Procedure : 2015/2154(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0140/2016

Ingediende teksten :

A8-0140/2016

Debatten :

PV 27/04/2016 - 17
CRE 27/04/2016 - 17

Stemmingen :

PV 28/04/2016 - 4.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0147

VERSLAG     
PDF 1174kWORD 637k
13.4.2016
PE 569.795v02-00 A8-0140/2016

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen

(2015/2154(DEC))

Commissie begrotingscontrole

Rapporteur: Martina Dlabajová

1.  ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

1.  ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie

(2015/2154(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014 (COM(2015)0377 – C8-0199/2015)(2),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2015)0505) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2015)0194, SWD(2015)0195),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 juni 2015 met als titel "Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2014" (COM(2015) 279) en de daarbij gevoegde bijlagen,

–  gezien het jaarverslag van de Commissie over de evaluatie van de financiën van de Unie aan de hand van de bereikte resultaten (COM(2015)0313) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD[(2015)0124, SWD(2015)0125),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2014 uitgevoerde interne controles (COM(2015)0441) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2015)0170),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2014, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(3), en de speciale verslagen van de Rekenkamer,

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2014 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2016 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014 (05583/2016 – C8-0042/2016),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 8 oktober 2015 aan het Europees Parlement, de Raad en de Rekenkamer over de bescherming van de EU-begroting tot eind 2014 (COM(2015) 0503 final),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0140/2016),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dit overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in samenwerking met de lidstaten doet onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de Commissie kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, en in zijn resolutie van ..... over de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2014(6),

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, alsmede aan de nationale parlementen en de nationale en regionale controle-instanties van de lidstaten, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

2.  ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur voor het begrotingsjaar 2014

(2015/2154(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014(7),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014 (COM(2015)0377 – C8-0199/2015)(8),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur voor het begrotingsjaar 2014(9),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2015)0505) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2015)0194, SWD(2015)0195),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2014 uitgevoerde interne controles (COM(2015)0441) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2015)0170),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur betreffende het begrotingsjaar 2014 vergezeld van het antwoord van het Agentschap(10),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(11) voor het begrotingsjaar 2014 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van vrijdag 12 februari 2016 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014 (05585/2016 – C8-0040/2016),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(12), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's(13) worden gedelegeerd, en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's(14) worden gedelegeerd, en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/776/EU van de Commissie van 18 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur en tot intrekking van Besluit 2009/336/EG(15),

–  gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0140/2016),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer,

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het begrotingsjaar 2014;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, en in zijn resolutie van ..... over de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2014(16),

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

3.  ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor concurrentievermogen en innovatie) voor het begrotingsjaar 2014

(2015/2154(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014(17),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014 (COM(2015)0377 – C8-0199/2015)(18),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor concurrentievermogen en innovatie) voor het begrotingsjaar 2014(19),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2015)0505) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2015)0194, SWD(2015)0195),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2014 uitgevoerde interne controles (COM(2015)0441) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2015)0170),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor concurrentievermogen en innovatie) betreffende het begrotingsjaar 2014, vergezeld van de antwoorden van het agentschap(20),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(21) voor het begrotingsjaar 2014 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van vrijdag 12 februari 2016 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014 (05585/2016 – C8-0040/2016),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(22), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's(23) worden gedelegeerd, en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's(24) worden gedelegeerd, en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/771/EU van de Commissie van 17 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen en tot intrekking van de Besluiten 2004/20/EG en 2007/372/EG(25),

–  gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0140/2016),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer,

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor concurrentievermogen en innovatie) kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het begrotingsjaar 2014;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, en in zijn resolutie van ..... over de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2014(26),

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor concurrentievermogen en innovatie), de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

4.  ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid en voeding) voor het begrotingsjaar 2014

(2015/2154(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014(27),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014 (COM(2015)0377 – C8-0199/2015)(28),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid en voeding) voor het begrotingsjaar 2014(29),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2015)0505) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2015)0194, SWD(2015)0195),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2014 uitgevoerde interne controles (COM(2015)0441) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2015)0170),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid en voeding) betreffende het begrotingsjaar 2014, vergezeld van het antwoord van het Agentschap(30),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(31) voor het begrotingsjaar 2014 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van vrijdag 12 februari 2016 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014 (05585/2016 – C8-0040/2016),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(32), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's(33) worden gedelegeerd, en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's(34) worden gedelegeerd, en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/770/EU van de Commissie van 17 december 2013 tot oprichting van een Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid en voeding en tot intrekking van Besluit 2004/858/EG(35),

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2014/927/EU van de Commissie van 17december 2014 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2013/770/EU teneinde het "Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid en voeding" om te vormen tot het "Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding"(36),

–  gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0140/2016),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer,

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid en voeding) kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het begrotingsjaar 2014;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, en in zijn resolutie van ..... over de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2014(37),

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid en voeding), de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

5.  ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2014

(2015/2154(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014(38),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014 (COM(2015)0377 – C8-0199/2015)(39),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2014(40),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2015)0505) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2015)0194, SWD(2015)0195),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2014 uitgevoerde interne controles (COM(2015)0441) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2015)0170),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad betreffende het begrotingsjaar 2014, vergezeld van de antwoorden van het agentschap(41),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(42) voor het begrotingsjaar 2014 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van vrijdag 12 februari 2016 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014 (05585/2016 – C8-0040/2016),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(43), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's(44) worden gedelegeerd, en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's(45) worden gedelegeerd, en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit van de Commissie 2013/779/EU van 17 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en tot intrekking van Besluit 2008/37/EG(46),

–  gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0140/2016),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer,

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het begrotingsjaar 2014;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, en in zijn resolutie van ..... over de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2014(47),

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

6.  ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2014

(2015/2154(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014(48),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014 (COM(2015)0377 – C8-0199/2015)(49),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2014(50),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2015)0505) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2015)0194, SWD(2015)0195),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2014 uitgevoerde interne controles (COM(2015)0441) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2015)0170),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap onderzoek betreffende het begrotingsjaar 2014 vergezeld van het antwoord van het agentschap(51),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(52) voor het begrotingsjaar 2014 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van vrijdag 12 februari 2016 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014 (05585/2016 – C8-0040/2016),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(53), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's(54) worden gedelegeerd, en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's(55) worden gedelegeerd, en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/778/EU van de Commissie van 13 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap onderzoek en tot intrekking van Besluit 2008/46/EG(56),

–  gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0140/2016),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer,

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderzoek kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het begrotingsjaar 2014;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, en in zijn resolutie van ..... over de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2014(57),

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderzoek, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

7.  ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk) voor het begrotingsjaar 2014

(2015/2154(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014(58),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014 (COM(2015)0377 – C8-0199/2015)(59),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk) voor het begrotingsjaar 2014(60),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2015)0505) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2015)0194, SWD(2015)0195),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2014 uitgevoerde interne controles (COM(2015)0441) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2015)0170),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk) betreffende het begrotingsjaar 2014 vergezeld van het antwoord van het Agentschap(61),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(62) voor het begrotingsjaar 2014 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van vrijdag 12 februari 2016 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014 (05585/2016 – C8-0040/2016),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(63), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's(64) worden gedelegeerd, en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's(65) worden gedelegeerd, en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/801/EU van de Commissie van 23 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken en tot intrekking van Besluit 2007/60/EG, als gewijzigd bij Besluit 2008/593/EG(66),

–  gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0140/2016),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dat zij overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de begroting in samenwerking met de lidstaten uitvoert onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer,

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk) kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het begrotingsjaar 2014;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, en in zijn resolutie van ..... over de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2014(67),

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken (voorheen het Uitvoerend Agentschap voor het trans-Europees vervoersnetwerk), de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

8.  ONTWERPBESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de afsluiting van de rekeningen van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie

(2015/2154(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014(68),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014 (COM(2015)0377 – C8-0199/2015)(69),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2013 (COM(2015)0505) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD(2015)0194, SWD(2015)0195),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 juni 2015 met als titel "Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2014" (COM(2015) 279) en de daarbij gevoegde bijlagen,

–  gezien het jaarverslag van de Commissie over de evaluatie van de financiën van de Unie aan de hand van de bereikte resultaten (COM(2015)0313) en de bijbehorende werkdocumenten van de diensten van de Commissie (SWD[(2015)0124, SWD(2015)0125),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2014 uitgevoerde interne controles (COM(2015)0441) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2015)0170),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2014, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(70), en de speciale verslagen van de Rekenkamer,

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(71) voor het begrotingsjaar 2014 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2016 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014 (05583/2016 – C8-0042/2016),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van vrijdag 12 februari 2016 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014 (05585/2016 – C8-0040/2016),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(72),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(73), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's(74) worden gedelegeerd, en met name artikel 14, leden 2 en 3,

–  gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0140/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, en in zijn resolutie van ..... over de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2014(75),

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, alsmede aan de nationale parlementen en de nationale en regionale controle-instanties van de lidstaten, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

9.  ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen

(2015/2154(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III - Commissie,

–  gezien zijn besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begrotingen van de uitvoerende agentschappen voor het begrotingsjaar 2014,

–  gezien artikel 93 en bijlage V van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0140/2016),

A.  overwegende dat de uitgaven van de Unie in aanzienlijke mate bijdragen aan de verwezenlijking van beleidsdoelstellingen en gemiddeld 1,9 % van de overheidsuitgaven van de lidstaten vertegenwoordigen, maar in sommige gevallen ruim boven de 10 %;

B.  overwegende dat het Parlement bij het verlenen van kwijting aan de Commissie enerzijds controleert of de middelen op wettige en regelmatige wijze zijn besteed, en anderzijds of de beleidsdoelstellingen zijn bereikt, goede resultaten zijn verwezenlijkt en de beginselen van goed financieel beheer en een "prestatiecultuur" zijn nageleefd;

C.  overwegende dat de kwijtingsprocedure 2014 betrekking heeft op een jaar waarin twee programmeringsperioden samenvallen en dat in veel gevallen de geregistreerde uitgaven betrekking hebben op de programmeringsperiode 2007-2013;

D.  overwegende dat de belangrijkste prioriteiten voor de verlening van kwijting aan de Commissie voor 2014 de volgende zijn:

(a)  invoering van een versterkte op prestaties gebaseerde en resultaatgerichte aanpak om bij te dragen tot een evenwicht tussen de traditionele werkwijze en de implementatie van nieuwe elementen die de huidige en toekomstige behoeften voor financiering van de Unie weerspiegelen;

(b)  nadruk op 2014 als het eerste jaar van een nieuwe programmeringsperiode waarbij belangrijke resultaatgerichte elementen zijn ingevoerd;

(c)  een aantal verbeteringen in de beschikbaarheid van gegevens, om de werkelijke voordelen te beoordelen;

(d)  in het kwijtingsproces een evaluatie opnemen van de kwaliteit van het regelgevingskader voor de toewijzing van de begrotingsuitgaven van de Unie;

(e)   de kwijtingsprocedure niet uitsluitend benaderen als verband houdend met het desbetreffende jaar, maar als een continu proces, waar de follow-up een belangrijk onderdeel van vormt;

(f)  het kwijtingsproces benaderen vanuit het perspectief van het nauwe verband tussen de EU-begroting en het nieuwe paradigma van het macro-economisch beleid van de Unie , rekening houdend met het werkelijke doel van de EU-begroting, namelijk het leveren van een bijdrage aan de verwezenlijking van de doelen van het sectorale beleid van de Unie;

(g)  de kwijtingsprocedure benaderen als een belangrijk platform voor beleidsaanbevelingen, toe te passen en uit te voeren bij de financiering door de Unie;

E.  overwegende dat de nieuwe aspecten van het nieuwe meerjarig financieel kader 2014‑2020 (MFK) die relevant zijn voor de kwijting van de Commissie voor 2014 de volgende zijn:

(a)  thematische concentratie - de EU-financiering moet niet alle gebieden ondersteunen, maar alleen de prioritaire gebieden; de prioriteiten moeten nauwkeurig worden afgebakend en waar passend worden onderbouwd door kwantitatieve analyse en haalbare plannen om ze te verwezenlijken; het aantal prioriteiten moet sterk worden beperkt; de prioriteiten moeten worden ondersteund met aanzienlijke middelen, om reële resultaten en voordelen te verwezenlijken;

(b)   een geïntegreerde en plaatsgebonden aanpak en synergieën - programma's en projecten moeten niet alleen hun eigen resultaten en voordelen opleveren, maar de resultaten en voordelen moeten ook een aanvulling vormen op die van andere programma's en projecten dankzij synergieën, met inachtneming van het subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel; er moeten synergieën worden bewerkstelligd binnen een bepaald gebied; om een dergelijk systeem te laten functioneren, is het van belang een beheermatrix te ontwikkelen om passende voorwaarden te scheppen voor geïntegreerde projecten;

(c)  voorwaarden en prestatiereserve - beginselen van goed financieel beheer berusten op het feit dat EU-financiering wordt toegewezen in passende nationale budgettaire, macro-economische en institutionele omstandigheden, die dienen als voorwaarde voor de financiering zelf; daarnaast is als bonus voor goede prestaties een prestatiereserve ingevoerd;

(d)  vereenvoudiging - het systeem van financiering door de Unie is in meerdere opzichten buitengewoon gecompliceerd, hetgeen een belemmering vormt voor een effectief beheer en het meten van de concrete resultaten en voordelen;

(e)  beter gekwantificeerde resultaten - het is belangrijk om de bereikte resultaten feitelijk te meten en bij het ontwikkelen van nieuw beleid met die resultaten rekening te houden; het is daarom van cruciaal belang de benchmarking en de systemen voor gegevensanalyse te verbeteren; daarnaast moet bij het beheer rekening worden gehouden met dergelijke gegevens en andere indicatoren van verbetering;

F.   overwegende dat de Commissie de eindverantwoordelijkheid draagt voor de uitvoering van de begroting van de Unie en dat de lidstaten loyaal moeten samenwerken met de Commissie om ervoor te zorgen dat de middelen overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer worden besteed; overwegende dat lidstaten, met name in het kader van gedeeld beheer van de middelen, een speciale verantwoordelijkheid hebben voor de uitvoering van de begroting van de Unie;

G.   overwegende dat het van cruciaal belang is dat in geval van gedeeld beheer van middelen de door de lidstaten verstrekte gegevens eerlijk en juist zijn; overwegende dat het van cruciaal belang is dat de lidstaten zich in geval van gedeeld beheer bewust zijn van hun eigen verantwoordelijkheid voor het beheer van de middelen van de Unie;

A.  Algemene hoofdstukken

Inzet van de Commissie inzake de prioriteiten voor de kwijting

1.  herinnert eraan dat artikel 319, lid 3, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie luidt: "De Commissie stelt alles in het werk om gevolg te geven aan de opmerkingen in de kwijtingsbesluiten en aan andere opmerkingen van het Europees Parlement over de uitvoering van de uitgaven, alsook aan de opmerkingen waarvan de door de Raad aangenomen aanbevelingen tot kwijting vergezeld gaan."

2.  betreurt dat de antwoorden van de Commissie op een aantal punten vaag blijven;

3.  wijst op het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 wat betreft het secretariaat van het Comité van toezicht van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF);

4.  verzoekt de Commissie nogmaals bij het Europees Parlement tijdig voor de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) een mededeling in te dienen met voorstellen over hoe tegemoet gekomen kan worden aan de nieuwe en mogelijke uitdagingen waar begrotingssteun van de Unie voor nodig is, en waarin wordt uitgelegd hoe zij de politieke langetermijndoelstellingen (zoals de Europa 2020-strategie) wil verenigen met het toekomstige MFK na 2020;

5.  herinnert de Commissie eraan dat de Europese Rekenkamer al een aantal jaren vraagt om de vaststelling van een cashflowplan voor de lange termijn; roept de Commissie op een dergelijk plan vóór het einde van 2016 in te dienen;

6.  roept de Commissie op de gedragscode tijdig voor de procedure voor kwijting van de Commissie voor het begrotingsjaar te herzien in het licht van de verzoeken in de resolutie over de kwijting 2014 van de Commissie;

7.  dringt er bij de Commissie op aan het nieuwe kader voor deskundigengroepen van de Commissie niet goed te keuren voordat een vergadering heeft plaatsgevonden met vicevoorzitter Timmermans, de Europese Ombudsman, belangrijke leden van het Parlement en het maatschappelijk middenveld, om de laatste kwesties te bespreken inzake zowel de inhoud van de nieuwe horizontale regels als de toepassing daarvan;

8.  roept de Commissie op haar directoraten-generaal de opdracht te geven alle landenspecifieke aanbevelingen te publiceren die zij in het kader van het Europese semester in hun respectievelijke jaarlijkse activiteitenverslagen hebben opgenomen;

Strategie en missie: continuïteit en innovatie

9.  wijst erop dat de bestaande kwijtingsbeginselen en nieuwe elementen en beginselen in het nieuwste MFK geëerbiedigd moeten worden; wijst er daarom op dat een innovatieve benadering nodig is voor de evaluatie van het eerste jaar van het MFK, en dat de benadering van de kwijting beter afgestemd moet worden op de gewijzigde behoeften en benodigdheden binnen de begroting van de Unie;

10.  is van mening dat de voornaamste innovatie van de wijze waarop de kwijting plaatsvindt moet bestaan uit het vinden van een beter evenwicht tussen enerzijds de formele en procedurele kwesties van de benutting van de begroting van de Unie, en anderzijds de op prestaties gebaseerde en resultaatgerichte aanpak, daarbij rekening houdend met de benutting van de absorptiecapaciteit;

11.   benadrukt dat de kwijtingsprocedure in het verleden vooral gericht was op het verifiëren van de wettigheid en regelmatigheid van de financiële verrichtingen; is, in de context van het initiatief van de Commissie "An EU Budget Focused on Results", van mening dat voor de bovengenoemde controles tevens nauwlettend en uitgebreid moet worden onderzocht of de resultaten, die door projecten en programma's zijn bereikt, overeenstemmen met de oorspronkelijke doelstellingen;

12.   wijst erop dat bij de kwijting wordt gestreefd naar een gemeenschappelijke benadering van de specifieke elementen van het begrotingsbeleid van de Unie, met name de nieuw ingevoerde elementen, te weten de nadruk op prestaties en de preventieve en corrigerende functie van toezichthoudende en controlesystemen;

13.   is van mening dat voor een resultaatgerichte begroting sterke, solide en gemeenschappelijk overeengekomen indicatoren vereist zijn; merkt echter op dat deze indicatoren nog overeengekomen moeten worden met de medewetgevers, de Commissie en door middel van een uitgebreide raadpleging van de autoriteiten van de lidstaten samen met andere belanghebbenden; is in die zin ingenomen met de oprichting van de interinstitutionele werkgroep voor een op prestaties gebaseerd en resultaatgericht begrotingsmodel, die nog maar kortgeleden met haar werkzaamheden is begonnen; moedigt alle betrokken partijen aan hun werkzaamheden te bespoedigen en er tegelijkertijd voor te zorgen dat er afspraken worden gemaakt over een reeks indicatoren van hoge kwaliteit;

14.   benadrukt dat de begroting van de Unie in de eerste plaats ten goede moet komen aan de burgers van de Unie, waarbij tegelijkertijd de financiële belangen van de Unie beschermd moeten worden en moet worden voldaan aan de verplichtingen en doelstellingen van de Verdragen; de voordelen bestaan uit steun gericht op ontwikkeling en de huidige prioriteiten op het gebied van het economisch beleid en de economische resultaten, waarbij de nodige flexibiliteit in acht wordt genomen in verband met onverwachte en noodsituaties; de bescherming van de financiële belangen van de Unie vereist een correcte benutting van uitgaven, overeenkomstig de regels en vrij van fouten of fraude; de wijze waarop de kwijting plaatsvindt moet bijdragen aan het vinden van een evenwicht tussen deze elementen;

15.   benadrukt verder de plicht van de Commissie om, overeenkomstig artikel 17, lid 1, VEU, de correcte toepassing van het EU-recht te waarborgen en verzoekt de Rekenkamer een speciaal rapport op te stellen met betrekking tot de vraag of de Commissie naar behoren gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheden bij het ondersteunen en controleren van de lidstaten wat betreft de uitvoering van het Unierecht;

Resultaten behalen met de begroting van de Unie

16.  wijst erop dat het belangrijkste uitgangspunt voor de kwijting van de Commissie voor 2014 bestaat uit de deugdelijkheid van de financiële stromen en de feitelijke programma's en projecten waar die stromen voor bedoeld zijn, tegen de achtergrond van een beoordeling van de optimale benutting van middelen van de Unie in alle opzichten;

17.  verwelkomt het feit dat de structuur en inhoud van het jaarverslag 2014 van de Rekenkamer de rubrieken van het MFK volgen en grotere nadruk leggen op de prestaties en resultaten; waardeert dat de hoofdstukken van het verslag inzake gedeeld beheer bij wijze van proef de voorlopige resultaten bevatten van de prestatiebeoordelingen van programma's;

18.  beseft dat de overgang naar het uitvoeren van meer doelmatigheidscontroles niet in een keer kan plaatsvinden, omdat doelmatigheidscontroles alleen mogelijk zijn zodra de basisrechtshandelingen en de begroting zijn opgesteld, met als doel om de beleidsdoelstellingen overeen te stemmen met de kwalitatieve indicatoren of om meetbare resultaten te verwezenlijken;

19.  is in dit verband van mening dat het MFK een belangrijke stap voorwaarts betekent door de invoering van ex-antevoorwaarden, prestatiereserves en meer mogelijkheden voor vereenvoudiging en synergieën tussen middelen;

20.  wijst erop dat de periodes van de tienjaarlijkse strategie van de Unie en de zevenjaarlijkse begrotingsperiode niet op elkaar zijn afgestemd, hetgeen de mogelijkheden voor de Commissie om de bijdrage van de begroting van de Unie aan de Europa 2020-strategie te monitoren beperkt is voor de eerste helft van de strategie-periode, ook al zijn alle gegevens voor het uitvoeren van jaarlijkse controles voorhanden;

21.   herinnert er evenwel aan dat de doelstellingen en de resultatenbegroting moeten worden aangepast aan de doelstellingen van de Verdragen, aan de Europa 2020-strategie en aan het sectoraal en cohesiebeleid, en dat ze voldoende flexibel moeten zijn om te kunnen worden aangepast aan onverwachte noodsituaties zoals de economische crisis en/of de vluchtelingencrisis;

22.   merkt op dat sommige programma's, fondsen en instrumenten van het meerjarig financieel kader (MFK) 2014-2020 in 2014 in het geheel niet werden geabsorbeerd vanwege de late aanneming van de relevante regelgeving en als gevolg daarvan de late goedkeuring van afgeleide wetgevings- en programmeringsdocumenten;

23.   wijst erop dat het MFK 2014-2020 het eerste is waarin minder begrotingsmiddelen ter beschikking worden gesteld dan in de voorlopers hiervan en dat de druk op de betalingsplafonds veel groter is dan in voorgaande MFK's;

24.  herinnert eraan dat het Europees Parlement in zijn resoluties(76) bij de kwijtingsbesluiten de Commissie al sinds 2013 heeft gevraagd zich bij de toepassing van artikel 318 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (TFEU), dat betrekking heeft op het evaluatieverslag van de Commissie, te richten op de tenuitvoerlegging van de tienjarige strategie van de Unie voor groei en werkgelegenheid en op de werkelijke prestaties en resultaten van die strategie; verwelkomt het feit dat de Rekenkamer ervoor heeft gekozen om hoofdstuk 3 van haar jaarverslag over 2014 te wijden aan de Europa 2020-strategie, en verzoekt de Rekenkamer deze prestatie- en resultaatgerichte aanpak aan te houden en verder te ontwikkelen;

25.   benadrukt dat de structuur van de Europa 2020-strategie extreem complex is (met vijf kerndoelen, zeven vlaggenschipinitiatieven en 11 thematische doelstellingen voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF's)); wijst erop dat die verschillende instrumenten niet zijn ontworpen om de politieke doelstellingen van de strategie om te zetten in praktische operationele doelen door middel van synergieën;

26.  betreurt dat ondanks de voortgang waar de Rekenkamer in haar jaarverslag(77) voor 2014 op wijst, de Commissie tot nu toe slechts in een evaluatieverslag op beperkte wijze verslag heeft uitgebracht van de bijdrage van de Uniebegroting aan het bereiken van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie (krachtens artikel 318 VWEU); wijst erop dat in het kader van het MFK 2007-2013 geen verplichting bestaat inzake uitgebreide verslaglegging over de bijdrage van de Uniebegroting aan de doelstellingen van de Europa 2020-strategie, wat echter wel de bedoeling was voordat deze werd vastgesteld;

27.  verwelkomt het feit dat bepaalde elementen van een doeltreffend toezicht- en verslagleggingssysteem reeds aanwezig zijn, in het bijzonder de statistische instrumenten die Eurostat heeft ontwikkeld, maar betreurt dat de evaluatie van de Europa 2020-strategie door de Commissie is uitgesteld tot begin 2016 en dat de resultaten van de openbare raadpleging over de Europa 2020-strategie geen informatie van betekenis heeft opgeleverd voor de rol van financiering door de Unie;

28.   betreurt het feit dat de doelstellingen op hoog niveau van de Europa 2020-strategie niet systematisch worden omgezet in operationele doelen in partnerschapsakkoorden en programma's; wijst erop dat de huidige wetgeving niet vereist dat het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) rond dezelfde thematische doelstellingen zijn opgezet;

29.   herinnert eraan dat de Commissie in haar antwoorden op de opmerkingen van de Rekenkamer(78) bis heeft erkend dat de doelstellingen van de Unie ook worden bepaald in de Verdragen, dat deze doelstellingen (bijvoorbeeld het gemeenschappelijk landbouwbeleid) moeten worden nagestreefd en gerespecteerd en dat de begroting van de Unie op basis daarvan wordt toegewezen aan de diverse activiteiten en voor zover mogelijk wordt aangepast aan veranderingen in de voornaamste prioriteiten van de Unie (te weten de Lissabon-strategie en de Europa 2020-strategie);

30.  betreurt dat de mogelijke voordelen van het bereiken van synergieën tussen de vijf ESIF's, door ze onder een overkoepelend regelgevend en beheerskader en één partnerschapsovereenkomst per lidstaat te plaatsen, nog niet zijn verwezenlijkt en dat er nog steeds verschillende regels van toepassing zijn op het niveau van de fondsen, en dus op programmaniveau; benadrukt dat alleen zorgvuldig geformuleerde partnerschapsovereenkomsten en programma's goedgekeurd moeten worden om een doeltreffende tenuitvoerlegging van de ESIF's te waarborgen;

31.   verwacht dat de Commissie verslag uitbrengt over de bijdrage van de EU-begroting aan de verwezenlijking van de doestellingen van de EU 2020-strategie; is het ermee eens dat het niet eenvoudig is om op consistente wijze verslag uit te brengen van de thematische doelstellingen voor alle vijf ESIF's en dus ook over de bijdrage van deze fondsen tot de Europa 2020-strategie; merkt op dat de Commissie in 2017 het eerste strategische verslag over de bijdrage tot de Europa 2020-strategie moet indienen;

32.   onderstreept echter dat in drie vierde van de projecten van de structuurfondsen de beleidsdoelen geheel of gedeeltelijk zijn bereikt en dat slechts in 2 % van de gevallen geen van de in het operationele programma of de subsidieovereenkomst vastgestelde doelstellingen zijn verwezenlijkt;

33.   merkt op dat de Rekenkamer zich voornamelijk heeft gericht op het onderzoeken van de samenhang van de partnerschapsovereenkomsten van de lidstaten met de doelen van de Europa 2020-strategie, als een voorwaarde voor betere prestaties; vraagt de Rekenkamer in haar volgende jaarverslag informatie te verstrekken over de omzetting van de doelen van de Europa 2020-strategie in verwachte resultaten in het kader van andere rechtstreeks door de Commissie beheerde programma's en fondsen;

34.  wijst erop dat de invoering van gemeenschappelijke prestatie-indicatoren voor elk fonds een belangrijke stap zou zijn, maar betreurt dat:

(a)   lidstaten niet verplicht zijn gemeenschappelijke indicatoren op te nemen in hun programma's, met uitzondering van het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief en ELFPO, en de eerste fase van controle op het niveau van de lidstaten geen evaluaties van de resultaten voorziet;

(b)   er slechts tussen twee fondsen (Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en het Cohesiefonds (CF)) gemeenschappelijke indicatoren worden gebruikt, maar niet tussen de andere fondsen;

(c)  mijlpalen alleen bestaan voor het prestatiekader, terwijl het de streefdoelen vaak aan ambitie ontbreekt;

(d)   er bij de Europese Commissie een beperkte capaciteit blijft bestaan voor wat de monitoring en de evaluatie van de prestaties betreft;

35.   neemt er nota van dat volgens de Rekenkamer inherente gebreken aanwezig zijn in het prestatiekader van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen met betrekking tot de ESIF(79), omdat slechte resultaten er niet toe leiden dat de lidstaten de prestatiereserve verliezen, en de financiële sancties die de Commissie tot haar beschikking heeft beperkt zijn; is echter van mening dat er, voordat om sancties wordt verzocht, een beter resultaatmeetsysteem moet worden ingevoerd en dat een proces van steun aan de lidstaten bij de prestatieverbetering aan eventuele sancties vooraf moet gaan;

36.   verzoekt de Europese Commissie om vollediger gebruik te maken van de mogelijkheden die de bestaande wetgeving biedt ten aanzien van de prestatiereserve, zodat er werkelijk een financiële prikkel ontstaat om het financieel beheer effectief te verbeteren; roept voorts op tot versterking van de prestatiereserve als instrument door het vergroten van het prestatie-afhankelijke deel bij de volgende herziening van de wetgeving(80);

37.  wijst erop dat de richtsnoeren van de centrale diensten van de Commissie hebben geleid tot een verbetering van de jaarlijkse verslaglegging van de prestaties van de directoraten-generaal (DG's), maar herinnert eraan dat de doelstellingen van de DG's niet geschikt zijn voor beheersdoeleinden en dat er problemen blijven bestaan met de indicatoren voor het toezicht op de prestaties; wijst er tevens op dat alle indicatoren die in de voorgaande jaren zijn ingevoerd om de voortgang met de hervormingen van de Europa 2020-strategie op zowel Unie- als nationaal niveau te meten, in 2014 zijn verwijderd uit het jaarlijks activiteitenverslag van de secretaris-generaal van de Commissie en in plaats daarvan zijn opgenomen in de beheersplannen en jaarlijkse activiteitenverslagen van de operationele DG's;

38.  verzoekt de Commissie te overwegen voorstellen te doen om:

(a)   het MFK beter af te stemmen op de Europa 2020-strategie en de herziening hiervan voor te stellen indien dit nodig is voor een betere overeenstemming met de Europa 2020-strategie;

(b)  de politieke doelen op hoog niveau van de Europa 2020-strategie weer te geven in doelstellingen op EU-niveau;

(c)  ervoor te zorgen dat de partnerschapsovereenkomsten en programma's deze doelstellingen op EU-niveau omzetten in thematische doelstellingen die gekoppeld kunnen worden aan operationele doelstellingen op het niveau van de lidstaten of in de rechtstreeks door de Commissie beheerde programma's;

39.  verzoekt de Commissie de wetgever de volgende voorstellen te doen:

(a)  de lidstaten nemen in hun partnerschapsovereenkomsten en programma's waar passend een verklaring op inzake de gekwantificeerde resultaten die met behulp van de financiering behaald moeten worden;

(b)  alle partnerschapsovereenkomsten en programma's bevatten gemeenschappelijke resultaatindicatoren, die voor zover mogelijk door de verschillende fondsen worden gedeeld en zijn ontworpen om op lokaal, lidstaat- en EU-niveau toezicht te houden op de voortgang;

(c)  het prestatiekader moet, voor zover mogelijk, op deze gemeenschappelijke resultaatindicatoren worden gebaseerd;

40.  vraagt de Commissie om in de volgende evaluatieverslagen als bedoeld in artikel 318 VWEU een analyse op te nemen van de bereikte resultaten wat betreft groei en banen van het investeringsplan van 315 miljard EUR, op 26 november 2014 aangekondigd door de voorzitter van de Commissie Jean-Claude Juncker op de plenaire vergadering van het Parlement;

Follow-up van de kwijting voor 2013

41.  betreurt dat het totale foutenpercentage op bijna hetzelfde niveau bleef en dat de betalingen fouten van materieel belang bleven vertonen;

Hoofdstuk

2013

2014

Verrichtingen

Foutenpercentage(81)

Verrichtingen

/ EUR

Foutenpercentage

Ontvangsten

55

0,0 %

55

0,0 %

Concurrentievermogen, onderzoek, onderwijs, vervoer, overige programma's

160

4,0 %

166 / 13 miljard

5,6 %

Cohesie

343

5,3 %

331 / 55,7 miljard

5,7 %

Regionaal beleid en stadsontwikkeling

168

6,4 %

161

6,1 %

Werkgelegenheid en sociale zaken

175

3,1 %

170

3,7 %

Natuurlijke hulpbronnen

360

4,4 %

359 / 57,5 miljard

3,6 %

ELGF - Marktondersteuning en rechtstreekse steun

180

3,6 %

183

2,9 %

Plattelandsontwikkeling, milieu, klimaatactie en visserij

180

7,0 %

176

6,2 %

Europa als wereldspeler

182

2,1 %

172 / 7,4 miljard

2,7 %

Administratie

135

1,1 %

129 / 8,8 miljard

0,5 %

Totaal

1 180

4,5 %

1 157 / 142,4 miljard

4,4 %

42.   betreurt dat nog altijd sprake is van een geringe betrouwbaarheid van eerstelijnscontroles door de lidstaten en van gebreken bij het uitsluiten van niet-subsidiabele percelen uit het landbouwpercelenidentificatiesysteem (LPIS); wijst erop dat volgens het jaarverslag 2014 van de Rekenkamer zowel de gebieden van gedeeld beheer als alle overige operationele uitgaven (die grotendeels rechtstreeks door de Commissie worden beheerd) een geschat foutenpercentage vertonen van 4,6 %; wijst er echter op dat er veel corrigerend werk is verricht;

43.  stelt met bezorgdheid vast dat nog altijd geen gevolg is gegeven aan de volgende aanbevelingen en eisen in verband met de kwijting 2013 van de Commissie:

(a)  een systeem voor het opleggen van sancties indien lidstaten onjuiste programma-informatie en verklaringen indienen, en in het geval van valse of onjuiste verslaglegging door betaalorganen, onder meer met betrekking tot de volgende drie aspecten: de inspectiestatistieken, de verklaringen van de betaalorganen en de werkzaamheden van de certificerende instanties;

(b)   indien hiertoe vrijwillig is besloten, niet alleen de nationale verklaringen publiceren, maar ook de jaarlijkse samenvattingen en beheersverklaringen, waar nodig als vertrouwelijke documenten, om meer inzicht te geven in het financieel beheer en het financieel beheer werkelijk te verbeteren; het is echter nog steeds niet duidelijk hoe doeltreffend deze maatregelen zijn gezien de verschillen in de structuren van de lidstaten en de politieke verantwoordelijkheid van de verschillende nationale autoriteiten;

(c)  analyse en informatie inzake de voorlopige resultaten van het investeringsplan voor Europa als in november 2014 in het Europees Parlement aangekondigd door voorzitter Jean-Claude Juncker van de Europese Commissie;

44.  stelt met bezorgdheid vast dat van de 65 aanbevelingen die de Rekenkamer in de jaren 2011-2012 heeft gedaan, slechts 20 aanbevelingen volledig zijn uitgevoerd, 26 aanbevelingen op de meeste punten worden uitgevoerd en 19 aanbevelingen op een aantal punten worden uitgevoerd; roept de Commissie op de aanbevelingen en eisen van het Parlement over te nemen en door te gaan met het uitvoeren van de aanbevelingen van de Rekenkamer;

45.   benadrukt dat het voor het Parlement onbevredigend is indien contradictoire procedures als uitkomst hebben dat de Commissie en de Rekenkamer tot verschillende conclusies komen; roept beide instellingen daarom op dergelijke uitkomsten te voorkomen;

46.   verzoekt de Commissie een actieplan met een termijnen en doelstellingen op te stellen om deze terugkerende fouten beter te kunnen voorkomen;

Standpunt van de Rekenkamer: Betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer

47.  verwelkomt het feit dat de Rekenkamer een goedkeurend oordeel uitspreekt over de betrouwbaarheid van de rekeningen voor 2014, wat sinds 2007 steeds het geval is geweest, en dat de Rekenkamer vaststelt dat de ontvangsten in 2014 geen materiële fouten vertoonden; constateert tevens met voldoening dat de onderliggende vastleggingen bij de rekeningen betreffende het per 31 december 2014 afgesloten begrotingsjaar op alle materiële punten wettig en regelmatig zijn;

48.  wijst erop dat de totale resultaten over het algemeen overeenstemmen met de eerdere opmerkingen van de Rekenkamer;

49.  betreurt het feit dat de betalingen voor het 21e jaar op rij materiële fouten vertoonden vanwege de gebrekkige doeltreffendheid van de toezicht- en controlesystemen;

50.  betreurt dat de betalingen een meest waarschijnlijk foutenpercentage vertonen van 4,4 %; herinnert eraan dat het meest waarschijnlijke foutenpercentage voor betalingen in het begrotingsjaar 2013 werd geraamd op 4,7 %, in 2012 op 4,8 % en in 2011 op 3,9 %(82); de hoogste foutenpercentages werden vastgesteld bij uitgaven ten behoeve van economische, sociale en territoriale cohesie (5,7 %) en concurrentievermogen voor groei en banen (5,6 %); anderzijds vertoonden administratieve uitgaven het laagst vastgestelde foutenpercentage (0,5 %);

51.  vraagt zich af of het foutenpercentage voor specifieke verrichtingen gebaseerd is op een vergelijkbare aanpak, en dus zou moeten dienen als vergelijkbare benchmark; wijst erop dat het foutenpercentage voor kostenvergoedingsregelingen (5,5 %) gebaseerd is op subsidiabiliteit van de kosten, terwijl het voor rechtenprogramma's (2,7 %) alleen gebaseerd is op de noodzaak om aan een aantal voorwaarden te voldoen;

52.   wijst erop dat indien de door de lidstaten en de Commissie genomen corrigerende maatregelen niet waren toegepast op de door de Rekenkamer gecontroleerde uitgaven, het totale geschatte foutenpercentage 5,5 % zou hebben bedragen, in plaats van 4,4 %; dringt er dan ook op aan bij de Commissie, de autoriteiten in de lidstaten of de onafhankelijke controleurs alle beschikbare informatie te benutten om mogelijke fouten te voorkomen, op te sporen of te corrigeren;

53.   benadrukt dat voor de operationele uitgaven het geschatte foutenpercentage voor uitgaven onder gedeeld beheer met de lidstaten 4,6 % bedraagt (2013: 4,9 %) wat nog steeds zeer hoog is; stelt met bezorgdheid vast dat het geschatte foutenpercentage voor de andere vormen van operationele uitgaven waarbij de Commissie de belangrijkste rol speelt omhoog is geschoten naar 4,6 % (2013: 3,7 %);

54.  wijst erop dat de Commissie aangeeft dat de uitgaven een materieel foutenniveau vertonen, aangezien zij in haar syntheseverslag voor 2014 het risicobedrag presenteert als variërend tussen 3,7 en 5 miljard, oftewel 2,6 tot 3,5 % van de betalingen; wijst erop dat de Commissie verwacht dat ze de komende jaren fouten zal vaststellen en corrigeren ten belope van in totaal circa 2,7 miljard EUR;

55.  is het met de Rekenkamer eens dat ondanks verbeteringen van de analyse van de effecten van corrigerende acties, de Commissie niet het risico heeft weggenomen dat dit effect te hoog wordt ingeschat of van beperkte relevantie is(83);

56.  is van mening dat de DG's van de Commissie hun schattingen van de risicobedragen voor meer dan driekwart van de uitgaven in 2014 baseren op gegevens afkomstig van nationale autoriteiten; wijst erop dat de Commissie in het syntheseverslag verklaart dat de betrouwbaarheid van de controleverslagen van de lidstaten een uitdaging blijft;

57.  wijst erop dat het geraamde corrigerend vermogen voor 12 DG's van de Commissie hoger is dan de geraamde risicobedrag, wat het gevolg is van het meerjarige karakter van de correctiesystemen;

58.   verzoekt de Commissie de methode voor berekening van het corrigerend vermogen op tijd voor de kwijtingsprocedure 2015 te herzien;

59.   merkt op dat de Commissie, indien zij bewijs heeft van verminderde absorptiecapaciteit in de lidstaten, alle flexibiliteitsbepalingen van de MFK-verordening moet beoordelen en in eerste instantie maatregelen moet voorstellen om de ontoereikende absorptiecapaciteit te overwinnen, alvorens andere actie te ondernemen;

60.  wijst erop dat meer dan twee derde van de financiële correcties inzake cohesie die in 2014 zijn geregistreerd gevallen betreft waarin autoriteiten van de lidstaten gedeclareerde uitgaven intrekken en vervangen door nieuwe uitgaven; verwelkomt het feit dat dergelijke procedures in de programmeringsperiode 2014-2020 beperkt zijn;

61.  vraagt de Commissie in samenwerking met de lidstaten voor elk beleidsterrein en voor de begroting van de Unie als geheel een beoordeling uit te voeren van het resterende foutenniveau nadat alle corrigerende maatregelen zijn genomen, rekening houdend met het meerjarige karakter van de programma's;

62.   roept de Commissie op artikel 32, lid 5, van het nieuwe Financieel Reglement strikt toe te passen indien het foutenpercentage hoog blijft, en vervolgens zwakke punten in de controlesystemen in kaart te brengen, de kosten en baten van eventuele corrigerende maatregelen te onderzoeken, en passende maatregelen te nemen of voor te stellen op het vlak van vereenvoudiging, verbetering van de controlesystemen en het opnieuw ontwerpen van programma's of uitvoeringssystemen vóór de tussentijdse herziening van de periode 2014-2020;

63.   vestigt de aandacht op de opmerking van de Rekenkamer dat indien de Commissie, de autoriteiten van de lidstaten of onafhankelijke auditinstanties gebruik hadden gemaakt van alle informatie waarover zij konden beschikken, ze een aanzienlijk deel van de fouten hadden kunnen voorkomen, opsporen of corrigeren, nog voordat ze waren gemaakt; uit zijn bezorgdheid over het feit dat de Commissie toegeeft dat het minstens tien jaar zal duren voordat de fouten rechtgezet zijn; wijst erop dat door het gebruik van alle beschikbare informatie het foutenpercentage met 3,3 procentpunten had kunnen worden verlaagd voor uitgaven zowel in het kader van regionaal beleid en stadsontwikkeling (6,1 %) als voor plattelandsontwikkeling, milieu, klimaatactie en visserij (6,2 %); benadrukt dat door het gebruik van alle beschikbare informatie het foutenpercentage met 2,8 procentpunten had kunnen worden verlaagd voor concurrentievermogen voor groei en banen, dat rechtstreeks wordt beheerd door de Commissie;

64.   wijst erop dat in 2014 nieuwe nadruk is gelegd op resultaatgericht budgetteren en analyseren samen met een wijziging van de methodologische aanpak; onderstreept in dit verband de behoefte aan een duidelijk en transparant overzicht van de bijdrage van de begroting 2014 van de Unie aan resultaten op het gebied van koppelingen met de Europa 2020-strategie en sectorale beleidsdoelstellingen;

65.  wijst er tevens op dat in het kader van de jaarlijkse activiteitenverslagen wordt gestreefd naar het vaststellen van de resultaten van maatregelen, maar daarbij wordt nog altijd naar output gekeken, en niet naar resultaten;

66.   sluit zich aan bij het voorbehoud van de directeur-generaal van DG REGIO in zijn jaarlijkse activiteitenverslag met betrekking tot de beheers- en controlesystemen voor het EFRO/Cohesiefonds voor de programmeringsperiode 2007-2013 in 12 lidstaten (77 programma's) en ETS-programma's; is van mening dat dit voorbehoud aantoont dat de controleprocedures van de Commissie en de lidstaten niet de nodige waarborgen kunnen bieden betreffende de wettigheid en regelmatigheid van alle onderliggende verrichtingen in de overeenkomstige beleidsgebieden;

67.   sluit zich aan bij het voorbehoud van de directeur-generaal van DG AGRI in zijn jaarlijkse activiteitenverslag;

–  ABB02 – Uitgaven voor marktmaatregelen: risicobedrag van 77,7 miljoen EUR; 4 steunregelingen in 7 lidstaten (8 aspecten onder voorbehoud): Oostenrijk, Frankrijk (voor twee steunmaatregelen), Nederland, Polen, Spanje, Roemenië en het Verenigd Koninkrijk;

–  ABB03 – Directe betalingen: risicobedrag van 831,6 miljoen EUR; 15 betaalorganen in 6 lidstaten: Spanje (10 betaalorganen), Frankrijk, Verenigd Koninkrijk (RPA-Engeland), Griekenland, Hongarije en Portugal;

–  ABB04 - Uitgaven voor regionale ontwikkeling: risicobedrag van 532,5 miljoen EUR; 28 betaalorganen in 16 lidstaten: Bulgarije, Duitsland (3 betaalorganen), Denemarken, Spanje (6 betaalorganen), Frankrijk (2 betaalorganen), Verenigd Koninkrijk (2 betaalorganen), Hongarije, Griekenland, Italië (4 betaalorganen), Litouwen, Letland, Nederland, Polen, Portugal, Roemenië en Zweden;

–  ABB05 – IPARD uitgaven voor Turkije: risicobedrag van 5,07 miljoen EUR;

is van mening dat dit voorbehoud aantoont dat de controleprocedures van de Commissie en de lidstaten niet de nodige waarborgen kunnen bieden betreffende de wettigheid en regelmatigheid van alle onderliggende verrichtingen in de overeenkomstige beleidsgebieden;

68.   sluit zich aan bij het voorbehoud van de directeur-generaal van DG EMPL in zijn jaarlijkse activiteitenverslag; wijst erop dat het jaarlijkse activiteitenverslag een voorbehoud bevat met betrekking tot de betalingen voor de programmeringsperiode 2007-2013, waarbij het risicobedrag in 2014 169,4 miljoen EUR bedraagt, betreffende beheer- en controlesystemen voor 36 specifieke operationele ESF-programma's in België, Tsjechië, Frankrijk, Duitsland, Griekenland, Hongarije, Italië, Roemenië, Slowakije, Spanje en het Verenigd Koninkrijk voor de programmeringsperiode 2007‑2013; is van mening dat dit voorbehoud aantoont dat de controleprocedures van de Commissie en de lidstaten niet de nodige waarborgen kunnen bieden betreffende de wettigheid en regelmatigheid van alle onderliggende verrichtingen in de overeenkomstige beleidsgebieden;

69.   verzoekt de directeur-generaal van DG DEVCO om in zijn jaarlijkse activiteitenverslag een meer naar risico gedifferentieerde zekerheid te geven en om vervolgens meer van zijn controlemiddelen te besteden aan gebieden waarvoor specifieke punten van voorbehoud gelden;

70.  roept de Raad op waakzamer te zijn met betrekking tot de kwijting en is ingenomen met de kritische houding van Zweden en het Verenigd Koninkrijk die de Commissie en de Rekenkamer vragen om:

–   zich vooral te richten op gebieden en ontvangers met een hoog foutenrisico in plaats van meer controle voor iedereen in te voeren;

–   zich meer te richten op controles vooraf dan op controles achteraf;

–   de unaniem overeengekomen betalingsplafonds in stand te houden, in het bijzonder door met betrekking tot vastleggingen de nodige begrotingsdiscipline aan te houden, niet aangesproken kredieten daadwerkelijk vrij te maken om plaats in te ruimen voor nieuwe prioriteiten en programma's, meer transparantie te bieden door langetermijnprognoses te verstrekken, en te zorgen voor een evenwicht tussen vastleggingen en betalingen en buitensporige kassaldi in financieringsinstrumenten te verlagen, aangezien in die instrumenten meer dan 14 miljard EUR aan niet aangesproken middelen opgesloten blijft zitten, een bedrag dat voor urgentere behoeften en prioriteiten zou kunnen worden gebruikt;

is tevens ingenomen met de aansporing van Zweden en het Verenigd Koninkrijk aan de lidstaten om beter gebruik te maken van de beschikbare informatie om fouten te voorkomen, op te sporen of te corrigeren voordat ze de uitgaven bij de Commissie declareren;

Samenvatting

71.  Concludeert dat in het kader van de kwijting:

(a)   prioriteit moet worden verleend aan een evenwichtige aanpak tussen traditionele methoden en een grotere nadruk op prestaties en resultaten, waarbij in elk geval rekening moet worden gehouden met de verplichtingen die voortvloeien uit de Verdragen, uit sectoraal beleid en uit de noodzaak van flexibiliteit in verband met onverwachte situaties;

(b)  de beschikbaarheid van gegevens en het beheer moeten worden verbeterd om de prestaties en resultaten beter te kunnen vaststellen;

(c)   een sterkere koppeling nodig is van de EU-begroting met de belangrijkste Europese strategieën en concepten (zoals de Europa 2020-strategie) en het verband daarvan met de belangrijkste sectorale beleidsmaatregelen;

(d)  het beheer en de controlemethodes moeten worden verbeterd in overeenstemming met de beginselen van goed financieel beheer;

(e)  ruimte moet zijn voor het voortbouwen op de opmerkingen van eerdere kwijtingenopstellen in de vorm van een geregelde follow-up;

(f)   betreurt de aanzienlijke toename van het foutenpercentage in de operationele uitgaven die rechtstreeks door de Commissie worden beheerd, dat voor het eerst gelijk is geworden aan het foutenpercentage voor uitgaven onder gedeeld beheer met de lidstaten;

B.  Specifieke hoofdstukken

Algemeen budgettair en financieel beheer

72.  wijst erop dat goed financieel beheer betrekking heeft op de werkelijke resultaten van de maatregelen uit hoofde van de Uniebegroting, uiteraard op voorwaarde dat deze maatregelen de regels inzake wettigheid en regelmatigheid naleven en bijdragen aan de meerwaarde van de Uniebegroting vanuit het oogpunt van de Unie; benadrukt dat het beperken van de foutenpercentages en de gevallen van fraude een noodzakelijke voorwaarde is voor naleving van de beginselen van goed financieel beheer;

73.   onderstreept dat het foutenpercentage niet per definitie aangeeft of er sprake is van fraude, inefficiëntie of verspilling, maar dat het een schatting is van de financiële stromen die niet uitbetaald hadden moeten worden, omdat daarbij de regels en voorschriften niet zijn nageleefd; benadrukt echter dat de sterke toename van ernstige fouten rond aanbestedingsprocedures zeer zorgwekkend is, omdat lidstaten reeds jaren ervaring hebben met de bestaande aanbestedingsregels en als ze al problemen hebben met deze regels, voorspelt dat weinig goeds voor de toekomstige aanpassing van nationale wetgeving en procedures aan de nieuwe richtlijnen betreffende aanbesteding en concessies; wijst erop dat het foutenpercentage door de Europese burgers niet goed wordt begrepen en vraagt de Rekenkamer in dit verband met de Commissie in gesprek te gaan om de mogelijke methodologische tekortkomingen vast te stellen en algemene standaarden in de verslaglegging van het foutenpercentage overeen te komen;

