Procedure : 2015/2206(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0127/2016

Ingediende teksten :

A8-0127/2016

Debatten :

PV 27/04/2016 - 17
CRE 27/04/2016 - 17

Stemmingen :

PV 28/04/2016 - 4.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0148

VERSLAG     
PDF 744kWORD 217k
11.4.2016
PE 569.797v02-00 A8-0127/2016

over de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2014

(2015/2206(DEC))

Commissie begrotingscontrole

Rapporteur: Martina Dlabajová

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2014

(2015/2206(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de speciale verslagen van de Rekenkamer overeenkomstig artikel 287, lid 4, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014 (COM(2015)0377 – C8-0267/2015)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014, tezamen met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2014 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien zijn besluit van … tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III - Commissie(5), en zijn resolutie met opmerkingen, die een integrerend deel uitmaakt van dat besluit,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2016 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014 (05583/2016 – C8-0042/2016),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0127/2016),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dit overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in samenwerking met de lidstaten doet onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

B.  overwegende dat de speciale verslagen van de Rekenkamer informatie bevatten over belangrijke aspecten van de besteding van financiële middelen, en dat deze informatie nuttig is voor het Parlement bij het uitoefenen van zijn taken als kwijtingsautoriteit;

C.  overwegende dat de opmerkingen van het Parlement over de speciale verslagen van de Rekenkamer een integrerend onderdeel vormen van zijn voornoemde besluit van … tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie;

Deel I – Speciaal verslag nr. 18/2014 van de Rekenkamer met als titel 'De evaluatiesystemen en resultaatgerichte toezichtsystemen van EuropeAid'

1.  verwelkomt het speciaal verslag inzake de evaluatie van de evaluatiesystemen en systemen voor resultaatgericht toezicht (RGT) van EuropeAid en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

Algemene opmerkingen

2.  is ernstig bezorgd over de onvoldoende betrouwbaarheid van de evaluatiesystemen en resultaatgerichte toezichtsystemen van EuropeAid, over het ontoereikende niveau van toezicht op de programma-evaluatie en ook over het feit dat EuropeAid niet kan waarborgen dat de personele en financiële middelen toereikend zijn en doeltreffend worden toegewezen aan de verschillende evaluatie-activiteiten;

3.  wijst erop dat het Parlement als autoriteit voor begrotingscontrole een duidelijk overzicht moeten krijgen van de mate waarin de hoofddoelstellingen van de Unie zijn verwezenlijkt;

4.   is van oordeel dat hoorzittingen, niet alleen met ambtenaren van de Commissie en EDEO maar ook met begunstigden en onafhankelijke deskundigen, een breder beeld zullen opleveren van de bijdrage van EuropeAid aan de doelstellingen van de Unie;

5.  herinnert eraan dat externe, objectieve en onpartijdige feedback gegeven moet worden van de steunprojecten en -programma's van de Commissie in het kader van het streven van de Commissie naar kwaliteitsborging;

6.   is van mening dat het van groot belang is om de resultaten van de evaluaties te integreren in het proces van beleids- en politieke herziening, zodat de politieke doelstellingen aangepast kunnen worden en de algehele samenhang met andere beleidsmaatregelen van de Unie verbeterd kan worden; acht het in dit verband van cruciaal belang dat evaluaties onafhankelijk, transparant en beschikbaar voor het publiek zijn;

7.  is van mening dat, als aandacht wordt besteed aan het analyseren en bijeenbrengen van de resultaten van verschillende soorten evaluaties, niet alleen een algemeen beeld wordt geschetst van de trends, maar ook lessen kunnen worden getrokken die de uiteindelijke effectiviteit van het evaluatieproces versterken, terwijl ook wordt gezorgd voor een betere feitelijke basis voor de besluitvorming, de totstandbrenging van het beleid en de voortzetting van bestaande projecten in verband met specifieke hulpinstrumenten;

8.  is van mening dat het op zoveel mogelijke manieren delen van kennis van groot belang is, niet alleen om een evaluatiecultuur te ontwikkelen, maar vooral om een cultuur te bevorderen van effectieve prestaties;

9.   spoort de Raad ertoe aan zich te buigen over alle financieringsmechanismen van EuropeAid om ervoor te zorgen dat de financiering van de Unie efficiënt is voor het bevorderen van de doelstellingen en waarden van de Unie; is van oordeel dat de door de Unie gefinancierde projecten op een lijn moeten worden gebracht met de beleidsdoelstellingen van de Unie in de buurlanden, rekening houdende met de verantwoordingsplicht van begunstigden en met het feit dat EU-gelden fungibel zijn;

10.  steunt de aanbevelingen van de Rekenkamer met betrekking tot de evaluatiesystemen en resultaatgerichte toezichtsystemen van EuropeAid;

Aanbevelingen van de Rekenkamer

11.  neemt kennis van het feit dat de Rekenkamer aanbevelingen geeft aangaande het efficiënte gebruik van evaluatie- en RGT-middelen, de prioritering van en toezicht op evaluaties, de uitvoering van procedures ter controle van de kwaliteit, de demonstratie van behaalde resultaten en de follow-up en verbreiding van evaluatie- en RGT-bevindingen;

12.  is van mening dat EuropeAid adequate praktijken op het gebied van informatiebeheer moet handhaven en regelmatig zijn behoeften moet beoordelen, om te garanderen dat er een geïnformeerde toewijzing van financiële en personele middelen plaatsvindt na programmaevaluaties en RGT-acties;

13.  is van mening dat EuropeAid, om te garanderen dat de uitgevoerde evaluaties de prioriteiten van de organisatie weerspiegelen:

–   duidelijke selectiecriteria moet formuleren om programmaevaluaties te prioriteren en te documenteren hoe ze werden toegepast bij de vaststelling van de evaluatieplannen, rekening houdend met de complementariteit met RGT;

–   zijn systeem om de uitvoering van evaluatieplannen te monitoren en te rapporteren aanzienlijk moet versterken, inclusief door een analyse te verstrekken van de redenen voor vertragingen en een beschrijving van de maatregelen om deze vertragingen aan te pakken;

–   zijn algehele supervisie van activiteiten op het gebied van programma-evaluaties moet versterken;

14.  is van mening dat EuropeAid, om de kwaliteit van programmaevaluaties en RGT te garanderen:

–   erop moet aandringen dat operationele eenheden en delegaties de vereisten inzake kwaliteitscontrole toepassen, waarbij voor programma-evaluaties tevens gebruik wordt gemaakt van een referentiegroep en documentatie van de uitgevoerde kwaliteitscontroles;

–   regelmatig de uitvoering van deze controles moet nagaan;

15.  is van mening dat EuropeAid, ter verhoging van de capaciteit van het evaluatiesysteem om adequate informatie over de behaalde resultaten te geven:

–   de bepalingen uit de regelgeving rigoureuzer moet toepassen die het gebruik van SMART-doelstellingen ('specific, measurable, achievable, relevant and time-related'; specifiek, meetbaar, haalbaar, relevant en tijdsgebonden) en verifieerbare indicatoren voorschrijven;

–   het toezichtsysteem zodanig moet wijzigen dat het tot minstens drie jaar na de afronding ervan gegevens over programma's blijft verstrekken; en

–   het aantal programma-evaluaties achteraf aanzienlijk moet verhogen;

Deel II – Speciaal verslag nr. 22/2014 van de Rekenkamer met als titel 'Realiseren van zuinigheid: beheersing van de kosten van door de EU gefinancierde projecten voor plattelandsontwikkeling'

16.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer met als titel 'Realiseren van zuinigheid: beheersing van de kosten van door de EU gefinancierde projecten voor plattelandsontwikkeling' en staat achter de daarin opgenomen conclusies en aanbevelingen;

  merkt op dat het beleid van de Unie inzake plattelandsontwikkeling uiterst belangrijk is voor het bevorderen van een concurrerende landbouw, het zorgen voor een duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen en het bevorderen van de klimaatactie; wijst op het belang van de territoriale ontwikkeling van plattelandseconomieën en -gemeenschappen, met inbegrip van het scheppen en behouden van werkgelegenheid;

18.  betreurt dat de Commissie niet vanaf het begin van de programmeringsperiode 2007-2013 richtsnoeren opgesteld of optimale werkmethoden verspreid heeft en er evenmin voor gezorgd heeft dat de controlesystemen van de lidstaten doeltreffend waren voordat zij begonnen met het goedkeuren van subsidies; onderstreept dat de Commissie sinds 2012 een actievere en meer gecoördineerde aanpak volgt;

19.   constateert dat in het toezicht van de lidstaten op de kosten van subsidies voor plattelandsontwikkeling veel tekortkomingen werden vastgesteld; wijst erop dat de Commissie het standpunt deelt dat een betere kostenbeheersing besparingen kan opleveren op het gebied van subsidies van projecten voor plattelandsontwikkeling, terwijl dezelfde resultaten worden behaald en dezelfde doelstellingen worden gerealiseerd; is ingenomen met het feit dat er werkbare, kosteneffectieve methoden in kaart zijn gebracht en op grotere schaal kunnen worden toegepast, en dat de Commissie de bevindingen van de Rekenkamer aanvaardt en heeft aangegeven voornemens te zijn samen met de lidstaten te werken aan een betere controle van de kosten voor plattelandsontwikkeling in de programmeringsperiode 2014-2020;

  is het met de Rekenkamer eens dat de Commissie en de lidstaten vroeg in de nieuwe programmeringsperiode moeten nagaan of de controlesystemen efficiënt werken en doeltreffend zijn tegenover de risico's;

  onderstreept dat de Commissie de lidstaten moet stimuleren de controlelijst en de door de Rekenkamer ontwikkelde en in bijlage I opgenomen criteria te gebruiken(7);

  benadrukt dat de Commissie en de lidstaten moeten samenwerken om ervoor te zorgen dat de in alle programma's voor plattelandsontwikkeling toegepaste methoden voldoen aan de door de Rekenkamer vastgestelde criteria om te beoordelen of met de controlesystemen de risico's van overspecificatie, niet-concurrerende prijzen en projectwijzigingen worden aangepakt, en of deze gericht zijn op de gebieden met het grootste risico; stipt aan dat een beoordeling vooraf van de controlesystemen door de dienst Interne audit van de autoriteiten van de lidstaat (of andere inspectie- of controleorganen) deel moet uitmaken van dit proces;

  is van mening dat de lidstaten: op grotere schaal gebruik moeten maken van de reeds in kaart gebrachte kosteneffectieve methoden; kosten moeten toetsen aan de verwachte outputs of resultaten; moeten nagaan of standaardkosten leidden tot te hoge betalingen; reële marktprijzen als referentie moeten nemen voor uitrusting, machines enz., en geen prijslijsten van leveranciers; moeten nagaan of kosten redelijk zijn zelfs als aanbestedingsprocedures werden gevolgd; strengere eisen en/of controles ten uitvoer moeten leggen bij maatregelen met een hoog steunpercentage enz.;

  is verheugd dat de Commissie richtsnoeren inzake controles en sancties in het kader van plattelandsontwikkeling heeft geboden, met onder meer een specifiek deel over de redelijkheid van kosten en de controlelijst voor beheersautoriteiten die als bijlage bij het speciaal verslag is gevoegd; neemt ter kennis dat training en het delen van ervaringen onderdeel zullen uitmaken van de activiteiten van het Europees Netwerk voor Plattelandsontwikkeling in de periode 2014-2020;

Deel III – Speciaal verslag nr. 23/2014 van de Rekenkamer met als titel 'Fouten in de uitgaven voor plattelandsontwikkeling: wat zijn de oorzaken en hoe worden ze aangepakt?'

25.   is bezorgd over het hoge foutenpercentage op het gebied van het plattelandontwikkelingsbeleid dat is vastgesteld door de Rekenkamer; stelt echter vast dat er de afgelopen drie jaar sprake is van een voorzichtige daling van dit percentage;

26.  erkent dat de lidstaten en de Commissie inspanningen hebben verricht ter vermindering van fouten bij de uitgaven op het gebied van plattelandsontwikkeling, in het bijzonder in deze tijd van economische malaise en krapte op de begrotingen;

27.  merkt op dat de Commissie op basis van de bevindingen van de lidstaten en haar eigen bevindingen corrigerende maatregelen heeft doorgevoerd of daar mee bezig is, op een groot aantal in het speciaal verslag van de Rekenkamer genoemde terreinen;

28.   brengt in herinnering dat de Rekenkamer in haar jaarverslagen heeft aangegeven dat de nationale autoriteiten in een aanzienlijk aantal gevallen over voldoende informatie beschikten om de fouten te voorkomen, op te sporen en te corrigeren alvorens de uitgaven aan de Commissie te declareren, waardoor het foutenpercentage aanzienlijk lager had kunnen zijn;

29.   merkt op dat hoe eenvoudiger de regels ten uitvoer te leggen zijn, hoe minder fouten er zullen ontstaan; maakt zich zorgen dat het foutenpercentage de komende jaren opnieuw kan stijgen, gezien de complexiteit van de nieuwe regels van het hervormde GLB; roept daarom op tot een reële vereenvoudiging van het GLB, samen met duidelijkere richtsnoeren voor nationale autoriteiten en landbouwers;

30.  is van mening dat de kosten van beheer en controles (4 miljard EUR) voor het gehele GLB aanzienlijk zijn en dat nadruk moet worden gelegd op het vergroten van de efficiency van de controles en niet op het invoeren van nog meer controles; roept de Commissie en de lidstaten in dit verband op zich te richten op de grondoorzaken van fouten bij de uitgaven voor plattelandsontwikkeling; is van mening dat de lidstaten, waar relevant, de volgende preventieve en corrigerende maatregelen moeten nemen:

(a)  Overheidsopdrachten

is van mening dat de lidstaten bij de toepassing van het concept van ex-antevoorwaarden gedetailleerde richtsnoeren voor de toepassing van de regels inzake overheidsopdrachten moeten uitwerken en deze aan de begunstigden moeten verstrekken;

is van mening dat de nationale autoriteiten die gespecialiseerd zijn in het toezicht op de naleving van de regels inzake overheidsopdrachten, bij dit proces dienen te worden betrokken; is van mening dat de aandacht moet uitgaan naar de drie belangrijkste inbreuken: ongerechtvaardigde onderhandse gunning zonder de geëigende mededingingsprocedure; verkeerde toepassing van selectie- en gunningscriteria of ongelijke behandeling van inschrijvers;

