Procedure : 2015/2228(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0153/2016

Ingediende teksten :

A8-0153/2016

Debatten :

PV 25/05/2016 - 22
CRE 25/05/2016 - 22

Stemmingen :

PV 26/05/2016 - 6.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0235

VERSLAG     
PDF 418kWORD 200k
26.4.2016
PE 575.365v02-00 A8-0153/2016

over armoede: een genderperspectief

(2015/2228(INI))

Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

Rapporteur: Maria Arena

Rapporteur voor advies (*):

Lynn Boylan, Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

(*) Medeverantwoordelijke commissie – artikel 54 van het Reglement

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over armoede: een genderperspectief

(2015/2228(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien artikelen 8, 9, 151, 153 en 157 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en in het bijzonder de bepalingen ervan met betrekking tot sociale rechten en gelijkheid van mannen en vrouwen,

–  gezien het VN-verdrag van 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul),

–  gezien de groeistrategie van de EU, Europa 2020, en met name haar doelstelling het aantal Europeanen dat onder de nationale armoedegrens leeft uiterlijk in 2020 met 25 % te verminderen, waardoor meer dan 20 miljoen mensen niet langer in armoede zullen leven, en gezien de noodzaak om volledig gebruik te maken van de socialezekerheids- en pensioenstelsels van de lidstaten om adequate inkomenssteun te waarborgen,

–  gezien het pakket sociale-investeringsmaatregelen (SIP) van de Commissie van 2013,

–  gezien de Europese Groep voor praktijkgemeenschap aangaande gendermainstreaming (GenderCop) van het Europees Sociaal Fonds, en met name de GenderCop-werkgroep armoede en inclusie,

–  gezien artikel 7 van de Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake de Structuurfondsen 2014-2020,

–  gezien de jaarlijkse bijeenkomst in 2014 van het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting,

–  gezien Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking),

–  gezien Richtlijn 2010/18/EU van de Raad van 8 maart 2010 tot uitvoering van de door BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst en tot intrekking van Richtlijn 96/34/EG,

–  gezien het Stappenplan van de Commissie van augustus 2015 voor een nieuwe aanpak van de uitdagingen waarmee werkende gezinnen worden geconfronteerd bij het combineren van beroep, privéleven en gezinsleven,

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 3 december 2015 getiteld "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019" (SWD(2015)0278),

–  gezien de resultaten van het onderzoek van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) naar ervaringen van lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgenderpersonen in de EU, gepubliceerd op 17 mei 2013,

–  gezien zijn resoluties van 13 oktober 2005 over vrouwen en armoede in de Europese Unie(1), alsmede zijn resolutie van 3 februari 2009 over de bestrijding van discriminatie op grond van geslacht en solidariteit tussen de generaties(2),

–  gezien zijn in eerste lezing op 20 oktober 2010 vastgestelde standpunt met het oog op de aanneming van Richtlijn 2011/.../EU van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de richtlijn zwangerschapsverlof(3),

–  gezien zijn resolutie van 8 maart 2011 over armoede bij vrouwen in de Europese Unie(4),

–  gezien zijn resolutie van 5 april 2011 over de prioriteiten en het ontwerp van een nieuw beleidskader van de EU voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen(5),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2011 over de situatie van vrouwen die de pensioengerechtigde leeftijd naderen(6),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2011 over de situatie van alleenstaande moeders(7),

–  gezien zijn resolutie van 20 april 2012 over handel en klimaatverandering(8),

–  gezien zijn resolutie van 24 mei 2012 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid(9),

–  gezien zijn resolutie van 6 februari 2013 over uitbanning en preventie van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes met het oog op de 57e Commissie van de VN inzake de positie van de vrouw (CSW)(10),

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2013 over de gevolgen van de economische crisis voor de gendergelijkheid en de rechten van de vrouw(11),

–  gezien zijn resolutie van 10 maart 2015 over vooruitgang op het gebied van gelijkheid van vrouwen en mannen in de Europese Unie in 2013(12),

–  gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen na 2015(13),

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de toepassing van Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(14),

–  gezien zijn resolutie van 8 oktober 2015 over de vernieuwing van het EU-actieplan voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen in het kader van ontwikkeling(15),

–  gezien de in april 2014 gepubliceerde en in opdracht van de Commissie uitgevoerde studie "Single parents and employment in Europe",

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken over het armoedebestrijdingsdoel halen in het licht van stijgende huishoudelijke kosten, en het bijgevoegde advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0153/2016),

A.  overwegende dat de jongste Eurostatgegevens aantonen dat het aantal vrouwen in armoede permanent hoger blijft dan het aantal mannen, met momenteel zo'n 64,6 miljoen vrouwen tegenover 57,6 miljoen mannen(16); overwegende dat dit aantoont dat armoede vrouwen anders treft dan mannen; overwegende dat vooral vrouwen werden getroffen door het risico op armoede in de EU-28 in 2014, met een percentage van 46,6 % vóór sociale transfers en 17,7 % na deze transfers; overwegende dat de percentages van armoede onder vrouwen zeer verschillen van lidstaat tot lidstaat; overwegende dat ongeacht het specifieke karakter van de risicogroepen, zoals oudere vrouwen, alleenstaande vrouwen, alleenstaande moeders, lesbiennes, vrouwelijke biseksuelen, transgenders en vrouwen met een handicap, de armoede onder migrantenvrouwen en vrouwen van etnische minderheden overal in de EU even groot is; overwegende dat 38,9 % van de bevolking en 48,6 % van de alleenstaande vrouwen in de EU-28 geen onverwachte kosten kunnen dragen; overwegende dat de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN meldt dat vrouwen wereldwijd de armste bevolkingsgroep zijn en dat het aantal vrouwen op het platteland dat in armoede leeft sinds 1975 met 50 % is gestegen, dat vrouwen op mondiale schaal gezien twee derde van alle gewerkte uren en de helft van de voedselproductie voor hun rekening nemen, en dat ze daarentegen, ook weer op mondiale schaal, maar 10 % van de inkomens ontvangen en minder dan 1 % van het vermogen bezitten;

B.  overwegende dat gendergelijkheid op de arbeidsmarkt, die bewerkstelligd wordt door het sociaal en economisch welzijn te verbeteren, niet alleen vrouwen maar ook de economie en de samenleving als geheel ten goede komt; overwegende dat de doelstelling van het waarborgen van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen voor het eerst werd geformuleerd in het Verdrag van Rome van 1957;

C.  overwegende dat de regeringen zich er in het VN-verdrag inzake de rechten van het kind en in de Agenda voor duurzame ontwikkeling 2030 toe hebben verbonden te waarborgen dat alle jongens en meisjes het volledige basisonderwijs doorlopen; overwegende dat het Parlement in mei 2015 op Internationale Vrouwendag een evenement heeft georganiseerd onder de naam "Empowering girls and women through education"; overwegende dat onderwijs, zowel formeel als informeel, cruciaal is voor het uitbannen van marginalisering en meerdere vormen van discriminatie, door een dialoog tot stand te brengen, openheid en begrip tussen gemeenschappen en het versterken van de positie van gemarginaliseerde gemeenschappen;