74.  beveelt aan dat de regels en voorschriften worden gecontroleerd door middel van een effectbeoordeling van de regelgeving (RIA)(84), om hun verenigbaarheid met en naleving van de behoeften en doelstellingen van de Unie te testen, zoals in het geval van vergoedingsregelingen, terwijl de meest typische voorbeelden van fouten betalingen voor niet-subsidiabele kosten (41 %) en fouten bij de openbare aanbestedingen (27 %) betreffen; wijst erop dat deze fouten iets anders kunnen betreffen dan fraude of een daad van opzettelijke misleiding om voordeel te verkrijgen;

75.   wijst er in dit verband op dat de uitvoering van de EU-begroting 2014 krachtens verschillende regelgevingskaders is verricht, aangezien er in dat jaar twee kaders van kracht waren voor de periodes 2007-2013 en 2014-2020;

76.   wijst er daarom op dat het juist en belangrijk is om onderscheid te maken tussen de verschillende soorten foutenpercentages voor de verschillende soorten uitgaven van de begroting van de Unie, omdat deze worden toegewezen op basis van verschillende criteria en het dus zeer moeilijk is ze te vergelijken;

77.   merkt op dat de Rekenkamer, ter ondersteuning van een sterkere prestatiecultuur, in haar jaarverslag veel aandacht besteedt aan de prestaties van de EU-begroting en bij wijze van proef heeft onderzocht in welke mate er sprake is van werkelijke complementariteit tussen de financiering van de Unie en de Europa 2020-strategie; wijst erop dat de Rekenkamer heeft gewezen op een lage en zwakke koppeling tussen partnerschapsovereenkomsten/operationele programma's en de Europa 2020-strategie; wijst er echter op dat een dergelijke complementariteit moet worden beschouwd in de algemene context van de fondsenspecifieke missies overeenkomstig hun op het Verdrag gebaseerde doelstellingen, met inbegrip van economische, sociale en territoriale cohesie;

78.   uit zijn bezorgdheid over het absorptiepercentage van de fondsen in de lidstaten dat varieert van 50 % tot 92 %; roept de Commissie op om een nauwkeurige analyse voor te leggen van de redenen waarom in bepaalde regio's het opnamepercentage van de fondsen laag blijft en specifieke acties te evalueren om de structurele problemen op te lossen die aan de basis liggen van de te lage opname;

79.   waardeert de innovatieve aanpak van het jaarverslag 2014 van de Rekenkamer, met een resultaat- en prestatiegerichte aanpak, en een beoordeling van de toepassing en oriëntatie van interventies van de EU-begroting ten opzichte van de prioriteiten van de Europa 2020-strategie; is van mening dat het concept van de resultaat- en prestatiegerichte aanpak de komende jaren moet worden toegepast bij het opstellen van de landenspecifieke aanbevelingen (LSA's) in het kader van het Europese semester;

80.  onderstreept dat de opmerkingen van de Rekenkamer de noodzaak benadrukken van het toepassen van maatregelen ter verbetering van de budgettaire prestaties en van normen inzake gedeeld beheer;

Begrotingsprestaties

81.  wijst erop dat het voor adequate begrotingsprestaties nodig is dat de uitgaven van de begroting van de Unie op afdoende wijze gericht zijn op de werkelijke prioriteiten van de Unie voor de betrokken periode;

82.  wijst erop dat de prestatiecultuur is gebaseerd op drie pijlers: strategie, vereenvoudiging en de begrotingsprocedure;

83.   pleit voor een voortzetting van het proces van vereenvoudiging van de begroting op zowel procedureel als inhoudelijk gebied, leidend tot een vermindering van buitensporige administratieve lasten en beperkingen op het gebied van overregulering in bepaalde lidstaten; benadrukt dat het proces van vereenvoudiging niet mag leiden tot deregulering en niet mag inhouden dat controlemechanismen en -procedures, d.w.z. controles vooraf, worden vergeten; onderstreept dat vereenvoudiging niet mag leiden tot te frequente wijzigingen in het regelgevingskader, en tot extra belasting voor de administratie en begunstigden, waarmee de bedoelde positieve ontwikkelingen van de vereenvoudiging zouden worden ondergraven; verwelkomt de oprichting door de Commissie van de Groep op hoog niveau en verwacht hier resultaten van;

84.  beveelt aan de begrotingsprocedure te verbeteren wat betreft het verstrekken van informatie over de prestaties en het beheer, met inbegrip van een kosten-batenanalyse van controles, betrouwbaarheidsverklaringen en kwijting, projectdatabanken en communicatie;

85.   roept de Commissie op tot verbetering van de communicatie en samenwerking tussen actoren die bij de planning, uitvoering en kwijting van de begroting zijn betrokken, en met het brede publiek, door verwachtingen op een lijn te brengen, ervaringen betreffende de uitvoering te delen en bereikte resultaten te rapporteren;

86.   verzoekt de Commissie het gebruik van bepaalde instrumenten in overweging te nemen, zoals social media, studies en focusgroepen om het publieke bewustzijn te meten en te onderzoeken hoe in de toekomst haar communicatiestrategie voor het informeren van de burgers over de resultaten van de projecten kan worden verbeterd;

87.   verwelkomt de nieuwe interinstitutionele werkgroep inzake resultaatgericht begroten (performance-based budgeting) om een gemeenschappelijk begrip te creëren van op prestaties gebaseerde en resultaatgerichte begrotingsbeginselen;

88.  beveelt aan overeenkomstige verbeteringen door te voeren op gebieden als de aanpassing van de controle-intensiteit aan het risico, verslaglegging over prestaties of de betrouwbaarheid van door de lidstaten gemelde controleresultaten;

89.  merkt op dat de Commissie een enorme analysecapaciteit heeft opgebouwd, die echter voornamelijk gericht is op sectoren die relevant zijn voor afzonderlijke DG's, zonder onderzoek te doen naar horizontale multidisciplinaire aangelegenheden en de tastbare resultaten van het beleid, dat (mede-)gefinancierd is uit de begroting van de Unie;

90.  beveelt aan de nadruk te leggen op de prestatiegebaseerde aanpak en op de kwestie van onvolkomenheden van de markt en marktfalen, aangezien deze benadering eraan bijdraagt dat de financiering van de Unie kan worden toegespitst op gebieden waar criteria van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid het best kunnen worden ingepast; wijst erop dat het ontwerp afgestemd moet zijn op een aantal verschillende soorten marktonvolkomenheden, een in verband met informatieasymmetrie en de andere in verband met een commerciële beoordeling van de resultaten, waarbij over het algemeen niet met alle positieve externaliteiten en bredere maatschappelijke voordelen rekening wordt gehouden, aangezien beide met recht worden ondersteund met financiering van de Unie;

91.  stelt voor dat de Commissie bij de beoordeling van de Europese meerwaarde een criterium invoert gebaseerd op hetgeen zich waarschijnlijk zou hebben voorgedaan indien het betrokken project of de betrokken activiteit had plaatsgevonden of geen financiering van de Unie had ontvangen;

92.   vraagt dringend te onderzoeken hoeveel geld er uit de Europese fondsen in elke lidstaat aan mediabedrijven is betaald en aan welke, en of dit werd gedaan om de fondsen bekendheid te geven, of om andere redenen;

Gedeeld beheer

93.   herinnert eraan dat er een grote verantwoordelijkheid voor de correcte toewijzing van de begroting van de Unie bij de lidstaten berust, aangezien 76 % van de uitgaven plaatsvindt onder gedeeld beheer; wijst erop dat de lidstaten een belangrijke verantwoordelijkheid hebben voor de correcte en rechtmatige uitvoering van de Uniebegroting wanneer zij verantwoordelijk zijn voor het beheer van de EU-middelen;

94.  benadrukt dat een correcte toewijzing afhangt van een correcte definitie van de behoeften van de Unie, samen met de ontwikkelingsprioriteiten van de lidstaten;

95.   onderstreept dat, hoe meer de lidstaten ernaar streven te voldoen aan de nationale gekwantificeerde streefdoelen van de Europa 2020-strategie, des te gerichter de begrotingsmiddelen van de Unie kunnen worden ingezet, en hoe meer deze doelstellingen aansluiten bij de reële economische, sociale, territoriale en milieubehoeften van de Unie, des te beter de Unie kan zorgen voor omstandigheden die een goed financieel beheer mogelijk maken; beveelt in dit verband de oprichting aan van een permanent platform dat bestaat uit de Commissie, vertegenwoordigingen van de nationale regeringen, waaronder de permanente vertegenwoordigingen bij de Unie, en regionale overheden en autoriteiten;

96.   is het eens met de opmerking van de Rekenkamer dat de Commissie, de nationale autoriteiten en de onafhankelijke controleurs alle beschikbare en relevante informatie moeten benutten om fouten te voorkomen of ze te ontdekken en te corrigeren vóór de terugbetaling; verklaart met klem dat er, indien de gegevens beschikbaar zijn, geen reden mag zijn voor de Commissie, de nationale autoriteiten en de onafhankelijke controleurs om niet de benodigde maatregelen te nemen om fouten te voorkomen of op te sporen en te corrigeren;

97.   roept de Rekenkamer op om samen met nationale auditautoriteiten een systeem te ontwikkelen waarmee zij kan nagaan in hoeverre de lidstaten haar aanbevelingen hebben opgevolgd;

98.  roept de Commissie op de lidstaten richtsnoeren te bieden om te zorgen voor een vollediger uitvoering van de Europa 2020-strategie door middel van de partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's, en tevens het concept van gemeenschappelijke resultaatindicatoren in te voeren, zoals voorgesteld in het jaarverslag 2014 van de Rekenkamer;

99.   acht het nuttig dat het Parlement en de Raad samen overeenkomen hoe de kwestie van de uitgaven van lidstaten in geval van gedeeld beheer moet worden aangepakt;

100.   steunt het opnemen van LSA's in partnerschapsovereenkomsten;

101.   dringt er bij de Commissie op aan de onderhandelingen met de lidstaten over de noodzaak tot openbaarmaking van nationale verklaringen en jaarlijkse samenvattingen te intensiveren;

Financiële correcties en terugvorderingen

102.  stelt met bezorgdheid vast dat sommige lidstaten wat betreft de in 2014 uitgevoerde financiële correcties (vergeleken met ontvangen EU-betalingen) drie keer boven het gemiddelde percentage van 2,3 % zaten (Slowakije 8,7 %, Tsjechië 8,1 %, Griekenland 4,7 %);

103.  wijst erop dat voor de programmeringsperiode 2007-2013, een bedrag van 209 miljoen EUR aan financiële correcties in het ESF is bevestigd en 156 miljoen EUR is uitgevoerd, waarvan 95 miljoen EUR in 2014 was bevestigd; merkt op dat de lidstaten met de meeste financiële correcties Spanje (56 miljoen EUR), Roemenië (43 miljoen EUR), Polen (32 miljoen EUR) en Frankrijk (20 miljoen EUR) zijn;

104.  stelt dat de gecorrigeerde cumulatieve bedragen voor het cohesiebeleid in de periode 2007-2013 0,9 % van de begrotingstoewijzingen vormen; is het eens met de Commissie dat de financiële correcties voor de periode 2007-2013 naar verwachting de komende jaren zullen blijven stijgen naarmate met de afsluiting van meer programma's wordt begonnen;

105.  wijst erop dat de Commissie voor de EFRO/CF-programma's cumulatieve financiële correcties ten bedrage van ongeveer 2 miljard EUR heeft opgelegd sinds het begin van de programmeringsperiode 2007-2013 – dit omvat 782 miljoen EUR aan financiële correcties toegepast door de lidstaten vóór of op hetzelfde tijdstip als de uitgavendeclaratie bij de Commissie; stelt met bezorgdheid vast dat de voornaamste betrokken lidstaten Tsjechië (719 miljoen EUR), Hongarije (298 miljoen EUR), Griekenland (257 miljoen EUR), Spanje (237 miljoen EUR), Slowakije (152 miljoen EUR), Roemenië (146 miljoen EUR) en Italië (105 miljoen EUR) zijn;

106.  merkt op dat voor het ESF de lidstaten met de hoogste cumulatieve financiële correcties Roemenië (355 miljoen EUR), Spanje (213 miljoen EUR) en Polen (152 miljoen EUR) zijn;

107.   beschouwt financiële correcties en terugvorderingen als effectieve middelen voor de bescherming van de EU-begroting; betreurt echter dat fouten pas enkele jaren nadat ze zich hebben voorgedaan kunnen worden gecorrigeerd, vanwege het wettelijk kader voor de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de complexiteit van de betrokken procedures en het aantal controlelagen op vele terreinen;

Bescherming van de financiële belangen

108.  onderstreept dat corruptie en fraude het vertrouwen in overheidsinstellingen en democratie aantasten en de werking van de interne markt van de Unie ondermijnen; wijst erop dat een geïntegreerde aanpak nodig is waarbij de instellingen van de Unie (en de lidstaten) samenwerken; betreurt het dat diverse EU-instellingen (Commissie en agentschappen, Europees Bureau voor fraudebestrijding en de Europese Rekenkamer) bij het opsporen van fraude op verschillende manieren te werk gaan;

109.  beveelt de Commissie aan alle rapportageregelingen bijeen te brengen in een enkel samenhangend systeem ter bescherming van de financiële belangen van de Unie, om zo de strijd tegen fraude en corruptie doeltreffender te maken; herinnert aan het belang van coherente wetgeving binnen de Unie voor een efficiënte bestrijding van georganiseerde criminaliteit die op transnationaal niveau opereert;

110.   wijst erop dat transparantie het doeltreffendste instrument is om misbruik en fraude te bestrijden; verzoekt de Commissie de wetgeving op dit gebied te verbeteren, door de publicatie van de gegevens over alle begunstigden van de Europese fondsen, inclusief de gegevens in verband met onderaanneming, verplicht te maken;

111.   dringt er bij de Commissie op aan zich aan te sluiten bij het Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie (ETS nr. 173) van de Raad van Europa en de onderhandelingen over de deelname van de Unie aan de Groep van Staten tegen Corruptie (GRECO) te bespoedigen, om bij te dragen aan een beter gecoördineerd anticorruptiebeleid in Europa;

112.   verzoekt de Commissie de volledige verantwoordelijkheid op zich te nemen voor de terugvordering van ten onrechte aan de EU-begroting betaalde bedragen en uniforme verslagleggingsbeginselen vast te stellen voor alle lidstaten zodat er vergelijkbare, betrouwbare en toereikende gegevens worden verzameld;

113.  is ingenomen met de verklaring van de Commissie in haar jaarverslag 2014 over de bescherming van de financiële belangen van de Unie (PIF), waarin zij eraan herinnert dat zowel de PIF-richtlijn als de verordening tot oprichting van het Europees Openbaar Ministerie (EOM-verordening) een aanvulling op en een versteviging van het wettelijke kader zou vormen en de strijd tegen fraude aanzienlijk zou versterken; wijst nogmaals op de dringende noodzaak dat de PIF-richtlijn zo spoedig mogelijk wordt goedgekeurd en dat btw daaronder valt, met een duidelijke definitie van PIF-overtredingen, minimumvoorschriften inzake maximumgevangenisstraffen en minimumregels inzake de verjaring; herinnert aan de zaak-Taricco, waarin het Hof van Justitie van de Europese Unie erop wijst dat btw-fraude wel degelijk onder de definitie van PIF-fraude in de PIF‑overeenkomst van 1995 valt; vraagt de Commissie om verduidelijking van de betrekkingen tussen Eurojust, het Europees Openbaar Ministerie (EOM) en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), en de mogelijkheid te onderzoeken van een verder geïntegreerde opzet van deze agentschappen, zodat onderzoeken doeltreffender kunnen worden uitgevoerd(85);

114.   is ingenomen met het besluit van de Commissie om de transparantie te verhogen door haar systeem van deskundigengroepen te verbeteren, in het bijzonder wat de procedure voor de selectie van deskundigen betreft, aan de hand van een nieuw, nog te ontwikkelen beleid inzake belangenconflicten voor deskundigen die op persoonlijke titel worden benoemd, waarmee het Parlement in staat wordt gesteld om rechtstreekse controle uit te oefenen op dergelijke benoemingen; neemt nota van de verplichting om deskundigen indien nodig te registeren in het transparantieregister; vraagt de Commissie echter dringend om, wanneer zij wijzigingen aanbrengt in de huidige horizontale regels inzake deskundigengroepen, met als doel om tot een meer systematische en transparante benadering te komen, zowel de aanbevelingen van de Europese Ombudsman omtrent de samenstelling van de deskundigengroepen ter harte te nemen als de bevindingen van de studie "Samenstelling van de deskundigengroepen van de Commissie en stand van zaken van het register van deskundigengroepen"; verlangt dat de Commissie een dialoog met het Parlement aangaat voordat deze regels formeel worden vastgesteld, vooral met het oog op het komende verslag van de Commissie begrotingscontrole en de Commissie juridische zaken over deze kwestie; spoort de Europese agentschappen aan om zich op hervormingen in diezelfde zin te beraden;

115.  benadrukt dat de lidstaten geen gevolg geven aan vermeende gevallen van fraude die de financiële belangen van de Unie schaden en die door OLAF zijn gemeld; verzoekt de Commissie passende maatregelen te nemen en verzoekt OLAF de lidstaten te blijven ondersteunen bij het verbeteren van hun prestaties inzake het voorkomen en opsporen van fraude ten nadele van de Europese fondsen;

116.   verzoekt de Commissie een systeem van strenge indicatoren en uniforme criteria te ontwikkelen; is bezorgd over de betrouwbaarheid en de kwaliteit van de gegevens die van de lidstaten afkomstig zijn; verzoekt de Commissie daarom nauw met de lidstaten samen te werken om te garanderen dat de gegevens compleet, nauwkeurig en betrouwbaar zijn met het oog op de volledige tenuitvoerlegging van het "single audit"‑model;

117.   herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om aan het Parlement en de Raad om de twee jaar verslag uit te brengen over de invulling die de EU-instellingen aan hun interne anticorruptiebeleid geven en kijkt ernaar uit om begin 2016 het volgende verslag te lezen; verzoekt de Commissie een hoofdstuk toe te voegen over de prestaties van de EU-instellingen op het gebied van corruptiebestrijding en is voorts van mening dat alle toekomstige corruptiebestrijdingsverslagen van de Commissie ook betrekking moeten hebben op alle EU-instellingen;

118.   uit zijn bezorgdheid over de door Eurodad verstrekte gegevens over het witwassen van geld dat Luxemburg en Duitsland bovenaan de ranglijst zet als het over het risico op het witwassen van geld gaat; acht het van wezenlijk belang dat lidstaten de EU-richtlijn betreffende het witwassen van geld integraal omzetten door een openbaar register aan te leggen over wie eigenaar is van bedrijven, inclusief trustmaatschappijen;

119.  dringt erop aan over te stappen van een vrijwillig naar een verplicht EU-register voor alle lobbyisten die zich bij hun activiteiten richten op de Commissie;

120.   is van mening dat het eerste tweejaarlijkse corruptiebestrijdingsverslag van de Commissie een veelbelovende poging is om meer inzicht te krijgen in corruptie in al haar dimensies, om doeltreffende manieren te ontwikkelen om het probleem aan te pakken en om het pad te effenen voor meer verantwoordelijkheid van de overheid tegenover de burgers van de Unie; bevestigt in dit verband nogmaals het belang van het nultolerantiebeleid van de Unie inzake fraude, corruptie en collusie; vindt het niettemin betreurenswaardig dat in het verslag geen enkele aandacht wordt besteed aan het anticorruptiebeleid van de EU-instellingen zelf;

121.   vraagt de Commissie om, op zijn laatst in haar tweede corruptiebestrijdingsverslag, meer analyses te verrichten van het klimaat waarbinnen beleid wordt uitgevoerd, zowel in de EU-instellingen als in de lidstaten, om inherente kritieke factoren, kwetsbare domeinen en risicofactoren die tot corruptie kunnen leiden te identificeren;

122.   vraagt de Commissie om zonder uitstel te voldoen aan haar rapportageverplichtingen uit hoofde van het VN-Verdrag tegen corruptie;

Foutenpercentage in het algemeen

123.  stelt met bezorgdheid vast dat de meest voorkomende soorten vastgestelde fouten zijn: niet-subsidiabele kosten die in de kostendeclaraties zijn opgenomen (41 %), ernstige fouten bij openbare aanbestedingen (27 %) en onjuiste opgaven van oppervlakten door landbouwers (20 %);

124.   merkt echter op dat het percentage ernstige door de lidstaten gemaakte fouten in overheidsopdrachten aanzienlijk teruggebracht is, van 45 % in 2013 op het gebied van de ruimtelijke ordening tot 25 % van alle gekwalificeerde fouten in 2014 op het gezamenlijke beleidsgebied economische, sociale en territoriale cohesie.

125.  vindt het alarmerend dat de Commissie, nationale autoriteiten of onafhankelijke controleurs in veel gevallen van kwantificeerbare fouten over voldoende informatie beschikten om de fouten te kunnen voorkomen of op te sporen en te corrigeren vóór het goedkeuren van de uitgaven; indien alle informatie was gebruikt om fouten te corrigeren, had het geschatte foutenpercentage aanzienlijk lager kunnen zijn;

126.  wijst erop dat het geschatte foutenpercentage voor rechtenprogramma's 2,7 % bedraagt (3 % in 2013), wat aanzienlijk lager is dan bij uitgaven voor vergoedingen, waar het foutenpercentage 5,5 % bedraagt (5,6 % in 2013); vraagt de Commissie na te gaan of het verstandig is in voorkomend geval over te stappen van een vergoedingsregeling naar een rechtenregeling, bij wijze van vereenvoudiging;

Best practice

127.  dringt er bij de lidstaten op aan hun verplichtingen inzake het verwezenlijken van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie even serieus te nemen als de doelstellingen van de CSR's en het Europees semester; dit moet tot uiting komen in een duidelijk andere benadering van de prestaties, vergezeld van de invoering van evaluerende processen met gevolgen, zoals de prestatiereserve voor verantwoordelijke begunstigden, en sancties en beperkingen voor de anderen;

Evaluatie en analyse van de belangrijkste resultaten van de begroting 2014 van de Unie

128.  wijst erop dat het totaal van circa 142,5 miljard EUR in 2014 bijna 2 % vertegenwoordigt van de totale overheidsuitgaven van de EU-lidstaten, of 1 % van het bbp van de Unie;

129.  verlangt dat de vaststelling van de werkelijke effecten van de uitvoering van de Uniebegroting op de macro-economische indicatoren in de EU onderwerp wordt van kwijtingsprocedures;

130.  betreurt dat slechts 47 % van de bijdragen aan de financieringsinstrumenten (FEI) in gedeeld beheer is uitbetaald aan de eindbegunstigden vóór het einde van 2013 (37 % uitbetaald aan het einde van 2012) en dat de tegoeden van FEI onder indirect beheer hoog blijven (1,3 miljard EUR in 2014; 1,4 miljard EUR in 2013);

131.   neemt nota van de aanbeveling van de Rekenkamer aan de Commissie om een wetgevingsvoorstel in te dienen tot wijziging van de vigerende verordening betreffende de verlenging van de subsidiabiliteitsperiode voor FEI onder Verordening nr. (EG) 1083/2006, en van het antwoord daarop van de Commissie;

132.   verzoekt de Commissie, naar aanleiding van de aanbeveling van de Rekenkamer, om bij haar begrotings- en financieel beheer rekening te houden met de capaciteitsproblemen in sommige lidstaten, om onderbesteding van middelen te voorkomen en om de absorptiepercentages te verhogen, met name op het gebied van de ESIF; onderkent echter de tot dusver genomen maatregelen, zoals de instelling van de taskforce voor een betere tenuitvoerlegging, die reeds vruchten heeft afgeworpen;

133.  verzoekt de Commissie maatregelen te nemen ter vermindering van de uitstaande verplichtingen, met inbegrip van een tijdige beëindiging van de programma's voor de periode 2007-2013 en een verlaging van de hoeveelheid aan door fiduciaires aangehouden geldmiddelen;

134.  herhaalt dat de Commissie jaarlijks een kasstroomraming voor de lange termijn op moet stellen inzake begrotingsmaxima, betalingsbehoeften, capaciteitsproblemen en mogelijke vrijmakingen, om de betalingsbehoeften en de beschikbare middelen beter op elkaar af te stemmen(86);

135.   is van mening dat de tussentijdse herziening van het MFK, die tegen eind 2016 door de Commissie zal worden gepresenteerd, de eerste en beste gelegenheid is om het grote niveau van de RAL structureel aan te pakken; verzoekt de Commissie met klem een voorstel te doen voor een herziening van de MFK-verordening waarmee onder meer het probleem van de RAL moet worden opgelost;

Niet-afgewikkelde betalingen

136.  benadrukt dat de in 2014 gedane vastleggingen 109,3 miljard EUR bedroegen, d.w.z. 76,6 % van de beschikbare vastleggingskredieten, en dat als gevolg daarvan in 2015 een zeer hoog niveau van vastleggingskredieten beschikbaar is (de overdrachten bedroegen 12,1 miljard EUR, en het maximum was verhoogd met 16,5 miljard EUR);

137.   betreurt dat ondanks het feit dat het niveau van de betalingen hoger bleef dan het MFK‑maximum en ondanks het gebruik van een marge voor onvoorziene uitgaven, de niet-gehonoreerde betalingsaanvragen met 1,4 miljard EUR stegen tot 25,8 miljard EUR; benadrukt het belang van de volledige naleving van de gemeenschappelijke verklaring over een betalingsplan 2015-2016, dat is overeengekomen door het Parlement, de Raad en de Commissie naar aanleiding van de gezamenlijke verplichting om de achterstand van resterende taken voor de cohesieprogramma's 2007-2013 te verminderen tot ongeveer 2 miljard EUR tegen het einde van 2016; meent dat deze situatie de facto strijdig is met artikel 310 VWEU, dat bepaalt dat de ontvangsten en uitgaven van de begroting in evenwicht moeten zijn;

138.  benadrukt dat de verlaging van de niet-afgewikkelde vastleggingen naar verwachting tijdelijk zal zijn, omdat er voor 2015 en de daaropvolgende jaren is verzocht om een verhoging van het MFK-maximum;

139.   wijst er met name op dat tegen eind 2014 de betalingen aan de lidstaten voor de meerjarige ESIF's voor 2007-2013(87) een hoogte van 309,5 miljard EUR hadden bereikt; oftewel 77 % van de 403 miljard EUR voor alle operationele programma's, waarbij vijf lidstaten (te weten de Tsjechische Republiek, Spanje, Italië, Polen en Roemenië) goed zijn voor meer dan de helft van de niet-gebruikte vastleggingen van de meerjarige ESIF's;

140.   betreurt dat de achterstand bij de absorptie van de meerjarige fondsen aanzienlijk is en in sommige lidstaten tot reële problemen kan leiden(88); erkent in dit verband dat het zinvol is om flexibiliteitsformules toe te passen, gezien de vertragingen waarmee alle programma's van start zijn gegaan;

Ontvangsten

141.  wijst erop dat de ontvangsten afkomstig zijn van een aantal verschillende bronnen:

(a)  het grootste deel wordt nog altijd bijgedragen door de lidstaten op basis van hun bruto nationaal inkomen (bni); in 2014 bedroeg deze bijdrage 94,9 miljard EUR;

(b)  een andere bron bestaat uit betalingen op basis van geïnde btw in afzonderlijke lidstaten, ten belope van in totaal 17,7 miljard EUR;

(c)  douane- en landbouwrechten zijn de op twee na belangrijkste bron, goed voor 16,4 miljard EUR;

142.  verwelkomt het feit dat van de drie aanbevelingen van de Rekenkamer in de jaren 2011‑2012 twee aanbevelingen op de meeste punten worden uitgevoerd en één op een aantal punten wordt uitgevoerd;

BNI

143.   benadrukt dat zolang het stelsel van eigen middelen van de Unie niet wordt veranderd, de bni-parameter een belangrijke oorzaak is van het probleem van de ontvangsten voor de begroting van de Unie, en benadrukt dat een correcte en objectieve beoordeling daarvan cruciaal is, en het enige serieuze onderwerp is met betrekking tot het probleem van de ontvangsten binnen de huidige opzet van de begroting van de Unie, en dat het uiterst belangrijk is om te beschikken over betrouwbare en flexibele databanken voor de berekening van de bijdragen van de lidstaten;

144.  verzoekt de Commissie daarom te verklaren dat door de lidstaten verstrekte bni-gegevens betrouwbaar zijn en hun bijdragen dus terecht;

145.  herinnert eraan dat de actualisering van bni-gegevens in 2014 leidde tot ongekend hoge aanpassingen van de bijdragen van de lidstaten, ten belope van 9,813 miljoen EUR;

146.  benadrukt dat de impact van deze ingrijpende herzieningen van de bni-saldi kleiner had kunnen zijn indien er een gemeenschappelijk EU-herzieningsbeleid zou hebben bestaan om het tijdpad voor grote herzieningen te harmoniseren;

147.   betreurt dat btw-fraude, en in het bijzonder de zogenaamde carrouselfraude, concurrentie verstoort en nationale begrotingen aanzienlijke bedragen onthoudt en schadelijk is voor de begroting van de Unie; wijst erop dat de btw-kloof en de geschatte verliezen op de inning van btw in 2013 neerkwamen op 168 miljard EUR; maakt zich zorgen over het feit dat de Commissie niet beschikt over betrouwbare gegevens inzake btw-fraude en carrouselfraude; merkt op dat het huidige btw-stelsel nog altijd versnipperd is en leidt tot aanzienlijke administratieve lasten, met name voor kmo's en internetbedrijven; is bezorgd dat het nieuwe systeem van verantwoording voor de btw als bron van eigen middelen de doelstelling van vereenvoudiging niet volledig heeft kunnen bereiken en benadrukt de verantwoordelijkheid van de lidstaten om de tekortkomingen van Eurofisc aan te pakken en hun beleid met betrekking tot teruggeboekte kosten beter te coördineren, om de uitwisseling van informatie te versoepelen en bij te dragen aan de bestrijding van onregelmatigheden en fraude; verzoekt de Commissie te komen met voorstellen voor aanpassingen in de wetgeving ter bevordering van doeltreffende vergelijkende controles tussen de douane- en belastinggegevens, en haar toezicht op de lidstaten vooral te richten op een snellere beantwoording van informatieverzoeken en op de betrouwbaarheid van het systeem voor de uitwisseling van btw-gegevens;

Te nemen maatregelen

148.   verzoekt de Commissie een analyse uit voeren van de toekomstige financiering van de Unie door de toereikendheid van de grondslag van de eigen middelen te evalueren;

149.  betreurt dat voorstellen van de Commissie uit 2013 om een gezamenlijk EU-herzieningsbeleid in te voeren nog steeds in behandeling zijn, zonder dat de Commissie verdere actie heeft ondernomen, ondanks het feit dat 19 lidstaten te kennen hebben gegeven dat zij zich althans gedeeltelijk uiterlijk 2014 zouden aansluiten bij het EU‑herzieningsbeleid;

150.   is verheugd over de oprichting van de groep op hoog niveau inzake de eigen middelen; is ingenomen met het eerste evaluatieverslag dat deze groep eind 2014 heeft uitgebracht, en deelt de analyse dat het stelsel zich geleidelijk heeft ontwikkeld tot een stelsel waarin de meerderheid van de middelen afkomstig is uit nationale bijdragen en slechts een minderheid bestaat uit echte, autonome Europese middelen; is van mening dat het huidige stelsel van eigen middelen verder moet worden ontwikkeld om de nationale debatten over nettobetalers en ontvangers, die de burgers van de Unie vervreemden, te ontstijgen, om zo te komen tot een stelsel dat duidelijk herkenbaar is als zijnde van algemeen belang voor de Unie en voor het beleid van de Unie;

151.  wijst erop dat wijzigingen voortvloeiend uit de werkzaamheden betreffende de punten van voorbehoud beperkter zouden zijn geweest indien de verificatiecyclus van de Commissie korter was geweest, en brengt in herinnering dat het Parlement er vorig jaar(89) bij de Commissie op aandrong om:

(a)  de duur van haar verificatiecyclus van de bni-middelen te verkorten;

(b)  het gebruik van algemene punten van voorbehoud te beperken tot uitzonderlijke gevallen;

152.  merkt met grote bezorgdheid op dat de Commissie heeft aangekondigd dat de volgende verificatiecyclus pas in 2019 zal worden voltooid en dat de punten van voorbehoud ten minste negen jaar omvatten, net als bij de vorige cyclus;

153.  wijst erop dat volgens de Rekenkamer de kwaliteit van de door de douanediensten van de lidstaten verrichte controles niet is verbeterd; betreurt dat in de bijgewerkte versie van de Gids voor douanebedrijfscontroles, door de Commissie gepubliceerd in 2014, geen aandacht wordt besteed aan een aantal door de Rekenkamer vastgestelde tekortkomingen, met name met betrekking tot de kwesties in verband met de omgang met importen die in andere lidstaten zijn ingeklaard;

154.  verzoekt de Commissie:

(a)  maatregelen te nemen ter vermindering van het aantal jaren waarvoor punten van voorbehoud gelden aan het eind van de volgende verificatiecyclus voor bni-bijdragen;

(b)  maatregelen te nemen ter vermindering van de impact van de door de lidstaten gepresenteerde herzieningen van methoden en bronnen voor de compilatie van hun bni;

(c)  de bestaande richtsnoeren voor de douaneautoriteiten van de lidstaten inzake de door hen verrichte controles te verbeteren (met name de controles na de douaneafhandeling); en

(d)  waarborgen dat de lidstaten over passende systemen beschikken voor het opstellen en beheren van hun overzichten van de vastgestelde douanerechten en suikerheffingen;

(e)   de capaciteit van risicoanalyse van Eurofisc op te trekken door het VIES-systeem (grensoverschrijdend systeem voor de uitwisseling van btw-informatie) erin te integreren;

Best practice

155.  wijst erop dat de ontvangstenzijde geen materiële fouten vertoont, hetgeen op zich een best practice inhoudt, net als de huidige praktijk van de bijdragen van de lidstaten op basis van het bni, die tot dusver zinvol is geweest; wijst er echter op dat dit model alleen kan blijven functioneren indien de economische prestaties van de lidstaten permanent worden geëvalueerd; een alternatief voor een verhoging van de eigen middelen blijft een actuele kwestie voor de toekomst;

Concurrentievermogen voor groei en banen

Algemeen

156.   is verheugd dat de structuur van het jaarverslag van de Rekenkamer voor het eerst de rubrieken volgt van het meerjarig financieel kader (MFK), dat op 1 januari 2014 in werking is getreden; in 2013 heette het desbetreffende hoofdstuk nog "Onderzoek en ander intern beleid"; wijst er echter op dat deze gewijzigde structuur de vergelijkbaarheid van de bevindingen van de Rekenkamer met voorgaande jaren beperkt;

157.  wijst er tevens op dat onderzoek en innovatie goed is voor 61 % (8,1 miljard EUR) van de bestedingen, via het zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (2007-2013) (FP7) en Horizon 2020, het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020), terwijl de resterende 39 % is besteed aan onderwijs, opleiding, jeugd en sport (1,5 miljard EUR), ruimtevaart (1,4 miljard EUR), vervoer (0,8 miljard EUR) en andere acties en programma's (1,5 miljard EUR);

158.   herinnert eraan dat rubriek 1a in de MFK-onderhandelingen flink ingekrompen is (-24 % vergeleken met het oorspronkelijke voorstel van de Commissie); wijst erop dat rubriek 1a van het MFK uitgaven omvat voor verbetering van onderzoek en innovatie, versterking van onderwijssystemen en bevordering van werkgelegenheid, het waarborgen van een digitale interne markt, bevordering van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, modernisering van de vervoerssector en verbetering van het ondernemingsklimaat, vooral voor kmo's;

159.  benadrukt dat bijna 90 % van de uitgaven op dit terrein wordt gedaan in de vorm van subsidies aan publieke of particuliere begunstigden;

160.  is ingenomen met het feit dat van de negen aanbevelingen van de Rekenkamer in de jaren 2011-2012 drie aanbevelingen volledig ten uitvoer zijn gelegd en zes aanbevelingen op de meeste punten worden uitgevoerd;

Europa 2020

161.  merkt op dat het gecumuleerde aantal subsidieovereenkomsten voor heel KP7 26 078 bedraagt (waarvan er in totaal 9 627 zijn afgesloten); tegelijkertijd heeft de Commissie het werkprogramma 2014-2015 van Horizon 2020 gestart, dat een groot succes was met 46 097 per 25 februari 2015 ontvangen voorstellen: voor 79 afgesloten oproepen kwamen 25 903 voorstellen in aanmerking, werden er 3 765 voor financiering geselecteerd en werden er 1 410 ondertekend;

162.   is verheugd dat de Commissie heeft kunnen voldoen aan de meeste doelstellingen van de essentiële prestatie-indicatoren (EPI); betwijfelt evenwel of het streefdoel om tegen 2020 3 % van het bbp van de Unie in onderzoek en ontwikkeling te investeren kan worden verwezenlijkt; roept alle lidstaten op om deze uitdaging aan te gaan; wijst erop dat de situatie met name problematisch lijkt in Kroatië, Finland, Luxemburg, Portugal, Roemenië, Spanje en Zweden; verzoekt de Commissie daaruit de noodzakelijke conclusie te trekken voor de komende tussentijdse herziening van het MFK die eind 2016 zal worden gepresenteerd;

163.  is verheugd over de impact van Europees onderzoek (netwerken) voor de bestrijding van ebola, betere behandelingen voor kanker, de totstandbrenging van een Europese interne ruimte voor klinisch onderzoek, de bestrijding van overstromingen, grotere voedselveiligheid en verbetering van de veiligheid van cruiseschepen, om een paar voorbeelden te noemen;

164.  verwelkomt het feit dat de evaluatie achteraf van KP7 in november 2015 beschikbaar is gekomen; verwacht dat met de bevindingen en aanbevelingen daarvan nog rekening kan worden gehouden bij de werkprogramma's van Horizon 2020;

165.  neemt met belangstelling kennis van de eerste informatie die beschikbaar is gekomen over het "Verslag over de stand van zaken rond de Innovatie-Unie 2015"(90), waarin een overzicht wordt gegeven van de huidige stand van uitvoering van de 34 verbintenissen in het kader van het vlaggenschipinitiatief Innovatie-Unie van de Europa 2020-strategie;

166.   herinnert eraan dat "maatschappelijke uitdaging 6", met name wat betreft mens- en sociale wetenschappen, door het Parlement werd geïntroduceerd tijdens de uitwerking van Horizon 2020 en als prioriteit werd bestempeld; herinnert eraan dat dit onderdeel belangrijk is voor de gebieden waarop de Unie in het bijzonder het hoofd moet bieden aan problemen zoals de strijd tegen de werkloosheid, radicalisering, terrorisme, de begeleiding van migranten, economische en monetaire governance en de strijd tegen ongelijkheid; is daarom bezorgd dat tijdens de tenuitvoerleggingsfase van het programma, mens- en sociale wetenschappen niet langer bovenaan de lijst met prioriteiten zullen staan door het wegvallen van het specifieke leiderschap en door een verlaging van de vastleggingskredieten met 40 %, terwijl de algemene begroting van Horizon 2020 in het kader van het MFK 2014-2020 is verhoogd;

Beheer

167.  wijst op het volgende:

(a)  algemene conclusies en opmerkingen met betrekking tot gedeeld beheer gelden ook voor concurrentievermogen;

(b)  er is reeds sprake van synergie en een geïntegreerde benadering tussen de verschillende soorten instrumenten ter ondersteuning van onderzoek, ontwikkeling en innovatie (O&O&I), maar deze moeten verder worden verbeterd;

(c)  de vastgestelde regels voor Horizon 2020 zijn eenvoudiger dan die voor KP7; anderzijds zijn er binnen Horizon 2020 ondersteunde gebieden die mogelijk riskanter zijn, zoals commercieel georiënteerde projecten met deelname van kmo's en met gebruikmaking van nieuwe innovatieve instrumenten, waaronder financiële instrumenten;

168.   verzoekt de begunstigden zoveel mogelijk gebruik te maken van controlecertificaten, aangezien controlecertificaten de foutenpercentages verlagen met 50 % vergeleken met niet-gecertificeerde kostendeclaraties; is echter van mening dat de foutenpercentages die in de externe audits worden ontdekt aanzienlijk moeten worden verbeterd, rekening houdend met de gespecialiseerde steun die wordt ontvangen van de Commissie; is in dit verband ingenomen met alle richtsnoeren, seminars, modellen en de lijst van de meest voorkomende fouten die de Commissie ter beschikking heeft gesteld van de begunstigden en de controle-instanties, maar verzoekt de Commissie meer ingrijpende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de externe controlecertificaten een grotere betrouwbaarheid ten aanzien van de foutenpercentages waarborgen;

169.  steunt de Commissie in haar streven naar verdere ontwikkeling van risicobeheer op het gebied van onderzoek; juicht het in dit verband toe dat voor controles achteraf de selectie van deelnemers al grotendeels plaatsvindt met de vaststelling van risico's als uitgangspunt: de Commissie verwacht dat 83 % van de audits in de periode 2012-2016 zal worden geselecteerd op basis van risicocriteria;

170.  verwelkomt de oprichting van een gemeenschappelijk ondersteuningscentrum dat assistentie verleent voor alle onderzoeksdiensten op het gebied van juridische bijstand, audit, bedrijfsprocessen, IT en informatie en gegevens;

171.  wijst erop dat omvangrijke steun voor onderzoek en innovatie is opgenomen in de ESIF-partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's van de lidstaten en regio's, zodat er meer synergieën worden verwezenlijkt; de steun bedraagt meer dan 42 miljard EUR voor fundamenteel onderzoek en innovatie en 118 miljard EUR voor onderzoek en innovatie in bredere zin;

Wettigheid en regelmatigheid; fouten

172.   merkt bezorgd op dat de Rekenkamer 166 verrichtingen heeft onderzocht, waarvan er 79 fouten bevatten; stelt vast dat het geschatte foutenpercentage op basis van 53 kwantificeerbare fouten 5,6 % bedraagt;

173.  vindt het alarmerend dat de Commissie, nationale autoriteiten of onafhankelijke controleurs in 27 gevallen van kwantificeerbare fouten over voldoende informatie beschikten om de fouten te kunnen voorkomen of op te sporen en te corrigeren vóór het goedkeuren van de uitgaven; indien al deze informatie gebruikt was om fouten te corrigeren, zou het geschatte foutenpercentage voor dit hoofdstuk 2,8 procentpunt lager zijn geweest; deze situatie, die nu al enkele jaren onverminderd voortduurt, wijst op een gebrek aan zorgvuldigheid;

174.   acht het onaanvaardbaar dat het foutenpercentage in het zevende kaderprogramma niet is verbeterd ten opzichte van dat van het zesde kaderprogramma en dat het foutenpercentage volgens de verklaringen van de directeur van het eigen DG Onderzoek en Innovatie van de Commissie zelfs nog hoger zal uitvallen; is van mening dat het foutenpercentage voor de programma's van het zevende kaderprogramma lager had moeten zijn na de opgedane ervaringen met het programmabeheer;   betreurt het feit dat de dramatische stijging van het foutenpercentage in 2014 voor het beleidsdomein "Concurrentievermogen voor groei en banen" slechts wijst op een goed beheer van het programma in de afgelopen jaren;

175.   betreurt het feit dat het beleidsdomein "Concurrentievermogen voor groei en banen" de sterkste stijging liet zien van het foutenpercentage in 2014 ten opzichte van 2013;

176.  betreurt dat de bronnen van fouten dezelfde zijn gebleven:

(a)  op het gebied van onderzoek (Onderzoek): onjuist berekende personeelskosten, andere niet-subsidiabele directe kosten zoals niet-onderbouwde reis- of uitrustingskosten; niet-subsidiabele indirecte kosten die zijn gebaseerd op onjuiste vaste kosten of die behoren tot niet-subsidiabele kostencategorieën zonder verband met het project;

(b)  voor andere financieringsinstrumenten (Overige): niet-onderbouwde en niet-subsidiabele kosten en gevallen van niet-naleving van de regels inzake overheidsopdrachten;

Bijdrage per soort fout

Onderzoek

Overige

Onjuist berekende indirecte kosten

30,5 %

2,5 %

Andere niet-subsidiabele directe kosten

17,5 %

13,5 %

Niet-subsidiabele indirecte kosten

20 %

 

Niet-naleving van de regels inzake overheidsopdrachten

 

14 %

Niet-subsidiabele onderaanbestedingen

2 %

 

Totaal

70 %

30 %

177.  blijft ervan overtuigd dat de Commissie moet blijven streven naar een aanvaardbaar evenwicht tussen de aantrekkelijkheid van programma's voor deelnemers en de legitieme noodzaak van verantwoording en financiële controle; herinnert in dit verband aan de verklaring van de directeur-generaal uit 2012 dat een procedure met als doel een restfoutenpercentage van 2 % onder alle omstandigheden geen realistische optie is(91);

178.   neemt nota van het feit dat de directeur-generaal van het directoraat-generaal Onderzoek en innovatie, evenals in vorige jaren, een horizontaal voorbehoud heeft gemaakt met betrekking tot het restfoutenpercentage in de rechtstreeks door DG RTD uitgevoerde kostendeclaraties binnen KP7, en in de betalingen aan de Gemeenschappelijke Onderneming voor het initiatief innovatieve geneesmiddelen, waarbij sprake is van een geraamd restrisico van 3 %, met een geraamde impact van 111,39 miljoen EUR;

179.   wijst erop dat bepaalde uitgaven van KP7 niet gedekt waren door een reserve waar sprake was van aanwijzingen dat de risico's (en derhalve de restfoutpercentages) aanzienlijk lager lagen dan die voor de uitgaven tezamen; binnen DG RTD geldt dit voor de uitgaven aan de Gemeenschappelijke Onderneming "Fusion for Energy", de Gemeenschappelijke Onderneming "Clean Sky" en de Gemeenschappelijke Onderneming brandstofcellen en waterstof; buiten DG RTD geldt dit voorts voor uitgaven van het Uitvoerend Agentschap onderzoek uit hoofde van het Marie-Curie-programma en voor alle uitgaven van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad;

180.   concludeert dat het horizontale voorbehoud, hoewel het wettelijk gezien wellicht nodig is, toch een ongunstig licht werpt op het financiële beheer van de Commissie, met name gezien het feit dat het directoraat-generaal voor Onderzoek en innovatie volledige garantie kan bieden voor 97 % van deze uitgaven;

181.  neemt er nota van dat de Commissie op het gebied van onderzoek in 2014 en 2015 terugvorderingsopdrachten heeft afgegeven ten bedrage van 42 miljoen EUR; hiervan is 31 miljoen EUR binnen; de rest is nog niet ontvangen, hetzij wegens faillissement, hetzij in afwachting van gedwongen invordering;

182.   betreurt de recente berichten in de pers waarin het vermogen van het DG Onderzoek en Innovatie om de financiële belangen van de Unie doeltreffend te beschermen in twijfel wordt getrokken; dringt er bij de Commissie op aan om de in de media uitgebreid gedocumenteerde omstandigheden, die wijzen op een duidelijk geval van slecht beheer en schade aan de financiële belangen en de reputatie van de Unie, op te helderen; verzoekt de Europese Ombudsman om een onderzoek naar deze zaak in te stellen;

183.   betreurt dat de vereenvoudiging die is gerealiseerd door de afschaffing van de controles vooraf (zo vindt er geen voorafgaande certificering plaats van uitgaven die hoger zijn dan 375 000 EUR) leidt tot cumulatieve fouten die elk jaar een hoger foutenpercentage opleveren, en dat dit percentage in het geval van het programma Horizon 2020 vermoedelijk niet kan worden teruggedrongen, gegeven de verveelvoudiging van het aantal organen die belast zijn met het beheer van de uitgaven ten opzichte van KP7;

Betrouwbaarheid van de gegevens

184.  betreurt dat er een probleem bestaat met de secundaire gegevensanalyse die nodig is voor prestatiegerelateerde evaluaties; is van mening dat dit moet worden beschouwd als een uitdaging voor de nabije toekomst; herinnert aan de noodzaak tot verbetering van het informatiebeheer;

Prestatie- en resultaatgerichte aanpak

185.  wijst erop dat de reële effecten en resultaten van O&O&I vanuit het oogpunt van commercialisering en geleverde meerwaarde zonder meer aanzienlijk zijn;

186.   is ingenomen met de positieve inschatting van de resultaten door de groep van deskundigen op hoog niveau die de evaluatie achteraf van KP7 heeft uitgevoerd, namelijk dat het programma meer dan 1,3 miljoen baanjaren directe werkgelegenheid heeft opgeleverd (via de gedurende een periode van 10 jaar gefinancierde projecten) en 4 miljoen baanjaren indirecte werkgelegenheid over een periode van nog eens 25 jaar; dat elke via KP7 bestede euro circa 11 EUR aan directe en indirecte economische effecten oplevert, in de vorm van innovaties en nieuwe technologieën en producten, en dat de financiële bijdrage aan de kmo's het streefdoel van 15 % heeft overschreden en op 17 % is uitgekomen (5 miljard EUR);

187.  wijst erop dat de Rekenkamer ter verbetering van de prestatiegebaseerde benadering een verkennende test leverde van indicatoren van de Europa 2020-strategie, waarbij O&O-uitgaven een belangrijke rol spelen;

Financiële instrumenten

188.   merkt op dat zeer geavanceerde innovatieve financieringsinstrumenten met name voor Horizon 2020 een van de kerngebieden vormen voor praktische tenuitvoerlegging; verwelkomt in dit verband de introductie in 2014 van een nieuwe reeks producten in het kader van "InnovFin - EU finance for Innovators" als gezamenlijk initiatief van de Europese investeringsbankgroep (EIB en EIF) en de Commissie;

189.   verzoekt de Commissie in toekomstige kwijtingsprocedures informatie te presenteren over de uitvoering van InnovFin met betrekking tot het aandeel van de Uniebegroting dat aan dit financieringsinstrument bijdraagt;

190.   herinnert eraan dat bepaalde sectoren en beleidsterreinen minder geschikt zijn voor financiering door middel van financieringsinstrumenten, zoals spoorweginfrastructuur en theoretisch of fundamenteel onderzoek, waardoor deze dreigen te worden uitgesloten van Uniemaatregelen;

Best practice

191.  merkt op dat de auditactiviteiten op dit terrein werden aangescherpt en dat de coördinatie door de gemeenschappelijke auditdienst beter werd, en dat dit wordt aangeboden als een gedeelde dienst voor alle directoraten-generaal, uitvoerende agentschappen en gemeenschappelijke ondernemingen die te maken hebben met uitgaven op het gebied van onderzoek en innovatie;

192.  is van mening dat een specifiek soort uitbesteding, waarbij het beheer van programma's van grote omvang op dit terrein wordt toevertrouwd aan gespecialiseerde agentschappen, een potentiele best practice kan zijn; aangezien een dergelijke praktijk nog maar kortgeleden is ingevoerd, is het nog niet mogelijk harde resultaten aan te geven, maar als methode en model lijkt het zeer innovatief;

Te nemen maatregelen

193.  meent dat de Commissie:

(a)  een reeks maatregelen moet vaststellen om het relatief hoge foutenpercentage op dit terrein te verlagen, en het gegevens- en informatiebeheer te verbeteren, zodat ook zeer geavanceerde O&O&I-projecten geanalyseerd kunnen worden en de reële impact daarvan op het potentieel van "Horizon 2020" beoordeeld kan worden;

(b)  een verslag op te stellen ter evaluatie van de opgedane ervaringen met de nieuwe praktijk van gebruikmaking van gespecialiseerde agentschappen op dit terrein(92), zowel vanuit budgettair oogpunt als ter invoering van regelmatige verslaglegging over de naleving van de relevante indicatoren van de Europa 2020-strategie;

