nemen van beleidsbeslissingen ten gunste van hun bevolking te eerbiedigen en het beginsel van goed bestuur en de mensenrechten op te waarderen tot essentiële onderdelen van de post-Cotonou-overeenkomst en door de doelstellingen van het EU-beleid voor ontwikkeling, handel, veiligheid, klimaatverandering en migratie doeltreffend nauwer op elkaar af te stemmen, met het oog op wederzijdse versterking; vraagt dat er met betrekking tot het Europees Ontwikkelingsfonds formele toetsingsbevoegdheden worden verleend, eventueel door een bindende interinstitutionele overeenkomst in het kader van artikel 295 van het Verdrag van Lissabon; vraagt om een eerlijk en ambitieus partnerschap tussen de EU en de ACS na 2020 dat gebaseerd is op de beginselen van eigen inbreng en wederzijds respect tussen partners met gelijke rechten en plichten, meer is toegespitst op gemeenschappelijke uitdagingen en belangen en beter is aangepast aan het bewerkstelligen van concrete veranderingen in de wensen van beide partijen en de uitdagingen waarmee zij worden geconfronteerd; verzoekt de EU de instrumenten voor de externe handel met de ACS-landen – met name de economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's) – te bevorderen, om zo concrete veranderingen te bewerkstelligen in de veiligheid en welvaart van beide partijen;

42.  benadrukt dat de EU haar inspanningen ter bevordering van economische ontwikkeling en veerkracht in haar nabuurschap en in regio's die voor haar van belang zijn, moet volhouden en verhogen; herinnert eraan dat kleine en middelgrote ondernemingen de meeste banen scheppen en dat het vergemakkelijken van hun activiteiten derhalve cruciaal is voor het bevorderen van toekomstige economische ontwikkeling;

43.  vraagt de VV/HV, de Commissie en de lidstaten een duidelijk verband te leggen tussen de algehele EU-strategie en de structuur en de prioriteiten van de EU-begroting, in meer eigen middelen te voorzien, de nodige middelen uit te trekken voor de uitvoering ervan, en worden uitgetrokken voor de tenuitvoerlegging ervan en de bestaande begrotingsmiddelen optimaal te benutten door betere samenwerking en gecoördineerd optreden op het gebied van diplomatie, ontwikkeling, handel, energie en defensie;

•  Zorgen voor betrokkenheid – de EU, nationale parlementen en burgers in Europa

44.  benadrukt dat de algehele strategie om de vijf jaar moet worden herzien, gelijktijdig met het nieuwe Europees Parlement en de nieuwe Commissie, zodat kan worden nagegaan of de doelstellingen en prioriteiten nog steeds aangepast zijn aan de dreigingen en de veiligheidsomgeving, en zodat de nieuwe VV/HV bij de herziening kan worden betrokken;

45.  benadrukt dat EU-maatregelen zijn onderworpen aan controle door het Parlement; benadrukt dat het Parlement een essentiële rol moet spelen bij het regelmatige en toezicht op het externe optreden van de EU-instellingen, en is van mening dat de nationale parlementen nauwer bij dit toezicht kunnen worden betrokken; herinnert eraan dat het Parlement een essentiële partner van de VV/HV is bij het vormgeven van de externe betrekkingen van de EU en het aanpakken van de huidige uitdagingen, onder meer door toezicht te houden op de maatregelen van het externe beleid van de EU; vraagt dat er jaarlijks een verslag over de uitvoering van de strategie wordt ingediend bij het Parlement;

46.  is van mening dat het Parlement zijn rol bij de inspanningen van de EU om conflicten te voorkomen, ten volle moet vervullen;

47.  benadrukt dat het belangrijk is de nationale parlementen actief bij het proces te betrekken door een grondigere collectieve controle samen met het Europees Parlement tijdens de zittingen van de interparlementaire conferentie voor het GBVB/GVDB;

48.  vraagt de Europese beleidsmakers met klem om met de burgers, het maatschappelijk middenveld, het bedrijfsleven en de lokale en regionale overheden in dialoog te gaan over de noodzaak en de voordelen van een sterker kader voor de veiligheid in Europa;

49.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden.

