Procedure : 2015/2156(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0101/2016

Ingediende teksten :

A8-0101/2016

Debatten :

PV 27/04/2016 - 17
CRE 27/04/2016 - 17

Stemmingen :

PV 28/04/2016 - 4.15
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0151

VERSLAG     
PDF 452kWORD 98k
7.4.2016
PE 571.517v02-00 A8-0101/2016

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling II – Europese Raad en Raad

(2015/2156(DEC))

Commissie begrotingscontrole

Rapporteur: Ryszard Czarnecki

 1. ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT


1. ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling II – Europese Raad en Raad

(2015/2156(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014 (COM(2015)0377 – C8-0201/2015)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014, tezamen met de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2014 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd(4), overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name de artikelen 55, 99, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie constitutionele zaken (A8-0101/2016),

1.  stelt zijn besluit tot verlening van kwijting aan de secretaris-generaal van de Raad voor de uitvoering van de begroting van de Europese Raad en de Raad voor het begrotingsjaar 2014 uit;

2.  formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer, de Europese ombudsman, de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming en de Europese Dienst voor extern optreden, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2. ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling II – Europese Raad en Raad

(2015/2156(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling II – Europese Raad en Raad,

–  gezien artikel 94 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie constitutionele zaken (A8-0101/2016),

A.  overwegende dat transparantie en toetsing van de overheidsfinanciën algemene democratische beginselen vormen die ook op de Unie van toepassing zijn;

B.  overwegende dat de kwijtingsprocedure deel uitmaakt van het concept van representatieve democratie;

C.  overwegende dat het Europees Parlement uit hoofde van artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) als enige bevoegd is tot het verlenen van kwijting voor de tenuitvoerlegging van de algemene begroting van de Europese Unie;

D.  overwegende dat de begroting van de Raad een onderdeel vormt van de begroting van de Europese Unie;

E.  overwegende dat de Commissie uit hoofde van artikel 319, lid 2, van het VWEU het Europees Parlement op diens verzoek alle nodige informatie moet verstrekken met betrekking tot de uitgaven en de werking van de systemen voor financiële controle;

F.  overwegende dat elk van de instellingen van de Unie overeenkomstig artikel 335 VWEU administratieve autonomie bezit, en dat de instellingen overeenkomstig artikel 55 van het Financieel Reglement individueel verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van hun afdelingen van de begroting;

G.  overwegende dat het Parlement bij gebrek aan de nodige informatie niet in staat is met kennis van zaken een besluit te nemen over de verlening van kwijting;

H.  overwegende dat juridische en academische deskundigen tijdens de workshop van het Europees Parlement op 27 september 2012 over het recht van het Parlement om kwijting te verlenen aan de Raad, het recht van het Parlement op informatie benadrukten;

1.  merkt op dat de Rekenkamer op basis van haar controlewerkzaamheden heeft geconcludeerd dat de betalingen als geheel over het per 31 december 2014 afgesloten jaar met betrekking tot de administratieve en andere uitgaven van de instellingen en organen geen materiële fouten vertonen;

2.  neemt ter kennis dat de Rekenkamer in haar jaarverslag van 2014 opmerkt dat met betrekking tot de gecontroleerde aspecten voor de Europese Raad en de Raad een klein aantal fouten is vastgesteld wat betreft de berekening van personeelskosten, evenals enkele tekortkomingen in het beheer van de gezinstoelagen;

3.  verzoekt de Europese Raad en de Raad de vastgestelde tekortkomingen beter te beheren en de door de Rekenkamer vastgestelde fouten te corrigeren;

4.  merkt op dat de Europese Raad en de Raad in 2014 een totale begroting hadden van 534 200 000 EUR (535 511 300 EUR in 2013) met een uitvoeringspercentage van 91,3 %; stelt vast dat het bestedingspercentage in 2014 is gestegen;

5.  neemt ter kennis dat de begroting van de Raad voor 2014 met 1,3 miljoen EUR (-0,2 %) is afgenomen;