194.  verzoekt DG RTD om het informatiebeheer te verbeteren, in het bijzonder in overeenstemming met een prestatiecultuur die betrekking heeft op alle belanghebbenden, vooral de nieuwe, en om het informatiebeheer met betrekking tot begunstigden in de lidstaten te verbeteren; beveelt aan meer gebruik te maken van onafhankelijke controleurs, die zich niet alleen richten op fouten, maar ook op de prestatiecyclus, met inbegrip van een passende beoordeling van de risico's; daarnaast moeten de regelgevende voorschriften worden onderworpen aan een effectbeoordeling;

195.  verzoekt DG RTD in zijn jaarlijkse activiteitenverslagen zijn bijdrage aan de landenspecifieke aanbevelingen uitgebreid en gedetailleerd te publiceren, aangezien deze aanbevelingen moeten aantonen hoe de DG's de lidstaten helpen vooruitgang te boeken met de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie;

196.  wijst erop dat de Commissie een raadpleging van belanghebbenden heeft gestart over aanvullende vereenvoudigingen die in het kader van Horizon 2020 moeten worden ingevoerd; vraagt om informatie over de wijze waarop aanvullende vereenvoudigingen zullen worden uitgevoerd;

197.   benadrukt dat vereenvoudiging van en participatie in Horizon 2020 ook het uitgangspunt moet zijn van de geannoteerde subsidieovereenkomst; benadrukt voorts dat, in tegenstelling tot KP7, intern gefactureerde kosten in Horizon 2020 uitgesplitst naar verschillende kostencategorieën, waaronder personeelskosten, gerapporteerd dienen te worden; verzoekt de Commissie derhalve de annotaties te herzien en intern gefactureerde kosten in aanmerking te laten komen als overige directe kosten, zonder onderverdeling naar kostencategorie en zonder tijdsaanduiding voor de diensten;

Economische, sociale en territoriale samenhang

Algemeen

198.   is verheugd dat de structuur van het jaarverslag van de Rekenkamer voor het eerst de rubrieken volgt van het meerjarig financieel kader (MFK), dat op 1 januari 2014 in werking is getreden; het jaarverslag 2013 van de Rekenkamer bevatte twee afzonderlijke hoofdstukken: respectievelijk over "Regionaal beleid, energie en vervoer" en over "Werkgelegenheid en sociale zaken"; is echter van mening dat deze beleidswijziging de vergelijkbaarheid van de bevindingen van de Rekenkamer met voorgaande jaren beperkt;

199.  wijst erop dat de economische, sociale en territoriale cohesie zorgt voor een herverdeling van een aanzienlijk deel van de begroting van de Unie, in 2014 neerkomend op 54,4 miljard EUR; 80 % van dit bedrag werd toegewezen aan regionaal en stedelijk beleid, voornamelijk via het EFRO en het CF, en 20 % grotendeels via het ESF ten behoeve van werkgelegenheid en sociale zaken;

200.  wijst erop dat het EFRO en het CF in de betrokken periode vooral steun verleenden aan infrastructuurprojecten, het creëren of behouden van arbeidsplaatsen, initiatieven voor regionale economische ontwikkeling en kmo-activiteiten (EFRO), alsmede investeringen op het terrein van de milieu- en vervoersinfrastructuur (CF);

201.   wijst erop dat het ESF investeringen in menselijk kapitaal en maatregelen in de 28 lidstaten ondersteunt die erop gericht zijn het vermogen van werknemers en ondernemingen om zich aan te passen aan veranderingen in de arbeidspatronen te verbeteren, de toegang tot werkgelegenheid te vergroten, de sociale inclusie van kansarmen te versterken en de capaciteit en de doeltreffendheid van overheidsinstellingen en overheidsdiensten te vergroten. is van mening dat de resultaten van de investeringen van het ESF, ondanks het bestaan van prestatie-indicatoren, moeilijker te kwantificeren zijn;

202.  verwelkomt het feit dat van de 16 aanbevelingen die de Rekenkamer in de jaren 2011‑2012 heeft gedaan acht aanbevelingen volledig werden uitgevoerd, zeven aanbevelingen op de meeste punten worden uitgevoerd en één op een aantal punten wordt uitgevoerd;

Europa 2020

203.   neemt er nota van dat de vier belangrijkste KPI's op het gebied van regionaal en stedelijk beleid de volgende zijn: het aantal gecreëerde banen, het aantal ondernemingen dat samenwerkt met ondersteunde onderzoeksinstellingen, het aantal ondernemingen dat steun ontvangt, en de extra capaciteit van productie van energie uit hernieuwbare bronnen; hoewel de in de uitvoeringsverslagen van de lidstaten vermelde algemene resultaten met gemiddeld 29 % zijn verbeterd ten opzichte van het voorgaande jaar, zullen volgens de Commissie als gevolg van de economische crisis niet alle doelstellingen worden gehaald; verzoekt de Commissie daaruit de noodzakelijke conclusie te trekken voor de komende tussentijdse herziening van het MFK die eind 2016 zal worden gepresenteerd;

204.   verwelkomt de inspanningen van de Commissie om de bijdrage van het cohesiebeleid aan de economische governance van de Unie verder te vergroten door alle partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's voor de periode 2014-2020 te screenen, om ervoor te zorgen dat in de ontwikkelings- en concurrentiestrategieën van de lidstaten voldoende rekening werd gehouden met de desbetreffende landenspecifieke aanbevelingen die eind juni 2014 zijn goedgekeurd;

205.   neemt er nota van dat eind 2015 gemiddeld 89 % van de middelen voor de programmeringsperiode 2007-2013 werd gebruikt (rekening houdend met het absorptieniveau), maar dat Italië (79 %), Roemenië (70 %) en Kroatië (59 %) achterbleven;

206.  wijst erop dat twee van de belangrijkste prestatie-indicatoren op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken het werkloosheidspercentage en het aantal gecreëerde en/of behouden banen zijn; is verheugd over het feit dat uit de voorlopige bevindingen van de evaluatie achteraf van de programmeringsperiode 2007-2013 blijkt dat eind 2013 8,8 miljoen ESF-deelnemers dankzij ESF-steun tijdens die periode een baan hebben gevonden (of behouden); is ook ingenomen met het feit dat ruim 300 000 mensen die ESF-steun hebben gekregen, zich als zelfstandige hebben gevestigd en dat ruim 50 000 startende ondernemingen steun hebben gekregen;

207.   hecht bijzonder belang aan de jongerengarantie; constateert dan ook met voldoening dat in 2014 110 300 werkloze jongeren hebben deelgenomen aan acties gefinancierd door het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief; er is al 1,3 miljard EUR toegewezen aan projecten ter plaatse; is in dit verband erkentelijk voor de richtsnoeren in speciaal verslag nr. 3/2015 van de Rekenkamer en de constructieve reactie van de Commissie op de bevindingen; wijst er evenwel op dat er in sommige lidstaten nog steeds problemen zijn met de uitvoering van de jongerengarantie en het waarborgen van een afdoende hoeveelheid projecten voor het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief;

208.  neemt kennis van de bevindingen van het verslag van de Commissie over het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG), waaruit blijkt dat in de twee jaren samen (2014-2015) 7 636 werknemers (44,9 % van de begunstigden) aan het eind van de uitvoeringsperiode van het EFG een nieuwe baan hadden gevonden;

209.   deelt de mening van de Commissie dat de werkloosheid (met name de langdurige werkloosheid) en het percentage jongeren die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen (NEET's) aanwijzingen zijn van een mismatch op de arbeidsmarkt; wijst erop dat de vijf landen met het hoogste percentage langdurige werkloosheid (als aandeel van de arbeidsbevolking) in de EU Griekenland (19,5 %), Spanje (12,9 %), Kroatië (10,1 %), Slowakije (9,3 %) en Portugal (8,4 %) zijn, en dat het EU-gemiddelde 5,1 % bedraagt. wijst erop dat de landen met het hoogste percentage NEET's Cyprus (33,7 %), Bulgarije (30,9 %), Hongarije (30,3 %), Griekenland (30,0 %) en Roemenië (26,9 %) zijn, en dat het EU-gemiddelde 16,37 % bedraagt;

210.   verwelkomt de resultaten van de tenuitvoerlegging van de EFRO/CF-programma's voor 2007-2013, zoals deze blijken uit bepaalde sleutelindicatoren die jaarlijks door de lidstaten gerapporteerd worden, en uit de resultaten van voorlopige beoordelingen op basis van de laatst beschikbare gegevens, die laten zien dat er circa 950 000 banen zijn geschapen, 36 000 ondernemingen met onderzoeksinstellingen hebben samengewerkt, meer dan 270 000 ondernemingen steun hebben ontvangen, en dat de extra capaciteit aan hernieuwbare energieproductie meer dan 4 000 megawatt bedroeg;

211.  is verheugd dat de Rekenkamer in een proefproject voor het eerst ook heeft getracht om de prestaties van de programma's te evalueren, en dat uit de audit blijkt dat 89 van de 186 projecten (48 %) alle doelen die waren vastgesteld om de prestaties van het project te meten, hebben bereikt (of overtroffen); neemt er nota van dat de Rekenkamer bij 56 projecten (30 %) heeft geconstateerd dat het streefcijfer voor een of meer van de indicatoren die voor het project waren vastgesteld, niet is bereikt, en dat in 17 gevallen (9 %) de deadline voor het bereiken van de doelstellingen op het moment van de audit voor een aantal, maar niet alle doelstellingen is gehaald; moedigt de Rekenkamer aan om deze controle verder te verfijnen, met name voor programma's tijdens de nieuwe financieringsperiode 2014-2020;

Beheer

212.  benadrukt dat uitgaven in het kader van MFK-rubriek 1b onder gedeeld beheer vallen; in dit verband dragen de lidstaten de primaire verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het OP en voor het voorkomen, opsporen en corrigeren van onregelmatige uitgaven;

213.  benadrukt met klem dat de mate van gedeeld beheer met name voor cohesie om twee redenen groot en specifiek is: ten eerste worden de programma's in de lidstaten en hun regio's uitgevoerd volgens gemeenschappelijke EU-regels maar met inachtneming van hun specifieke behoeften; ten tweede is er in veel gevallen ook sprake van gedeelde financiering wanneer projecten door de lidstaten en de begunstigden worden gecofinancierd;

214.   vindt het onaanvaardbaar dat de nationale autoriteiten in 21 gevallen van door eindbegunstigden gemaakte kwantificeerbare fouten over voldoende informatie beschikten om deze te kunnen voorkomen of opsporen en corrigeren voordat de uitgaven bij de Commissie werden gedeclareerd, indien al deze informatie gebruikt was om de fouten te corrigeren, zou het geraamde foutenpercentage voor deze rubriek 1,6 procentpunten lager zijn uitgekomen; ook heeft de Rekenkamer vastgesteld dat in 13 gevallen de ontdekte fout door de nationale instanties was gemaakt; deze fouten droegen 1,7 procentpunt bij aan het geschatte foutenpercentage; deze situatie, die nu al enkele jaren onverminderd voortduurt, wijst op een gebrek aan zorgvuldigheid;

215.   benadrukt dat onder het ESF de meest gevonden problemen met subsidiabiliteit te maken hadden met: gedeclareerde uitgaven buiten het subsidiabele tijdvak (Tsjechië, Duitsland), te hoge salarissen (Duitsland, Finland, Polen, Portugal), niet aan het project gerelateerde kosten (Nederland, Polen, Portugal), overtreding van nationale subsidiabiliteitsregels (Polen) en niet afgetrokken ontvangsten (Oostenrijk); de meest voorkomende voorbeelden van niet-naleving van de regels voor plaatsing van overheidsopdrachten waren: onterechte onderhandse gunning van opdrachten (Duitsland, Italië), onterechte onderhandse gunning van opdrachten voor bijkomende werken/diensten, onrechtmatige uitsluiting van inschrijvers, belangvermenging en discriminerende selectiecriteria (Finland);

216.   merkt op dat de Rekenkamer 161 transacties op het gebied van regionaal beleid en stadsontwikkeling heeft onderzocht (101 met betrekking tot het EFRO, 55 met betrekking tot het CF, en 5 met betrekking tot financiële instrumenten) en 170 transacties van het ESF; wijst erop dat in 135 van de 331 transacties fouten voorkwamen; wijst erop dat de Rekenkamer het foutenpercentage schat op 5,7 % (het foutenpercentage wordt voor EFRO en CF geschat op 6,1 %, voor ESF op 3,7 %);

217.   vraagt de Commissie een doeltreffend instrument te creëren om bij te dragen aan het betrouwbaarder maken van de controle- en de auditwerkzaamheden van de nationale autoriteiten; herinnert eraan hoe belangrijk transparantere gegevens over openbare aanbestedingen zijn om de toegankelijkheid en de controles te verbeteren, door de gegevens over begunstigden van aanbestedingen en hun onderaannemers bekend te maken;

218.   neemt nota van het feit dat de uitkomsten van alle beschikbare audits per eind november 2015 erop wijzen dat 90 % van de managementcontroles van programma's onder het EFRO/Cohesiefonds goed functioneerden of slechts geringe verbeteringen behoefden; herinnert eraan dat de onderliggende oorzaak van de door de lidstaten gemaakte fouten ligt in de ingewikkeldheid van de beheersstructuren en in het verlies van deskundigheid door een hoog personeelsverloop of een te kleine hoeveelheid personeel vanwege budgettaire beperkingen;

219.   vraagt de Commissie de lidstaten sterkere stimulansen te geven om het gebruik van innovatieve financieringsinstrumenten in hun regionale beleid te bevorderen, en gebruik te maken van de opgedane ervaring in de periode 2007-2013, om te voorkomen dat middelen in financiële instrumenten geblokkeerd worden;

220.  vestigt de aandacht op de aanbevelingen in speciaal verslag nr. 10/2015 van de Rekenkamer, met als titel "Er moet meer worden gedaan om de problemen met openbare aanbesteding bij EU-cohesie-uitgaven aan te pakken", en is ingenomen met de positieve reactie van de Commissie op de bevindingen van de Rekenkamer;

221.   is verheugd dat de Commissie in oktober 2015 een document heeft gepubliceerd met als titel "Overheidsopdrachten – leidraad voor professionals ter vermijding van veelvoorkomende fouten bij door Europese structuur- en investeringsfondsen gefinancierde projecten"; betreurt evenwel dat de voornaamste bron van fouten voor de uitgaven van de rubriek "Economische, sociale en territoriale cohesie" de schending van de voorschriften van overheidsopdrachten blijft, die goed is voor bijna de helft van het geraamde foutenpercentage; herhaalt dat de ernstige schendingen van de voorschriften van overheidsopdrachten onder meer de volgende zijn: rechtstreekse gunningen die niet door contracten worden gerechtvaardigd, bijkomende werken of diensten, de onwettige uitsluiting van inschrijvers, belangenconflicten en discriminerende selectiecriteria; acht een beleid van volledige transparantie betreffende de gegevens van de aannemers en de onderaannemers cruciaal om fouten en misbruik tegen te gaan;

222.   is ingenomen met het feit dat de Commissie in november 2014 een taskforce "betere tenuitvoerlegging", voor Bulgarije, Kroatië, Tsjechië, Hongarije, Italië (zuid), Roemenië, Slowakije en Slovenië heeft opgericht om vrijmaking van middelen te voorkomen;

223.   herinnert eraan dat het rechtskader voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF's) voor 2014-2020 ook ex-antevoorwaarden voor het effectieve en efficiënte gebruik van EU-middelen omvat, die onder meer de aanbestedingssystemen van de lidstaten betreffen, en dat er in dat verband actieplannen zijn goedgekeurd voor 12 landen (Bulgarije, Tsjechië, Griekenland, Hongarije, Kroatië, Italië, Letland, Malta, Polen, Roemenië, Slovenië en Slowakije), die in 2016 zullen worden beoordeeld; herinnert eraan dat er pas financiering wordt verleend als aan de ex-antevoorwaarden is voldaan; vraagt om de nodige volledige transparantie over de financiering van infrastructuurprojecten, inclusief de publicatie van de ex-ante- en ex-postanalyses betreffende de duurzaamheid van de projecten op economisch, milieu- en sociaal gebied;

224.   vraagt de Commissie om alle documentatie betreffende het project van de hogesnelheidslijn Lyon-Turijn en de financiering ervan openbaar te maken;

225.  is verheugd over het feit dat DG REGIO sinds 2009 265 auditbezoeken heeft uitgevoerd; DG REGIO is tot de conclusie gekomen dat de werkzaamheden van 42 auditautoriteiten die verantwoordelijk waren voor het controleren van ongeveer 91 % van de EFRO/CF-toewijzingen voor de periode 2007-2013 over het algemeen betrouwbaar zijn; wat DG EMPL betreft, waren eind 2014 87 van de 92 auditautoriteiten beoordeeld (94,6 %); het betreft 113 van de 118 OP's, die 99,1 % van de financiële programmering van de programmeringsperiode 2007-2013 vertegenwoordigen;

226.  stelt vast dat onderbrekings- en pre-opschortingsprocedures betrekking hadden op 121 EFRO/CF-programma's en bijna 7,9 miljard EUR van de door de lidstaten ingediende betalingsaanvragen; merkt ook op dat de Commissie voor het ESF 11 schriftelijke waarschuwingen en 18 aankondigingen van opschortingen heeft verzonden, dat zij 31 onderbrekingen van betalingen heeft toegepast en 11 operationele programma's heeft opgeschort, en dat in totaal voor 1,3 miljard EUR aan betalingsaanvragen is onderbroken;

227.   neemt nota van het feit dat in 2014, als gevolg van het strenge toezicht- en onderbrekingsbeleid van DG REGIO en DG EMPL en het toenemende aantal actieplannen, voor EFRO/CF over alle programmeringsperiodes (vastgesteld in 2014 en eerdere jaren) een totaalbedrag van 840 miljoen EUR aan financiële correcties bevestigd werd, en 854 miljoen EUR uitgevoerd werd, en dat voor het ESF over de periode 2007‑2013 (vastgesteld in 2014 en eerdere jaren) een totaalbedrag van 209 miljoen EUR aan financiële correcties goedgekeurd of vastgesteld werd, en 155,9 miljoen EUR uitgevoerd werd

228.   merkt met tevredenheid op dat, dankzij de toezichthoudende rol van de Commissie, certificerende instanties in 2014 financiële correcties hebben uitgevoerd van 782 miljoen EUR vóór de declaratie van uitgaven aan de Commissie met betrekking tot het EFRO/CF, en dat dit de EU-begroting heeft behoed voor uitbetaling van onterechte uitgaven;

229.   is bezorgd over het feit dat de Europa 2020-strategie volgens de Rekenkamer niet op systematische wijze door middel van thematische doelstellingen is omgezet in operationele streefdoelen in het kader van partnerschapsovereenkomsten en programma's; merkt echter op dat deze strategie omgezet wordt in operationele doelen op het niveau van de ESIF-programma's, in de vorm van specifieke doelstellingen binnen elk van de 11 thematische doelen; meent dat de resultaten slechts zinvol kunnen worden beoordeeld als de thematische doelstellingen en de operationele programma's op elkaar afgestemd zijn en als prestatie-indicatoren en benchmarks het mogelijk maken de vooruitgang te meten;

230.  merkt op dat enerzijds de partnerschapsovereenkomsten en de algemene verordening gemeenschappelijke regels vormen die een geïntegreerde aanpak moeten aanmoedigen, maar dat anderzijds elk van de fondsen volgens specifieke regelgeving en procedures wordt beheerd;

231.  neemt er met belangstelling kennis van dat de Rekenkamer in de nabije toekomst een bijzondere audit van de partnerschapsovereenkomsten en het prestatiegerichte kader voor het cohesiebeleid zal presenteren;

232.  betreurt dat het aantal OP's waarbij een voorbehoud werd gemaakt, in 2014 is toegenomen van 73 tot 77 voor EFRO/CF-OP's en ongewijzigd is gebleven op 36 OP's voor het ESF; de geraamde financiële impact van deze punten van voorbehoud is afgenomen van 423 miljoen EUR in 2013 tot 224 miljoen EUR in 2014 voor het EFRO/CF, en is toegenomen van 123,2 miljoen EUR in 2013 tot 169,4 miljoen EUR in 2014 voor het ESF;

233.  is het eens met de hoofdlijnen van de gemeenschappelijke auditstrategie voor de periode 2014-2020, waarin prioriteit zal worden gegeven aan thematische audits op twee gebieden: de betrouwbaarheid van de systemen voor het rapporteren van prestatiegegevens (een nieuw element dat verband houdt met de resultaatgerichtheid van het beleid) en de financiële instrumenten;

234.   betreurt dat de lidstaten nog niet volop gebruikmaken van de vereenvoudigde kostenopties (SCO) in het kader van het ESF, verwelkomt het verslag "Vereenvoudigde kostenopties in het Europees Sociaal Fonds", waarin DG EMPL verwacht dat in het kader van de programmeringsperiode 2014-2020 gemiddeld 35 % van de uitgaven volgens de SCO zullen worden gedeclareerd, en waarbij sommige lidstaten (Italië, Nederland, Spanje en Zweden) beduidend hoger zullen uitkomen, en andere (Bulgarije, Hongarije, Letland en Slowakije) beduidend lager; spreekt zijn waardering uit voor de inspanningen van DG EMPL ter bevordering van het gebruik van de SCO door de lidstaten, en roept de lidstaten op het potentieel van de SCO volledig te benutten;

235.  waardeert het in dit verband dat de Commissie een groep op hoog niveau inzake vereenvoudiging ten behoeve van begunstigden van de ESIF's heeft opgericht; wenst een kopie te ontvangen van de verslagen die de groep vanaf februari 2016 zal uitbrengen;

236.  is verheugd dat de Commissie de lidstaten ertoe aanmoedigt de IT-tool Arachne voor datamining te gebruiken om frauduleuze activiteiten te voorkomen; herinnert de lidstaten eraan dat deze IT-tool gratis beschikbaar is;

237.  is verheugd dat de Commissie in 2014 is begonnen met een eerste reeks van vier studies om de integratie van elementen van het hervormde cohesiebeleid in de programmering voor de periode 2014-2020 te beoordelen; herinnert eraan dat de studies over de volgende vier onderwerpen gaan: ex-antevoorwaarden, het partnerschapsbeginsel, het prestatiekader en "nieuwe bepalingen" (dit betreft een reeks nieuwe programmeringselementen, zoals de beoordeling van de administratieve lasten voor de begunstigden en de geplande maatregelen om deze te reduceren, horizontale beginselen, territoriale benaderingen enz.); wenst een kopie van de studies te ontvangen wanneer die afgerond zijn;

Wettigheid en regelmatigheid; fouten

238.   is zeer verontrust dat de Rekenkamer 161 verrichtingen op het gebied van regionaal beleid en stadsontwikkeling en 170 verrichtingen op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken heeft onderzocht, waarvan er 135 fouten vertoonden (75 voor regionaal beleid en stadsontwikkeling en 60 voor werkgelegenheid en sociale zaken); stelt vast dat het geschatte foutenpercentage 6,1 % bedraagt voor regionaal beleid en stadsontwikkeling (op basis van 25 gekwantificeerde fouten) en 3,7 % voor werkgelegenheid en sociale zaken (op basis van 28 gekwantificeerde fouten), hetgeen resulteert in een meest waarschijnlijk foutenpercentage van 5,7 % voor het cohesiebeleid als geheel;

239.  vindt het teleurstellend dat de nationale autoriteiten in 21 gevallen van door eindbegunstigden gemaakte kwantificeerbare fouten over voldoende informatie beschikten om deze te kunnen voorkomen of opsporen en corrigeren voordat de uitgaven bij de Commissie werden gedeclareerd, en dat, indien al deze informatie was gebruikt om fouten te corrigeren, het geschatte meest waarschijnlijke foutenpercentage voor dit hoofdstuk 1,6 procentpunt lager zou zijn geweest; merkt voorts op dat de Rekenkamer heeft geconstateerd dat de ontdekte fout in 13 gevallen door de nationale autoriteiten was gemaakt; deze fouten droegen 1,7 procentpunt bij aan het geschatte foutenpercentage; meent dat uit deze situatie, die al enkele jaren ongewijzigd is gebleven, een gebrek aan zorgvuldigheid blijkt;

240.   betreurt dat net als voor de vorige begrotingsjaren het foutenniveau zwakke punten laat zien in de ex-antecontroles met betrekking tot het ESF, onder meer in enkele van de verzoeken tot eindbetaling die het voorwerp waren van een audit en externe uitgavecontroles; onderstreept dat de fouten waarbij in aanbestedingen die voorschriften niet werden nageleefd en bewijsstukken van de uitgaven ontbraken bijna twee derde van de geraamde fouten betroffen;

241.  benadrukt dat indien de controles door de lidstaten op beide beleidsterreinen volledig betrouwbaar waren, het geschatte foutenpercentage 3,3 procentpunt lager had kunnen uitvallen voor regionaal beleid en stadsontwikkeling en 3,2 procentpunt lager voor werkgelegenheid en sociale zaken;

242.   dringt er bij de Europese Commissie op aan vóór 1 juli toe te lichten welke plannen zij heeft om deze situatie recht te zetten, teneinde te komen tot een substantiële verbetering van het financieel beheer op het niveau van de lidstaten; is er vast van overtuigd dat het verlenen van kwijting moet afhangen van de noodzakelijke vooruitgang op dit gebied;

243.  betreurt dat de bronnen van fouten dezelfde zijn gebleven:

(a)  op het beleidsterrein regionaal beleid en stadsontwikkeling (Regionaal): niet-naleving van de regels inzake overheidsopdrachten, declaratie van niet-subsidiabele kosten en inbreuken op de staatssteunregels;

(b)   op het beleidsterrein werkgelegenheid en sociale zaken (Werkgelegenheid): declaratie van niet-subsidiabele kosten, niet-subsidiabele projecten of begunstigden, en gevallen van niet-naleving van de regels inzake overheidsopdrachten; de meest gevonden problemen met subsidiabiliteit hadden te maken met: gedeclareerde uitgaven buiten het subsidiabele tijdvak (Tsjechië, Duitsland), te hoge salarissen (Duitsland, Finland, Polen, Portugal), niet aan het project gerelateerde kosten (Nederland, Polen, Portugal), overtreding van nationale subsidiabiliteitsregels (Polen) en niet afgetrokken ontvangsten (Oostenrijk); de meest voorkomende voorbeelden van niet-naleving van de regels voor plaatsing van overheidsopdrachten waren: onterechte onderhandse gunning van opdrachten (Duitsland, Italië), onterechte onderhandse gunning van opdrachten voor bijkomende werken/diensten, onrechtmatige uitsluiting van inschrijvers, belangvermenging en discriminerende selectiecriteria (Finland);

Bijdrage per soort fout

Regionaal

Werkgelegenheid

Niet-naleving van de regels inzake overheidsopdrachten

44,9 %

2,9 %

Niet-subsidiabele kosten

21,5 %

5,6 %

Staatssteun

21,2 %

 

Niet-subsidiabele projecten of begunstigden

 

3,9 %

Totaal

87,6 %

12,4 %

244.   betreurt dat jaren achtereen fouten van hetzelfde type blijven opduiken, vaak in dezelfde lidstaten; wijst erop dat de opschorting en onderbreking van betalingen door de Commissie ervoor zorgt dat corrigerende maatregelen worden genomen waar tekortkomingen zijn vastgesteld; verzoekt de Commissie in het licht van deze bevindingen de bewaking van nationale en regionale beheers- en controlesystemen krachtiger aan te pakken, en de bewaking te versoepelen in de landen waar de beheers‑ en controlesystemen hun betrouwbaarheid reeds hebben aangetoond;

245.   is bezorgd over de overtredingen van regels voor de plaatsing van overheidsopdrachten tijdens de aanbestedingsprocedure voor IT-bewakingssystemen in de financieringsperiodes 2007-2013 en 2014-2020, die tevens aanleiding gaven tot vermoedens van fraude; stelt vast dat deze fouten door de Tsjechische controle-instanties opgespoord zijn, steunt ten volle het standpunt van de Commissie dat uitbetalingen niet moeten plaatsvinden totdat de passende corrigerende maatregelen zijn genomen en het politieonderzoek afgerond is;

246.   neemt met bezorgdheid kennis van de problemen bij de aanbestedingen voor controlesystemen voor de structuurfondsuitgaven in 2007-2013 en in 2014-2020, en vraagt om opheldering over de vraag waarom deze problemen in elke financieringsperiode optreden, alsook over de actuele stand van de fraudeonderzoeken en de terugvordering van onrechtmatig verkregen middelen;

247.   wijst erop dat de cijfers in het jaarlijkse activiteitenverslag over 2014 van het DG Regionaal en stedelijk beleid aantonen dat het foutenrisico, berekend als een gewogen gemiddelde van de schattingen voor de afzonderlijke door het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en het Cohesiefonds ondersteunde operationele programma's, in negen lidstaten lager dan 1 % is (2013: in 6 lidstaten) en dat dit percentage slechts in twee lidstaten 4 % of meer bedraagt (in 2013 nog in vijf lidstaten);

248.   wijst erop dat de cijfers in het jaarlijkse activiteitenverslag over 2014 van het DG Werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie aantonen dat het foutenrisico, berekend als een gewogen gemiddelde van de schattingen voor de afzonderlijke door het ESF ondersteunde operationele programma's, in negen lidstaten lager dan 1 % is, evenals in 2013, en dat dit percentage in zes lidstaten 4 % of meer bedraagt (met een maximum van 7,9 %), terwijl dit percentage in 2013 in vijf lidstaten hoger dan 4 % was (de hoogste waarden waren 8,8 % en 9,3 %);

249.  benadrukt dat de Rekenkamer de afgelopen drie jaar geen kwantificeerbare fouten heeft vastgesteld bij het gebruik van de SCO; dit toont aan dat projecten waarbij SCO's worden gebruikt, minder foutgevoelig zijn dan projecten waarbij de werkelijke kosten worden gebruikt;

250.   meent dat het nuttig zou zijn indien de Commissie een gerichte analyse van de nationale subsidiabiliteitsregels zou opstellen (voor zowel de periode 2007-2013 als de periode 2014-2020) en op basis daarvan richtsnoeren voor de lidstaten zou formuleren inzake vereenvoudiging en schrapping van onnodig complexe en ingewikkelde regels ("gold‑plating");

251.  merkt op dat de naleving van de staatssteunregels van groot belang lijkt om het aantal fouten op het gebied van cohesie te beperken;

252.  wijst erop dat het van belang is aandacht te besteden aan het feit dat de nationale autoriteiten in de lidstaten te weinig fouten en te veel financiële correcties rapporteren;

253.   uit zijn bezorgdheid over de controles in verband met de vluchtelingenfondsen die vaak in noodsituaties door de lidstaten worden toegekend zonder de bestaande voorschriften na te leven; acht het van cruciaal belang dat de Commissie een strenger controlesysteem invoert, niet in het minst met het oog op de eerbiediging van de mensenrechten van vluchtelingen en asielzoekers;

Betrouwbaarheid van de gegevens

254.  stelt met tevredenheid vast dat de nauwkeurigheid van de gegevens die de lidstaten in hun jaarlijkse controleverslagen over het EFRO/CF en het ESF rapporteren, is verbeterd; betreurt echter dat in sommige gevallen de correctie van de Commissie meer dan 1,5 % bedroeg en de controleverslagen onbetrouwbaar werden geacht;

Prestatie- en resultaatgerichte aanpak

255.   is verheugd over het feit dat de Rekenkamer met betrekking tot de reële beleidsresultaten en de geleverde prestaties voor het eerst heeft gekozen voor een prestatiegerichte aanpak van de complementariteit van de EU-begroting met de Europa 2020-strategie; acht de resultaten die met de uitvoering van deze strategie via de structuurfondsen geboekt zijn, zeer belangrijk voor de economische kernindicator "bbp per hoofd" op Europees niveau, maar ook voor andere indicatoren;

256.  vindt het belangrijk te evalueren of en in welke mate de projecten in het kader van het EFRO, het CF en het ESF (eind 2014) zijn afgerond en of de doelstellingen ervan zijn bereikt;

257.  betreurt dat financieringsregelingen op basis van prestaties eerder uitzondering dan de regel zijn; merkt op dat het niet bereiken van de in de subsidieovereenkomsten afgesproken projectdoelstellingen in de meeste gevallen geen gevolgen had voor het bedrag aan EU-financiering dat de projecten kregen;

258.   herinnert eraan dat 51 voorrangsprojecten in Griekenland versneld moesten worden uitgevoerd, terwijl nog eens 14 projecten, onder meer met betrekking tot het kadaster en het nationaal register, aangemerkt zijn als knelpuntprojecten en het gevaar lopen dat de middelen weer vrijgemaakt worden; verwacht dat de Commissie in haar follow-upverslag voor de kwijting over 2014 het Parlement op de hoogte brengt van de stand van zaken;

259.   herinnert eraan dat verslag nr. OPTP/2014/SM/01 van de Tsjechische controle-instantie, over de aanbestedingsprocedure voor het toezichtstelsel voor 2014-2020, dat in april 2015 bij de Commissie is ingediend, melding maakt van een bedrag van meer dan 9 miljoen EUR aan onterechte uitgaven; is verheugd over het feit dat de Commissie een waarschuwing over mogelijke onderbreking van betalingen heeft verzonden, en de Tsjechische autoriteiten heeft verzocht passende financiële correcties toe te passen; wenst te weten hoe deze situatie door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) beoordeeld is;

Financieringsinstrumenten

260.  neemt er nota van dat volgens de beheersautoriteiten van de lidstaten eind 2014 in totaal 1 025 FI's (waaronder 73 holdingfondsen en 952 specifieke fondsen) actief waren: 90 % daarvan waren FI's voor ondernemingen, 6 % stadsontwikkelingsprojecten en 4 % fondsen voor energie-efficiëntie/hernieuwbare energie; neemt er kennis van dat deze FI's in 25 lidstaten zijn opgezet en financiële steun ontvingen uit 183 operationele programma's, dat de totale waarde van de bijdragen voor OP's die aan de FI's zijn betaald, 16 miljard EUR bedroeg, waaronder 10,9 miljard EUR van het EFRO en het ESF, en dat de betalingen aan de eindontvangers eind 2014 op 9,19 miljard EUR kwamen, waarvan 5,8 miljard EUR aan structuurfondsen, zodat een absorptiepercentage van bijna 57 % van de OP-bedragen werd bereikt;

261.   merkt op dat volgens het recente, zeer uitvoerige onderzoek, waarin de praktijk van FI's in het cohesiebeleid in de periode 2007-2013 correct wordt geëvalueerd, FI's vele voordelen hebben, maar ook nog steeds een aantal zwakke punten die moeten worden weggenomen; uit de analyse blijkt echter dat de benutting van FI's enorm verschilt tussen de lidstaten; verzoekt de Commissie na te gaan wat de voornaamste redenen voor deze opvallende verschillen tussen de lidstaten zijn en hoe ze doeltreffend kunnen worden gestimuleerd om actiever gebruik te maken van de FI's op die gebieden waar deze succesvol zijn gebleken;

262.   merkt op dat er een duidelijk verschil is tussen de hoeveelheid financiële hulpbronnen die in de FI's wordt gedaan en het bedrag dat onder de eindontvangers wordt verdeeld; is van mening dat dit zou kunnen betekenen dat een aantal grote bedragen slechts in FI's "geparkeerd" zijn om het risico van vrijmaking te voorkomen; verzoekt de Commissie een einde te helpen maken aan dit negatieve aspect van het gebruik van FI's en beschouwt de nieuwe bepaling voor 2014-2020 betreffende uitbetaling aan FI's in tranches als een goede stap in die richting;

263.  merkt op dat het opvallend toegenomen gebruik van FI's noodzakelijkerwijs zal leiden tot een geheel nieuwe aanpak van de besteding van overheidsgeld door overheidsdiensten en audit- en controleorganen, die in zekere mate een "nieuwe cultuur" in de omgeving voor innovatieve financiële instrumenten vereist; verzoekt de Commissie te onderzoeken of dit milieu voldoende voorbereid is;

264.   merkt op dat FI's, mits verstandig toegepast, aanzienlijk kunnen bijdragen tot efficiëntie, effectiviteit en zuinigheid bij het gebruik van de ESIF, aangezien ze er van nature op gericht zijn een resultaat te behalen of prestaties te leveren; verzoekt de Commissie in het EU-beleid inzake begrotingsuitgaven ook rekening te houden met dit soort voordelen;

265.  neemt kennis van de informatie dat in 2014 in totaal 53 financiële instrumenten, voornamelijk beperkt tot de ondersteuning van kmo's, zijn uitgevoerd in 7 lidstaten, met financiering door het ESF, en dat in totaal 16 716 kmo's (waaronder 11 286 micro-ondernemingen) zijn gesteund met een totale ESF-begroting van 472 miljoen EUR;

266.  herinnert eraan dat de uitvoering van de FI's in de programmeringsperiode 2007-2013 maar langzaam op gang kwam door:

(a)  de complexiteit van de regels;

(b)  in sommige gevallen, een te ruime toewijzing van middelen in verhouding tot de reële behoeften;

(c)  uitvoering in tijden van financiële crisis;

267.  is ingenomen met het feit dat het regelgevingskader voor de programmeringsperiode 2014-2020 bepaalt dat het gebruik van FI's aan een verplichte voorafgaande beoordeling wordt onderworpen om de investeringsbehoeften in kaart te brengen en een te ruime toewijzing van EU-middelen te voorkomen;

268.  is ook verheugd over de oprichting, in samenwerking met de Europese Investeringsbank, van een gemeenschappelijk technisch adviesplatform voor financiële instrumenten (Fi-Compass), dat de uitvoering van FI's in de periode 2014-2020 zal ondersteunen;

Best practice

269.   is ingenomen met de trend van vereenvoudiging, terugdringing van "gold-plating" en verbetering van gedeeld beheer, die samengaat met de nieuwe elementen van het cohesiebeleid voor de programmeringsperiode 2014-2020, hetgeen een methodologische best practice lijkt te zijn en tot uiting komt in tal van concrete maatregelen, zoals het zoeken naar complementariteit met het investeringsplan voor Europa door een praktische co-existentie van de ESIF en het EFSI (Europees Fonds voor strategische investeringen), door het bereik van de FI's te verdubbelen, door in gerichte initiatieven te voorzien, bijvoorbeeld voor kmo's, door thematische taskforces voor een betere uitvoering op te richten, door een thematische focus op slimme groei en de uitvoering van onderzoeks- en innovatiestrategieën met inachtneming van de strategieën voor slimme specialisatie, of door de bijdrage van het cohesiebeleid aan het betreffende EU-beleid op het gebied van de digitale economie, energie, sociale zaken en dergelijke;

270.   is verheugd dat de Commissie een Groep op hoog niveau voor vereenvoudiging heeft opgezet, die de begunstigden kan helpen bij het onderkennen en aanpakken van belemmeringen voor vereenvoudiging; roept de Commissie op te kijken naar succesvolle vereenvoudigingsprocedures die door de Rekenkamer zijn goedgekeurd, dat wil zeggen Horizon 2020 en de vereenvoudiging van indirecte kosten met vaste terugstortingsbedragen, en deze werkwijze ook op andere beleidsterreinen toe te passen;

271.  verzoekt de Commissie een analyse en evaluatie uit te voeren van de mogelijkheid om het systeem van betaling voor rechten, dat veel minder fouten genereert dan het systeem van terugbetaling van kosten, dat de bron van de meeste fouten vormt, uit te breiden naar andere programma's;

272.  verzoekt de Commissie na te gaan hoe de lidstaten de regels inzake audits en controles verbeteren teneinde een gemeenschappelijke basis te leggen voor de uitwisseling van best practices, met name inzake overheidsopdrachten en bestrijding van fraude en corruptie;

Te nemen maatregelen

273.  meent dat de Commissie:

(a)   had moeten nagaan hoe de steun van het EFRO, het ESF en het CF in de periode 2007-2013 heeft bijgedragen aan het behalen van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie;

(b)  ervoor moet zorgen dat de nieuwe prioriteiten van de Unie veel sterker worden gekoppeld aan het cohesiebeleid;

(c)   het proces van vereenvoudiging waarmee zij reeds is begonnen, inclusief de bevordering van SCO, moet voortzetten;

(d)  verdere steun moet verlenen aan synergieën binnen het cohesiebeleid zelf, alsook tussen het cohesiebeleid en andere steun uit de EU-begroting;

274.  onderschrijft de punten van voorbehoud van de Commissie op het gebied van economische, sociale en territoriale cohesie en wenst van de ontwikkeling van de betreffende programma's op de hoogte te worden gebracht in het verslag van de Commissie als follow-up van het kwijtingsbesluit van het Parlement;

275.   dringt er bij de Commissie op aan de zwakke punten in de "eerstelijnscontroles" in de lidstaten streng te blijven aanpakken, omdat sommige van de belangrijkste fouten juist op dit niveau optreden;

276.  verzoekt de Commissie in haar verslag als follow-up van het kwijtingsbesluit van het Parlement 2014 verslag uit te brengen over het gebruik dat de lidstaten van de SCO maken;

277.  is het met de Rekenkamer eens dat de Commissie haar oordeel over de betrouwbaarheid van de door de certificerende instanties gemelde financiële correcties en de impact ervan op de berekening van het "restfoutenpercentage" door de Commissie moet uitbreiden tot alle lidstaten; verzoekt de Commissie in haar verslag als follow-up van het kwijtingsbesluit van het Parlement verslag uit te brengen over de resultaten;

278.  is het met de Rekenkamer eens dat de Commissie het controlestelsel voor auditautoriteiten verder moet versterken en in haar follow-up van het kwijtingsbesluit van het Parlement verslag moet uitbrengen over de resultaten;

279.   verzoekt DG REGIO en DG EMPL in hun respectievelijke jaarlijkse activiteitenverslagen hun bijdragen aan de voorbereiding van de landenspecifieke aanbevelingen van de Commissie te publiceren, en daarbij ook uiteen te zetten hoe zij de lidstaten helpen deze uit te voeren, aangezien deze aanbevelingen moeten aantonen hoe de DG's de lidstaten helpen vooruitgang te boeken met de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie;

Natuurlijke hulpbronnen

Algemeen

280.  merkt op dat de uitgaven met betrekking tot natuurlijke hulpbronnen voornamelijk verschillende soorten activiteiten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) betreffen die tot doel hebben de productiviteit in de landbouwsector te verhogen, de levensstandaard van de landbouwgemeenschap te ondersteunen, de markten te stabiliseren en de voorziening tegen redelijke prijzen veilig te stellen; weet dat twee fondsen deze functie vervullen: het ELGF (Europees Landbouwgarantiefonds) herverdeelt rechtstreekse steunbetalingen van de EU en neemt marktmaatregelen, en het ELFPO (Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling) cofinanciert programma's voor plattelandsontwikkeling op projectbasis;

281.  merkt op dat de andere gebieden activiteiten omvatten in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (EVF, het Europees Visserijfonds) en activiteiten ten behoeve van het milieu (bescherming en verbetering, rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen), voornamelijk in het kader van LIFE (financieringsinstrument voor het milieu);

282.  betreurt te moeten vaststellen dat van de 21 aanbevelingen die de Rekenkamer in 2011‑2012 heeft gedaan, 5 aanbevelingen volledig zijn uitgevoerd, 4 aanbevelingen op de meeste punten worden uitgevoerd en 12 aanbevelingen op een aantal punten worden uitgevoerd;

Beheer

283.  merkt op dat de GLB-uitgaven onder gedeeld beheer vallen (cofinanciering samen met de lidstaten, ook rechtstreekse betalingen via de betaalorganen en verantwoordelijkheid voor subsidiabiliteit en betalingen aan begunstigden), dat ook het EVF gedeeld wordt beheerd en dat LIFE centraal door de Commissie wordt beheerd;

284.  benadrukt dat het probleem van efficiënte toewijzing ook betrekking heeft op beperkte betrouwbaarheid en dat de LPIS-database niet altijd up-to-date is; stelt met tevredenheid vast dat de tekortkomingen in LPIS in alle gecontroleerde lidstaten zijn aangepakt, maar betreurt dat sommige belangrijke tekortkomingen in sommige lidstaten nog steeds bestaan; verzoekt de Commissie gebruik te maken van de versterkte instrumenten waarover zij in het kader van de nieuwe GLB-wetgeving(93) beschikt als er sprake is van duidelijke en hardnekkige tekortkomingen in de nationale systemen;

285.  wijst erop dat een van de vastgestelde tekortkomingen ook betrekking heeft op gebrekkige nationale actieplannen voor plattelandsontwikkeling;

286.   beveelt aan dat de Commissie de lidstaten aanstuurt om deze problemen aan te pakken en bijdraagt tot bevredigende besluiten van hun kant;

287.  is verheugd dat de Rekenkamer een follow-upcontrole heeft verricht om na te gaan of de tekortkomingen met betrekking tot het LPIS die tussen 2007 en 2013 in de lidstaten zijn vastgesteld, zijn verholpen;

288.  stelt met tevredenheid vast dat de gebreken in het LPIS in alle gecontroleerde lidstaten waren aangepakt. betreurt dat sommige belangrijke tekortkomingen nog altijd voorkomen in Griekenland, Spanje en Italië; verzoekt de Commissie gebruik te maken van de versterkte instrumenten waarover zij in het kader van de nieuwe GLB-wetgeving beschikt als er sprake is van duidelijke en hardnekkige tekortkomingen in de nationale systemen;

289.   stelt met bezorgdheid vast dat het kan gebeuren dat een verklarende instantie het gemelde foutenpercentage voor het begrotingsjaar in het kader van een "procedure voor versterkte zekerheid"(94) onderschat; benadrukt dat de Rekenkamer voor de zes lidstaten die op vrijwillige basis voor toepassing van de procedure hadden gekozen, heeft vastgesteld dat de gerapporteerde foutenniveaus over het algemeen onbetrouwbaar zijn ten gevolge van de gebreken in de uitvoering ervan, en dat de Commissie het gerapporteerde foutenpercentage naar boven toe moet bijstellen;

290.   betreurt ten zeerste dat de Griekse verklarende instantie het gemelde foutenpercentage voor het begrotingsjaar 2014 in het kader van een "procedure voor versterkte zekerheid" sterk heeft onderschat, en benadrukt dat voor de zes lidstaten die op vrijwillige basis voor toepassing van de procedure hadden gekozen (Griekenland, Bulgarije, Roemenië, Italië, Luxemburg, Verenigd Koninkrijk) de Rekenkamer vastgesteld heeft dat, met uitzondering van Luxemburg, de gerapporteerde foutenniveaus onbetrouwbaar zijn ten gevolge van de gebreken in de uitvoering ervan;

291.   betreurt dat de Rekenkamer tekortkomingen in de controlesystemen heeft vastgesteld met betrekking tot verrichtingen op het gebied van plattelandsontwikkeling van de vijf betaalorganen die zij in 2014 heeft bezocht, te weten Ierland, Italië (Campanië), Portugal, Roemenië en Zweden, met name wat betreft de controles van de subsidiabiliteitsvoorwaarden op milieugebied, de maximale omvang van bedrijven en de openbare-aanbestedingsprocedures;

292.   betreurt dat binnen de plattelandsontwikkeling het merendeel van de foutensoorten en systeemgebreken die zijn vastgesteld, niet zijn verholpen door de actieplannen die de Rekenkamer heeft geëvalueerd;

293.  is verheugd dat de Commissie volgens de bevindingen van de Rekenkamer de financiële goedkeuringsprocedure 2014 op bevredigende wijze heeft beheerd;

294.   stelt met bezorgdheid vast dat conformiteitsprocedures in 2014 nog altijd te veel tijd in beslag namen; wijst erop dat de vermindering van 15 % in het aantal achterstallige zaken vergeleken met 2013 nog onvoldoende is, en dat daardoor eind 2014 nog 180 dossiers openstonden;

295.  benadrukt dat uit de audit van het beheer van de maatregelen voor kennisoverdracht en adviesverlening door de Rekenkamer is gebleken dat een groot aantal gelijksoortige diensten zijn gefinancierd uit verschillende EU-fondsen (bv. uit het ESF en het ELFPO), en dat dit het risico van dubbele financiering inhoudt en de duplicatie van dure beheersstructuren vereist;

296.   betreurt ten diepste de vaststelling van de Rekenkamer dat de EU-steun voor de plattelandsinfrastructuur slechts een beperkte prijs-prestatieverhouding heeft opgeleverd; betreurt dat de noodzaak van Europese financiering voor plattelandsontwikkeling niet altijd goed onderbouwd is, dat de coördinatie met andere fondsen tekort schoot, en dat de selectieprocedure er niet altijd in slaagde de financiering aan de meest kostenefficiënte projecten te doen toekomen; verzoekt de Commissie en de lidstaten relevante, betrouwbare gegevens te verzamelen over de effectiviteit en efficiëntie van de gefinancierde maatregelen, teneinde de uitgaven te kunnen beheren op basis van de behaalde resultaten;

Wettigheid en regelmatigheid; fouten

297.   is zeer verontrust dat de Rekenkamer bij het controleren van 183 ELGF-verrichtingen met betrekking tot marktondersteuning en rechtstreekse steun en 176 verrichtingen voor plattelandsontwikkeling, milieu, klimaatactie en visserij heeft onderzocht, bij 177 daarvan fouten vaststelde (93 voor landbouw met betrekking tot marktondersteuning en rechtstreekse steun en 84 voor plattelandsontwikkeling, milieu, klimaatactie en visserij); stelt vast dat het geschatte foutenpercentage 2,9 % bedraagt voor marktondersteuning en rechtstreekse steun uit het ELGF (op basis van 88 gekwantificeerde fouten) en 6,2 % voor plattelandsontwikkeling, milieu, klimaatactie en visserij (op basis van 41 gekwantificeerde fouten), hetgeen resulteert in een meest waarschijnlijk foutenpercentage van 3,6 % voor "natuurlijke hulpbronnen" als geheel; stelt met tevredenheid vast dat de situatie is verbeterd, aangezien het meest waarschijnlijke foutenpercentage voor "natuurlijke hulpbronnen" als geheel zonder de randvoorwaarden 3 % zou bedragen;

298.   vindt het onaanvaardbaar dat de nationale autoriteiten in 26 gevallen van door eindbegunstigden gemaakte kwantificeerbare fouten met betrekking tot marktondersteuning en rechtstreekse steun van het ELGF over voldoende informatie beschikten om deze te kunnen voorkomen of opsporen en corrigeren voordat de uitgaven bij de Commissie werden gedeclareerd; merkt op dat indien al deze informatie was gebruikt om fouten te corrigeren, het geschatte meest waarschijnlijke foutenpercentage voor dit subhoofdstuk 0,6 procentpunt lager zou zijn geweest; merkt voorts op dat de Rekenkamer heeft geconstateerd dat de vastgestelde fout in 34 gevallen door de nationale autoriteiten was gemaakt, dat deze fouten 0,7 procentpunt bijdroegen aan het geschatte foutenpercentage, dat de nationale autoriteiten in 15 gevallen van door eindbegunstigden gemaakte kwantificeerbare fouten met betrekking tot plattelandsontwikkeling, milieu, klimaatactie en visserij over voldoende informatie beschikten om deze te kunnen voorkomen of opsporen en corrigeren voordat de uitgaven bij de Commissie werden gedeclareerd, en dat indien al deze informatie was gebruikt om fouten te corrigeren, het geschatte meest waarschijnlijke foutenpercentage voor dit subhoofdstuk 3,3 procentpunt lager zou zijn geweest; merkt voorts op dat de Rekenkamer heeft geconstateerd dat de vastgestelde fout in 3 gevallen door de nationale autoriteiten was gemaakt, en dat deze fouten 0,6 procentpunt bijdroegen aan het geschatte foutenpercentage; meent dat uit deze situatie, die al enkele jaren ongewijzigd is gebleven, een gebrek aan zorgvuldigheid blijkt;

