Procedure : 2015/2203(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0137/2016

Ingediende teksten :

A8-0137/2016

Debatten :

PV 27/04/2016 - 17
CRE 27/04/2016 - 17

Stemmingen :

PV 28/04/2016 - 4.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0149

VERSLAG     
PDF 365kWORD 160k
12.4.2016
PE 571.494v02-00 A8-0137/2016

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2014

(2015/2203(DEC))

Commissie begrotingscontrole

Rapporteur: Claudia Schmidt

AMENDEMENTEN
 1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT


1. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2014

(2015/2203(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de financiële overzichten en de jaarrekeningen van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2014 (COM(2015) 379 – C8-0248/2015),

–  gezien de financiële informatie over het Europees Ontwikkelingsfonds (COM(2015) 295),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2014, tezamen met de antwoorden van de Commissie(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(2) voor het begrotingsjaar 2014 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbevelingen van de Raad van vrijdag 12 februari 2016 betreffende de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de activiteiten van de Europese Ontwikkelingsfondsen in het begrotingsjaar 2014 (05219/2016 – C8-0036/2016, 05220/2016 – C8-0037/2016, 05223/2016 – C8-0038/2016, 05224/2016 – C8-0039/2016),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2015) 505) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2015) 194 en SWD(2015) 195),

–  gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000(3) en gewijzigd te Ouagadougou (Burkina Faso) op 22 juni 2010(4),

–  gezien Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie ('LGO­besluit')(5),

–  gezien artikel 33 van het intern akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het tweede financieel protocol van de vierde ACS-EG-overeenkomst(6),

–  gezien artikel 32 van het intern akkoord van 18 september 2000 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn(7),

–  gezien artikel 11 van het intern akkoord van 17 juli 2006 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Gemeenschap binnen het meerjarig financieel kader voor de periode 2008-2013 in overeenstemming met de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst, en betreffende de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het EG-Verdrag van toepassing zijn(8),

–  gezien artikel 11 van het intern akkoord van 24 en 26 juni 2013 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor 2014-2020 in overeenstemming met de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst, en betreffende de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn(9),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS-EG-overeenkomst(10),

–  gezien artikel 119 van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds(11),

–  gezien artikel 50 van Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad van 18 februari 2008 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het tiende Europees Ontwikkelingsfonds(12),

–  gezien artikel 48 van Verordening (EU) 2015/323 van de Raad inzake het Financieel Reglement van toepassing op het elfde Europees Ontwikkelingsfonds(13),

–  gezien artikel 93, artikel 94, derde streepje, en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0137/2016),

1.   verleent de Commissie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2014;

2.  formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2. ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de afsluiting van de rekeningen van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2014

(2015/2203(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de financiële overzichten en de jaarrekeningen van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2014 (COM(2015) 379 – C8-0248/2015),

–  gezien de financiële informatie over het Europees Ontwikkelingsfonds (COM(2015) 295),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de activiteiten van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2014, tezamen met de antwoorden van de Commissie(14),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(15) voor het begrotingsjaar 2014 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbevelingen van de Raad van vrijdag 12 februari 2016 betreffende de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de activiteiten van de Europese Ontwikkelingsfondsen in het begrotingsjaar 2014 (05219/2016 – C8-0036/2016, 05220/2016 – C8-0037/2016, 05223/2016 – C8-0038/2016, 05224/2016 – C8-0039/2016),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2015) 505) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2015) 194 en SWD(2015) 195),

–  gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000(16) en gewijzigd te Ouagadougou (Burkina Faso) op 22 juni 2010(17),

–  gezien Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie ('LGO­besluit')(18),

–  gezien artikel 33 van het intern akkoord van 20 december 1995 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het tweede financieel protocol van de vierde ACS-EG-overeenkomst(19),

–  gezien artikel 32 van het intern akkoord van 18 september 2000 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering en het beheer van de steun van de Gemeenschap in het kader van het financieel protocol bij de partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en betreffende de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het EG-Verdrag van toepassing zijn(20),

–  gezien artikel 11 van het intern akkoord van 17 juli 2006 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Gemeenschap binnen het meerjarig financieel kader voor de periode 2008-2013 in overeenstemming met de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst, en betreffende de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het EG-Verdrag van toepassing zijn(21),

–  gezien artikel 11 van het intern akkoord van 24 en 26 juni 2013 tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor 2014-2020 in overeenstemming met de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst, en betreffende de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn(22),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 74 van het Financieel Reglement van 16 juni 1998 van toepassing op de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering in het kader van de vierde ACS-EG-overeenkomst(23),

–  gezien artikel 119 van het Financieel Reglement van 27 maart 2003 van toepassing op het negende Europees Ontwikkelingsfonds(24),

–  gezien artikel 50 van Verordening (EG) nr. 215/2008 van de Raad van 18 februari 2008 inzake het Financieel Reglement van toepassing op het tiende Europees Ontwikkelingsfonds(25),

–  gezien artikel 48 van Verordening (EU) 2015/323 van de Raad inzake het Financieel Reglement van toepassing op het elfde Europees Ontwikkelingsfonds(26),

–  gezien artikel 93, artikel 94, derde streepje, en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0137/2016),

1.  stelt vast dat de definitieve jaarrekening van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds overeenkomt met tabel 2 in het jaarverslag van de Rekenkamer;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2014;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3. ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2014

(2015/2203(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2014,

–  gezien artikel 93, artikel 94, derde streepje, en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0137/2016),

A.  overwegende dat de opeenvolgende, door de lidstaten gefinancierde, Europese Ontwikkelingsfondsen (EOF's) de voornaamste samenwerkingsinstrumenten vormen voor het verstrekken van steun van de Unie in het kader van de ontwikkelingssamenwerking aan de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (de ACS-staten) en landen en gebieden overzee (LGO's);

B.  overwegende dat de overkoepelende doelstelling van de Overeenkomst van Cotonou gericht is op het terugdringen en uiteindelijk uitroeien van armoede vóór 2020;

C.  overwegende dat duurzaamheid en geleidelijke economische integratie centrale beginselen zijn geworden van het ontwikkelingsbeleid en de ontwikkelingsinstrumenten in het kader van de Overeenkomst van Cotonou;

D.  overwegende dat het feit dat de uitgaven in 2014 hebben plaatsgevonden in het kader van de achtste, negende, tiende en elfde EOF's, met betalingen die nog steeds worden verricht in het kader van het in 1995 in werking getreden achtste EOF, een belemmering vormt voor het algemene niveau van transparantie en efficiëntie van de activiteiten;

E.  overwegende dat de Raad in december 2013 een overbruggingsfaciliteit heeft aangenomen om de beschikbaarheid van middelen tussen januari 2014 en de inwerkingtreding van het elfde EOF te waarborgen met overgangsmiddelen ten bedrage van 1 616 miljoen EUR;

F.  overwegende dat de EOF-middelen worden beheerd door zowel de Commissie als de Europese Investeringsbank (EIB), waarbij de Commissie als enige ter verantwoording kan worden geroepen voor het beheer van middelen en activiteiten in het kader van de kwijtingsprocedure;

G.  overwegende dat de Unie een sterke traditie kent op het vlak van internationale samenwerking voor de aanpak van mondiale uitdagingen en het verlenen van ontwikkelingshulp in grote delen van de wereld;

H.  overwegende dat de manier waarop mondiale actoren en instellingen samenwerken, moet worden geherdefinieerd door nieuwe dynamieken en werkwijzen te ontwikkelen, met name om de toezeggingen op het gebied van het externe beleid van de Unie beter gestand te doen;

I.  overwegende dat het externe optreden van de Unie verloopt via internationale organisaties die uitvoering geven aan fondsen van de Unie of die samen met de Unie projecten financieren, wat soms een uitdaging kan vormen op het gebied van overzicht en beheer;

J.  overwegende dat de heersende werkomgeving in ACS-staten wordt gekenmerkt door een inherent hoge blootstelling aan risico's als gevolg van politieke instabiliteit, veiligheidsproblemen en een zwakke institutionele en administratieve omgeving;

K.  overwegende dat de mate en de aard van de betrokkenheid van de Unie gedifferentieerd en voorwaardelijk moet zijn, en afhangt van meetbare vooruitgang op diverse terreinen zoals democratisering, mensenrechten, goed bestuur, duurzame sociaaleconomische ontwikkeling, de rechtsstaat, transparantie en corruptiebestrijding;

