Procedure : 2013/0014(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0073/2016

Ingediende teksten :

A8-0073/2016

Debatten :

PV 28/04/2016 - 3
CRE 28/04/2016 - 3

Stemmingen :

PV 28/04/2016 - 4.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0143

AANBEVELING VOOR DE TWEEDE LEZING     ***II
PDF 385kWORD 92k
31.3.2016
PE 575.347v02-00 A8-0073/2016

betreffende het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Spoorwegbureau van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 881/2004

(10578/1/2015 – C8-0415/2015 – 2013/0014(COD))

Commissie vervoer en toerisme

Rapporteur: Roberts Zīle

AMENDEMENTEN
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Spoorwegbureau van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 881/2004

(10578/1/2015 – C8-0415/2015 – 2013/0014(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het standpunt van de Raad in eerste lezing (10578/1/2015 – C8-0415/2015),

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door het Litouwse parlement, de Roemeense Senaat en de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 juli 2013(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 8 oktober 2013(2),

–  gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(3) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0027),

–  gezien artikel 294, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 76 van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0073/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad in eerste lezing;

2.  neemt kennis van de verklaringen van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie zijn gevoegd;

3.  constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het standpunt van de Raad;

4.  stelt voor om naar de handeling te verwijzen als 'de verordening Zīle-Matīss betreffende het Spoorwegbureau van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 881/2004'(4);

5.  verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 297, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te ondertekenen;

6.  verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

7.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Commissie betreffende de raad van bestuur van het Europees Spoorwegbureau (ESB) en de procedure tot aanstelling en ontslag van de uitvoerend directeur

De Commissie betreurt het dat de tekst van de nieuwe verordening inzake het Europees Spoorwegbureau waarover overeenstemming is bereikt, in tegenstelling tot het oorspronkelijke voorstel van de Commissie, afwijkt van de in 2012 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie goedgekeurde gemeenschappelijke aanpak voor gedecentraliseerde EU-agentschappen. De afwijkingen hebben betrekking op het aantal vertegenwoordigers van de Commissie in de raad van bestuur en de procedure voor de aanstelling en het ontslag van de uitvoerend directeur. De Commissie benadrukt dat de aanstelling van een lid van de raad van bestuur als waarnemer bij de door de Commissie georganiseerde procedure voor de aanstelling van een uitvoerend directeur niet tot overlappende rollen mag leiden bij de selectie- en aanstellingsprocedure (artikel 51, lid 1).

Verklaring van de Commissie betreffende de vereiste budgettaire middelen

In het kader van het vierde spoorwegpakket krijgt het Europees Spoorwegbureau nieuwe bevoegdheden, met name de rechtstreekse verlening van voertuigvergunningen en veiligheidscertificaten aan de sector. In de overgangsperiode bestaat het risico dat het Bureau nog geen vergoedingen en heffingen ontvangt, terwijl het wel al personeel moet aanwerven en opleiden. Om een verstoring van de spoorwegmarkt te vermijden, zal de Commissie de nodige middelen proberen beschikbaar te stellen om de kosten van die personeelsleden te dekken.

TOELICHTING

1. De technische pijler van het vierde spoorwegpakket.

De vorige drie 'spoorwegpakketten' hadden al substantiële wijzigingen met zich meegebracht om de Europese spoorwegen concurrerender en meer interoperabel te maken, zonder afbreuk te doen aan het hoge veiligheidsniveau. Deze sector heeft echter nog steeds te kampen met obstakels voor de concurrentie, met discriminatie en het ontbreken van een geliberaliseerde, dynamische en bedrijfsvriendelijke omgeving. Er zijn te veel verschillende nationale regelingen, met onvoldoende transparante procedures en normen.

De Commissie heeft dit vierde spoorwegpakket ingediend om de prestaties en het concurrentievermogen van deze sector en de kwaliteit en de efficiëntie van spoorwegdiensten te verbeteren. Het voorstel voor een verordening betreffende het Spoorwegbureau van de Europese Unie (ESB) vormt samen met de voorgestelde herschikkingen van Richtlijn 2004/49/EG betreffende de veiligheid van het spoor en Richtlijn 2008/57/EG (interoperabiliteit) de technische pijler van het pakket.