(b)   Opzettelijke omzeiling van regels

is van mening dat de lidstaten op basis van de specifieke subsidiabiliteits- en selectiecriteria in hun programma’s voor plattelandsontwikkeling richtsnoeren moeten vaststellen om hun inspecteurs te helpen bij het vaststellen van indicatoren voor potentieel frauduleuze handelingen;

(c)   Agromilieubetalingen

is van mening dat de lidstaten de reikwijdte van hun administratieve controles moeten uitbreiden naar controles van vastleggingen op basis van schriftelijke bewijzen, die momenteel alleen worden geverifieerd in de 5 % van de gevallen waar controles ter plaatse worden uitgevoerd; is van mening dat het systeem van kortingen en sancties bovendien zo moet worden opgezet dat het een betekenisvol afschrikkend effect heeft op mogelijke overtreders;

31.  verzoekt de Commissie nauwlettend toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van de programma's voor plattelandsontwikkeling en in haar conformiteitscontroles rekening te houden met de toepasselijke regels, met inbegrip van de relevante op nationaal niveau vastgestelde regels, teneinde het risico op blijvende tekortkomingen en fouten zoals vastgesteld in de programmeringsperiode 2007-2013 te voorkomen;

32.  wijst erop dat de verschillende methodologieën voor de berekening van foutenpercentages nog altijd op een groot aantal punten uiteenlopen, niet alleen tussen de Commissie en de lidstaten maar ook binnen de diensten van de Commissie, wat de invoering van passende nationale wetgeving nog verder bemoeilijkt; roept de Commissie op een uniforme methodologie voor de berekening van foutenpercentages toe te passen die als basis kan dienen voor de methodologieën van de lidstaten;

33.  is voorstander van een intensievere toepassing van de methode van vereenvoudigde kosten, waar mogelijk en in overeenstemming met de wettelijke regels, en verzoekt de Commissie en de lidstaten te analyseren in hoeverre de kenmerken van een betere gerichtheid, beperkte subsidiabiliteitscriteria en het gebruik van vereenvoudigde kostenopties kunnen worden overgenomen in het ontwerp en de uitvoering van een groter aantal ondersteunende maatregelen, zonder dat de algemene doelstellingen van die maatregelen in gevaar worden gebracht;

34.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te onderzoeken hoe de regeling ter ondersteuning van investeringen in de verwerking van landbouwproducten kan worden verbeterd en de maatregel voor agromilieubetalingen te evalueren om ervoor te zorgen dat vastleggingen zo goed mogelijk worden meegenomen in de administratieve controles van de lidstaten;

35.  roept de Commissie op een gedetailleerde oorzakenanalyse van de negatieve correlatie tussen de financiële uitvoeringsgraad en het foutenpercentage uit te voeren;

Deel IV – Speciaal verslag nr. 24/2014 van de Rekenkamer met als titel 'Wordt de EU-steun voor de preventie en het herstel van door brand of natuurrampen veroorzaakte schade aan bossen goed beheerd?'

36.  roept de Commissie op gemeenschappelijke criteria vast te stellen om het brandrisico in Europese bossen te bepalen, om zo een einde te kunnen maken aan de willekeurige en inconsistente vaststelling van gebieden met een hoog brandrisico en dus ook aan de ontoereikende evaluatie- en selectieprocedure in de lidstaten;

37.   dringt er bij de lidstaten op aan hun preventieve maatregelen te kiezen in functie van de eigenlijke behoeften die samenhangen met het brandrisico en in overeenstemming met de eisen van maatregel 226 in plaats van andere ecologische of economische doelstellingen; staat er in dit opzicht op dat het nodig is dat begunstigden onvoorwaardelijk bewijzen en accuraat staven dat ze steun nodig hebben in het kader van deze maatregel; onderschrijft de aanbeveling van de Rekenkamer om prioriteit te verlenen aan maatregelen in bossen die vanuit milieuoogpunt het meest waardevol zijn, zoals Natura 2000-bosgebieden;

38.   vraagt, in het licht van de alarmerende bevindingen van de Rekenkamer op het vlak van de gemiddelde kosten voor gelijkaardige maatregelen in verschillende gebieden, dat er een redelijk en verifieerbaar maximum wordt vastgesteld voor steunverlening en dat elke wijziging hieraan grondig wordt gerechtvaardigd;

39.   nodigt de lidstaten uit hun beleid inzake bosbranden beter te coördineren en te structureren; steunt de oprichting van een Europees platform voor begunstigden om goede werkwijzen uit te wisselen en te bevorderen;

40.   betreurt met name de vaststelling door de Rekenkamer dat er zich ernstige tekortkomingen zullen blijven voordoen in de periode 2014-2020 door het op consistent zwakke toezichtkader; dringt er bij de Commissie op aan onmiddellijk actie te ondernemen om haar monitoring- en controlesysteem te verbeteren;

41.   verzoekt de Commissie bij te dragen aan het produceren van geharmoniseerde gegevens over de multifunctionele rol van bossen en de rijkdommen van het bos, door te stimuleren dat er een Europees bosinformatiesysteem wordt opgezet waarin gegevens uit landelijke bestanden worden verzameld en dat dit geïntegreerd wordt binnen een Europees dataplatform;

42.   staat er bovendien op dat lidstaten een grondig controlesysteem invoeren, met inbegrip van het bewaren van relevante documenten en informatie; roept de Commissie in dit opzicht op ervoor te zorgen dat er enkel steun wordt toegekend wanneer de lidstaten dergelijk passend en verifieerbaar controlesysteem hebben ingevoerd;

43.   roept de lidstaten op regelmatig verslag uit te brengen van de effecten van de uitgevoerde maatregelen en de vermindering van het aantal branden of natuurrampen en de afname van het beschadigde gebied;

Deel V – Speciaal verslag nr. 1/2015 van de Rekenkamer met als titel 'Binnenvaart in Europa: het vervoersaandeel en de bevaarbaarheid zijn sinds 2001 niet aanzienlijk verbeterd'

44.  verwelkomt het speciaal verslag van de Rekenkamer met als titel 'Binnenvaart in Europa: het vervoersaandeel en de bevaarbaarheid zijn sinds 2001 niet aanzienlijk verbeterd' en steunt de bevindingen, conclusies en aanbevelingen van dat verslag;

45.  wijst erop dat de vervoerssector in de Unie van essentieel belang is voor de voltooiing van de interne markt, het concurrentievermogen van kmo's en de economische groei in Europa in het algemeen;

46.  stelt vast dat de ontwikkeling van het vervoer over binnenwateren achterloopt bij de ontwikkeling van het weg- en spoorwegvervoer, ondanks een decennium aan investeringen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan hun inspanningen significant op te voeren;

47.  moedigt de Commissie en de lidstaten ertoe aan in de binnenvaart net als in andere sectoren gebruik te maken van de stappenplannen voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie, en er de haveninfrastructuur en haveninstallaties in op te nemen om ervoor te zorgen dat de technische ontwikkelingen aansluiten bij de vereisten van de andere vervoerswijzen en aldus multimodaal vervoer te realiseren;

48.  is van mening dat de verwezenlijking van de doelstellingen vastgelegd in het witboek van 2001 en de tussentijdse herziening van 2006, alsmede in de NAIADES-programma's (Geïntegreerd Europees Actieplan voor de binnenvaart) van 2006 en 2013 ondoeltreffend was, deels vanwege het gebrek aan medewerking bij de lidstaten;

49.  merkt op dat de lidstaten minder belangstelling hebben voor investeringen in een gemeenschappelijk vervoersbeleid, dat zij de voorkeur geven aan de financiering van nationale, regionale en lokale projecten en dat de selectieprocessen voor projecten gedecentraliseerd zijn, zodat de Commissie subsidiabele projecten niet prioritair kan maken;

50.  benadrukt dat de lidstaten zich wettelijk hebben verplicht tot het leveren van financiering op nationaal niveau voor de verwezenlijking van het kernnetwerk, teneinde binnenwateren in Europa van strategisch belang om te vormen tot vervoerscorridors met hoge capaciteit;

51.  stelt vast dat de strategische en coördinerende rol van de Commissie is verzwakt, met als gevolg dat de uitgevoerde projecten niet meer overeenstemden met de op Unieniveau vastgestelde prioriteiten;

52.  vestigt de aandacht op het feit dat door onderzoek op basis van de speciale verslagen van de Rekenkamer(8) soortgelijke conclusies als voor de binnenwateren kunnen worden getrokken voor andere vormen van vervoer die worden gefinancierd met Uniemiddelen; merkt op dat de projecten op terreinen als openbaar stadsvervoer en luchthaveninfrastructuur vaak te lijden hebben onder:

(a)  een lage toegevoegde waarde na de tenuitvoerlegging;

(b)  een gebrekkige meting van de resultaten;

(c)  onvoldoende nadruk op kosteneffectiviteit;

(d)  ontbreken van een effectbeoordeling;

(e)  onsamenhangende regionale, nationale en supranationale planning;

(f)  onderbenutting van infrastructuur, wat leidt tot een beperking van het algehele nuttige effect;

(g)  een gebrek aan duurzaamheid;

(h)  tekortkomingen in de opzet van de projecten en het mobiliteitsbeleid;

(i)  ontbreken van een deugdelijk mobiliteitsbeleid;

(j)  problematische samenwerking tussen de Commissie en de autoriteiten van de lidstaten;

53.  is van mening dat bovenstaande conclusies, tezamen met de opmerkingen met betrekking tot de binnenvaart, wijzen op horizontale problemen die in de hele Unie spelen; wijst erop dat de effecten van Uniefinanciering voor vervoer in het algemeen worden ondermijnd door de onbevredigende staat van de strategische planning en een gebrek aan coherentie, duurzame resultaten, efficiency en doeltreffendheid;

54.  is van mening dat duurzame beleidsresultaten bereikt kunnen worden door intensieve samenwerking enerzijds tussen de lidstaten en anderzijds tussen de lidstaten en de Commissie, zodat de ontwikkeling van de binnenvaart voortgang kan vinden;

55.  formuleert de aanbeveling dat zowel de Commissie als de lidstaten gezamenlijke initiatieven uiterst serieus dienen te nemen, omdat de vervoerssector in de Unie te maken heeft met een complex samenspel van economische, politieke en juridische aspecten, waarbij de aanleg van multimodale netwerken wordt bemoeilijkt door hindernissen en beperkingen in verband met uiteenlopende prioriteiten en inspanningen;

56.  formuleert de aanbeveling dat de lidstaten prioriteit geven aan binnenvaartprojecten die rechtstreeks verband houden met de corridors van het kernnetwerk, om de grootste en snelst te realiseren voordelen voor de verbetering van het vervoer over de binnenwateren te verwezenlijken;

57.  formuleert de aanbeveling dat het beginsel van 'minder is meer' wordt toegepast bij investeringen door lidstaten in de binnenvaart: beperkte Uniemiddelen moeten worden gericht op projecten met de hoogste prioriteit om knelpunten weg te werken en een geïntegreerd binnenvaartnetwerk dat de hele Unie omvat te verwezenlijken;

58.  formuleert de aanbeveling dat de lidstaten Verordening (EU) 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad(9) (TEN-T-verordening) en Verordening (EU) 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad(10) (verordening inzake de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen) beschouwen als essentiële instrumenten voor het stroomlijnen van projecten om de doelstellingen te bereiken die de Commissie sinds 2001 heeft vastgesteld;

59.  formuleert de aanbeveling dat het TEN-T-instrument en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen intensief worden gebruikt als manier om te investeren in strategisch belangrijke Uniecorridors (een omvattend kernnetwerk) met specifieke gestandaardiseerde vereisten voor de infrastructuur over de gehele lengte van het netwerk, met wettelijk bindende termijnen voor de projectuitvoering;

60.  formuleert de aanbeveling dat voor het synchroniseren van financiering van ESIF, TEN-T en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen gebruik wordt gemaakt van een grondige strategische benadering en planning, om de doelstellingen voor de binnenvaart op doeltreffende en efficiënte wijze te verwezenlijken;

61.  formuleert de aanbeveling dat de oprichting van intermodale vervoerscentra in het kernnetwerk wordt beschouwd als belangrijke factor ter bevordering van de verschuiving van het goederenvervoer van de weg naar de binnenvaart;

62.  formuleert de aanbeveling dat de lidstaten gebruikmaken van de coördinerende rol van de Commissie in het kader van strategische langetermijnprojecten, zoals de corridors van het kernnetwerk;

63.  formuleert de aanbeveling dat de Commissie vaststelt welke horizontale kwesties spelen en moet deze analyseren, met uitgebreide aandacht voor strategische planning, samenwerking met en tussen de lidstaten en selectie en uitvoering van projecten, zodat de resultaten meegenomen kunnen worden in de huidige programmeringsperiode;

64.  is van mening dat de Commissie intensieve technische ondersteuning en begeleiding moet leveren aan de lidstaten, voorafgaand aan de indiening van projectvoorstellen en gedurende de uitvoeringsfase, met het oog op het uit de weg ruimen van door haar geïdentificeerde belemmeringen voor de binnenvaart;

65.  formuleert de aanbeveling dat de Commissie haar financiering richt op projecten die het belangrijkst zijn voor de binnenvaart, en moet omvattende plannen opstellen om knelpunten op te heffen;

66.   formuleert de aanbeveling dat de Commissie voorrang geeft aan de financiering van projecten en initiatieven in lidstaten die gericht zijn op de verbetering van de binnenvaart door middel van innovatieve oplossingen, zoals hightech navigatie, alternatieve brandstoffen en efficiënte vaartuigen; is van mening dat de Commissie multilaterale Europese deskundigheid en programma's voor kennisuitwisseling moet bevorderen, ook tussen verschillende havens van de Unie;

67.  formuleert de aanbeveling dat de Commissie zorgt voor een groter bewustzijn onder lidstaten en hun regio's van de beschikbare financieringsinstrumenten ter ondersteuning van de binnenvaart, met het oog op het opheffen van bestaande knelpunten in belangrijke corridors;

68.  is van mening dat de coördinatie tussen de lidstaten inzake de ontwikkeling van de binnenvaart aanzienlijk moet worden verbeterd door faciliterende maatregelen en sterker bindende toezeggingen en voorwaarden, die als kader zullen dienen voor de corridors van het multimodale kernnetwerk, op te zetten door middel van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen en de TEN-T-verordening;

69.  is van mening dat de Commissie specifieke en uitvoerbare acties moet formuleren voor de opheffing van knelpunten, goed te keuren door de lidstaten, en hiervoor een tijdschema voor tenuitvoerlegging op moet stellen;

70.   verzoekt de Commissie haar strategische doelstellingen en aanbevelingen voor de binnenvaart te herzien en een EU-binnenvaartstrategie en -actieplan voor te stellen voor de periode vanaf 2020;

71.  formuleert de aanbeveling dat de Commissie ex-ante evaluaties uitvoert van de maatregelen op het gebied van de binnenvaart, waarbij de resultaten worden beoordeeld in het kader van de algemene doelstellingen die sinds 2001 zijn vastgesteld, alsmede in het kader van de verwezenlijking van het kernnetwerk.