299.  betreurt dat de bronnen van fouten dezelfde zijn gebleven:

(a)  met betrekking tot marktondersteuning en rechtstreekse steun uit het ELGF (voor landbouw): onjuiste of niet-subsidiabele declaraties door begunstigden (zoals te hoge areaalopgave en niet-subsidiabele percelen), niet-subsidiabele begunstigden, activiteiten, projecten of uitgaven, inbreuken op de randvoorwaarden en administratieve fouten;

(b)  met betrekking tot plattelandsontwikkeling, milieu, klimaatactie en visserij (uitgaven voor plattelandsontwikkeling): onjuiste of niet-subsidiabele declaraties door begunstigden (zoals te hoge areaalopgave en niet-subsidiabele percelen), niet-subsidiabele begunstigden, activiteiten, projecten of uitgaven, inbreuken op de randvoorwaarden, niet-naleving van agromilieuverbintenissen en niet-naleving van de regels inzake overheidsopdrachten;

Bijdrage per soort fout

Landbouw

Platteland

Te hoog opgegeven aantal subsidiabele hectaren

28 %

6 %

Niet-subsidiabele begunstigde, activiteit, project of uitgaven

6 %

16 %

Inbreuken op de randvoorwaarden

15 %

1 %

Administratieve fouten

15 %

 

Niet-naleving van agromilieuverbintenissen

 

10 %

Niet-naleving van de regels inzake overheidsopdrachten

 

3 %

Totaal

63 %

37 %

300.  is bijzonder bezorgd over de gevallen van vermoedelijke opzettelijke omzeiling van de subsidiabiliteitscriteria; merkt op dat deze gevallen bij OLAF zijn gemeld en verzoekt OLAF over het resultaat van zijn onderzoek verslag uit te brengen in het follow-upverslag van de Commissie;

Betrouwbaarheid van de gegevens

301.   benadrukt dat het van cruciaal belang is de beschikking te hebben over een betrouwbaar en up-to-date LPIS, dat het aantal fouten moet verminderen;

302.  wijst erop dat, aangezien de door de lidstaten gemelde foutenpercentages per betaalorgaan niet altijd betrouwbaar zijn, DG AGRI dat foutenniveau aanpast, voornamelijk op basis van audits die de Commissie en de Rekenkamer de laatste drie jaar hebben verricht;

303.   benadrukt dat de certificerende instanties in 2014 voor alle door de lidstaten gerapporteerde ELGF-GBCS-controlestatistieken een positieve beoordeling gaven, maar dat de Commissie desondanks de meegedeelde foutenpercentages van 17 van de 68 betaalorganen naar boven moest bijstellen met een restfoutenpercentage boven de 2 %, en voor 5 daarvan boven de 5 %(95), met name in Spanje (Andalucía, Cantabria, Extremadura en La Rioja) en Hongarije; wijst erop dat het totale foutenpercentage voor rechtstreekse GLB-betalingen als gevolg van correcties door DG AGRI is gestegen van 0,55 % naar 2,54 %;

304.   benadrukt dat de certificerende instanties in 2014 voor 88 % van de door de lidstaten gerapporteerde ELFPO-controlestatistieken een positieve beoordeling gaven, maar dat de Commissie desondanks de meegedeelde foutenpercentages van 43 van de 72 betaalorganen naar boven moest bijstellen met een restfoutenpercentage boven de 2 % (en voor 14 daarvan boven de 5 %), in Bulgarije, Denemarken, Spanje (Andalusië en Valencia), Frankrijk (ODARC en ASP), het Verenigd Koninkrijk (Engeland), Griekenland, Ierland, Litouwen, Letland, Nederland, Portugal en Roemenië; wijst erop dat het totale foutenpercentage voor rechtstreekse betalingen voor plattelandsontwikkeling als gevolg van correcties door DG AGRI is gestegen van 1,52 % naar 5,09 %;

305.   benadrukt dat het risico bestaat dat de Commissie het aangepaste foutenpercentage per betaalorgaan onderschat, aangezien de correcties alleen toegepast worden wanneer er audits van de Commissie of de Rekenkamer beschikbaar zijn;

306.   wijst er echter op dat de Rekenkamer van oordeel is dat de door de Commissie gevolgde werkwijze juist is en voldoende grondslag oplevert voor reserves per betaalorgaan;

307.  wijst erop dat de beleidsuitvoeringsstructuur op het gebied van plattelandsontwikkeling zeer gefragmenteerd is(96), waardoor de reikwijdte van de conformiteitscontroles van ELFPO-uitgaven van de Commissie beperkt is;

308.   merkt op dat, aangezien de gemiddelde financiële correcties over de afgelopen drie jaar voor het ELGF overeenkomen met 1,2 % van de betreffende uitgaven en 1 % voor het ELFPO, de Commissie financiële correcties heeft toegepast die iets minder dan de helft van het niveau omvatten van het aangepaste foutenpercentage voor het ELGF (2,6 % in 2014) en een vijfde van het aangepaste foutenpercentage voor het ELFPO (5,1 % in 2014); merkt voorts op dat in de afgelopen drie jaar de terugvorderingen voor het ELGF 0,3 % van de uitgaven bedroegen, en die voor het ELFPO 0,9 %;

309.  benadrukt dat op basis van de door de Commissie verstrekte gegevens over de financiële correcties en terugvorderingen enerzijds (1,9 % van de uitgaven) en het samengevoegde aangepaste foutenpercentage anderzijds (5,1 %), uit de ELFPO-cijfers voor 2014 blijkt dat het corrigerend vermogen ontoereikend is om het aantal uitgaven dat risico loopt tegen het einde van de programmeringsperiode terug te brengen tot onder de materialiteitsdrempel(97);

310.   merkt op dat de betrouwbaarheidsverklaring van de directeur-generaal van DG AGRI drie voorbehouden bevat met betrekking tot de uitgaven van 2014 onder gedeeld beheer met de lidstaten, en één voorbehoud met betrekking tot indirect beheer, voor in totaal 1 446,9 miljoen EUR (1 451,9 miljoen EUR in 2013); merkt op dat het hoogste risiconiveau in 2014 ligt bij ABB03 (Rechtstreekse betalingen); is ingenomen met deze intensieve toezicht- en correctiewerkzaamheden van het directoraat-generaal met betrekking tot de gegevens van de instanties van de lidstaten, zoals vereist overeenkomstig artikel 66 van het Financieel Reglement; wijst erop dat de daarbij blootgelegde zwakke punten en correcties in de nationale systemen een belangrijk deel van de gegevensbasis van de betrouwbaarheidsverklaring vormen; dringt er bij de Commissie op aan om de gegevensbasis van deze betrouwbaarheidsverklaring verder te verbeteren;

Prestatie- en resultaatgerichte aanpak

311.  merkt op dat er vrij sterk, maar tamelijk formeel de nadruk is gelegd op prestatiecriteria (volgens de Rekenkamer zelfs in 93 % van de onderzochte projecten), maar dat er daarentegen niet zo nauwkeurig lijkt te zijn gemeten welke doelstellingen in welke mate zijn verwezenlijkt;

312.  stelt vast dat het agrarisch factorinkomen volgens het jaarlijks activiteitenverslag van de directeur-generaal van DG AGRI in 2014 stabiel was (KPI 1); benadrukt dat het landbouwinkomen per werknemer volgens de Commissie(98) positief wordt beïnvloed door de daling van het aantal arbeidskrachten in de landbouw; verzoekt de Commissie hierover stelselmatig verslag uit te brengen in haar jaarlijkse activiteitenverslag;

313.  merkt met verbazing op dat de werkgelegenheid op het platteland (KPI 4) volgens het jaarlijks activiteitenverslag van de directeur-generaal van DG AGRI in 2014 stabiel was, terwijl het aantal landbouwers in de Unie voortdurend afneemt;

314.   acht het onhoudbaar dat volgens het jaarlijkse activiteitenverslag van DG AGRI(99) 44,7 % van alle landbouwbedrijven in de Unie semizelfvoorzieningsbedrijven zijn, d.w.z. een inkomen van minder dan 4 000 EUR per jaar hebben; merkt tevens op dat volgens het verslag van de Commissie over de verdeling van rechtstreekse steun aan landbouwers voor het begrotingsjaar 2014, dat de Commissie op 15 december 2015 heeft goedgekeurd:

(a)  gemiddeld 80 % van de begunstigden van rechtstreekse GLB-steun ongeveer 20 % van de betalingen ontvangen; en

(b)  79 % van de begunstigden van rechtstreekse GLB-steun 5 000 EUR of minder per jaar ontvangen;

315.   verzoekt DG AGRI in zijn jaarlijkse activiteitenverslag voor 2015 verslag uit te brengen van een breed scala aan economische en ecologische indicatoren, zodat een goed en evenwichtig overzicht ontstaat van de stand van de Europese landbouw, ook in bredere context, zodat de medewetgevers de tenuitvoerlegging van het GLB beter kunnen beoordelen en zich goed geïnformeerd kunnen bezinnen op de toekomstige richting daarvan;

316.   verzoekt DG AGRI om in zijn jaarverslag verslag uit te brengen van de ontwikkeling van de verdeling van de inkomenssteun voor landbouwers en daarbij met name in te gaan op het effect van de door de GLB-hervorming van 2013 nieuw ingevoerde bijstandsvormen zoals de herverdelingsbetaling;

317.  is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer bij wijze van proef de doelmatigheid heeft gecontroleerd van 71 projecten die investeringen in materiële activa omvatten;

318.   verwelkomt de met de uitvoering van het plattelandsontwikkelingsbeleid 2007-2013 bereikte resultaten, op basis van voorlopige gegevens (eind 2014) met betrekking tot het aantal ondersteunde micro-ondernemingen (73 300) en jonge landbouwers (164 000) en de verleende innovatiesteun voor de invoering van nieuwe producten of technologieën op 136 000 boerderijen;

319.  betreurt dat de Rekenkamer tekortkomingen bij de toespitsing van maatregelen en de selectie van projecten heeft vastgesteld en dat er een gebrek aan bewijs was dat de kosten redelijk waren;

320.   betreurt dat de Rekenkamer tekortkomingen in de controlesystemen heeft vastgesteld met betrekking tot verrichtingen op het gebied van plattelandsontwikkeling van de vijf betaalorganen die zij in 2014 heeft bezocht, te weten Ierland, Italië (Campanië), Portugal, Roemenië en Zweden, met name wat betreft de controles van de subsidiabiliteitsvoorwaarden op milieugebied, de maximale omvang van bedrijven en de openbare-aanbestedingsprocedures;

Financieringsinstrumenten

321.  merkt op dat het gebruik van FI's op dit gebied vrij uitzonderlijk en volstrekt te verwaarlozen is;

322.   betreurt dat de Rekenkamer ernstige tekortkomingen heeft vastgesteld met betrekking tot de renouvellerings- en hefboomeffecten van de financiering voor plattelandsontwikkeling, en concludeerde dat de FI's in de periode 2007-2013 geen succes waren(100); verzoekt de Commissie maatregelen te nemen om te zorgen dat er voor de begunstigden voldoende stimulansen zijn om een aanzienlijke toegevoegde waarde te creëren;

323.   stelt vast dat de Commissie een conformiteitsbeoordelingsprocedure heeft ingesteld teneinde gedetailleerde, nauwkeurige informatie te verkrijgen over het risico van een belangenconflict in verband met het Nationaal agrarisch interventiefonds van de Tsjechische Republiek; benadrukt dat het niet nemen van de noodzakelijke maatregelen ter voorkoming van belangenconflicten ertoe kan leiden dat de Tsjechische bevoegde instantie uiteindelijk de accreditatie van het betaalorgaan moet intrekken en/of dat de Commissie een financiële correctie moet toepassen; verzoekt de Commissie prompt te werk te gaan en over deze kwestie uiterlijk in juni 2016 verslag aan het Parlement uit te brengen; verzoekt OLAF onverwijld aan het Parlement verslag uit te brengen van zijn besluit om al dan niet een procedure te beginnen;

324.   wijst erop dat in het huidige wettelijke kader de middelen die na afloop van het subsidiabele tijdvak van een FI uit de investeringen aan het fonds worden teruggestort, door de lidstaten als nationale middelen kunnen worden gebruikt; betreurt dat dit erop neerkomt dat middelen die aanvankelijk aan specifieke financiële instrumenten gekoppeld waren, uiteindelijk bij verschillende sectoren of individuele ondernemingen terecht kunnen komen; verzoekt de Commissie de lidstaten meer te stimuleren om deze middelen binnen dezelfde sector te besteden;

Best practice

325.   neemt er nota van dat de Rekenkamer grondig heeft onderzocht of de EU-steun was gericht op duidelijk omschreven doelstellingen die verband houden met onderkende structurele en territoriale behoeften en structurele nadelen, en dat zij ook het doelmatigheidscriterium bij de toespitsing en selectie heeft getoetst; is van mening dat het verbeterde, door DG AGRI ontwikkelde gemeenschappelijk toezicht- en evaluatiekader (CMEF) met betrekking tot de prestatiegerichte aanpak een reeks specifieke indicatoren bevat die de Commissie in staat stellen de vooruitgang te meten en te rapporteren;

Te nemen maatregelen

326.  meent dat de Commissie:

(a)  passende maatregelen moet nemen om de actieplannen in de lidstaten te versterken teneinde na te gaan wat de meest voorkomende oorzaken van fouten zijn, en de strategie voor conformiteitscontroles op het gebied van plattelandsontwikkeling moet herzien;

(b)  een analyse moet maken van het effect van de hervorming van het GLB op de prestaties van de sector en de prioriteiten op het vlak van begrotingssteun van de Unie;

(c)   synergieën op het gebied van de natuurlijke hulpbronnen in de hand moet werken om een einde te maken aan de huidige heterogeniteit van de steunmaatregelen;

(d)   in detail verslag uit te brengen aan het Parlement over de uitvoering van de begrenzing van rechtstreekse GLB-betalingen per lidstaat;

327.  vraagt dat:

(a)   de Commissie overweegt om in het jaarlijkse activiteitenverslag van DG AGRI te berichten over de ontwikkeling van de verdeling van de inkomenssteun voor landbouwers;

(b)  de lidstaten zich verder inspannen om betrouwbare en actuele informatie in hun LPIS-database op te nemen, zodat betalingen voor niet-subsidiabele percelen worden voorkomen;

(c)  de Commissie voorstellen formuleert om sancties op te leggen voor valse of onjuiste rapportering door betaalorganen, onder meer met betrekking tot de volgende drie aspecten: de inspectiestatistieken, de verklaringen van de betaalorganen en de werkzaamheden van de certificerende instanties;

(d)  de Commissie passende maatregelen neemt om te vereisen dat de actieplannen van de lidstaten voor plattelandsontwikkeling corrigerende maatregelen omvatten om veelvuldig voorkomende oorzaken van fouten aan te pakken;

(e)  de Commissie de strategie met betrekking tot de conformiteitscontroles op het gebied van plattelandsontwikkeling herziet om vast te stellen of, voor lidstaten met regionale programma's, systeemgebreken die in één specifieke regio zijn aangetroffen ook in de andere regio's voorkomen, met name bij investeringsmaatregelen;

(f)  de Commissie ervoor zorgt dat de nieuwe procedure van versterkte zekerheid inzake de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen, die vanaf het begrotingsjaar 2015 verplicht wordt gesteld, door de certificerende instanties op de juiste wijze wordt toegepast en dat daarmee betrouwbare informatie over het foutenpercentage wordt geproduceerd;

(g)  de lidstaten beoordelen of activiteiten voor kennisoverdracht en adviesverlening die al eenvoudig en tegen een redelijke prijs beschikbaar zijn op de markt, echt ondersteuning nodig hebben, en dat, als deze noodzaak gerechtvaardigd is, zij ervoor zorgen dat de kosten van de ondersteunde activiteiten niet hoger uitvallen dan de kosten van soortgelijke activiteiten die worden aangeboden op de markt;

(h)  de Commissie voor complementariteit tussen de EU-fondsen zorgt teneinde het risico op dubbele financiering en overlappende administratie bij kennisoverdracht en adviesverlening te verminderen;

(i)  de Commissie de lidstaten aanmoedigt om één financieel instrument in te voeren dat zowel leningen als garanties kan verstrekken, waardoor de activiteit en kritische massa ervan toeneemt;

(j)  de Commissie passende normen en streefdoelen voor de hefboom- en renouvelleringseffecten vaststelt om de doeltreffendheid van de financiële instrumenten voor de programmeringsperiode 2014-2020 te vergroten;

(k)  het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid en voeding de overdracht van vastgelegde kredieten, die in 2014 0,9 miljoen EUR (50 %) bedroeg, zoveel mogelijk beperkt; wijst erop dat de Rekenkamer in 2013 soortgelijke opmerkingen maakte en dat er nog steeds geen informatie beschikbaar is over corrigerende maatregelen;

Europa als wereldspeler

Algemeen

328.  merkt op dat dit gebied uitgaven omvat in verband met buitenlands beleid, steun voor kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten, en ontwikkelingshulp en humanitaire hulp voor ontwikkelingslanden en buurlanden, die niet onder de activiteiten van de Europese Ontwikkelingsfondsen (EOF) vallen;

329.  merkt op dat rubriek 4 - Europa als wereldspeler een totaalbedrag van 7,4 miljard EUR omvat en dat de uitgaven worden verricht via samenwerkingsinstrumenten en steunverleningsmethoden;

330.  merkt op dat momenteel drie gebieden zonder meer relevant zijn voor de uitbreidings- en nabuurschapsagenda: partnerschap, uitbreiding en synergieën met de Europese dienst voor extern optreden (EDEO);

331.  is verheugd dat van de 16 aanbevelingen die de Rekenkamer in 2011-2012 heeft gedaan, vier aanbevelingen volledig zijn uitgevoerd, twee aanbevelingen op de meeste punten worden uitgevoerd en twee aanbevelingen op een aantal punten worden uitgevoerd;

Beheer

332.  merkt op dat deze afdeling onder direct beheer valt wanneer de uitgaven worden beheerd door de Commissie en haar DG's; het beheer vindt plaats vanuit het hoofdkantoor in Brussel of de EU-delegaties in bepaalde landen, of in samenwerking met internationale organisaties;

333.   is verbaasd dat de delegaties met het hoogste risicobedrag, gemeten aan de hand van key performance indicator 5 (tijdige tenuitvoerlegging) en 6 (doelstelling gehaald), andere zijn dan de slechtst presterende; is van mening dat dit twijfels oproept ten aanzien van de kwaliteit en gedegenheid van de verslaglegging van bepaalde delegaties

334.   stelt tot zijn grote bezorgdheid vast dat, volgens het EAMR, op 2 598 projecten onder leiding van de EU-delegaties:

–   805 projecten, met een totale waarde van 13,7 miljard EUR (45,53 % van het totale bedrag), vertraagd zijn,

–   610 projecten, met een totale waarde van 9,9 miljard EUR (32,96 % van het totale bedrag), de aanvankelijk gestelde doelen niet zullen bereiken,

–   500 projecten, met een totale waarde van 8,6 miljard EUR (29 %), zowel vertraagd zijn als de aanvankelijk gestelde doelen niet zullen bereiken,

–   915 projecten, met een totale waarde van 15 miljard EUR (50 %), ofwel vertraagd zijn ofwel de aanvankelijk gestelde doelen niet zullen bereiken,

–   maatregelen voor begrotingssteun bijna een vijfde vertegenwoordigen van de projecten met de ergste problemen;

335.   betreurt dat projecten met uitvoeringsproblemen minder vaak door delegatiemedewerkers worden bezocht dan projecten die zonder problemen verlopen;

336.   herinnert aan zijn eerdere verzoek aan de Commissie om de door haar genomen maatregelen ter verbetering van de prestaties van de EU-delegaties op het vlak van financiële planning, toewijzing van middelen, financieel beheer en controle, alsmede de door haar uit de EAMR's getrokken conclusies samen met de EAMR's, aan het Parlement te doen toekomen;

337.   dringt erop aan dat de Commissie in geen geval de contradictoire procedure van artikel 163 van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie mag gebruiken om de vaststelling van een speciaal verslag van de Rekenkamer te vertragen of te belemmeren;

338.  herhaalt met klem dat het zekerheidsopbouwproces maatregelen vereist om de EU‑delegaties meer verantwoording te laten afleggen in de door de hoofden van de EU‑delegaties opgestelde en ondertekende EAMR's;

339.   beschouwt de door de hoofden van de EU-delegaties opgestelde en ondertekende EAMR's als een nuttig intern beheersinstrument dat de Commissie in staat stelt problemen met projecten vroegtijdig vast te stellen en ze nog tijdens de uitvoering te verhelpen; betreurt dat deze verslagen niet als bijlage bij het jaarlijks activiteitenverslag van DG DEVCO en DG NEAR worden gevoegd zoals bepaald in artikel 67, lid 3, van het Financieel Reglement; betreurt het dat deze steevast als vertrouwelijk worden aangemerkt, hoewel ze op grond van artikel 67, lid 3, van het Financieel Reglement, "ter beschikking [moeten worden] gesteld van het Europees Parlement en de Raad, in voorkomend geval met inachtneming van het vertrouwelijke karakter ervan";

340.   betreurt het dat de EU-delegaties volgens de KPI's in de EAMR's van 2014 over het algemeen minder goed hebben gepresteerd bij de uitvoering van externehulpprogramma's dan in 2013; merkt evenwel op dat in deze verslagen lopende projecten worden beoordeeld en dat de prestaties worden beïnvloed door factoren waarop de EU-delegaties geen vat hebben, zoals de kwaliteit van het bestuur in de begunstigde landen, de veiligheidssituatie, politieke crises, de inzet van uitvoerende partners, enz.;

341.   wijst erop dat de aan de EAMR-verslagen ontleende beoordelingen slechts een momentopname vormen van de situatie van ieder project aan het eind van een jaar, en dat de daadwerkelijke effecten van de vastgestelde problemen slechts aan het eind van een project kunnen worden beoordeeld.

342.  vraagt de Commissie de EAMR's te gebruiken om de vastgestelde tekortkomingen te verhelpen, zodat de lopende projecten de aanvankelijke doelstellingen halen; verwacht dat de Commissie ervoor zorgt dat externehulpprojecten volgens een realistisch tijdschema worden gepland, zodat minder projecten vertraging oplopen; verwacht dat de Commissie verslag uitbrengt aan het Parlement over de corrigerende maatregelen die worden genomen om de situatie in delegaties met ernstige uitvoeringsproblemen te verhelpen;

343.   stelt vast dat slechts een zeer klein deel van de lopende projecten zodanig ernstige problemen bleek te hebben dat er aanleiding was voor een rode vlag; is ingenomen met de geplande corrigerende maatregelen die ervoor zouden kunnen zorgen dat de resultaten aan het eind van de uitvoeringsperiode alsnog positief zijn.

344.  is van mening dat de EU-delegatiehoofden bij hun aanwerving en vóór hun stationering duidelijk moeten worden herinnerd aan hun managementtaken en hun verantwoordelijkheid voor de beheersverklaring over de operaties van hun delegatie (belangrijkste managementprocessen, controlebeheer, inzicht en beoordeling van de KPI's), dat zij kwalitatief en uitgebreid verslag moeten uitbrengen in het kader van de opstelling van het jaarlijkse activiteitenverslag en dat hun aandacht niet alleen mag uitgaan naar de politieke aspecten van hun taak;

345.   is bezorgd over het beheer door de EU van de externe steun in derde landen; wijst erop dat elke tweede euro te laat wordt betaald (bij de laatste verslaglegging betrof dit 805 projecten), elke derde euro het geplande doel niet bereikte (610 projecten), en beide problemen zich voordoen bij elke vierde euro (500 projecten); is bezorgd over het feit dat een bijna vijfde (18,5 %) van de maatregelen te laat komt en het doel niet bereikt, en dat bijna de helft van de EOF-projecten soortgelijke tenuitvoerleggingsproblemen heeft; is bezorgd over het feit dat projecten met problemen minder worden bezocht dan projecten zonder problemen; vraagt de Commissie een actueel verslag over de situatie van deze projecten op te stellen en verzoekt de Commissie om de steunprogramma's in het kader van het nabuurschapsbeleid in dit verslag op te nemen;

346.  meent dat de EU-delegatiehoofden in de algemene richtsnoeren duidelijke aanwijzingen moeten krijgen over het vaststellen van een voorbehoud en wat daarmee samenhangt;

347.  vindt het belangrijk dat op basis van beheersinformatie en KPI's trends per delegatie worden vastgesteld en geconsolideerd om de programmeringscyclus te beoordelen ten behoeve van de algemene of sectorale doeltreffendheid van de ontwikkelingshulp van de Unie;

348.   is verheugd dat de Commissie het toezicht op de door de EU gefinancierde projecten in de kampen rond Tindouf heeft opgevoerd, tot een totaal van 24 uitgevoerde monitoringmissies in 2015, waarbij humanitaire medewerkers van de Commissie maximaal 2 weken per maand in de kampen hebben doorgebracht; is ingenomen met alle activiteiten van de Europese Commissie om te zorgen voor de meest doelmatige benutting van EU-financiering in de kampen, en wijst erop dat er in het geval van Tindouf geen invoerrechten op humanitaire importgoederen worden geheven;

Wettigheid en regelmatigheid; fouten

349.  neemt er nota van dat de Rekenkamer 172 verrichtingen heeft onderzocht, waarvan er 43 fouten bevatten; stelt vast dat het geschatte foutenpercentage op basis van 28 kwantificeerbare fouten 2,7 % bedraagt;

350.   is verheugd dat de Rekenkamer een specifiek foutenpercentage vermeldt voor de uitgaven die rechtstreeks door de Commissie worden beheerd, exclusief door meerdere donoren gefinancierde verrichtingen en begrotingssteun, en betreurt dat het foutenpercentage voor die specifieke transacties 3,7 % bedraagt; vindt het teleurstellend dat de Commissie in zeven gevallen van kwantificeerbare fouten over voldoende informatie beschikte om de fouten te kunnen voorkomen of op te sporen en te corrigeren voordat zij de uitgaven accepteerde; merkt op dat indien al deze informatie was gebruikt om fouten te corrigeren, het geschatte meest waarschijnlijke foutenpercentage voor dit hoofdstuk 0,2 procentpunt lager zou zijn geweest;

351.  merkt op dat de belangrijkste fouten bestonden in door financiële begunstigden gedeclareerde niet-subsidiabele uitgaven (met betrekking tot de periode, belastingen, niet-naleving van de oorsprongsregel of onvoldoende documentatie) en ontoereikende goedkeuring en acceptatie van betalingen door de Commissie;

Bijdrage per soort fout

Europa als wereldspeler

Niet-subsidiabele uitgaven

57 %

Niet-verstrekte diensten/werken/leveringen

24 %

Ontbreken van bewijsstukken ter verantwoording van de uitgaven

8 %

Niet-naleving van de regels inzake overheidsopdrachten

6 %

Onjuiste berekening van gedeclareerde uitgaven

4 %

Totaal

100 %

352.  is verheugd dat de Rekenkamer een specifiek foutenpercentage vermeldt voor de uitgaven die rechtstreeks door de Commissie worden beheerd, exclusief door meerdere donoren gefinancierde verrichtingen en begrotingssteun; betreurt dat het foutenpercentage voor die specifieke transacties 3,7 % bedraagt;

353.   wijst erop dat de verrichtingen voor begrotingssteun die de Rekenkamer heeft onderzocht, geen fouten ten aanzien van de wettigheid en de regelmatigheid bevatten; acht het evenwel gepast dat de Commissie een systeem van constante monitoring voorziet van de fondsen die zijn uitbetaald als begrotingssteun, onder meer door systematische controles in te voeren om na te gaan of is voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor deze vorm van steun;

354.  betreurt dat de Rekenkamer in 2014 opnieuw de systeemfout die erin bestaat uitgaven te accepteren die op eigen ramingen berusten in plaats van op gemaakte, betaalde en geaccepteerde kosten, heeft vastgesteld die zij al in het begrotingsjaar 2013 had vastgesteld; stelt evenwel met tevredenheid vast dat DG ELARG de foutieve verrekeningen in zijn rekeningen voor 2013 en 2014 heeft gecorrigeerd en ook de instructies in de ELARG-boekhoudingshandleiding heeft herzien;

355.  herinnert eraan dat de directeur-generaal van EuropeAid in zijn betrouwbaarheidsverklaring(101) stelde dat de ingevoerde beheersingsprocedures de nodige waarborgen bieden betreffende de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, maar een algemeen voorbehoud maakte met betrekking tot het foutenpercentage van boven de 2 %, wat aantoonde dat de controleprocedures ontoereikend waren om materiële fouten te voorkomen, op te sporen en te corrigeren;

356.   acht het van fundamenteel belang dat de uitbetaling van de pretoetredingssteun moet kunnen worden opgeschort, niet alleen in het geval van bewezen misbruik van deze middelen, maar ook wanneer het pretoetredingsland op enigerlei wijze de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde rechten schendt;

Betrouwbaarheid van de gegevens

357.  merkt op dat het gegevensbeheer op dit gebied, door de aard van de uitgaven en de grondgebieden waaraan zij worden toegewezen, duidelijk verschilt van alle andere onderdelen van de EU-begroting;

Prestatie- en resultaatgerichte aanpak

358.  merkt op dat door de aard van steun zelfs beter risicobeheer en strengere controlesystemen aanzienlijk bijdragen aan een focus op prestaties;

Financieringsinstrumenten

359.  merkt op dat FI's op dit gebied geen belangrijk onderwerp zijn; als er ruimte is voor dit soort steun, wordt die eerder gebruikt via de acties van het EOF;

Te nemen maatregelen

360.  meent dat de Commissie:

(a)  gehoor moet geven aan de aanbeveling van de Rekenkamer om internebeheersingsprocedures op te zetten en toe te passen om ervoor te zorgen dat voorfinanciering wordt verrekend op basis van daadwerkelijk gedane uitgaven, en om de controles vooraf voor subsidieovereenkomsten te versterken, onder meer door op risico gebaseerde planning en systematische follow-upbezoeken;

(b)  rekening moet houden met de huidige, sterk veranderende prioriteiten om efficiënte financiële steun van de Unie te verlenen, niet alleen territoriaal gezien (Oekraïne, Turkije, westelijke Balkan, landen van het Oostelijk Partnerschap e.a.), maar tegelijkertijd ook thematisch gezien;

361.  vraagt dat de Commissie internebeheersingsprocedures opzet en toepast om ervoor te zorgen dat voorfinanciering wordt verrekend op basis van daadwerkelijk gedane uitgaven, met uitsluiting van juridische verbintenissen;

362.  onderschrijft volledig de instructie die de Commissie DG DEVCO geeft in haar syntheseverslag(102), namelijk "manieren te vinden om de mate waarin dat DG rekening houdt met het resultaat van zijn controles, te vergroten, om zo een meer naar risico gedifferentieerde zekerheid te geven en om vervolgens meer van zijn controlemiddelen te besteden aan gebieden waarvoor meer specifieke punten van voorbehoud gelden, rekening houdend met de kosteneffectiviteit van de diverse controles";

363.  verzoekt de Commissie:

(a)  het Parlement elk jaar een algemene evaluatie van de EAMR's te verschaffen; en

(b)  in de jaarlijkse activiteitenverslagen van DG DEVCO en DG NEAR aan te geven welke maatregelen zij heeft genomen om de situatie in delegaties met uitvoeringsproblemen te verhelpen, begrotingssteun minder vertraging te laten oplopen en de programma's te vereenvoudigen;

Administratie

364.  merkt op dat dit zeer specifieke gebied betrekking heeft op de uitgaven van de instellingen en andere organen van de Unie, en dat de Commissie hier in veel gevallen als dienstverlener optreedt voor de anderen;

365.  wijst erop dat de personeelskosten ongeveer 60 % van het totale bedrag uitmaken; de overige posten zijn onder andere gebouwen, uitrusting, energie, communicatie en IT;

366.   wenst dat alle instellingen en agentschappen van de Unie uitvoering geven aan artikel 16 van het Statuut door op jaarbasis gegevens te publiceren over hoge ambtenaren die het Europese bestuur hebben verlaten, alsmede een lijst van belangenconflicten; wenst dat binnen de bovengenoemde onafhankelijke structuur de verenigbaarheid onder de loep wordt genomen van ieder dienstverband na het verlaten van het ambt en van situaties waar ambtenaren en voormalige leden van het Parlement overgaan van de publieke sector naar de particuliere sector (het draaideurprobleem) alsmede de mogelijkheid van een belangenconflict, en door duidelijke wachttijden te definiëren, die ten minste even lang zijn als de periode waarover wachtgelden worden toegekend;

367.   wijst erop dat er in 2014 vijf voormalig ambtenaren in dienst waren als bijzonder adviseurs, en dat één van hen gedurende 43 weken een honorarium ontving, en twee anderen gedurende 30 weken; verzoekt de Commissie meer informatie te geven over de reden waarom de oorspronkelijke contracten niet verlengd werden, in plaats van uitbetaling per dag aan bovengenoemde voormalige ambtenaren, of met die oorspronkelijke contracten rekening is gehouden en zo ja hoe, en of tegelijk pensioenen werden betaald;

368.   wijst erop dat, door de verlenging van de werkweek van 37,5 naar 40 uur in het kader van de verandering van het statuut, een equivalent van ongeveer 2 900 werknemers wordt gewonnen en dat dit praktisch gezien opweegt tegen de in het kader van de hervorming van het Personeelsstatuut overeengekomen inkrimping van het personeelsbestand met in totaal 5 % over meerdere jaren; dringt er bij de Commissie op aan om een transparant verslag met jaarlijkse informatie over de geplande inkrimping van het personeelsbestand te verstrekken en hierbij rekening te houden met de verlenging van de werktijd;

369.  benadrukt dat voor ieder lid van de Commissie geldt dat de kwijtingsprocedure voorrang heeft boven andere vergaderingen, omdat de bevoegde commissie van het Parlement van mening is dat iedere commissaris verantwoording moet afleggen aan het Parlement;

370.  benadrukt hoe belangrijk de rol van klokkenluiders is; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat elke EU-instelling regels voor de bescherming van klokkenluiders toepast; vraagt de Commissie wetgeving ter bescherming van klokkenluiders in de Unie te bevorderen;

371.   vraagt alle EU-instellingen en -agentschappen die dit nog niet hebben gedaan om spoedig interne regels voor klokkenluiders vast te stellen en een gemeenschappelijke benadering van hun verplichtingen te gaan hanteren, met bijzondere aandacht voor de bescherming van klokkenluiders; vraagt in het kader van de richtlijn inzake de bescherming van bedrijfsgeheimen om speciale aandacht voor de bescherming van klokkenluiders; vraagt de Commissie de vaststelling te bevorderen van wetgeving die een minimumbeschermingsniveau voor klokkenluiders in de EU waarborgt; verzoekt de instellingen en agentschappen het statuut van de ambtenaren zodanig te wijzigen dat het niet alleen ambtenaren formeel verplicht tot het melden van onregelmatigheden van welke vorm dan ook, maar ook adequate bescherming biedt aan klokkenluiders; vraagt de instellingen en agentschappen om onverwijld invulling te geven aan artikel 22, onder c), van het statuut van de ambtenaren;

372.   uit zijn bezorgdheid over het aantal zelfmoorden onder het personeel; acht het noodzakelijk dat de Commissie een grondige analyse uitvoert van het welzijn van het personeel om het aantal zelfmoorden te doen dalen;

373.  betreurt het te moeten vaststellen dat van de acht aanbevelingen die de Rekenkamer in 2011-2012 heeft gedaan, geen enkele aanbeveling volledig is uitgevoerd, vijf aanbevelingen op de meeste punten worden uitgevoerd en drie aanbevelingen op een aantal punten worden uitgevoerd;

374.   neemt kennis van het feit dat het ziekteverzuim in de Commissie stabiel is gebleven; verwelkomt de oprichting van een groep voor psychosociale steun, gepaard gaand met een daling van het aantal ziektedagen van 2200 in 2010 tot 772 in 2014; is echter bezorgd dat in 868 gevallen opgetreden moest worden, zij het met een tevredenheidspercentage van 95 %;

375.   wijst erop dat meer dan 250 medewerkers die geen plek vonden in de nieuwe kabinetten, binnen de DG's geherintegreerd of ondergebracht zijn, en dat de nieuwe Commissie-Juncker ongeveer 550 medewerkers heeft opgenomen in de nieuwe kabinetten;

376.   beschouwt het 64 jaar oude privilege van immuniteit van EU-medewerkers voor vervolging wegens misdrijven als volkomen verouderd; dringt erop aan dat dit privilege dat in een protocol bij het verdrag is vastgesteld te beperken tot EU-personeel in landen buiten de EU;

Wettigheid en regelmatigheid; fouten

377.  neemt er nota van dat de Rekenkamer 129 verrichtingen heeft onderzocht, waarvan er 20 fouten bevatten; stelt vast dat het geschatte foutenpercentage op basis van 12 kwantificeerbare fouten 0,5 % bedraagt;

378.  merkt op dat de belangrijkste fouten bestonden in niet-subsidiabele of verkeerd berekende toelagen en daaraan verbonden voordelen voor personeelsleden, betalingen voor diensten die niet onder het bestaande contract vallen, en andere uitgaven zonder behoorlijke rechtvaardiging;

Bijdrage per soort fout

Administratie

Niet-subsidiabele of verkeerd berekende toelagen en daaraan verbonden voordelen voor personeelsleden

70 %

Betalingen voor prestaties die niet onder het bestaande contract vallen

22 %

Andere uitgaven zonder behoorlijke rechtvaardiging

8 %

Totaal

100 %

Gedragscode en belangenconflicten

379.  neemt nota van de sterke aandacht van het publiek en de media voor integriteitskwesties, die met zich brengt dat er voortdurend aandacht moet worden besteed aan goed functionerende gedragscodes; benadrukt dat een gedragscode slechts een doeltreffende preventieve maatregel is als deze correct wordt toegepast en als de naleving stelselmatig wordt geëvalueerd, en niet alleen in geval van incidenten; wijst erop dat de gedragscode uiterlijk eind 2017 moet worden herzien;

380.   spoort de EU-instellingen en -organen aan het beleid inzake belangenconflicten meer onder de aandacht van hun ambtenaren te brengen, naast de lopende bewustmakingsactiviteiten en vaststelling van integriteit en transparantie als verplicht te bespreken onderwerpen in aanwervingsprocedures en beoordelingsgesprekken; is van mening dat bij regelgeving inzake belangenconflicten onderscheid moet worden gemaakt tussen gekozen volksvertegenwoordigers en aangestelde ambtenaren; is van mening dat ook in de lidstaten dergelijke maatregelen nodig zijn ten aanzien van functionarissen en ambtenaren die bij het beheer en de controle van Europese subsidiegelden betrokken zijn; roept de Commissie op hiertoe een ontwerprechtsgrondslag in te dienen;

381.   is van mening dat de Commissie proactief bekendheid dient te geven aan documenten in verband met de aanbevelingen van de ad-hoc ethische commissie inzake functies van voormalige leden van de Commissie na afloop van de ambtstermijn, waarbij de commerciële of persoonlijke gegevens overeenkomstig Verordening nr. 1049/2001 worden geredigeerd;

382.   verzoekt de Commissie de gedragscode voor leden van de Commissie uiterlijk eind 2017 te herzien, en daarbij ook een definitie te geven van een belangenconflict, alsmede criteria voor de verenigbaarheid van functies na afloop van de ambtstermijn, en de wachttijd voor leden van de Commissie tot drie jaar te verlengen; verzoekt de Commissie van de lidstaten te verlangen dat zij een duidelijk beeld geven van alle eventuele belangenconflicten van hun kandidaat-leden van de Commissie, en uiteen te zetten hoe een belangenconflict in de verschillende nationale wetgevingen wordt gedefinieerd; is van mening dat, in het geval van uiteenlopende definities van een belangenconflict tussen nationale wetgeving en de regels van de Commissie, de lidstaten de regels van de Commissie moeten volgen;

383.  verzoekt de Commissie in dit verband bijzondere aandacht te besteden aan de voorkoming van belangenconflicten en corrupte praktijken bij de gedecentraliseerde agentschappen, omdat deze bij uitstek kwetsbaar zijn door hun relatieve onbekendheid bij het publiek en doordat ze verspreid over de gehele EU gevestigd zijn;

384.   wijst erop dat een belangrijke maatregel tegen belangenconflicten erin bestaat de voorzitter van de Commissie, de ad-hoc ethische commissie van de Commissie en de secretaris-generaal transparanter te maken bij het doen van onderzoek naar mogelijke conflictsituaties; verzoekt de Commissie de adviezen van de ethische commissie op grond van Verordening (EG) nr. 1049/2001 proactief te publiceren, zodat het publiek de Commissie rekenschap kan laten afleggen voor de door haar genomen beslissingen; wijst nogmaals op de aanbeveling van het Parlement om de ad-hoc ethische commissie te hervormen, waarbij de bevoegdheden verruimd worden en de commissie ook onafhankelijke deskundigen bevat;

385.   is van oordeel dat de gedragscode voor leden van de Commissie onder meer een duidelijker taakomschrijving van de ad-hoc ethische commissie dient te bevatten, alsmede een bepaling dat de commissie uit onafhankelijke deskundigen moet bestaan;

386.   verzoekt de Commissie de belangenverklaringen in een open, machineleesbare opmaak te publiceren.

387. is van mening dat een voormalig medewerker van het Tsjechische ministerie van Regionale ontwikkeling, thans medewerker van het kabinet van Commissielid Crețu, zich niet moet bezighouden met het Tsjechische regionale beleid, omdat een dergelijke taak mogelijk een belangenconflict vormt;

Belangenconflicten inzake gedeeld beheer en inzake het beheer van EU-middelen in derde landen

388.   wijst erop dat enkele lidstaten geen wetten hebben die uitsluiten dat ministers geheel of gedeeltelijk eigenaar zijn van ondernemingen;

389.   ziet een ernstig belangenconflict in het feit dat de ondernemingen van degenen die EU-ambten bekleden steun van de Unie kunnen aanvragen of als onderaannemer kunnen ontvangen en dat de eigenaar en bekleder van het ambt zelf gelijktijdig verantwoordelijk kan zijn voor het correcte beheer van deze middelen en voor de controle van het gebruik van die middelen;

390.   vraagt de Commissie in alle regelingen van de EU inzake uitbetalingen een bepaling op te nemen dat ondernemingen in EU-lidstaten en in derde landen die in het bezit zijn van personen die een ambt bekleden, geen EU-steun kunnen aanvragen of ontvangen;

Transparantie

391.  is van mening dat de transparantie en controleerbaarheid van alle gegevens inzake de tenuitvoerlegging van de begroting van de EU, met inbegrip van de uitgaven van de lidstaten onder gedeeld beheer, door middel van publicatie dient te worden gewaarborgd;

392.   benadrukt het principe dat de Commissie alle contacten met ongeregistreerde lobbyisten, ongeacht op welk niveau, moet afbreken;

393.   verzoekt de Commissie de registratie van de gegevens van bijeenkomsten met lobbyisten uit te breiden tot alle personen die bij de beleidsvorming van de EU betrokken zijn door van de verschillende DG's geregelde verslagen te verlangen over de binnen hun dienst georganiseerde bijeenkomsten en deze gegevens op eenvoudig toegankelijke wijze op de website van de Commissie te publiceren;

394.   meent dat de Commissie verplicht moet worden alle bijdragen van lobbyisten en belangenbehartigers met betrekking tot ontwerpen van beleid en regelgeving vast te leggen en bekend te maken als een "wetgevingsvoetafdruk"; stelt voor dat een dergelijke wetgevingsvoetafdruk gedetailleerde gegevens moet bevatten van die lobbyisten die een grote invloed op de voorstellen van de Commissie hebben uitgeoefend;

395.   verwelkomt de publicatie van een lijst van hoge ambtenaren die de Commissie hebben verlaten, en verzoekt de Commissie ook alle leden van het kabinet onder de definitie van een hoge ambtenaar te brengen;

Deskundigengroepen

396.  verzoekt de Commissie met klem gevolg te geven aan de aanbevelingen van de Ombudsman ter voorkoming van belangenconflicten in deskundigengroepen, en de goedkeuring van nieuwe horizontale regels uit te stellen totdat het Parlement de gelegenheid heeft gehad zijn oordeel kenbaar te maken op basis van de werkzaamheden in het kader van het initiatiefverslag van CONT en JURI;

Overige

Migratie en vluchtelingen

397.  is ingenomen met de informatie over middelen die kunnen worden gebruikt om de crisissituaties als gevolg van een grote instroom van vluchtelingen te verhelpen(103);

398.  is van mening dat de EU-middelen voor migratiebeleid moeten worden onderworpen aan controles en audits op basis van prestatie-indicatoren;

399.   is bezorgd over de aanhoudende migratiecrisis en benadrukt de noodzaak van een verbetering van de coördinatie tussen de lidstaten; neemt nota van de middelen die in 2014 zijn uitgetrokken voor migratie en beheer van de buitengrenzen, en vraagt de Rekenkamer te overwegen een speciaal verslag over de doeltreffendheid van deze middelen op te stellen;

400.   verwijst naar de paragrafen 234 en 235 van het kwijtingsverslag over 2013 (P8_TA(2015) 0118)); vraagt om actuele informatie over de lopende samenwerking met de Internationale Managementgroep (IMG), en vraagt met name informatie van de Commissie over lopende en nieuwe contracten en betalingen;

401. vraagt om opheldering over de onvoltooide Griekse EU-projecten die na 31 december 2015 geen verdere financiering meer kunnen krijgen; vraagt om opheldering over hoe het nu met elk van deze projecten verder moet;

OLAF

402.   is van mening dat OLAF een essentiële rol speelt bij de bestrijding van corruptie en acht het dan ook van het grootste belang dat OLAF zijn werkzaamheden op effectieve en onafhankelijke kan verrichten; beveelt aan om het Comité van toezicht van OLAF in overeenstemming met de OLAF-verordening toegang te verlenen tot de informatie die nodig is voor een goede uitvoering van zijn mandaat inzake het houden van toezicht op de activiteiten van OLAF, en tevens budgettair onafhankelijk te maken;

403.   benadrukt dat de lidstaten geen gevolg geven aan vermeende gevallen van fraude die de financiële belangen van de Unie schaden en die door OLAF zijn gemeld; verzoekt de Commissie passende maatregelen te nemen en verzoekt OLAF zijn onderzoek naar de redenen waarom lidstaten geen gevolg geven aan vermeende gevallen van fraude voort te zetten en te bespoedigen, het Parlement van zijn bevindingen op dit gebied op de hoogte te stellen en de lidstaten te blijven ondersteunen bij het verbeteren van hun prestaties inzake het voorkomen en opsporen van fraude ten nadele van de Europese fondsen;

404.   neemt nota van de inspanningen van OLAF om gevolg te geven aan het merendeel van de aanbevelingen van zijn Comité van toezicht(104); wenst echter op de hoogte te worden gehouden van eventuele fundamentele verschillen wat betreft de vraag of de desbetreffende aanbevelingen al dan niet geïmplementeerd zijn; verwacht dat OLAF in de toekomst duidelijk aangeeft op welke punten en in hoeverre hij afwijkt van de oorspronkelijke aanbevelingen van het Comité van toezicht; merkt op dat het Comité van toezicht in 2014 voor het eerst heeft besloten follow-up te geven aan zijn eerdere aanbevelingen; verzoekt OLAF en het Comité van toezicht dit elk jaar te doen;

405.   verzoekt OLAF dringend uitvoering te geven aan de aanbevelingen over rechtstreekse deelname van de directeur-generaal aan onderzoeken, aangezien in artikel 7, lid 1 en 2, van Verordening nr. 883/2013 uitdrukkelijk wordt bepaald dat onderzoeken worden uitgevoerd door medewerkers die door de directeur-generaal worden aangewezen, en niet door de directeur-generaal zelf, omdat dit tot onderzoeken met tegenstrijdige doelstellingen kan leiden;

406.   roept OLAF op uitvoering te geven aan de aanbeveling van het Comité van toezicht om ook controles uit te voeren inzake eventuele belangenconflicten tussen de taken van een nationale deskundige en zijn deelname aan het onderzoek in een bepaalde zaak;

407.   is ervan overtuigd dat het Comité van toezicht geïnformeerd dient te worden over alle geseponeerde zaken waarin overeenkomstig artikel 17, lid 5, van Verordening nr. 883/2013 gegevens aan de nationale gerechtelijke instanties zijn doorgegeven, ter bescherming van de procedurele waarborgen voor de personen tegen wie de verdenkingen bestaan; verlangt dat OLAF de aanbeveling van het Comité van toezicht zo spoedig mogelijk uitvoert;

408.   merkt op dat OLAF in 2014 in totaal 307 onderzoeken en gecoördineerde activiteiten heeft afgerond; in 147 van deze onderzoeken deed OLAF een aanbeveling, met een follow-uppercentage van 47 %; wijst erop dat dit percentage in de jaren vóór 2011 regelmatig boven de 50 % lag; verwacht dat OLAF maatregelen neemt om de eerdere doeltreffendheid blijvend te herstellen door middel van verbeteringen in de selectieprocedure; is van mening dat OLAF aanbeveling nr. 31 van het Comité van toezicht moet herzien, om de effectiviteit ervan te vergroten;

409.  neemt kennis van de gezamenlijke inspanningen van OLAF en het Comité van toezicht om overeenstemming te bereiken over nieuwe werkafspraken; herhaalt zijn oproep in verband met de begroting 2013 om de resterende problemen tussen OLAF en het Comité van toezicht spoedig op te lossen zodat zij hun wettelijke taken in de huidige situatie van beperkte samenwerking doeltreffend kunnen vervullen; verzoekt de Commissie haar rol ten volle te vervullen en actief te werken aan een oplossing op lange termijn die onverwijld ten uitvoer wordt gelegd;

410.   verwelkomt het besluit van het college om de immuniteit van de directeur-generaal van OLAF op te heffen, zodat de Belgische gerechtelijke instanties onderzoek kunnen doen naar de mogelijk onrechtmatige opname van telefoongesprekken volgens een door OLAF opgesteld script tussen een getuige, die door OLAF was aangezet om het gesprek tot stand te brengen, en een betrokkene in het gebouw van OLAF die werd bijgestaan door inspecteurs van OLAF;

411.   beklemtoont dat het Comité van toezicht, als logisch gevolg van zijn mandaat, moet beschikken over autonoom personeel dat uit de OLAF-administratie wordt gedetacheerd en financieel autonoom is; is verheugd over de inspanningen van de Commissie in die richting;

412.   roept OLAF dringend op het Comité van toezicht toegang te geven tot de stukken die het Comité nodig acht om de binnen zijn bevoegdheidsgebied liggende taken in overeenstemming met het wettelijk mandaat te vervullen;

413.  merkt op dat OLAF in 2014 belangrijke maatregelen heeft genomen om de Commissie en de lidstaten de belangen van financiële belangen van de Unie beter te doen beschermen, door de prioritaire maatregelen in het kader van de meerjarige fraudebestrijdingsstrategie af te ronden die beogen fraudebestrijdingsstrategieën te ontwikkelen op het niveau van de diensten van de Commissie en de agentschappen en de lidstaten te helpen bij de ontwikkeling van hun eigen fraudebestrijdingsstrategieën;