6.  blijft zich zorgen maken over het hoge niet-bestede percentage, dat betrekking heeft op bijna alle categorieën; wijst nogmaals op zijn verzoeken om kernprestatie-indicatoren te ontwikkelen voor het verbeteren van de begrotingsprogrammering;

7.  is verontrust over het zeer hoge aantal kredieten die van 2014 naar 2015 zijn overgedragen, met name wat de materiële vaste activa betreft; is er stellig van overtuigd dat de terugkerende tendens van het overdragen van kredieten indruist tegen de beginselen van jaarperiodiciteit en goed financieel beheer van het Financieel Reglement;

8.  is van oordeel dat de omvangrijke overdrachten binnen begrotingslijnen door de Raad voorkomen zouden kunnen worden door betere begrotingsprogrammering;

9.  herhaalt dat de begroting van de Europese Raad en die van de Raad moeten worden gescheiden, voor een transparanter financieel beheer van de instellingen en om ervoor te zorgen dat beide instellingen beter aan hun verantwoordingsplicht kunnen voldoen;

10.  stelt met nadruk dat de Raad net als de overige instellingen verantwoordingsplichtig en transparant moet zijn; roept de Raad op zich aan te sluiten bij het transparantieregister van de Unie;

11.  verzoekt de Europese Raad en de Raad nogmaals om het Parlement hun jaarlijks activiteitenverslag toe te zenden met een volledig overzicht van al het personeel waarover beide instellingen beschikken, opgesplitst naar categorie, rang, geslacht, nationaliteit en gevolgde beroepsopleiding;

12.  stelt dat de jaarverslagen van de instellingen en agentschappen van de Unie een belangrijke rol kunnen vervullen bij de naleving van de normen inzake transparantie, verantwoordingsplicht en integriteit; dringt er bij de instellingen en agentschappen van de Unie op aan dat zij in hun jaarverslagen een vast hoofdstuk over deze punten opnemen;

13.  betreurt het dat de Raad nog steeds geen gedragscode heeft aangenomen; is van mening dat alle instellingen en agentschappen van de Unie het eens dienen te worden over een gemeenschappelijke gedragscode, die immers onmisbaar is voor de transparantie, de verantwoordelijkheid en de integriteit van deze instellingen; roept de instellingen en organen van de Unie die nog steeds geen gedragscode hebben dringend op om zo spoedig mogelijk een dergelijk document op te stellen;

14.  roept de Raad op zonder verder uitstel interne regels inzake klokkenluiders toe te passen;

15.  dringt aan op publicatie op internet van een heldere verklaring betreffende de financiële belangen van de leden van de Raad van de Europese Unie;

16.  neemt met bezorgdheid kennis van het feit dat er geen regels inzake integriteit, verklaringen omtrent belangen of gedetailleerde biografische gegevens bestaan voor de voorzitter van de Europese Unie en de leden van zijn kabinet; stelt verder vast dat er geen algemene integriteitsregels zijn voor de nationale vertegenwoordigers in de Raad; roept de Raad op maatregelen te ontwikkelen om deze situatie recht te trekken en hierover verslag uit te brengen aan de kwijtingsautoriteit;

17.  is ingenomen met de ontwerpverordening van de Raad over de regeling inzake de salarissen van hooggeplaatste ambtsdragers in de Unie en de daarin voorziene bezuinigingen;

18.  spoort de Raad aan gedetailleerde anticorruptierichtsnoeren en onafhankelijke beleidsmaatregelen binnen zijn structuur te ontwikkelen;

19.  stelt met bezorgdheid vast dat er een verontrustend gebrek aan transparantie heerst wat betreft het wetgevingsproces, de onderhandelingen, de standpunten van de lidstaten en de vergaderingen binnen de Raad; spoort de Raad dringend aan de desbetreffende documenten publiek te maken en een duidelijk verslagleggingssysteem in te voeren dat het publiek in staat stelt het wetgevingsproces op open en transparante wijze te volgen;

20.  is verontrust over het gebrek aan transparantie ten aanzien van de trialogen en de bemiddelingsvergaderingen; roept de Raad op de transparantie en integriteit met betrekking tot de onderhandelingen stelselmatig te vergroten;