D.  overwegende dat in tijden van economische recessie personen die reeds risico op armoede liepen, waarvan de meerderheid vrouw is, zich in een kwetsbare positie bevinden op de arbeidsmarkt en qua sociale zekerheid, voornamelijk als het gaat om mensen die behoren tot groepen die worden geconfronteerd met meervoudige discriminatie; overwegende dat uit het LGBT-onderzoek van de EU blijkt dat lesbiennes, vrouwelijke biseksuelen en vrouwelijke transgenders worden geconfronteerd met een onevenredig groot risico op discriminatie op grond van hun seksuele geaardheid of genderidentiteit, en wel op het gebied van werkgelegenheid (19 %), onderwijs (19 %), woningen (13 %), gezondheidszorg (10 %) en toegang tot sociale diensten (8 %); overwegende dat dit leidt tot onevenredige risico's voor hun economisch en sociaal welzijn;

E.  overwegende dat het bezuinigingsbeleid dat door de Commissie gevraagd wordt en door de lidstaten gevoerd wordt, naast de economische crisis van de laatste jaren, de ongelijkheid heeft doen toenemen en vooral vrouwen heeft getroffen, waardoor armoede bij vrouwen is verergerd en ze steeds verder vervreemd raken van de arbeidsmarkt; overwegende dat het netwerk van openbare diensten en infrastructuur voor de opvang van kinderen, ouderen en zieken en het aanbod van kwalitatief hoogwaardige en gratis openbare diensten op dit gebied verminderd zijn;

F.  overwegende dat eenoudergezinnen een groter risico lopen op armoede of sociale uitsluiting (49,8 % tegenover 25,2 % van de gemiddelde huishoudens met kinderen ten laste, hoewel er grote verschillen tussen lidstaten bestaan)(17); overwegende dat volgens Eurostat in 2014 vrouwen 56,6 % van de eenoudergezinnen in de Unie uitmaakten; overwegende dat armoede een grote impact heeft op de ontplooiing, de ontwikkeling en de opleiding van kinderen en dat de effecten zich een leven lang kunnen blijven manifesteren; overwegende dat de onderwijskloof tussen kinderen uit verschillende sociaaleconomische klassen is toegenomen (in elf landen bereiken het aanbod van voorschools onderwijs en de opvangmogelijkheden voor kinderen minder dan 15 % van de 0- tot 3-jarigen); overwegende dat er een grote kans bestaat dat armoede van generatie op generatie wordt overgebracht; overwegende dat een gebrek aan kwalitatief hoogwaardig onderwijs een factor is die het risico van kinderarmoede en sociale uitsluiting van kinderen aanzienlijk vergroot, en een verscheidenheid aan factoren die verband houden met het gezinsleven – zoals instabiliteit, slechte huisvestingsomstandigheden of geweld – het risico op vroegtijdig schoolverlaten aanmerkelijk verhoogt;

G.  overwegende dat vrouwen die in rurale gebieden wonen het hardst worden getroffen door armoede; overwegende dat veel vrouwen die in rurale gebieden wonen niet eens als werkzoekend of werkloos worden geregistreerd; overwegende dat de werkloosheid onder vrouwen in rurale gebieden buitengewoon hoog is en dat vrouwen met werk zeer lage inkomens hebben; overwegende dat vrouwen in rurale gebieden beperkte toegang tot onderwijs, vroegtijdige opsporing van kanker en gezondheidszorg in het algemeen hebben;

H.  overwegende dat leven met risico op armoede leidt tot sociale uitsluiting en een gebrek aan sociale participatie qua toegang tot opleiding, rechtspraak, levenslang leren, primaire gezondheidszorg, fatsoenlijke huisvesting en voeding, water en elektriciteit, toegang tot en deelname aan cultuur en informatie, sport en het openbaar vervoer; overwegende dat investeren in een beleid dat vrouwen ondersteunt ook de levensomstandigheden van hun gezin verbetert, en dan vooral van hun kinderen;

I.  overwegende dat maar 11 % van de moeders in Europa een volledige baan wil en dat 63 % van de vrouwen flexibelere werktijden zou willen hebben om deze te kunnen aanpassen aan hun gezinsverantwoordelijkheden(18);

J.  overwegende dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen 16,3 % bedraagt en overwegende dat atypische en onzekere arbeidsovereenkomsten (nulurencontracten, tijdelijk werk, uitzendwerk, parttimewerk enz.) ook meer voor vrouwen dan voor mannen gelden; overwegende dat onzekere arbeidsovereenkomsten met name vrouwen aan armoede blootstellen en uiteindelijk leiden tot een categorie van arme werknemers;

K.  overwegende dat vrouwen die van plan zijn met een activiteit te starten veel moeilijker toegang hebben tot krediet omdat de traditionele financiële tussenpersonen onwillig zijn om leningen toe te kennen, daar ze van mening zijn dat vrouwelijke leners meer blootgesteld zijn aan risico's en minder geneigd zijn een bedrijf te laten groeien en investeringen te doen die geld opbrengen;

L.  overwegende dat vrouwen vaak werken als huishoudelijke hulp, en in veel gevallen buiten het nationale arbeidsrecht worden tewerkgesteld; overwegende dat vooral vrouwen zonder papieren gevaar lopen dit werk te moeten doen en te worden uitgebuit;

M.  overwegende dat vrouwen vaker dan mannen de verantwoordelijkheid van de zorg voor oudere, zieke of afhankelijke familieleden alsook voor kinderen op zich nemen, en dat ze hun loopbaan vaker onderbreken, hetgeen leidt tot een geringere participatie op de arbeidsmarkt en lange perioden van afwezigheid op de arbeidsmarkt; overwegende dat het risico op verpaupering verkleint door het opzetten van kwaliteitsvolle en betaalbare sociale diensten en infrastructuren voor opvang en onderwijs voor jonge kinderen of voor zorg voor andere afhankelijke personen zoals ouderen; overwegende dat maar weinig lidstaten de doelstellingen van Barcelona hebben gehaald of deze hebben overtroffen, terwijl de verwezenlijking ervan van essentieel belang is voor een gelijkere verdeling van zorgverantwoordelijkheden;

N.  overwegende dat armoede een intergenerationele dimensie heeft en dat de aanpak van de situatie van meisjes en jonge vrouwen die worden geconfronteerd met sociale uitsluiting en armoede, van essentieel belang is voor het bestrijden van de feminisering van armoede;

O.  overwegende dat in de hele EU-27 34 % van de alleenstaande moeders in de werkzame leeftijdsgroep aan armoede dreigt te worden blootgesteld tegenover 17 % in het geval van andere gezinnen in de werkzame leeftijdsgroep met kinderen;