L.  overwegende dat een regelmatige en diepgaande politieke dialoog essentieel is voor een grotere eigen inbreng van de partners en de afstemming van beleidsdoelstellingen;

M.  overwegende dat begrotingssteun grote risico's inhoudt in verband met de capaciteit van het partnerland om de toegewezen middelen op passende wijze aan te wenden, hetgeen potentiële gevolgen heeft voor de gezamenlijk overeengekomen doelstellingen en met name ook een aantal uitdagingen met zich meebrengt op het gebied van transparantie, verantwoordingsplicht en goed financieel beheer;

N.  overwegende dat onrechtmatige financiële stromen als gevolg van corruptie, belastingontduiking en witwasconstructies een belemmering vormen voor de inspanningen van partnerlanden om binnenlandse inkomsten te mobiliseren en hun kansen op groei en het terugdringen van armoede ondermijnen;

O.  overwegende dat het van essentieel belang is om de zichtbaarheid en geloofwaardigheid van de Unie te versterken en de waarden van de Unie in al haar interventies te bevorderen;

P.  overwegende dat de "budgettering" van het EOF, dat wil zeggen de opname in de begrotingsstructuur van de Unie, een prioriteit van het Parlement blijft; overwegende dat de opname van het EOF in de algemene begroting het Parlement in staat zou stellen om inspraak te hebben in de oprichting en toewijzing van EOF-financiering en tegelijkertijd zou zorgen voor een betere beleidscoherentie en democratische controle;

Betrouwbaarheidsverklaring

Financiële en projectuitvoering in 2014

1.  neemt kennis van het lage niveau van vastleggingen in 2014, namelijk 621 miljoen EUR ten opzichte van de vorige jaren met 3 923 miljoen EUR in 2013 en 3 163 miljoen EUR in 2012, als gevolg van de late inwerkingtreding van het elfde EOF en de beperkte beschikbaarheid van overgangsmiddelen in de overbruggingsfaciliteit, te weten 1 616 miljoen EUR; wijst bovendien op het zeer hoge niveau van betalingen, namelijk 3 516 miljoen EUR ten opzichte van 2 963 miljoen EUR in 2013, dankzij de 595 miljoen EUR uit de overbruggingsfaciliteit die is toegewezen voor uitbetalingen van begrotingssteun en voorschotten ten behoeve van werkzaamheden in het kader van de Afrikaanse Vredesfaciliteit in de Centraal-Afrikaanse Republiek en Somalië;

2.  vindt het zeer zorgwekkend dat het door de Rekenkamer geschatte foutenpercentage voor de uitgaven van het EOF drie achtereenvolgende jaren is gestegen tussen 2012 en 2014, van 3,0 % naar 3,8 %; benadrukt dat dit foutenpercentage nog altijd aanzienlijk lager ligt dan de foutenpercentages van de door de lidstaten beheerde uitgaven van de Unie;

3.  vindt het bezwaarlijk dat de Commissie over voldoende informatie beschikte om de kwantificeerbare fouten te voorkomen, op te sporen en te corrigeren alvorens de uitgaven te valideren en te aanvaarden, waardoor het foutenpercentage tot wel 2,3 procentpunten lager had kunnen liggen en onder de materialiteitsdrempel van 2 % was gekomen; wijst erop dat de meeste fouten voortvloeien uit de niet-naleving van de aanbestedingsregels; steunt de aanbeveling van de Rekenkamer om de controles vooraf te verbeteren;

4.  is ingenomen met de inspanningen van EuropeAid om het grote aantal uitstaande vastleggingen (waarnaar vaak verwezen wordt met de Franse term reste à liquider) van 12,5 miljard EUR op 31 december 2013 te verlagen tot 9,7 miljard EUR op 31 december 2014, wat een daling betekent van 23 %; stelt echter vast dat er verdere inspanningen nodig zijn; wijst voorts op de inspanningen van EuropeAid voor de verlaging van oude voorfinancieringen (46 % behaald, bij een doelstelling van 25 %) en oude niet-afgewikkelde vastleggingen (51,24 % behaald, bij een doelstelling van 25 %), alsook van het aantal openstaande verlopen contracten (15,52 % behaald, bij een doelstelling van 15 %), doch met minder bevredigende voortgang voor verlopen contracten in het kader van de EOF's, terwijl 25 % van alle contracten van het EOF openstaande verlopen contracten zijn met een totale waarde van 3,8 miljard EUR; spoort de Commissie ertoe aan zich te blijven inspannen om de gemiddelde periode voor de uitvoering van projecten te verkorten;

Risico's voor de rechtmatigheid

5.  neemt nota van de veelheid aan toegepaste methoden voor de tenuitvoerlegging van de EOF's onder gecentraliseerd direct beheer (38 % van de in 2014 verrichte betalingen, waarvan 22 % van het totaal betrekking had op begrotingssteun), waarbij indirect beheer goed was voor de overige 62 % (uitgesplitst als volgt: 32 % via internationale organisaties, 25 % via derde landen en 5 % met nationale instanties van de lidstaten); onderkent de brede geografische dekking (79 landen) en de complexiteit van de uitvoeringsbepalingen en -procedures in kwestie, zoals de procedures voor de aanbesteding en gunning van contracten;

6.  merkt op dat de aard van de instrumenten en betalingsvoorwaarden op twee gebieden van begrotingssteun en samenwerking met internationale organisaties, met name de bijdragen van de Unie aan multidonorprojecten van de Verenigde Naties, het risico op fouten bij de verrichtingen beperken;

Betrouwbaarheid van de rekeningen

7.  is ingenomen met het oordeel van de Rekenkamer dat de definitieve jaarrekening van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het jaar 2014 een in elk materieel opzicht getrouw beeld van de financiële situatie van de EOF's per 31 december 2014 geeft, en dat de resultaten van hun verrichtingen, hun kasstromen en de veranderingen in de nettoactiva over het op die datum afgesloten jaar in overeenstemming zijn met de bepalingen van het financieel reglement van het EOF en de boekhoudregels die zijn gebaseerd op internationaal aanvaarde boekhoudnormen voor de publieke sector;

8.  maakt zich net als in vorige jaren ernstige zorgen over het feit dat subgedelegeerde ordonnateurs nog steeds niet systematisch voldoen aan de regel dat de Commissie in geval van voorfinancieringsbetalingen van meer dan 750 000 EUR wordt geacht op jaarbasis rente te vorderen (2,5 miljoen EUR in 2014 ten opzichte van 5,7 miljoen EUR in 2013) en dat het bedrag aan rentebaten die in de rekeningen zichtbaar wordt gemaakt deels is gebaseerd op schattingen; roept het directoraat-generaal Ontwikkeling en Samenwerking van de Commissie (DG DEVCO) op om subgedelegeerde ordonnateurs streng te controleren; betreurt het tevens dat de rente die is verkregen over voorfinancieringen tussen 250 000 en 750 000 EUR nog steeds niet als bron van ontvangsten in de financiële overzichten is opgenomen;

9.  merkt op dat in 2014 83,3 miljoen EUR is teruggevorderd, wat overeenkomt met 2,3 % van het totaalbedrag van 3,58 miljard EUR dat in 2014 is betaald voor het EOF; benadrukt echter dat deze terugvorderingen tevens betrekking hebben op het achtste, negende en tiende EOF en dat het terugvorderingspercentage daarom sterk varieert;

Wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen bij de rekeningen

10.  is verheugd over het oordeel van de Rekenkamer dat de onderliggende ontvangsten bij de rekeningen voor het begrotingsjaar 2014 op alle materiële punten wettig en regelmatig zijn;

11.  geeft uiting aan zijn bezwaren tegen de conclusie van de Rekenkamer over de wettigheid en regelmatigheid van de betalingen die fouten van wezenlijk belang vertonen, en tegen het feit dat de toezicht- en controlesystemen op het hoofdkantoor van EuropeAid en bij de delegaties van de Unie slechts ten dele doeltreffend worden geacht wat betreft het garanderen van de wettigheid en regelmatigheid van de betalingen; vindt de resultaten van de steekproeven ten aanzien van betalingsverrichtingen waaruit naar voren kwam dat 54 van de 165 betalingen (33 %) fouten vertoonden, zorgwekkend;

12.  betreurt het dat het meest waarschijnlijke foutenpercentage voor betalingen uit het achtste, negende, tiende en elfde EOF volgens de schatting van de Rekenkamer in haar jaarverslag 3,8 % bedraagt, hetgeen een tweede stijging op rij betekent ten opzichte van 2013 (3,4 %) en 2012 (3 %);