Met deze pijler wordt gestreefd naar een verbetering van de technische compatibiliteit van infrastructuur, rollend materieel, signalering en andere onderdelen van het spoorwegsysteem, en naar de vereenvoudiging van de goedkeuringsprocedures voor het gebruik van rollend materieel op het hele Europese spoorwegnet. De drie voorstellen zijn nauw met elkaar verbonden, niet in de laatste plaats omdat veel van de taken van het ESB zijn vastgelegd in de richtlijnen.

2. De prioriteiten van het Parlement

Het Parlement is altijd voorstander geweest van een grotere integratie van de Europese spoorwegruimte, omdat het deze vorm van vervoer ziet als een duurzame bijdrage aan banen en groei. Het Parlement wilde in eerste lezing de rol van het ESB verduidelijken, waarbij gezocht werd naar oplossingen om de kosten en de administratieve rompslomp terug te dringen en voordelen te bieden aan alle belanghebbenden. Het doel was om te zorgen voor een beter ondernemingsklimaat en betere concurrentiemogelijkheden voor alle marktdeelnemers, en daardoor hogere kwaliteit en goedkopere dienstverlening te kunnen bieden aan de eindgebruikers, zowel voor goederen- als voor passagiersvervoer.

De amendementen van het Parlement waren dan ook gericht op:

•  het uitwerken van een gemeenschappelijke benadering van de voorschriften inzake veiligheid en interoperabiliteit om schaalvoordelen te realiseren voor spoorwegondernemingen in de gehele EU;

•  de mogelijkheid voor het ESB om efficiënte en klantvriendelijke procedures voor vergunning en certificering aan te bieden, waaronder een éénloketsysteem;

•   de garantie dat de methode voor de goedkeuring van bepaalde onderdelen van het European Rail Traffic Management System (ERTMS) één Europees systeem oplevert in plaats van een veelvoud aan nationale systemen;

•  de aanpak van potentiële belangenconflicten; en

•  het versnellen van de administratieve procedures en het voorkomen van verkapte discriminatie.

Men was er tevens op gebrand dat er in het pakket rekening zou worden gehouden met de specifieke situatie van spoorwegnetten met een spoorbreedte die afwijkt van de Europese norm van 1 435 mm, met name in de Baltische staten en Finland. Deze spoorwegnetten zijn goed geïntegreerd als onderdeel van de spoorbreedte van 1 520 mm die Rusland en de GOS-landen omvat, maar zijn afgesloten van het belangrijkste spoorwegnet van de EU.

Verder streefden de drie rapporteurs ernaar om een consistente aanpak te hanteren, gezien de vele dwarsverbanden tussen de drie voorstellen.

3. Een zwaarbevochten akkoord

Aan het eind van de informele onderhandelingen tussen het Parlement en de Raad, die negen maanden duurden, is er een akkoord bereikt waarmee:

•  er geen behoefte meer zal zijn aan meerdere aanvragen: het ESB zal verantwoordelijk zijn voor de afgifte van alle vergunningen voor voertuigen die bestemd zijn voor grensoverschrijdende activiteiten, en van alle veiligheidscertificaten voor spoorwegondernemingen die grensoverschrijdende diensten verrichten. Voor voertuigen en exploitanten die uitsluitend te maken hebben met binnenlands vervoer, zal de aanvrager kunnen kiezen of hij zijn aanvraag aan het ESB of aan de nationale instantie voorlegt;

•  het ESB een grotere rol krijgt bij de ontwikkeling van het ERTMS. Om ervoor te zorgen dat projecten interoperabel zijn, zal het ESB de voorziene technische oplossingen beoordelen voordat er oproepen tot het indienen van voorstellen met betrekking tot ERTMS-baanapparatuur worden gedaan;

•  het ESB een "éénloketsysteem" kan opzetten dat als centraal indienpunt zal fungeren voor alle aanvragen. Dit informatie- en communicatiesysteem zal de procedures eenvoudig en transparant maken. Hiermee zullen zowel het Bureau als de nationale veiligheidsinstanties de verschillende stadia van de hele aanvraagprocedure kunnen volgen;

•  er samenwerkingsovereenkomsten zullen worden gesloten tussen het ESB en nationale veiligheidsinstanties. In combinatie met de éénloketsystemen zullen deze overeenkomsten zorgen voor een duidelijke taakverdeling tussen de Europese en nationale instanties. Tevens wordt hiermee de consistentie gewaarborgd als er verschillende aanvragen zijn voor soortgelijke vergunningen of certificeringen; en

•  van de raad van bestuur van het ESB wordt geëist dat deze regels vaststelt voor de preventie en beheersing van belangenverstrengeling, en procedures opstelt voor de samenwerking met de nationale gerechtelijke instanties.