Deel VI – Speciaal verslag nr. 2/2015 van de Rekenkamer met als titel 'Donau-bekken: helpen de EU-uitgaven voor afvalwaterbehandelingsinstallaties de lidstaten daadwerkelijk om de EU-doelstellingen inzake afvalwater te verwezenlijken?'

72.  is van mening dat voor agglomeraties met een inwonerequivalent van minder dan 2000 waar opvangsystemen bestaan, verplicht gerapporteerd moet worden of het afvalwater adequaat wordt behandeld, gelet op de vereisten van artikel 7 van Richtlijn 91/271/EEG van de Raad(11) (richtlijn behandeling stedelijk afvalwater); merkt op dat voor de agglomeraties waar geen opvangsystemen bestaan, de verslagen informatie moeten bevatten in hoeverre in de stroomgebiedbeheersplannen passende maatregelen zijn opgenomen;

  is het met de Rekenkamer eens dat de Commissie de rapportage van de lidstaten over het aantal agglomeraties met een inwonerequivalent van meer of minder dan 2 000 moet verifiëren indien zich belangrijke wijzigingen hebben voorgedaan, met name bij de overgang van de ene categorie in de andere;

  benadrukt de noodzaak om de lidstaten aan te sporen duidelijke wettelijke verplichtingen vast te stellen voor de aansluiting van huishoudens op bestaande rioolsystemen, als deze verplichtingen nog niet gelden of gekoppeld zijn aan vage termijnen;

  stelt vast dat de tijd die nodig is om de naleving van de richtlijn behandeling stedelijk afvalwater te beoordelen, moet worden beperkt door te eisen dat de lidstaten de gegevens melden binnen zes maanden na de referentiedatum van de Commissie; merkt bovendien op dat de Commissie moet zoeken naar soortgelijke kwesties in verband met lange verslagleggingsperioden in het kader van andere milieurichtlijnen;

  benadrukt het feit dat de opneming van Uniemiddelen voor investeringen op het gebied van afvalwater moet worden bespoedigd, gezien de vastgestelde vertragingen in de in genoemd verslag behandelde lidstaten en het feit dat de opneming van Uniemiddelen traag verloopt; verzoekt de Commissie de begunstigden technische, juridische en administratieve bijstand te verlenen, om ervoor te zorgen dat de lopende projecten tijdig worden voltooid;

  merkt op dat de Commissie erkent dat de absorptiegraad eind 2013 in alle desbetreffende lidstaten vrij laag was, met als gevolg een risico op doorhaling van niet‑gebruikte middelen op programmaniveau (artikel 93 van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad(12)). benadrukt evenwel het feit dat hiervoor objectieve redenen zijn, bijvoorbeeld de noodzaak om de technische, juridische en administratieve capaciteit in de desbetreffende lidstaten te versterken; merkt voorts op dat de Commissie erop wijst dat voor de meeste projecten de betalingen doorgaans plaatsvinden tijdens de laatste uitvoeringsjaren (dus 2014 en 2015), aangezien de projecten uiterlijk tot eind 2015 voor subsidiëring in aanmerking komen;

  is van mening dat de lidstaten moet worden verzocht om bijgewerkte informatie over de bijkomende financiering die zij nodig zullen hebben om ervoor te zorgen dat de in de richtlijn behandeling stedelijk afvalwater bepaalde uitvoeringstermijnen kunnen worden gerealiseerd, zowel voor agglomeraties met een inwonersequivalent van meer dan 2 000 als voor agglomeraties met een inwonersequivalent van minder dan 2 000 waar opvangsystemen bestaan; is ingenomen met de invoering van het rapportage-instrument in het kader van het GUIK-proefprogramma ('Gestructureerd uitvoerings- en informatiekader'), dat moet resulteren in een verbetering van de rapportage op nationaal niveau;

  wijst op de behoefte om de noodzakelijke projecten in de lidstaten uit te voeren om ervoor te zorgen dat agglomeraties die tekortschieten de richtlijn behandeling stedelijk afvalwater zullen naleven;

  benadrukt het feit dat de milieuprestaties van de door de Unie gefinancierde waterbedrijven moet worden verbeterd en dat de Commissie grotere inspanningen moet leveren om toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van de regelgeving ter zake en om de termijnen voor verwezenlijking van de doelstellingen van de richtlijn behandeling stedelijk afvalwater te handhaven; is van mening dat in de hele Unie een gelijke bescherming van het milieu gewaarborgd moet zijn;

  is van mening dat de lidstaten aangemoedigd moeten worden om de mogelijkheid tot kostenbesparingen te verkennen en daarover informatie te verspreiden, bv. door benutting van het energiepotentieel van zuiveringsslib of van dat slib als waardevolle grondstof voor de terugwinning van fosfor;

  merkt op dat saldobetalingen voor in een operationeel programma goedgekeurde 'grote projecten' afhankelijk gesteld moeten worden van het bestaan van een passende oplossing voor het hergebruik van zuiveringsslib; moedigt de lidstaten aan hetzelfde te doen bij de op hun niveau goedgekeurde projecten;

  spoort de lidstaten aan om een verantwoord beleid te voeren inzake afvalwatertarieven en waar nodig de wettelijke bepalingen op het gebied van de waterprijzen aan te passen zodat de tarieven niet lager worden dan de algemeen geaccepteerde betaalbaarheidsratio van 4 %;

  moedigt de lidstaten aan ervoor te zorgen dat publieke eigenaren van afvalwaterzuiveringsinstallaties, zoals gemeenten, op de lange termijn voldoende middelen beschikbaar stellen voor noodzakelijk onderhoud en vernieuwing van de infrastructuur voor afvalwater;

Deel VII – Speciaal verslag nr. 3/2015 van de Rekenkamer met als titel 'De EU-jongerengarantie: eerste stappen genomen, maar uitvoeringsrisico's in het verschiet'

85.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer met als titel 'De EU-jongerengarantie: eerste stappen genomen, maar uitvoeringsrisico's in het verschiet' en sluit zich aan bij de aanbevelingen in dit verslag;

86.  merkt op dat de Rekenkamer het initiatief halverwege de uitvoering ervan beoordeelt en is ingenomen met de ambitie van de Rekenkamer om het gebruik van Uniemiddelen in een vroeger stadium te beginnen beoordelen;

87.  benadrukt dat de jongerengarantie een essentieel aspect is van het antwoord op de jeugdwerkloosheid; is ingenomen met het feit dat de staatshoofden en regeringsleiders van de Unie hebben besloten aan de jongerengarantie 6,4 miljard EUR aan Uniemiddelen toe te wijzen (3,2 miljard EUR uit het Europees Sociaal Fonds en 3,2 miljard EUR uit een nieuwe begrotingslijn); wijst erop dat dit een goed begin is, maar niet voldoende voor een succesvolle jongerengarantie; verzoekt de Commissie daarom ervoor te zorgen dat extra middelen worden gevonden om de jongerengarantie gedurende de periode van zeven jaar te steunen;

88.   merkt op dat financiering voor jongerenwerkgelegenheid de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) omvat, maar ook instrumenten als Erasmus+, Erasmus voor jonge ondernemers en andere programma's; benadrukt dat er een betere synergie moet worden bereikt tussen alle beschikbare bronnen;

89.  is van mening dat de financiering van de jongerengarantieregeling zeer complex is gezien de verschillende financieringsopties die via het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (Youth Employment Initiative, YEI) beschikbaar zijn; verzoekt de Commissie de autoriteiten van de lidstaten aan te sturen en daarbij rekening te houden met het feit dat de lokale, regionale en nationale autoriteiten bij de tenuitvoerlegging van de regeling geconfronteerd worden met verschillende uitdagingen en bijgevolg specifieke richtsnoeren nodig hebben;

90.  is van mening dat de Commissie veel middelen heeft uitgetrokken om ervoor te zorgen dat deze maatregel de jeugdwerkloosheid doeltreffend zou aanpakken; betreurt evenwel dat er veel minder werd ondernomen om de coördinatie van de uitvoering door de lidstaten te waarborgen;

91.  wijst erop dat niet alleen de beschikbaarheid van financiële middelen, maar ook een geslaagde opname van deze middelen een noodzakelijke voorwaarde is om de jongerengarantie doeltreffend uit te voeren; betreurt het dan ook dat in diverse regio's in Europa de opname van middelen uit het ESF zeer laag is; verzoekt de lidstaten te zorgen voor de nodige administratieve en personele middelen om de verstrekte middelen te gebruiken om de jongerengarantie naar behoren te verwezenlijken;

92.  is van mening dat, ondanks het feit dat de opnamecapaciteit moet worden verbeterd, de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de regeling en de Commissie via haar toezichthoudende rol ook de nodige aandacht moeten besteden aan de resultaten om de impact van de geïnvesteerde middelen op langere termijn te waarborgen;

93.  verzoekt de Commissie een alomvattend controlesysteem te ontwikkelen, inclusief een reeks normen voor de beoordeling van de uitvoering van de maatregelen in het kader van de jongerengarantieregeling, en het succes ervan in de lidstaten te beoordelen; verzoekt de Commissie tevens te overwegen bindende doelstellingen voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid op te nemen in het kader van het Europees semester;

94.  is van mening dat het van fundamenteel belang is de doeltreffende uitvoering van de beschikbare middelen door de lidstaten te combineren met een uitgebreide bijstand van de Commissie om de lacunes in de uitvoering weg te werken;

95.  merkt op dat de Unie geen harde wetgevingsbevoegdheden inzake actief arbeidsmarktbeleid heeft, maar benadrukt dat de Commissie de lidstaten voorbeelden van goede praktijken moet geven betreffende de uitvoering van de jongerengarantie, met name van praktijken die door het Europees netwerk van openbare diensten voor arbeidsvoorziening zijn geïdentificeerd;

96.  dringt er bij de lidstaten op aan Uniefinanciering te gebruiken en zich te verbinden tot hervormingen die lacunes wegwerken op het gebied van onderwijs, vaardigheidstraining, het opzetten van publiek-private partnerschappen, de verbetering van de diensten voor arbeidsvoorziening en de toegankelijkheid ervan;

97.  verzoekt de lidstaten met het oog op een adequate uitvoering en een positief effect op de lange termijn, waar nodig institutionele veranderingen te initiëren en samenwerking te bevorderen tussen lokale gemeenschappen, onderwijsinstanties, arbeidsbureaus, het plaatselijke bedrijfsleven, vakbonden en jongerenorganisaties; meent dat dit van cruciaal belang is om te komen tot een betere capaciteitsplanning en een strategisch resultaatgericht gebruik van de diverse beschikbare financieringsbronnen;

98.  herinnert de lidstaten eraan zich ertoe te verbinden de nationale financiering uit te breiden als aanvulling op kredieten uit het ESF en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en zo te zorgen voor de vereiste aanzwengeling van de werkgelegenheid voor jongeren;

99.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad(13) betreffende het Europees Sociaal Fonds om de initiële voorfinanciering aan operationele programma's uit het YEI te verhogen, waarbij de initiële voorfinanciering in 2015 wordt verhoogd van ongeveer 1 % tot 30 % voor de toewijzing uit het YEI; wijst erop dat de Commissie zich ertoe moet verplichten de voorfinanciering onmiddellijk na de inwerkingtreding van de wijzigingsverordening aan de lidstaten te betalen, om een snelle uitvoering mogelijk te maken van de operationele programma's die door het YEI worden ondersteund;

100.  verzoekt de Commissie een uitgebreid monitoringsysteem in te voeren dat ook een kader van indicatoren voor toezicht op de jongerengarantie bevat en dit combineert met de geplande resultaatindicatoren, waarbij met name aandacht wordt besteed aan de resultaten en aan de beoordeling van de arbeidspositie van personen die genieten van de maatregelen tegen jeugdwerkloosheid;

101.  is van mening dat het op de aanbodzijde gericht arbeidsmarktbeleid in samenhang moet worden gezien met het onderwijs-, jeugd- en sociaal beleid en met de ruimere macro-economische context;

102.  wijst erop dat het jaarverslag 2016 van de Commissie over de uitvoering van de jongerengarantie en de komende speciale verslagen van de Rekenkamer over werkgelegenheid voor jongeren belangrijke kansen zijn om de bestaande tekortkomingen aan te pakken, zowel op het niveau van de Commissie als op nationaal, regionaal en lokaal niveau;

Deel VIII – Speciaal verslag nr. 4/2015 van de Rekenkamer met als titel 'Technische bijstand: welke bijdrage heeft deze geleverd tot landbouw en plattelandsontwikkeling?'

103.   verzoekt de Commissie de reikwijdte en de toepassing te verduidelijken van de technische bijstand van de lidstaten op het terrein van de plattelandsontwikkeling; is van mening dat de Commissie in het bijzonder het onderscheid moet verduidelijken tussen operationele/'capaciteitsopbouwende' uitgaven en subsidiabele administratieve/'begrotingssteun'-kosten, vooral in verband met loonkosten;

104.   verzoekt de Commissie de tenuitvoerlegging van de technische bijstand door de lidstaten nauwgezet te controleren;

105.   verzoekt de Commissie passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat algemene administratieve uitgaven, zoals die voor regelmatig IT-onderhoud, niet voor rekening van de begrotingsonderdelen voor technische bijstand komen;

106.   verzoekt de Commissie in de toekomst van de lidstaten te verlangen dat zij een afzonderlijke rapportage inleveren over administratieve/'begrotingssteun'-kosten voor plattelandsontwikkeling, om zodoende transparanter weer te geven dat een deel van de financiering voor technische bijstand aan dergelijke steun wordt uitgegeven;

107.   verzoekt de Commissie met de lidstaten een passend prestatiekader vast te stellen voor de financiering voor technische bijstand; is van mening dat met name naar behoren dient te worden beoordeeld wat de behoeften van de Commissie en de lidstaten zijn op het gebied van technische bijstand en is een mechanisme nodig om doelstellingen vast te stellen en om na te gaan welke vorderingen in die richting zijn gemaakt;

Deel IX – Speciaal verslag nr. 5/2015 van de Rekenkamer met als titel 'Zijn financiële instrumenten een succesvol en veelbelovend instrument op het gebied van plattelandsontwikkeling?'