414.  wijst erop dat OLAF in 2014 een recordbedrag aan financiële terugvorderingen voor de EU-begroting heeft aanbevolen, voor in totaal 901 miljoen EUR, meer dan twee keer zoveel als in 2013; merkt op dat het totale bedrag dat de bevoegde autoriteiten naar aanleiding van de aanbeveling van OLAF hebben teruggevorderd, eveneens is gestegen, tot 206,5 miljoen EUR (tegen 117 miljoen EUR in 2013);

415.  dringt er bij OLAF op aan een klokkenluidersregeling op te stellen in overeenstemming met het nieuwe personeelsstatuut van 2014;

416.   herinnert eraan dat de Commissie van de Belgische justitie een verzoek heeft ontvangen tot opheffing van de immuniteit van haar medewerkers; dringt erop aan dat de Commissie haar volledige medewerking verleent aan de Belgische gerechtelijke instanties;

417.   merkt op dat in het jaarverslag van OLAF over 2014 de onderzoeksactiviteiten en resultaten per sector worden gespecificeerd; verzoekt OLAF in zijn volgende jaarverslag gedetailleerde informatie te verstrekken over de typen onderzoeken en resultaten in alle sectoren;

Tabaksovereenkomsten

418.  brengt in herinnering dat de Commissie reeds in mei 2015 beloofde zo spoedig mogelijk een beoordeling van de overeenkomst met Philip Morris International te overleggen; onderstreept dat de Commissie de publicatie van de beoordeling meerdere malen heeft uitgesteld en dat de beoordeling uiteindelijk op woensdag 24 februari 2016 is gepubliceerd, één dag voor het debat over dit onderwerp in de plenaire vergadering van het Parlement; is stellig van mening dat de Commissie door deze late publicatie ernstig is tekortgeschoten voor wat betreft haar transparantieverplichtingen ten opzichte van zowel het Parlement als de burgers, en dat zij daarmee de mogelijkheden van het Parlement heeft ondermijnd om tijdig zijn standpunt over deze complexe en delicate kwestie te formuleren;

419.  benadrukt dat de PMI-overeenkomst, toen deze in 2004 voor het eerst werd gesloten, een innovatief instrument was om de illegale tabakshandel aan banden te leggen, maar wijst erop dat er zich sindsdien aanzienlijke veranderingen hebben voorgedaan in de marktomgeving en de regelgeving; benadrukt dat de overeenkomsten die zijn gesloten met de "grote vier" tabaksfabrikanten(105) niet zijn afgestemd op belangrijke kenmerken van de tegenwoordige illegale tabakshandel, met name het grote gedeelte van die handel dat nu bestaat uit goedkope "witte merken"; roept de Commissie op met een actieplan te komen met nieuwe maatregelen om dit probleem met spoed aan te pakken;

420.  is van mening dat alle elementen die in de tabaksovereenkomsten aan de orde komen, deel uitmaken van het nieuwe wettelijke kader van de Richtlijn tabaksproducten(106) (TPD) en het Kaderverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor de bestrijding van tabaksgebruik (FCTC);

421.  herinnert aan zijn standpunt van 9 maart 2016(107) dat de PMI-overeenkomst niet vernieuwd, verlengd of opnieuw onderhandeld moet worden;

422.  verzoekt de Commissie om voor de verstrijkingsdatum van de PMI-overeenkomst op EU-niveau alle noodzakelijke maatregelen te treffen voor het volgen en traceren van PMI-tabaksproducten en juridische stappen te nemen ingeval van illegale inbeslagnemingen van producten van deze fabrikant totdat alle bepalingen van de tabaksproductenrichtlijn volledig afdwingbaar zijn, zodat er geen regelgevingsvacuüm ontstaat tussen het verstrijken van de PMI-overeenkomst en de inwerkingtreding van de TPD en het FCTC;

423.  verzoekt PMI het volg- en traceersysteem en de zorgvuldigheidsbepalingen ("ken uw klant") van de huidige overeenkomst toe te passen, ongeacht of deze al dan niet wordt verlengd;

424.  verzoekt de Commissie een nieuwe, aanvullende verordening voor te stellen tot invoering van een onafhankelijk volg- en traceersysteem en houdende toepassing van zorgvuldigheidsbepalingen ("ken uw klant") op in de tabaksindustrie gebruikte ruw gesneden tabak, filters en papier, als aanvullend middel om smokkel en namaak te bestrijden;

425.  betreurt dat de Commissie vertraging heeft opgelopen bij haar beoordeling van tabaksovereenkomsten; verzoekt de Commissie deze beoordeling zo spoedig mogelijk voor te leggen en een overzicht te geven van de resultaten van de investeringen die zijn gedaan met het geld dat de tabaksproducenten krachtens deze overeenkomsten betalen;

426.  is bezorgd over de vaststelling van de Europese Ombudsman(108) dat de Commissie, met uitzondering van DG Gezondheid, "niet volledig uitvoering geeft aan de regels en richtsnoeren van de Wereldgezondheidsorganisatie inzake transparantie en het werk van de tabakslobby"; is daarom van mening dat de geloofwaardigheid en de integriteit van de Commissie in gevaar zijn;

427.  vraagt alle betrokken EU-instellingen artikel 5, lid 3, van het FCTC van de WHO toe te passen overeenkomstig de aanbevelingen in de desbetreffende richtsnoeren; vraagt de Commissie onverwijld de beoordelingsovereenkomsten met de tabaksproducenten en een beoordeling van het effect op de uitvoering van het FCTC van de WHO te publiceren;

Europese scholen

428.  wijst erop dat de Europese scholen 164,2 miljoen EUR uit de EU-begroting hebben ontvangen, hetgeen 59 % van de operationele begroting van de scholen uitmaakt;

429.  is zeer bezorgd over de conclusies in het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van de Europese scholen voor het begrotingsjaar 2014, waarin staat dat de Rekenkamer vanwege de voortdurende boekhoudkundige en controlegebreken niet in staat was vast te stellen of de geconsolideerde jaarrekening 2014 afwijkingen van materieel belang bevat;

430.   wijst erop dat de directeur-generaal Personele middelen en veiligheid (DG HR) in het syntheseverslag 2014 van de Commissie over de Europese scholen haar "reputationeel voorbehoud" handhaafde, en dat de vertegenwoordiger van de Europese Commissie tegen het verlenen van kwijting voor de jaarrekeningen 2012 en 2013 van de Europese scholen stemde; betreurt dat de vertegenwoordigers van de lidstaten de problemen niet allemaal even serieus nemen;

431. herinnert eraan dat het Parlement in de procedure voor kwijting aan de Commissie voor 2010 al vraagtekens plaatste bij "de besluitvormings- en financieringsstructuren van de Overeenkomst over de Europese Scholen", en de Commissie met klem had gevraagd met de lidstaten verkennende gesprekken te houden over een herziening van deze overeenkomst, en vóór 31 december 2012 een voortgangsverslag uit te brengen; stelt vast dat het Parlement nooit een voortgangsverslag heeft ontvangen;

432.  staat volledig achter de 11 aanbevelingen van de Rekenkamer in haar verslag van 11 november 2015 over de jaarrekening van de Europese scholen voor 2014 met betrekking tot de boekhouding, het personeel, de aanbestedingsprocedure, de controlenormen en betalingskwesties;

433.  vraagt de Commissie uiterlijk op 1 juli 2016 verslag uit te brengen over de vooruitgang die de Europese scholen hebben geboekt bij de uitvoering van de aanbevelingen van de Rekenkamer en het actieplan van de Commissie;

434.  verzoekt de begrotingsautoriteit die delen van de EU-begroting die aan de Europese Scholen bijdragen gedurende de begrotingsprocedure 2017 in de reserve te plaatsen, met name met betrekking tot het kabinet van de secretaris-generaal, tenzij voldoende voortgang is geboekt met de uitvoering van de aanbevelingen van de Rekenkamer;

435.   verzoekt de begrotingsautoriteit die delen van de EU-begroting die aan de Europese Scholen bijdragen gedurende de begrotingsprocedure 2017 in de reserve te plaatsen, met name met betrekking tot het kabinet van de secretaris-generaal, tenzij voldoende voortgang is geboekt met de uitvoering van de aanbevelingen van de Rekenkamer;

Euronews

436. wijst erop dat Euronews in 2014 18 miljoen EUR van de EU-begroting ontving, hoewel de Commissie geen aandeelhoudster van Euronews is en is bezorgd dat de huidige bestuursstructuur van Euronews haar volledige onafhankelijkheid en autonomie jegens de internationale aandeelhouders niet kan garanderen; verzoekt de Commissie in haar hoedanigheid als belangrijke middelenverstrekker ervoor te zorgen dat Euronews zich houdt aan de beginselen van behoorlijk financieel beheer en aan alle met de Commissie gesloten overeenkomsten, waaronder het bindende Handvest voor redactionele onafhankelijkheid;

Samenvatting

437.  concludeert samenvattend dat:

(a)  de beginselen van goed financieel beheer een essentiële vereiste vormen voor het beheer van de EU-begroting;

(b)   effect- en risicobeoordelingen gezien dienen te worden als integraal onderdeel hiervan;

(c)  de huidige strategie van vereenvoudiging van belang is voor het goede beheer en de efficiëntie daarvan; deze dient gepaard te gaan met een hoge mate van begrotingsdiscipline;

(d)  het gedeeld beheer in de praktijk voor verbetering vatbaar is op het vlak van grotere compatibiliteit tussen het beleid van de Unie en de lidstaten;

(e)   meer inspanningen om de financiële belangen te beschermen, essentieel zijn;

(f)  het totale foutenpercentage vrijwel stabiel blijft op 4,4 %, maar dat het om zeer uiteenlopende soorten fouten gaat;

(g)  er aan de inkomstenzijde geen ernstige problemen zijn geconstateerd, dat het bni-beginsel de sleutel tot dit succes blijft, maar dat toereikende inkomsten een pijnpunt zijn;

(h)  er een meer dan gemiddeld foutenpercentage is geconstateerd in de uitgaven voor concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid, maar dat bij de tijdelijke monitoring op dit gebied duidelijke tekenen van een prestatiegerichte aanpak zijn vastgesteld;

(i)  bij de steun voor cohesie een duidelijk hoger foutenpercentage is geconstateerd voor regionaal beleid en stadsontwikkeling dan voor sociale zaken, en dat een prestatiegerichte aanpak extra wordt ondersteund door FI's, met name in een aantal lidstaten;

(j)  beter gegevensbeheer en betere gegevensverwerking ongetwijfeld zouden bijdragen tot een meer prestatiegerichte aanpak;

(k)  op het gebeid van natuurlijke hulpbronnen een aanpak op basis van projecten zou kunnen worden ontwikkeld om de efficiëntie van de EU-bronnen te verbeteren; ook het beheer en de institutionele steun kunnen nog veel beter, met name op het niveau van de lidstaten;

Algemene resultaten en beleidsaanbevelingen

438.  meent dat de kwijting 2014:

(a)  een nieuw paradigma creëert om een breder inzicht te krijgen in de gevolgen en voordelen van de EU-begroting, waarbij alle aspecten, zoals fouten, wettigheid, absorptie, prestaties en resultaten als een systeem worden gezien; verzoekt de Commissie en de andere betrokken actoren een passende methodologie en een passend kader te ontwikkelen om de prestatiegerichte aanpak nog rechtlijniger voort te zetten;

(b)   aantoont dat de prestatietest in het kader van de Europa 2020-strategie een stap in de goede richting is, maar dat de verenigbaarheid ervan met het economische beleidskader van de Unie verder moet worden ontwikkeld, onder meer door middel van landenspecifieke aanbevelingen met relevante macro-economische indicatoren en regelmatig geactualiseerde prioriteiten voor het economische en sociale beleid van de Unie;

(c)  aantoont dat het begrotingsbeheer voor verbetering vatbaar is, en blijk geeft van waardering voor de inspanningen om het te vereenvoudigen, met inbegrip van de effectbeoordeling; aantoont dat een regelmatige follow-up zeer nuttig is;

(d)  vraagt de bevoegde EU-instellingen om hun beheers- en procedurele systemen aan te passen om nieuwe elementen die aan de huidige en toekomstige budgettaire behoeften van de Unie beantwoorden, met succes ten uitvoer te leggen, zodat het potentieel van de begroting van de Unie optimaal kan worden verwezenlijkt.

C.  Adviezen van de commissies

Buitenlandse Zaken

439.  is bezorgd over de toename van het aantal materiële fouten in rubriek 4 voor het begrotingsjaar 2014; steunt alle aanbevelingen in het jaarverslag van de Europese Rekenkamer en dringt er bij de Commissie op aan dringend gevolg te geven aan de aanbevelingen van de vorige jaren die nog niet volledig ten uitvoer zijn gelegd;

440.  is verheugd over het feit dat DG NEAR de systemische fouten betreffende zijn uitgaven 2013 heeft opgelost en ingrijpende wijzigingen in zijn systemen heeft doorgevoerd zoals de Rekenkamer heeft gevraagd; uit tevens zijn tevredenheid over het feit dat het jaarlijks activiteitenverslag van DG ECHO volgens de controlewerkzaamheden van de Rekenkamer correct was;

441.  neemt met bezorgdheid kennis van de fouten die bij de verificatie van de uitgaven voor subsidie-overeenkomsten zijn ontdekt en meer dan 50 % uitmaken van de fouten die de Rekenkamer in rubriek 4 heeft vastgesteld; merkt op dat het bij het meest significante foutentype om niet-subsidiabele uitgaven gaat; benadrukt dat het belangrijk is dat fouten vóór de goedkeuring van uitgaven worden voorkomen of ontdekt en gecorrigeerd, door een betere uitvoering van controles vooraf; wijst met grote bezorgdheid op het onvermogen van EuropeAid om fouten op te sporen; dringt er bij de Commissie op aan de tot op heden geleverde inspanningen op te voeren om deze problemen bij de verificatie van de uitgaven op te lossen en integraal gevolg te geven aan de aanbeveling inzake toezicht op subsidies die de Rekenkamer in haar jaarverslag 2011 heeft gedaan;

442.  benadrukt dat er een serieuze beoordeling vooraf moet plaatsvinden voordat de Commissie besluit - eventueel via de Europese Investeringsbank - grote infrastructuurprojecten met grote ecologische effecten te financieren, waarbij de duurzaamheid van het project vanuit financieel, ecologisch en sociaal oogpunt moet worden geverifieerd, en verlangt dat financiering door de EU in derde landen ten goede komt aan projecten waarvan de financiële duurzaamheid is gewaarborgd en die een sociaal-economisch nut uitwijzen;

443.  erkent de gestage vorderingen van de Commissie om alle missies in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid volgens de "beoordeling op grond van zes pijlers" te accrediteren ; is met name ingenomen met het feit dat de drie grootste missies nu hieraan zijn aangepast; benadrukt dat de Commissie alle missies overeenkomstig de aanbeveling van de Rekenkamer moet accrediteren;

444.  is ingenomen met de oprichting van het missie-ondersteuningsplatform (MSP) en herhaalt zijn oproep aan de Commissie om stappen te ondernemen voor de oprichting van een echt gemeenschappelijk dienstencentrum en de invoering van een geïntegreerd systeem voor hulpmiddelenbeheer om de inzetsnelheid en de kostenefficiëntie van missies te verbeteren; stelt voor dat de rol van het depot voor het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) wordt uitgebreid en dat het depot ook bestaande GVDB-missies ondersteunt en wordt beheerd door het toekomstige gemeenschappelijk dienstencentrum;

445.  betreurt de aanzienlijke vertragingen bij de inkoop van essentiële uitrusting en diensten voor GVDB-missies en de negatieve gevolgen die dit heeft voor het functioneren van de missies; brengt in herinnering dat de Rekenkamer deze inefficiëntie heeft aangekaart in haar speciaal verslag van 2012 over de bijstand van de EU voor de rechtsstatelijkheid in Kosovo, waarin zij concludeert dat de in het Financieel Reglement vastgelegde aanbestedingsprocedures "niet gericht zijn op GVDB-missies, waarbij het soms nodig is snel en flexibel te reageren"; betreurt dat de recente herziening van het Financieel Reglement niet de nodige verandering in de financiële regels heeft gebracht; is van mening dat het beheer over de betrokken begrotingslijnen moet worden gedelegeerd aan de civiele operationele commandant, zoals dit ook is gedaan bij de hoofden van de EU‑delegaties;

446.  wijst erop dat de efficiëntie van GVDB-training en -adviesmissies zwaar te lijden heeft onder het institutionele onvermogen om zulke acties met zelfs maar elementaire uitrusting te onderbouwen; is in dit verband ingenomen met de inspanningen van de Commissie om uitvoering te geven aan de gezamenlijke mededeling inzake capaciteitsopbouw ter ondersteuning van veiligheid en ontwikkeling; vraagt de Commissie om zo snel mogelijk met de nodige wetgevingsvoorstellen te komen voor de oprichting van een speciaal fonds, zodat dit nog in de EU-begroting kan worden opgenomen bij de tussentijdse herziening van het MFK;

447.  is ingenomen met de speciale verslagen die de Rekenkamer in 2015 heeft uitgebracht over EUPOL, Afghanistan en EU-steun voor bestrijding van marteling en afschaffing van de doodstraf; vraagt de Commissie met klem om uitvoering te geven aan alle aanbevelingen die de Rekenkamer in deze verslagen uitbrengt;

448.  benadrukt dat het belangrijk is bij de beoordeling van de efficiëntie van EU-projecten in derde landen rekening te houden met contextgerelateerde criteria omdat de EU haar externe steun vaak verleent in door crises getroffen regio's en in politiek moeilijke situaties.

Ontwikkeling en samenwerking

449.  herinnert eraan dat de uitgaven voor ontwikkelingshulp en humanitaire hulp van de EU vaak moeten worden verricht in zeer problematische omgevingen, wat de uitvoering van projecten, evaluaties en uitgavencontroles moeilijker maakt, en dat ontwikkelingshulp en humanitaire hulp dan ook foutgevoeliger zijn dan andere beleidsgebieden van de Unie;

450.  merkt op dat volgens de Rekenkamer 57 % van de fouten verband houdt met niet‑subsidiabele uitgaven; steunt de aanbeveling van de Rekenkamer aan EuropeAid om de controles vooraf te verbeteren en beter gebruik te maken van bezoeken ter plaatse om fouten op te sporen;

451.  is verheugd dat volgens de Rekenkamer de door DG ECHO ingestelde controleprocedures voor financiële transacties correct werken en dat zijn verslagleggingssysteem betrouwbaar is; feliciteert DG ECHO hiervoor;

452.  erkent dat uitgaven op het gebied van veiligheid belangrijk zijn voor ontwikkeling en bijzonder relevant zijn voor de huidige initiatieven voor een totaalaanpak van het verband tussen veiligheid en ontwikkeling en om resultaten te boeken inzake doelstelling 16 van de ontwikkelingsagenda, maar benadrukt dat dergelijke financiering geen officiële ontwikkelingshulp is en momenteel niet kan worden opgenomen uit het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking dat is vastgesteld door Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad, en evenmin uit het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF);

453.  stelt vast dat in 2014 twee projecten in verband met grensbeheer in Libië ter waarde van 12,9 miljoen EUR via financieringsinstrumenten voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) werden gefinancierd; herinnert eraan dat de eerste doelstelling van DCI armoedebestrijding is; geeft nogmaals uiting aan zijn ernstige ongerustheid over het mogelijk gebruik van ontwikkelingsprogramma's voor doelen die niet direct met ontwikkeling te maken hebben; herinnert eraan dat een dergelijke aanpak de Unie niet zal helpen bij het realiseren van de doelstelling om 0,7 % van het bni te besteden aan officiële ontwikkelingshulp;

454.  wijst op de potentiële waarde van het resultatenkader dat DG DEVCO in 2015 heeft ingevoerd, maar ook op de daaraan verbonden risico's die de Rekenkamer in haar Speciaal verslag nr. 21/2015 heeft geïdentificeerd; acht het noodzakelijk tevens het meer politieke risico te voorkomen dat te veel nadruk wordt gelegd op het nastreven van het beperkt aantal kwantificeerbare resultaten die in het resultatenkader van DG DEVCO zijn opgenomen, ten koste van het nastreven van andere resultaten met betrekking tot de doelstellingen van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Unie, alsook van kwalitatieve resultaten; benadrukt dat het belangrijk is het resultatenkader te behandelen als een aanvulling op andere regelingen voor toezicht en verslaglegging;

455.  is ingenomen met Speciaal verslag nr. 18/2014 van de Rekenkamer betreffende de evaluatie- en resultaatgerichte toezichtsystemen van EuropeAid; verzoekt DG DEVCO de diverse zwakke punten in zijn evaluatie- en controlesystemen aan te pakken die de Rekenkamer in haar speciaal verslag heeft aangestipt, met name de punten die betrekking hebben op ernstige tekortkomingen in het evaluatiesysteem van DG DEVCO; benadrukt dat een slecht functionerend evaluatiesysteem het risico in de hand werkt dat projecten van slechte kwaliteit worden geselecteerd of projecten die hun doelen niet bereiken; neemt kennis van en is bezorgd over de meningsverschillen tussen de Commissie en de Rekenkamer als het gaat om betrouwbare informatie inzake de doeltreffendheid van begrotingssteunoperaties; is van mening dat er een verband bestaat tussen een gebrek aan personeel in de EU-delegaties en in de evaluatie-eenheid van DG DEVCO en de door de Rekenkamer aan de orde gestelde problemen; ziet dit als een voorbeeld van de schadelijke gevolgen die personeelsinkrimpingen kunnen hebben voor de doeltreffende werking van programma's van de Unie;

456.  vertrouwt erop dat DG DEVCO de diverse zwakke punten in haar evaluatie- en controlesystemen zal aanpakken die de Rekenkamer in haar Speciaal verslag nr. 18/2014 heeft aangestipt;

457.  dringt aan op de vastlegging van formele toetsingsbevoegdheden met betrekking tot het EOF, mogelijk via een interinstitutionele overeenkomst met een bindend karakter op grond van artikel 295 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

458.  is ernstig bezorgd over de bevindingen van de Rekenkamer in haar Speciaal verslag nr. 11/2015 over het beheer van de partnerschapsovereenkomsten inzake visserij (FPA's) door de Commissie; stelt vast dat de Rekenkamer twijfels uit over de duurzaamheid van FPA's omdat het moeilijk is het concept van bevissing van overschotbestanden ingang te doen vinden; stelt tevens vast dat de Rekenkamer ernstige twijfels heeft over de kwaliteit van het toezicht van de Commissie op de implementatie van FPA's; betreurt eveneens en sluit zich aan bij de bevinding van de Rekenkamer dat controles achteraf van FPA's onvoldoende worden gebruikt in de opstelling van follow‑upovereenkomsten; dringt er bij de Commissie op aan zo spoedig mogelijk uitvoering te geven aan de talrijke aanbevelingen van de Rekenkamer;

459.  herinnert eraan dat een vrijwel constant acuut tekort aan betalingskredieten in 2014 de problemen van DG ECHO nog heeft verergerd om passend te kunnen reageren op de steeds ernstiger humanitaire crises in de buurlanden van de EU en daarbuiten; is ingenomen met het feit dat dankzij beter afgestemde kredieten in de begroting van de Unie voor 2015 en 2016 het betalingsprobleem van DG ECHO grotendeels is opgelost;

460.  betreurt dat als gevolg van een tekort aan betalingskredieten in 2014, betalingen voor begrotingssteun aan Marokko en Jordanië ter waarde van een totaalbedrag van 43 miljoen EUR niet konden worden verricht in 2014 zoals contractueel was vastgelegd; vindt dat dit de geloofwaardigheid van de Unie ernstig aantast.

Werkgelegenheid en sociale zaken

461.  merkt met bezorgdheid op dat het geschatte foutenpercentage op het beleidsterrein werkgelegenheid en sociale zaken voor 2014 ligt op 3,7%, wat iets hoger is dan het voorgaande jaar (3,1%); wijst erop dat dit een stap terug is op weg naar het verwezenlijken van een foutenpercentage dat onder het streefdoel van 2% ligt;

462.  verwelkomt het feit dat de Rekenkamer in haar verslag de uitvoering van de begroting van de Unie beoordeelt in het licht van de Europa 2020-strategie; neemt kennis van de opmerking dat niet afzonderlijk wordt vastgesteld wat de bijdrage uit de begroting van de EU is met betrekking tot het behalen van de kerndoelen, zoals die met betrekking tot werkgelegenheid en de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting;

463.  verwelkomt verder de aanbevelingen van de Rekenkamer dat de Europe 2020-strategie en het MFK beter op elkaar moeten worden afgestemd en dat de hoge politieke ambities van de EU-strategie moeten worden omgezet in bruikbare operationele streefdoelen, en benadrukt het feit dat het belangrijk is te focussen op prestaties en resultaten, alsmede op meerwaarde, met name wat betreft de kerndoelen op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken, waar de Commissie niet de bevoegdheid om een wettelijk bindend kader te scheppen; roept de Commissie op de resultaatindicatoren en monitoringsystemen verder te ontwikkelen, om de resultaten te kunnen vergelijken met de overeengekomen doelstellingen, zodat meer informatie beschikbaar komt ten behoeve van het vaststellen van toekomstige doelen en het vergroten van de doeltreffendheid van EU-bestedingen;

464.  neemt nota van de opmerking van de Rekenkamer over het verhoogde risico op onregelmatigheden in het geval van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) die deelnemen aan Horizon 2020; staat achter het antwoord van de Commissie dat het betrekken van kmo's bij het programma cruciaal is voor het creëren van groei en banen en merkt op dat de administratieve regels voor kmo's vereenvoudigd zijn, en benadrukt dat een verdere vereenvoudiging zou leiden tot een grotere participatie van kmo's; benadrukt dat het van groot belang is duurzame banen te scheppen door middel van kmo's;

465.  merkt op dat de meeste nieuwe banen in Europa te danken zijn aan kmo's en is van mening dat meer kan worden gedaan om hun betrokkenheid bij de financieringsprogramma's van de EU te vergroten; verzoekt de Commissie bijkomende maatregelen te treffen om de actieve betrokkenheid van kmo's aan te moedigen, inclusief de toepassing van het "denk eerst klein"-principe;

466.  merkt op dat voor uitgaven in het kader van het Europees Sociaal Fonds (ESF) het grootste risico blijft voortvloeien uit de ontastbare aard van de investeringen in menselijk kapitaal, de diversiteit van de activiteiten en de betrokkenheid van meerdere, vaak kleinschalige partners bij de tenuitvoerlegging van projecten; verzoekt de Commissie door te gaan met het uitvoeren van specifieke risicobeperkende acties, waaronder zowel preventieve als corrigerende maatregelen;

467.  neemt kennis van de bevindingen van de Rekenkamer in Speciaal verslag nr. 17/2015 met betrekking tot de heroriëntering van de ESF-financiering in de periode 2012-2014; neemt met bezorgdheid kennis van de tekortkomingen bij de verslaglegging door de Commissie over de resultaten van deze fondsen, en is van mening dat verdere stappen in de richting van een beleid op basis van resultaten van vitaal belang zijn om te zorgen voor degelijke financiële verantwoording en een efficiënt gebruik van EU-middelen;

468.  is bezorgd dat hogere foutenpercentages gevolgd door opschortingen en onderbrekingen nadelig kunnen zijn voor het succesvol afsluiten van de programma's uit de periode 2007-2013;

469.  is van mening dat de bevordering van een breder gebruik van vereenvoudigde kostenopties (SCO's) kan zorgen voor een vermindering van de administratieve last, minder fouten en een grotere gerichtheid op prestaties en resultaten; wijst er evenwel op dat SCO's moeten worden toegepast in een omgeving van rechtszekerheid en vertrouwen en gepaard moeten gaan met een beoordeling van de baten en dat er sprake moet zijn van volledige betrokkenheid van de belanghebbenden op alle niveaus; benadrukt dat SCO's als optie voor de lidstaten beschikbaar moet blijven;

470.  benadrukt dat de lidstaten de regels en vereisten in verband met de tenuitvoerlegging van het Europees Sociaal Fonds niet verder mogen compliceren met als gevolg bijkomende lasten voor de begunstigden en een toename van het foutenrisico;

471.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat voor het beleidsterrein werkgelegenheid en sociale zaken 62 (34,8 %) van de 178 door de Rekenkamer gecontroleerde verrichtingen fouten vertoonden, waarvan 12 kwantificeerbare fouten van meer dan 20% (6,7%); dringt er bij de Commissie op aan corrigerende maatregelen te treffen en strikte procedures toe te passen om het risico op onregelmatigheden op dit beleidsterrein te verkleinen en gevallen van niet-subsidiabele uitgaven op te volgen die door de Rekenkamer zijn vastgesteld;

472.  betreurt het feit dat het aantal programma's in het kader van het Europees Sociaal Fonds (ESF) met een foutenpercentage van meer dan 5% is gestegen van 18,8% in 2013 tot 22,9% in 2014 en dat het betalingsvolume waarop dit percentage betrekking heeft, dramatisch is gestegen van 11,2% tot 25,2%;

473.  vestigt de aandacht op de herhaalde opmerking van de Rekenkamer dat het foutenpercentage lager zou liggen, als de nationale autoriteiten beter gebruik hadden gemaakt van de beschikbare informatie alvorens betalingsverzoeken toe te zenden aan de Commissie; benadrukt in verband hiermee dat de lidstaten en de nationale autoriteiten grondiger moeten controleren en moeten vermijden om terugbetaling te vragen voor onjuiste uitgaven;

474.  moedigt de lidstaten aan gebruik te maken van het risicobeoordelingsinstrument Arachne en moedigt de Commissie aan de lidstaten relevante richtsnoeren en technische assistentie te blijven verstrekken voor de correcte tenuitvoerlegging van de beheers- en controlevereisten in de periode 2014-2020; dringt er bij de Commissie op aan te zorgen voor intensievere uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten;

475.  verzoekt de Commissie de aanbevelingen van de Rekenkamer op te volgen om te waarborgen dat de uitvoering van de begroting van de Unie beter bijdraagt aan het verwezenlijken van de kerndoelen inzake werkgelegenheid en sociale zaken van de Europa 2020-strategie; verwacht in verband hiermee dat de Commissie en de lidstaten gebruik maken van betere prestatie-indicatoren en dat zij de verslaglegging verbeteren met betrekking tot de resultaten die zijn behaald in de periode 2014-2020;

Milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

476.  wenst eraan te herinneren dat het Europees Parlement de Commissie overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) kwijting verleent voor de uitvoering van de begroting na een onderzoek van de rekeningen, de financiële balans, het evaluatieverslag als bedoeld in artikel 318 VWEU, het jaarverslag van de Europese Rekenkamer met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen, de verklaring van betrouwbaarheid en eventuele relevante speciale verslagen van de Rekenkamer;

477.  wenst eraan te herinneren dat 2014 het eerste jaar is dat het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK) - dat bedoeld is om de omvang en de verdeling van de uitgaven van de Unie voor de periode 2014-2020 vast te stellen - werd toegepast en dat het uitvoeringsniveau derhalve lager is dan de voorgaande jaren;

478.  neemt kennis van de behandeling van de beleidsterreinen milieu en gezondheid in het jaarverslag van de Europese Rekenkamer over het begrotingsjaar 2014; betreurt dat de beleidsterreinen milieu en klimaatbeleid wederom samen met plattelandsontwikkeling en visserij zijn opgenomen in één hoofdstuk; herhaalt zijn kritiek over de onlogische samenstelling van beleidsdomeinen in dit specifieke hoofdstuk; is niet van mening dat de Rekenkamer het politieke besluit mag nemen om beleidsdomeinen te groeperen; spoort de Rekenkamer aan deze aanpak in het volgende jaarverslag te corrigeren;

479.  vindt dat in dit verband moet worden opgemerkt dat het hoofdstuk dat plattelandsontwikkeling, milieu, visserij en gezondheid omvat het hoogste foutenpercentage heeft van het verslag van de Europese Rekenkamer voor 2014: 6,2 % ten opzichte van 4,4 % gemiddeld; merkt voorts op dat veel van de tekortkomingen die de Rekenkamer heeft vastgesteld in grote mate overeenkomen met de tekortkomingen die de afgelopen drie jaren ook reeds werden gerapporteerd;

480.  stelt vast dat de Europese Rekenkamer en de Commissie een verschillende visie hebben op de manier waarop fouten moeten worden berekend; merkt op dat volgens de Commissie het representatieve jaarlijkse foutenpercentage van de Europese Rekenkamer moet worden gezien tegen de achtergrond van het meerjarige karakter van de financiële nettocorrecties en terugvorderingen;

481.  stelt vast dat de Europese Rekenkamer geen opmerkingen maakt over het beheer van de beleidsterreinen volksgezondheid, voedselveiligheid en milieu en klimaatmaatregelen;

482.  de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid is tevreden over de algemene uitvoering van de begrotingsrubrieken milieu, klimaatbeleid, volksgezondheid en voedselveiligheid in het jaar 2014; herinnert er nogmaals aan dat slechts 0,5 % van de begroting van de Unie besteed wordt aan deze beleidsinstrumenten, terwijl de Unie duidelijk meerwaarde biedt op deze gebieden en Europese burgers het milieu- en klimaatbeleid van de Unie en het beleid op het gebied van volksgezondheid en voedselveiligheid steunen;

483.  is tevreden met het werk van de vijf gedecentraliseerde agentschappen die onder het mandaat van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid vallen en die technische, wetenschappelijke of beheerstaken uitvoeren die de instellingen van de Unie in staat stellen beleid ten uitvoer te leggen op de gebieden milieu, klimaat, volksgezondheid en voedselveiligheid, alsook met de manier waarop hun begroting zijn uitgevoerd;

Milieu en klimaatmaatregelen

484.  wijst erop dat DG ENV over 352 041 708 EUR aan vastleggingskredieten beschikte, waarvan 99,7 % ten uitvoer is gelegd; merkt ten aanzien van de betalingskredieten op dat het tot tevredenheid stemt dat 95,03 % van de beschikbare 290 769 321 EUR is besteed; merkt voorts op dat de administratieve uitgaven voor LIFE+ zijn uitgevoerd tijdens twee begrotingsjaren (door middel van automatische overdrachten) en dat als deze administratieve uitgaven buiten beschouwing worden gelaten, het uitvoeringspercentage van de betalingskredieten op 99,89 % ligt;

485.  neemt kennis van het feit dat het uitvoeringspercentage van DG CLIMA is gestegen tot 99,7 % van 102 694 032 EUR aan vastleggingskredieten en 93,1 % van 32 837 296 EUR aan betalingskredieten, en dat indien de administratieve uitgaven buiten beschouwing worden gelaten het uitvoeringspercentage stijgt naar 98,5 %;

486.  is tevreden over het totale uitvoeringspercentage van de operationele middelen van LIFE+, dat in 2014 voor de vastleggingskredieten lag op 99,9 % en voor de betalingskredieten op 97,4 %; stelt vast dat in 2014 283 121 194 EUR beschikbaar was voor oproepen tot het indienen van voorstellen in de lidstaten, 40 000 000 EUR gebruikt is voor het financieren van acties in het kader van de financiële instrumenten Natural Capital Financing Facility (NCFF) en Private Financing for Energy Efficiency (PF4EE), 8 952 827 EUR beschikbaar was voor de ondersteuning van operationele activiteiten van ngo's die zich bezighouden met milieubescherming op Europees niveau en die betrokken zijn bij de ontwikkeling en uitvoering van het beleid en de wetgeving van de Unie, en dat 49 502 621 EUR werd gebruikt voor maatregelen ter ondersteuning van de rol van de Commissie als initiatiefneemster van en toezichthoudster bij de ontwikkeling van beleid en wetgeving; merkt op dat een bedrag van 20 914 622 EUR gebruikt is voor administratieve ondersteuning van LIFE en voor operationele steun voor het EASME;

487.  is zich ervan bewust dat het betalingspercentage van LIFE+ altijd wat lager ligt dan de vastleggingskredieten, maar met een hoger uitvoeringspercentage;

488.  constateert dat een bedrag van 4 350 000 EUR werd toegewezen als bijdrage aan internationale conventies, protocollen en overeenkomsten waarbij de Unie partij is of waarbij de Unie betrokken is bij de voorbereidende werkzaamheden;

489.  acht de voortgang die geboekt is bij de uitvoering van twaalf proefprojecten en zes voorbereidende acties ten bedrage van in totaal 2 950 000 EUR bevredigend; is zich ervan bewust dat het voor de Commissie lastig kan zijn die acties uit te voeren doordat de beschikbare bedragen klein zijn in verhouding tot de procedures die voor de uitvoering nodig zijn (bijv. actieplannen, oproepen tot het indienen van voorstellen); moedigt de begrotingsautoriteit aan zich te concentreren op proefprojecten en voorbereidende acties met reële meerwaarde voor de Unie in de toekomst;

Volksgezondheid

490.  wenst eraan te herinneren dat 2014 het eerste jaar van implementatie van de nieuwe programma's is: het gezondheidsprogramma werd vastgesteld op 11 maart 2014 (Verordening (EU) nr. 282/2014 van het Europees Parlement en de Raad(109)), terwijl het gemeenschappelijk financieel kader diervoeders en levensmiddelen op 27 juni 2014 werd vastgesteld (Verordening (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad(110));

491.  stelt vast dat DG SANTE in 2014 verantwoordelijk was voor de uitvoering van 244 221 762 EUR op begrotingsonderdelen voor volksgezondheid, waarvan 96,6 % op bevredigende wijze werd vastgelegd; is ervan op de hoogte dat ongeveer 75 % van die middelen rechtstreeks wordt overgedragen aan drie gedecentraliseerde agentschappen (het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding, de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en het Europees Geneesmiddelenbureau); neemt er ook kennis van dat het niveau van tenuitvoerlegging van vastleggingskredieten meer dan 98,9 % bedraagt voor alle lijnen, behalve voor het Europees Geneesmiddelenbureau, waarvoor de onvolledige tenuitvoerlegging van vastleggingskredieten correspondeert met het resultaat van 2013, dat in 2015 opnieuw is gebruikt;

492.   neemt er ook kennis van dat het niveau van tenuitvoerlegging van vastleggingskredieten 98,9 % bedraagt voor alle lijnen, hetgeen heel goed is;

493.  merkt op dat het uitvoeringspercentage met betrekking tot het volksgezondheidsprogramma voor de periode 2008-2014 ook uitstekend is (99,7 % voor zowel vastleggings- als betalingskredieten) en dat de resterende niet gebruikte kredieten met name betrekking hebben op bestemmingsontvangsten, die in 2015 ook nog gebruikt kunnen worden;

494.  is tevreden dat de uitvoering van de zes proefprojecten en drie voorbereidende acties onder verantwoordelijkheid van DG SANTE op het gebied van volksgezondheid goed gevorderd is en alle bijbehorende vastleggingskredieten (6 780 000 EUR) ten uitvoer werden gelegd;

Voedselveiligheid, diergezondheid en dierwelzijn en de gezondheid van planten

495.  constateert dat het uitvoeringspercentage voor voedselveiligheid, diergezondheid en dierwelzijn en de gezondheid van planten op 96,8 % ligt; merkt evenwel op dat indien rekening wordt gehouden met de niet-automatische overdracht van 6 800 000 EUR het uitvoeringspercentage 100 % van de beschikbare kredieten bedraagt;

496.  stelt vast dat, net als vorig jaar, de bijdrage van de Unie voor de programma's ter bestrijding van tuberculose het hoogst was en dat de bijdrage van de Unie voor programma's voor de aanpak van blauwtong nog altijd laag is;

497.  constateert dat de belangrijkste oorzaken voor de onderbenutting van 8 100 000 EUR in het hoofdstuk Veiligheid van levensmiddelen en diervoeders, diergezondheid, dierwelzijn en gezondheid van planten de volgende zijn: 500 000 EUR heeft te maken met bestemmingsontvangsten voor de verschillende programma's die in 2015 kunnen worden gebruikt (d.w.z. dat er geen sprake is van onderbenutting), 800 000 EUR heeft betrekking op bestemmingsontvangsten die technisch gesproken niet opnieuw kunnen worden gebruikt in 2015 (in verband met C5-kredieten van het oude programma) en 6 800 000 EUR in verband met het fonds voor noodmaatregelen; neemt ter kennis dat het laatste bedrag naar 2015 is overgeheveld (voor maatregelen ter bestrijding van de Afrikaanse varkenspest in Estland, Letland, Litouwen en Polen in 2014);

498.  constateert dat het uitvoeringspercentage voor de betalingskredieten van 2014 van het hoofdstuk over veiligheid van levensmiddelen en diervoeders, diergezondheid, dierwelzijn en gezondheid van planten op 99,0 % ligt, hetgeen een lichte daling betekent ten opzichte van 2013 (99,6 %); begrijpt dat tijdens de algemene overschrijvingsexercitie aanvullende betalingskredieten zijn gevraagd maar niet toegekend, en dat tegen het eind van het jaar slechts een betaling niet volledig kon worden verricht, maar dat in overleg met de lidstaten de nog uitstaande som begin januari 2015 alsnog is betaald;

499.  is tevreden dat de uitvoering van alle drie de proefprojecten en de ene voorbereidende actie onder verantwoordelijkheid van DG SANTE op het gebied van volksgezondheid goed gevorderd is, en dat alle bijbehorende vastleggingskredieten (1 250 000 EUR) ten uitvoer werden gelegd;

500.  is op basis van de beschikbare gegevens en het uitvoeringsverslag van oordeel dat de Commissie kwijting kan worden verleend voor de uitgaven op het gebied van milieu- en klimaatbeleid, volksgezondheid en voedselveiligheid voor het begrotingsjaar 2014.

Vervoer en toerisme

501.  merkt op dat in de begroting 2014 zoals die definitief was vastgesteld en in de loop van het jaar was gewijzigd, specifiek voor het vervoerbeleid een totaalbedrag van 2 931 147 377 EUR aan vastleggingskredieten en 1 089 127 380 EUR aan betalingskredieten beschikbaar was; constateert voorts dat van deze bedragen:

–   2 616 755 356 EUR aan vastleggingskredieten en 937 182 847 EUR aan betalingskredieten beschikbaar was voor vervoerbeleid, met inbegrip van de Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (Connecting Europe Facility ‑ CEF), veilig vervoer en passagiersrechten, en vervoersagentschappen,

–   239 313 549 EUR aan vastleggingskredieten en 71 213 206 EUR aan betalingskredieten beschikbaar was voor onderzoek en innovatie op het gebied van vervoer, met inbegrip van Sesar en de gemeenschappelijke onderneming (GO) Shift2Rail,

–   75 078 470 EUR aan vastleggingskredieten en 80 731 327 EUR aan betalingskredieten beschikbaar was voor administratieve uitgaven;

502.  is ingenomen met het hoge uitvoeringspercentage (98,2 %) in 2014 voor de vastleggingskredieten voor mobiliteits- en vervoerbeleid, en de aanzienlijk hoge uitvoeringsgraad (95,2 %) voor de betalingskredieten; merkt op dat het bedrag aan uitstaande vastleggingen in 2014 met 1 653 372 424 EUR is gestegen in verhouding tot het totaal van 5 647 143 046 EUR en dat uitstaande bedragen gewoonlijk meer stijgen aan het begin van het nieuwe meerjarig financieel kader, aangezien de betalingen voor nieuwe projecten later ingehaald zullen worden; verzoekt de Commissie en de lidstaten niettemin ervoor te zorgen dat de vervoerprojecten naar behoren worden uitgevoerd;

503.   betreurt het dat het geschatte foutenpercentage voor het beleidsdomein "Concurrentievermogen voor groei en banen", waaronder het vervoerbeleid valt en waarvoor vervoer het kleinste door de Rekenkamer gecontroleerde bedrag vertegenwoordigt (0,8 miljard EUR) op een totaal gecontroleerde populatie (13 miljard EUR), in 2014 5,6 % bedroeg (een stijging ten opzichte van 2013 (4,0%)), wat voornamelijk het gevolg was van de terugbetaling van niet-subsidiabele kosten, maar ook van niet-naleving van aanbestedingsregels; verzoekt de Commissie alle passende maatregelen te treffen om deze situatie recht te zetten (onder meer door zorgvuldiger controles vooraf te verrichten om dit soort fouten op te sporen en te corrigeren voordat de terugbetaling plaatsvindt);

504.   vestigt de aandacht op het feit dat in 2014 geen projecten zijn gefinancierd in het kader van de CEF nadat de eerste oproep tot het indienen van projectvoorstellen in maart 2015 werd gesloten en dat het door de Europese Investeringsbank (EIB) te beheren CEF‑schuldinstrument pas eind 2014 werd goedgekeurd; wijst erop dat de Rekenkamer zes verrichtingen in de vervoersector (DG Mobiliteit en Vervoer) heeft onderzocht en heeft vastgesteld dat twee van die zes transacties kwantificeerbare fouten vertoonden; is dan ook tevreden over de verlaging van het aantal verrichtingen met fouten in 2014 (33 %) ten opzichte van 2013 (62 %) en 2012 (49 %); verzoekt de Commissie en andere betrokken actoren ervoor te zorgen dat de aanbestedingsregels worden nageleefd en dat de uitgaven voor toekomstige vervoerprojecten subsidiabel zijn;

505.   wijst erop dat volgens de meerjarige controlestrategie die de Commissie toepast, waarbij rekening wordt gehouden met terugvorderingen, correcties en de effecten van de controles en audits gedurende de uitvoeringsperiode van het programma, het berekende restfoutenpercentage voor TEN-T 0,84 % bedroeg;

506.  vestigt de aandacht op het hoge aantal in het kader van CEF-T-oproepen van 2014 ingediende hoogwaardige projecten dat niet kon worden goedgekeurd wegens gebrek aan beschikbare middelen; is van mening dat er moet worden gezorgd voor voldoende financiering voor CEF-T-projecten; betreurt het dat er middelen aan de CEF-begroting zijn onttrokken om het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) te financieren; herinnert er echter aan dat punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord over de begrotingsdiscipline(111) 10 % ruimte biedt voor verhoging van de CEF-begroting tijdens de jaarlijkse begrotingsprocedure en dat die ruimte losstaat van de EFSI-financiering; benadrukt dat de uitvoering van projecten die tussen het Europees Parlement en de Raad overeengekomen zijn in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad(112) een dergelijke verhoging van de CEF-begroting zou billijken;

507.   moedigt de Commissie aan nauwlettend toezicht te blijven houden op de uitvoering van innovatieve financieringsinstrumenten om EU-investeringen te stimuleren en nieuwe financieringsbronnen voor TEN-T- infrastructuurprojecten aan te trekken, zoals het Margueritefonds, Loans and Guarantees for debt (LGTT) en het initiatief inzake projectobligaties (PBI), en te waarborgen dat de bijdrage aan deze instrumenten uit de EU-begroting op de juiste wijze wordt beheerd en besteed;

508.   merkt op dat er over vervoerprojecten informatie beschikbaar is in verschillende databanken, zoals het Europees systeem voor financiële transparantie, de INEA‑databank van TEN-T-projecten, projecten medegefinancierd door middel van cohesie- en regionale fondsen, en CORDIS voor Horizon 2020-projecten; wenst dat de projectgegevens van deze instrumenten worden geïntegreerd om een beter overzicht te krijgen van de toewijzing van EU-subsidies, zowel upstream als downstream; wijst nogmaals op het belang van de publicatie van een gemakkelijk toegankelijke lijst van projecten op het gebied van vervoer en toerisme en van een online te raadplegen gegevensbank van door de Unie meegefinancierde projecten waarin het exacte bedrag van de financiering wordt vermeld, teneinde de transparantie te vergroten;

509.   wijst erop dat de vervoerprojecten in de periode 2014-2020 uit verschillende bronnen zullen worden gefinancierd, waaronder de CEF, het Cohesiefonds, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het EFSI; verzoekt de Commissie derhalve te zorgen voor de nodige synergie, opdat de middelen uit die verschillende financieringsbronnen doeltreffender kunnen worden toegewezen;

510.   wijst erop dat het beginsel "gebruiken of verliezen" met betrekking tot EU-middelen de lidstaten kan aanzetten tot het voorstellen van projecten die weinig effect sorteren; vindt het zorgwekkend dat gebrekkige projectselectie in het verleden heeft geleid tot een aantal onrendabele investeringen van EU-middelen in vervoerprojecten; verwelkomt het nieuwe rechtskader voor 2014-2020, dat zorgt voor een versterking van het proces van kosten-batenanalyse en evaluatie van projecten;

511.   is ingenomen met de oprichting van de GO Shift2Rail in juni 2014, die tot doel heeft het concurrentievermogen van de Europese spoorwegsector te vergroten; merkt op dat er voor de GO Shift2Rail aparte kwijtingsprocedures zullen komen zodra die GO financieel onafhankelijk wordt, wat in de komende jaren zal gebeuren; betreurt niettemin de vertraging bij de tenuitvoerlegging van deze GO, alsook het feit dat het voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) zeer moeilijk is om eraan deel te nemen;

512.   is van mening dat de Commissie volledige transparantie bij het beheer van de middelen moet waarborgen en de bescherming van het openbaar belang te allen tijde moet laten prevaleren boven private belangen;

513.  merkt op dat in de begroting 2014 zoals die definitief was vastgesteld en in de loop van het jaar was gewijzigd, specifiek voor toerisme een totaalbedrag van 11 226 160 EUR aan vastleggingskredieten en 6 827 266 EUR aan betalingskredieten was opgenomen; verzoekt de Commissie een effectbeoordeling van gefinancierde projecten te verrichten om de toekomstige uitgavenprioriteiten beter vast te stellen, die aansluiten bij de positie van de EU als 's werelds belangrijkste toeristische bestemming en de toeristische sector in staat stelt een belangrijke potentiële groeisector voor de economie van de Unie te worden; verzoekt de Commissie de resultaten van de proefprojecten en voorbereidende acties op te nemen in de begrotingsplanning voor volgend jaar en een gemakkelijk toegankelijke jaarlijkse lijst van projecten op dit gebied beschikbaar te stellen;

514.  stelt voor dat het Parlement met betrekking tot de sectoren waarvoor de Commissie vervoer en toerisme verantwoordelijk is, de Commissie kwijting verleent voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014.