13.  betreurt het dat de niet-naleving van aanbestedingsregels door begunstigden en het ontbreken van bewijsstukken voor uitgaven nog steeds de twee voornaamste oorzaken van fouten zijn, met 63 % van het geraamde foutenpercentage; acht het onontbeerlijk dat consequent aandacht wordt besteed aan de ontwikkeling van interne financiële en controlekennis, en verzoekt om volledige transparantie over begunstigden en onderaannemers;

14.  betreurt het dat 34 van de 133 door de Rekenkamer gecontroleerde betalingsverrichtingen kwantificeerbare fouten vertoonden en dat 19 % van deze 34 verrichtingen betrekking had op niet-gemaakte uitgaven, wat zou kunnen wijzen op frauduleuze activiteiten;

15.  vindt het bezwaarlijk dat de Commissie weliswaar over voldoende informatie beschikte om de kwantificeerbare fouten te voorkomen, te constateren en te corrigeren alvorens de uitgaven te valideren en te aanvaarden, maar geen gebruik heeft gemaakt van de beschikbare informatie waarmee het foutenpercentage 2,3 procentpunten lager had kunnen liggen; verwacht dat DG DEVCO zorgvuldiger te werk gaat bij het beheren van zijn totale controlesysteem en bij de gebruikmaking van de beschikbare informatie;

16.  is ingenomen met de inwerkingtreding van de fraudebestrijdingsstrategie in 2014 en verzoekt om meer nadruk op en de ontwikkeling van fraudebestrijdingsmechanismen en om meer transparantie van de EOF-financiering;

Toezicht op activiteiten en versterking van de managementgarantie

17.  stelt vast dat 52 van de 133 (d.w.z. 39 % van de) betalingsverrichtingen in verband met projecten fouten vertoonden waarvan er 34 (65 %) kwantificeerbaar waren; betreurt het dat 14 van deze 34 verrichtingen definitieve verrichtingen waren die alle controles vooraf hebben doorlopen; uit nogmaals zijn bezorgdheid over de onbevredigende prestaties en terugkerende tekortkomingen van controles vooraf;

18.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie om regelmatig aandacht te besteden aan de kwaliteit en toereikendheid van de controles vooraf die zij uitvoert, met name gezien de onstabiele politieke en operationele omgeving;

19.  onderkent dat het restfoutenpercentage voor 2014 wordt geraamd op 2,81 % (205,7 miljoen EUR); neemt er nota van dat deze ramingsmethode door de Rekenkamer werd gezien als een passende methodologie die nuttige informatie verschaft op gebieden waar de uitvoering van controles verder moet worden opgevoerd en die voldoende bewijs verschaft dat het restfoutenpercentage van wezenlijk belang is;

20.  herhaalt zijn standpunt dat het nuttig zou zijn om duidelijk vast te stellen welke activiteitsgestuurde begrotingswerkzaamheden of interventiegebieden de meeste tekortkomingen en fouten vertonen en het kwetsbaarst zijn; verzoekt DG DEVCO de nodige analyses uit te voeren om dit zo snel mogelijk in het jaarlijks activiteitenverslag te kunnen presenteren;

21.  acht het noodzakelijk om de controlekosten binnen de perken te houden en meer gedetailleerde informatie te verschaffen over de kostenefficiëntie van controles, zoals informatie over geconstateerde en gecorrigeerde fouten als gevolg van externe audits en de eigen controles van de Commissie, en de opname van alle soorten directe kosten of indicatoren van de kostenefficiëntie van controles, teneinde de opeenstapeling van overbodige controlelagen te vermijden;

22.  is in dat verband van mening dat er rekening moet worden gehouden met het juiste evenwicht tussen controle en verantwoordelijkheid en tussen toezicht en aantrekkelijkheid van financiering door de Unie;

23.  is ingenomen met de lancering van het EU-kader voor resultaten van de internationale samenwerking en ontwikkeling om de resultaten in verband met strategische ontwikkelingsdoelstellingen te meten; vindt het essentieel om het effect van een project gedurende de hele looptijd ervan of het effect van begrotingssteun continu te volgen en een adequate verslaglegging van projectresultaten op te zetten;

24.  benadrukt het belang van een voortdurende verbetering van de effectbeoordeling van ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulpprojecten die via de externe financiële instrumenten van de Unie worden gefinancierd; benadrukt de noodzaak van een grondige, nauwkeurige en globale analyse van de verschillende toezichts- en rapportagemechanismen om wanbeheer, gebrek aan transparantie en onrechtmatig gebruik van middelen van de Unie te voorkomen;

25.  verzoekt de Commissie, net als de vorige jaren, met klem de verantwoordingsplicht van de Uniedelegaties met personeel van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) verder aan te scherpen; is van oordeel dat dit moet gebeuren in aanvulling op de voorbereiding van de toezichtverslagen voor externe steun die worden opgesteld en ondertekend door de hoofden van de Uniedelegaties;

26.   wijst erop dat de hoofden van de Uniedelegaties duidelijk moeten worden herinnerd aan hun plichten en hun verantwoordelijkheden inzake beheer en toezicht in de managementgarantie in verband met de activiteitenportefeuille van hun delegaties (essentiële beheerprocessen, controlebeheer, voldoende begrip en beoordeling van de voornaamste prestatie-indicatoren); benadrukt dat er een duidelijk evenwicht moet worden gevonden tussen politieke- en beheerstaken;

27.  is van oordeel dat de hoofden van de Uniedelegaties in de algemene richtsnoeren duidelijke leidraden moeten krijgen met betrekking tot de definitie van voorbehouden, de componenten daarvan, de elementen die in aanmerking genomen moeten worden bij de afgifte van een voorbehoud (de omvang van de financiële en reputatierisico's in kwestie en de vastgestelde operationele tekortkomingen en interne en externe beperkingen) en de bijbehorende gevolgen voor het beheer van financiële middelen en betalingsverrichtingen; herinnert eraan dat in een voorbehoud duidelijk het met terugkerende of tijdelijke tekortkomingen kampende project, alsook de werking, adequaatheid en prestaties van de reeks internecontrolenormen, moeten worden aangegeven;

28.  verzoekt EuropeAid in zijn jaarlijkse activiteitenverslag een algemeen overzicht en een analyse te geven met het oog op meer zichtbaarheid van de resultaten van de Uniedelegaties en teneinde voldoende kwaliteit, consistentie en homogeniteit in de door de delegatiehoofden geformuleerde antwoorden te waarborgen;

29.  acht het van belang om op basis van beheerinformatie en de voornaamste prestatie-indicatoren tendensen vast te stellen en daarmee programmeringscycli aan te passen en de algemene sectorale prestatie van de ontwikkelingshulp van de Unie te verbeteren;

30.  verzoekt EuropeAid en de EDEO om het toezicht op de delegatiehoofden in hun hoedanigheid van subgedelegeerde ordonnateurs voor de Commissie op te voeren teneinde hun verantwoordingsplicht te verhogen door middel van hoogstaande, alomvattende en uitvoerige verslaglegging naast de accurate informatie in het jaarlijkse activiteitenverslag;

Tenuitvoerlegging van het nieuwe kader inzake ontwikkelingsbeleid en aanverwante uitdagingen

31.  is ingenomen met de vernieuwde en uitgebreide ontwikkelingsagenda tot 2030, waarin zeventien doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling en 169 aanverwante doelen zijn opgenomen, die een reële en grote stap voorwaarts betekenen voor het ontwikkelingsbeleid;

32.  roept op tot een hoger ambitieniveau in de strategie, het beheer en de verantwoordingsplicht van EOF-middelen; benadrukt dat er een mogelijkheid is om de veerkracht van alle EOF-activiteiten te optimaliseren door de criteria inzake economische en financiële efficiëntie aan te scherpen en de verbeteringen op het gebied van efficiëntie en doeltreffendheid aan te geven die worden weerspiegeld in de beheerprestaties; is van mening dat het opstellen van behoefteanalyses een efficiënte eerste fase is om de uiteindelijke doeltreffendheid van de financiering door de Unie te waarborgen;

33.  onderstreept dat beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD) een vereiste is dat is verankerd in het Verdrag; merkt op dat dit inhoudt dat de uitgaven op alle relevante beleidsterreinen moeten aansluiten bij de doelstellingen van ontwikkelingssamenwerking en dat ongunstige effecten moeten worden voorkomen en weggenomen; is van mening dat de beoordeling van uitgaven vanuit PCD-oogpunt dan ook een vast element moet gaan vormen bij het voorbereiden, volgen, rapporteren, evalueren en controleren van uitgaven op alle relevante beleidsterreinen, met inbegrip van het handels-, landbouw- en visserijbeleid;