108.  verzoekt de Commissie de uitdagingen, specifieke kenmerken en belemmeringen op het gebied van plattelandsontwikkeling te identificeren, om de lidstaten aan te moedigen de budgettaire vraag naar financiële instrumenten beter te organiseren en te beoordelen en om overkapitalisatie te voorkomen, waarbij middelen toegewezen worden zonder bij te dragen aan de uitvoering van het Uniebeleid; vraagt ook dat de toegang voor eindbegunstigden makkelijker wordt gemaakt, om een actievere tenuitvoerlegging van financiële instrumenten op regionaal niveau mogelijk te maken, in het bijzonder in vergelijking met subsidies;

109.  verzoekt de lidstaten betrouwbare en kwantificeerbare informatie te verstrekken om het gepaste type financiering te kunnen bepalen en dienovereenkomstig financiële middelen te kunnen toewijzen; vraagt de Commissie en de lidstaten ook toezichtsystemen op te zetten om de doeltreffendheid van de financiële instrumenten te kunnen vaststellen;

110.  verzoekt de Commissie richtsnoeren te bieden en de kwaliteit van de verplichte beoordelingen vooraf voor financiële instrumenten, zoals voorzien voor de programmeringsperiode 2014-2020, actief te bevorderen om bepaalde tekortkomingen te achterhalen en overkapitalisatie te voorkomen; vraagt de lidstaten bovendien de risicoblootstellingsratio te valideren op basis van een passende technische analyse;

111.  verzoekt de Commissie passende normen en streefdoelen vast te stellen voor de hefboom- en renouvelleringseffecten om de doeltreffendheid van de financiële instrumenten voor de programmeringsperiode 2014-2020 te verhogen; verzoekt de Commissie en de lidstaten ook een grondige evaluatie door te voeren voorafgaand aan het toekomstige gebruik en de ontwikkeling van financiële instrumenten op het vlak van plattelandsontwikkeling op basis van hun bijdrage aan de uitvoering van het Uniebeleid en hun doeltreffendheid voor begunstigden;

112.  verzoekt de Commissie en de lidstaten duidelijke regels vast te stellen voor de overgang tussen de programmeringsperioden om de langetermijneffecten en de duurzaamheid van financiële instrumenten te bevorderen;

113.  verzoekt de Commissie de lidstaten aan te moedigen om één financieel instrument in te voeren dat zowel leningen als garanties kan verstrekken, waardoor de activiteit en kritische massa ervan toeneemt;

114.  verzoekt de lidstaten manieren te vinden om in het beheer van subsidies voor investeringsmaatregelen tekortkomingen bij de selectie te ondervangen, die zouden kunnen leiden tot buitenkans- of verplaatsingseffecten; vraagt de lidstaten om deze reden passende en duidelijk omschreven indicatoren te hanteren, zoals het rendement van investeringen en de verwachte kasstromen, om de levensvatbaarheid van projecten te verzekeren;

115.  verzoekt de lidstaten te onderzoeken hoe subsidies en financiële instrumenten kunnen worden gecombineerd in het operationeel programma om een maximale kosteneffectiviteit te bereiken door de hefboom- en renouvelleringseffecten te optimaliseren;

116.  verzoekt de Commissie tijdig en vóór de afsluiting van de programmeringsperiode 2007-2013 duidelijk omschreven operationele uitvoeringsbepalingen uit te brengen, samen met het beëindigingsbeleid;

Deel XI– Speciaal verslag nr. 6/2015 van de Rekenkamer met als titel 'De integriteit en de uitvoering van de EU-ETS'

117.   is teleurgesteld dat het niet mogelijk was een volledige analyse te krijgen van de efficiëntie van de verschillende toewijzingssystemen die tijdens fase 2 van de EU-regeling voor de handel in emissierechten (EU Emissions Trading Scheme, EU-ETS) (2008-2012) door de lidstaten zijn toegepast, wat van het grootste belang was geweest om met kennis van zaken politieke aanbevelingen te doen op basis van de auditresultaten van de Rekenkamer;

118.   merkt op dat de evaluatie van de Rekenkamer voornamelijk gericht was op de tenuitvoerlegging van fase 2 van de EU-ETS (2008-2012), terwijl er aanzienlijke hervormingen – met inbegrip van harmonisatiemaatregelen van de Unie – zijn overeengekomen en doorgevoerd voor fase 3 van de EU-ETS (2013-2020);

119.   is ingenomen met het feit dat het kader voor de bescherming van de integriteit van de ETS aanzienlijk is verbeterd, door het grootste deel van de spotmarkt voor emissierechten op te nemen onder de richtlijn markten voor financiële instrumenten(14) en de richtlijn(15) en verordening(16) marktmisbruik; verzoekt de Commissie in lijn met de aanbevelingen van de Rekenkamer aanvullende maatregelen te overwegen, ook met betrekking tot compliance traders;

120.   dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan te zorgen voor transparantie en doeltreffend toezicht op het niveau van de Unie op de emissiemarkt en op de procedures voor samenwerking tussen nationale toezichthouders en de Commissie;

121.   is van mening dat de Commissie als hoedster van de Verdragen nauw toezicht moet houden op de uitvoering in de lidstaten en hen tijdens het hele proces beter moet bijstaan; gelooft dat er sprake moet zijn van een passend evenwicht tussen solide toezicht, verslaglegging en verificatie en administratieve lasten; is van oordeel dat de Commissie moet zorgen voor de voorspelbaarheid van wetsbesluiten en voor rechtszekerheid, en daarbij rekening moet houden met de sturing van de Europese Raad;

122.   merkt op dat de Rekenkamer de integriteit en tenuitvoerlegging van de EU-ETS heeft beoordeeld, maar dat er ook behoefte is aan een analyse van de efficiëntie van het ETS-stelsel en de resultaten daarvan, met inbegrip van een evaluatie van de interactie tussen Europese en nationale regelgeving, zoals de ontwikkeling van hernieuwbare energie en maatregelen inzake energie-efficiëntie, die eveneens verregaande gevolgen hebben voor de CO2-uitstoot en dus de koolstofmarkt;

123. vraagt dat de Rekenkamer in haar analyse de betrokken industriële sectoren opneemt, met name wat rechtszekerheid en voorspelbaarheid betreft, en nagaat in hoeverre een betrouwbaar rechtskader is gewaarborgd en welke effecten de recente aanpassingen van het ETS-kader eventueel hebben gehad op de doeltreffendheid van het systeem;

124.   is verontrust over het feit dat het risico op btw-fraude in de ETS ten tijde van de controle niet afdoende is aangepakt, aangezien een derde van de lidstaten nog geen wetgeving heeft ingevoerd met betrekking tot de verleggingsregeling; roept alle lidstaten op om dit niet langer uit te stellen;

125.  is van mening dat het van essentieel belang is alle nodige maatregelen te nemen om een CO2-weglekeffect te voorkomen en te zorgen voor eerlijke internationale concurrentie en maatregelen voor kosteloze toewijzing van emissierechten; vraagt de Commissie te beoordelen welke industriële sectoren en bedrijven kwetsbaar zijn voor het CO2-weglekeffect om duidelijk de gebieden te kunnen identificeren waar Europese bedrijven activiteiten hebben verloren aan landen zonder strenge klimaatwetgeving;

Deel XI – Speciaal verslag nr. 7/2015 van de Rekenkamer met als titel 'De politiemissie van de EU in Afghanistan: gemengde resultaten'

126.  verzoekt de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) de lessen die geleerd zijn uit de EUPOL-missie in Afghanistan en uit andere missie sop het gebied van gemeenschappelijke veiligheid en defensie (GVDB) toe te passen om zo het delen van kennis en het creëren van synergieën tussen verschillende missies te vergemakkelijken; verzoekt om duidelijkere horizontale begeleiding door de EDEO bij GVDB-missies waar passend; wijst erop dat de coördinatie tussen alle betrokken Unieactoren, waaronder de lidstaten, en met andere internationale actoren essentieel is voor het succes van huidige en toekomstige missies;

127.  verzoekt de EDEO te zorgen voor meer verantwoording van zijn belangrijkste financiële instrument in Afghanistan, de Law and Order Trust Fund Afghanistan (LOTFA), dat door het UNDP beheerd wordt en kritiek krijgt over slecht management en een gebrek aan transparantie; benadrukt bovendien nogmaals het feit dat alle toepasselijke financieringskanalen voor toekomstige GVDB-missies, met inbegrip van EU-trustfondsen, op een efficiënte manier moeten worden gebruikt om te garanderen dat de beleidsdoelstellingen van de missie gehaald worden en er een degelijk financieel beheer is;

128.  verzoekt de Commissie en de EDEO te zorgen voor synergieën en kruisverwijzingen tussen projectactiviteiten en voor een sterke en efficiënte koppeling tussen de doelstellingen van de missie en de mijlpalen zoals die in het missie-implementatieplan (MIP) bepaald zijn;

129.  is van mening dat thema's zoals gender, emancipatie van de vrouw en onderwijs een belangrijke plaats moeten krijgen in de opleidingsprogramma's van EUPOL en andere GVDB-missies; merkt in deze context op dat EUPOL in hoge mate succesvol is in opleidingsactiviteiten, maar minder in mentoring en advisering;

130.  verzoekt de Commissie en de EDEO GVDB-missies op voorhand grondiger af te stemmen op andere bilaterale missies van de Unie en internationale initiatieven met soortgelijke doelstellingen; roept in dit opzicht op tot meer samenwerking en coördinatie tussen de Unie en haar lidstaten om synergieën binnen een Europees kader te bevorderen; vraagt dat in het mandaat voor lopende en toekomstige GVDB-missies duidelijk de bevoegdheden voor coördinatie tussen andere Unieactoren, waaronder de lidstaten, worden bepaald;

131.  verzoekt de Commissie en de EDEO in het bijzonder aandacht te besteden aan aanbestedingsprocedures om te verzekeren dat deze in overeenstemming zijn met de operationele behoeften van het GVDB; wijst erop dat de uitwerking van projecten heeft geleden onder omslachtige aanbestedingsprocedures, wat tot mindere prestaties geleid heeft, en dat het gebruik van vereenvoudigde of flexibele procedures gezorgd heeft voor een toename van de procedures die zijn uitgemond in een contractsluiting;

132.  verzoekt de Commissie en de EDEO de effectiviteit van hun GVDB-missies te verhogen door de houdbaarheid van de behaalde resultaten op lange termijn te verbeteren; erkent echter dat steun van de Unie en de internationale gemeenschap een beslissende factor is om deze doelstellingen op lange termijn te behalen;

133.  verzoekt de Commissie en de EDEO na de uitfasering van EUPOL tegen het einde van 2016 de verwezenlijkingen van de EU te evalueren en een mogelijke voortzetting van de verbintenis na 2016 te overwegen;

134.  verzoekt de Commissie en de EDEO tijdig gedetailleerde richtsnoeren te ontwikkelen voor het inkrimpen en afronden van missies en voor de vereffening van de middelen van de missie;

Deel XII – Speciaal verslag nr. 8/2015 van de Rekenkamer met als titel 'Voorziet de financiële steun van de EU behoorlijk in de behoeften van micro-ondernemers?'

135.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer met als titel 'Voorziet de financiële steun van de EU behoorlijk in de behoeften van micro-ondernemers?', en onderschrijft in beginsel de aanbevelingen daarin;

136.  wijst erop dat microkrediet, ook al staat het nog in de kinderschoenen, in de Unie gestaag toeneemt en kan bijdragen tot het creëren van meer dan 250 000 banen (gegevens van 2013);

137.   is van mening dat er aanzienlijke verschillen zijn tussen de subsidies van het Europees Sociaal Fonds (ESF) en de financiële instrumenten van de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit (EPMF), die beide andere doelen dienen; is van mening dat verschillende marktomstandigheden om verschillende steunmechanismen kunnen vragen;

138.   merkt op dat de Rekenkamer in deze audit een vergelijking maakt tussen twee verschillende financiële mechanismen met verschillende benaderingen en doelstellingen; benadrukt dat het ESF en de EPMF in veel opzichten verschillen vertonen, met name wat structuur, regels en doelgroepen betreft, waarbij de laatste uitsluitend gericht is op microfinanciering, terwijl de eerste veel breder georiënteerd is;

139.  wijst erop dat deze twee financiële faciliteiten complementair zijn en kleine kredietnemers grote voordelen bieden via de drie aangeboden financiële instrumenten (subsidies, leningen en garanties); is van mening dat subsidies - die enkel via het ESF worden verleend - voor microkrediet even belangrijk zijn als de andere twee instrumenten, en dat bij de beoordeling van hun prestaties rekening moet worden gehouden met hun complementaire rol;

140.  benadrukt het feit dat de doelstellingen op het gebied van microfinanciering belangrijk zijn voor het verbeteren van de sociale inclusie, het bestrijden van de werkloosheid en het verlenen van betere toegang tot financiering voor werklozen, andere kansarme groepen en micro-ondernemingen; is in verband hiermee van mening dat subsidies en financiële instrumenten de primaire taak moeten hebben mensen en micro-ondernemers te helpen de moeilijkheden te overwinnen om deze doelstellingen te verwezenlijken;

141.  is van mening dat de subsidies van fundamenteel belang zijn voor het halen van de doelstellingen van groei, sociale integratie en werkgelegenheid, zoals vastgesteld in de mededeling van de Commissie met als titel 'Bevordering van waardig werk voor iedereen – Bijdrage van de Europese Unie aan de uitvoering van de agenda voor waardig werk over de hele wereld' (COM(2006)0249), de mededeling van de Commissie met als titel 'Een gezamenlijk engagement voor de werkgelegenheid' (COM(2009)0257) en Verordening (EU) nr. 1296/2013 van het Europees Parlement en de Raad(17) betreffende een programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI);

142.  benadrukt het feit dat er een versterkt microfinancieringssysteem nodig is dat een instrument is voor economische en sociale ontwikkeling, om te voorzien in de behoeften van wie echt ontbering lijdt;

143.  is van mening dat de relatief geringe aandacht van de financiële instrumenten om de levensomstandigheden van kwetsbare groepen te verbeteren moet worden aangepakt in het EaSI voor de programmeringsperiode 2014-2020;

144.  is van mening dat de EPMF en het ESF elkaar onvoldoende aanvulden om te voldoen aan de eis dat alle verstrekkers van microkrediet moeten werken met entiteiten die opleiding en begeleiding bieden, met name entiteiten die door het ESF worden ondersteund;