Regionale ontwikkeling

515.  wijst erop dat in het jaarverslag van de Rekenkamer van 10 november 2015 over de uitvoering van de begroting 2014 van de Europese Unie het foutenpercentage voor het cohesiebeleid wordt geschat op 5,7%, wat hoger is dan het percentage van 2013 (5,3%); spreekt zijn bezorgdheid uit over deze stijging, die vooral substantieel is wat betreft fouten met financiële gevolgen en ernstige nadelige effecten op de begroting; benadrukt dat de helft van het geschatte foutenpercentage voor het cohesiebeleid verband houdt met de complexiteit van regels inzake openbare aanbestedingen en staatssteun, alsmede met overtredingen begaan tijdens de procedures op dit terrein, zoals ongerechtvaardigde onderhandse gunning, belangenconflicten en discriminerende selectiecriteria;

516.  neemt nota van de antwoorden van de Commissie op het verslag van de Rekenkamer dat de gemiddelde afname van het foutenpercentage ten opzichte van de programmeringsperiode 2000-2006 te danken is aan een verbetering van de beheers- en controlesystemen; verzoekt de Commissie aan de autoriteiten tijdige informatie en training te verstrekken inzake de regels voor openbare aanbestedingen en staatssteun; verwelkomt in dat verband de vaststelling van het actieplan inzake openbare aanbestedingen; neemt nota van de toepassing van het initiatief rond integriteitspacten en dringt er bij de Commissie op aan om een passende ex-ante-evaluatie te verrichten van het potentieel van deze pacten, teneinde de transparantie en efficiëntie van openbare aanbestedingen met betrekking tot ESI-fondsen daadwerkelijk te verhogen; dringt er bij de lidstaten op aan uiterlijk eind 2016 te voldoen aan de ex-antevoorwaarden inzake openbare aanbestedingen, en de richtlijnen inzake overheidsopdrachten van 2014 uiterlijk april 2016 in hun rechtsstelsels om te zetten, om onregelmatigheden te voorkomen en te zorgen voor een doeltreffende en efficiënte uitvoering van projecten en het bereiken van de beoogde resultaten, zodat de doelstellingen van het cohesiebeleid verwezenlijkt kunnen worden; verzoekt de Commissie streng toe te zien op dit proces en te voorzien in de respectieve richtsnoeren en technische bijstand voor de lidstaten in verband met een correcte omzetting van deze richtlijnen in nationale wetgeving;

517.  wijst er nogmaals op dat niet alle onregelmatigheden bestempeld kunnen worden als fraude en dat er een onderscheid gemaakt moet worden tussen niet-frauduleuze en frauduleuze onregelmatigheden; overwegende dat onregelmatigheden waarbij geen sprake is van fraude vaak voortvloeien uit zwakke financiële beheers- en controlesystemen en het gebrek aan administratieve capaciteit ten aanzien van zowel kennis van de regels als technische expertise met betrekking tot de specifieke werken of diensten; roept de Commissie en de lidstaten op erop toe te zien dat passende, efficiënte en doeltreffende systemen voor financieel beheer en controle worden ingevoerd overeenkomstig de relevante regels van het regelgevend kader, met inachtneming van de bestaande nationale regelgeving;

518.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regionale autoriteiten ervoor te zorgen dat de begunstigden samenhangende informatie ontvangen over de subsidiabiliteitsvoorwaarden, met name met betrekking tot de subsidiabiliteit van de uitgaven en de respectievelijke maxima voor de vergoedingen;

519.  wijst erop dat de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid in de lidstaten gepaard gaat met uitgebreide nationale en regionale procedures en regels, afhankelijk van de institutionele structuur van de lidstaat, die een bijkomende laag vormen, en tot onregelmatigheden kunnen leiden en daarmee tot verlies van middelen uit de ESI-fondsen en toenemende verschillen tussen de lidstaten; verzoekt de Commissie bij te dragen aan de vereenvoudiging van de tenuitvoerlegging op nationaal en regionaal niveau, met inachtneming van de institutionele kenmerken van de lidstaten, en de lidstaten de nodige verduidelijking te verschaffen inzake de tenuitvoerlegging van verordeningen; herinnert de Commissie en de lidstaten aan de resolutie van het Europees Parlement "Naar vereenvoudiging en prestatiegerichtheid van het cohesiebeleid 2014-2020" en aan de noodzaak om de nodige maatregelen te treffen om overmatige regelgeving en de administratieve lasten tot het noodzakelijke minimum te beperken, teneinde een betere absorptie van de ESI-fondsen mogelijk te maken en fouten door eindbegunstigden, met name kmo's, te voorkomen; betreurt het feit dat de Commissie vertegenwoordigers van de lidstaten heeft uitgesloten van de Groep op hoog niveau voor toezicht op de vereenvoudiging voor begunstigden van de ESI-fondsen, waardoor hun inbreng ter verbetering van het systeem niet wordt meegenomen;

520.  is van mening dat administratieve capaciteit onmisbaar is voor een regulier en efficiënt gebruik van de ESI-fondsen en roept de Commissie en de lidstaten op de uitwisseling van kennis en goede praktijken inzake specifieke kwesties op het gebied van implementatie (zoals openbare aanbesteding, staatssteun, subsidiabiliteitscriteria en controlespoor) op te voeren, met name voor die potentiële begunstigden die beschikken over beperktere administratieve en financiële capaciteiten; stelt in dit verband voor om specifieke maar omvattende activiteiten op te zetten om ambtenaren en autoriteiten die zich bezighouden met ESI-fondsprojecten alsook begunstigden te trainen (bijvoorbeeld door middel van trainingen en bijscholingscursussen, seminars, of de verlening van technische en administratieve ondersteuning);

521.  verwelkomt de invoering door de Commissie van het "Taiex Regio Peer 2 Peer"‑instrument om een peer-to-peer uitwisseling tussen de beheers-, certificerings- en controleautoriteiten van de lidstaten mogelijk te maken, met het doel hun bestuurlijke capaciteit te vergroten; onderstreept het belang van grotere inspanningen voor de aanwijzing van instanties, wat een voorwaarde is voor de indiening van betalingsverzoeken, met het oog op een vlotte tenuitvoerlegging van de programma's en van de toestroom van middelen; is daarnaast van oordeel dat de Commissie efficiënt en daadwerkelijk uitvoering moet geven aan alle instrumenten die beschikbaar zijn voor vroegtijdige opsporing en preventie van risico's in het cohesiebeleid, en meer in het bijzonder instrumenten voor datamining, zoals Arachne, voor de vroegtijdige opsporing en preventie van risico's in openbare aanbestedingsprocedures; aangezien de activiteiten van de task force voor een betere implementatie ook activiteiten omvatten die kunnen leiden tot meer efficiency, doeltreffendheid en toegevoegde waarde van projecten in het kader van het cohesiebeleid die reeds zijn uitgevoerd, wordt de Commissie opgeroepen deze aspecten te beoordelen door middel van kwalitatieve indicatoren;

Landbouw en plattelandsontwikkeling

522.  is van mening dat het GLB, een van de oorspronkelijke Europese beleidsvormen, een belangrijk instrument van de EU is en een grote impact heeft, niet alleen op het gebied van de levensmiddelenproductie en de ecosysteemdiensten en in de zin van ecologische, sociaaleconomische en gendergerelateerde verbeteringen die het teweeg heeft gebracht of kan brengen, maar ook voor het tegengaan van de ontvolking van het platteland, waarbij het rekening houdt met de noodzaak om het concept van de kringloopeconomie te ontwikkelen; is van mening dat het GLB zodoende bijdraagt aan het evenwicht tussen de regio's van de Europese Unie doordat het financiële steun en belangrijke instrumenten verstrekt om jonge landbouwers te helpen landbouwactiviteiten te starten en de continuïteit tussen generaties waarborgt;

523.  merkt op dat DG AGRI in 2014 veel werk heeft verzet met de autoriteiten van de lidstaten om ervoor te zorgen dat deze steeds beter in staat zijn fouten bij de landbouwuitgaven te voorkomen en hun plattelandsontwikkelingsprogramma's ten uitvoer te leggen; erkent de positieve impact van DG AGRI die tot uiting komt in het jaarverslag van de Rekenkamer over 2014, en meent dat de acties van dit DG, in combinatie met die van de lidstaten, een goede basis zouden moeten vormen voor verdere verbeteringen tijdens de sleuteljaren van de uitgavenperiode 2014-2020;

524.   dringt erop aan dat in extreme gevallen de accreditatie van stelselmatig wanpresterende betaalorganen wordt ingetrokken;

525.  is van mening dat consequent presteren en resultaten boeken van essentieel belang is in het GLB, dat een veilige en zekere productie van ons voedsel waarborgt, in de hele EU wordt toegepast en positieve sociale, ecologische en economische effecten heeft, aangezien het betrekking heeft op de productie van allerlei soorten landbouwgewassen en levensmiddelen;

526.  merkt op dat het agrarisch factorinkomen per werkende in de lidstaten die in 2004 of later (EU-N13) tot de EU zijn toegetreden slechts een kwart bedraagt van het agrarisch factorinkomen dat in de EU-15(113) werd gegenereerd;

527.  is ingenomen met de verbeteringen ten opzichte van de cijfers van het jaarverslag 2013 en wijst erop dat de Rekenkamer heeft geconcludeerd dat het percentage getoetste transacties bij het landbouwbeleid een lager foutenpercentage te zien geeft in vergelijking met 2013; wijst erop dat het foutenpercentage voor 2013 2,9 % bedraagt (tegenover 3,6 % in 2013) voor ELGF-transacties (controles in 17 lidstaten), en 6,2 % (7 % in 2013) voor plattelandsontwikkeling, milieu en visserij (controles in 18 lidstaten), en een gemiddeld percentage van 3,6 % voor het onderdeel "natuurlijke hulpbronnen" in zijn geheel;

528.  benadrukt de noodzaak om een gemeenschappelijke methodologie voor de berekening van het foutenpercentage vast te stellen teneinde de geldigheid ervan te verzekeren en significante verschillen tussen het door de Commissie aangegeven en het door de Rekenkamer vastgestelde foutenpercentage te voorkomen;

529.  vestigt de aandacht op de verklaring van de Commissie(114) dat inbreuken op de randvoorwaarden (bijvoorbeeld tijdige melding van verplaatsingen van dieren, naleving van tijdschema's en termijnen) niet van invloed mogen zijn op het in aanmerking komen voor betalingen (reeds bevestigd door de Rekenkamer) en dat het foutenpercentage bij de randvoorwaarden omwille van de duidelijkheid moet worden afgetrokken van het totale foutenpercentage;

530.  wijst erop dat de verschillen in de wijze waarop de regels inzake gekoppelde betalingen in de lidstaten worden toegepast tot concurrentieverstoring leiden, bijvoorbeeld in de zuivelsector;

531.  juicht het toe dat de Commissie nieuwe richtsnoeren heeft ingevoerd voor de bepaling van financiële correcties van in gedeeld beheer gefinancierde uitgaven in geval van niet-naleving van de regels voor de plaatsing van overheidsopdrachten(115);

532.  wijst erop dat 2014 een overgangsjaar was waarin aanzienlijke betalingen voor het laatste deel van de financieringsperiode 2007-2013 werden verricht en waarin de laatste elementen voor de GLB-financieringsperiode 2014-2020 (de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen) halverwege het jaar werden ingevoerd; merkt ook op dat 2015 en 2016 eveneens moeten worden beschouwd als overgangsjaren waarin zowel de landbouwers als de autoriteiten van de lidstaten voor het eerst volledig de vergroeningsmaatregelen en andere ingrijpende beleidsveranderingen moesten toepassen, met nieuwe en complexe regels en een groot aantal nieuwe aanvragers van rechtstreekse betalingen, aangezien veel van de meerjarige maatregelen in de plattelandsontwikkelingsplannen (POP) van de lidstaten pas in 2016 van start zullen gaan en er bijzondere aandacht moet worden geschonken aan nieuwe instrumenten die bij de hervorming zijn ingevoerd;

533.  acht het verheugend dat het foutenpercentage gedaald is ten opzichte van dat van 2013 en beseft dat daar veel inspanningen en middelen voor nodig zijn geweest, in het bijzonder in de vorm van voorlichting en technische bijstand van de Commissie aan de nationale autoriteiten van de lidstaten in verband met de tenuitvoerlegging; is echter van mening dat alleen het meten van fouten op zich nog geen prestatie- of resultatenmeting is;

534.  wijst de Commissie erop dat de risico's van onopzettelijke fouten vanwege de complexe regelgeving uiteindelijk gedragen worden door de begunstigde; vraagt om een redelijk, evenredig en doeltreffend sanctiebeleid om deze aanpak te ondersteunen, bijvoorbeeld door te voorkomen dat dubbele sancties worden opgelegd voor dezelfde fout in het kader van zowel de betalingsregeling als de randvoorwaarden; dringt er bij de Commissie aan beter te waarborgen dat de sancties in verhouding staan tot de aard van de fout; verzoekt om instrumenten voor een met meer stimulansen gepaard gaande, resultaatgerichte benadering die tot een lager foutenpercentage en minder inspecties kan leiden en het beter mogelijk maakt om fouten te onderscheiden van fraude, en die er tegelijkertijd voor zorgt dat landbouwers nog steeds de vitale voedselproductie kunnen leveren die het kernpunt van het beleid vormt; is van mening dat doorgaan met het aanpakken van de complexiteit en het stroomlijnen van het GLB cruciaal is om nieuwkomers in de landbouw aan te trekken en hen en hun vaardigheden te behouden met het oog op een bloeiende EU-landbouwsector in de toekomst;

535.  is ingenomen met het feit dat de Europese Rekenkamer onderzoekt hoe zij in haar jaarverslag prestaties kan meten, vooral omdat de Commissie haar uitgaven resultaatgericht wil maken; wijst er echter op dat het moeilijk is de resultaten van meerjarige financieringsprogramma's – de methode voor de tenuitvoerlegging van milieumaatregelen in de tweede pijler die momenteel de voorkeur geniet – te beoordelen met een instrument dat de resultaten per jaar onderzoekt, en verzoekt de Rekenkamer uit te leggen hoe ze die prestaties denkt te gaan meten, vooral in verband met de landbouwuitgaven; verzoekt de Rekenkamer evenwel bij de beoordeling van de prestaties rekening te houden met de veelheid aan doelstellingen van het plattelandsontwikkelingsbeleid, teneinde te voorkomen dat simplistische indicatoren worden gebruikt en verkeerde conclusies worden getrokken;

536.  merkt op dat de Rekenkamer op grond van haar eigen controles van mening is dat het GBCS in belangrijke mate bijdraagt tot de voorkoming en vermindering van de foutenniveaus in de steunregelingen waarop het van toepassing is(116) en neemt kennis van de opmerking dat de tekortkomingen met betrekking tot het LPIS in alle gecontroleerde lidstaten zijn aangepakt met corrigerende maatregelen(117);

537.  is ingenomen met de door de Commissie voorgestelde vereenvoudiging van het GBCS aan de hand van preventieve voorlopige controles die de nationale overheidsinstanties in staat zullen stellen om problemen met aanvragen van landbouwers te identificeren en correcties door te voeren, en die moeten leiden tot minder sancties;

538.  herhaalt de belangrijkste aanbevelingen van de Rekenkamer: de lidstaten moeten zorgen voor betrouwbare en actuele LPIS-informatie en -beelden om te voorkomen dat er betalingen worden verricht voor niet-subsidiabele grond; de Commissie moet van de lidstaten verlangen dat hun actieplannen corrigerende maatregelen omvatten om veelvuldig voorkomende oorzaken van fouten aan te pakken, moet haar strategie met betrekking tot de conformiteitscontroles op het gebied van plattelandsontwikkeling herzien en moet zorgen voor correcte toepassing van de procedure inzake de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen, die vanaf 2015 verplicht wordt gesteld;

539.  merkt op dat de Commissie en de Rekenkamer het erover eens zijn dat de uitgaven voor plattelandsontwikkeling aan complexe regelgeving en subsidiabiliteitsvoorwaarden zijn onderworpen, hetgeen ten dele toe te schrijven is aan de aard van het beleid en de heterogeniteit van de Europese regio's; vraagt om vereenvoudiging en om opneming van preventiemaatregelen in de voorschriften voor 2014-2020; wenst bovendien dat de lidstaten in hun nieuwe plattelandsontwikkelingsprogramma's voor vereenvoudiging zorgen, wat een prioriteit moet zijn en een belangrijk middel om het aantal fouten te verkleinen en de doeltreffendheid en flexibiliteit te verhogen en daarmee de opnamecapaciteit te vergroten, met name wanneer het gaat om kleinschalige programma's die wellicht minder belangstelling hebben genoten en/of constant hoge foutenpercentages hebben vertoond als gevolg van het gebrek aan flexibiliteit in het verleden;

540.  verzoekt de Commissie tijdig een gedetailleerd plan in te dienen om de bureaucratie in het GLB te verminderen;

541.  verzoekt de Commissie en de autoriteiten van de lidstaten te blijven werken aan elke mogelijke vereenvoudiging ten aanzien van de rechtstreekse betalingen en om hoge prioriteit toe te kennen aan de vereenvoudiging van de vergroeningsmaatregelen, in het bijzonder wanneer er veel verschillende niveaus betrokken zijn bij het beheer van EGFL- en plattelandsontwikkelingsfondsen in de lidstaten, en zo nodig voor de twee pijlers een verschillende aanpak te volgen; benadrukt dat de grote verschillen tussen de lidstaten op het gebied van rechtstreekse betalingen de concurrentiekloof tussen landbouwers op de interne markt hebben vergroot;

542.  verwacht dat de Commissie met spoed volledig gebruik zal maken van de vereenvoudiging van het GLB, in het bijzonder met betrekking tot de belastende en complexe regelgeving inzake randvoorwaarden en vergroening, die uiteindelijk gevolgen heeft voor landbouwers in heel Europa; benadrukt dat in het vereenvoudigingsproces de nadruk moet worden gelegd op verlichting van de administratieve lasten en dat het proces de bij de laatste GLB-hervorming overeengekomen beginselen en regels, die ongewijzigd dienen te blijven, niet in gevaar mag brengen; is van mening dat die vereenvoudiging geen herziening van de GLB‑uitgaven voor de periode 2013-2020 mee dient te brengen;

543.  wijst erop dat het aankopen van landbouwarealen door investeerders ertoe leidt dat kleine bedrijven die door eigenaren worden beheerd steeds meer onder druk komen te staan en dat een deel van de rechtstreekse betalingen wordt uitgekeerd aan internationale concerns;

544.  wijst erop dat het van belang is te beschikken over vergelijkbare prestatie-indicatoren en cijfers voor programma's van dezelfde soort op verschillende plaatsen, en ziet uit naar verbeteringen op dit gebied in de periode 2014-2020 die moeten zorgen voor een beter financieel beheer van het GLB, dat berust op de behoeften van de afzonderlijke lidstaten;

545.  wijst erop dat het GLB, vooral ook dankzij het stimuleren van samenwerking, een belangrijke rol speelt bij de bevordering van sociale inclusie, armoedevermindering en economische ontwikkeling in plattelandsgebieden doordat het werkgelegenheid schept, via het LEADER-programma en vanwege het feit dat het voor nieuwe diensten en infrastructuur zorgt; verzoekt om een analyse van het totale effect van de twee pijlers van het GLB in plattelandsgebieden waarin wordt nagegaan waar en hoe de middelen worden toegewezen en wie de werkelijke eindbegunstigden zijn;

546.  merkt op dat de uitgaven ten goede zouden moeten komen aan zowel de plattelandsgebieden als de consumenten in het algemeen, en herinnert eraan dat eindbegunstigden geld uitgeven aan goederen en diensten in hun plaatselijke gemeenschap of door mensen in dienst te nemen in hun bedrijven, waarmee zij de plaatselijke bevolking helpen in afgelegen of plattelandsgebieden waar land- en bosbouw vaak de belangrijkste economische aanjagers zijn;

547.  merkt op dat de impact van het Russische invoerverbod op landbouwproducten, dat halverwege 2014 werd afgekondigd, een belangrijke uitdaging vormt; pleit voor beter beheer in de beginfase van noodmaatregelen om te zorgen voor een correcte toewijzing van de middelen; of, indien noodzakelijk, de snelle terugvordering van onrechtmatig geclaimde bedragen; is in dit verband ingenomen met de voortdurende inspanningen van de Commissie om alternatieve afzetmarkten te identificeren voor landbouwoverschotten en de door het invoerverbod getroffen bedrijfstakken te ondersteunen; is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om alternatieve afzetmarkten te identificeren voor landbouwoverschotten en roept de lidstaten op gezamenlijke inspanningen te leveren om obstakels voor de expansie van de afzetmarkten weg te nemen; benadrukt het belang van de TTIP-overeenkomst, die de sluiting van een aantal traditionele markten zou kunnen compenseren;

548.  is ingenomen met het besluit van de Commissie om buitengewone steunregelingen in te stellen voor landen die verliezen hebben geleden in de zuivelsector en roept de Commissie op verdere steunmaatregelen te overwegen voor sectoren die vergelijkbare problemen ondervinden;

549.  is bezorgd over het feit dat vrouwen in plattelandsgebieden in veel lidstaten slechts in beperkte mate toegang hebben tot de arbeidsmarkt en verzoekt de Commissie zich in haar toekomstige ontwikkelingsinitiatieven tot prioritaire taak te stellen de toegang van vrouwen in plattelandsgebieden tot de arbeidsmarkt te verbeteren en te vergroten en passende middelen toe te wijzen aan een "Europese garantie voor plattelandsvrouwen", naar analogie van de Europese jongerengarantie, waarbij afzonderlijke streefcijfers worden vastgesteld voor vrouwen in plattelandsgebieden;

550.  verzoekt de Commissie de regels inzake de erkenning van producentenorganisaties, met name in de groenten- en fruitsector, te verduidelijken en de doorlooptijden van audits door de Commissie verder te verkorten teneinde de begunstigden rechtszekerheid te bieden en onnodige fouten te voorkomen;

551.  wijst is, gezien de doelstelling van het Verdrag(118) redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers te verzekeren, van mening dat de eerlijke toegang voor alle burgers in het gedrang komt als er teveel btw geheven wordt op levensmiddelen, en dat btw-fraude dan waarschijnlijker wordt;

552.  meent dat de doelstellingen voor de programmeringsperiode 2007-2013 nog steeds belangrijke doelen zijn en dat de Unie in de huidige periode de nadruk moet leggen op de verbetering van de levensvatbaarheid van landbouwbedrijven en de landbouw, op de bevordering van een beter evenwicht in de voedselketen met het oog op de consolidatie en versterking van producentenorganisaties, op de ondersteuning van kwaliteitsregelingen, korte ketens, sociale coöperaties, plaatselijke markten, ecosysteemdiensten en een evenwichtige plattelandsontwikkeling, strikt beperkt tot plattelandsgebieden in de nieuwe POP's, en dat daarbij onredelijke milieuverwachtingen of -uitgaven moeten worden vermeden;

553.  herinnert eraan dat er van alle door de Rekenkamer gecontroleerde uitgaven van 2014 slechts drie voor onderzoek bij Olaf werden gemeld(119) wegens vermoeden van kunstmatig gecreëerde voorwaarden voor het verkrijgen van steun (nieuwe entiteiten die zijn opgericht door gevestigde bedrijven of groepen personen), en dat een van die gevallen door de nationale autoriteiten al lang vóór de audit van de Rekenkamer als verdacht was gesignaleerd;

554.  merkt op dat de beleidsimplementatie nog voor verbetering vatbaar is; hamert er daarom op dat het in kennis wil worden gesteld van elke verbetering op het gebied van de vaststelling en verwezenlijking van beleidsdoelstellingen en van de naleving;

555.  verzoekt de Commissie het effect en de doeltreffendheid van de betalingen voor de verkoopbevordering in derde landen te onderzoeken en te waarborgen dat de lokale agrarische producenten door deze maatregelen niet uit de markt worden gedreven;

556.  merkt op dat er, toen DG AGRI zijn jaarlijks activiteitenverslag opstelde, over een aantal Ipard-elementen nog geen informatie beschikbaar was en dat die informatie nu moet worden bijgewerkt (aantal gesubsidieerde landbouwbedrijven, toename van de bruto waarde, aantal bedrijven die normen van de Unie introduceren); meent dat er in de nieuwe financieringsperiode constante analyse wordt verwacht;

557.  wijst erop dat het jaarverslag van de Rekenkamer over 2014 goede resultaten te zien geeft, maar verzoekt de Rekenkamer het Parlement toch te informeren over de stappen die zij wil ondernemen om een beoordelingsmethode met een duidelijker meerjarig karakter in te voeren wanneer zij de voorgenomen meer resultaatgerichte aanpak ontwikkelt.

Visserij

558.  neemt kennis van de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en de Rekenkamer over de jaarrekening van de Europese Unie over het begrotingsjaar 2014; neemt tevens kennis van het jaarverslag van de Rekenkamer over het begrotingsjaar 2014; neemt kennis van het activiteitenverslag 2014 van DG MARE; houdt rekening met speciaal verslag nr. 11/2015 van de Rekenkamer over partnerschapsovereenkomsten inzake visserij;

559.  neemt kennis van de oordelen van de Rekenkamer over de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen bij de rekeningen; stelt vast dat de Rekenkamer een afkeurend oordeel velt over de betalingskredieten, die een totaal foutenpercentage van 4,4 % vertonen, maar geen specifiek foutenpercentage voor de visserij vermeldt; vraagt dat de visserij apart in de boekhouding wordt opgenomen en wordt losgekoppeld van de landbouw, teneinde meer transparantie op visserijgebied te krijgen;

560.  constateert dat DG MARE voorbehoud maakt in verband met het beheers- en controlesysteem voor EVF-programma's in sommige lidstaten;

561.  is ervan overtuigd dat het door DG MARE opgezette interne controlesysteem voldoende waarborgen biedt om het risico met betrekking tot de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen op adequate wijze te beheersen;

Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV)

562.  constateert dat de vaststelling na 1 januari 2014 van programma's voor het gedeeld beheer van het EFMZV en andere ESI-fondsen heeft geleid tot een technische herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) om ongebruikte kredieten van 2014 naar daaropvolgende jaren over te dragen;

563.  betreurt ten zeerste dat de overgrote meerderheid van de lidstaten hun operationele programma's met betrekking tot het EFMZV pas zeer laat hebben ingediend, waardoor grote vertraging ontstaat bij de tenuitvoerlegging van het fonds; wijst erop dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van kredieten in gedeeld beheer;

564.  is van mening dat de lidstaten hun instrumenten en kanalen voor het doorgeven van informatie aan de Commissie moeten verbeteren; beveelt de Commissie aan meer druk uit te oefenen op de lidstaten om betrouwbare gegevens te verstrekken;

565.  dringt er bij de Commissie op aan de lidstaten alle mogelijke steun te verlenen met het oog op een adequaat en volledig gebruik van de financiële EFMZV-middelen, met hoge uitvoeringspercentages, in overeenstemming met hun respectieve prioriteiten en behoeften, met name wat de duurzame ontwikkeling van de visserijsector betreft;

Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen

566.  is verheugd dat het agentschap met ingang van 1 januari 2014 belast is met het EFMZV; neemt nota van het op 23 september 2014 ondertekende memorandum van overeenstemming tussen DG MARE en het agentschap; benadrukt dat moet worden bevorderd dat het agentschap al zijn begunstigden hoogwaardige ondersteuning verleent met betrekking tot de 19 EFMZV-acties;

Speciaal verslag nr. 11/2015 van de Rekenkamer (kwijting 2014) getiteld: Worden de partnerschapsovereenkomsten inzake visserij goed beheerd door de Commissie?

567.  verzoekt de Commissie rekening te houden met de aanbevelingen van de Rekenkamer;

568.  betreurt de financiële kosten ten gevolge van de onderbenutting van de in bepaalde recente protocollen vastgestelde referentiehoeveelheden; stelt voor om de betalingen voor toegangsrechten nauwer te koppelen aan de reële vangsten; vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat de sectorale steunbetalingen consistent zijn met andere betalingen van begrotingssteun, en dringt aan op een verbetering van de door de partnerlanden bereikte resultaten bij de uitvoering van de matrix van overeengekomen acties;

569.  benadrukt dat de complementariteit en consistentie tussen FPA's binnen eenzelfde regio, zoals de Rekenkamer aangeeft, voor verbetering vatbaar zijn: er moet gestreefd worden naar een maximale benutting van hun potentieel op regionaal niveau;

570.  onderstreept dat de informatie op basis van onafhankelijke evaluaties achteraf niet altijd voldoende compleet, consistent en vergelijkbaar was, zodat ze minder nuttig was als basis voor besluiten en onderhandelingen; merkt bovendien op dat deze evaluaties onvoldoende aangeven in hoeverre de FPA's hun doelstellingen hebben bereikt; zo wordt de werkgelegenheid in van de visserij afhankelijke gebieden in de EU er niet in genoemd en is er geen informatie over de visvoorziening op de Europese markt;

571.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het ontbreken van betrouwbare, verifieerbare en toegankelijke informatie over de visbestanden en de activiteiten van de nationale visserijvloot en van andere vreemde schepen die eveneens toegang hebben gekregen, daar een van de voornaamste doelstellingen van de FPA's is dat alleen overschotten van visbestanden worden gevangen en dit zeer moeilijk realiseerbaar is gebleken;

572.  verzoekt de Commissie nauwer toezicht uit te oefenen op de implementatie van de sectorale steun om de doeltreffendheid te verzekeren;

573.  benadrukt het feit dat de door de Unie gefinancierde acties voor sectorondersteuning in het kader van de internationale overeenkomsten op efficiënte wijze moeten worden gevolgd, via matrixtabellen die zo gedetailleerd mogelijk worden opgesteld, alsmede het feit dat de ontwikkeling van het aandeel van de sectorondersteuning moet worden aangemoedigd; is ervan overtuigd dat het commerciële onderdeel van de overeenkomsten op lange termijn afhankelijk moet worden gesteld van een efficiënte, voldoende gevolgde en substantiële sectorondersteuning;

574.  stelt met bezorgdheid vast dat de thans geldende protocollen nog steeds niet de mogelijkheid bieden om de betalingen te korten wanneer de resultaten slechts ten dele worden bereikt; verneemt dat bij het volledig of gedeeltelijk uitblijven van resultaten de betaling van de sectorale steun voor het volgende jaar wordt opgeschort tot de doelstellingen zijn behaald; verzoekt de Commissie toch om waar mogelijk in de nieuwe protocollen de mogelijkheid van gedeeltelijke betaling van de sectorale steun in te voeren;

Kwijting

575.  stelt op basis van de beschikbare gegevens voor de Commissie kwijting te verlenen voor haar uitgaven op het gebied van maritieme zaken en visserij voor het begrotingsjaar 2014.

Cultuur en onderwijs

576.  stelt met voldoening vast dat het programma Erasmus+ in het eerste jaar met name gericht was op het bevorderen van vaardigheden en van de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, het beoogde doel heeft verwezenlijkt om nauwere banden tot stand te brengen tussen de programma's van de Unie en beleidsontwikkelingen op het gebied van onderwijs, opleiding, sport en jongeren, het optreden van de Unie op zodanige wijze heeft bevorderd om beter tegemoet te komen aan de doelstelling van levenslang leren, en de sociale, economische en geografische ongelijkheden heeft helpen verminderen door veel Europese burgers te bereiken; wijst er evenwel op dat er, in vergelijking met het vorige programma Jeugd in actie, nog een aantal problemen zijn in het onderdeel Jeugd van Erasmus+ in verband met de toegang tot financiering; betreurt dat de Commissie binnen het programma Erasmus+ onvoldoende financiële middelen heeft uitgetrokken om beter te communiceren over de globale veranderingen in de nieuwe programmalijnen en zo meer projecten van scholen op te nemen;

577.   is van mening dat, hoewel de grotere decentralisatie van de financiële middelen voor Erasmus+ beter kan inspelen op bepaalde nationale en lokale vereisten, afhankelijk van de kernactiviteiten, deze decentralisatie toch moet worden geëvalueerd om te verhinderen dat zij een belemmering vormt voor de verwezenlijking van de strategische doelstellingen van het programma Erasmus+, met name wat het onderdeel Jeugd betreft;

578.   wijst erop dat het programma Erasmus+ de integratie en inzetbaarheid van jonge Europeanen op de arbeidsmarkt en de ontwikkeling van nieuwe vaardigheden bevordert, dat het initiatieven versterkt op het gebied van burgerschap, vrijwilligerswerk en internationalisering van jongeren en sport, dat het bijdraagt tot een verbetering van de kwaliteit van onderwijs, formele en informele opleiding en levenslang leren, en dat het besef versterkt van Europees burgerschap dat gebaseerd is op begrip en eerbiediging van de mensenrechten;

579.   is uitermate bezorgd over de feitelijke opschorting van de betalingen in het kader van Erasmus+ Jeugd in Griekenland, zoals vermeld in het verslag 2015 van het Europees Jeugdforum over de uitvoering van het programma;

580.   neemt kennis van de problemen die het DG EAC van de Commissie en het Uitvoerend agentschap voor onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA) hebben gemeld in de eerste uitvoeringsfase van de programma's Erasmus+, Creatief Europa en Europa voor de burger, in het bijzonder met betrekking tot vertraging bij de vaststelling van de oproepen tot het indienen van voorstellen en de uitbetaling van de middelen; hoopt dat dit uitzonderlijke omstandigheden zijn en ziet daarom uit naar de komende jaren waarin deze programma's een grotere stabiliteit zullen vertonen dan in dit eerste jaar van uitvoering; beveelt aan dat het programma Erasmus+ meer kleinschalige projecten opneemt die de kern vormen van innovatieve activiteiten op de drie gebieden: onderwijs, jeugd en sport;

581.   is ingenomen met de inspanningen voor financieringsmodellen op basis van forfaitaire bedragen en eenheidskosten die zowel het financieel beheer voor de begunstigden van financiering door de Unie als voor de Unie zelf vereenvoudigen; wijst er evenwel op dat, met name in het onderdeel Jeugd van Erasmus+, ook deze forfaitaire bedragen en eenheidskosten ontoereikend zijn voor de financiering van de cruciale operationele uitgaven van jongerenorganisaties en ngo's; herhaalt dat de Unie nog meer moet investeren in dit programma;

582.  herinnert eraan dat vertragingen bij de eindbetalingen door het EACEA een rechtstreekse impact hebben op de rechten van de begunstigden, waardoor culturele verenigingen en projecten alsook de creativiteit en de diversiteit van de culturele sector in het gedrang komen; moedigt het EACEA aan zijn controle- en betalingssystemen verder te verbeteren;

583.   uit zijn bezorgdheid over het feit dat de Europese scholen niet zijn ingegaan op de door de Rekenkamer herhaalde kwesties en wijst op de aanbeveling van de Rekenkamer aan de raad van bestuur van de Europese scholen om uitvoering te geven aan een roulatiesysteem voor gevoelige functies en andere zwakke punten aan te pakken, wat de fundamentele beginselen van transparantie en goed financieel beheer in het gedrang kan brengen; neemt kennis van de goedkeuring in 2014 van het nieuwe financieel reglement voor de Europese scholen als een van de middelen – indien correct toegepast – om te reageren op de ernstige problemen die de Rekenkamer heeft gesignaleerd; verzoekt de raad van bestuur van de Europese scholen te overwegen sommige functies, die momenteel gedecentraliseerd zijn, zoals de functie van rekenplichtige, te centraliseren en een scheiding van de functies voor autorisatie, uitvoering en controle van financiële transacties te bevorderen om het risico op fouten en fraude tot een minimum te beperken; is van mening dat een alomvattende herziening van het bestuur, het beheer en de organisatie van het systeem van de Europese scholen zich opdringt gezien de punten van zorg die zijn aangehaald en gezien het feit dat 60 % van de begroting van de Europese scholen, 177 miljoen EUR, uit de begroting van de Unie komt;

584.   wijst erop dat de discrepantie tussen de zevenjarige programmering van het meerjarig financieel kader (MFK) en de tienjarige programmering van de politieke en strategische prioriteiten van de Unie negatieve gevolgen kan hebben voor de consistente beoordeling van de resultaten van programma's van de Unie; merkt op dat de komende herziening van het MFK een belangrijk onderdeel is bij het beheer van de uitgaven van de Unie door ervoor te zorgen dat de investeringsprogramma's van de Unie doeltreffend blijven; dringt aan op een grondige vereenvoudiging van de aanvraagformulieren en -criteria, met name voor kleinschalige projecten, zowel bij de programma's Erasmus+ als Creatief Europa;

585.   is bezorgd over de betalingsachterstand bij de Commissie, die 26 miljard EUR bedroeg in 2014 en waarvan de helft als "abnormaal" werd beschouwd, d.w.z. niet afkomstig van facturen die pas aan het eind van het begrotingsjaar worden opgesteld, zoals is aangetoond door de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement, en die alleen al voor Erasmus+ 202 miljoen EUR bedroeg; merkt op dat deze achterstand voor een deel wordt veroorzaakt door een buitensporig strak MFK, dat niet toelaat de financiering te herverdelen en krappe marges heeft, en voor een deel doordat de lidstaten hun verplichtingen met betrekking tot de betalingskredieten niet nakomen;

586.   benadrukt dat het programma Europa voor de burger een unieke, rechtstreekse schakel vormt tussen de Unie en de burger bij het ondersteunen van acties, verzoekschriften en burgerrechten; acht het huidige subsidieniveau veel te laag en benadrukt dat het programma in zijn geheel moet worden uitgevoerd, met meer initiatieven die de waarden van het Europees burgerschap op de voorgrond plaatsen; spreekt zich krachtig uit tegen verdere bezuinigingen op de begroting of vertraging van de betalingen voor het programma Europa voor de burger 2014-2020;

Burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

587.  neemt kennis van de conclusie van de Rekenkamer dat geconsolideerde jaarrekeningen van de Unie op alle materiële punten een getrouw beeld geven van haar financiële situatie per 31 december 2014; maakt zich desondanks zorgen over het feit dat voor het eenentwintigste jaar achtereen de onderzochte financiële toezicht- en controlesystemen slechts ten dele effectief waren voor wat betreft het waarborgen van de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende betalingen bij de rekeningen;

588.   is evenwel bezorgd over het feit dat de onderliggende betalingen bij de rekeningen een foutenpercentage vertonen dat boven de materialiteitsdrempel ligt; herinnert bijgevolg aan de noodzaak van voorzichtig begrotingsbeheer en dringt aan op meer inspanningen om het foutenpercentage te verminderen;

589.  wijst op de nieuwe presentatie van het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitgaven in het kader van MFK-rubriek 3 "Veiligheid en burgerschap"; verzoekt om opneming ervan in het komende jaar, met inachtneming van de begrotingsverhoging; is het ermee eens dat er behoefte is aan een nieuwe aanpak om de EU-begroting niet op te gebruiken, maar te investeren;

590.   betreurt het feit dat in sommige lidstaten de wetgeving inzake belangenconflicten van leden van het parlement, de regering en lokale raden vaag en ontoereikend is; verzoekt de Commissie deze situatie te onderzoeken en, indien van toepassing, met desbetreffende voorstellen te komen; is van mening dat dergelijke voorstellen eveneens moeten gelden voor de huidige en kandidaat-leden van de Commissie;

591.  benadrukt dat kosteneffectiviteit moet worden gewaarborgd en dat er lessen moeten worden getrokken uit eerdere projecten waarbij gebreken in het beheer door de Commissie geleid hebben tot vertraging en overbesteding, zoals het geval was bij de ontwikkeling van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II), dat zes jaar later dan gepland werd opgeleverd tegen een kostprijs die acht keer hoger lag dan aanvankelijk was begroot;

592.  merkt op dat, hoewel het Buitengrenzenfonds heeft bijgedragen aan het beheer van de buitengrenzen, de meerwaarde van het fonds beperkt is en dat het uiteindelijke resultaat niet kon worden gemeten als gevolg van tekortkomingen in het toezicht door de aangewezen autoriteiten en ernstige gebreken in de evaluaties achteraf door de Commissie en de lidstaten.

Genderaspecten

593.  herinnert eraan dat de gelijkheid van mannen en vrouwen, overeenkomstig artikel 8 van het VWEU, een van de grondbeginselen van de Europese Unie is en door de Unie wordt bevorderd; is van mening dat het thema gendergelijkheid in alle beleidsterreinen moet worden verwerkt, en dat hier daarom bij de begrotingsprocedure rekening mee moet worden gehouden;

594.  herinnert de Commissie eraan dat sommige begrotingslijnen genderongelijkheid indirect kunnen bevorderen, doordat de tenuitvoerlegging ervan negatieve effecten heeft voor vrouwen; verzoekt de Commissie daarom een genderanalyse uit te voeren van zowel nieuwe als bestaande begrotingslijnen en waar mogelijk de nodige beleidswijzigingen door te voeren om te voorkomen dat genderongelijkheid indirect in de hand wordt gewerkt;

595.  herinnert de Commissie aan haar recente toezeggingen ten aanzien van resultaatgericht budgetteren en herhaalt het verzoek van het Parlement om in de gemeenschappelijke reeks resultaatindicatoren voor de uitvoering van de begroting van de Unie eveneens genderspecifieke indicatoren op te nemen, die een betere beoordeling van de begroting vanuit het genderperspectief mogelijk zouden maken;

596.  vraagt de Commissie een beoordeling op te stellen over de effecten die Europese middelen hebben gehad op de bevordering van gendergelijkheid;

597.  verzoekt de Europese Unie meer middelen toe te wijzen aan het Europees Sociaal Fonds voor de ontwikkeling van kwalitatief hoogwaardige en betaalbare openbare diensten voor kinderopvang en voor de zorg voor ouderen en andere zorgbehoevende volwassenen (die in de meeste gevallen nog altijd door vrouwen voor hun rekening wordt genomen), eveneens gezien de resultaten van de index voor gendergelijkheid, die onlangs door het Europees instituut voor gendergelijkheid is ontwikkeld;

598.  verzoekt de Commissie en de lidstaten een volledige opleiding te verzorgen voor overheidsfunctionarissen die betrokken zijn bij besluiten over uitgaven, om te waarborgen dat zij zich volledig bewust zijn van de effecten van hun besluiten op de gendergelijkheid;

599.  vraagt alle Europese instellingen na te gaan of er binnen de instellingen en organen van de Europese Unie daadwerkelijk gelijkheid bestaat op het vlak van verdeling van de banen, door in het kader van de kwijtingsprocedure naar geslacht uitgesplitste gegevens te verstrekken met betrekking tot het aantal personeelsleden en hun rang.

16.2.2016

ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen

(2015/2154(DEC))

Rapporteur voor advies: Cristian Dan Preda

SUGGESTIES

De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is bezorgd over de toename van het aantal materiële fouten in rubriek 4 voor het begrotingsjaar 2014; steunt alle aanbevelingen in het jaarverslag van de Europese Rekenkamer en dringt er bij de Commissie op aan dringend gevolg te geven aan de aanbevelingen van de vorige jaren die nog niet volledig ten uitvoer zijn gelegd;

2.  is verheugd over het feit dat DG NEAR de systemische fouten betreffende zijn uitgaven 2013 heeft opgelost en ingrijpende wijzigingen in zijn systemen heeft doorgevoerd zoals de Rekenkamer heeft gevraagd; uit tevens zijn tevredenheid over het feit dat het jaarlijks activiteitenverslag van DG ECHO volgens de controlewerkzaamheden van de Rekenkamer correct was;

3.  neemt met bezorgdheid kennis van de fouten die bij de verificatie van de uitgaven voor subsidie-overeenkomsten zijn ontdekt en meer dan 50 % uitmaken van de fouten die de Rekenkamer in rubriek 4 heeft vastgesteld; merkt op dat het bij het meest significante foutentype om niet-subsidiabele uitgaven gaat; benadrukt dat het belangrijk is dat fouten vóór de goedkeuring van uitgaven worden voorkomen of ontdekt en gecorrigeerd, door een betere uitvoering van controles vooraf; wijst met grote bezorgdheid op het onvermogen van EuropeAid om fouten op te sporen; dringt er bij de Commissie op aan de tot op heden geleverde inspanningen op te voeren om deze problemen bij de verificatie van de uitgaven op te lossen en integraal gevolg te geven aan de aanbeveling inzake toezicht op subsidies die de Rekenkamer in haar jaarverslag 2011 heeft gedaan;

4.  benadrukt dat er een serieuze beoordeling vooraf moet plaatsvinden voordat de Commissie besluit - eventueel via de Europese Investeringsbank - grote infrastructuurprojecten met grote ecologische effecten te financieren, waarbij de duurzaamheid van het project vanuit financieel, ecologisch en sociaal oogpunt moet worden geverifieerd, en verlangt dat financiering door de EU in derde landen ten goede komt aan projecten waarvan de financiële duurzaamheid is gewaarborgd en die een sociaal-economisch nut uitwijzen;

5.  erkent de gestage vorderingen van de Commissie om alle missies in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid volgens de "beoordeling op grond van zes pijlers" te accrediteren en is met name ingenomen met het feit dat de drie grootste missies nu hieraan zijn aangepast; benadrukt dat de Commissie alle missies overeenkomstig de aanbeveling van de Rekenkamer moet accrediteren;

6.  vraagt de Commissie eens te meer om met voorstellen te komen voor hervorming van de financiële voorschriften zodat vertraging bij operationele uitbetalingen wordt voorkomen, door bijvoorbeeld in een spoedprocedure te voorzien zoals die op dit moment ook voor humanitaire hulp bestaat, die gebruikt kan worden voor crisisbeheersing onder het bewaren van de samenhang met de strategische langetermijndoelstellingen van de EU;

7.  is ingenomen met de oprichting van het missie-ondersteuningsplatform (MSP) en herhaalt zijn oproep aan de Commissie om stappen te ondernemen voor de oprichting van een echt gemeenschappelijk dienstencentrum en de invoering van een geïntegreerd systeem voor hulpmiddelenbeheer om de inzetsnelheid en de kostenefficiëntie van missies te verbeteren; stelt voor dat de rol van het depot voor het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) wordt uitgebreid en dat het depot ook bestaande GVDB-missies ondersteunt en wordt beheerd door het toekomstige gemeenschappelijk dienstencentrum;

8.  betreurt de aanzienlijke vertragingen bij de inkoop van essentiële uitrusting en diensten voor GVDB-missies en de negatieve gevolgen die dit heeft voor het functioneren van de missies; brengt in herinnering dat de Rekenkamer deze inefficiëntie heeft aangekaart in haar speciaal verslag van 2012 over de bijstand van de EU voor de rechtsstatelijkheid in Kosovo, waarin zij concludeert dat de in het Financieel Reglement vastgelegde aanbestedingsprocedures "niet gericht zijn op GVDB-missies, waarbij het soms nodig is snel en flexibel te reageren"; betreurt dat de recente herziening van het Financieel Reglement niet de nodige verandering in de financiële regels heeft gebracht; is van mening dat het beheer over de betrokken begrotingslijnen moet worden gedelegeerd aan de civiele operationele commandant, zoals dit ook is gedaan bij de hoofden van de EU‑delegaties;

9.  wijst erop dat de efficiëntie van GVDB-training en -adviesmissies zwaar te lijden heeft onder het institutionele onvermogen om zulke acties met zelfs maar elementaire uitrusting te onderbouwen; is in dit verband ingenomen met de inspanningen van de Commissie om uitvoering te geven aan de gezamenlijke mededeling inzake capaciteitsopbouw ter ondersteuning van veiligheid en ontwikkeling; vraagt de Commissie om zo snel mogelijk met de nodige wetgevingsvoorstellen te komen voor de oprichting van een speciaal fonds, zodat dit nog in de EU-begroting kan worden opgenomen bij de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader;

10.  is ingenomen met de speciale verslagen die de Rekenkamer in 2015 heeft uitgebracht over EUPOL, Afghanistan en EU-steun voor bestrijding van marteling en afschaffing van de doodstraf; vraagt de Commissie met klem om uitvoering te geven aan alle aanbevelingen die de Rekenkamer in deze verslagen uitbrengt;

11.  benadrukt dat het belangrijk is bij de beoordeling van de efficiëntie van EU-projecten in derde landen rekening te houden met contextgerelateerde criteria omdat de EU haar externe steun vaak verleent in door crises getroffen regio's en in politiek moeilijke situaties.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.2.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

40

8

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Lars Adaktusson, Michèle Alliot-Marie, Francisco Assis, Petras Auštrevičius, Goffredo Maria Bettini, Mario Borghezio, James Carver, Lorenzo Cesa, Javier Couso Permuy, Georgios Epitideios, Eugen Freund, Michael Gahler, Iveta Grigule, Richard Howitt, Tunne Kelam, Afzal Khan, Janusz Korwin-Mikke, Andrey Kovatchev, Ilhan Kyuchyuk, Ryszard Antoni Legutko, Barbara Lochbihler, Sabine Lösing, Ulrike Lunacek, Andrejs Mamikins, Tamás Meszerics, Francisco José Millán Mon, Pier Antonio Panzeri, Demetris Papadakis, Vincent Peillon, Tonino Picula, Kati Piri, Andrej Plenković, Cristian Dan Preda, Jozo Radoš, Sofia Sakorafa, Jaromír Štětina, Charles Tannock, Eleni Theocharous, László Tőkés, Ivo Vajgl, Johannes Cornelis van Baalen, Hilde Vautmans

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Angel Dzhambazki, András Gyürk, Takis Hadjigeorgiou, Javi López, Juan Fernando López Aguilar, Antonio López-Istúriz White, Urmas Paet, Soraya Post, Traian Ungureanu

19.2.2016

ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen

(2015/2154(DEC))

Rapporteur voor advies: Doru-Claudian Frunzulică

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herinnert eraan dat de uitgaven voor ontwikkelingshulp en humanitaire hulp van de EU vaak moeten worden verricht in zeer problematische omgevingen, wat de uitvoering van projecten, evaluaties en uitgavencontroles moeilijker maakt, en dat ontwikkelingshulp en humanitaire hulp dan ook foutgevoeliger zijn dan andere beleidsgebieden van de Unie;

2.  stelt vast dat het door de Rekenkamer geschatte foutenpercentage voor de uitgaven voor "Europa als wereldspeler" gestegen is van 2,1 tot 2,7 % tussen 2013 en 2014; benadrukt dat dit foutenpercentage nog altijd aanzienlijk lager ligt dan de foutenpercentages van de door de lidstaten beheerde uitgaven van de Unie;

3.  merkt op dat volgens de Rekenkamer 57 % van de fouten verband houdt met niet-subsidiabele uitgaven; steunt de aanbeveling van de Rekenkamer aan EuropeAid om de controles vooraf te verbeteren en beter gebruik te maken van bezoeken ter plaatse om fouten op te sporen;

4.  is verheugd dat volgens de Rekenkamer de door DG ECHO ingestelde controleprocedures voor financiële transacties correct werken en dat zijn verslagleggingssysteem betrouwbaar is; feliciteert DG ECHO hiervoor;

5.  vestigt de aandacht op de gezamenlijke verbintenis van de Unie om de officiële ontwikkelingshulp van de Unie en de lidstaten tot 0,7 % van het bruto nationaal inkomen (bni) op te trekken en dringt aan op een voorspelbaar en bindend tijdschema om dit te verwezenlijken; steunt ten volle een gestage toename van de EU-middelen voor klimaatdoelstellingen, die nieuw en aanvullend moeten zijn, zoals toegezegd door de Unie; hekelt elke uitholling van niet aan het klimaat gerelateerde officiële ontwikkelingshulp, en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer in haar Speciaal verslag nr. 17/2013 over de EU-klimaatfinanciering in de context van externe steun;

6.  erkent dat uitgaven op het gebied van veiligheid belangrijk zijn voor ontwikkeling en bijzonder relevant zijn voor de huidige initiatieven voor een totaalaanpak van het verband tussen veiligheid en ontwikkeling en om resultaten te boeken inzake doelstelling 16 van de ontwikkelingsagenda, maar benadrukt dat dergelijke financiering geen officiële ontwikkelingshulp is en momenteel niet kan worden opgenomen uit het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking dat is vastgesteld door Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad, en evenmin uit het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF);

7.  stelt vast dat in 2014 twee projecten in verband met grensbeheer in Libië ter waarde van 12,9 miljoen EUR via het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking werden gefinancierd; herinnert eraan dat de eerste doelstelling van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking armoedebestrijding is; geeft nogmaals uiting aan zijn ernstige ongerustheid over het mogelijk gebruik van ontwikkelingsprogramma's voor doelen die niet direct met ontwikkeling te maken hebben; herinnert eraan dat een dergelijke aanpak de Unie niet zal helpen bij het realiseren van de doelstelling om 0,7 % van het bni te besteden aan officiële ontwikkelingshulp;