21.  erkent de door het Interinstitutioneel Comité voor vertaling en vertolking behaalde resultaten bij het ontwikkelen van een geharmoniseerde methodiek die het rechtstreeks vergelijken van de vertaalkosten van alle instellingen mogelijk maakt; juicht toe dat de Raad volgens deze methodiek gegevens verstrekt;

22.  onderstreept dat een van de voornaamste financiële doelstellingen voor 2014 van het secretariaat-generaal van de Raad – de oplevering van het Europagebouw tegen het einde van 2015 – niet is behaald; betreurt de vertraging en wenst geïnformeerd te worden over de financiële gevolgen van het uitstel;

23.  vraagt opnieuw dat het gebouwenbeleid van de instelling bij het jaarlijks activiteitenverslag wordt gevoegd, met name omdat het belangrijk is dat de kosten van een dergelijk beleid voldoende transparant worden gemaakt en niet buitensporig zijn;

Redenen waarom het besluit om kwijting te verlenen is uitgesteld

24.  herhaalt dat de Raad transparant moet zijn en volledige verantwoording moet afleggen aan de burgers van de Unie voor de middelen die hem zijn toevertrouwd, door net als de overige EU-instellingen volledig en te goeder trouw deel te nemen aan de jaarlijkse kwijtingsprocedure; is in dit verband van mening dat voor een effectief toezicht op de uitvoering van de begroting van de Unie samenwerking vereist is tussen het Parlement en de Raad via een werkafspraak; betreurt de moeilijkheden die zich tot nu toe in de kwijtingsprocedures hebben voorgedaan; onderstreept dat de capaciteit voor dialoog tussen beide instellingen moet worden verbeterd om zo spoedig mogelijk tot een oplossing te komen, zodat aan het mandaat in het Verdrag en aan de verantwoordingsplicht jegens de burgers kan worden voldaan;

25.  wijst erop dat de procedure van het afzonderlijk verlenen van kwijting aan elke instelling en elk orgaan van de Unie een gevestigde handelswijze vormt, die het Parlement heeft ontwikkeld om de transparantie en de democratische verantwoordingsplicht ten aanzien van de belastingbetalers van de Unie te waarborgen; benadrukt dat deze handelswijze daadwerkelijk een garantie vormt voor het recht en de taak van het Parlement om toezicht te houden op de volledige begroting van de Unie;

26.   wijst er verder op dat de Commissie in haar brief van 23 januari 2014 het standpunt naar voren bracht dat alle instellingen volledig deel uitmaken van het follow-upproces betreffende de opmerkingen van het Parlement tijdens de kwijtingsprocedure, en dat alle instellingen medewerking moeten verlenen om een soepel verloop van de kwijtingsprocedure te garanderen met volledige eerbiediging van de desbetreffende bepalingen in het VWEU en in de relevante secundaire wetgeving;

27.   benadrukt dat de Commissie in haar brief eveneens verklaarde dat zij geen toezicht zal houden op de tenuitvoerlegging van de begrotingen van de andere instellingen en dat het beantwoorden van vragen die aan een andere instelling zijn gericht, de autonomie van die instelling inzake de tenuitvoerlegging van haar eigen afdeling van de begroting zou aantasten;

28.  herinnert eraan dat elk van de instellingen, zoals omschreven in artikel 2, onder b), van het Financieel Reglement, bevoegd is voor de uitvoering van haar afdeling van de begroting, overeenkomstig artikel 55 van het Financieel Reglement; bevestigt dat het Parlement, in overeenstemming met de gangbare handelswijze en interpretatie van de huidige regels, en met het oog op de transparantie en de democratische verantwoordingsplicht ten aanzien van de belastingbetalers van de Unie, iedere instelling afzonderlijk kwijting verleent;