P.  overwegende dat het verschil in pensioenrechten gemiddeld 39 % bedraagt als gevolg van de onevenwichtigheden die zijn ontstaan door hardnekkige ongelijkheid in lonen en toegang tot de arbeidsmarkt, discriminatie en de loonkloof tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt; overwegende dat het verschil in pensioen een obstakel is voor de economische onafhankelijkheid van vrouwen en een van de redenen is waarom vrouwen op latere leeftijd onder de armoedegrens belanden; overwegende dat actie geboden is om gelijke toegang tot fatsoenlijke pensioenregelingen voor vrouwen veilig te stellen; overwegende dat de pensioenkloof tussen 2006 en 2012 kleiner is geworden in de landen waar Richtlijn 2006/54/EG ten uitvoer is gelegd(19);

Q.  overwegende dat de toename van het risico op armoede nauw verband houdt met de bezuinigingen die het onderwijs, de socialezekerheidsstelsels en opvangvoorzieningen treffen; overwegende dat vrouwen en kinderen het hardst getroffen zijn door de crisis en de bezuinigingsmaatregelen die in diverse Europese landen zijn genomen;

R.  overwegende dat vrouwen een belangrijke drijvende kracht achter economische en sociale ontwikkeling zijn en dat een goede opleiding een van de meest effectieve strategieën is voor succes op de arbeidsmarkt en het doorbreken van de armoedecyclus; overwegende dat de aanzienlijke financiële last van niet-gratis onderwijs, door de rechtstreekse en onrechtstreekse kosten die hiermee gepaard gaan, voor mensen die in armoede leven een belangrijk obstakel vormt om betere kwalificaties te verwerven; overwegende dat meisjes op school beter presteren dan jongens, maar dat zij vaak grotere moeilijkheden ondervinden of er door familie- en andere druk vaak van worden weerhouden dit succes op school te vertalen in prestaties op het werk;

S.  overwegende dat pesten grote gevolgen heeft voor schoolprestaties, en de psychologische impact daarvan en de impact op hun prestatie verschillen bij jongens en meisjes;

T.  overwegende dat de in de samenleving heersende stereotypen zijn geworteld in patriarchale tradities en vrouwen in een ondergeschikte rol in de samenleving drukken, en daardoor bijdragen tot feminisering van de armoede; overwegende dat deze stereotypen zich al in de jeugd ontwikkelen en van invloed blijven op de keuze van onderwijs en opleiding tot aan de arbeidsmarkt; overwegende dat vrouwen zich maar al te vaak beperken tot "vrouwvriendelijke" beroepen waarin ze nog steeds geen loon naar werken krijgen en dat ze ondervertegenwoordigd blijven op bepaalde gebieden zoals wiskunde, wetenschappen, het bedrijfsleven, ICT en technische wetenschappen, alsook in functies met verantwoordelijkheid; overwegende dat deze stereotypen, in combinatie met het feit dat door mannen gedomineerde sectoren bepalend zijn voor de loonvorming, leiden tot genderdiscriminatie;

U.  overwegende dat er, uit het oogpunt van gegevensverzameling, sprake is van lacunes bij het kenmerken van het begrip "huishouden", aangezien het veronderstelt dat alle leden van het huishouden evenveel verdienen en de beschikbare middelen gelijkelijk verdelen; overwegende dat inkomensongelijkheid maar zelden op een ander niveau dan dat van het "huishouden" wordt bekeken; overwegende dat binnen het beleidvormingsproces aan de hand van het begrip "huishouden" onmogelijk de situatie van vrouwen in termen van inkomen of fiscale verplichtingen in kaart kan worden gebracht;

V.  overwegende dat de Europa 2020-strategie die bedoeld is om van de Unie een slimme, duurzame en inclusieve economie te maken, ambitieuze doelstellingen nastreeft zoals een werkgelegenheidspercentage van 75 % en een reductie met ten minste 20 miljoen van het aantal personen dat te lijden heeft onder dan wel het risico loopt op armoede en sociale uitsluiting in de periode van nu tot 2020; overwegende dat de doelstellingen van de strategie onder meer een vermindering betreft van het schooluitvalpercentage tot onder 10 %;

W.  overwegende dat een van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie erop gericht is dat 40 % van de personen tussen 30 en 34 jaar een universitaire opleiding volgt, in vergelijking met het huidige gemiddelde van 37,9 %; overwegende dat het gemiddelde voor vrouwen meer dan 42,3 % bedraagt, en dat van mannen 33,6 %;

X.  overwegende dat het streefdoel inzake armoedevermindering van de Europa 2020-strategie, als een van de vijf meetbare doelstellingen van de strategie, een sterke nieuwe impuls van de politiek vereist; overwegende dat deze doelstellingen alleen kunnen worden bereikt wanneer het armoedebestrijdingsbeleid een sterke genderdimensie omvat, met de vaststelling van nationaal beleid om vrouwen tegen met name het risico op armoede te beschermen;

Y.  overwegende dat armoede en sociale uitsluiting en de economische afhankelijkheid van vrouwen verergerende factoren kunnen zijn voor geweld tegen vrouwen, en ook omgekeerd, aangezien geweld gevolgen heeft voor de gezondheid van vrouwen en in vele gevallen leidt tot het verlies van werk, dakloosheid, sociale uitsluiting en armoede; overwegende dat hierdoor het risico vergroot dat vrouwen het slachtoffer van mensenhandel en seksuele uitbuiting worden; overwegende bovendien dat veel vrouwen die slachtoffer van gendergeweld zijn met de agressor blijven samenleven omdat ze economisch afhankelijk zijn;

Z.  overwegende dat gendergelijkheid een instrument is in de strijd tegen armoede onder vrouwen, omdat de arbeidsproductiviteit en de economische groei er wel bij varen en de arbeidsparticipatie van vrouwen erdoor toeneemt, wat weer talrijke sociaaleconomische baten heeft;

Armoede en evenwicht tussen werk en privéleven

1.  onderstreept de cruciale rol van hoogwaardige openbare diensten voor de bestrijding van armoede, met name armoede onder vrouwen, aangezien zij meer afhankelijk zijn van dergelijke diensten;

2.  benadrukt de noodzaak van aanmoediging en betrokkenheid van mannen om gendergelijkheid op alle gebieden en op alle niveaus van de arbeidsmarkt te bevorderen;

3.  is van mening dat de lidstaten het goed kunnen combineren van privé- en beroepsleven prioriteit moeten geven door gezinsvriendelijke arbeidsregelingen in te voeren, zoals aanpasbare werktijden en de mogelijkheid tot telewerken; merkt op dat het gebrek aan betaalbare kinderopvangvoorzieningen van kwaliteit, zorg voor afhankelijke personen en oudere mensen, en in het bijzonder crèches, kinderdagverblijven en voorzieningen voor langdurige zorg, bijdraagt tot sociale uitsluiting en de kloof tussen mannen en vrouwen op het gebied van werkgelegenheid, salariëring en pensioen vergroot; benadrukt dat gelijke toegang tot gratis onderwijs van kwaliteit voor jonge kinderen en betaalbare opvang, tot formeel, informeel en niet-formeel onderwijs en tot gezinshulp van cruciaal belang zijn om vrouwen aan te sporen om te gaan en te blijven werken, om gelijke kansen te waarborgen en de armoedecyclus te doorbreken, aangezien dit vrouwen helpt autonomie te verwerven, alsook de kwalificaties die nuttig zijn voor de uitoefening van een functie;