145.  is ingenomen met het feit dat de meeste tekortkomingen die waren vastgesteld en de meeste aanbevelingen van de Rekenkamer reeds door de Commissie zijn opgenomen in het nieuwe regelgevingskader voor de periode 2014-2020;

Deel XIII – Speciaal verslag nr. 9/2015 van de Rekenkamer met als titel 'EU-steun voor de strijd tegen foltering en voor de afschaffing van de doodstraf'

146.  verwelkomt het speciale verslag over Uniesteun voor de strijd tegen foltering en voor de afschaffing van de doodstraf en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

147.  herinnert eraan dat mensenrechten een hoeksteen vormen van het externe optreden van de Unie en van haar bilaterale en multilaterale betrekkingen; is van mening dat zij, als een van de hoofdprioriteiten van de Unie, permanent aandacht moeten krijgen;

148.  benadrukt dat de Unie vastbesloten is om te werken aan de voorkoming en uitbanning van alle vormen van foltering en mishandeling en aan de afschaffing van de doodstraf; wijst erop dat het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR) het belangrijkste middel is dat hiervoor wordt ingezet, door het verstrekken van subsidies aan maatschappelijke organisaties voor de uitvoering van projecten;

149.  wijst erop dat in de programmeringsperiode 2007-2013 een bedrag van 100,9 miljoen EUR binnen het EIDHR-kader was toegewezen aan projecten in verband met de strijd tegen foltering en de doodstraf; wijst er echter op dat dit bedrag relatief klein is gezien de ambitieuze doelstellingen van het instrument en het brede terrein waarop het van toepassing is;

150.  benadrukt dat de dun uitgesmeerde financiering, verstrekt in ruim 120 landen over de hele wereld, de effecten van het EIDHR verkleint; dringt er bij de Commissie op aan de prioriteitstelling te verbeteren en gerichter te focussen, om de resultaten te verbeteren; benadrukt het feit dat de middelen gericht moeten zijn op landen met grote behoeften en kwesties met reële mogelijkheden van verbetering; verwelkomt het feit dat de Commissie reeds is begonnen met het toepassen van grotere gerichtheid in de oproep tot de indiening van voorstellen voor 2015;

151.  verneemt van de Rekenkamer dat de gefinancierde projecten vaak niet goed afgestemd zijn op andere Unieacties, zoals traditionele ontwikkelingssteun en de dialoog met de partnerlanden, geen deel uitmaakten van een coherente en strategische benadering en elkaar niet goed aanvulden; moedigt de Commissie aan een algemene strategie te ontwikkelen om de activiteiten met dezelfde doelstellingen elkaar te laten aanvullen en dubbele financiering te voorkomen;

152.  dringt er bij de EDEO en de Commissie op aan de nadruk en het politieke momentum te leggen daar waar de behoefte eraan het grootst is, en de capaciteit ter plaatse van de Uniedelegaties te versterken, om een cultuur te bewerkstelligen van doeltreffendheid, resultaatgerichtheid en invloed op het gebied van mensenrechten- en democratiseringsbeleid;

153.  roept de EDEO en de Commissie op de doeltreffendheid van de mensenrechtendialogen, landenstrategieën en landenspecifieke richtsnoeren te vergroten en te veralgemeniseren, door te waarborgen dat centrale mensenrechten, zoals de afschaffing van de doodstraf en de bestrijding van foltering, systematisch aan de orde komen op alle niveaus van beleidsvorming met derde landen;

154.  is van mening dat gestreefd moet worden naar meer gezamenlijke programmering en toezicht tussen de EDEO en de Commissie op het gebied van mensenrechtenkwesties, om de aansluiting bij lokale politieke en mensenrechtenstrategieën te verbeteren;

155.  vraagt de tenuitvoerlegging van een meer kwalitatieve en strategische benadering bij het algemene selectieproces van de aanvragen die in het kader van oproepen tot het indienen van voorstellen worden ontvangen; moedigt de Commissie aan dit instrument in te zetten in overeenstemming met een langetermijnvisie op basis van concrete, meetbare doelstellingen;

156.  dringt er bij de EDEO en de Uniedelegaties op aan regelmatig aandacht te besteden aan de ontwikkelingen of problemen in alle landen, en alle manieren om invloed uit te oefenen te benutten; steunt de rol van de Uniedelegaties bij de politieke analyse en vormgeving, en hun coördinerende en rapporterende taken;

157.  benadrukt dat het instrument een goede manier is om de toestand en de ontwikkeling van de mensenrechten in de wereld in kaart te brengen en te analyseren; wijst erop dat de voortdurende aanwezigheid en belangstelling van de Unie kunnen leiden tot veranderingen op het gebied van foltering en de doodstraf; benadrukt evenwel het feit dat de Commissie op dit vlak een strategische benadering moet ontwikkelen;

158.  wijst erop dat de Commissie via verschillende kanalen gedetailleerde informatie ontvangt over de mensenrechtensituatie in andere landen, en deze informatie gebruikt om prioriteiten vast te stellen; wijst er met bezorgdheid op dat, hoewel de Commissie beschikt over specifieke landenstrategieën voor mensenrechten, met diepgaande analyses van de situatie in de landen in kwestie en de bepaling van belangrijke prioriteiten op dat gebied, met deze strategieën onvoldoende rekening is gehouden bij de toewijzing van middelen en het coördineren van andere Unieacties; wijst erop dat de toegevoegde waarde van de landenstrategieën beperkt is vanwege hun strikt vertrouwelijke aard; roept de Commissie op de beoordelaars van de projecten toegang te verlenen tot de strategieën, om een zo groot mogelijke toegevoegde waarde te verzekeren;

159.  verwelkomt de vraaggestuurde benadering bij de financiering van projecten en acht het een goede manier om gemotiveerde organisaties met ervaring ter zake aan te sporen tot het voorstellen van kwalitatief hoogwaardige projecten; stelt met tevredenheid vast dat deze bottom-upbenadering maatschappelijke organisaties aanmoedigt om hun projecten op te zetten overeenkomstig hun administratieve, operationele en geografische capaciteiten en hun eigen strategie;

160.  betreurt dat kleinere plaatselijke maatschappelijke organisaties in een nadelige positie kunnen verkeren bij het aanvragen van subsidies, vanwege de lange en gecompliceerde aanvraagprocedures en de taal- en/of ervaringsvereisten; verzoekt de Commissie het aanvraagproces te versnellen en te vereenvoudigen om aanvragen voor kwalitatief hoogwaardige projecten aan te moedigen;

161.  verwelkomt het feit dat de Commissie seminars en trainingen organiseert voor plaatselijke maatschappelijke organisaties, partnerschappen bevordert en hertoewijzing van subsidies toelaat, en de afgelopen vier jaar een seminar voor maatschappelijke organisaties heeft georganiseerd voorafgaand aan de oproep tot het indienen van inschrijvingen, om het EIDHR te presenteren;

162.  is bezorgd dat het gebrek aan zelfvoorzienende organisaties de continuïteit van hun activiteiten kan ondermijnen, met het risico dat er expertise verloren gaat; verwelkomt het feit dat de Commissie de financiële onafhankelijkheid van de organisaties probeert te vergroten door ze toe te staan fondsenwervers aan te stellen in het kader van het EIDHR;

163.  wijst erop dat de Rekenkamer van oordeel is dat het over het algemeen lastig was om de resultaten van projecten te meten, aangezien de beoogde impact daarvan meestal immaterieel was, er geen streefcijfers voor resultaatindicatoren werden vastgesteld en de verslaglegging aan de Commissie door de maatschappelijke organisaties op activiteiten is gericht;

164.  houdt rekening met het feit dat de strijd tegen foltering en de afschaffing van de doodstraf langdurige processen zijn waarvan de effecten en resultaten moeilijk zijn vast te stellen, dat de EIDHR zich bezighoudt met gevoelige kwesties in moeilijke politieke omstandigheden en dat de uitvoering een grondig en tijdrovend management vereist;

165.  wijst er in dit verband op dat de systemen voor het meten van de effecten niet erg effectief zijn, mede vanwege de onduidelijke logische kaders voor de projecten, waarin geen duidelijk omschreven benchmarks en doelstellingen zijn opgenomen; verzoekt de Commissie om een verduidelijking van de vereisten binnen het logische kader voor de projecten om de resultaten te verbeteren en de meerwaarde te verhogen;

166.  verzoekt de Commissie een grondige effectbeoordeling van de EIDHR-financiering uit te voeren en daar conclusies uit te trekken; moedigt de Commissie aan tijdens de selectieprocedure rekening te houden met de effecten en resultaten van verschillende types projecten; verwelkomt het feit dat de Commissie reeds werkt aan de verbeterde effectbeoordeling van de mensenrechtenprojecten en verzoekt de Commissie de resultaten te delen met de kwijtingsautoriteit;

167.  wijst erop dat de projectbeoordelingen worden uitgevoerd aan de hand van een puntensysteem en gestandaardiseerde evaluatierasters met criteria die aspecten met betrekking tot ontwerp, relevantie, capaciteit, haalbaarheid, doeltreffendheid, duurzaamheid en kosteneffectiviteit afdekken, terwijl de subsidies worden toegekend aan de projecten met de hoogste scores; verneemt van de Rekenkamer dat de gestandaardiseerde evaluatierasters een aantal tekortkomingen vertonen, wat de richtsnoeren betreft die beschikbaar zijn voor de prestaties voor deze criteria; verzoekt de Commissie de richtsnoeren te verduidelijken en opnieuw te overwegen de gestandaardiseerde evaluatierasters te verbeteren;

168.  verzoekt de Commissie de tekortkomingen betreffende de beoordeling, zoals aangegeven door de Rekenkamer, te verhelpen; verwelkomt niettemin dat er een bepaalde flexibiliteit is bij de beoordeling van projecten op het gebied van mensenrechten, die niet kan worden beschouwd als het louter aanvinken van vakjes; benadrukt dat gezond verstand gebruikt moet worden, zoals al eerder is genoemd door de kwijtingsautoriteit;

169.  verneemt van de Rekenkamer dat de doelstellingen van de meeste oproepen tot het indienen van voorstellen in algemene bewoordingen waren beschreven; verneemt van de Commissie dat de holistische benadering van de oproepen tot het indienen van voorstellen de voorkeur heeft; verzoekt de Commissie echter te waarborgen dat de EIDHR-middelen op doeltreffende wijze worden gebruikt door de haalbaarheid, levensvatbaarheid en meerwaarde van de projecten te waarborgen, bijvoorbeeld door minimumvereisten wat betreft de projectresultaten vast te stellen in de oproepen tot het indienen van voorstellen;

170.  verwelkomt het feit dat de maatschappelijke organisaties die subsidies willen ontvangen een ontwerpnota moeten indienen met de belangrijkste aspecten van het project dat zij voorstellen; acht een dergelijke ontwerpnota een tijdbesparende en kosteneffectieve oplossing voor de voorselectie van projecten;

171.  verneemt van de Rekenkamer dat de selectie van projecten goed gedocumenteerd was, maar dat het daarbij ontbrak aan nauwkeurigheid, en dat vastgestelde tekortkomingen van de projecten niet werden verholpen; stelt met tevredenheid vast dat de algemene conclusies van de evaluatieraden voldoende gedetailleerd waren weergegeven; verwelkomt het feit dat de projectactiviteiten werden uitgevoerd volgens plan en over het algemeen kosteneffectief waren; roept de Commissie op de projectevaluaties samenhangender te maken;

172.  verneemt van de Rekenkamer dat de begunstigde organisaties verschillende interpretaties hanteren wat betreft de zaken die worden afgedekt door vaste bedragen ter dekking van indirecte kosten, wat kan leiden tot onderwaardering van de werkzaamheden van de organisatie, of tot het dekken van uitgaven die hiervoor niet in aanmerking komen; verzoekt de Commissie de regels voor deze vaste bedragen te verduidelijken;

173.  verwelkomt het nieuwe actieplan van de Unie inzake mensenrechten en democratie voor de periode 2015-2019, als hernieuwde politieke inzet voor de ontwikkeling van betere samenhang binnen het volledige scala aan externe beleidsmaatregelen en financiële instrumenten van de Unie;

174.  verwelkomt het feit dat de Commissie reeds is begonnen met de toepassing van de op rechten gebaseerde benadering en dit zal blijven doen door deze benadering breed toe te passen op procedures en modellen, routekaarten op te stellen en trainingen te organiseren;

Deel XIV – Speciaal verslag nr. 10/2015 van de Rekenkamer met als titel 'Er moet meer worden gedaan om de problemen met openbare aanbesteding bij EU-cohesie-uitgaven aan te pakken'

175.  is ingenomen met de vaststellingen en aanbevelingen van het speciaal verslag van de Rekenkamer met als titel 'Er moet meer worden gedaan om de problemen met openbare aanbesteding bij EU-cohesie-uitgaven aan te pakken';

176.  merkt op dat het cohesiebeleid met kredieten voor een totaalbedrag van 349 miljard EUR tussen 2007 en 2013 het belangrijkste beleid is om de economische en sociale verschillen tussen regio's in Europa te verminderen; wijst daarom op het belang van goede openbare aanbestedingsprocedures omdat het aanbestedingsproces volgens de Rekenkamer een belangrijke bron van fouten is bij de cohesie-uitgaven van de Unie;

177.  benadrukt het feit dat 40 % van de projecten die tussen 2007-2013 ten uitvoer zijn gelegd, fouten bevatten in de openbareaanbestedingsprocedures en dat onterechte onderhandse gunning, onjuiste toepassing van de selectiecriteria en partijdigheid bij de selectie de belangrijkste fouten waren;

178.  merkt op dat de voornaamste oorzaken van fouten te weinig administratieve capaciteit, de onjuiste omzetting van Unierichtlijnen door de lidstaten, inconsistente interpretatie van de regelgeving en ontoereikende planning waren;

179.  vestigt de aandacht op het feit dat de complexiteit van het juridische en administratieve kader voor openbare aanbesteding wordt gezien als een van de oorzaken van fouten; merkt op dat 90 % van de 69 auditautoriteiten aanvoerde dat het huidige complexiteitsniveau veel te hoog is, merkt op dat bijna 50 % erop wees dat het belangrijkste gebied waarop openbare aanbestedingen in de praktijk kunnen worden verbeterd, wellicht de vereenvoudiging van de procedures is;

180.  roept de lidstaten daarom op geen regels in te voeren die verder gaan dan de Unierichtlijnen; is van mening dat dit tevens de deelname van kmo's aan openbare aanbestedingsprocedures zou aanmoedigen en vergemakkelijken;