34.  verzoekt de Commissie het verband tussen beleidsstrategie en -coördinatie onder de donoren voor de verschillende bestaande steuninstrumenten te evalueren en te verfijnen, met name wat betreft begrotingssteun, het combineren van activiteiten en het beheer van projecten; is van mening dat investeringen in de particuliere sector en particuliere kapitaalstromen essentiële drijfveren zijn voor duurzame ontwikkeling, samen met de invulling van institutionele capaciteit en robuuste governancesystemen, om de transparantie te verhogen, corruptie te bestrijden en belastingontduiking aan banden te leggen;

35.  benadrukt dat ontwikkeling niet mogelijk is zonder vrede, en dat vrede niet mogelijk is zonder ontwikkeling; wijst er in dit verband op dat mensenrechten, goed bestuur, vrede en democratieopbouw prioriteit moeten krijgen in het ontwikkelingsbeleid en dat de activiteiten in verband met de verwezenlijking van duurzame-ontwikkelingsdoelstelling 16 (SGD 16) inzake vrede en recht een van de kernpunten moeten worden van de nationale indicatieve programma's (NIP) binnen de ontwikkelingssamenwerking; benadrukt bovendien dat van de partners van de Unie moet worden gevergd dat zij jaarlijks verslag uitbrengen over de resultaten bij de verwezenlijking van de SDG 16-doelen, op basis van betrouwbare en onderling overeengekomen indicatoren;

36.  verzoekt de Commissie de bezwaren en opmerkingen van het Parlement met betrekking tot de ontwerpen van NIP's in aanmerking te nemen en de conclusies van het Parlement tot uiting te laten komen in de definitieve NIP's; dringt aan op de instelling van formele toetsingsbevoegdheden met betrekking tot het EOF, mogelijkerwijs via een bindende interinstitutionele overeenkomst uit hoofde van artikel 295 van het Verdrag;

Toezicht op trustfondsen van de Unie en het combineren van faciliteiten

37.  is ingenomen met het voornemen om middelen in noodsituaties sneller en flexibeler te kunnen inzetten, en om verschillende soorten financiering samen te brengen om alle aspecten van een crisis aan te kunnen pakken; is ingenomen met de oprichting van het EU-noodtrustfonds voor Afrika en met de toewijzing van de middelen ervan (ten bedrage van 1,8 miljard EUR) om een alomvattende reactie op de vluchtelingencrisis mogelijk te maken en de onderliggende oorzaken van illegale migratie en ontheemding in Afrika aan te pakken;

38.  spreekt zijn voldoening uit over de instelling van het EU-trustfonds Bêkou en de bijdrage daarvan aan de internationale reactie op de crisis in de Centraal-Afrikaanse Republiek; pleit voor een grotere betrokkenheid van de lidstaten zodat dit fonds volledig operationeel kan worden;

39.  spreekt zijn voldoening uit over de instelling van het EU-trustfonds Madad voor de aanpak van de consequenties van het conflict in Syrië en over de instelling van het noodtrustfonds voor Afrika; roept de lidstaten op hun financiële bijdrage aan alle EU-trustfondsen te verhogen;

40.  benadrukt dat de Commissie kredieten van de doelstellingen en beginselen van de basishandelingen niet aan iets anders mag besteden, en is van mening dat de bundeling van kredieten via het trustfonds niet ten koste mag gaan van het EOF en het langetermijnbeleid van de Unie;

41.  onderschrijft de toegevoegde waarde van het samenvoegen van een groot aantal nationale bijdragen op het niveau van de Unie als aanvulling op aanzienlijke bijdragen van de externe financieringsinstrumenten en het EOF; spoort de lidstaten er echter toe aan hun bijdrage met die van de Unie in overeenstemming te brengen en zich niet tot het minimum voor het verkrijgen van stemrechten te beperken;

42.  merkt op dat trustfondsen onderdeel zijn van een ad-hocantwoord waaruit blijkt dat het EOF, de begroting van de Unie en het meerjarig financieel kader niet over voldoende middelen en flexibiliteit beschikken om snel en volledig te kunnen inspelen op grote crises; betreurt het dat hierdoor de begrotingsautoriteit wordt omzeild en de eenheid van de begroting wordt ondermijnd;

43.  onderkent het nauwe verband tussen het ontwikkelings- en migratiebeleid, wat van het grootste belang is in de betrekkingen tussen de Unie en de ACS-staten; acht het in dat verband noodzakelijk dat de Unie verder nadenkt over de samenhang en het rendement van dergelijke trustfondsactiviteiten en over de beste afstemming ervan op andere bestaande bilaterale beleidsmaatregelen en instrumenten op het gebied van ontwikkeling;

44.  is daarnaast van mening dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan de doeltreffendheid en de politieke governance van trustfondsen en in het bijzonder het noodtrustfonds voor Afrika van de Europese Unie, alsmede aan het gebrek aan garanties en toezicht op het uiteindelijke gebruik van de toegewezen middelen;

45.  benadrukt het belang van voldoende controlemechanismen om te zorgen voor politiek toezicht op de uitvoering van de begroting in het kader van de kwijtingsprocedure; spoort de Commissie ertoe aan onmiddellijk maatregelen te nemen om de betrokkenheid van de begrotingsautoriteit en de autoriteit voor begrotingscontrole te vergroten en de trustfondsen en andere mechanismen beter af te stemmen op de begrotingsnorm, met name door deze in de begroting van de Unie op te nemen;

46.  dringt andermaal aan op een regelmatige verslaglegging aan het Parlement over het gebruik van de gecombineerde faciliteiten en resultaten zodat het Parlement zijn controlebevoegdheid kan uitoefenen, met name wat betreft de beoordeling van beheercapaciteiten en meerwaarde;

47.  onderstreept dat eventuele nieuwe financiële instrumenten en gecombineerde financiële instrumenten in overeenstemming moeten blijven met de overkoepelende doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid van de Unie en moeten worden geconcentreerd op gebieden waar de meerwaarde en het strategische effect het grootst zijn;

48.  verzoekt de Commissie te zorgen voor een robuust en transparant verantwoordingskader waarmee wordt gezorgd voor afstemming van alle gecombineerde programma's op de beginselen voor de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp en de ontwikkelingsdoelstellingen, om de additionaliteit in ontwikkelingstermen ervan te waarborgen, zoals aanbevolen in Speciaal verslag nr. 16/2014 van de Rekenkamer getiteld "De doeltreffendheid van het combineren van subsidies uit de regionale investeringsfaciliteiten met leningen van financiële instellingen ter ondersteuning van het externe beleid van de EU";

49.  neemt in overweging dat het grootste gedeelte van de financiering tot nu toe uit de begroting van de Unie en het EOF komt en dat de bijdragen van de lidstaten aan de trustfondsen relatief laag zijn; dringt er bij de lidstaten op aan de bijdragen uit de begroting van de Unie en het EOF in overeenstemming te brengen met de trustfondsen;

Prestaties van de ACS-investeringsfaciliteit onder het beheer van de EIB

50.  herinnert eraan dat er ten behoeve van de ACS-staten en LGO's 3 185,5 miljoen EUR aan de investeringsfaciliteit is toegewezen uit het negende en tiende EOF, met een aanvulling van 500 miljoen EUR in het kader van het elfde EOF via de impactfinancieringsenveloppe, waardoor hiermee nog meer risico's kan worden genomen voor nog meer ontwikkeling via "impactinvesteringen";

51.  is ingenomen met het eerste EIB-verslag in 2014 over de resultaten van haar externe activiteiten en het gebruik van het driepijlerbeoordelingskader (3PA) en het kader voor resultatenmeting (ReM) door de EIB voor de beoordeling vooraf van verwachte resultaten van investeringsprojecten; is echter van mening dat de analyses vooraf en achteraf verder moeten worden verbeterd om niet alleen rekening te houden met economische indicatoren, maar ook met criteria voor milieubescherming en duurzame ontwikkeling;

52.  verzoekt de EIB doorslaggevende prioriteit te geven aan het langetermijneffect van investeringen en de bijdrage daarvan aan duurzaamheid;