8.  wijst op de potentiële waarde van het resultatenkader dat DG DEVCO in 2015 heeft ingevoerd, maar ook op de daaraan verbonden risico's die de Rekenkamer in haar Speciaal verslag nr. 21/2015 heeft geïdentificeerd; acht het noodzakelijk tevens het meer politieke risico te voorkomen dat te veel nadruk wordt gelegd op het nastreven van het beperkt aantal kwantificeerbare resultaten die in het resultatenkader van DG DEVCO zijn opgenomen, ten koste van het nastreven van andere resultaten met betrekking tot de doelstellingen van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Unie, alsook van kwalitatieve resultaten; benadrukt dat het belangrijk is het resultatenkader te behandelen als een aanvulling op andere regelingen voor toezicht en verslaglegging;

9.  is ingenomen met Speciaal verslag nr. 18/2014 van de Rekenkamer betreffende de evaluatie- en resultaatgerichte toezichtsystemen van EuropeAid; verzoekt DG DEVCO de diverse zwakke punten in zijn evaluatie- en controlesystemen aan te pakken die de Rekenkamer in haar speciaal verslag heeft aangestipt, met name de punten die betrekking hebben op ernstige tekortkomingen in het evaluatiesysteem van DG DEVCO; benadrukt dat een slecht functionerend evaluatiesysteem het risico in de hand werkt dat projecten van slechte kwaliteit worden geselecteerd of projecten die hun doelen niet bereiken; neemt kennis van en is bezorgd over de meningsverschillen tussen de Commissie en de Rekenkamer als het gaat om betrouwbare informatie inzake de doeltreffendheid van begrotingssteunoperaties; is van mening dat er een verband bestaat tussen een gebrek aan personeel in de EU-delegaties en in de evaluatie-eenheid van DG DEVCO en de door de Rekenkamer aan de orde gestelde problemen; ziet dit als een voorbeeld van de schadelijke gevolgen die personeelsinkrimpingen kunnen hebben voor de doeltreffende werking van programma's van de Unie;

10.  vertrouwt erop dat DG DEVCO de diverse zwakke punten in haar evaluatie- en controlesystemen zal aanpakken die de Rekenkamer in haar Speciaal verslag nr. 18/2014 heeft aangestipt;

11.  dringt aan op de vastlegging van formele toetsingsbevoegdheden met betrekking tot het EOF, mogelijk via een interinstitutionele overeenkomst met een bindend karakter op grond van artikel 295 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

12.  is ernstig bezorgd over de bevindingen van de Rekenkamer in haar Speciaal verslag nr. 11/2015 over het beheer van de partnerschapsovereenkomsten inzake visserij (FPA's) door de Commissie; stelt vast dat de Rekenkamer twijfels uit over de duurzaamheid van FPA's omdat het moeilijk is het concept van bevissing van overschotbestanden ingang te doen vinden; stelt tevens vast dat de Rekenkamer ernstige twijfels heeft over de kwaliteit van het toezicht van de Commissie op de implementatie van FPA's; betreurt eveneens en sluit zich aan bij de bevinding van de Rekenkamer dat controles achteraf van FPA's onvoldoende worden gebruikt in de opstelling van follow-upovereenkomsten; dringt er bij de Commissie op aan zo spoedig mogelijk uitvoering te geven aan de talrijke aanbevelingen van de Rekenkamer;

13.  benadrukt dat de door de EU-delegaties opgestelde toezichtverslagen inzake externe steun momentopnames zijn van de tenuitvoerlegging van de externe steunprojecten van de Unie en daarom niet als definitieve projectevaluaties mogen worden beschouwd; waarschuwt derhalve voor overhaaste en vertekende conclusies met betrekking tot de algemene doeltreffendheid van het steunbeleid van de Unie;

14.  herinnert eraan dat een vrijwel constant acuut tekort aan betalingskredieten in 2014 de problemen van DG ECHO nog heeft verergerd om passend te kunnen reageren op de steeds ernstiger humanitaire crises in de buurlanden van de EU en daarbuiten; is ingenomen met het feit dat dankzij beter afgestemde kredieten in de begroting van de Unie voor 2015 en 2016 het betalingsprobleem van DG ECHO grotendeels is opgelost;

15.  betreurt dat als gevolg van een tekort aan betalingskredieten in 2014, betalingen voor begrotingssteun aan Marokko en Jordanië ter waarde van een totaalbedrag van 43 miljoen EUR niet konden worden verricht in 2014 zoals contractueel was vastgelegd; vindt dat dit de geloofwaardigheid van de Unie ernstig aantast.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

17.2.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

22

4

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Louis Aliot, Beatriz Becerra Basterrechea, Ignazio Corrao, Nirj Deva, Doru-Claudian Frunzulică, Nathan Gill, Charles Goerens, Enrique Guerrero Salom, Heidi Hautala, Maria Heubuch, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Stelios Kouloglou, Arne Lietz, Linda McAvan, Maurice Ponga, Cristian Dan Preda, Lola Sánchez Caldentey, Elly Schlein, Pedro Silva Pereira, Davor Ivo Stier, Paavo Väyrynen, Bogdan Brunon Wenta, Rainer Wieland, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Jan Zahradil, Joachim Zeller

26.1.2016

ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen

(2015/2154(DEC))

Rapporteur voor advies: David Casa

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  merkt met bezorgdheid op dat het geschatte foutenpercentage op het beleidsterrein werkgelegenheid en sociale zaken voor 2014 ligt op 3,7%, wat iets hoger is dan het voorgaande jaar (3,1%); wijst erop dat dit een stap terug is op weg naar het verwezenlijken van een foutenpercentage dat onder het streefdoel van 2% ligt;

2.  verwelkomt het feit dat de Rekenkamer in haar verslag de uitvoering van de begroting van de Unie beoordeelt in het licht van de Europa 2020-strategie; neemt kennis van de opmerking dat niet afzonderlijk wordt vastgesteld wat de bijdrage uit de begroting van de EU is met betrekking tot het behalen van de kerndoelen, zoals die met betrekking tot werkgelegenheid en de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting;

3.  verwelkomt verder de aanbevelingen van de Rekenkamer dat de Europe 2020-strategie en het MFK beter op elkaar moeten worden afgestemd en dat de hoge politieke ambities van de EU-strategie moeten worden omgezet in bruikbare operationele streefdoelen, en benadrukt het feit dat het belangrijk is te focussen op prestaties en resultaten, alsmede op meerwaarde, met name wat betreft de kerndoelen op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken, waar de Commissie niet de bevoegdheid om een wettelijk bindend kader te scheppen; roept de Commissie op de resultaatindicatoren en monitoringsystemen verder te ontwikkelen, om de resultaten te kunnen vergelijken met de overeengekomen doelstellingen, zodat meer informatie beschikbaar komt ten behoeve van het vaststellen van toekomstige doelen en het vergroten van de doeltreffendheid van EU-bestedingen;

4.  neemt nota van de opmerking van de Rekenkamer over het verhoogde risico op onregelmatigheden in het geval van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) die deelnemen aan Horizon 2020; staat achter het antwoord van de Commissie dat het betrekken van kmo's bij het programma cruciaal is voor het creëren van groei en banen en merkt op dat de administratieve regels voor kmo's vereenvoudigd zijn, en benadrukt dat een verdere vereenvoudiging zou leiden tot een grotere participatie van kmo's; benadrukt dat het van groot belang is duurzame banen te scheppen door middel van kmo's;

5.  merkt op dat de meeste nieuwe banen in Europa te danken zijn aan kmo's en is van mening dat meer kan worden gedaan om hun betrokkenheid bij de financieringsprogramma's van de EU te vergroten; verzoekt de Commissie bijkomende maatregelen te treffen om de actieve betrokkenheid van kmo's aan te moedigen, inclusief de toepassing van het "denk eerst klein"-principe;

6.  merkt op dat voor uitgaven in het kader van het Europees Sociaal Fonds (ESF) het grootste risico blijft voortvloeien uit de ontastbare aard van de investeringen in menselijk kapitaal, de diversiteit van de activiteiten en de betrokkenheid van meerdere, vaak kleinschalige partners bij de tenuitvoerlegging van projecten; verzoekt de Commissie door te gaan met het uitvoeren van specifieke risicobeperkende acties, waaronder zowel preventieve als corrigerende maatregelen;

7.  neemt kennis van de bevindingen van de Rekenkamer in Speciaal verslag nr. 17/2015 met betrekking tot de heroriëntering van de ESF-financiering in de periode 2012-2014; neemt met bezorgdheid kennis van de tekortkomingen bij de verslaglegging door de Commissie over de resultaten van deze fondsen, en is van mening dat verdere stappen in de richting van een beleid op basis van resultaten van vitaal belang zijn om te zorgen voor degelijke financiële verantwoording en een efficiënt gebruik van EU-middelen;

8.  is bezorgd dat hogere foutenpercentages gevolgd door opschortingen en onderbrekingen nadelig kunnen zijn voor het succesvol afsluiten van de programma's uit de periode 2007‑2013;

9.  is van mening dat de bevordering van een breder gebruik van vereenvoudigde kostenopties (SCO's) kan zorgen voor een vermindering van de administratieve last, minder fouten en een grotere gerichtheid op prestaties en resultaten; wijst er evenwel op dat SCO's moeten worden toegepast in een omgeving van rechtszekerheid en vertrouwen en gepaard moeten gaan met een beoordeling van de baten en dat er sprake moet zijn van volledige betrokkenheid van de belanghebbenden op alle niveaus; benadrukt dat SCO's als optie voor de lidstaten beschikbaar moet blijven;

10.  benadrukt dat de lidstaten de regels en vereisten in verband met de tenuitvoerlegging van het Europees Sociaal Fonds niet verder mogen compliceren met als gevolg bijkomende lasten voor de begunstigden en een toename van het foutenrisico;

11.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat voor het beleidsterrein werkgelegenheid en sociale zaken 62 (34,8 %) van de 178 door de Rekenkamer gecontroleerde verrichtingen fouten vertoonden, waarvan 12 kwantificeerbare fouten van meer dan 20% (6,7%); dringt er bij de Commissie op aan corrigerende maatregelen te treffen en strikte procedures toe te passen om het risico op onregelmatigheden op dit beleidsterrein te verkleinen en gevallen van niet-subsidiabele uitgaven op te volgen die door de Rekenkamer zijn vastgesteld;

12.  betreurt het feit dat het aantal programma's in het kader van het Europees Sociaal Fonds (ESF) met een foutenpercentage van meer dan 5% is gestegen van 18,8% in 2013 tot 22,9% in 2014 en dat het betalingsvolume waarop dit percentage betrekking heeft, dramatisch is gestegen van 11,2% tot 25,2%;

13.  vestigt de aandacht op de herhaalde opmerking van de Rekenkamer dat het foutenpercentage lager zou liggen, als de nationale autoriteiten beter gebruik hadden gemaakt van de beschikbare informatie alvorens betalingsverzoeken toe te zenden aan de Commissie; benadrukt in verband hiermee dat de lidstaten en de nationale autoriteiten grondiger moeten controleren en moeten vermijden om terugbetaling te vragen voor onjuiste uitgaven;

14.  moedigt de lidstaten aan gebruik te maken van het risicobeoordelingsinstrument Arachne en moedigt de Commissie aan de lidstaten relevante richtsnoeren en technische assistentie te blijven verstrekken voor de correcte tenuitvoerlegging van de beheers- en controlevereisten in de periode 2014-2020; dringt er bij de Commissie op aan te zorgen voor intensievere uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten;

15.  verzoekt de Commissie de aanbevelingen van de Rekenkamer op te volgen om te waarborgen dat de uitvoering van de begroting van de Unie beter bijdraagt aan het verwezenlijken van de kerndoelen inzake werkgelegenheid en sociale zaken van de Europa 2020-strategie; verwacht in verband hiermee dat de Commissie en de lidstaten gebruik maken van betere prestatie-indicatoren en dat zij de verslaglegging verbeteren met betrekking tot de resultaten die zijn behaald in de periode 2014-2020;

16.  is het eens met de aanbeveling van de Rekenkamer de lidstaten te verzoeken om te zorgen voor een onmiddellijke terugbetaling van de begunstigden, met strikte inachtneming van de in de verordeningen vastgestelde tijdslimieten.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

25.1.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

32

7

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laura Agea, Guillaume Balas, Enrique Calvet Chambon, David Casa, Ole Christensen, Jane Collins, Lampros Fountoulis, Arne Gericke, Thomas Händel, Marian Harkin, Czesław Hoc, Rina Ronja Kari, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Kostadinka Kuneva, Jean Lambert, Jérôme Lavrilleux, Jeroen Lenaers, Dominique Martin, Anthea McIntyre, Joëlle Mélin, Elisabeth Morin-Chartier, Emilian Pavel, Georgi Pirinski, Terry Reintke, Sofia Ribeiro, Claude Rolin, Sven Schulze, Jutta Steinruck, Romana Tomc, Renate Weber, Tatjana Ždanoka, Jana Žitňanská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Maria Arena, Amjad Bashir, Lynn Boylan, Miapetra Kumpula-Natri, Paloma López Bermejo, Edouard Martin, Evelyn Regner, Michaela Šojdrová

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Eleonora Evi, Anneli Jäätteenmäki

25.1.2016

ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen

(2015/2154(DEC))

Rapporteur voor advies: Giovanni La Via

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  wenst eraan te herinneren dat het Europees Parlement de Commissie overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) kwijting verleent voor de uitvoering van de begroting na een onderzoek van de rekeningen, de financiële balans, het evaluatieverslag als bedoeld in artikel 318 VWEU, het jaarverslag van de Europese Rekenkamer met de antwoorden van de gecontroleerde instellingen, de verklaring van betrouwbaarheid en eventuele relevante speciale verslagen van de Rekenkamer;

2.  wenst eraan te herinneren dat 2014 het eerste jaar is dat het nieuwe meerjarig financieel kader (MFK) - dat bedoeld is om de omvang en de verdeling van de uitgaven van de Unie voor de periode 2014-2020 vast te stellen - werd toegepast en dat het uitvoeringsniveau derhalve lager is dan de voorgaande jaren;

3.  neemt kennis van de behandeling van de beleidsterreinen milieu en gezondheid in het jaarverslag van de Europese Rekenkamer over het begrotingsjaar 2014; betreurt dat de beleidsterreinen milieu en klimaatbeleid wederom samen met plattelandsontwikkeling en visserij zijn opgenomen in één hoofdstuk; herhaalt zijn kritiek over de onlogische samenstelling van beleidsdomeinen in dit specifieke hoofdstuk; is niet van mening dat de Rekenkamer het politieke besluit mag nemen om beleidsdomeinen te groeperen; spoort de rekenkamer aan deze aanpak in het volgende jaarverslag te corrigeren;

4.  vindt dat in dit verband moet worden opgemerkt dat het hoofdstuk dat plattelandsontwikkeling, milieu, visserij en gezondheid omvat het hoogste foutenpercentage heeft van het verslag van de Europese Rekenkamer voor 2014: 6,2 % ten opzichte van 4,4 % gemiddeld; merkt voorts op dat veel van de tekortkomingen die de Rekenkamer heeft vastgesteld in grote mate overeenkomen met de tekortkomingen die de afgelopen drie jaren ook reeds werden gerapporteerd;

5.  stelt vast dat de Europese Rekenkamer en de Commissie een verschillende visie hebben op de manier waarop fouten moeten worden berekend; merkt op dat volgens de Commissie het representatieve jaarlijkse foutenpercentage van de Europese Rekenkamer moet worden gezien tegen de achtergrond van het meerjarige karakter van de financiële nettocorrecties en terugvorderingen;

6.  stelt vast dat de Europese Rekenkamer geen opmerkingen maakt over het beheer van de beleidsterreinen volksgezondheid, voedselveiligheid en milieu en klimaatmaatregelen;

7.  de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid is tevreden over de algemene uitvoering van de begrotingsrubrieken milieu, klimaatbeleid, volksgezondheid en voedselveiligheid in het jaar 2014; herinnert er nogmaals aan dat slechts 0,5 % van de begroting van de Unie besteed wordt aan deze beleidsinstrumenten, terwijl de Unie duidelijk meerwaarde biedt op deze gebieden en Europese burgers het milieu- en klimaatbeleid van de Unie en het beleid op het gebied van volksgezondheid en voedselveiligheid steunen;

8.  is tevreden met het werk van de vijf gedecentraliseerde agentschappen die onder het mandaat van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid vallen en die technische, wetenschappelijke of beheerstaken uitvoeren die de instellingen van de Unie in staat stellen beleid ten uitvoer te leggen op de gebieden milieu, klimaat, volksgezondheid en voedselveiligheid, alsook met de manier waarop hun begroting zijn uitgevoerd;

Milieu en klimaatmaatregelen

9.  wijst erop dat DG ENV over 352 041 708 EUR aan vastleggingskredieten beschikte, waarvan 99,7 % ten uitvoer is gelegd; merkt ten aanzien van de betalingskredieten op dat het tot tevredenheid stemt dat 95,03 % van de beschikbare 290 769 321 EUR is besteed; merkt voorts op dat de administratieve uitgaven voor LIFE+ zijn uitgevoerd tijdens twee begrotingsjaren (door middel van automatische overdrachten) en dat als deze administratieve uitgaven buiten beschouwing worden gelaten, het uitvoeringspercentage van de betalingskredieten op 99,89 % ligt;

10.  neemt kennis van het feit dat het uitvoeringspercentage van DG CLIMA is gestegen tot 99,7 % van 102 694 032 EUR aan vastleggingskredieten en 93,1 % van 32 837 296 EUR aan betalingskredieten, en dat indien de administratieve uitgaven buiten beschouwing worden gelaten het uitvoeringspercentage stijgt naar 98,5 %;

11.  is tevreden over het totale uitvoeringspercentage van de operationele middelen van LIFE+, dat in 2014 voor de vastleggingskredieten lag op 99,9 % en voor de betalingskredieten op 97,4 %; stelt vast dat in 2014 283 121 194 EUR beschikbaar was voor oproepen tot het indienen van voorstellen in de lidstaten, 40 000 000 EUR gebruikt is voor het financieren van acties in het kader van de financiële instrumenten Natural Capital Financing Facility (NCFF) en Private Financing for Energy Efficiency (PF4EE), 8 952 827 EUR beschikbaar was voor de ondersteuning van operationele activiteiten van ngo's die zich bezighouden met milieubescherming op Europees niveau en die betrokken zijn bij de ontwikkeling en uitvoering van het beleid en de wetgeving van de Unie, en dat 49 502 621 EUR werd gebruikt voor maatregelen ter ondersteuning van de rol van de Commissie als initiatiefneemster van en toezichthoudster bij de ontwikkeling van beleid en wetgeving; merkt op dat een bedrag van 20 914 622 EUR gebruikt is voor administratieve ondersteuning van LIFE en voor operationele steun voor het EASME;

12.  is zich ervan bewust dat het betalingspercentage van LIFE+ altijd wat lager ligt dan de vastleggingskredieten, maar met een hoger uitvoeringspercentage;

13.  constateert dat een bedrag van 4 350 000 EUR werd toegewezen als bijdrage aan internationale conventies, protocollen en overeenkomsten waarbij de Unie partij is of waarbij de Unie betrokken is bij de voorbereidende werkzaamheden;

14.  acht de voortgang die geboekt is bij de uitvoering van twaalf proefprojecten en zes voorbereidende acties ten bedrage van in totaal 2 950 000 EUR bevredigend; is zich ervan bewust dat het voor de Commissie lastig kan zijn die acties uit te voeren doordat de beschikbare bedragen klein zijn in verhouding tot de procedures die voor de uitvoering nodig zijn (bijv. actieplannen, oproepen tot het indienen van voorstellen); moedigt de begrotingsautoriteit aan zich te concentreren op proefprojecten en voorbereidende acties met reële meerwaarde voor de Unie in de toekomst;

Volksgezondheid

15.  wenst eraan te herinneren dat 2014 het eerste jaar van implementatie van de nieuwe programma's is: het gezondheidsprogramma werd vastgesteld op 11 maart 2014 (Verordening (EU) nr. 282/2014 van het Europees Parlement en de Raad(120)), terwijl het gemeenschappelijk financieel kader diervoeders en levensmiddelen op 27 juni 2014 werd vastgesteld (Verordening (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad(121));

16.  stelt vast dat DG SANTE in 2014 verantwoordelijk was voor de uitvoering van 244 221 762 EUR op begrotingsonderdelen voor volksgezondheid, waarvan 96,6 % op bevredigende wijze werd vastgelegd; is ervan op de hoogte dat ongeveer 75 % van die middelen rechtstreeks wordt overgedragen aan drie gedecentraliseerde agentschappen (het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding, de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en het Europees Geneesmiddelenbureau); neemt er ook kennis van dat het niveau van tenuitvoerlegging van vastleggingskredieten meer dan 98,9 % bedraagt voor alle lijnen, behalve voor het Europees Geneesmiddelenbureau, waarvoor de onvolledige tenuitvoerlegging van vastleggingskredieten correspondeert met het resultaat van 2013, dat in 2015 opnieuw is gebruikt;

17.   neemt er ook kennis van dat het niveau van tenuitvoerlegging van vastleggingskredieten 98,9 % bedraagt voor alle lijnen, hetgeen heel goed is;

18.  merkt op dat het uitvoeringspercentage met betrekking tot het volksgezondheidsprogramma voor de periode 2008-2014 ook uitstekend is (99,7 % voor zowel vastleggings- als betalingskredieten) en dat de resterende niet gebruikte kredieten met name betrekking hebben op bestemmingsontvangsten, die in 2015 ook nog gebruikt kunnen worden;

19.  is tevreden dat de uitvoering van de zes proefprojecten en drie voorbereidende acties onder verantwoordelijkheid van DG SANTE op het gebied van volksgezondheid goed gevorderd is en alle bijbehorende vastleggingskredieten (6 780 000 EUR) ten uitvoer werden gelegd;

Voedselveiligheid, diergezondheid en dierwelzijn en de gezondheid van planten

20  constateert dat het uitvoeringspercentage voor voedselveiligheid, diergezondheid en dierwelzijn en de gezondheid van planten op 96,8 % ligt; merkt evenwel op dat indien rekening wordt gehouden met de niet-automatische overdracht van 6 800 000 EUR het uitvoeringspercentage 100 % van de beschikbare kredieten bedraagt;

21.  stelt vast dat, net als vorig jaar, de bijdrage van de Unie voor de programma's ter bestrijding van tuberculose het hoogst was en dat de bijdrage van de Unie voor programma's voor de aanpak van blauwtong nog altijd laag is;

22.  constateert dat de belangrijkste oorzaken voor de onderbenutting van 8 100 000 EUR in het hoofdstuk Veiligheid van levensmiddelen en diervoeders, diergezondheid, dierwelzijn en gezondheid van planten de volgende zijn: 500 000 EUR heeft te maken met bestemmingsontvangsten voor de verschillende programma's die in 2015 kunnen worden gebruikt (d.w.z. dat er geen sprake is van onderbenutting), 800 000 EUR heeft betrekking op bestemmingsontvangsten die technisch gesproken niet opnieuw kunnen worden gebruikt in 2015 (in verband met C5-kredieten van het oude programma) en 6 800 000 EUR in verband met het fonds voor noodmaatregelen; neemt ter kennis dat het laatste bedrag naar 2015 is overgeheveld (voor maatregelen ter bestrijding van de Afrikaanse varkenspest in Estland, Letland, Litouwen en Polen in 2014);

23.  constateert dat het uitvoeringspercentage voor de betalingskredieten van 2014 van het hoofdstuk over veiligheid van levensmiddelen en diervoeders, diergezondheid, dierwelzijn en gezondheid van planten op 99,0 % ligt, hetgeen een lichte daling betekent ten opzichte van 2013 (99,6 %); begrijpt dat tijdens de algemene overschrijvingsexercitie aanvullende betalingskredieten zijn gevraagd maar niet toegekend, en dat tegen het eind van het jaar slechts een betaling niet volledig kon worden verricht, maar dat in overleg met de lidstaten de nog uitstaande som begin januari 2015 alsnog is betaald;

24.  is tevreden dat de uitvoering van alle drie de proefprojecten en de ene voorbereidende actie onder verantwoordelijkheid van DG SANTE op het gebied van volksgezondheid goed gevorderd is, en dat alle bijbehorende vastleggingskredieten (1 250 000 EUR) ten uitvoer werden gelegd;

25.  is op basis van de beschikbare gegevens en het uitvoeringsverslag van oordeel dat de Commissie kwijting kan worden verleend voor de uitgaven op het gebied van milieu- en klimaatbeleid, volksgezondheid en voedselveiligheid voor het begrotingsjaar 2014.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

21.1.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

53

12

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Pilar Ayuso, Zoltán Balczó, Catherine Bearder, Ivo Belet, Simona Bonafè, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Birgit Collin-Langen, Mireille D’Ornano, Miriam Dalli, Seb Dance, Angélique Delahaye, Jørn Dohrmann, Ian Duncan, Stefan Eck, Bas Eickhout, Eleonora Evi, José Inácio Faria, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Gerben-Jan Gerbrandy, Jens Gieseke, Julie Girling, Sylvie Goddyn, Matthias Groote, Françoise Grossetête, Jytte Guteland, György Hölvényi, Jean-François Jalkh, Benedek Jávor, Karin Kadenbach, Peter Liese, Norbert Lins, Valentinas Mazuronis, Susanne Melior, Miroslav Mikolášik, Piernicola Pedicini, Bolesław G. Piecha, Marcus Pretzell, Frédérique Ries, Daciana Octavia Sârbu, Annie Schreijer-Pierik, Davor Škrlec, Renate Sommer, Tibor Szanyi, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Estefanía Torres Martínez, Nils Torvalds, Glenis Willmott, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Paul Brannen, Herbert Dorfmann, Christofer Fjellner, Luke Ming Flanagan, Elena Gentile, Martin Häusling, Karol Karski, Andrey Kovatchev, Merja Kyllönen, Marijana Petir, Christel Schaldemose, Jasenko Selimovic, Bart Staes, Mihai Ţurcanu, Tom Vandenkendelaere, Carlos Zorrinho

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Daniel Dalton

17.2.2016

ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen

(2015/2154(DEC))

Rapporteur voor advies: Massimiliano Salini

SUGGESTIES

De Commissie vervoer en toerisme verzoekt de ten principale bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  merkt op dat in de begroting 2014 zoals die definitief was vastgesteld en in de loop van het jaar was gewijzigd, specifiek voor het vervoerbeleid een totaalbedrag van 2 931 147 377 EUR aan vastleggingskredieten en 1 089 127 380 EUR aan betalingskredieten beschikbaar was; constateert voorts dat van deze bedragen:

–   2 616 755 356 EUR aan vastleggingskredieten en 937 182 847 EUR aan betalingskredieten beschikbaar was voor vervoerbeleid, met inbegrip van de Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (Connecting Europe Facility ‑ CEF), veilig vervoer en passagiersrechten, en vervoersagentschappen,

–     239 313 549 EUR aan vastleggingskredieten en 71 213 206 EUR aan betalingskredieten beschikbaar was voor onderzoek en innovatie op het gebied van vervoer, met inbegrip van Sesar en de gemeenschappelijke onderneming (GO) Shift2Rail,

–   75 078 470 EUR aan vastleggingskredieten en 80 731 327 EUR aan betalingskredieten beschikbaar was voor administratieve uitgaven;

2.  is ingenomen met het hoge uitvoeringspercentage (98,2 %) in 2014 voor de vastleggingskredieten voor mobiliteits- en vervoerbeleid, en de aanzienlijk hoge uitvoeringsgraad (95,2 %) voor de betalingskredieten; merkt op dat het bedrag aan uitstaande vastleggingen in 2014 met 1 653 372 424 EUR is gestegen in verhouding tot het totaal van 5 647 143 046 EUR en dat uitstaande bedragen gewoonlijk meer stijgen aan het begin van het nieuwe meerjarig financieel kader, aangezien de betalingen voor nieuwe projecten later ingehaald zullen worden; verzoekt de Commissie en de lidstaten niettemin ervoor te zorgen dat de vervoerprojecten naar behoren worden uitgevoerd;

3.   betreurt het dat het geschatte foutenpercentage voor het beleidsdomein "Concurrentievermogen voor groei en banen", waaronder het vervoerbeleid valt en waarvoor vervoer het kleinste door de Rekenkamer gecontroleerde bedrag vertegenwoordigt (0,8 miljard EUR) op een totaal gecontroleerde populatie (13 miljard EUR), in 2014 5,6 % bedroeg (een stijging ten opzichte van 2013 (4,0%)), wat voornamelijk het gevolg was van de terugbetaling van niet-subsidiabele kosten, maar ook van niet-naleving van aanbestedingsregels; verzoekt de Commissie alle passende maatregelen te treffen om deze situatie recht te zetten (onder meer door zorgvuldiger controles vooraf te verrichten om dit soort fouten op te sporen en te corrigeren voordat de terugbetaling plaatsvindt);

4.   vestigt de aandacht op het feit dat in 2014 geen projecten zijn gefinancierd in het kader van de CEF nadat de eerste oproep tot het indienen van projectvoorstellen in maart 2015 werd gesloten en dat het door de Europese Investeringsbank (EIB) te beheren CEF-schuldinstrument pas eind 2014 werd goedgekeurd; wijst erop dat de Rekenkamer zes verrichtingen in de vervoersector (DG Mobiliteit en Vervoer) heeft onderzocht en heeft vastgesteld dat twee van die zes transacties kwantificeerbare fouten vertoonden; is dan ook tevreden over de verlaging van het aantal verrichtingen met fouten in 2014 (33 %) ten opzichte van 2013 (62 %) en 2012 (49 %); verzoekt de Commissie en andere betrokken actoren ervoor te zorgen dat de aanbestedingsregels worden nageleefd en dat de uitgaven voor toekomstige vervoerprojecten subsidiabel zijn;

5.   wijst erop dat volgens de meerjarige controlestrategie die de Commissie toepast, waarbij rekening wordt gehouden met terugvorderingen, correcties en de effecten van de controles en audits gedurende de uitvoeringsperiode van het programma, het berekende restfoutenpercentage voor TEN-T 0,84 % bedroeg;

6.  vestigt de aandacht op het hoge aantal in het kader van CEF-T-oproepen van 2014 ingediende hoogwaardige projecten dat niet kon worden goedgekeurd wegens gebrek aan beschikbare middelen; is van mening dat er moet worden gezorgd voor voldoende financiering voor CEF-T-projecten; betreurt het dat er middelen aan de CEF-begroting zijn onttrokken om het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) te financieren; herinnert er echter aan dat punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord over de begrotingsdiscipline(122) 10 % ruimte biedt voor verhoging van de CEF-begroting tijdens de jaarlijkse begrotingsprocedure en dat die ruimte losstaat van de EFSI-financiering; benadrukt dat de uitvoering van projecten die tussen het Europees Parlement en de Raad overeengekomen zijn in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad(123) een dergelijke verhoging van de CEF-begroting zou billijken;

7.   moedigt de Commissie aan nauwlettend toezicht te blijven houden op de uitvoering van innovatieve financieringsinstrumenten om EU-investeringen te stimuleren en nieuwe financieringsbronnen voor TEN-T- infrastructuurprojecten aan te trekken, zoals het Margueritefonds, Loans and Guarantees for debt (LGTT) en het initiatief inzake projectobligaties (PBI), en te waarborgen dat de bijdrage aan deze instrumenten uit de EU-begroting op de juiste wijze wordt beheerd en besteed;

8.   merkt op dat er over vervoerprojecten informatie beschikbaar is in verschillende databanken, zoals het Europees systeem voor financiële transparantie, de INEA-databank van TEN-T-projecten, projecten medegefinancierd door middel van cohesie- en regionale fondsen, en CORDIS voor Horizon 2020-projecten; wenst dat de projectgegevens van deze instrumenten worden geïntegreerd om een beter overzicht te krijgen van de toewijzing van EU-subsidies, zowel upstream als downstream; wijst nogmaals op het belang van de publicatie van een gemakkelijk toegankelijke lijst van projecten op het gebied van vervoer en toerisme en van een online te raadplegen gegevensbank van door de Unie meegefinancierde projecten waarin het exacte bedrag van de financiering wordt vermeld, teneinde de transparantie te vergroten;

9.   wijst erop dat de vervoerprojecten in de periode 2014-2020 uit verschillende bronnen zullen worden gefinancierd, waaronder de CEF, het Cohesiefonds, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het EFSI; verzoekt de Commissie derhalve te zorgen voor de nodige synergie, opdat de middelen uit die verschillende financieringsbronnen doeltreffender kunnen worden toegewezen;

10.   wijst erop dat het beginsel "gebruiken of verliezen" met betrekking tot EU-middelen de lidstaten kan aanzetten tot het voorstellen van projecten die weinig effect sorteren; vindt het zorgwekkend dat gebrekkige projectselectie in het verleden heeft geleid tot een aantal onrendabele investeringen van EU-middelen in vervoerprojecten; verwelkomt het nieuwe rechtskader voor 2014-2020, dat zorgt voor een versterking van het proces van kosten-batenanalyse en evaluatie van projecten;

11.   is ingenomen met de oprichting van de GO Shift2Rail in juni 2014, die tot doel heeft het concurrentievermogen van de Europese spoorwegsector te vergroten; merkt op dat er voor de GO Shift2Rail aparte kwijtingsprocedures zullen komen zodra die GO financieel onafhankelijk wordt, wat in de komende jaren zal gebeuren; betreurt niettemin de vertraging bij de tenuitvoerlegging van deze GO, alsook het feit dat het voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) zeer moeilijk is om eraan deel te nemen;

12.   is van mening dat de Commissie volledige transparantie bij het beheer van de middelen moet waarborgen en de bescherming van het openbaar belang te allen tijde moet laten prevaleren boven private belangen;

13.  merkt op dat in de begroting 2014 zoals die definitief was vastgesteld en in de loop van het jaar was gewijzigd, specifiek voor toerisme een totaalbedrag van 11 226 160 EUR aan vastleggingskredieten en 6 827 266 EUR aan betalingskredieten was opgenomen; verzoekt de Commissie een effectbeoordeling van gefinancierde projecten te verrichten om de toekomstige uitgavenprioriteiten beter vast te stellen, die aansluiten bij de positie van de EU als 's werelds belangrijkste toeristische bestemming en de toeristische sector in staat stelt een belangrijke potentiële groeisector voor de economie van de Unie te worden; verzoekt de Commissie de resultaten van de proefprojecten en voorbereidende acties op te nemen in de begrotingsplanning voor volgend jaar en een gemakkelijk toegankelijke jaarlijkse lijst van projecten op dit gebied beschikbaar te stellen;

14. betreurt het echter dat de middelen voor toerisme nog steeds niet toereikend zijn om de ontwikkeling van de sector te ondersteunen, mede met het oog op de nieuwe deeleconomie;

15.  stelt voor dat het Parlement met betrekking tot de sectoren waarvoor de Commissie vervoer en toerisme verantwoordelijk is, de Commissie kwijting verleent voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.2.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

37

8

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Lucy Anderson, Marie-Christine Arnautu, Inés Ayala Sender, Georges Bach, Izaskun Bilbao Barandica, Deirdre Clune, Michael Cramer, Luis de Grandes Pascual, Andor Deli, Karima Delli, Isabella De Monte, Ismail Ertug, Jacqueline Foster, Bruno Gollnisch, Dieter-Lebrecht Koch, Stelios Kouloglou, Merja Kyllönen, Bogusław Liberadzki, Peter Lundgren, Marian-Jean Marinescu, Georg Mayer, Gesine Meissner, Jens Nilsson, Markus Pieper, Salvatore Domenico Pogliese, Tomasz Piotr Poręba, Gabriele Preuß, Christine Revault D’Allonnes Bonnefoy, Dominique Riquet, Massimiliano Salini, Claudia Schmidt, Jill Seymour, Keith Taylor, Pavel Telička, István Ujhelyi, Peter van Dalen, Wim van de Camp, Elissavet Vozemberg-Vrionidi, Janusz Zemke, Kosma Złotowski, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Daniel Dalton, Karoline Graswander-Hainz, Olga Sehnalová

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Gabriel Mato

17.2.2016

ADVIES van de Commissie regionale ontwikkeling

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen

(2015/2154(DEC))

Rapporteur: Ivana Maletić

SUGGESTIES

De Commissie regionale ontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  wijst erop dat in het jaarverslag van de Rekenkamer van 10 november 2015 over de uitvoering van de begroting 2014 van de Europese Unie het foutenpercentage voor het cohesiebeleid wordt geschat op 5,7%, wat hoger is dan het percentage van 2013 (5,3%); spreekt zijn bezorgdheid uit over deze stijging, die vooral substantieel is wat betreft fouten met financiële gevolgen en ernstige nadelige effecten op de begroting; benadrukt dat de helft van het geschatte foutenpercentage voor het cohesiebeleid verband houdt met de complexiteit van regels inzake openbare aanbestedingen en staatssteun, alsmede met overtredingen begaan tijdens de procedures op dit terrein, zoals ongerechtvaardigde onderhandse gunning, belangenconflicten en discriminerende selectiecriteria;

2.  neemt nota van de antwoorden van de Commissie op het verslag van de Rekenkamer dat de gemiddelde afname van het foutenpercentage ten opzichte van de programmeringsperiode 2000-2006 te danken is aan een verbetering van de beheers- en controlesystemen; verzoekt de Commissie aan de autoriteiten tijdige informatie en training te verstrekken inzake de regels voor openbare aanbestedingen en staatssteun; verwelkomt in dat verband de vaststelling van het actieplan inzake openbare aanbestedingen; neemt nota van de toepassing van het initiatief rond integriteitspacten en dringt er bij de Commissie op aan om een passende ex-ante-evaluatie te verrichten van het potentieel van deze pacten, teneinde de transparantie en efficiëntie van openbare aanbestedingen met betrekking tot ESI-fondsen daadwerkelijk te verhogen; dringt er bij de lidstaten op aan uiterlijk eind 2016 te voldoen aan de ex-antevoorwaarden inzake openbare aanbestedingen, en de richtlijnen inzake overheidsopdrachten van 2014 uiterlijk april 2016 in hun rechtsstelsels om te zetten, om onregelmatigheden te voorkomen en te zorgen voor een doeltreffende en efficiënte uitvoering van projecten en het bereiken van de beoogde resultaten, zodat de doelstellingen van het cohesiebeleid verwezenlijkt kunnen worden; verzoekt de Commissie streng toe te zien op dit proces en te voorzien in de respectieve richtsnoeren en technische bijstand voor de lidstaten in verband met een correcte omzetting van deze richtlijnen in nationale wetgeving;

3.  wijst er nogmaals op dat niet alle onregelmatigheden bestempeld kunnen worden als fraude en dat er een onderscheid gemaakt moet worden tussen niet-frauduleuze en frauduleuze onregelmatigheden; overwegende dat onregelmatigheden waarbij geen sprake is van fraude vaak voortvloeien uit zwakke financiële beheers- en controlesystemen en het gebrek aan administratieve capaciteit ten aanzien van zowel kennis van de regels als technische expertise met betrekking tot de specifieke werken of diensten; roept de Commissie en de lidstaten op erop toe te zien dat passende, efficiënte en doeltreffende systemen voor financieel beheer en controle worden ingevoerd overeenkomstig de relevante regels van het regelgevend kader, met inachtneming van de bestaande nationale regelgeving;

4.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en de regionale autoriteiten ervoor te zorgen dat de begunstigden samenhangende informatie ontvangen over de subsidiabiliteitsvoorwaarden, met name met betrekking tot de subsidiabiliteit van de uitgaven en de respectievelijke maxima voor de vergoedingen;

5.  wijst erop dat de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid in de lidstaten gepaard gaat met uitgebreide nationale en regionale procedures en regels, afhankelijk van de institutionele structuur van de lidstaat, die een bijkomende laag vormen, en tot onregelmatigheden kunnen leiden en daarmee tot verlies van middelen uit de ESI-fondsen en toenemende verschillen tussen de lidstaten; verzoekt de Commissie bij te dragen aan de vereenvoudiging van de tenuitvoerlegging op nationaal en regionaal niveau, met inachtneming van de institutionele kenmerken van de lidstaten, en de lidstaten de nodige verduidelijking te verschaffen inzake de tenuitvoerlegging van verordeningen; herinnert de Commissie en de lidstaten aan de resolutie van het Europees Parlement "Naar vereenvoudiging en prestatiegerichtheid van het cohesiebeleid 2014-2020" en aan de noodzaak om de nodige maatregelen te treffen om overmatige regelgeving en de administratieve lasten tot het noodzakelijke minimum te beperken, teneinde een betere absorptie van de ESI-fondsen mogelijk te maken en fouten door eindbegunstigden, met name kmo's, te voorkomen; betreurt het feit dat de Commissie vertegenwoordigers van de lidstaten heeft uitgesloten van de Groep op hoog niveau voor toezicht op de vereenvoudiging voor begunstigden van de ESI-fondsen, waardoor hun inbreng ter verbetering van het systeem niet wordt meegenomen;

6.  is van mening dat administratieve capaciteit onmisbaar is voor een regulier en efficiënt gebruik van de ESI-fondsen en roept de Commissie en de lidstaten op de uitwisseling van kennis en goede praktijken inzake specifieke kwesties op het gebied van implementatie (zoals openbare aanbesteding, staatssteun, subsidiabiliteitscriteria en controlespoor) op te voeren, met name voor die potentiële begunstigden die beschikken over beperktere administratieve en financiële capaciteiten; stelt in dit verband voor om specifieke maar omvattende activiteiten op te zetten om ambtenaren en autoriteiten die zich bezighouden met ESI-fondsprojecten alsook begunstigden te trainen (bijvoorbeeld door middel van trainingen en bijscholingscursussen, seminars, of de verlening van technische en administratieve ondersteuning);

7.  verwelkomt de invoering door de Commissie van het "Taiex Regio Peer 2 Peer"‑instrument om een peer-to-peer uitwisseling tussen de beheers-, certificerings- en controleautoriteiten van de lidstaten mogelijk te maken, met het doel hun bestuurlijke capaciteit te vergroten; onderstreept het belang van grotere inspanningen voor de aanwijzing van instanties, wat een voorwaarde is voor de indiening van betalingsverzoeken, met het oog op een vlotte tenuitvoerlegging van de programma's en van de toestroom van middelen; is daarnaast van oordeel dat de Commissie efficiënt en daadwerkelijk uitvoering moet geven aan alle instrumenten die beschikbaar zijn voor vroegtijdige opsporing en preventie van risico's in het cohesiebeleid, en meer in het bijzonder instrumenten voor datamining, zoals Arachne, voor de vroegtijdige opsporing en preventie van risico's in openbare aanbestedingsprocedures; aangezien de activiteiten van de task force voor een betere implementatie ook activiteiten omvatten die kunnen leiden tot meer efficiency, doeltreffendheid en toegevoegde waarde van projecten in het kader van het cohesiebeleid die reeds zijn uitgevoerd, wordt de Commissie opgeroepen deze aspecten te beoordelen door middel van kwalitatieve indicatoren;

8.  neemt kennis van het standpunt van de Rekenkamer dat er weinig aandacht is voor resultaten en dat de Europa 2020-doelstellingen niet op systematische wijze zijn omgezet in operationele streefdoelen in het kader van partnerschapsovereenkomsten; verzoekt de Commissie nadere informatie te verstrekken over deze kwesties in het kader van het verslag over de uitkomst van de onderhandelingen; herinnert eraan dat in 2014 de nieuwe programmeringsperiode van start ging, maar dat de meeste betalingen van het cohesiebeleid in 2014 verband hielden met de voorgaande programmeringsperiode, en dat het nieuwe regelgevingskader en de uitvoeringsrichtsnoeren met aanzienlijke vertraging zijn vastgesteld, hetgeen resulteerde in uitstel van de goedkeuring van de nieuwe programma's, leidend tot meer druk op de lidstaten en regio's en daardoor mogelijkerwijs tot een foute toepassing van de nieuwe voorschriften; verzoekt de Commissie conclusies te trekken inzake deze vraagstukken, maar er daarbij rekening mee te houden dat de voorkoming van onregelmatigheden en fraudebestrijding te allen tijde noodzakelijk zijn en een hoge prioriteit moeten krijgen;

9.  benadrukt dat het geschatte foutenpercentage voor uitgaven in het kader van economische, sociale en territoriale cohesie aanzienlijk lager had kunnen zijn indien de lidstaten gebruik hebben gemaakt van alle beschikbare en verstrekte informatie, en dat deze fouten eveneens op passende wijze hadden moeten worden aangepakt in de nationale controlesystemen; dringt er daarom bij de Commissie en de lidstaten op aan maatregelen voor te stellen om te komen tot een evenwicht tussen vereenvoudiging en een striktere toepassing van regels en goed financieel beheer, meer bepaald voor de uitvoering van doeltreffende mechanismen voor de vroegtijdige opsporing van onregelmatigheden, terwijl de onderbreking en opschorting van betalingen in geval van onregelmatigheden een laatste redmiddel moet zijn, aangezien dergelijke maatregelen het gevaar van fouten verhogen omdat er dan minder tijd is voor een correcte absorptie van de ESI-fondsen; verzoekt de Commissie verslag uit te brengen aan het Parlement over de werkelijke bijdrage van onderbrekingen en opschortingen van de betalingen aan het terugdringen van onregelmatigheden en fouten; wijst erop dat de opschorting van betalingen in geval van onregelmatigheden ten koste kan gaan van de tenuitvoerlegging van bepaalde programma's, waarbij niet mag worden vergeten dat er al een achterstand is opgebouwd bij de betalingen uit hoofde van het cohesiebeleid; herinnert de Commissie in verband met dit laatste aan het betalingsplan dat is goedgekeurd op 18 november 2015.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.2.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

35

3

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pascal Arimont, Franc Bogovič, Victor Boştinaru, Mercedes Bresso, Steeve Briois, Andrea Cozzolino, Rosa D’Amato, Tamás Deutsch, Bill Etheridge, Iratxe García Pérez, Anna Hedh, Krzysztof Hetman, Ivan Jakovčić, Constanze Krehl, Sławomir Kłosowski, Andrew Lewer, Iskra Mihaylova, Andrey Novakov, Younous Omarjee, Konstantinos Papadakis, Mirosław Piotrowski, Stanislav Polčák, Liliana Rodrigues, Fernando Ruas, Monika Smolková, Maria Spyraki, Ruža Tomašić, Ramón Luis Valcárcel Siso, Matthijs van Miltenburg, Lambert van Nistelrooij, Derek Vaughan, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Viorica Dăncilă, Ivana Maletić, Bronis Ropė, Davor Škrlec, Hannu Takkula, Damiano Zoffoli, Marco Zullo

29.1.2016

ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

aan de Commissie begrotingscontrole

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III - Commissie en uitvoerende agentschappen

(2015/2154(DEC))

Rapporteur voor advies: Tibor Szanyi

SUGGESTIES

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is van mening dat het GLB, een van de oorspronkelijke Europese beleidsvormen, een belangrijk instrument van de EU is en een grote impact heeft, niet alleen op het gebied van de levensmiddelenproductie en de ecosysteemdiensten en in de zin van ecologische, sociaaleconomische en gendergerelateerde verbeteringen die het teweeg heeft gebracht of kan brengen, maar ook voor het tegengaan van de ontvolking van het platteland, waarbij het rekening houdt met de noodzaak om het concept van de kringloopeconomie te ontwikkelen; is van mening dat het GLB zodoende bijdraagt aan het evenwicht tussen de regio's van de Europese Unie doordat het financiële steun en belangrijke instrumenten verstrekt om jonge landbouwers te helpen landbouwactiviteiten te starten en de continuïteit tussen generaties waarborgt;

2.  merkt op dat DG AGRI in 2014 veel werk heeft verzet met de autoriteiten van de lidstaten om ervoor te zorgen dat deze steeds beter in staat zijn fouten bij de landbouwuitgaven te voorkomen en hun plattelandsontwikkelingsprogramma's ten uitvoer te leggen; erkent de positieve impact van DG AGRI die tot uiting komt in het jaarverslag van de Rekenkamer over 2014, en meent dat de acties van dit DG, in combinatie met die van de lidstaten, een goede basis zouden moeten vormen voor verdere verbeteringen tijdens de sleuteljaren van de uitgavenperiode 2014-2020;

3.   dringt erop aan dat in extreme gevallen de accreditatie van stelselmatig wanpresterende betaalorganen wordt ingetrokken;

4.  is van mening dat consequent presteren en resultaten boeken van essentieel belang is in het GLB, dat een veilige en zekere productie van ons voedsel waarborgt, in de hele EU wordt toegepast en positieve sociale, ecologische en economische effecten heeft, aangezien het betrekking heeft op de productie van allerlei soorten landbouwgewassen en levensmiddelen;

5.  merkt op dat het agrarisch factorinkomen per werkende in de lidstaten die in 2004 of later (EU-N13) tot de EU zijn toegetreden slechts een kwart bedraagt van het agrarisch factorinkomen dat in de EU-15 werd gegenereerd(124);

6.  is ingenomen met de verbeteringen ten opzichte van de cijfers van het jaarverslag 2013 en wijst erop dat de Rekenkamer heeft geconcludeerd dat het percentage getoetste transacties bij het landbouwbeleid een lager foutenpercentage te zien geeft in vergelijking met 2013; wijst erop dat het foutenpercentage voor 2013 2,9 % bedraagt (tegenover 3,6 % in 2013) voor ELGF-transacties (controles in 17 lidstaten), en 6,2 % (7 % in 2013) voor plattelandsontwikkeling, milieu en visserij (controles in 18 lidstaten), en een gemiddeld percentage van 3,6 % voor het onderdeel "natuurlijke hulpbronnen" in zijn geheel;

7.  benadrukt de noodzaak om een gemeenschappelijke methodologie voor de berekening van het foutenpercentage vast te stellen teneinde de geldigheid ervan te verzekeren en significante verschillen tussen het door de Commissie aangegeven en het door de Rekenkamer vastgestelde foutenpercentage te voorkomen;

8.  vestigt de aandacht op de verklaring van de Commissie(125) dat inbreuken op de randvoorwaarden (bijvoorbeeld tijdige melding van verplaatsingen van dieren, naleving van tijdschema's en termijnen) niet van invloed mogen zijn op het in aanmerking komen voor betalingen (reeds bevestigd door de Rekenkamer) en dat het foutenpercentage bij de randvoorwaarden omwille van de duidelijkheid moet worden afgetrokken van het totale foutenpercentage;

9.  wijst erop dat de verschillen in de wijze waarop de regels inzake gekoppelde betalingen in de lidstaten worden toegepast tot concurrentieverstoring leiden, bijvoorbeeld in de zuivelsector;

10.  juicht het toe dat de Commissie nieuwe richtsnoeren heeft ingevoerd voor de bepaling van financiële correcties van in gedeeld beheer gefinancierde uitgaven in geval van niet-naleving van de regels voor de plaatsing van overheidsopdrachten(126);

11.  wijst erop dat 2014 een overgangsjaar was waarin aanzienlijke betalingen voor het laatste deel van de financieringsperiode 2007-2013 werden verricht en waarin de laatste elementen voor de GLB-financieringsperiode 2014-2020 (de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen) halverwege het jaar werden ingevoerd; merkt ook op dat 2015 en 2016 eveneens moeten worden beschouwd als overgangsjaren waarin zowel de landbouwers als de autoriteiten van de lidstaten voor het eerst volledig de vergroeningsmaatregelen en andere ingrijpende beleidsveranderingen moesten toepassen, met nieuwe en complexe regels en een groot aantal nieuwe aanvragers van rechtstreekse betalingen, aangezien veel van de meerjarige maatregelen in de plattelandsontwikkelingsplannen (POP) van de lidstaten pas in 2016 van start zullen gaan en er bijzondere aandacht moet worden geschonken aan nieuwe instrumenten die bij de hervorming zijn ingevoerd;