181.  merkt op dat de belangrijkste conclusie van de Rekenkamer was dat de Commissie en de lidstaten onvoldoende inspanningen leveren om openbare aanbestedingen regelmatig en stelselmatig te analyseren en dat het ontbreken van coherente en gedetailleerde gegevens het onmogelijk maakte om deze fouten te analyseren, aan te pakken en te voorkomen;

182.  deelt de opvatting van de Rekenkamer dat de Commissie een databank moet ontwikkelen om de frequentie, de ernst en de oorzaken van fouten inzake openbare aanbesteding te analyseren, is van mening dat de Commissie ervoor moet zorgen dat zij van de lidstaten consistente en betrouwbare informatie over onregelmatigheden ontvangt;

183.  is ingenomen met de proactieve aanpak van de Commissie voor de programmeringsperiode 2014-2020, waarmee zij door middel van begeleiding, toezicht en technische bijstand nationale actieplannen wil ondersteunen die tot 2016 moeten worden uitgevoerd; erkent dat de Commissie met deze proactieve aanpak het risico wil beperken dat betalingen voor operationele programma's na 2016 eventueel worden opgeschort;

184.  verwacht dat de Commissie voor de lidstaten die deze doelstellingen niet hebben verwezenlijkt, de betalingen opschort en financiële correcties toepast, maar alleen in laatste instantie, als alle andere middelen voor preventie, correctie en bijstand reeds zijn aangewend;

185.  is ingenomen met het feit dat de Commissie de problemen in verband met fouten op het gebied van openbare aanbestedingen die aan het licht kwamen met betrekking tot het cohesiebeleid, al lang aanpakt, maar dat zij dit nu op een meer gecoördineerde wijze doet, in het kader van het actieplan inzake openbare aanbesteding; verzoekt de Commissie in verband hiermee vaart te zetten achter de uitvoering van dit plan en jaarlijks verslag uit te brengen over de vorderingen die ermee worden geboekt;

186.  verwacht dat de Commissie een groep op hoog niveau opricht die een leidende rol moet vervullen bij het aanpakken van de problemen op het gebied van openbare aanbesteding en de vereenvoudiging ervan moet bevorderen;

187.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan gebruik te maken van de kansen die e-aanbesteding biedt, met name een groot potentieel om de transparantie te verbeteren, aanbestedingen toegankelijker te maken, ook voor kmo's, en onregelmatigheden en fraude te voorkomen;

188.  moedigt de Commissie en de lidstaten aan hun inspanningen op het gebied van uitwisseling van ervaringen en goede praktijken voort te zetten;

189.  is ingenomen met het op IT gebaseerde fraudealarminstrument Arachne en roept alle lidstaten op omvattende en hoogwaardige gegevens te coderen om dit programma naar behoren te helpen werken;

Deel XV – Speciaal verslag nr. 11/2015 van de Rekenkamer met als titel 'Worden de partnerschapsovereenkomsten inzake visserij goed beheerd door de Commissie?'

190.  is ingenomen met het stabielere rechtskader van de partnerschapsovereenkomsten inzake visserij (FPA's), in vergelijking met de particuliere overeenkomsten; merkt op dat de Europese reders hun voorkeur hebben geuit voor FPA's en de Commissie hebben gevraagd het stelsel van overeenkomsten uit te breiden;

191.  vraagt de Commissie de exclusiviteitsclausule beter na te leven; merkt op dat de Commissie, ook al zijn een aantal factoren niet van haar afhankelijk, ruim voor het verstrijken van het lopende protocol van start moet gaan met het onderhandelingsproces voor een nieuw protocol; roept de Commissie op om de onderhandelingen waar mogelijk in te korten;

192.  spoort de Commissie aan om te zorgen voor meer consistentie tussen de FPA's en andere Unie-initiatieven en financieringsbronnen in de visserij in eenzelfde regio, en om regionale strategieën op te stellen voor de ontwikkeling van het visserijbeheer en te waarborgen dat binnen eenzelfde regio tot stand gekomen protocollen consistent zijn met de betrokken regionale strategie en met andere Uniefondsen;

193.  vraagt de Commissie om meer aandacht te besteden aan de restrictieve technische voorwaarden, zoals een beperkende definitie van visserijgebieden; benadrukt dat dit van invloed kan zijn op de rentabiliteit van de externe vloot van de Unie;

194.  verzoekt de Commissie rekening te houden met de benuttingsgraad in eerdere protocollen, en de betalingen voor toegangsrechten beter te koppelen aan de reële vangsten zonder negatieve weerslag op de visserijactiviteiten;

195.  uit zijn bezorgdheid over de betrekkelijk hoge kosten van de door de Commissie bedongen FPA's in vergelijking met de tarieven uit het verleden; vraagt dat de Commissie zich bij het voorbereiden van de FPA-besprekingen laat leiden door de beginselen zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid, zodat een verantwoord uitgavenpatroon en degelijk financieel beheer gewaarborgd zijn;

196.  merkt op dat de evaluaties achteraf meer gericht moeten zijn om te komen tot een consistente en vergelijkbare analyse van de opbrengst van de aan de protocollen bestede openbare middelen en tot een alomvattende en kritische analyse van hun doeltreffendheid voor de Unie en de betrokken partnerlanden;

197.  moedigt de Commissie aan om haar onderhandelingspositie te versterken; benadrukt het belang van de totale financiële bijdrage van de Unie aan de partnerlanden;

198.  verzoekt de Commissie om de meest actuele gegevens te gebruiken voor de evaluatie achteraf; vraagt de Commissie om dit tijdig ter beschikking te stellen van de belanghebbenden;

199.  vraagt de Commissie om te stimuleren dat elektronische machtigingen of een lijst van goedgekeurde schepen in de partnerlanden voor de hele geldigheidsduur van de machtigingen worden geaccepteerd; benadrukt dat het nodig is de vertragingen tijdens het aanvraagproces van machtigingen te beperken; verzoekt de Commissie om knelpunten in de procedure op te sporen en te verhelpen;

200.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de nieuwe vangstendatabank ten volle wordt gebruikt door de vlaggenlidstaten en betrouwbare vangstcijfers bevat die kunnen worden geconsolideerd, gemonitord en bijgewerkt;

201.  merkt op dat de Commissie een databank heeft ingevoerd om vangstgegevens te beheren; merkt daarnaast op dat deze databank wekelijkse vangstgegevens van lidstaten moet bevatten, opgedeeld per visgrond; merkt met bezorgdheid op dat deze databank ten tijde van de controle van de Rekenkamer nog niet operationeel was, omdat bepaalde lidstaten niet in orde waren met hun rapportages; verzoekt de Commissie dit probleem in samenwerking met de lidstaten te verhelpen, en gegevens over daadwerkelijke uiteindelijke vangsten op een heldere en consistente manier in te voeren, om negatieve financiële gevolgen wanneer de uiteindelijke vangst groter is dan het referentietonnage te vermijden;

202.  verzoekt de Commissie nauwkeurig toezicht uit te oefenen op de implementatie van de sectorale steun om de doeltreffendheid en kosteneffectiviteit te verzekeren; vraagt de Commissie om de coördinatie van de door de partnerlanden uitgevoerde acties doeltreffend te laten verlopen; verzoekt de Commissie om in de protocollen formele subsidiabiliteitsvoorwaarden voor de gefinancierde acties op te nemen;

203.  vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat de sectorale steunbetalingen consistent zijn met andere betalingen van begrotingssteun en gebaseerd zijn op de door de partnerlanden bereikte resultaten bij de uitvoering van de matrix van overeengekomen acties;

204.  merkt met bezorgdheid op dat, hoewel de sectorale steun pas betaald mag worden wanneer de partnerlanden de behaalde resultaten kunnen aantonen, de thans geldende protocollen nog steeds niet de mogelijkheid bieden om de betalingen te korten wanneer de resultaten slechts ten dele worden bereikt; verneemt van de Commissie dat bij het volledig of gedeeltelijk uitblijven van resultaten de betaling van de sectorale steun voor het volgende jaar wordt opgeschort tot de doelstellingen zijn behaald; verzoekt de Commissie toch om waar mogelijk in de nieuwe protocollen de mogelijkheid van gedeeltelijke betaling van de sectorale steun in te voeren;

Deel XVI – Speciaal verslag nr. 12/2015 van de Rekenkamer met als titel 'De prioriteit van de EU om een op kennis gebaseerde plattelandseconomie te bevorderen wordt nadelig beïnvloed door slecht beheer van de maatregelen voor kennisoverdracht en adviesverlening'

205.  vraagt dat de lidstaten voorzien in procedures om de kennis- en vaardigheidsbehoeften van plattelandsactoren te analyseren die verder gaan dan het vaststellen van algemene onderwerpen, met name voor de perioden die betrekking hebben op oproepen tot het indienen van voorstellen of aanbestedingen, en dat de Commissie zorgt voor aanvullende begeleiding met betrekking tot de wijze waarop de lidstaten dergelijke terugkerende analyses moeten uitvoeren en dat zij in plaats van algemene, specifieke termen gebruikt bij de formulering van deze analyses;

206.  vraagt de lidstaten ervoor te zorgen dat er alleen steun wordt verleend voor het opzetten van nieuwe adviesdiensten wanneer er op het betrokken gebied een aantoonbaar tekort bestaat aan dit soort diensten en als er een daadwerkelijke financieringsbehoefte voor nieuwe medewerkers, faciliteiten en/of apparatuur bestaat;

207.  verzoekt de lidstaten dienstaanbieders die in aanmerking kunnen komen voor publieke middelen, via eerlijke en transparante mededinging te selecteren, ongeacht of ze gebruikmaken van oproepen tot het indienen van voorstellen of formele procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten;

208.   beveelt aan dat de Commissie rekening houdt met de Leidraad Overheidsopdrachten voor professionals ter vermijding van veelvoorkomende fouten bij door Europese structuur- en investeringsfondsen gefinancierde projecten;

209.  vraagt de Commissie aanvullende specifieke begeleiding te bieden met betrekking tot interne levering, onderaanneming en beoordeling van de dienstverlening door consortia, en voldoende toezicht te houden op de procedures van de lidstaten om concurrerende, eerlijke en transparante selectieprocedures voor kennisoverdrachtactiviteiten en adviesverlening te waarborgen;

210.  vraagt de lidstaten te beoordelen of activiteiten voor kennisoverdracht en adviesverlening die al eenvoudig en tegen een redelijke prijs beschikbaar zijn op de markt, echt ondersteuning nodig hebben, en, als deze noodzaak gerechtvaardigd is, ervoor te zorgen dat de kosten van de ondersteunde activiteiten niet hoger uitvallen dan de kosten van soortgelijke activiteiten die worden aangeboden op de markt;

211.  verzoekt de Commissie voort te bouwen op de eerste stappen die al gezet zijn om de complementariteit tussen de Uniemiddelen te waarborgen, teneinde het risico op dubbele financiering en overlappende administratie te verminderen;

212.  verzoekt de lidstaten feedbacksystemen in te stellen die de informatie die toezicht en evaluatie opleveren gebruiken om ophanden zijnde oproepen tot het indienen van voorstellen of aanbestedingsprocedures te verbeteren, en verzoekt de Commissie richtsnoeren te geven voor de wijze waarop de lidstaten dergelijke terugkerende feedbackprocedures kunnen uitvoeren en erop toe te zien dat de lidstaten over dergelijke feedbackprocedures beschikken;

213.  verzoekt de Commissie het risicoprofiel voor maatregelen voor kennisoverdracht en adviesverlening onverwijld te verhogen en het toezicht erop en het beheer ervan dienovereenkomstig te verbeteren;

214.  verzoekt de lidstaten hun goede praktijken te delen en hun projectevaluatie voort te zetten om een goede basis te hebben voor de uitvoeringsperiode 2014-2020;

215.   verzoekt de Commissie met een uitgebreide evaluatie van adviesdiensten te komen, waarbij de nadruk ligt op resultaten en netto-effecten en een puur kwantitatieve evaluatie van investeringen wordt vermeden;

216.  verzoekt de Commissie de uitwisseling van goede praktijken inzake methodologische aanpak in het kader van netwerkactiviteiten te bevorderen;

Deel XVII – Speciaal verslag nr. 13/2015 van de Rekenkamer met als titel 'De EU-steun voor houtproducerende landen in het kader van het FLEGT-actieplan'

217.  verwelkomt het speciale verslag over de Uniesteun voor houtproducerende landen in het kader van het FLEGT-actieplan en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

218.  is van mening dat het Flegt-initiatief essentieel is voor de verbetering van de governance in de bosbouw, voor de instandhouding van de bossen en voor het waarborgen van wetshandhaving, met name doordat het alle mogelijke middelen inzet, zoals vrijwillige partnerschappen en zorgvuldigheidseisen op financieel gebied, om het wereldwijde probleem van illegale houtkap aan te pakken en de houtexport naar de Unie zeker te helpen stellen;

219.  betreurt echter alle geconstateerde tekortkomingen bij de tenuitvoerleggingsfase van het FLEGT-actieplan en de FLEGT-projecten, die nu met spoed grondig geëvalueerd moeten worden;

220.  is sterk van mening dat het, na de 300 miljoen euro die in de periode 2003-2013 zijn uitgegeven voor steun in verband met FLEGT, de hoogste tijd is om een serieuze kosten-batenanalyse uit te voeren van het FLEGT-proces voor het terugdringen van illegale houtkap en daarmee verband houdende handel, maar ook om het ontwerp van de bestaande mechanismen te stroomlijnen om de resultaten en effecten ervan te verbeteren;

221.  betreurt de trage tenuitvoerlegging van het FLEGT-actieplan, de late goedkeuring van Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad(18) (EU-houtverordening) en de traagheid waarmee de Commissie lessen uit de algemene FLEGT-financiering trekt;

222.  verzoekt de Commissie de steunverlening een prioritair karakter te geven door duidelijke doelstellingen en criteria vast te stellen; verzoekt haar derhalve af te stappen van de structurering van de Uniefinanciering uit verschillende begrotingen en te overwegen gebruik te maken van één duidelijk gedefinieerde begroting;

223.  verzoekt de Commissie om snelle verbetering van het kader voor transparantie en verantwoordingsplicht door middel van monitoring en regelmatige verslaglegging middels invoering van een passende voortgangsbeoordeling; verzoekt de Commissie tevens na te gaan of de EU-houtverordening wordt nageleefd en daarover verslag uit te brengen, en de nodige juridische stappen te nemen om de toepassing ervan te verzekeren;

224.  verzoekt de Commissie haar inspanningen op het gebied van de bestrijding van illegale houtkap te stroomlijnen en beter te coördineren in het kader van de verschillende beleidsmaatregelen van de Unie en de betrokken diensten;

225.  herinnert eraan dat de traceerbaarheid van houtproducten door middel van een operationeel en wettelijk ingesteld vergunningenstelsel tussen de EU en de houtexporterende landen moet worden beschouwd als een permanente kerndoelstelling, vooral ook gezien de door de Rekenkamer gesignaleerde aspecten zoals wijdverbreide corruptie, slechte wetshandhaving of onvoldoende beoordeling van projectrisico's en -restricties;

226.  verzoekt de Commissie bij toekomstige bilaterale of multilaterale handelsovereenkomsten te onderhandelen over invoernormen voor hout, teneinde de dankzij het FLEGT-actieplan met de houtproducerende landen geboekte resultaten niet te ondermijnen;

227.  is van mening dat de governanceproblemen in het FLEGT-systeem ofwel in de externe evaluatie van FLEGT, ofwel op ad-hocbasis door de Commissie moeten worden behandeld;

Deel XVIII – Speciaal verslag nr. 14/2015 van de Rekenkamer met als titel "Biedt de ACS-Investeringsfaciliteit toegevoegde waarde?"