29.  onderstreept dat het Parlement bevoegd is om kwijting te verlenen overeenkomstig de artikelen 316, 317 en 319 van het VWEU en de artikelen 55 en 164 tot en met 167 van het Financieel Reglement; is van oordeel dat deze bepalingen voldoende rechtsgrondslag vormen voor de uitoefening door het Parlement van zijn recht om een afzonderlijk besluit inzake het verlenen van kwijting aan de Raad te nemen, in aanvulling op zijn recht om de Commissie kwijting te verlenen; bevestigt dat het al dan niet verlenen van kwijting een plicht is van het Parlement jegens de burgers van de Unie;

30.  benadrukt dat de Raad al sinds 2009 niet meewerkt aan de door het Europees Parlement uitgevoerde kwijtingsprocedure, door met name te weigeren de nodige informatie te verstrekken, op schriftelijke vragen te antwoorden en de hoorzittingen en debatten over de uitvoering van zijn eigen begroting bij te wonen, en wijst erop dat dit betekent dat ruim drie miljard EUR aan Europese openbare middelen op ondoorzichtige wijze is besteed; beschouwt dit als een negatief signaal aan de burgers van de Unie;

31.  herhaalt dat het Parlement zonder de samenwerking van de Raad niet in staat is om met kennis van zaken een besluit te nemen over het verlenen van kwijting;

32.  is van mening dat deze situatie een ernstige schending inhoudt van de uit de Verdragen voortvloeiende verplichtingen en met name van het beginsel van oprechte samenwerking tussen de instellingen, en dat hiervoor snel een oplossing moet worden gevonden zodat de volledige begroting van de Unie kan worden gecontroleerd; verwijst in dit verband naar artikel 15 VWEU, waarin wordt bepaald dat de instellingen, organen en instanties van de Unie op een zo transparant mogelijke manier moeten handelen;

33.  herhaalt dat het alleen mogelijk is om een effectieve begrotingscontrole uit te voeren als het Parlement en de Raad samenwerken, met als hoofdelementen formele bijeenkomsten tussen vertegenwoordigers van de Raad en de Commissie begrotingscontrole van het Parlement, waarbij de vragen die door de leden van de commissie op basis van een schriftelijke vragenlijst zijn gesteld worden beantwoord en door op verzoek documenten over te leggen die als achtergrondmateriaal voor de begrotingscontrole dienen;

34.  herinnert eraan dat het Parlement kwijting verleent aan de andere instellingen nadat het de verstrekte documenten en de antwoorden die op zijn vragen zijn gegeven heeft onderzocht; betreurt het dat het Parlement voortdurend moeite heeft om antwoorden van de Raad te krijgen;

35.  neemt kennis van de brief van de secretaris-generaal van de Raad naar aanleiding van de uitnodiging van de Commissie begrotingscontrole van het Parlement om de gedachtewisseling op 11 januari 2016 bij te wonen; merkt op dat in deze brief niet wordt ingegaan op de uitnodiging, noch op de schriftelijke vragenlijst met vragen van Parlementsleden die op 25 november 2015 naar het secretariaat-generaal is verstuurd, maar dat enkel het reeds eerder geuite standpunt van de Raad betreffende de uitwisseling van financiële gegevens wordt herhaald;

36.  is van mening dat de kwijtingsprocedure een belangrijk instrument van de democratische verantwoordingsplicht ten aanzien van de burgers van de Unie vormt;

37.  vraagt de Raad in overleg te treden met het Europees Parlement om ervoor te zorgen dat het Parlement zijn recht op de toegang tot informatie over de uitvoering van de begroting van de Raad kan uitoefenen; is van mening dat dit een verplichting inhoudt voor de Raad om de gevraagde informatie te verstrekken;

38.  betreurt dat niet alle instellingen van de Unie dezelfde normen met betrekking tot transparantie eerbiedigen en meent dat de Raad in dit opzicht voor verbetering moet zorgen;

39.  meent, ondanks het feit dat de situatie alvast kan worden verbeterd door middel van betere samenwerking tussen de instellingen van de Unie in het kader van de Verdragen, dat de Verdragen op termijn misschien moeten worden herzien om de kwijtingsprocedure transparanter te maken, met name door het Parlement de expliciete bevoegdheid te geven om alle instellingen en organen van de Unie individueel kwijting te verlenen;

40.  roept de Commissie op het Financieel Reglement te wijzigen teneinde het doel van de kwijtingsprocedure duidelijker te bepalen en sancties vast te stellen voor niet-naleving van de regelgeving; benadrukt dat dit nodig is om de Europese instellingen een verantwoordingsplicht op te leggen, met het oog op de bescherming van de financiële belangen van de burgers van de Unie; onderstreept dat er geen uitzonderingen mogen gelden.