MINDERHEIDSSTANDPUNT

over de EU in een veranderende mondiale omgeving - een meer geconnecteerde, gecontesteerde en complexe wereld (2015/2272(INI))

Commissie buitenlandse zaken, rapporteur: Sandra Kalniete

Minderheidsstandpunt van de leden van de GUE/NGL-Fractie Sabine Lösing, Takis Hadjigeorgiou, Sofia Sakorafa en Javier Couso Permuy

Volgens het verslag moet de EU een "regelgever" worden, moeten alle beleidsinstrumenten worden gebruikt om vrijhandel te bevorderen en moet er actie worden ondernomen om de toevoer van energie en grondstoffen veilig te stellen. Er wordt gepleit voor verdere militarisering, strategische autonomie van de EU en nauwere samenwerking tussen de EU en de NAVO, en er wordt steun uitgesproken voor de Europese industriële en technologische defensiebasis (EDTIB) en de NATO-doelstelling om minimaal 2 % van het bbp aan defensie uit te geven. In het verslag wordt benadrukt dat interne en externe veiligheid moeten worden samengevoegd en dat handel, ontwikkeling en energiebeleid ondergeschikt zijn aan het GBVB/GVDB.

Wij zijn tegen dit verslag omdat daarin:

•  geen gewag wordt gemaakt van de negatieve/escalerende rol van de EU in de huidige conflicten (zuidelijk en oostelijk nabuurschap);

•  wordt gepleit voor permanente gestructureerde samenwerking (PESCO), nauwere samenwerking op defensiegebied en verdere militaire integratie via het Europees Defensieagentschap (EDA), en een sterker mandaat en meer middelen voor het Europees Defensieagentschap (EDA);

•  wordt gepleit voor meer uitgaven voor onderzoek op militair/defensiegebied in de EDTIB en de EU-defensiemarkt, wat neerkomt op massale steun voor het militair-industrieel complex;

•  wordt gevraagd dat de Europese pijler van de NAVO wordt versterkt en dat de EU-lidstaten hun NAVO-verbintenissen gestand doen, en steun wordt uitgesproken voor de EU-gevechtsgroepen en de NAVO-reactiemacht en het combineren daarvan, alsook voor permanent gebundelde multinationale militaire eenheden;

•  wordt gepleit voor een Europese inlichtingendienst en een militair hoofdkwartier van de EU.

Wij eisen:

-  een volledige (ook nucleaire) ontwapening op EU-niveau en wereldwijd;

-  dat geen militaire financiering (voor onderzoek) wordt verschaft uit de EU-begroting;

-  dat bij alle activiteiten het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht strikt geëerbiedigd worden;

-  een louter civiele en vreedzame benadering van conflictoplossing;

-  dat de EU zich van de NAVO afscheurt en dat de NAVO wordt ontbonden.

22.2.2016

ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking

aan de Commissie buitenlandse zaken

inzake de EU in een veranderende mondiale omgeving – een meer geconnecteerde, gecontesteerde en complexe wereld

(2015/2272(INI))

Rapporteur voor advies: Brian Hayes

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt dat ontwikkeling niet mogelijk is zonder veiligheid en dat veiligheid niet mogelijk is zonder ontwikkeling; wijst erop dat het ontwikkelingsbeleid van de EU daarom een essentieel onderdeel moet zijn van de algehele EU-strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid;

2.  is ingenomen met het feit dat met de nieuwe algehele EU-strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid wordt gestreefd naar een brede aanpak, een versterking van de samenhang tussen de interne en externe beleidsmaatregelen en een betere coördinatie tussen instellingen en met de lidstaten; herinnert aan de uit het Verdrag voortvloeiende verplichting om het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling in acht te nemen, en de tegenstrijdigheden tussen ontwikkelings- en ander beleid dat van invloed is op ontwikkelingslanden te vermijden; verzoekt de lidstaten en de Commissie daarom systemen voor de coördinatie tussen respectievelijk hun ministeries en het gehele college van commissarissen op te zetten en te consolideren, en nationale parlementen verder te betrekken bij de agenda op het vlak van beleidscoherentie voor ontwikkeling; roept de EU op te zorgen voor een krachtiger coördinatiemechanisme voor het vaststellen van de mogelijke effecten van beleid op haar ontwikkelingsdoelstellingen, ontwikkelingsaspecten van meet af aan op te nemen in beleidsinitiatieven, en de effecten en de voortgang met betrekking tot beleidscoherentie voor ontwikkeling systematischer te meten; pleit in dit verband voor doeltreffende rechtsmiddelen voor slachtoffers in zaken waarin de nationale rechtsmacht duidelijk niet in staat is om te gaan met beleid dat door een buitenlandse entiteit ten uitvoer wordt gelegd;