4.  betreurt ten stelligste het door de EU gevoerde bezuinigingsbeleid dat, samen met de economische crisis, bijdraagt tot een stijging van het armoedepercentage, vooral bij vrouwen;

5.  verzoekt de lidstaten en de Commissie uitvoering te geven en gebruik te maken van de beschikbare financiële en beleidsinstrumenten, waaronder het pakket "sociale investeringsmaatregelen", om de doelstellingen van Barcelona te bereiken; dringt er in dit verband op aan om het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) te optimaliseren, om bij de tenuitvoerlegging van de sociale investeringen en de verordening van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) prioriteit te verlenen aan het opzetten van openbare en particuliere voorzieningen voor opvang van en hulp aan kinderen en andere afhankelijke personen, alsook om gebruik te maken van het in het kader van het stabiliteits- en groeipact ingevoerde flexibiliteitsmechanisme voor projecten voor de financiering van opvang en onderwijs voor jonge kinderen (ECEC); pleit bij de Commissie voor de toewijzing van specifieke middelen in het kader van een cofinancieringsmechanisme, om stimulerende maatregelen te bevorderen voor specifieke gebieden waar het ontbreekt aan voorzieningen voor opvang en onderwijs voor jonge kinderen (ECEC) en de werkgelegenheid onder vrouwen extreem laag is;

6.  verzoekt de lidstaten om beleid ten uitvoer te leggen dat gratis openbare diensten van kwaliteit zal beschermen, opwaarderen en bevorderen, vooral op de gebieden gezondheidszorg, onderwijs, sociale zekerheid en justitie; wijst erop dat het van cruciaal belang is dat er voldoende financiële en menselijke middelen worden uitgetrokken voor openbare diensten om de doelstellingen ervan te verwezenlijken;

7.  verzoekt de Europese Commissie en de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om de combinatie van werk en privéleven te bevorderen, zodat vrouwen, en met name vrouwen die een grotere kans lopen om tot armoede te vervallen, voltijds kunnen blijven werken, of, als ze daar de voorkeur aan geven, een deeltijdbaan of een baan met flexibele uren kunnen nemen;

8.  verzoekt de Commissie, in nauwe samenwerking met de lidstaten, met alomvattende en volledige initiatieven voor wetgevingsvoorstellen te komen om tegemoet te komen aan de behoeften van moeders en vaders betreffende de diverse soorten verlof, te weten het moederschapsverlof, vaderschapsverlof, ouderschapsverlof, zorgverlof, teneinde met name mannen te steunen een actieve vaderrol op te nemen, om zo een eerlijkere verdeling van de gezinsverantwoordelijkheden mogelijk te maken en vrouwen de mogelijkheid te bieden op een gelijkwaardige participatie op de arbeidsmarkt, ter versterking van hun economische onafhankelijkheid; neemt in aanmerking dat enkele lidstaten reeds wetgeving ter zake hebben vastgesteld die verder gaat dan de wetgeving van de Unie; verzoekt de lidstaten om wetgeving te overwegen die moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsrechten waarborgt en versterkt; onderstreept dat slechts 2,7 % van de personen die in 2010 gebruik hebben gemaakt van hun recht op ouderschapsverlof, mannen waren, wat duidelijk maakt dat concrete maatregelen moeten worden genomen om het verlenen van het individuele en niet-overdraagbare recht op ouderschapsverlof in de ruimst mogelijke zin te garanderen;

9.  drukt nogmaals zijn teleurstelling uit over het feit dat de richtlijn moederschapsverlof is ingetrokken, nadat er jarenlang inspanningen waren geleverd om de impasse te doorbreken en Europese burgers op die manier een betere bescherming te bieden; verzoekt de Commissie met een nieuw voorstel te komen en het standpunt van het Parlement te eerbiedigen om de thans gewaarborgde minimumduur van betaald moederschapsverlof van 14 tot 20 weken te verlengen en om een gegarandeerd recht op betaald vaderschapsverlof te introduceren; is van mening dat er in alle lidstaten concrete maatregelen moeten worden genomen voor een beter evenwicht tussen gezin en werk voor vrouwen; dringt er bij de Commissie op aan om zowel een meer robuuste sociale dimensie als doelstellingen inzake gendergelijkheid op de werkplek in het Europees semester te integreren;

10.  is verheugd over het voorstel voor de invoering van zorgverlof, zoals beoogd in het stappenplan van de Commissie voor een nieuwe start om de uitdagingen van de combinatie werk en gezin bij werkende gezinnen aan te pakken;

11.  pleit voor een ontwikkeling naar individualisering van de rechten in het kader van het beleid van sociale rechtvaardigheid;

Armoede en werk

12.  verzoekt de Commissie en de lidstaten beleid ten uitvoer te leggen om de werkgelegenheid onder vrouwen en de integratie op de arbeidsmarkt van sociaal gemarginaliseerde groepen vrouwen in het licht van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie te verbeteren, om het onderwijs te versterken en te verbeteren, en om meer te investeren in opleiding en in informatiecampagnes, en daarbij te garanderen dat de kwalificatie heerst bij de hieruit voortvloeiende instroom van vrouwen op de arbeidsmarkt, met de nadruk op levenslang leren aangezien vrouwen hierdoor de nodige vaardigheden opdoen om een hoogwaardige baan te vinden en de kans krijgen op herscholing voor de continu veranderende arbeidsmarkt; roept op tot meer promotie van onderwijs in STEM-vakken (wetenschap, technologie, engineering en wiskunde) aan jonge meisjes, teneinde de heersende onderwijsstereotypen op vroege leeftijd aan te pakken en op lange termijn de werkgelegenheids- en loonkloof aan te pakken; roept op tot de ontwikkeling van betaalbare openbare diensten voor opvang van kwaliteit, aanpasbare maar niet-precaire werktijden die zowel voor vrouwen als voor mannen gunstig zijn, en regelingen voor de bestrijding van de sectorale en beroepssegregatie van mannen en vrouwen, ook in de ondernemerswereld en in verantwoordelijke functies;

13.  benadrukt dat de toegang tot krediet, financiële diensten en advies de sleutel is tot empowerment van vrouwen die worden geconfronteerd met sociale uitsluiting in ondernemerschap, en tot het verhogen van hun vertegenwoordiging in de sector; roept de Commissie en de lidstaten op om effectieve maatregelen te nemen om de toegang tot financiering te verruimen voor vrouwen die een eigen bedrijf of een investeringsproject willen starten, en ondernemerschap van vrouwen te bevorderen, aangezien dit bijdraagt tot de algemene economische en maatschappelijke ontwikkeling, evenals om de toegang tot krediet te vergemakkelijken, ook via instrumenten van microkrediet, met name met betrekking tot kwetsbare vrouwen die worden geconfronteerd met meervoudige discriminatie, en om programma's voor zelfstandig ondernemerschap op een niet-precaire wijze te ontwikkelen en uit te breiden; onderstreept in dit verband het belang van de uitwisseling en bevordering van goede praktijken, mentoring, vrouwelijke rolmodellen en andere vormen van steun voor werkloze vrouwen;