4. Volgende stappen

Deze overeenkomst zal naar verwachting extra schaalvoordelen creëren voor spoorwegondernemingen en fabrikanten in de EU. Hierdoor zullen de administratieve kosten lager worden en de procedures sneller, zonder afbreuk te doen aan het huidige hoge veiligheidsniveau. Tegelijkertijd zal mede hierdoor verkapte discriminatie voorkomen worden, met name van nieuwe ondernemingen die zich op een markt willen begeven. Ook zal het aantal nationale regels op gebieden waar de geharmoniseerde regelgeving op EU-niveau wordt ingevoerd aanzienlijk beperkt worden.

Om echter de volledige doeltreffendheid ervan te waarborgen, zullen het ESB en nationale instanties nauw samen moeten werken door expertise en informatie uit te wisselen. Een sterk, goed toegerust en efficiënt spoorwegbureau is weliswaar een essentiële voorwaarde voor de ontwikkeling en het functioneren van de Europese spoorwegmarkt, maar het ESB hoeft niet te proberen alles zelf te doen.

Tegelijkertijd moeten de nationale instanties inzien hoe belangrijk het is om met het ESB en met elkaar samen te werken teneinde een geïntegreerd, dynamisch en grensoverschrijdend spoorwegsysteem tot stand te brengen. Deze behoefte aan samenwerking is zelfs nog groter in landen die gebruikmaken van de spoorbreedte van 1 520 mm aangezien zij een multilaterale overeenkomst moeten sluiten met het ESB om de voorwaarden te bepalen op grond waarvan een voertuigvergunning ook geldig is in de andere landen in kwestie. Pas als deze multilaterale overeenkomst gesloten is, kan de regio volledig profiteren van de extra flexibiliteit die de technische pijler biedt, met het doel om de financiële en administratieve lasten voor de aanvrager in dergelijke gevallen te verlagen.

PROCEDURE VAN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Titel

Spoorwegbureau van de Europese Unie en intrekking van Verordening (EG) nr. 881/2004

Document- en procedurenummers

10578/1/2015 – C8-0415/2015 – 2013/0014(COD)

Datum eerste lezing EP – P-nummer

26.2.2014                     T7-0151/2014

Voorstel van de Commissie

COM(2013)0027 - C7-0029/2013

Datum bekendmaking ontvangst standpunt van de Raad in eerste lezing

4.2.2016

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

TRAN

4.2.2016

 

 

 

Rapporteurs

       Datum benoeming

Roberts Zīle

16.7.2014

 

 

 

Behandeling in de commissie

16.2.2016

 

 

 

Datum goedkeuring

15.3.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

38

2

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Lucy Anderson, Inés Ayala Sender, Georges Bach, Izaskun Bilbao Barandica, Deirdre Clune, Michael Cramer, Luis de Grandes Pascual, Andor Deli, Karima Delli, Isabella De Monte, Ismail Ertug, Dieter-Lebrecht Koch, Stelios Kouloglou, Merja Kyllönen, Miltiadis Kyrkos, Peter Lundgren, Marian-Jean Marinescu, Georg Mayer, Gesine Meissner, Cláudia Monteiro de Aguiar, Jens Nilsson, Markus Pieper, Salvatore Domenico Pogliese, Tomasz Piotr Poręba, Gabriele Preuß, Dominique Riquet, Massimiliano Salini, David-Maria Sassoli, Claudia Schmidt, Jill Seymour, Keith Taylor, Pavel Telička, Peter van Dalen, Wim van de Camp, Kosma Złotowski, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Francisco Assis, Rosa D’Amato, Karoline Graswander-Hainz, Werner Kuhn, Franck Proust

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Mylène Troszczynski

Datum indiening

31.3.2016

(1)

PB C 327 van 12.11.2013, blz. 122.

(2)

PB C 356 van 5.12.2013, blz. 92.

(3)

Aangenomen teksten van 26.2.2014, P7_TA(2014)0151.

(4)

Roberts Zīle en Anrijs Matīss hebben namens het Parlement respectievelijk de Raad de onderhandelingen over de handeling geleid.

Juridische mededeling