3.  is ingenomen met het feit dat het verband tussen vrede en ontwikkeling naar behoren tot uiting komt in de nieuwe agenda 2030 en dat doelstelling 16 inzake duurzame ontwikkeling, die betrekking heeft op vrede en justitie, is ingevoerd; verzoekt de EU en de lidstaten voorrang te geven aan onder meer activiteiten die betrekking hebben op de verwezenlijking van doelstelling 16 (mensenrechten, goed bestuur, vrede en democratie-opbouw) en om ervoor te zorgen dat deze bij de programmering van ontwikkelingssamenwerking worden aangemerkt als kernsectoren van de nationale indicatieve programma's (NIP's);

4.  onderstreept dat de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling – met name de bevordering van goed bestuur, mensenrechten, democratie en justitie, de bestrijding van armoede, de vermindering van ongelijkheid en sociale uitsluiting, het aanpakken van werkloosheid en belemmeringen voor duurzame en inclusieve economische groei die de gehele bevolking ten goede komt, en verbetering van de gezondheid, gendergelijkheid en het onderwijs – bijdraagt tot het aanpakken van de diepere oorzaken van de recente uitdagingen op het gebied van migratie; benadrukt in dit verband dat de instrumenten voor ontwikkelingssamenwerking en vredeshandhaving moeten worden versterkt en dat innovatieve en soepele financieringsmechanismen moeten worden ontwikkeld, bijvoorbeeld een nieuw speciaal financieringsmechanisme naast de bestaande instrumenten voor ontwikkelingssamenwerking; verzoekt de Europese Unie meer dan ooit een voortrekkersrol te spelen op het gebied van de verdediging van de belangen van ontwikkelingslanden;

5.  dringt aan op een herziening van de Europese consensus inzake ontwikkeling als een belangrijke bijdrage tot een geactualiseerde, coherente algehele EU-strategie; benadrukt dat bij een dergelijke herziening rekening moet worden gehouden met nieuwe mondiale uitdagingen en de verwezenlijking binnen de EU van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, en opnieuw de nadruk moet worden gelegd op de onderliggende waarden, zoals de eerbiediging van de mensenrechten – met bijzondere aandacht voor de rechten van kwetsbare groepen zoals meisjes, vrouwen en mensen met een handicap, de democratie en de rechtsstaat – maar ook op essentiële beginselen voor de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, zoals eigen inbreng van de partnerlanden in hun ontwikkelingsstrategieën, een grotere verantwoordingsplicht van de nationale stelsels van partnerlanden en differentiatie op basis van behoeften, en prestatiecriteria op basis van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling; dringt erop aan dat de EU alles in werking stelt om de complementariteit tussen alle actoren op het gebied van ontwikkeling te versterken, om zo het volledige potentieel van het Europese ontwikkelingsbeleid te benutten en de verwezenlijking van de ontwikkelingsagenda voor 2013 te versnellen;

6.  neemt met bezorgdheid kennis van de toename van onhoudbare schulden in zowel ontwikkelde als ontwikkelingslanden; verzoekt de Commissie het beginsel van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van kredietgevers en -nemers aan te scherpen, en de beginselen van de Conferentie van de Verenigde Naties voor handel en ontwikkeling (UNCTAD) voor het verantwoordelijk verstrekken en opnemen van krediet op al haar beleidsterreinen daadwerkelijk in acht te nemen en te bevorderen; verzoekt de EU en haar lidstaten in dit verband constructief deel te nemen aan de werkzaamheden van de VN met het oog op een internationaal mechanisme voor de herschikking van staatsschulden;

7.  betreurt dat er nog steeds geen regelgevend kader is met betrekking tot de wijze waarop bedrijven omgaan met mensenrechten en verplichtingen inzake het respecteren van sociale en milieunormen, waardoor bepaalde landen en bedrijven deze straffeloos kunnen omzeilen; roept de EU en de lidstaten op om actief deel te nemen aan de werkzaamheden van de VN-Mensenrechtenraad en het Milieuprogramma van de VN voor een internationaal verdrag waarmee transnationale ondernemingen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor mensenrechtenschendingen en schendingen van milieunormen;