53.  spoort de EIB ertoe aan om de ontwikkeling van de lokale particuliere sector verder te ondersteunen als essentiële drijfveer voor duurzaamheid, om de sociaal-economische basisinfrastructuur van onmiddellijk belang voor de begunstigden alsmede de zoektocht naar nieuwe lokale en regionale partners op het specifieke gebied van microfinanciering te ondersteunen; verzoekt de EIB de additionaliteit te verhogen door middel van een betere rechtvaardiging van het gebruik van de middelen;

54.  is ingenomen met Speciaal verslag nr. 14/2015 van de Rekenkamer, getiteld "Biedt de ACS-Investeringsfaciliteit toegevoegde waarde?" als positief voorbeeld van follow-up door de Rekenkamer van de kwijtingsprocedures 2012 en 2013, waarbij het Parlement verzocht om een speciaal verslag over de resultaten van de externe leenactiviteiten van de EIB en over de afstemming daarvan op het ontwikkelingsbeleid van de Unie, voorafgaand aan de tussentijdse herziening van het externe mandaat van de EIB en de tussentijdse herziening van de investeringsfaciliteit;

55.  beschouwt de audit van de ACS-Investeringsfaciliteit als een voorbeeld van een goede praktijk op het vlak van samenwerking en gezamenlijke controle tussen het Parlement en de Rekenkamer; beschouwt dit controleverslag als een belangrijke eerste stap, omdat het de eerste controle is die de Rekenkamer op dit specifieke terrein heeft verricht; betreurt het dat de investeringsfaciliteit niet onder de reikwijdte van de door de Rekenkamer verrichte controle in het kader van de jaarlijkse betrouwbaarheidsverklaring valt;

56.  onderschrijft de conclusies van de audit over de samenhang van de ACS-Investeringsfaciliteit met de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid van de Unie en de katalyserende werking ervan; is verheugd over de goede samenwerking tussen de EIB en de Commissie op het gebied van de zoektocht naar en de selectie van projecten; betreurt het dat de meerwaarde van de ACS-Investeringsfaciliteit niet nauwkeuriger kon worden vastgesteld; verzoekt de Rekenkamer daarom in toekomstige speciale verslagen meer concrete voorbeelden te geven en enkele projecten nader toe te lichten om haar conclusies en aanbevelingen beter te illustreren;

57.  dringt aan op een stelselmatige bekendmaking van de doorleenovereenkomsten in het kader van de ACS-Investeringsfaciliteit en van de inzage in de beslissingen van het bestuur en beleidsdocumenten;

58.  acht het van cruciaal belang voor de EIB om tijd te blijven investeren in een beleid van zorgvuldigheid, gecombineerd met instrumenten voor resultaatbeoordeling, om beter inzicht te krijgen in het profiel van financiële tussenpersonen en begunstigden en om de effecten van projecten voor eindbegunstigden beter te evalueren;

59.  is van mening dat al het geld van de belastingbetalers van de Unie aan de kwijtingsprocedure van het Parlement moet worden onderworpen; verklaart daarom nogmaals stellig van mening te zijn dat de door de EIB namens de Unie beheerde ACS-Investeringsfaciliteit moet worden onderworpen aan de kwijtingsprocedure van het Parlement, aangezien de investeringsfaciliteit wordt gefinancierd door de belastingbetalers van de Unie;

60.  merkt op dat de in artikel 287, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie genoemde tripartiete regeling voor de samenwerking tussen de EIB, de Commissie en de Rekenkamer inzake de wijze waarop de Rekenkamer controles uitvoert van de activiteiten van de EIB in verband met het beheer van de middelen van de Unie en van de lidstaten, in 2015 hernieuwd is; herhaalt het standpunt van het Parlement, namelijk dat de taakomschrijving van de Rekenkamer in dit verband moet worden geactualiseerd met alle nieuwe financiële instrumenten van de EIB die betrekking hebben op overheidsgelden van de Unie of van het EOF;

61.  spoort de EIB ertoe aan de alomvattende aanpak te ontwikkelen en toe te passen die nodig is als antwoord op de grote uitdagingen als gevolg van de stroom migranten die naar Europa komt, met inbegrip van versterkte operaties in landen van herkomst, alsmede in landen die direct grenzen aan landen van herkomst;

Beheer van de begrotingssteun

62.  wijst erop dat de totale betalingen voor begrotingssteun in 2014 794 miljoen EUR bedroegen; merkt voorts op dat slechts twee van de 32 door de Rekenkamer beoordeelde verrichtingen voor activiteiten op het vlak van begrotingssteun kwantificeerbare fouten met geringe gevolgen vertoonden;

63.  herinnert eraan dat begrotingssteun, als een vorm van bilaterale samenwerking, terugkerende fiduciaire risico's omvat in verband met de doeltreffendheid van de partners, en een risico op corruptie en fraude; pleit voor nauwlettend toezicht en een diepgaande beleidsdialoog tussen de Unie en de partnerlanden over de doelstellingen, de voortgang ten opzichte van de overeengekomen resultaten, prestatie-indicatoren, een systemische risicoanalyse en een strategie voor risicobeheersing;

64.  is van mening dat de nadruk moet komen te liggen op voortgang op het gebied van het beheer van overheidsfinanciën, budgettaire transparantie en macrovoorwaarden in partnerlanden, teneinde de capaciteitsontwikkeling en het toezicht op de bereikte resultaten te optimaliseren;

Samenwerking met internationale organisaties

65.  wijst erop dat in 2014 een bedrag van 908,6 miljoen EUR uit de EOF's is betaald voor door internationale organisaties uitgevoerde projecten;

66.  roept de betrokken instellingen van de Unie en de VN op de Financiële en Administratieve Kaderovereenkomst (FAFA) volledig te eerbiedigen en ten uitvoer te leggen; verzoekt de Commissie verslag uit te brengen aan het Parlement over de tenuitvoerlegging van de FAFA en daaraan gerelateerde richtsnoeren, in kaart te brengen welke gebieden verbetering behoeven en in het licht daarvan met relevante voorstellen te komen;

67.  spoort de VN en de desbetreffende instellingen van de VN ertoe aan hun samenwerking met de Unie te blijven verdiepen door de voortdurende ontwikkeling van uitgebreide systemen voor toezicht en verslaglegging; benadrukt dat de diverse verslagleggingsverplichtingen en betalingsvoorwaarden van de verschillende internationale donors negatieve gevolgen hebben voor de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de hulp; betreurt het dat de verslaglegging aan de Commissie door de partnerorganisaties die in het kader van indirect beheer met de uitvoering van de begroting van de Unie belast zijn, veelal onvolledig of onvoldoende resultaatgericht is;

68.  brengt in herinnering dat gestructureerde samenwerking tussen de Unie en de VN de enige efficiënte manier is om ondoeltreffend gebruik van middelen en de overlapping van activiteiten te voorkomen; onderkent dat de Unie, door steun te verstrekken via de VN, regio's van de wereld kan bereiken die ze misschien alleen niet zou bereiken;

69.  onderstreept dat het nodig is op alle niveaus een zo groot mogelijke mate van transparantie en institutionele verantwoordingsplicht te bewerkstelligen door inzage te geven in uitgebreide en betrouwbare begrotingsinformatie en financiële gegevens, zodat het Parlement hier toezicht op kan uitoefenen; pleit voor een krachtiger openbaarmakingsbeleid ten aanzien van intenties, begunstigden en financiering, met het oog op een beter beheer van gelden van de Unie;

70.  vindt het van fundamenteel belang dat de zichtbaarheid van de Unie wordt verbeterd, ook wat betreft de vraag wie verantwoordelijk is voor de resultaten, met name bij medegefinancierde en door meerdere donoren gesteunde initiatieven, dat er spoedig en regelmatig informatie wordt verstrekt over gebundelde financiering teneinde de traceerbaarheid van middelen van de Unie te waarborgen;

71.  is van oordeel dat de resultaatgeoriënteerde aanpak, gezien de nadruk op de resultaten van steun van de Unie, moet worden verbeterd door de invoering van een kader voor het meten van en de verantwoording over de resultaten waarmee de betrouwbaarheid van projecten op het vlak van economische en sociale duurzaamheid kan worden beoordeeld en de doeltreffendheid en efficiëntie van projecten kunnen worden geëvalueerd;

72.  moedigt het stellen van doelen die specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden zijn (SMART) ten sterkste aan in de planningsfase van door de EU gefinancierde acties; benadrukt dat uitsluitend op deze manier de evaluaties achteraf van de geboekte resultaten en effecten zullen leiden tot een duidelijk en betrouwbaar verslag aan het Parlement;