228.  verwelkomt het speciale verslag over de toegevoegde waarde van de ACS-investeringsfaciliteit als concreet en positief voorbeeld van follow-up door de Rekenkamer van de kwijtingsprocedure 2012 en 2013, waarin het Parlement verzocht om de opstelling van een speciaal verslag over de resultaten van de externe leenactiviteiten van de EIB en over de aansluiting van die activiteiten bij het ontwikkelingsbeleid van de Unie, voorafgaand aan de tussentijdse herziening van het externe mandaat van de Europese Investeringsbank (EIB) en de tussentijdse herziening van de investeringsfaciliteit;

229.  beschouwt de opname van een dergelijke controle van de ACS-investeringsfaciliteit in het werkplan van de Rekenkamer als een goede praktijk met betrekking tot de samenwerking tussen het Parlement en de Rekenkamer en hun werk van gezamenlijke controle;

230.  beschouwt dit controleverslag als een belangrijke eerste stap, omdat het de eerste controle is die de Rekenkamer op dit specifieke terrein heeft verricht; betreurt dat de investeringsfaciliteit niet onder de reikwijdte van de door de Rekenkamer verrichte controle in het kader van de jaarlijkse betrouwbaarheidsverklaring valt;

231.  neemt kennis van de positieve conclusies betreffende de samenhang van de investeringsfaciliteit met andere gebieden van ontwikkelingssamenwerking van de Unie en de katalyserende werking van de faciliteit; verwelkomt de goede samenwerking tussen de EIB en de Commissie, met name in het gebied van projectprospectie en -selectie;

232.  betreurt echter dat de Rekenkamer de meerwaarde van de ACS-investeringsfaciliteit niet nauwkeuriger kon aangeven; verzoekt de Rekenkamer daarom in toekomstige speciale verslagen meer concrete voorbeelden te geven en enkele projecten nader toe te lichten om haar conclusies en aanbevelingen beter te illustreren; verzoekt de Rekenkamer op deze eerste controle voort te bouwen om de beoordeling van de hefboomwerking, de katalyserende werking en de meerwaarde van dergelijke faciliteiten te verbeteren; verzoekt de Rekenkamer tevens de meerwaarde niet alleen te zien door de bril van de klassieke triade (economie, efficiëntie, effectiviteit), maar in bredere zin, met toepassing van een tweede triade (ecologie, gelijkheid en ethiek);

233.  is het eens met de aanbevelingen van de Rekenkamer; roept de Commissie daarom op met de aanbevelingen van de Rekenkamer rekening te houden bij haar toekomstige wetgevingsvoorstellen en onderhandelingen, bijvoorbeeld inzake de herziening van het externe mandaat van de EIB of de post-Cotonou-overeenkomst;

234.  beveelt aan de investeringsfaciliteit en het EIB-beleid snel aan te passen aan de resultaten van de COP21 in Parijs en de mogelijke millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling na 2015, om de beleidssamenhang van de Unie te garanderen; is van mening dat de aanpak van de klimaatverandering en alle directe en indirecte gevolgen daarvan, met name in de armste landen ter wereld, een hogere prioriteit moet krijgen;

235.  acht het van cruciaal belang voor de EIB om permanent tijd te investeren in zorgvuldigheid, gecombineerd met instrumenten voor resultaatbeoordeling, om beter inzicht te krijgen in het profiel van financiële tussenpersonen en begunstigden en om de effecten van projecten voor eindbegunstigden beter te evalueren; verzoekt de EIB ernstig met de aanbevelingen van de Rekenkamer rekening te houden en de huidige praktijken te verbeteren, om de meerwaarde van de ACS-investeringsfaciliteit te vergroten;

236.  is van mening dat al het geld van de belastingbetalers van de Unie zonder uitzondering aan kwijting door het Parlement moet zijn onderworpen; verklaart daarom nogmaals stellig van mening te zijn dat de door de EIB namens de Unie beheerde investeringsfaciliteit moet worden onderworpen aan de kwijtingsprocedure van het Parlement, aangezien de investeringsfaciliteit wordt gefinancierd door de belastingbetalers van de Unie;

237.  wijst erop dat de in artikel 287, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie genoemde tripartiete regeling voor de samenwerking tussen de EIB, de Commissie en de Rekenkamer inzake de controle door de Rekenkamer van de activiteiten die de EIB uitvoert in verband met het beheer van de middelen van de Unie en van de lidstaten, in 2015 hernieuwd zal worden; herhaalt zijn standpunt dat de taakomschrijving van de Rekenkamer in dit verband geactualiseerd moet worden door haar uit te breiden met alle nieuwe financiële instrumenten van de EIB die betrekking hebben op openbare middelen van de Unie of van het Europees Ontwikkelingsfonds;

Deel XIX – Speciaal verslag nr. 15/2015 van de Rekenkamer met als titel 'Steun van de energiefaciliteit van de EU voor hernieuwbare energie in Oost-Afrika'

238.  verwelkomt het speciale verslag over de steun van de energiefaciliteit van de ACS-EU voor hernieuwbare energie in Oost-Afrika en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

239.  verwelkomt het feit dat vanaf de tweede oproep tot het indienen van voorstellen in het kader van de energiefaciliteit verplicht is geworden een voorlopige haalbaarheidsanalyse op te nemen; benadrukt dat deze haalbaarheidsanalyses gebaseerd moet zijn op accurate en realistische scenario's; benadrukt ook het feit dat de scenario's reeds ramingen moeten omvatten van de manier waarop de lokale gemeenschap kan worden betrokken bij de uitvoering van het project, om de eigen plaatselijke inbreng te verbeteren en het project beter voor het voetlicht te brengen;

240.  is van mening dat de koppeling tussen de haalbaarheid van het project en de sociale, economische en ecologische duurzaamheid sterker moet worden vastgelegd, om niet alleen de doelmatigheid, samenhang en zichtbaarheid van de investeringsprojecten van de energiefaciliteit te waarborgen, maar ook te zorgen voor meer resultaat in de betreffende regio's;

241.  is van mening dat projecten en de daarmee verband houdende risico's regelmatig moeten worden geanalyseerd, gevolgd door snelle beperkende maatregelen om zo nodig de aanbestedingsstrategie en het proces van selectie en uitvoering aan te passen; is van mening dat de bevindingen in de analyseverslagen ten uitvoer moeten worden gelegd bij de volgende oproepen tot het indienen van voorstellen;

242.  verzoekt de energiefaciliteit te waarborgen dat lokale belanghebbenden, zoals ngo's of lokale gemeenschappen, bij projecten worden betrokken gedurende de volledige looptijd ervan, vanaf de lancering tot na de afronding, rekening houdend met de vereisten van specifieke projecten; vraagt dat de lokale capaciteitsopbouw permanent wordt ondersteund met een behoorlijk opleidingsaanbod gedurende de looptijd van het project, met als hoofddoel een verdere verbetering van de lokale betrokkenheid en bevordering van de coördinatie, zodat het project levensvatbaar en duurzaam is na afloop van de financieringsperiode;

243.  roept het directoraat-generaal Internationale Samenwerking en Ontwikkeling van de Commissie (DG DEVCO) op erop toe te zien dat de uitvoerende partners ingaan op alle verzoeken om aanvullende informatie over de uitvoering van het project/de projecten; roept DG DEVCO op om met name aandacht te besteden aan mogelijke gevallen van corruptie en/of fraude door de uitvoerende partners, zonder onnodige extra administratieve lasten op te leggen; verzoekt DG DEVCO om in het geval van corruptie en/of fraude de contracten nar behoren te beëindigen en nieuwe partners in de regio te zoeken;

244.   verzoekt de Commissie te zorgen voor beleidssamenhang en nauwe samenwerking met andere actoren, met name VN-organen en SE4ALL (Suitable Energy for All), maar niet alleen op energiegebied, teneinde de best mogelijke resultaten te bereiken voor de bewoners van de regio en voor het milieu; is van mening dat bij alle projecten moet worden gestreefd naar zoveel mogelijk synergieën met andere projecten ter plaatse, onder meer in de planningsfase van de projecten;

Deel XX – Speciaal verslag nr. 16/2015 van de Rekenkamer met als titel 'Verbetering van de energievoorzieningszekerheid door ontwikkeling van de interne energiemarkt: meer inspanningen nodig'

245.  verzoekt de lidstaten, om tot een effectieve en ononderbroken werking van de interne energiemarkt te komen en de middelen van de Unie optimaal te benutten, hun investeringen in energie-infrastructuur en de manier waarop zij hun energiemarkten reguleren op elkaar af te stemmen;

246.  is van mening dat hervormingen van de energiemarkt moeten beginnen op het niveau van de lidstaten; is van mening dat door het uitvoeren van de gezamenlijk overeengekomen energiepakketten, in het bijzonder het derde energiepakket, de voorwaarden zouden worden geschapen voor de totstandbrenging van de interne energiemarkt;

247.   benadrukt hoe belangrijk het is dat de lidstaten elk afzonderlijk voor de nodige infrastructuur kunnen zorgen om energie uit en in te voeren en dienst kunnen doen als een doorvoerland voor elektriciteit en gas, gezien de toekomstige regionale aanpak van energiezekerheid;

248.   benadrukt dat alle toekomstige energieprojecten van de Unie in overeenstemming moeten zijn met de wetgeving van de Unie en met de beginselen van de energie-unie: diversificatie, voorzieningszekerheid, toegankelijkheid, concurrentievermogen en duurzaamheid;

249.   is van mening dat er prioriteit moet worden verleend aan de versterking en verbetering van onderlinge verbindingen met aangrenzende lidstaten; pleit voor de ontwikkeling van bidirectionele capaciteit (bidirectionele stromen) bij iedere grensoverschrijdende onderlinge verbinding door hier de lidstaten bij te betrekken waardoor de corridors gaan;

250.  is van mening dat de uitvoering van strategische infrastructuurprojecten bijdraagt aan energiezekerheidsaspecten op middellange en lange termijn;

251.  verzoekt de Commissie meer financiële middelen toe te wijzen aan het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators en is van mening dat het agentschap de toestemming moet krijgen om extra personeel aan te werven, zodat de energiemarkten volledig en effectief kunnen worden gemonitord;

Deel XXI – Speciaal verslag nr. 17/2015 van de Rekenkamer met als titel 'Steun van de Commissie voor jongerenactieteams: heroriëntatie van ESF-middelen verwezenlijkt, maar onvoldoende aandacht voor resultaten'

252.  is ingenomen met het verslag van de Rekenkamer, onderschrijft de aanbevelingen daarin en is verheugd dat de Commissie deze aanvaardt en er rekening mee zal houden in de toekomst; is ingenomen met het feit dat de Commissie deze aanbevelingen heeft opgenomen in har rechtskader voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) voor de periode 2014-2020, om op die manier een betere kosteneffectiviteit te waarborgen, en wel door middel van een prestatiekader en prestatiereserve, ex-antevoorwaarden en gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren;

253.  stelt vast dat de jongerenwerkloosheid een ernstig probleem is in de hele Unie en dat er zowel op Unieniveau als op nationaal niveau passende middelen moeten worden ingezet om het aan te pakken; spoort de lidstaten er krachtig toe aan om gebruik te maken van de beschikbare steun van de Unie;

254.  merkt op dat de jongerenactieteams hoofdzakelijk een politieke oefening waren en vanaf het begin als zodanig werden aangekondigd, met als taak invloed uit te oefenen op de nationale regeringen om ongebruikte middelen te herbestemmen voor het aanpakken van de jongerenwerkloosheid, zonder daarbij aanvullende administratieve en/of juridische procedures op te leggen of nieuwe middelen toe te wijzen;

255.  wijst op het politiek moeilijke karakter van deze taak en erkent het goede werk dat de jongerenactieteams (YAT's) hebben geleverd door het bewustzijn op het hoogste politieke niveau te versterken, verschillende politieke en administratieve autoriteiten samen te brengen en hen ervan te overtuigen om prioriteit te geven aan de jongerenwerkgelegenheid boven andere initiatieven;

256.  beklemtoont dat de nadruk op prestaties en resultaten moet liggen en is verheugd over het feit dat het nieuwe regelgevingskader voor de programmeringsperiode 2014-2020 bepalingen inzake resultatenrapportage door de lidstaten bevat;

257.   merkt op dat de lidstaten die het meest behoefte hebben aan financiering ook te kampen hebben met zwakke administratieve capaciteiten, waardoor de nadruk komt te liggen op het beheer van het project in plaats van op het beheer van de investeringsdoelen;

258.   merkt op dat investeringseffecten nog altijd grotendeels worden gemeten door middel van kwantitatieve indicatoren, die niet alle aspecten reflecteren van een goede evaluatiepraktijk; wijst erop dat output niet gelijk is aan resultaat;

259. verzoekt de Commissie een vroegtijdig waarschuwingsmechanisme op te zetten voor onbenutte ESIF-kredieten zodat de lidstaten voldoende tijd hebben om deze middelen te herschikken ten gunste van maatregelen voor jongerenwerkgelegenheid;

260.  kijkt uit naar het verslag van de Rekenkamer over 'De EU-jongerengarantie - Uitvoering in de lidstaten', dat begin 2017 afgerond moet zijn, en stelt voor met de resultaten daarvan rekening te houden bij de tussentijdse evaluatie van het MFK;

Deel XXII - Speciaal verslag nr. 20/2015 van de Rekenkamer met als titel "De kosteneffectiviteit van EU-steun inzake plattelandsontwikkeling voor niet-productieve investeringen in de landbouw"