23.2.2016

ADVIES van de Commissie constitutionele zaken

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling II – Europese Raad en Raad

(2015/2156(DEC))

Rapporteur voor advies: Pascal Durand

SUGGESTIES

De Commissie constitutionele zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat de transparantie en de controle van de overheidsfinanciën algemene democratische beginselen vormen die de Unie moet eerbiedigen;

B.  overwegende dat de kwijtingsprocedure deel uitmaakt van het concept van representatieve democratie;

C.  overwegende dat het Europees Parlement uit hoofde van artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie als enige bevoegd is tot het verlenen van kwijting voor de tenuitvoerlegging van de algemene begroting van de Europese Unie;

D.  overwegende dat de begroting van de Raad een onderdeel vormt van de begroting van de Unie;

E.  overwegende dat de Commissie uit hoofde van artikel 319, lid 2, van het VWEU het Europees Parlement op diens verzoek alle nodige informatie moet verstrekken met betrekking tot de uitgaven en de werking van de systemen voor financiële controle;

F.  overwegende dat juridische en academische deskundigen tijdens de workshop van het Parlement op 27 september 2012 over het recht van het Parlement om kwijting te verlenen aan de Raad, het recht van het Parlement op informatie benadrukten;

G.  overwegende dat elk van de instellingen van de Unie overeenkomstig artikel 335 VWEU administratieve autonomie bezit, en dat de instellingen overeenkomstig artikel 55 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(6) (Financieel Reglement) individueel verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van hun afdelingen van de begroting;

H.  overwegende dat het Parlement bij gebrek aan de nodige informatie niet in staat is met kennis van zaken een besluit te nemen over de verlening van kwijting;

1.   wijst erop dat de procedure van het afzonderlijk verlenen van kwijting aan elke instelling en elk orgaan van de Unie een gevestigde praktijk vormt, die het Parlement is beginnen hanteren om de transparantie en de democratische verantwoordingsplicht ten aanzien van de belastingbetalers van de Unie te waarborgen; benadrukt dat deze handelswijze daadwerkelijk een garantie zou moeten vormen voor het recht en de taak van het Parlement om toezicht te houden op de volledige begroting van de Unie;

2.   wijst er verder op dat de Commissie in haar brief van 23 januari 2014 het standpunt naar voren bracht dat alle instellingen volledig deel uitmaken van het follow-upproces betreffende de opmerkingen van het Parlement tijdens de kwijtingsprocedure, en dat alle instellingen medewerking moeten verlenen om een soepel verloop van de kwijtingsprocedure te garanderen met volledige eerbiediging van de relevante bepalingen in het VWEU en in de relevante secundaire wetgeving;

3.   benadrukt dat de Commissie in haar brief eveneens verklaarde dat zij geen toezicht zal houden op de tenuitvoerlegging van de begrotingen van de andere instellingen en dat het beantwoorden van vragen die aan een andere instelling zijn gericht, de autonomie van die instelling inzake de tenuitvoerlegging van haar eigen afdeling van de begroting zou aantasten;

4.  benadrukt dat de Raad zich sinds 2009 als enige niet onderwerpt aan de praktijk van de door het Europees Parlement verleende begrotingskwijting, door met name te weigeren de nodige informatie te verstrekken, op schriftelijke vragen te antwoorden en de hoorzittingen en debatten over de uitvoering van zijn begroting bij te wonen, en wijst erop dat dit betekent dat ruim drie miljard EUR aan Europese openbare middelen op ondoorzichtige wijze zijn besteed;