Evaluatiesystemen en resultaatgerichte toezichtsystemen

73.  maakt zich grote zorgen over de te geringe betrouwbaarheid van de evaluatiesystemen en resultaatgerichte toezichtsystemen van EuropeAid, over het ontoereikende niveau van toezicht en controle op de programma-evaluatie en ook over het feit dat EuropeAid niet kan waarborgen dat de personele en financiële middelen afdoende zijn en efficiënt worden toegewezen aan de verschillende evaluatie-activiteiten;

74.  is ingenomen met Speciaal verslag nr. 18/2014 van de Rekenkamer, getiteld "De evaluatie- en resultaatgerichte toezichtsystemen van EuropeAid"; verzoekt DG DEVCO de diverse zwakke punten in zijn evaluatie- en controlesystemen aan te pakken die in dat speciale verslag zijn aangestipt, met name de punten die betrekking hebben op ernstige tekortkomingen in het evaluatiesysteem van DG DEVCO; benadrukt dat een slecht functionerend evaluatiesysteem leidt tot een groter risico op het selecteren van projecten van lage kwaliteit of waarvan de doelstellingen niet worden gehaald; wijst op en is bezorgd over de uiteenlopende visies van de Commissie en de Rekenkamer met betrekking tot betrouwbare informatie over de doeltreffendheid van maatregelen op het vlak van begrotingssteun; is van mening dat er een verband bestaat tussen een gebrek aan personeel in de EU-delegaties en op de evaluatieafdeling van DG DEVCO en de door de Rekenkamer aan de orde gestelde problemen; ziet dit als een voorbeeld van de schadelijke gevolgen die personeelsinkrimpingen kunnen hebben voor de efficiënte werking van programma's van de Unie;

75.  wijst erop dat het Parlement, als de autoriteit voor begrotingscontrole, een duidelijk overzicht moet krijgen van de werkelijke mate waarin de hoofddoelstellingen van de Unie zijn verwezenlijkt;

76.  herinnert eraan dat er externe, objectieve en onpartijdige feedback over de prestaties van de steunprojecten en -programma's van de Commissie moet worden gegeven in het kader van het streven van de Commissie naar kwaliteitsborging; is van mening dat de resultaten van de evaluaties essentiële onderdelen zijn van het proces van beleids- en politieke evaluatie om de strategische politieke doelstellingen aan te passen en de algehele samenhang met andere beleidsmaatregelen van de Unie te verbeteren;

77.  is van mening dat investeringen in de analyse en samenvoeging van resultaten niet alleen een totaalbeeld van tendensen verschaffen, maar het ook mogelijk maken om conclusies te trekken die de doeltreffendheid van de evaluatieprocessen verbeteren en tegelijk een betere feitelijke basis opleveren voor de besluit- en beleidsvorming;

78.  is van mening dat het op zoveel mogelijk manieren delen van kennis van groot belang is, niet alleen om een evaluatiecultuur te ontwikkelen, maar vooral om een doeltreffende cultuur van resultaatgerichtheid tot stand te brengen;

79.  is van mening dat transparantie dringend noodzakelijk is; roept de Commissie dan ook op het Parlement jaarlijks een lijst van alle ondertekende overeenkomsten elektronisch, in Excel-formaat, te doen toekomen, gerangschikt naar a) ontvangers b) landen c) begunstigde organisaties d) subsidies lager dan 1 miljoen EUR e) subsidies tussen de 1 en 3 miljoen EUR f) subsidies tussen de 3 en 5 miljoen EUR g) subsidies tussen de 5 en 10 miljoen EUR h) subsidies hoger dan 10 miljoen EUR;

Uniesteun voor houtproducerende landen in het kader van het Flegt-actieplan

80.  is van mening dat het Flegt-initiatief essentieel is voor de verbetering van de governance in de bosbouw, voor de instandhouding van de bossen en voor het waarborgen van wetshandhaving, met name doordat alle mogelijke middelen worden ingezet, zoals vrijwillige partnerschapsovereenkomsten en zorgvuldigheidseisen op financieel gebied, om het wereldwijde probleem van illegale houtkap aan te pakken en de houtexport naar de Unie zeker te stellen;

81.  betreurt echter alle geconstateerde tekortkomingen bij de tenuitvoerleggingsfase van het Flegt-actieplan en de Flegt-projecten, die nu grondig moeten worden geëvalueerd; is sterk van mening dat het, na de 300 miljoen EUR die in de periode 2003-2013 is toegewezen voor steun in verband met Flegt, de hoogste tijd is om een serieuze kosten-batenanalyse op te maken van het Flegt-proces voor het terugdringen van de illegale houtkap;

82.  betreurt de trage tenuitvoerlegging van het Flegt-actieplan, de late goedkeuring van Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad(27) (houtverordening van de Unie) en de traagheid waarmee de Commissie lering trekt uit de algemene Flegt-financiering;

83.  verzoekt de Commissie de financiering van de Unie te herstructureren door af te stappen van meerdere begrotingen en het gebruik van één duidelijk gedefinieerde begroting te overwegen;

84.  herinnert eraan dat de traceerbaarheid van houtproducten door middel van een operationeel en wettelijk ingesteld vergunningenstelsel tussen de Unie en de houtexporterende landen moet worden beschouwd als een constante kerndoelstelling, vooral ook gezien de wijdverbreide corruptie, slechte wetshandhaving en de ontoereikende beoordeling van de projectrisico's en -beperkingen;

Steun uit de ACS-EU-energiefaciliteit voor hernieuwbare energie in Oost-Afrika

85.  is ingenomen met het feit dat met ingang van de tweede oproep tot het indienen van voorstellen in het kader van de energiefaciliteit een voorlopige haalbaarheidsanalyse verplicht is; benadrukt dat de voorlopige studie gebaseerd moet worden op accurate en realistische scenario's voor en inschattingen van de manieren waarop de lokale gemeenschap betrokken kan worden bij de uitvoering van het project, om de lokale inbreng te verbeteren en het project beter voor het voetlicht te brengen;

86.  onderstreept met klem dat de koppeling tussen de haalbaarheid van het project en de sociaal-economische en ecologische duurzaamheid sterker moet worden vastgelegd, om niet alleen de doelmatigheid, de samenhang en de zichtbaarheid van de investeringsprojecten van de energiefaciliteit te waarborgen, maar ook te zorgen voor doeltreffendheid en breder toepasbare resultaten in de betreffende regio's;

87.  is van mening dat projecten, in het bijzonder projecten die duidelijk in moeilijkheden verkeren, en de daarmee verband houdende risico's regelmatig moeten worden geanalyseerd, en vergezeld moeten gaan van snelle maatregelen om dergelijke risico's te beperken;

88.  onderstreept dat er moet worden gewaarborgd dat lokale belanghebbenden, zoals ngo's of lokale gemeenschappen, bij projecten die worden gefinancierd uit de energiefaciliteit worden betrokken gedurende de volledige looptijd van het project, vanaf de lancering tot na de afronding, daarbij terdege rekening houdend met de behoefte aan doorlopende steun voor lokale capaciteitsopbouw, en dat de lokale inbreng verder moet worden verbeterd zodat het project levensvatbaar en duurzaam is na afloop van de financieringsperiode;

Steun van de Unie in Haïti

89.  herhaalt dat maatregelen voor "staatsopbouw" centraal staan in de ontwikkelingsstrategie van de Unie; is van mening dat in alle crisissituaties voldoende aandacht moet worden besteed aan de geschiktheid en de operationele doeltreffendheid van het nationale governancekader voor risicobeperking bij rampen, als voorwaarde voor het welslagen van het ingrijpen van de Unie;

90.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie en de EDEO om het Parlement op de hoogte te houden van de ontwikkelingen, met name op het gebied van risicobeheer en de voorbereidingen voor de uitvoering en de verwezenlijking van de programmadoelstellingen nadat een ramp zich heeft voorgedaan;

Steun van de Unie voor de strijd tegen foltering en voor de afschaffing van de doodstraf

91.  herinnert eraan dat de eerbiediging van de mensenrechten en de democratie een van de hoekstenen vormt van het partnerschap tussen ACS-staten en de Unie; spoort de EDEO en de Commissie ertoe aan de capaciteit van de delegaties van de Unie te versterken om de doeltreffendheid en de resultaten te verbeteren en de invulling van het beleid op het gebied van de mensenrechten en de democratie te beïnvloeden;