14.  benadrukt het cruciale belang van: de hervorming van macro-economisch, sociaal en arbeidsmarktbeleid door dit af te stemmen op gendergelijkheidsbeleid teneinde economische en sociale rechtvaardigheid voor vrouwen te garanderen; een heroverweging van de methoden die worden gebruikt om armoedecijfers vast te stellen en de ontwikkeling van strategieën ter bevordering van een eerlijke verdeling van welvaart; de garantie van een minimuminkomen en fatsoenlijke lonen en pensioenen, en de creatie van betere banen, met meer rechten, voor vrouwen; en mogelijkheden voor vrouwen en meisjes om te profiteren van openbare diensten van hoge kwaliteit, met inbegrip van een verbetering van socialewelzijnstelsels om de genderkloof te verkleinen;

15.  merkt op dat vrouwen vaker onzekere of slecht betaalde banen hebben met een niet-standaardarbeidscontract; constateert dat onvrijwillig deeltijdwerk waarvan het percentage ten opzichte van de totale werkgelegenheid gestegen is van 16,7 % naar 19,6 % en dat bijdraagt aan het risico op armoede, een ander aspect van onzeker werk is; verzoekt de lidstaten zich beter in te spannen om zwartwerk, onzeker werk en het misbruik van atypische contractvormen, waaronder nulurencontracten, in een aantal lidstaten te bestrijden; legt de nadruk op het vele zwartwerk dat door vrouwen wordt verricht en dat het inkomen, de sociale zekerheid en bescherming van vrouwen negatief beïnvloedt en nadelige gevolgen heeft voor het bbp van de EU; dringt er bij de lidstaten op aan te overwegen om de aanbevelingen van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) die gericht zijn op de vermindering van het aantal onzekere banen op te volgen(20), zoals het analyseren en beperken van de omstandigheden waarin gebruik kan worden gemaakt van tijdelijke contracten en een verkorting van de periode waarvoor werknemers met opeenvolgende tijdelijke contracten kunnen worden aangenomen, waarna ze de optie van een vast contract moeten krijgen;

16.  nodigt de lidstaten uit om toe te zien op de rechten van werkende vrouwen, die steeds vaker slecht betaald werk doen en het slachtoffer zijn van discriminatie;

17.  benadrukt dat er nieuwe categorieën van vrouwen in armoede bestaan, bevolkt door jonge vakvrouwen, vooral in bepaalde lidstaten waar het fiscaal beleid geen rekening houdt met de moeilijkheden waarmee deze categorieën kampen, en op die manier een groot deel van de jonge gediplomeerde vrouwen veroordelen tot onzekere banen, met een loon dat nauwelijks boven de armoedegrens uitkomt (nieuwe armen);

18.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie om de bestaande wetgeving te herzien teneinde de loonkloof tussen mannen en vrouwen te dichten en de verschillen in pensioen tussen mannen en vrouwen te verkleinen; merkt op dat maatregelen voor meer loontransparantie van fundamenteel belang zijn voor het dichten van de loonkloof, en verzoekt de lidstaten om de tenuitvoerlegging van de aanbeveling van de Commissie van 7 maart 2014 over de versterking van het beginsel van gelijk loon tussen mannen en vrouwen door transparantie, met inbegrip van de omkering van de bewijslast bij het aanvechten van genderdiscriminatie op het werk;

19.  verzoekt de Commissie een studie te verrichten naar de wijze waarop procedures voor de officiële erkenning van de genderbeleving van personen, of het gebrek van dergelijke procedures, van invloed zijn op de positie van transgenders op de arbeidsmarkt, met name wat betreft hun kans op een baan, loonniveau, loopbaan en pensioen;

20.  acht het dringend noodzakelijk om, rekening houdend met de rechtspraak van het HvJ, op EU-niveau een definitie van gelijkwaardig werk te ontwikkelen om te garanderen dat factoren als arbeidsomstandigheden, de door de werknemers gedragen verantwoordelijkheid en de fysieke en mentale eisen van het werk in kwestie, in aanmerking worden genomen; is van oordeel dat de kwestie van gelijke beloning voor "gelijkwaardig werk" in verschillende sectoren moet worden bekeken, met het oog op een bredere uitlegging die ook betrekking heeft op verschillen in beloning tussen soorten werk die wellicht niet op het eerste gezicht vergelijkbaar zijn, zoals werk in de zorgsector enerzijds en in de producerende sector anderzijds;

21.  constateert met zorg dat vrouwen vaak pensioenen ontvangen die maar net boven het bestaansminimum liggen, als gevolg van diverse oorzaken, zoals onderbreking of beëindiging van de beroepsactiviteit om voor hun gezin te zorgen, het feit dat veel vrouwen gedurende hun hele werkzame leven deeltijdcontracten hebben gehad, of het feit dat ze in het bedrijf van hun echtgenoot hebben gewerkt, in het bijzonder in de sectoren handel en landbouw, zonder salaris en zonder sociale verzekeringen;

22.  is verheugd over het feit dat de Commissie de gelijke beloning voor gelijkwaardig werk als een van de belangrijkste actievelden beschouwt in haar strategie voor gendergelijkheid; betreurt echter het feit dat de Commissie alleen een werkdocument van haar diensten heeft gepubliceerd, waardoor de strategie voor gendergelijkheid is gedegradeerd tot de status van een intern document; verzoekt de Commissie derhalve een mededeling aan te nemen over een nieuwe strategie voor gendergelijkheid en rechten van vrouwen voor de periode na 2015, zodat de daarin vervatte doelstellingen en beleidsmaatregelen doeltreffend ten uitvoer kunnen worden gelegd;

23.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat iedereen die tijdelijk zijn beroepsactiviteit heeft onderbroken om zich te wijden aan de opvoeding van kinderen of aan de verzorging van ouderen, zich opnieuw op de arbeidsmarkt kan begeven of zijn vroegere functie kan hervatten en professioneel promotie kan maken;

24.  verzoekt de Commissie een effectbeoordeling te maken van de minimuminkomens in de Unie en verdere stappen in overweging te nemen om rekening te houden met de economische en sociale omstandigheden in elke lidstaat alsook een beoordeling te maken van de vraag of die stelsels het huishoudens mogelijk maken om in hun basisbehoeften te voorzien; verzoekt de Commissie om op basis hiervan een evaluatie te maken van de wijze en manier om te voorzien in een adequaat minimuminkomen boven de armoedegrens van 60 % van het nationale mediane inkomen in alle lidstaten overeenkomstig de nationale praktijken en tradities en met inachtneming van de individuele kenmerken van de lidstaten teneinde de sociale convergentie binnen de EU te bevorderen; dringt bij de lidstaten opnieuw aan op de invoering van een nationaal minimumpensioen dat niet lager mag zijn dan de armoederisicodrempel;