5.   is teleurgesteld over het feit dat het Parlement en de Raad de afgelopen jaren niet goed hebben samengewerkt op het gebied van het houden van toezicht op de uitvoering van de begroting en beschouwt dit als een negatief signaal ten aanzien van de burgers van de Unie;

6.  is van mening dat deze situatie een ernstige schending inhoudt van de uit de Verdragen voortvloeiende verplichtingen en met name het beginsel van oprechte samenwerking tussen de instellingen, en dat hier snel iets aan moet worden gedaan, zodat de volledige begroting van de Unie kan worden gecontroleerd; verwijst in dit verband naar artikel 15 VWEU, waarin wordt bepaald dat de instellingen, organen en instanties van de Unie op een zo transparant mogelijke manier moeten handelen;

7.   vraagt de Raad transparant te handelen en volledige verantwoording te aanvaarden tegenover de burgers van de Unie, door net als de andere Europese instellingen deel te nemen aan de jaarlijkse kwijtingsprocedure;

8.   roept ertoe op om artikel 319, lid 1, en artikel 317, lid 2, VWEU, en de artikelen 55, 165 en 166 van het Financieel Reglement als rechtsgrondslag te gebruiken voor de uitoefening door het Parlement van zijn impliciete recht om een afzonderlijk besluit te nemen inzake het verlenen van kwijting aan de Raad, in aanvulling op het expliciete recht van het Parlement om de Commissie kwijting te verlenen;

9.  vraagt de Raad in overleg te treden met het Europees Parlement om ervoor te zorgen dat het Parlement zijn recht op de toegang tot informatie over de uitvoering van de begroting van de Raad kan uitoefenen; is van mening dat dit een verplichting inhoudt voor de Raad om de gevraagde informatie te verstrekken;

10.   herinnert de Raad aan het standpunt van de Commissie zoals weergegeven in haar brief van 23 januari 2014, dat inhoudt dat zij geen toezicht zal houden op de tenuitvoerlegging van de begrotingen van de andere instellingen en dat het beantwoorden van vragen die aan een andere instelling zijn gericht, de autonomie van die instelling inzake de tenuitvoerlegging van haar eigen afdeling van de begroting zou aantasten;

11.  is van mening, ondanks het feit dat de situatie alvast kan worden verbeterd door middel van betere samenwerking tussen de instellingen van de Unie in het kader van de Verdragen, dat het mogelijk is dat de Verdragen op termijn moeten worden herzien om de kwijtingsprocedure transparanter te maken, met name door het Parlement de expliciete bevoegdheid te geven om alle instellingen en organen van de Unie individueel kwijting te verlenen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

23.2.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

2

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Mercedes Bresso, Elmar Brok, Fabio Massimo Castaldo, Richard Corbett, Pascal Durand, Esteban González Pons, Danuta Maria Hübner, Ramón Jáuregui Atondo, Jo Leinen, Morten Messerschmidt, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Paulo Rangel, György Schöpflin, Pedro Silva Pereira, Barbara Spinelli, Claudia Tapardel, Kazimierz Michał Ujazdowski, Rainer Wieland

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Max Andersson, Gerolf Annemans, Sylvie Goulard, Viviane Reding, Helmut Scholz

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Teresa Jiménez-Becerril Barrio

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

4.4.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Louis Aliot, Inés Ayala Sender, Dennis de Jong, Martina Dlabajová, Ingeborg Gräßle, Verónica Lope Fontagné, Monica Macovei, Dan Nica, Gilles Pargneaux, Georgi Pirinski, Petri Sarvamaa, Claudia Schmidt, Bart Staes, Marco Valli, Derek Vaughan, Anders Primdahl Vistisen, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Marian-Jean Marinescu, Miroslav Poche

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Birgit Collin-Langen, Bodil Valero

(1)

PB L 51 van 20.2.2014.

(2)

PB C 377 van 13.11.2015, blz. 1.

(3)

PB C 373 van 5.11.2015, blz. 1.

(4)

PB C 377 van 13.11.2015, blz. 146.

(5)

PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(6)

Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).

Juridische mededeling