12.  acht het verheugend dat het foutenpercentage gedaald is ten opzichte van dat van 2013 en beseft dat daar veel inspanningen en middelen voor nodig zijn geweest, in het bijzonder in de vorm van voorlichting en technische bijstand van de Commissie aan de nationale autoriteiten van de lidstaten in verband met de tenuitvoerlegging; is echter van mening dat alleen het meten van fouten op zich nog geen prestatie- of resultatenmeting is;

13.  wijst de Commissie erop dat de risico's van onopzettelijke fouten vanwege de complexe regelgeving uiteindelijk gedragen worden door de begunstigde; vraagt om een redelijk, evenredig en doeltreffend sanctiebeleid om deze aanpak te ondersteunen, bijvoorbeeld door te voorkomen dat dubbele sancties worden opgelegd voor dezelfde fout in het kader van zowel de betalingsregeling als de randvoorwaarden; dringt er bij de Commissie aan beter te waarborgen dat de sancties in verhouding staan tot de aard van de fout; verzoekt om instrumenten voor een met meer stimulansen gepaard gaande, resultaatgerichte benadering die tot een lager foutenpercentage en minder inspecties kan leiden en het beter mogelijk maakt om fouten te onderscheiden van fraude, en die er tegelijkertijd voor zorgt dat landbouwers nog steeds de vitale voedselproductie kunnen leveren die het kernpunt van het beleid vormt; is van mening dat doorgaan met het aanpakken van de complexiteit en het stroomlijnen van het GLB cruciaal is om nieuwkomers in de landbouw aan te trekken en hen en hun vaardigheden te behouden met het oog op een bloeiende EU-landbouwsector in de toekomst;

14.  is ingenomen met het feit dat de Europese Rekenkamer onderzoekt hoe zij in haar jaarverslag prestaties kan meten, vooral omdat de Commissie haar uitgaven resultaatgericht wil maken; wijst er echter op dat het moeilijk is de resultaten van meerjarige financieringsprogramma's – de methode voor de tenuitvoerlegging van milieumaatregelen in de tweede pijler die momenteel de voorkeur geniet – te beoordelen met een instrument dat de resultaten per jaar onderzoekt, en verzoekt de Rekenkamer uit te leggen hoe ze die prestaties denkt te gaan meten, vooral in verband met de landbouwuitgaven; verzoekt de Rekenkamer evenwel bij de beoordeling van de prestaties rekening te houden met de veelheid aan doelstellingen van het plattelandsontwikkelingsbeleid, teneinde te voorkomen dat simplistische indicatoren worden gebruikt en verkeerde conclusies worden getrokken;

15.  merkt op dat de Rekenkamer op grond van haar eigen controles van mening is dat het GBCS in belangrijke mate bijdraagt tot de voorkoming en vermindering van de foutenniveaus in de steunregelingen waarop het van toepassing is(127) en neemt kennis van de opmerking dat de tekortkomingen met betrekking tot het LPIS in alle gecontroleerde lidstaten zijn aangepakt met corrigerende maatregelen(128);

16.  is ingenomen met de door de Commissie voorgestelde vereenvoudiging van het GBCS aan de hand van preventieve voorlopige controles die de nationale overheidsinstanties in staat zullen stellen om problemen met aanvragen van landbouwers te identificeren en correcties door te voeren, en die moeten leiden tot minder sancties;

17.  herhaalt de belangrijkste aanbevelingen van de Rekenkamer: de lidstaten moeten zorgen voor betrouwbare en actuele LPIS-informatie en -beelden om te voorkomen dat er betalingen worden verricht voor niet-subsidiabele grond; de Commissie moet van de lidstaten verlangen dat hun actieplannen corrigerende maatregelen omvatten om veelvuldig voorkomende oorzaken van fouten aan te pakken, moet haar strategie met betrekking tot de conformiteitscontroles op het gebied van plattelandsontwikkeling herzien en moet zorgen voor correcte toepassing van de procedure inzake de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen, die vanaf 2015 verplicht wordt gesteld;

18.  merkt op dat de Commissie en de Rekenkamer het erover eens zijn dat de uitgaven voor plattelandsontwikkeling aan complexe regelgeving en subsidiabiliteitsvoorwaarden zijn onderworpen, hetgeen ten dele toe te schrijven is aan de aard van het beleid en de heterogeniteit van de Europese regio's; vraagt om vereenvoudiging en om opneming van preventiemaatregelen in de voorschriften voor 2014-2020; wenst bovendien dat de lidstaten in hun nieuwe plattelandsontwikkelingsprogramma's voor vereenvoudiging zorgen, wat een prioriteit moet zijn en een belangrijk middel om het aantal fouten te verkleinen en de doeltreffendheid en flexibiliteit te verhogen en daarmee de opnamecapaciteit te vergroten, met name wanneer het gaat om kleinschalige programma's die wellicht minder belangstelling hebben genoten en/of constant hoge foutenpercentages hebben vertoond als gevolg van het gebrek aan flexibiliteit in het verleden;

19.  verzoekt de Commissie tijdig een gedetailleerd plan in te dienen om de bureaucratie in het GLB te verminderen;

20.  verzoekt de Commissie en de autoriteiten van de lidstaten te blijven werken aan elke mogelijke vereenvoudiging ten aanzien van de rechtstreekse betalingen en om hoge prioriteit toe te kennen aan de vereenvoudiging van de vergroeningsmaatregelen, in het bijzonder wanneer er veel verschillende niveaus betrokken zijn bij het beheer van EGFL- en plattelandsontwikkelingsfondsen in de lidstaten, en zo nodig voor de twee pijlers een verschillende aanpak te volgen; benadrukt dat de grote verschillen tussen de lidstaten op het gebied van rechtstreekse betalingen de concurrentiekloof tussen landbouwers op de interne markt hebben vergroot;

21.  verwacht dat de Commissie met spoed volledig gebruik zal maken van de vereenvoudiging van het GLB, in het bijzonder met betrekking tot de belastende en complexe regelgeving inzake randvoorwaarden en vergroening, die uiteindelijk gevolgen heeft voor landbouwers in heel Europa; benadrukt dat in het vereenvoudigingsproces de nadruk moet worden gelegd op verlichting van de administratieve lasten en dat het proces de bij de laatste GLB-hervorming overeengekomen beginselen en regels, die ongewijzigd dienen te blijven, niet in gevaar mag brengen; is van mening dat die vereenvoudiging geen herziening van de GLB‑uitgaven voor de periode 2013-2020 mee dient te brengen;

22.  wijst erop dat het aankopen van landbouwarealen door investeerders ertoe leidt dat kleine bedrijven die door eigenaren worden beheerd steeds meer onder druk komen te staan en dat een deel van de rechtstreekse betalingen wordt uitgekeerd aan internationale concerns;

23.  wijst op het belang van hulpbronnenefficiëntie en milieuvriendelijke productie- en verwerkingsmethoden in de agrolevensmiddelen- en de bosbouwsector, wijst erop dat dit moet zorgen voor een levensvatbare, duurzame en veilige voedselproductie en dat er een evenwicht moet worden gevonden tussen milieubescherming, die goed is voor de plaatselijke bevolking en een tegenwicht biedt voor schadelijke landbouwpraktijken, en het voldoen aan de almaar toenemende vereisten voor de levensmiddelenproductie in combinatie met economische groei, waarbij tegelijkertijd moet worden gezorgd voor betaalbare prijzen voor de consument; hoopt dat er vorderingen worden geboekt bij het zoeken naar praktische oplossingen op de boerderij die gericht zijn op aanpassing van landbouwpraktijken aan klimaatverandering;

24.  wijst erop dat het van belang is te beschikken over vergelijkbare prestatie-indicatoren en cijfers voor programma's van dezelfde soort op verschillende plaatsen, en ziet uit naar verbeteringen op dit gebied in de periode 2014-2020 die moeten zorgen voor een beter financieel beheer van het GLB, dat berust op de behoeften van de afzonderlijke lidstaten;

25.  wijst erop dat het GLB, vooral ook dankzij het stimuleren van samenwerking, een belangrijke rol speelt bij de bevordering van sociale inclusie, armoedevermindering en economische ontwikkeling in plattelandsgebieden doordat het werkgelegenheid schept, via het LEADER-programma en vanwege het feit dat het voor nieuwe diensten en infrastructuur zorgt; verzoekt om een analyse van het totale effect van de twee pijlers van het GLB in plattelandsgebieden waarin wordt nagegaan waar en hoe de middelen worden toegewezen en wie de werkelijke eindbegunstigden zijn;

26.  merkt op dat de uitgaven ten goede zouden moeten komen aan zowel de plattelandsgebieden als de consumenten in het algemeen, en herinnert eraan dat eindbegunstigden geld uitgeven aan goederen en diensten in hun plaatselijke gemeenschap of door mensen in dienst te nemen in hun bedrijven, waarmee zij de plaatselijke bevolking helpen in afgelegen of plattelandsgebieden waar land- en bosbouw vaak de belangrijkste economische aanjagers zijn;

27.  merkt op dat de impact van het Russische invoerverbod op landbouwproducten, dat halverwege 2014 werd afgekondigd, een belangrijke uitdaging vormt; pleit voor beter beheer in de beginfase van noodmaatregelen om te zorgen voor een correcte toewijzing van de middelen; of, indien noodzakelijk, de snelle terugvordering van onrechtmatig geclaimde bedragen; is in dit verband ingenomen met de voortdurende inspanningen van de Commissie om alternatieve afzetmarkten te identificeren voor landbouwoverschotten en de door het invoerverbod getroffen bedrijfstakken te ondersteunen; is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om alternatieve afzetmarkten te identificeren voor landbouwoverschotten en roept de lidstaten op gezamenlijke inspanningen te leveren om obstakels voor de expansie van de afzetmarkten weg te nemen; benadrukt het belang van de TTIP-overeenkomst, die de sluiting van een aantal traditionele markten zou kunnen compenseren;

28.  is ingenomen met het besluit van de Commissie om buitengewone steunregelingen in te stellen voor landen die verliezen hebben geleden in de zuivelsector en roept de Commissie op verdere steunmaatregelen te overwegen voor sectoren die vergelijkbare problemen ondervinden;

29.  is bezorgd over het feit dat vrouwen in plattelandsgebieden in veel lidstaten slechts in beperkte mate toegang hebben tot de arbeidsmarkt en verzoekt de Commissie zich in haar toekomstige ontwikkelingsinitiatieven tot prioritaire taak te stellen de toegang van vrouwen in plattelandsgebieden tot de arbeidsmarkt te verbeteren en te vergroten en passende middelen toe te wijzen aan een "Europese garantie voor plattelandsvrouwen", naar analogie van de Europese jongerengarantie, waarbij afzonderlijke streefcijfers worden vastgesteld voor vrouwen in plattelandsgebieden;

30.  verzoekt de Commissie de regels inzake de erkenning van producentenorganisaties, met name in de groenten- en fruitsector, te verduidelijken en de doorlooptijden van audits door de Commissie verder te verkorten teneinde de begunstigden rechtszekerheid te bieden en onnodige fouten te voorkomen;

31.  wijst is, gezien de doelstelling van het Verdrag(129) redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers te verzekeren, van mening dat de eerlijke toegang voor alle burgers in het gedrang komt als er teveel btw geheven wordt op levensmiddelen, en dat btw-fraude dan waarschijnlijker wordt;

32.  meent dat de doelstellingen voor de programmeringsperiode 2007-2013 nog steeds belangrijke doelen zijn en dat de Unie in de huidige periode de nadruk moet leggen op de verbetering van de levensvatbaarheid van landbouwbedrijven en de landbouw, op de bevordering van een beter evenwicht in de voedselketen met het oog op de consolidatie en versterking van producentenorganisaties, op de ondersteuning van kwaliteitsregelingen, korte ketens, sociale coöperaties, plaatselijke markten, ecosysteemdiensten en een evenwichtige plattelandsontwikkeling, strikt beperkt tot plattelandsgebieden in de nieuwe POP's, en dat daarbij onredelijke milieuverwachtingen of -uitgaven moeten worden vermeden;

33.  herinnert eraan dat er van alle door de Rekenkamer gecontroleerde uitgaven van 2014 slechts drie voor onderzoek bij Olaf werden gemeld(130) wegens vermoeden van kunstmatig gecreëerde voorwaarden voor het verkrijgen van steun (nieuwe entiteiten die zijn opgericht door gevestigde bedrijven of groepen personen), en dat een van die gevallen door de nationale autoriteiten al lang vóór de audit van de Rekenkamer als verdacht was gesignaleerd;

34.  merkt op dat de beleidsimplementatie nog voor verbetering vatbaar is; hamert er daarom op dat het in kennis wil worden gesteld van elke verbetering op het gebied van de vaststelling en verwezenlijking van beleidsdoelstellingen en van de naleving;

35.  verzoekt de Commissie het effect en de doeltreffendheid van de betalingen voor de verkoopbevordering in derde landen te onderzoeken en te waarborgen dat de lokale agrarische producenten door deze maatregelen niet uit de markt worden gedreven;

36.  merkt op dat er, toen DG AGRI zijn jaarlijks activiteitenverslag opstelde, over een aantal Ipard-elementen nog geen informatie beschikbaar was en dat die informatie nu moet worden bijgewerkt (aantal gesubsidieerde landbouwbedrijven, toename van de bruto waarde, aantal bedrijven die normen van de Unie introduceren); meent dat er in de nieuwe financieringsperiode constante analyse wordt verwacht;

37.  wijst erop dat het jaarverslag van de Rekenkamer over 2014 goede resultaten te zien geeft, maar verzoekt de Rekenkamer het Parlement toch te informeren over de stappen die zij wil ondernemen om een beoordelingsmethode met een duidelijker meerjarig karakter in te voeren wanneer zij de voorgenomen meer resultaatgerichte aanpak ontwikkelt.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

25.1.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

8

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

John Stuart Agnew, Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Paul Brannen, Daniel Buda, Nicola Caputo, Michel Dantin, Albert Deß, Norbert Erdős, Luke Ming Flanagan, Martin Häusling, Anja Hazekamp, Esther Herranz García, Jan Huitema, Peter Jahr, Zbigniew Kuźmiuk, Philippe Loiseau, Ulrike Müller, Maria Noichl, Marijana Petir, Jordi Sebastià, Jasenko Selimovic, Lidia Senra Rodríguez, Czesław Adam Siekierski, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Pilar Ayuso, Rosa D’Amato, Jørn Dohrmann, Stefan Eck, Georgios Epitideios, Maria Heubuch, Ivan Jakovčić, Tibor Szanyi, Ramón Luis Valcárcel Siso

14.1.2016

ADVIES van de Commissie visserij

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie

(2015/2154(DEC))

Rapporteur voor advies: João Ferreira

SUGGESTIES

De Commissie visserij verzoekt de ten principale bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  neemt kennis van de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en de Rekenkamer over de jaarrekening van de Europese Unie over het begrotingsjaar 2014; neemt tevens kennis van het jaarverslag van de Rekenkamer over het begrotingsjaar 2014; neemt kennis van het activiteitenverslag 2014 van DG MARE; houdt rekening met speciaal verslag nr. 11/2015 van de Rekenkamer over partnerschapsovereenkomsten inzake visserij;

2.  neemt kennis van de oordelen van de Rekenkamer over de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen bij de rekeningen; stelt vast dat de Rekenkamer een afkeurend oordeel velt over de betalingskredieten, die een totaal foutenpercentage van 4,4 % vertonen, maar geen specifiek foutenpercentage voor de visserij vermeldt; vraagt dat de visserij apart in de boekhouding wordt opgenomen en wordt losgekoppeld van de landbouw, teneinde meer transparantie op visserijgebied te krijgen;

3.  constateert dat DG MARE voorbehoud maakt in verband met het beheers- en controlesysteem voor EVF-programma's in sommige lidstaten;

4.  is ervan overtuigd dat het door DG MARE opgezette interne controlesysteem voldoende waarborgen biedt om het risico met betrekking tot de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen op adequate wijze te beheersen;

Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV)

5.  constateert dat de vaststelling na 1 januari 2014 van programma's voor het gedeeld beheer van het EFMZV en andere ESI-fondsen heeft geleid tot een technische herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) om ongebruikte kredieten van 2014 naar daaropvolgende jaren over te dragen;

6.  betreurt ten zeerste dat de overgrote meerderheid van de lidstaten hun operationele programma's met betrekking tot het EFMZV pas zeer laat hebben ingediend, waardoor grote vertraging ontstaat bij de tenuitvoerlegging van het fonds; wijst erop dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van kredieten in gedeeld beheer;

7.  is van mening dat de lidstaten hun instrumenten en kanalen voor het doorgeven van informatie aan de Commissie moeten verbeteren; beveelt de Commissie aan meer druk uit te oefenen op de lidstaten om betrouwbare gegevens te verstrekken;

8.  dringt er bij de Commissie op aan de lidstaten alle mogelijke steun te verlenen met het oog op een adequaat en volledig gebruik van de financiële EFMZV-middelen, met hoge uitvoeringspercentages, in overeenstemming met hun respectieve prioriteiten en behoeften, met name wat de duurzame ontwikkeling van de visserijsector betreft;

Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen

9.  is verheugd dat het agentschap met ingang van 1 januari 2014 belast is met het EFMZV; neemt nota van het op 23 september 2014 ondertekende memorandum van overeenstemming tussen DG MARE en het agentschap; benadrukt dat moet worden bevorderd dat het agentschap al zijn begunstigden hoogwaardige ondersteuning verleent met betrekking tot de 19 EFMZV-acties;

Speciaal verslag nr. 11/2015 van de Rekenkamer (kwijting 2014) getiteld: Worden de partnerschapsovereenkomsten inzake visserij goed beheerd door de Commissie?

10.  neemt nota van de elementen in speciaal verslag nr. 11/2015 over de partnerschapsovereenkomsten inzake visserij (FPA's);

11.  verzoekt de Commissie rekening te houden met de aanbevelingen van de Rekenkamer;

12.  betreurt de financiële kosten ten gevolge van de onderbenutting van de in bepaalde recente protocollen vastgestelde referentiehoeveelheden; stelt voor om de betalingen voor toegangsrechten nauwer te koppelen aan de reële vangsten; vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat de sectorale steunbetalingen consistent zijn met andere betalingen van begrotingssteun, en dringt aan op een verbetering van de door de partnerlanden bereikte resultaten bij de uitvoering van de matrix van overeengekomen acties;

13.  benadrukt dat de complementariteit en consistentie tussen FPA's binnen eenzelfde regio, zoals de Rekenkamer aangeeft, voor verbetering vatbaar zijn: er moet gestreefd worden naar een maximale benutting van hun potentieel op regionaal niveau;

14.  onderstreept dat de informatie op basis van onafhankelijke evaluaties achteraf niet altijd voldoende compleet, consistent en vergelijkbaar was, zodat ze minder nuttig was als basis voor besluiten en onderhandelingen; merkt bovendien op dat deze evaluaties onvoldoende aangeven in hoeverre de FPA's hun doelstellingen hebben bereikt; zo wordt de werkgelegenheid in van de visserij afhankelijke gebieden in de EU er niet in genoemd en is er geen informatie over de visvoorziening op de Europese markt;

15.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het ontbreken van betrouwbare, verifieerbare en toegankelijke informatie over de visbestanden en de activiteiten van de nationale visserijvloot en van andere vreemde schepen die eveneens toegang hebben gekregen, daar een van de voornaamste doelstellingen van de FPA's is dat alleen overschotten van visbestanden worden gevangen en dit zeer moeilijk realiseerbaar is gebleken;

16   maakt zich zorgen over de mogelijke onderbreking van de visserijactiviteiten tussen twee protocollen; verzoekt de Commissie de exploitanten juridische en economische zekerheid te bieden door voortzetting van de visserijactiviteiten tussen twee protocollen te garanderen;

17.  verzoekt de Commissie nauwer toezicht uit te oefenen op de implementatie van de sectorale steun om de doeltreffendheid te verzekeren;

18.  benadrukt het feit dat de door de Unie gefinancierde acties voor sectorondersteuning in het kader van de internationale overeenkomsten op efficiënte wijze moeten worden gevolgd, via matrixtabellen die zo gedetailleerd mogelijk worden opgesteld, alsmede het feit dat de ontwikkeling van het aandeel van de sectorondersteuning moet worden aangemoedigd; is ervan overtuigd dat het commerciële onderdeel van de overeenkomsten op lange termijn afhankelijk moet worden gesteld van een efficiënte, voldoende gevolgde en substantiële sectorondersteuning;

19.  stelt met bezorgdheid vast dat de thans geldende protocollen nog steeds niet de mogelijkheid bieden om de betalingen te korten wanneer de resultaten slechts ten dele worden bereikt; verneemt dat bij het volledig of gedeeltelijk uitblijven van resultaten de betaling van de sectorale steun voor het volgende jaar wordt opgeschort tot de doelstellingen zijn behaald; verzoekt de Commissie toch om waar mogelijk in de nieuwe protocollen de mogelijkheid van gedeeltelijke betaling van de sectorale steun in te voeren;

Kwijting

20.  stelt op basis van de beschikbare gegevens voor de Commissie kwijting te verlenen voor haar uitgaven op het gebied van maritieme zaken en visserij voor het begrotingsjaar 2014.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

14.1.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

17

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Clara Eugenia Aguilera García, Renata Briano, Alain Cadec, Carlos Iturgaiz, Werner Kuhn, António Marinho e Pinto, Gabriel Mato, Ulrike Rodust, Remo Sernagiotto, Isabelle Thomas, Ruža Tomašić, Peter van Dalen, Jarosław Wałęsa

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Izaskun Bilbao Barandica, José Blanco López, Nicola Caputo, Ole Christensen, Francisco José Millán Mon

17.2.2016

ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen

(2015/2154(DEC))

Rapporteur voor advies: Yana Toom

SUGGESTIES

De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de ten principale bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  stelt met voldoening vast dat het programma Erasmus+ in het eerste jaar met name gericht was op het bevorderen van vaardigheden en van de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, het beoogde doel heeft verwezenlijkt om nauwere banden tot stand te brengen tussen de programma's van de Unie en beleidsontwikkelingen op het gebied van onderwijs, opleiding, sport en jongeren, het optreden van de Unie op zodanige wijze heeft bevorderd om beter tegemoet te komen aan de doelstelling van levenslang leren, en de sociale, economische en geografische ongelijkheden heeft helpen verminderen door veel Europese burgers te bereiken; wijst er evenwel op dat er, in vergelijking met het vorige programma Jeugd in actie, nog een aantal problemen zijn in het onderdeel Jeugd van Erasmus+ in verband met de toegang tot financiering; betreurt dat de Commissie binnen het programma Erasmus+ onvoldoende financiële middelen heeft uitgetrokken om beter te communiceren over de globale veranderingen in de nieuwe programmalijnen en zo meer projecten van scholen op te nemen;

2.   is van mening dat, hoewel de grotere decentralisatie van de financiële middelen voor Erasmus+ beter kan inspelen op bepaalde nationale en lokale vereisten, afhankelijk van de kernactiviteiten, deze decentralisatie toch moet worden geëvalueerd om te verhinderen dat zij een belemmering vormt voor de verwezenlijking van de strategische doelstellingen van het programma Erasmus+, met name wat het onderdeel Jeugd betreft;

3.   wijst erop dat het programma Erasmus+ de integratie en inzetbaarheid van jonge Europeanen op de arbeidsmarkt en de ontwikkeling van nieuwe vaardigheden bevordert, dat het initiatieven versterkt op het gebied van burgerschap, vrijwilligerswerk en internationalisering van jongeren en sport, dat het bijdraagt tot een verbetering van de kwaliteit van onderwijs, formele en informele opleiding en levenslang leren, en dat het het besef versterkt van Europees burgerschap dat gebaseerd is op begrip en eerbiediging van de mensenrechten;

4.   is uitermate bezorgd over de feitelijke opschorting van de betalingen in het kader van Erasmus+ Jeugd in Griekenland, zoals vermeld in het verslag 2015 van het Europees Jeugdforum over de uitvoering van het programma;

5.   neemt kennis van de problemen die het DG EAC van de Commissie en het Uitvoerend agentschap voor onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA) hebben gemeld in de eerste uitvoeringsfase van de programma's Erasmus+, Creatief Europa en Europa voor de burger, in het bijzonder met betrekking tot vertraging bij de vaststelling van de oproepen tot het indienen van voorstellen en de uitbetaling van de middelen; hoopt dat dit uitzonderlijke omstandigheden zijn en ziet daarom uit naar de komende jaren waarin deze programma's een grotere stabiliteit zullen vertonen dan in dit eerste jaar van uitvoering; beveelt aan dat het programma Erasmus+ meer kleinschalige projecten opneemt die de kern vormen van innovatieve activiteiten op de drie gebieden onderwijs, jeugd en sport;

6.   is ingenomen met de inspanningen voor financieringsmodellen op basis van forfaitaire bedragen en eenheidskosten die zowel het financieel beheer voor de begunstigden van financiering door de Unie als voor de Unie zelf vereenvoudigen; wijst er evenwel op dat, met name in het onderdeel Jeugd van Erasmus+, ook deze forfaitaire bedragen en eenheidskosten ontoereikend zijn voor de financiering van de cruciale operationele uitgaven van jongerenorganisaties en ngo's; herhaalt dat de Unie nog meer moet investeren in dit programma;

7.   erkent dat de agentschappen een aanzienlijke invloed hebben op de beleids- en besluitvorming en op de uitvoering van programma's op gebieden die van essentieel belang zijn voor de Europese burgers, en prijst in dit verband het werk van het EACEA;

8.  herinnert eraan dat vertragingen bij de eindbetalingen door het EACEA een rechtstreekse impact hebben op de rechten van de begunstigden, waardoor culturele verenigingen en projecten alsook de creativiteit en de diversiteit van de culturele sector in het gedrang komen; moedigt het EACEA aan zijn controle- en betalingssystemen verder te verbeteren;

9.   uit zijn bezorgdheid over het feit dat de Europese scholen niet zijn ingegaan op de door de Rekenkamer herhaalde kwesties en wijst op de aanbeveling van de Rekenkamer aan de raad van bestuur van de Europese scholen om uitvoering te geven aan een roulatiesysteem voor gevoelige functies en andere zwakke punten aan te pakken, wat de fundamentele beginselen van transparantie en goed financieel beheer in het gedrang kan brengen; neemt kennis van de goedkeuring in 2014 van het nieuwe financieel reglement voor de Europese scholen als een van de middelen – indien correct toegepast – om te reageren op de ernstige problemen die de Rekenkamer heeft gesignaleerd; verzoekt de raad van bestuur van de Europese scholen te overwegen sommige functies, die momenteel gedecentraliseerd zijn, zoals de functie van rekenplichtige, te centraliseren en een scheiding van de functies voor autorisatie, uitvoering en controle van financiële transacties te bevorderen om het risico op fouten en fraude tot een minimum te beperken; is van mening dat een alomvattende herziening van het bestuur, het beheer en de organisatie van het systeem van de Europese scholen zich opdringt gezien de punten van zorg die zijn aangehaald en gezien het feit dat 60 % van de begroting van de Europese scholen, 177 miljoen EUR, uit de begroting van de Unie komt;

10.   wijst erop dat de discrepantie tussen de zevenjarige programmering van het meerjarig financieel kader (MFK) en de tienjarige programmering van de politieke en strategische prioriteiten van de Unie negatieve gevolgen kan hebben voor de consistente beoordeling van de resultaten van programma's van de Unie; merkt op dat de komende herziening van het MFK een belangrijk onderdeel is bij het beheer van de uitgaven van de Unie door ervoor te zorgen dat de investeringsprogramma's van de Unie doeltreffend blijven; dringt aan op een grondige vereenvoudiging van de aanvraagformulieren en -criteria, met name voor kleinschalige projecten, zowel bij de programma's Erasmus+ als Creatief Europa;

11.   is bezorgd over de betalingsachterstand bij de Commissie, die 26 miljard EUR bedroeg in 2014 en waarvan de helft als "abnormaal" werd beschouwd, d.w.z. niet afkomstig van facturen die pas aan het eind van het begrotingsjaar worden opgesteld, zoals is aangetoond door de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement, en die alleen al voor Erasmus+ 202 miljoen EUR bedroeg; merkt op dat deze achterstand voor een deel wordt veroorzaakt door een buitensporig strak MFK, dat niet toelaat de financiering te herverdelen en krappe marges heeft, en voor een deel doordat de lidstaten hun verplichtingen met betrekking tot de betalingskredieten niet nakomen;

12.   benadrukt dat het programma Europa voor de burger een unieke, rechtstreekse schakel vormt tussen de Unie en de burger bij het ondersteunen van acties, verzoekschriften en burgerrechten; acht het huidige subsidieniveau veel te laag en benadrukt dat het programma in zijn geheel moet worden uitgevoerd, met meer initiatieven die de waarden van het Europees burgerschap op de voorgrond plaatsen; spreekt zich krachtig uit tegen verdere bezuinigingen op de begroting of vertraging van de betalingen voor het programma Europa voor de burger 2014-2020;

13.   is in het algemeen van oordeel dat de instrumenten van de Unie ter ondersteuning van de Europese agenda voor cultuur – zoals de programma's Creatief Europa en Horizon 2020, of het platform Europeana – meer financiële middelen moeten krijgen om hun doelstellingen te kunnen dienen en verwezenlijken;

14.   verzoekt de instellingen van de Unie zich te blijven inzetten om de betalingsachterstand te verminderen, waarbij de betalingskredieten in acht worden genomen en het werk van de interinstitutionele werkgroep op hoog niveau betreffende de eigen middelen alle steun krijgt.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

17.2.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

4

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Isabella Adinolfi, Dominique Bilde, Andrea Bocskor, Nikolaos Chountis, Silvia Costa, Angel Dzhambazki, María Teresa Giménez Barbat, Giorgos Grammatikakis, Petra Kammerevert, Rikke Karlsson, Andrew Lewer, Svetoslav Hristov Malinov, Curzio Maltese, Stefano Maullu, Luigi Morgano, Momchil Nekov, Michaela Šojdrová, Helga Trüpel, Sabine Verheyen, Julie Ward, Bogdan Brunon Wenta, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver, Krystyna Łybacka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Ilhan Kyuchyuk, Ernest Maragall, Marlene Mizzi, Elisabeth Morin-Chartier, Paul Nuttall, Hannu Takkula

19.2.2016

ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen

(2015/2154(DEC))

Rapporteur voor advies: Monica Macovei

SUGGESTIES

De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  neemt kennis van de conclusie van de Rekenkamer dat geconsolideerde jaarrekeningen van de Unie op alle materiële punten een getrouw beeld geven van haar financiële situatie per 31 december 2014; maakt zich desondanks zorgen over het feit dat voor het eenentwintigste jaar achtereen de onderzochte financiële toezicht- en controlesystemen slechts ten dele effectief waren voor wat betreft het waarborgen van de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende betalingen bij de rekeningen;

2.   is evenwel bezorgd over het feit dat de onderliggende betalingen bij de rekeningen een foutenpercentage vertonen dat boven de materialiteitsdrempel ligt; herinnert bijgevolg aan de noodzaak van voorzichtig begrotingsbeheer en dringt aan op meer inspanningen om het foutenpercentage te verminderen;

3.  wijst op de nieuwe presentatie van het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitgaven in het kader van MFK-rubriek 3 "Veiligheid en burgerschap"; verzoekt om opneming ervan in het komende jaar, met inachtneming van de begrotingsverhoging; is het ermee eens dat er behoefte is aan een nieuwe aanpak om de EU-begroting niet op te gebruiken, maar te investeren;

4.   betreurt het feit dat in sommige lidstaten de wetgeving inzake belangenconflicten van leden van het parlement, de regering en lokale raden vaag en ontoereikend is; verzoekt de Commissie deze situatie te onderzoeken en, indien van toepassing, met desbetreffende voorstellen te komen; is van mening dat dergelijke voorstellen eveneens moeten gelden voor de huidige en kandidaat-leden van de Commissie;

5.  benadrukt dat kosteneffectiviteit moet worden gewaarborgd en dat er lessen moeten worden getrokken uit eerdere projecten waarbij gebreken in het beheer door de Commissie geleid hebben tot vertraging en overbesteding, zoals het geval was bij de ontwikkeling van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II), dat zes jaar later dan gepland werd opgeleverd tegen een kostprijs die acht keer hoger lag dan aanvankelijk was begroot;

6.  merkt op dat, hoewel het Buitengrenzenfonds heeft bijgedragen aan het beheer van de buitengrenzen, de meerwaarde van het fonds beperkt is en dat het uiteindelijke resultaat niet kon worden gemeten als gevolg van tekortkomingen in het toezicht door de aangewezen autoriteiten en ernstige gebreken in de evaluaties achteraf door de Commissie en de lidstaten.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.2.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

54

2

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jan Philipp Albrecht, Michał Boni, Caterina Chinnici, Ignazio Corrao, Rachida Dati, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Frank Engel, Cornelia Ernst, Tanja Fajon, Laura Ferrara, Monika Flašíková Beňová, Lorenzo Fontana, Kinga Gál, Nathalie Griesbeck, Sylvie Guillaume, Jussi Halla-aho, Monika Hohlmeier, Brice Hortefeux, Sophia in ‘t Veld, Eva Joly, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Timothy Kirkhope, Barbara Kudrycka, Kashetu Kyenge, Marju Lauristin, Juan Fernando López Aguilar, Monica Macovei, Roberta Metsola, Claude Moraes, József Nagy, Péter Niedermüller, Soraya Post, Judith Sargentini, Birgit Sippel, Branislav Škripek, Helga Stevens, Traian Ungureanu, Bodil Valero, Udo Voigt, Josef Weidenholzer, Cecilia Wikström, Kristina Winberg, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Marina Albiol Guzmán, Carlos Coelho, Anna Maria Corazza Bildt, Pál Csáky, Daniel Dalton, Dennis de Jong, Gérard Deprez, Anna Hedh, Petr Ježek, Emil Radev, Christine Revault D’Allonnes Bonnefoy, Barbara Spinelli, Elissavet Vozemberg-Vrionidi

29.1.2016

ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

aan de Commissie begrotingscontrole

inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen

(2015/2154(DEC))

Rapporteur voor advies: Barbara Matera

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie begrotingscontrole onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat de gelijkheid van mannen en vrouwen, overeenkomstig artikel 8 van het VWEU, een van de grondbeginselen van de Europese Unie is en door de Unie wordt bevorderd; overwegende dat het thema gendergelijkheid in alle beleidsterreinen moet worden verwerkt, en dat hier daarom bij de begrotingsprocedure rekening mee moet worden gehouden;

B.  overwegende dat de begrotingsprocedure van de Unie, gezien de permanente betrokkenheid van de Commissie, de Raad en het Parlement, een mogelijkheid biedt om de vooruitgang op het gebied van gendergelijkheid binnen de Unie te plannen en te beoordelen;

C.  overwegende dat genderbewust budgetteren moet zijn gebaseerd op een duidelijke methode waarmee genderkwesties in de algemene begroting van de Unie in kaart worden gebracht en waarmee, indien mogelijk, wordt beoordeeld of beleidsmaatregelen de bestaande ongelijkheden tussen vrouwen en mannen zullen versterken of verminderen;

D.  overwegende dat het Europees Parlement de Commissie herhaaldelijk heeft verzocht de toepassing van gendermainstreaming, genderbewuste budgettering en gendereffectbeoordelingen op alle beleidsterreinen te bevorderen, en de Rekenkamer meerdere malen heeft gevraagd om een genderperspectief op te nemen in haar beoordeling van de uitvoering van de begroting van de Unie;

E.  overwegende dat de Rekenkamer in haar jaarverslag over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2014 bevestigt dat de uitgaven van de Unie een belangrijk instrument zijn voor het verwezenlijken van beleidsdoelstellingen, en benadrukt dat politieke doelstellingen op hoog niveau vertaald moeten worden naar operationele streefdoelen, met gemeenschappelijke resultaatindicatoren;

1.  onderstreept dat de bevordering van gelijke kansen voor mannen en vrouwen alle beleidsterreinen moet bestrijken; pleit daarom opnieuw voor de toepassing van genderbewust budgetteren tijdens alle stadia van de begrotingsprocedure, met inbegrip van de uitvoering van de begroting en de beoordeling van deze uitvoering;

2.  herinnert de Commissie eraan dat sommige begrotingslijnen genderongelijkheid indirect kunnen bevorderen, doordat de tenuitvoerlegging ervan negatieve effecten heeft voor vrouwen; verzoekt de Commissie daarom een genderanalyse uit te voeren van zowel nieuwe als bestaande begrotingslijnen en waar mogelijk de nodige beleidswijzigingen door te voeren om te voorkomen dat genderongelijkheid indirect in de hand wordt gewerkt;

3.  herinnert de Commissie aan haar recente toezeggingen ten aanzien van resultaatgericht budgetteren en herhaalt het verzoek van het Parlement om in de gemeenschappelijke reeks resultaatindicatoren voor de uitvoering van de begroting van de Unie eveneens genderspecifieke indicatoren op te nemen, die een betere beoordeling van de begroting vanuit het genderperspectief mogelijk zouden maken;

4.  verzoekt de Europese Commissie om het genderperspectief op te nemen in haar toekomstige verslagen over de beoordeling van de financiën van de Unie op grond van de behaalde resultaten; verzoekt de Commissie bevredigende oplossingen te vinden voor de problemen die zich voordoen op het gebied van genderbewuste budgettering en gendereffectbeoordelingen;

5.  vraagt de Commissie een beoordeling op te stellen over de effecten die Europese middelen hebben gehad op de bevordering van gendergelijkheid;

6.  verzoekt de Europese Unie meer middelen toe te wijzen aan het Europees Sociaal Fonds voor de ontwikkeling van kwalitatief hoogwaardige en betaalbare openbare diensten voor kinderopvang en voor de zorg voor ouderen en andere zorgbehoevende volwassenen (die in de meeste gevallen nog altijd door vrouwen voor hun rekening wordt genomen), eveneens gezien de resultaten van de index voor gendergelijkheid, die onlangs door het Europees instituut voor gendergelijkheid is ontwikkeld;

7.  is ingenomen met de inspanningen van de Commissie om de administratieve uitgaven te beperken door een aantal programma's onder één rubriek samen te brengen, maar maakt zich zorgen over het feit dat de doelstellingen van het Daphne-programma onder de paraplu van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" niet zullen worden verwezenlijkt; merkt op dat er in 2014 in het kader van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" slechts enkele subsidieovereenkomsten konden worden getekend; spoort de Commissie ertoe aan een volledige uitvoering en transparantie van de voor het programma beschikbare begrotingskredieten te waarborgen;

8.  verzoekt de Europese Rekenkamer in haar jaarverslag en speciale verslagen, in het kader van de doelmatigheidscontroles, naast de klassieke triade (spaarzaamheid, efficiëntie, doeltreffendheid) een grotere nadruk te leggen op het beginsel van gelijkheid, billijkheid en milieuvriendelijkheid;

9.  verzoekt de Commissie en de lidstaten een volledige opleiding te verzorgen voor overheidsfunctionarissen die betrokken zijn bij besluiten over uitgaven, om te waarborgen dat zij zich volledig bewust zijn van de effecten van hun besluiten op de gendergelijkheid;

10.  vraagt alle Europese instellingen na te gaan of er binnen de instellingen en organen van de Europese Unie daadwerkelijk gelijkheid bestaat op het vlak van verdeling van de banen, door in het kader van de kwijtingsprocedure naar geslacht uitgesplitste gegevens te verstrekken met betrekking tot het aantal personeelsleden en hun rang.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

28.1.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

22

6

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Maria Arena, Catherine Bearder, Malin Björk, Anna Maria Corazza Bildt, Iratxe García Pérez, Mary Honeyball, Vicky Maeijer, Angelika Mlinar, Angelika Niebler, Maria Noichl, Marijana Petir, Terry Reintke, Jordi Sebastià, Ernest Urtasun, Beatrix von Storch, Jadwiga Wiśniewska, Jana Žitňanská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Izaskun Bilbao Barandica, Stefan Eck, Eleonora Forenza, Ildikó Gáll-Pelcz, Constance Le Grip, Clare Moody, Julie Ward

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Pedro Silva Pereira, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Kristina Winberg

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

7.4.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

5

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Louis Aliot, Jonathan Arnott, Inés Ayala Sender, Dennis de Jong, Martina Dlabajová, Ingeborg Gräßle, Bogusław Liberadzki, Monica Macovei, Gilles Pargneaux, Georgi Pirinski, Petri Sarvamaa, Claudia Schmidt, Igor Šoltes, Bart Staes, Michael Theurer, Derek Vaughan, Anders Primdahl Vistisen, Tomáš Zdechovský, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Richard Ashworth, Karin Kadenbach, Andrey Novakov, Julia Pitera, Miroslav Poche, Patricija Šulin

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Tiziana Beghin, Philippe De Backer, Luke Ming Flanagan, Arne Gericke, Ramón Jáuregui Atondo

(1)

  PB L 51 van 20.2.2014.

(2)

  PB C 377 van 13.11.2015, blz. 1.

(3)

  PB C 373 van 10.11.2015, p. 1.

(4)

  PB C 377 van 13.11.2015, blz. 146.

(5)

  PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(6)

  Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2016)0000.

(7)

  PB L 51 van 20.2.2014.

(8)

  PB C 377 van 13.11.2015, blz. 1.

(9)

  PB C 367 van 5.11.2015, p. 2.

(10)

  PB C 409 van 9.12.2015, p. 73.

(11)

  PB C 377 van 13.11.2015, blz. 146.

(12)

  PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(13)

  PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.

(14)

  PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.

(15)

  PB L 343 van 19.12.2013, blz. 46.

(16)

  Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2016)0000.

(17)

  PB L 51 van 20.2.2014.

(18)

  PB C 377 van 13.11.2015, blz. 1.

(19)

  PB C 367 van 5.11.2015, p. 9.

(20)

  PB C 409 van 9.12.2015, p. 90.

(21)

  PB C 377 van 13.11.2015, blz. 146.

(22)

  PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(23)

  PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.

(24)

  PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.

(25)

  PB L 341 van 18.12.2013, blz. 73.

(26)

  Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2016)0000.

(27)

  PB L 51 van 20.2.2014.

(28)

  PB C 377 van 13.11.2015, blz. 1.

(29)

  PB C 367 van 5.11.2015, p. 2.

(30)

  PB C 409 van 9.12.2015, p. 56.

(31)

  PB C 377 van 13.11.2015, blz. 146.

(32)

  PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(33)

  PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.

(34)

  PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.

(35)

  PB L 341 van 18.12.2013, blz. 69.

(36)

  PB L 363 van 18.12.2014, blz. 183.

(37)

  Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2016)0000.

(38)

  PB L 51 van 20.2.2014.

(39)

  PB C 377 van 13.11.2015, blz. 1.

(40)

  PB C 367 van 5.11.2015, p. 12.

(41)

  PB C 409 van 9.12.2015, p. 247.

(42)

  PB C 377 van 13.11.2015, blz. 146.

(43)

  PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(44)

  PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.

(45)

  PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.

(46)

  PB L 346 van 20.12.2013, blz. 58.

(47)

  Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2016)0000.

(48)

  PB L 51 van 20.2.2014.

(49)

  PB C 377 van 13.11.2015, blz. 1.

(50)

  PB C 367 van 5.11.2015, p. 10.

(51)

  PB C 409 van 9.12.2015, p. 379.

(52)

  PB C 377 van 13.11.2015, blz. 146.

(53)

  PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(54)

  PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.

(55)

  PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.

(56)

  PB L 346 van 20.12.2013, blz. 54.

(57)

  Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2016)0000.

(58)

  PB L 51 van 20.2.2014.

(59)

  PB C 377 van 13.11.2015, blz. 1.

(60)

  PB C 367 van 5.11.2015, p. 10.

(61)

  PB C 409 van 9.12.2015, p. 362.

(62)

  PB C 377 van 13.11.2015, blz. 146.

(63)

  PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(64)

  PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.

(65)

  PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.

(66)

  PB L 352 van 24.12.2013, blz. 65.

(67)

  Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2016)0000.

(68)

  PB L 51 van 20.2.2014.

(69)

  PB C 377 van 13.11.2015, blz. 1.

(70)

  PB C 373 van 10.11.2015, p. 1.

(71)

  PB C 377 van 13.11.2015, blz. 146.

(72)

  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(73)

  PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(74)

  PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.

(75)

  Aangenomen teksten van die datum, P8_TA(2016)0000.

(76)

  Verslag-Geier: Resolutie van het Europees Parlement van april 2013 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen (2012/2167(DEC)), par. 321; Verslag-Pieper, resolutie van het Europees Parlement van 3 april 2014 (2013/2195(DEC)), par. 314-315; Verslag-Gräßle, resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 (2014/2076(DEC)), par. 305.

(77)

  Jaarverslag 2014 van de Rekenkamer, punt 3.10.

(78)

  Jaarverslag 2014 van de Rekenkamer, punt 3.5

(79)

  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad.

(80)

  Jaarverslag 2014 van de Rekenkamer, punt 3.65.

(81)

  De cijfers voor 2013 zijn herberekend om ze af te stemmen op de structuur van het jaarverslag 2014 zodat beide jaren vergeleken kunnen worden.

(82)

  Volgens het verslag van de Rekenkamer voor 2014 was het vergelijkbare geschatte foutenpercentage voor 2013 en 2012 respectievelijk 0,2 en 0,3 procentpunt lager, doordat de Rekenkamer de kwantificering van ernstige inbreuken op de aanbestedingsregels heeft geactualiseerd.

(83)

  Jaarverslag van de Rekenkamer, punt 1.54 en 1.65.

(84)

  Aangezien de RIA een zeer doeltreffend instrument is om ervoor te zorgen dat het financieel beheer werkelijk goed is.

(85)

  Zie COM(2013)0534 - 2013/0255(APP), punt 29.

(86)

  Het betalingsplan dat in maart 2015 door de Commissie is aangenomen en waarin maatregelen op korte termijn zijn opgenomen om het niveau van onbetaalde rekeningen te verlagen, is niet het juiste instrument; het hoge niveau aan niet-afgewikkelde vastleggingen vergt een visie op langere termijn.

(87)

  Het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Cohesiefonds (CF), het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV). Bron: jaarverslag 2014 van de Rekenkamer.

(88)

  Het absorptieniveau in de lidstaten varieert van 50 % tot 92 %.

(89)

  Verslag-Gräβle over de kwijting van de Commissie voor 2013.

(90)

  Antwoorden op aanvullende schriftelijke vragen aan commissaris Moedas, vraag 3.

(91)

  Jaarlijks activiteitenverslag 2012, DG Onderzoek en Innovatie, blz. 45 en volgende.

(92)

  Zoals het INEA.

(93)

  Zie artikel 41, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549), Verlaging en schorsing van de maandelijkse en de tussentijdse betalingen.

(94)

  Zie het jaarverslag 2014 van de Rekenkamer, punten 7.44 t/m 7.50.

(95)

  Zie tabel: Bijlage 10 - 3.2.8 bij het jaarlijks activiteitenverslag 2014 van DG AGRI.

(96)

  Het beleid voor plattelandsontwikkeling wordt uitgevoerd door middel van 46 maatregelen, en die maatregelen op hun beurt door plattelandsontwikkelingsprogramma's op nationaal of regionaal niveau.

(97)

  Jaarverslag 2014 van de Rekenkamer, punt 7.71.

(98)

  Zie het antwoord van commissaris Hogan op schriftelijke vraag 7 b, hoorzitting van CONT op 14 januari 2016.

(99)

  Jaarlijks activiteitenverslag van de directeur-generaal van DG AGRI, blz. 17.

(100)

  Speciaal verslag nr. 5/2015 van de Rekenkamer (kwijting 2014): "Zijn financiële instrumenten een succesvol en veelbelovend instrument op het gebied van plattelandsontwikkeling?".

(101)

  Zie het jaarlijks activiteitenverslag 2014 van EuropeAid, blz. 115.

(102)

  Synthese van de beheersresultaten van de Commissie in 2014, COM(2015)0279 final, blz. 21.

(103)

  Antwoorden op schriftelijke vragen aan commissaris Thyssen, vragen 48 en 49.

(104)

  Zie de follow-up van de resolutie van het Europees Parlement over het jaarverslag 2014 van het Comité van toezicht van OLAF, door de Commissie goedgekeurd op 23 september 2015.

(105)

  Philip Morris International, British American Tobacco, Japan Tobacco International en Imperial Tobacco Limited.

(106)

  Richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van Richtlijn 2001/37/EG.

(107)

  Resolutie van het Europees Parlement van 9 maart 2016 over de tabaksovereenkomst (PMI-overeenkomst) (2016/2555(RSP)).

(108)

  http://www.ombudsman.europa.eu/en/press/release.faces/en/61027/html.bookmark.

(109)

  Verordening (EU) nr. 282/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een derde actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1350/2007/EG (PB L 86 van 21.3.2014, blz. 1).

(110)

  Verordening (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van bepalingen betreffende het beheer van de uitgaven in verband met de voedselketen, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede in verband met plantgezondheid en teeltmateriaal, tot wijziging van de Richtlijnen 98/56/EG, 2000/29/EG en 2008/90/EG van de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 178/2002, (EG) nr. 882/2004 en (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Besluiten 66/399/EEG en 76/894/EEG en Beschikking 2009/470/EG van de Raad (PB L 189 van 27.6.2014, blz. 1).

(111)

  OJ C 373, 20.12.2013.

(112)

  Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 680/2007 en (EG) nr. 67/2010 (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 129).

(113)

  DG AGRI - Jaarverslag 2014 - blz. 12.

(114)

  ERK Jaarverslag 2014 - antwoord op par. 7.15.

(115)

  ERK Jaarverslag 2014 - antwoord op par. 7.32.

(116)

  ERK Jaarverslag 2014 - par. 7.35.

(117)

  ERK Jaarverslag 2014 - par. 7.40.

(118)

  Artikel 39, lid 1, punt e), VWEU

(119)

  ERK Jaarverslag 2014 - par. 7.30.

(120)

Verordening (EU) nr. 282/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een derde actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1350/2007/EG (PB L 86 van 21.3.2014, blz. 1).

(121)

Verordening (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van bepalingen betreffende het beheer van de uitgaven in verband met de voedselketen, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede in verband met plantgezondheid en teeltmateriaal, tot wijziging van de Richtlijnen 98/56/EG, 2000/29/EG en 2008/90/EG van de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 178/2002, (EG) nr. 882/2004 en (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Besluiten 66/399/EEG en 76/894/EEG en Beschikking 2009/470/EG van de Raad (PB L 189 van 27.6.2014, blz. 1).

(122)

PB C 373 van 20.12.2013.

(123)

Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 680/2007 en (EG) nr. 67/2010 (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 129).

(124)

DG AGRI - Jaarverslag 2014 - blz. 12.

(125)

ERK Jaarverslag 2014 - antwoord op par. 7.15.

(126)

ERK Jaarverslag 2014 - antwoord op par. 7.32.

(127)

ERK Jaarverslag 2014 - par. 7.35.

(128)

ERK Jaarverslag 2014 - par. 7.40.

(129)

VWEU artikel 39, lid 1, onder e).

(130)

ERK Jaarverslag 2014 - par. 7.30.

Juridische mededeling