8.  steunt het idee van het opnieuw definiëren van de betrekkingen van de EU met de landen van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen) door het beginsel van gelijke partners te versterken, de democratische beleidsruimte van de regeringen van soevereine landen voor het nemen van beleidsbeslissingen ten gunste van hun bevolking te eerbiedigen en het beginsel van behoorlijk bestuur en de mensenrechten op te waarderen tot essentiële onderdelen van de post-Cotonou-overeenkomst en door de doelstellingen van het EU-beleid voor ontwikkeling, handel, veiligheid, klimaatverandering en migratie doeltreffend nauwer op elkaar af te stemmen, met het oog op wederzijdse versterking; dringt aan op de instelling van formele toetsingsbevoegdheden met betrekking tot het Europees Ontwikkelingsfonds, mogelijkerwijs via een bindende interinstitutionele overeenkomst in het kader van artikel 295 van het Verdrag van Lissabon; roept op tot een eerlijk en ambitieus partnerschap tussen de EU en de ACS na 2020 dat gebaseerd is op de beginselen van eigen inbreng en wederzijds respect tussen partners met gelijke rechten en plichten, meer is toegespitst op gemeenschappelijke uitdagingen en belangen en beter is aangepast aan het bewerkstelligen van concrete veranderingen in de wensen van beide partijen en de uitdagingen waarmee zij worden geconfronteerd; verzoekt de Europese Unie de instrumenten voor de externe handel met de ACS-landen – met name de economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's) – te bevorderen, om zo concrete veranderingen te bewerkstelligen in de veiligheid en welvaart van beide partijen;

9.  acht het belangrijk dat ontwikkelingslanden een grotere rol gaan spelen in internationale fora, zoals de VN, met het oog op een eerlijkere behartiging van belangen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

17.2.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

25

1

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Louis Aliot, Beatriz Becerra Basterrechea, Ignazio Corrao, Nirj Deva, Doru-Claudian Frunzulică, Nathan Gill, Charles Goerens, Enrique Guerrero Salom, Heidi Hautala, Maria Heubuch, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Stelios Kouloglou, Arne Lietz, Linda McAvan, Maurice Ponga, Cristian Dan Preda, Lola Sánchez Caldentey, Elly Schlein, Pedro Silva Pereira, Davor Ivo Stier, Paavo Väyrynen, Bogdan Brunon Wenta, Rainer Wieland, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Juan Fernando López Aguilar, Jan Zahradil, Joachim Zeller

BIJLAGE: BRIEF VAN DE COMMISSIE INTERNATIONALE HANDEL

FL/UR

EXPO-COM-INTA D(2016)4465

De heer Elmar BROK

Voorzitter van de Commissie AFET

Lid van het Europees Parlement

Betreft: Initiatiefverslag van AFET over "De EU in een veranderende mondiale omgeving – een meer geconnecteerde, gecontesteerde en complexe wereld": zorgen voor samenhang tussen de algehele EU-veiligheidsstrategie en het EU-handelsbeleid

Geachte voorzitter,

In juni 2015 heeft de Europese Raad de vicevoorzitter van de Europese Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) verzocht een algehele EU-strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid op te stellen. Deze algehele strategie moet de EU een strategische leidraad bieden om te reageren op de ingrijpende veranderingen in de wereldwijde aangelegenheden die zich hebben voorgedaan sinds de aanneming van de Europese veiligheidsstrategie in 2003. Daartoe heeft VV/HV Mogherini een periode van strategische reflectie aangevat, die moet leiden tot de aanneming van een nieuwe algehele EU-veiligheidsstrategie in juni 2016.

In september 2015 heeft de Commissie buitenlandse zaken (AFET), waarvan u voorzitter bent, besloten een bijdrage aan deze reflectie te leveren een initiatiefverslag over deze kwestie op te stellen, met als titel "De EU in een veranderende mondiale omgeving – een meer geconnecteerde, gecontesteerde en complexe wereld" (rapporteur: Sandra Kalniete (PPE, LV)), waarvoor de Conferentie van commissievoorzitters op 22 oktober 2015 toestemming heeft gegeven. Dit verslag betreft vooral veiligheidskwesties die onder de bevoegdheid van de Commissie AFET (en haar betreffende subcommissies) vallen. Daarom heeft de Commissie internationale handel (INTA) besloten geen advies uit te brengen over dit verslag.

Artikel 21 van het Verdrag van Lissabon bepaalt dat de EU zorgt voor de samenhang van haar gehele externe optreden in het kader van haar beleid inzake externe betrekkingen, veiligheid, economie en ontwikkeling. De Commissie INTA is zich er ten volle van bewust hoe belangrijk het is te zorgen voor een sterke, gecoördineerde aanpak van de verschillende onderdelen van het externe optreden van de EU. Daarbij is nauwe samenwerking tussen onze commissies van essentieel belang om bij te dragen tot een alomvattende aanpak van het externe beleid van de EU.