25.  stelt vast dat gepensioneerde vrouwen de meest kwetsbare groep vormen en vaak in armoede leven of het risico lopen om tot armoede te vervallen; roept de lidstaten op de verkleining van de pensioenkloof te behandelen als een economische doelstelling; verzoekt de lidstaten hun pensioenstelsels te hervormen om altijd toereikende pensioenen te waarborgen voor iedereen en zo de pensioenkloof te kunnen dichten; is van mening dat de pensioenkloof onder andere met de volgende instrumenten kan worden aangepakt: de aanpassing van pensioenstelsels om gelijkheid van vrouwen en mannen te waarborgen, en aanpassingen in het onderwijs, loopbaanplanning, stelsels voor ouderschapsverlof en andere diensten ter ondersteuning van ouders; verzoekt de lidstaten te overwegen gedeelde pensioenrechten te verschaffen in geval van scheiding of scheiding van tafel en bed, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel; stelt vast dat bij bedrijfsregelingen voor ouderdomspensioenen in toenemende mate verzekeringsbeginselen worden gehanteerd en dat dit aanleiding kan geven tot veel ongelijkheid op het vlak van sociale bescherming(21); beklemtoont dat het Hof van Justitie van de Europese Unie duidelijk heeft gemaakt dat bedrijfspensioenregelingen als loon moeten worden beschouwd en dat het beginsel van gelijke behandeling derhalve ook op deze regelingen van toepassing is;

Armoede: algemene aanbevelingen

26.  stelt vast dat personen die in armoede leven vaak een hoger eenheidstarief betalen dan meer bemiddelde bevolkingsgroepen, en wel voor dezelfde goederen en diensten om sociaal en economisch te kunnen overleven, met name op het vlak van telecommunicatie, energie en water; roept de lidstaten op nauw samen te werken met providers en exploitanten aan de ontwikkeling van mechanismen voor steun en sociale tarifering ten behoeve van de allerarmsten, met name op het gebied van de water- en energievoorziening, met als doel om de energiearmoede van huishoudens uit te bannen;

27.  dringt er bij de Commissie op aan om geen aanbevelingen voor de reorganisatie van en bezuinigingen op ministeries van lidstaten te doen of een grotere flexibiliteit van banen of de privatisering van openbare diensten te bevorderen, aangezien dit beleid onbetwistbaar heeft geleid tot een verzwakking van de sociale rechten van werknemers en zich sterker heeft laten voelen onder vrouwen;

28.  wijst nogmaals op de rol van voorlichting bij de bestrijding van genderstereotypen, waardoor de positie van vrouwen en meisjes op sociaal, economisch, cultureel en politiek gebied en in wetenschappelijke carrières verbetert, en bij het doorbreken van de armoedecyclus door de integratie van vrouwen in sectoren waar zij ondervertegenwoordigd zijn, zoals wetenschap, technologie, techniek en ondernemerschap en dringt er bij de Commissie op aan doelstellingen voor beroepsopleiding voor vrouwen op te nemen in de landenspecifieke aanbevelingen; benadrukt de rol van niet-formeel onderwijs; verzoekt de lidstaten om van investeringen in onderwijs voor meisjes en vrouwen ter vergroting van hun potentieel een integraal onderdeel van hun economieën en herstelplannen te maken; moedigt de lidstaten aan toe te werken naar het helpen van jonge vrouwen bij de overgang van het formele onderwijs naar de arbeidsmarkt; benadrukt de noodzaak dat alle onderwijsinstellingen democratische waarden meegeven met het oog op de bevordering van tolerantie, actief burgerschap, maatschappelijke verantwoordelijkheid en respect voor verschillen in geslacht, minderheden en etnische en religieuze groepen; wijst op het belang van sport en lichamelijke opvoeding om vooroordelen en stereotypen te overwinnen en hun mogelijke waarde voor maatschappelijk kwetsbare jongeren om hun levens weer op de rails te zetten;

29.  spreekt zijn bezorgdheid uit dat vrouwen met kinderen gediscrimineerd worden op de werkplek omdat zij moeders zijn en niet omdat hun werkprestaties minder zijn dan die van hun collega's; dringt er bij de lidstaten op aan een positief beeld van moeders als werknemers te bevorderen en de "moederschapssanctie" aan te pakken, een verschijnsel dat in een aantal onderzoeken wordt beschreven;

30.  verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat de structuur- en investeringsfondsen, met name het ESF en het EFSI, worden gebruikt om onderwijs en opleiding te verbeteren voor een betere toegang tot de arbeidsmarkt en de bestrijding van werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting van vrouwen; benadrukt dat het percentage van 20 % van het ESF dat is toegewezen aan maatregelen voor sociale insluiting en aan sociale innovatieprojecten, actiever kan worden gebruikt om initiatieven zoals kleinschalige lokale projecten te ondersteunen die erop gericht zijn vrouwen die kampen met armoede en sociale uitsluiting zelfstandiger te maken; dringt er bij de lidstaten op aan om meer voorlichtingscampagnes te organiseren over de mogelijkheden voor deelneming aan door de EU gefinancierde projecten;

31.  verzoekt om financieringsmechanismen die een impuls geven aan de gelijke vertegenwoordiging op gebieden waar er geen genderevenwicht is, en benadrukt de noodzaak van naar gender uitgesplitste gegevens om de situatie van meisjes, jongens, mannen en vrouwen beter te begrijpen, en op basis daarvan een meer doeltreffende respons op onevenwichtigheden te kunnen formuleren; verzoekt de Commissie in een uitsplitsing naar gender en leeftijd te voorzien inzake de deelneming aan Europese onderwijsmobiliteitsprogramma's, zoals Erasmus+, Creatief Europa en Europa voor burgers;

32.  herinnert in het bijzonder aan het recht van kinderen – zowel jongens als meisjes – van migranten en vluchtelingen op toegang tot onderwijs, aangezien dit een van de prioriteiten van Europese samenlevingen vormt; benadrukt derhalve dat, in het licht van de aanhoudende migratiecrisis, dringende maatregelen op het gebied van onderwijs aan migranten moeten worden genomen, op zowel EU- als nationaal niveau; beklemtoont dat onderwijs de sleutel is tot integratie en werk en dat wanneer nationale onderwijsstelsels deze uitdaging niet het hoofd bieden, dit een verdere culturele segregatie en grotere maatschappelijke verdeling kan veroorzaken; wijst erop dat toegang tot onderwijs, zowel in vluchtelingenkampen als gastgemeenten, die aan de vereiste kwaliteitsnormen voldoet en vergezeld gaat van taalkundige en psychologische steun, niet mag worden ondergraven door bureaucratische en administratieve kwesties in verband met de toekenning van de vluchtelingenstatus;

33.  benadrukt de bijdrage van vrijwilligersorganisaties en de tertiaire sector op dit gebied en verzoekt de lidstaten hun inspanningen te ondersteunen; herinnert aan het hoge participatieniveau van vrouwen in onderwijs van vrijwilligers en andere activiteiten, en in de ondersteuning en verbetering van onderwijskansen van bijvoorbeeld vluchtelingen en behoeftige kinderen;