92.  vindt dat er moet worden gestreefd naar meer gezamenlijke programmering en controle tussen de EDEO en de Commissie in mensenrechtenkwesties, voor een betere afstemming op lokale politieke en mensenrechtenstrategieën;

93.  wijst er in dit verband op dat de systemen voor het meten van de effecten behoorlijk zwak zijn, mede vanwege de onduidelijke logische kaders voor de projecten waarin geen duidelijk omschreven benchmarks en doelen zijn opgenomen; verzoekt de Commissie de vereisten binnen het logisch kader voor de projecten te verduidelijken om de resultaten te verbeteren en de meerwaarde te verhogen;

Vorming van een nieuw EU-ACS-partnerschap

94.  is van mening dat de vaststelling van een nieuw globaal kader voor doelstellingen op het vlak van duurzame ontwikkeling effect heeft op de algehele werking van de EOF's door de vaststelling van duidelijkere prioriteiten, en ook moet leiden tot een verdere behandeling van de huidige gedetailleerde financieringsregelingen in het licht van dit extrabudgettaire aspect; is van mening dat het EOF een nog groter effect kan sorteren op basis van coherente prestatie-indicatoren en een grotere geografische samenhang binnen groepen landen die voor soortgelijke uitdagingen staan;

95.  herhaalt met kracht zijn oproep aan de Raad en de lidstaten om werk te maken van de integratie van het EOF in de begroting van de Unie met het oog op de versterking van de democratische controle; verzoekt de Commissie, met name de Taskforce Post-Cotonou, het Parlement te informeren over de stand van zaken in de gesprekken over de vervanging van de Overeenkomst van Cotonou na 2020 en de mogelijke opties;

Het EOF ten aanzien van de migratiecrisis in 2014-2016

96.  onderkent dat ontwikkelingshulp wordt gebruikt ter bestrijding van armoede in de armste landen van de wereld en dat de EOF's tot dusver aanzienlijke vooruitgang hebben geboekt in de ACS-staten en in de LGO's;

97.  maakt zich grote zorgen over de huidige vluchtelingenstroom, met name vanwege het feit dat het aandeel oorlogsvluchtelingen en asielzoekers weliswaar hoog is, maar het aandeel economische migranten gestaag toeneemt;

98.  is van mening dat ontwikkelingshulp veel efficiënter moet worden uitbetaald en dat er moet worden voldaan aan de criteria voor meerwaarde; benadrukt dat dit de enige manier is om mensen redelijke levensomstandigheden te bieden en te voorkomen dat de economische migratie stijgt;

99.  onderstreept dat er momenteel 9 673 miljoen EUR van de huidige en alle vorige EOF's vastzit in verschillende fasen van vastlegging, zoals uitstaande vastleggingen (of RAL, van de Franse term reste à liquider), nog vast te leggen bedragen (of RAC's, van de Franse term reste à contracter) en uitstaande betalingen (of RAP, van de Franse term reste à payer); meent dat onderstaande tabel dit zeer goed weergeeft:

EOF

Som van RAL

Som van RAC

Som van RAP

8

36 291 173

15 067 281

21 223 892

9

754 545 794

298 932 156

455 613 639

10

8 195 173 994

3 072 710 058

5 122 463 936

11

565 263 991

429 067 226

136 196 765

Medefinanciering

121 744 226

14 408 394

107 335 833

Totaal

9 673 019 179

3 830 185 114

5 842 834 065

100.  vindt het zorgwekkend dat de hoofden van de Uniedelegaties in de ACS-staten en de LGO's, onder de verantwoordelijkheid van de EDEO, verantwoordelijk zijn voor het toezicht op 917 projecten, waarvan er 428 vertraging hebben opgelopen of waarvan de doelstellingen niet gehaald dreigen te worden; vind het bijzonder zorgwekkend dat de waarde van de projecten in kwestie 9 188 miljoen EUR bedraagt;

101.  dringt aan op een aanpak op basis van geleerde lessen met betrekking tot de bevindingen van de Commissie begrotingscontrole van het Parlement, en onderstreept de noodzaak om de EOF-middelen gerichter aan te wenden; stelt daarom het idee voor van een flexibelere uitbetalingsstrategie die overeenkomst met de behoeften van de Unie om de migratiecrisis het hoofd te bieden;

102.  is van mening dat een kwart van de middelen van het elfde EOF moet worden uitgetrokken ter preventie van de migratiecrisis en voor het beheer van reeds bestaande migratiestromen;

Follow-up van de resolutie van het Parlement

103.  verzoekt de Rekenkamer in haar volgende jaarverslag een evaluatie op te nemen van de follow-up van de aanbevelingen van het Parlement.

22.2.2016

ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking

aan de Commissie begrotingscontrole

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het achtste, negende, tiende en elfde Europees Ontwikkelingsfonds voor het begrotingsjaar 2014

(2015/2203(DEC))

Rapporteur voor advies: Doru-Claudian Frunzulică

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herinnert eraan dat de uitgaven voor ontwikkelingshulp van de EU vaak worden gedaan in zeer moeilijke omstandigheden, hetgeen leidt tot grotere problemen bij de uitvoering van projecten, evaluaties en uitgavencontroles; wijst erop dat ontwikkelingshulp daarom gevoeliger voor fouten is dan andere beleidsterreinen van de Unie;

2.  wijst erop dat het door de Rekenkamer geschatte foutenpercentage voor de uitgaven van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) tussen 2013 en 2014 is gestegen van 3,4 % naar 3,8 %; benadrukt dat dit foutenpercentage nog altijd aanzienlijk lager ligt dan de foutenpercentages van de door de lidstaten beheerde uitgaven van de Unie;

3.  wijst erop dat de meeste fouten voortvloeien uit de niet-naleving van de aanbestedingsregels en dat het foutenpercentage volgens de Rekenkamer aanzienlijk beperkt had kunnen worden door betere projectcontroles vooraf van de Commissie; steunt de aanbeveling van de Rekenkamer om de controles vooraf te verbeteren;

4.  benadrukt dat de door de EU-delegaties opgestelde toezichtverslagen inzake externe steun momentopnames zijn van de tenuitvoerlegging van de externe steunprojecten van de Unie en daarom niet als definitieve projectevaluaties mogen worden beschouwd; waarschuwt derhalve voor overhaaste en vertekende conclusies met betrekking tot de algemene doeltreffendheid van het steunbeleid van de Unie;

5.  is ingenomen met Speciaal verslag nr. 18/2014 van de Rekenkamer betreffende de evaluatie- en resultaatgerichte toezichtsystemen van EuropeAid; verzoekt DG DEVCO de diverse zwakke punten in zijn evaluatie- en controlesystemen aan te pakken die de Rekenkamer in haar speciaal verslag heeft aangestipt, met name de punten die betrekking hebben op ernstige tekortkomingen in het evaluatiesysteem van DG DEVCO; benadrukt dat een slecht functionerend evaluatiesysteem leidt tot een groter risico op het selecteren van projecten van geringe kwaliteit of projecten waarvan de doelstellingen niet worden gehaald; neemt kennis van en is verontrust over de meningsverschillen tussen de Commissie en de Rekenkamer als het gaat om betrouwbare informatie inzake de doeltreffendheid van begrotingssteunoperaties; is van mening dat er een verband bestaat tussen een gebrek aan personeel in de EU-delegaties en op de evaluatieafdeling van DG DEVCO en de door de Rekenkamer aan de orde gestelde problemen; ziet dit als een voorbeeld van de schadelijke gevolgen die personeelsinkrimpingen kunnen hebben voor de efficiënte werking van programma's van de Unie;

6.  is ingenomen met Speciaal verslag nr. 14/2015 van de Rekenkamer over de ACS-Investeringsfaciliteit; is verheugd over het feit dat de Rekenkamer tot de conclusie komt dat de investeringsfaciliteit een duidelijke toegevoegde waarde biedt;

7.  spreekt zijn voldoening uit over de instelling van het EU-trustfonds Bêkou en de bijdrage daarvan aan de internationale reactie op de crisis in de Centraal-Afrikaanse Republiek; pleit voor een grotere betrokkenheid van de lidstaten teneinde dit fonds volledig operationeel te maken;

8.  spreekt zijn voldoening uit over de instelling van het EU-trustfonds Madad voor de aanpak van de consequenties van het conflict in Syrië en over de instelling van het noodtrustfonds voor Afrika; roept de lidstaten op hun financiële bijdrage aan alle EU-trustfondsen te verhogen;