Het spreekt vanzelf dat er een sterke samenhang is tussen een toekomstige EU-veiligheidsstrategie – die hoofdzakelijk onder de bevoegdheid van de Commissie AFET (en haar betreffende subcommissies) valt – en het EU-handelsbeleid, dat voornamelijk onder de bevoegdheid van de Commissie internationale handel (INTA) valt. Niet alleen is de wereld sinds 2003 drastisch veranderd, maar ook de externe betrekkingen van de EU hebben sinds de aanneming van het Verdrag van Lissabon een hele ontwikkeling doorgemaakt. Het Verdrag van Lissabon heeft niet alleen het Europees Parlement meer bevoegdheden gegeven inzake het handelsbeleid van de EU, maar heeft ook het toepassingsgebied van het handelsbeleid uitgebreid met directe buitenlandse investeringen. Daardoor beschikt het handelsbeleid van de EU over een grotere hefboom om onze externe betrekkingen te beïnvloeden. De besluitvormers van het EU-handelsbeleid zijn zich steeds meer bewust van de impact ervan op mondiale veiligheidskwesties, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de recente mededeling van de Commissie met als titel "Handel voor iedereen – naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid"(6), waarin met name wordt gewezen op de rol die het EU-handelsbeleid kan spelen bij de bevordering van duurzame ontwikkeling, mensenrechten en goed bestuur. Recente handelsinitiatieven, zoals de invoering van urgente autonome handelsmaatregelen ten gunste van de Republiek Tunesië(7), tonen aan dat het handelsbeleid onder bepaalde omstandigheden kan worden gebruikt om de doelstellingen van het Europese veiligheidsbeleid te ondersteunen. Anderzijds houdt een nieuwe EU-veiligheidsstrategie de mogelijkheid in om de weg te effenen voor de ontwikkeling van verdere economische betrekkingen en nieuwe kansen te scheppen om onze handelsbetrekkingen te intensiveren.

Daarom moeten het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU, waaraan de Commissie AFET met haar parlementaire werkzaamheden bijdraagt, en het EU-handelsbeleid, waarvoor de Commissie INTA medewetgever is en dat zij door haar parlementaire werkzaamheden vormgeeft, op wederzijds versterkende wijze worden gevoerd, rekening houdend met mogelijke synergieën. Als voorzitter van de Commissie INTA moedig ik de Commissie AFET aan om hiermee rekening te houden bij haar werkzaamheden met betrekking tot het AFET-verslag over de "algehele EU-strategie".

Ik kijk ernaar verder met u samen te werken om samenhang in het externe beleid van de EU te brengen en verdere synergieën te ontwikkelen tussen de twee beleidsgebieden waarvoor onze respectieve commissies bevoegd zijn.

Met vriendelijke groet,

Bernd LANGE

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

22.3.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

33

14

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Michèle Alliot-Marie, Petras Auštrevičius, Klaus Buchner, Fabio Massimo Castaldo, Lorenzo Cesa, Javier Couso Permuy, Andi Cristea, Arnaud Danjean, Georgios Epitideios, Knut Fleckenstein, Eugen Freund, Richard Howitt, Sandra Kalniete, Manolis Kefalogiannis, Tunne Kelam, Afzal Khan, Janusz Korwin-Mikke, Andrey Kovatchev, Eduard Kukan, Ryszard Antoni Legutko, Arne Lietz, Barbara Lochbihler, Andrejs Mamikins, Ramona Nicole Mănescu, David McAllister, Francisco José Millán Mon, Pier Antonio Panzeri, Vincent Peillon, Alojz Peterle, Tonino Picula, Cristian Dan Preda, Jozo Radoš, Sofia Sakorafa, Jaromír Štětina, Charles Tannock

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Reinhard Bütikofer, Neena Gill, Ana Gomes, András Gyürk, Takis Hadjigeorgiou, Liisa Jaakonsaari, Antonio López-Istúriz White, Urmas Paet, Jean-Luc Schaffhauser, Igor Šoltes, Paavo Väyrynen

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Emilian Pavel, Judith Sargentini

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0213.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0019.

(3)

PB L 266 van 13.10.2015, blz. 55.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0470.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0472.

(6)

Door de Commissie goedgekeurd op 14 oktober 2015.

(7)

Dit voorstel van de Commissie is op 25 januari 2016 door de Commissie INTA aangenomen (met amendementen).

Juridische mededeling