34.  wijst erop dat de gevolgen van armoede en sociale uitsluiting bij kinderen een leven lang kunnen duren en resulteren in de intergenerationele overdracht van armoede; benadrukt dat het risico van armoede en sociale uitsluiting onder kinderen in alle lidstaten nauw verband houdt met het onderwijsniveau van hun ouders, en met name van hun moeders, en met de situatie van hun ouders op de arbeidsmarkt, hun maatschappelijke positie en de vormen van gezinsondersteuning die de lidstaten aanbieden; beveelt de lidstaten aan om alle jonge mensen toegang te bieden tot gratis, kwaliteitsvol openbaar onderwijs, op alle leeftijden, ook in de vroege kindertijd; benadrukt de rol van studiekeuzebegeleiding aan kinderen waardoor zij zich volledig kunnen ontplooien; onderstreept de noodzaak van begeleiding van tienermoeders met programma's die gericht zijn op het voortzetten van hun studies, omdat ze door voortijdig de school te verlaten een eerste stap richting armoede zetten; onderstreept de noodzaak om een uitgebreide reeks maatregelen vast te stellen voor de aanpak van kinderarmoede en het bevorderen van het welzijn van kinderen op basis van drie pijlers: toegang tot voldoende middelen en de combinatie van werk en gezin; toegang tot diensten van goede kwaliteit; en participatie van kinderen bij beslissingen die hen treffen alsook in culturele, recreatieve en sportieve activiteiten; herhaalt de noodzaak tot het vergemakkelijken van toegang tot informatie op basis van gelijkheid, in het bijzonder met betrekking tot sociale verzekeringen, volwassenenonderwijs, gezondheidszorg en beschikbare economische steun;

35.  wijst erop dat de niet-erkenning van LGBTI-gezinnen door tal van lidstaten in lagere inkomens en hogere kosten van het levensonderhoud voor LGBTI-personen resulteert, waardoor zij een hoger risico op armoede en sociale uitsluiting lopen; is van mening dat de wetgeving inzake gelijke behandeling een essentieel instrument is om de armoede te bestrijden die het gevolg is van marginalisering en discriminatie die seksuele en genderminderheden treffen; roept de Raad in dit verband op om het voorstel van 2008 aan te nemen voor een richtlijn betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid; pleit bovendien voor de expliciete opname van een discriminatieverbod op grond van genderidentiteit in de eventueel toekomstige herschikking van de richtlijnen voor gendergelijkheid; blijft bezorgd over het feit dat het bewustzijn van rechten en het bewustzijn van het bestaan van instanties en organisaties die ondersteuning aan slachtoffers van discriminatie bieden, laag zijn; doet in dit verband een beroep op de Commissie om nauwlettend de doeltreffendheid te monitoren van de nationale klachteninstanties en procedures;

36.  verzoekt om de volledige tenuitvoerlegging van Richtlijn 2006/54/EG betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep, en om de herziening ervan met een vereiste voor bedrijven om maatregelen of plannen in verband met gendergelijkheid op te stellen, met inbegrip van acties op het gebied van desegregatie, de ontwikkeling van betalingssystemen en maatregelen om de loopbanen van vrouwen te ondersteunen;

37.  bevestigt het belang van economische en financiële educatie op jonge leeftijd, aangezien is aangetoond dat dit de economische besluitvorming later in het leven verbetert, ook op het gebied van beheersing van de kosten en het inkomen; beveelt de uitwisseling van best practices aan en de bevordering van educatieve programma's gericht op vrouwen en meisjes in kwetsbare groepen en gemarginaliseerde gemeenschappen die worden geconfronteerd met armoede en sociale uitsluiting;

38.  constateert dat het ontbreken van een inkomen van een partner in aanzienlijke mate kan bijdragen tot armoede en sociale uitsluiting van vrouwen; merkt op dat de situatie van weduwen en van gescheiden vrouwen en alleenstaande moeders aan wie de rechter de kinderen heeft toegewezen vaak onzeker is en dat voor hen een passende alimentatieregeling moet worden vastgesteld; constateert dat het niet nakomen van de alimentatieplicht alleenstaande moeders in armoede kan storten; onderstreept het feit dat gescheiden vrouwen gevoelig zijn voor discriminatie en armoede, en dat dit het bewijs is dat vrouwen nog niet volledig economisch onafhankelijk zijn, wat de noodzaak aantoont voor verdere acties op het gebied van de arbeidsmarkt en het dichten van de loonkloof;

39.  benadrukt dat het belastingbeleid een genderdimensie moet krijgen; verzoekt de Commissie derhalve om best practice te bevorderen inzake fiscaal beleid, dat rekening houdt met gendereffecten en gendergelijkheid bevordert, met name het belasten van het gezinsinkomen, waardoor soms lagere inkomens worden onderworpen aan hogere belastingtarieven, met inbegrip van btw, en het invoeren van een verlaagd btw-tarief voor producten die van essentieel belang zijn voor vrouwen, zoals tampons;

40.  benadrukt dat het verzamelen van gegevens met betrekking tot huishoudelijke kosten en opbrengsten moet worden aangevuld met geïndividualiseerde gegevens om rekening te houden met op gender gebaseerde ongelijkheden binnen huishoudens;

41.  dringt erop aan dat macro-economisch beleid verenigbaar moet zijn met het beleid voor sociale gelijkheid en een sterk genderperspectief moet bevatten; herhaalt dat financiële instellingen zoals de ECB en de nationale centrale banken rekening moeten houden met sociale gevolgen, waaronder de gevolgen voor genderongelijkheid, bij het modelleren van en beslissen over macro-economisch monetair beleid, of financieel beleid aangaande diensten;

42.  herhaalt zijn steun voor het initiatief om een richtlijn op te stellen met betrekking tot een referentiebudget en dringt er bij de Commissie op aan om bij het ontwerpen genderspecifieke overwegingen te betrekken, onder andere met inbegrip van de genderongelijkheid die binnen de huishoudens bestaat;

43.  herhaalt de noodzaak om onderzoek te doen naar vrouwelijke dakloosheid en de oorzaken ervan, omdat het verschijnsel in de huidige gegevens niet naar behoren is vastgelegd; merkt op dat de sekse-specifieke elementen die in aanmerking genomen zouden moeten worden, de volgende elementen bevatten: economische afhankelijkheid op grond van geslacht, tijdelijke huisvesting en het vermijden van sociale diensten;