9.  onderkent dat er hoge verwachtingen zijn dat het ontwikkelingsbeleid van de Unie bijdraagt aan de oplossing van de vluchtelingencrisis; benadrukt in dit verband dat de inspanningen moeten worden gericht op het aanpakken van de onderliggende oorzaken van de migratiecrises zoals mensenrechtenschendingen, wetteloosheid, corruptie, armoede en honger, in plaats van uitsluitend aanzienlijke EOF- en DCI-middelen vrij te maken voor migratiegerelateerde activiteiten, militaire activiteiten van onduidelijke of twijfelachtige waarde voor wat betreft duurzame ontwikkeling, en voor klimaatacties; onderkent zonder meer dat veel uitdagingen complex van aard zijn en dat er als respons rijkgeschakeerde en elkaar aanvullende acties nodig zijn, en dat er daarom meer duidelijkheid moet komen omtrent de bestaande financieringsregelingen, dat er naar andere, aanvullende financieringsbronnen moet worden gezocht en dat internationale verplichtingen en bestaande interne juridische bepalingen moeten worden geëerbiedigd, teneinde deze nieuwe wereldwijde uitdagingen het hoofd te bieden; dringt derhalve aan op de oprichting van het fonds voor de strijd tegen de klimaatverandering, met als bronnen onder meer de belasting op financiële transacties en de CO2-belasting in het internationale lucht- en zeevervoer;

10.  vindt het een goede zaak dat ontwikkelingshulp van de Unie vaak als begrotingssteun wordt verstrekt; pleit, mits aan de voorwaarden is voldaan, voor begrotingssteun als instrument om ieder land in staat te stellen over zijn eigen prioriteiten te beslissen en de volledige verantwoordelijkheid te dragen voor zijn eigen ontwikkeling; is ingenomen met het bewijs in het jaarverslag van de Rekenkamer dat de voorwaarden voor de keuze van dit uitvoeringsinstrument door de Commissie worden nageleefd; herinnert eraan dat de via programma's voor begrotingssteun verstrekte officiële ontwikkelingshulp een gunstig effect blijkt te hebben op de prestaties bij de beginselen voor de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, aangezien hiermee de eigen inbreng van de partnerlanden en hun nationale systemen worden gestimuleerd; herinnert eraan dat begrotingssteun reële resultaten kan opleveren, van een stijging van de overheidsuitgaven en uitbreiding van de dienstverlening tot verbeterde resultaten ten gunste van de armen; herinnert eraan dat begrotingssteun doeltreffend is omdat hiermee, indien op juiste wijze verstrekt, rechtstreeks kan worden ingespeeld op de financiële behoeften van de ontvangende landen, waarbij gebruik wordt gemaakt van hun eigen systemen en ontwikkelingsindicatoren, hetgeen kan bijdragen tot versterkte overheidsinstellingen en meer binnenlandse transparantie en verantwoordingsplicht, waardoor de corruptie aan banden wordt gelegd;

11.  benadrukt het belang van een voortdurende verbetering van de effectbeoordeling van ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulpprojecten die via de externe financiële instrumenten van de Unie worden gefinancierd; benadrukt de noodzaak van een grondige, nauwkeurige en algemene analyse van de verschillende toezichts- en rapportagemechanismen om wanbeheer, gebrek aan transparantie en onrechtmatig gebruik van middelen van de Unie te voorkomen;

12.  benadrukt dat ontwikkeling niet mogelijk is zonder vrede, en dat vrede niet mogelijk is zonder ontwikkeling; wijst er in dit verband op dat mensenrechten, goed bestuur, vrede en democratieopbouw prioriteit moeten krijgen in het ontwikkelingsbeleid, dat de activiteiten in verband met de verwezenlijking van duurzame-ontwikkelingsdoel 16 (SGD 16) inzake vrede en gerechtigheid een van de kernpunten moeten worden van de nationale indicatieve programma's (NIP) binnen de ontwikkelingssamenwerking, en dat van onze partners moet worden geëist dat zij jaarlijks verslag uitbrengen over de resultaten in verband met de verwezenlijking van de SDG 16-doelen, op basis van betrouwbare en onderling overeengekomen indicatoren;

13.  verzoekt de Commissie de bezwaren en opmerkingen van het Parlement met betrekking tot de ontwerpen van nationale indicatieve programma's (NIP's) in aanmerking te nemen en de conclusies van het Parlement te verwerken in de definitieve NIP's; verzoekt om de invoering van formele toezichthoudende bevoegdheden in verband met het EOF, mogelijkerwijs via een bindende interinstitutionele overeenkomst uit hoofde van artikel 295 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

14.  verzoekt de Commissie te zorgen voor een robuust en transparant verantwoordingskader waarmee wordt gezorgd voor afstemming van alle gecombineerde programma's op de beginselen voor de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp en de ontwikkelingsdoelstellingen, om de toegevoegde waarde op ontwikkelingsgebied te waarborgen, zoals aanbevolen in het speciaal verslag van de Rekenkamer "De doeltreffendheid van het combineren van subsidies uit de regionale investeringsfaciliteiten met leningen van financiële instellingen ter ondersteuning van het externe beleid van de EU";

15.  onderstreept dat beleidscoherentie voor ontwikkeling (PCD) een vereiste is dat is verankerd in het Verdrag; merkt op dat dit inhoudt dat de uitgaven op alle relevante beleidsterreinen moeten aansluiten bij de doelstellingen van ontwikkelingssamenwerking en dat ongunstige effecten moeten worden voorkomen en weggenomen; is van mening dat de beoordeling van uitgaven vanuit PCD-oogpunt dan ook een vast element moet gaan vormen bij het voorbereiden, volgen, rapporteren, evalueren en controleren van uitgaven op alle relevante beleidsterreinen, met inbegrip van het handels-, landbouw- en visserijbeleid.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

17.2.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

25

2

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Louis Aliot, Beatriz Becerra Basterrechea, Ignazio Corrao, Nirj Deva, Doru-Claudian Frunzulică, Nathan Gill, Charles Goerens, Enrique Guerrero Salom, Heidi Hautala, Maria Heubuch, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Stelios Kouloglou, Arne Lietz, Linda McAvan, Maurice Ponga, Cristian Dan Preda, Lola Sánchez Caldentey, Elly Schlein, Pedro Silva Pereira, Davor Ivo Stier, Paavo Väyrynen, Bogdan Brunon Wenta, Rainer Wieland, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Juan Fernando López Aguilar, Jan Zahradil, Joachim Zeller

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

7.4.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

6

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Louis Aliot, Jonathan Arnott, Inés Ayala Sender, Dennis de Jong, Martina Dlabajová, Ingeborg Gräßle, Bogusław Liberadzki, Monica Macovei, Gilles Pargneaux, Georgi Pirinski, Petri Sarvamaa, Claudia Schmidt, Igor Šoltes, Bart Staes, Marco Valli, Derek Vaughan, Anders Primdahl Vistisen, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Richard Ashworth, Andrey Novakov, Markus Pieper, Julia Pitera, Miroslav Poche, Patricija Šulin

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Luke Ming Flanagan, Arne Gericke, Ramón Jáuregui Atondo, Claudiu Ciprian Tănăsescu

(1)

PB C 373 van 10.11.2015, blz. 289.

(2)

PB C 379 van 13.11.2015, blz. 124.

(3)

PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(4)

PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.

(5)

PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1.

(6)

PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.

(7)

PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.

(8)

PB L 247 van 9.9.2006, blz. 32.

(9)

PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1.

(10)

PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53.

(11)

PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1.

(12)

PB L 78 van 19.3.2008, blz. 1.

(13)

PB L 58 van 3.3.2015, blz. 17.

(14)

PB C 373 van 10.11.2015, blz. 289.

(15)

PB C 379 van 13.11.2015, blz. 124.

(16)

PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(17)

PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3.

(18)

PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1.

(19)

PB L 156 van 29.5.1998, blz. 108.

(20)

PB L 317 van 15.12.2000, blz. 355.

(21)

PB L 247 van 9.9.2006, blz. 32.

(22)

PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1.

(23)

PB L 191 van 7.7.1998, blz. 53.

(24)

PB L 83 van 1.4.2003, blz. 1.

(25)

PB L 78 van 19.3.2008, blz. 1.

(26)

PB L 58 van 3.3.2015, blz. 17.

(27)

  Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PB L 295 van 12.11.2010, blz. 23).

Juridische mededeling