261.   beveelt aan dat de Commissie de lidstaten aanmoedigt om de niet-productieve investeringen (NPI's) meer in combinatie met andere maatregelen voor plattelandsontwikkeling en milieuregelingen uit te voeren en dat de Commissie vanaf 2017 toezicht uitoefent op de tenuitvoerlegging van NPI's door de betrokken lidstaten aan de hand van hun jaarlijkse uitvoeringsverslagen;

262.   beveelt aan dat de Commissie de lidstaten richtsnoeren verstrekt over de selectiecriteria van NPI's voor de periode 2014-2020 en nagaat of ze de juiste procedures voor de selectie van projecten toepassen; beveelt in deze context ook aan dat de lidstaten ervoor zorgen dat de NPI-selectieprocedures transparant zijn, openbaar worden gemaakt en doeltreffend worden uitgevoerd, en dat ze zorgvuldig controleren of aan deze criteria wordt voldaan;

263.   beveelt aan dat de Commissie ervoor zorgt dat er toezicht wordt gehouden op de bijdrage van NPI's aan de verwezenlijking van de agromilieudoelstellingen van de Unie of dat die bijdrage op zijn minst specifiek wordt beoordeeld tijdens de evaluaties van de programmeringsperiode 2014-2020;

264.   beveelt aan dat de Commissie de lidstaten waar de NPI-steun aanzienlijk is, aanmoedigt en ondersteunt om specifieke resultaatindicatoren vast te leggen voor de NPI's die het vaakst worden gefinancierd, om de bijdrage van NPI's aan de verwezenlijking van de agromilieudoelstellingen van de Unie beter te kunnen controleren en evalueren; vraagt in verband hiermee dat de lidstaten vanaf juni 2016 verslag uitbrengen over deze indicatoren in hun jaarlijkse uitvoeringsverslagen en de beoordeling van de NPI-resultaten opnemen in hun evaluatieplannen;

265.   beveelt aan dat de Commissie nadere richtsnoeren opstelt voor de vaststelling van criteria voor het bepalen van de rendabele elementen van NPI's waaraan de hoogste steunpercentages worden toegekend, en dat de lidstaten dergelijke criteria onverwijld vaststellen en deze gebruiken om de intensiteit van de steun aan te passen;

266.   beveelt aan dat de lidstaten onverwijld procedures invoeren om ervoor te zorgen dat de kosten van NPI's die steun ontvangen niet hoger zijn dan de kosten van soortgelijke door de markt aangeboden goederen, diensten of werkzaamheden; in dit verband moeten de lidstaten in het kader van hun administratieve controles passende benchmarks en/of referentiekosten vastleggen aan de hand waarvan de kosten van de NPI's systematisch worden geverifieerd;

267.   beveelt aan dat de Commissie de door de lidstaten verstrekte gegevens met betrekking tot de controleerbaarheid en de verifieerbaarheid van de maatregelen ter goedkeuring van hun POP's voor 2014-2020 gebruikt om ervoor te zorgen dat lidstaten adequate procedures met betrekking tot de redelijkheid van de kosten opstellen en toepassen, en om na te gaan of de lidstaten de voorziene controles doeltreffend toepassen; de Commissie ook de uitwisseling van optimale werkmethoden tussen de lidstaten vergemakkelijkt met betrekking tot het vaststellen van procedures om de redelijkheid van de kosten te controleren;

268.   beveelt aan dat de lidstaten, voordat de eerste controles ter plaatse voor de periode 2014-2020 plaatsvinden, een methode ontwikkelen om de oorzaak van de fouten die bij deze controles aan het licht komen tijdig te consolideren en te analyseren, en de nodige maatregelen te treffen om hun beheers- en controlesystemen van de NPI-regelingen te verbeteren;

269.   beveelt aan dat de Commissie rekening houdt met de tekortkomingen die de Rekenkamer op het gebied van NPI-uitgaven heeft geconstateerd en samen met de lidstaten passende maatregelen treft om een degelijk financieel beheer te garanderen voor dit soort investeringen;

Deel XXIII – Speciaal verslag nr. 22/2015 van de Rekenkamer met als titel "Het EU-toezicht op ratingbureaus – een solide opzet, maar nog niet volledig doeltreffend"

270.   benadrukt dat de doelstelling van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad(19) (CRAR) is om te voorzien "in een gemeenschappelijk regelgevingskader dat moet zorgen voor verbetering van de integriteit, de transparantie, de verantwoordelijkheid, de governance en de onafhankelijkheid van ratingactiviteiten en [...] aldus [bijdraagt] tot de kwaliteit van in de Unie afgegeven ratings en daarmee tot de goede werking van de interne markt, waarbij tevens een hoog niveau van consumenten- en beleggersbescherming wordt bewerkstelligd" (artikel 1 van de verordening);

271.   wijst erop dat de Rekenkamer en de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) dezelfde standpunten hebben inzake een groot aantal aspecten van de controle en de aanbevelingen;

272.   is ingenomen met het feit dat de ESMA in korte tijd een goede basis heeft gelegd voor effectief toezicht op de ratingbureaus in de EU; stelt echter vast dat de Rekenkamer van mening is dat de procedure omslachtig is als gevolg van de door de verordening vereiste splitsing in een volledigheids- en een nalevingsfase;

273.   deelt de mening van de Rekenkamer dat de ESMA gedurende het registratieproces haar beoordeling van alle wettelijke voorschriften met betrekking tot de ratingmethodologieën adequaat moet documenteren en dat bewijsstukken van de goedkeuringsprocedure niet alleen moeten worden opgeslagen in interne correspondentie, maar in specifieke dossiers;

274.   is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer en de ESMA het eens zijn over de risicogebaseerde aanpak van de ESMA; is van mening dat het risico-identificatieproces transparant, begrijpelijk en traceerbaar moet zijn;

275.   is van mening dat alle onderzoeken goed moeten worden gedocumenteerd zodat aangetoond en gewaarborgd kan worden dat alle conclusies zijn onderbouwd met een adequate analyse van de gegevens; wijst er hiertoe op dat de Rekenkamer aanbeveelt een specifiek IT-instrument voor toezicht in te voeren; neemt kennis van het standpunt van de ESMA dat haar huidige controle-instrumenten doeltreffend zijn; blijft er evenwel van overtuigd dat een specifiek IT-instrument de beste manier zou zijn om de informatie te beheren op een transparante, begrijpelijke en traceerbare wijze, rekening houdend met de normale hoeveelheden personeelswijzigingen; verzoekt de ESMA daarom in haar begrotingsplanning rekening te houden met de invoering van een dergelijk IT-instrument;

276.   herinnert eraan dat een van de doelstellingen en taken van de CRAR is om onafhankelijkheid te waarborgen en belangenconflicten te vermijden (zie bijlage 1 bij de CRAR); is daarom van mening dat de ratingbureaus ook de handelsactiviteiten van ratinganalisten moeten controleren; is evenwel van mening dat de ESMA op gestructureerde wijze toezien op de systemen die de ratingbureaus hebben opgezet voor de omgang met belangenconflicten;

277.   wijst op artikel 23 van de CRAR, waar wordt bepaald: "Bij de vervulling van hun taken krachtens deze verordening bemoeien de ESMA, noch de Commissie, noch enige overheid van de lidstaten zich met de inhoud van ratings of methodologieën"; is van mening dat de toepassing van de methodologieën van ratingbureaus derhalve, zodra de registratie is voltooid, slechts kan worden gevolgd door de lopende toezichtprocedures;

278.   wijst erop dat de ESMA alle belangrijke aspecten moet onderzoeken van de opzet en de toepassing van de methodologieën van ratingbureaus die nog niet zijn beoordeeld; is bezorgd over het feit dat deze taak niet volledig kan worden uitgevoerd door een gebrek aan middelen;

279.   betreurt dat het huidige systeem geen effectieve bescherming van de markten garandeert in geval van een lek, en verzoekt de ESMA om haar controlesysteem te verbeteren en acties tegen te gaan die tot verstoringen op de markten kunnen leiden;

280.   betreurt dat de huidige regels betreffende de euro niet garanderen dat alle door de ESMA geregistreerde ratingbureaus op gelijke voet staan; dringt er bij de Europese Centrale Bank en de Europese wetgever op aan deze situatie zo spoedig mogelijk recht te zetten;

281.   neemt kennis van het feit dat de centrale databank zal worden geïntegreerd in het Europees ratingplatform (artikel 11 bis CRAR) dat in 2013 is opgericht en waar momenteel aan wordt gewerkt; verzoekt de ESMA de soliditeit van de door de ratingbureaus gemelde gegevens te waarborgen;

282.   verzoekt de ESMA de werkwijzen voor openbaarmaking van de ratingbureaus verder te verbeteren en te harmoniseren;

283.   is ingenomen met het voornemen van de ESMA om haar website te verbeteren en met name alle toepasselijke wetgeving en relevante documenten te publiceren, en de website gebruiksvriendelijker te maken;

284.   wijst erop dat bepaalde terminologie in de CRAR-methodologie ruimte laat voor interpretatie, en daarom een nadelig effect kan hebben op de tenuitvoerlegging van de verordening; verzoekt de ESMA en de Rekenkamer derhalve om het Parlement en de Commissie een overzicht te geven van juridische bepalingen die verder verduidelijkt kunnen worden;

Deel XXIV – Speciaal verslag nr. 2/2016 van de Rekenkamer met als titel "Verslag van 2014 over de follow-up van de speciale verslagen van de Europese Rekenkamer"

285.   is ingenomen met het feit dat 23 van de 44 aanbevelingen volledig zijn uitgevoerd;

286.   is tevens verheugd over het feit dat de Commissie de aanvullende aanbevelingen van de Rekenkamer in het voorliggende speciale verslag over het algemeen heeft aanvaard;

287.   merkt evenwel op dat de Rekenkamer van mening was dat 18 van de 44 aanbevelingen niet of slechts ten dele zijn uitgevoerd, of dat het niet mogelijk was dit te verifiëren;

(a)   op het gebied van landbouwbeleid (10 aanbevelingen) had de follow-up van aanbevelingen vaak betrekking op de Commissie en de lidstaten, waarbij de Commissie van mening was dat zij haar verantwoordelijkheid had vervuld;

(b)   op het gebied van sociaal beleid (2 aanbevelingen), vallend onder gedeeld beheer, was de Rekenkamer van mening dat de resultaten en de doeltreffendheid onvoldoende zijn gemeten;

(c)   op het gebied van externe betrekkingen (3 aanbevelingen) was de Rekenkamer van mening dat de Commissie de redelijkheid van de projectkosten rechtstreeks moet beoordelen, en minder steunen op de marktkennis van internationale organisaties; en dat de Commissie de kwaliteit en veiligheid van het gemeenschappelijk Relex-informatiesysteem (CRIS) had moeten verbeteren; en

(d)   op het gebied van mededinging (3 aanbevelingen) was de Rekenkamer van mening dat het management van preliminaire onderzoeken verbeterd moet worden, het aantal ongegronde klachten moet worden verminderd en de State Aid Reporting Interface (SARI) moet worden verbeterd;

288.   benadrukt dat het voor de kwijtingsautoriteit onbevredigend is indien contradictoire procedures als uitkomst hebben dat de Commissie en de Rekenkamer tot verschillende conclusies komen; roept beide instellingen daarom op dergelijke uitkomsten te voorkomen;

289.   verzoekt de Rekenkamer duidelijk in haar aanbevelingen aan te geven welke soort actie van de Commissie en van de lidstaten wordt verwacht;

290.   roept de Rekenkamer op, samen met nationale auditautoriteiten, een systeem te ontwikkelen waarmee zij kan onderzoeken in hoeverre de lidstaten haar aanbevelingen hebben opgevolgd;

291.   benadrukt nooit een bevredigende uitleg te hebben gekregen waarom de Commissie het diverse jaren erg belangrijk vond dat directoraten-generaal hun eigen interne auditcapaciteiten afstootten, om deze capaciteiten met ingang van april 2015 weer onder te brengen bij de interne auditdienst;

°

°  °

292.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

7.4.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

2

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Louis Aliot, Jonathan Arnott, Inés Ayala Sender, Dennis de Jong, Martina Dlabajová, Ingeborg Gräßle, Bogusław Liberadzki, Monica Macovei, Gilles Pargneaux, Georgi Pirinski, Petri Sarvamaa, Claudia Schmidt, Igor Šoltes, Bart Staes, Michael Theurer, Marco Valli, Derek Vaughan, Anders Primdahl Vistisen, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Richard Ashworth, Andrey Novakov, Markus Pieper, Julia Pitera, Miroslav Poche, Patricija Šulin

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Luke Ming Flanagan, Arne Gericke, Ramón Jáuregui Atondo, Claudiu Ciprian Tănăsescu

(1)

  PB L 51 van 20.2.2014.

(2)

  PB C 377 van 13.11.2015, blz. 1.

(3)

  PB C 373 van 10.11.2015, blz. 1.

(4)

  PB C 377 van 13.11.2015, blz. 146.

(5)

  Aangenomen teksten, P8_TA-PROV(2016)0000.

(6)

  PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(7)

  Zie de door Rekenkamer opgestelde controlelijst ter beoordeling van de opzet van de controlesystemen met betrekking tot de risico's die gepaard gaan met de kosten voor plattelandsontwikkeling in bijlage 1 bij het speciaal verslag.

(8)

  Speciaal verslag nr. 1/2014 met als titel 'Doeltreffendheid van de door de EU gesteunde projecten voor openbaar stadsvervoer' en speciaal verslag nr. 21/2014 met als titel 'Door de EU gefinancierde luchthaveninfrastructuur: een slechte kosten-batenverhouding'.

(9)

  Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende EU-richtsnoeren voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1).

(10)

  Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 680/2007 en (EG) nr. 67/2010 (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 129).

(11)

  Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PB L 135 van 30.5.1991, blz. 40).

(12)

  Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999 (PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25).

(13)

  Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 470).

(14)

  Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1).

(15)

  Richtlijn 2014/57/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende strafrechtelijke sancties voor marktmisbruik (richtlijn marktmisbruik) (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 179).

(16)

  Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 2003/124/EG, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 1).

(17)

  Verordening (EU) nr. 1296/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende een programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI) en tot wijziging van Besluit nr. 283/2010/EU tot instelling van een Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit voor werkgelegenheid en sociale insluiting (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 238).

(18)

  Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PB L 295 van 12.11.2010, blz. 2).

(19)

  Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 1).

Juridische mededeling