44.  benadrukt dat geweld tegen vrouwen in de EU nog steeds een groot probleem is waaronder de slachtoffers te lijden hebben, en dat er dringend behoefte is om de daders ervan te betrekken bij maatregelen ter bestrijding van geweld tegen vrouwen, ongeacht hun leeftijd, onderwijsniveau, inkomen of maatschappelijke positie, en dat de invloed ervan op het risico van marginalisering, armoede en sociale uitsluiting steeds toeneemt; constateert dat de economische onafhankelijkheid van vrouwen een cruciale rol speelt voor hun vermogen om zich aan situaties van gendergeweld te onttrekken door proactieve maatregelen te nemen; roept de lidstaten en regionale en lokale overheden op om socialebeschermingsstelsels in het leven te roepen om de sociale rechten te waarborgen van vrouwen die het slachtoffer zijn van geweld, in welke vorm dan ook, of het nu huiselijk geweld, mensenhandel of prostitutie is, en om actie te ondernemen om hen opnieuw in het arbeidsproces te doen intreden, waarbij ook gebruik wordt gemaakt van instrumenten zoals het ESF; onderstreept de noodzaak van een toename van de beschikbaarheid van informatie als het gaat om juridische diensten voor slachtoffers van geweld;

45.  beklemtoont dat huiselijk geweld, met name tegen vrouwen, op daadkrachtige wijze moet worden bestreden; merkt op dat de economische onafhankelijkheid van vrouwen een cruciale rol speelt in hun leven en hun vermogen om zich te ontworstelen aan situaties van huiselijk geweld, en dat vrouwen die geen betaald verlof meer kunnen opnemen het gevaar lopen hun baan en economische onafhankelijkheid te verliezen; merkt op dat de recente invoering van verlof wegens huiselijk geweld in Australië en de VS veel werknemers arbeidsrechtelijke bescherming heeft geboden bij het omgaan met de gevolgen van huiselijk geweld, bijvoorbeeld door de betrokkenen voldoende tijd te gunnen om doktersafspraken te maken, voor de rechter te verschijnen en andere procedures na te leven waaraan zij zich in dergelijke situaties moeten houden; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de haalbaarheid en de mogelijke resultaten van de invoering van een systeem van betaald buitengewoon verlof voor slachtoffers en overlevenden van huiselijk geweld te onderzoeken indien slachtoffers vanwege een gebrek aan betaald verlof hun baan kunnen verliezen, maar daarbij wel hun privacy te waarborgen; verzoekt de Commissie en de lidstaten verdere maatregelen in te stellen om het bewustzijn omtrent het probleem van huiselijk geweld te vergroten en de slachtoffers van dergelijk geweld te helpen, een betere kennis van hun rechten en de verdediging daarvan te bevorderen en hun economische onafhankelijkheid te beschermen;

46.  herhaalt zijn verzoek aan de EU en alle lidstaten om het Verdrag van Istanbul te ondertekenen en te ratificeren en vraagt om een dringend initiatief om een EU-richtlijn vast te stellen voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen; verzoekt de Commissie eens te meer om een Europese strategie tegen gendergeweld te presenteren en een Europees Jaar voor de bestrijding van gendergeweld in te stellen, en wettelijke maatregelen te nemen om dergelijk geweld te definiëren als een concreet strafbaar feit, dat nauw verwant is aan haatmisdrijven;

47.  gelooft dat er behoefte bestaat om op een proactieve manier geweld tegen vrouwen te overwinnen door zich te richten op normen die geweld verheerlijken; onderstreept dat stereotypen en structuren die de basis vormen voor geweld van mannen tegen vrouwen moeten worden bestreden, door proactieve maatregelen te nemen door middel van het organiseren van campagnes en permanente voorlichting rondom het probleem van machoculturen op nationaal niveau;

48.  herinnert eraan dat nieuwe technologieën moeten worden beschouwd als een fundamenteel instrument voor de creatie van nieuwe arbeidsplaatsen en als een gelegenheid om vrouwen uit de armoede te halen;

49.  spoort de lidstaten ertoe aan om in samenwerking met regionale en lokale overheden de kwaliteit van het leven van vrouwen in rurale gebieden te verbeteren teneinde het risico op armoede terug te dringen, door te zorgen voor kwalitatief goede onderwijsprogramma's die erop gericht zijn om de positie van plattelandsvrouwen te verbeteren alsook kwaliteitsbanen en fatsoenlijke inkomens voor deze groep te waarborgen; spoort de lidstaten ertoe aan om te zorgen voor een goede gemeentelijke, sociale en publieke infrastructuur om de algemene leefomstandigheden in rurale gebieden te verbeteren;

50.  is van oordeel dat talrijke aspecten van de armoede, en in het bijzonder de armoede onder vrouwen, nog steeds niet erkend worden, met name het geen toegang hebben tot cultuur en deelname aan het sociale leven, en verzoekt de lidstaten daarom de nodige ondersteuning te verlenen zodat alle vrouwen het recht op cultuur, sport en andere vrijetijdsbestedingen kunnen uitoefenen, met bijzondere aandacht voor vrouwen die in armoede leven, vrouwen met een handicap en vrouwelijke migranten; is van mening dat de bestaande indicatoren van ernstige materiële deprivatie de factoren voor toegang tot cultuur en maatschappelijke participatie uitsluiten en daarom slechts een onvolledig begrip van armoede weergeven; dringt aan op de ontwikkeling van meer indicatoren voor het beoordelen van uitsluiting in termen van sociale, culturele en politieke participatie en met name de invloed daarvan op de vicieuze armoedecirkel evenals de intergenerationele effecten ervan;

51.  roept op tot de uitvoering van onderzoeken die nieuwe statistieken ter zake leveren en op basis daarvan een uitgebreidere, volledige en betrouwbare database aan te leggen;

52.  merkt op dat vrouwen met een handicap vaak worden gediscrimineerd in de familiesfeer en in het onderwijs, dat hun toegang tot werk beperkt is en dat de sociale bescherming die ze ontvangen onvoldoende is om het risico van armoede te vermijden; onderstreept in dit verband dat de lidstaten en regionale en lokale overheden vrouwen met een handicap de gespecialiseerde aandacht zouden moeten geven die deze vrouwen nodig hebben om van hun rechten te kunnen genieten en aanvullende en ondersteunende maatregelen zouden moeten voorstellen om hun integratie in de arbeidsmarkt te bevorderen, met name op het gebied van onderwijs en opleiding;

53.  roept op tot het treffen van ambitieuze maatregelen om energiearmoede aan te pakken, waardoor alleenstaande vrouwen, alleenstaande ouders en vrouwen die aan het hoofd van huishoudens staan onevenredig hard getroffen worden; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om een definitie van energiearmoede op te stellen, waarbij rekening wordt gehouden met genderaspecten, en deze in de toekomstige herschikking van richtlijn betreffende de energieprestatie van gebouwen op te nemen; benadrukt de belangrijke rol van communautaire energie-initiatieven zoals coöperaties in de empowerment van kwetsbare energieconsumenten en met name vrouwen die worden geconfronteerd met armoede, sociale uitsluiting en marginalisering; benadrukt dat klimaatverandering een grote invloed heeft op vrouwelijke armoede omdat vrouwen afhankelijker zijn van natuurlijke hulpbronnen en minder middelen hebben om zich te beschermen tegen de negatieve gevolgen van klimaatverandering, zoals effecten op de gezondheid, droogte, natuurrampen of verplaatsing in verband met veranderingen in het milieu; betreurt dat een genderperspectief niet systematisch is geïntroduceerd in het klimaatbeleid van de EU, en dringt er bij de EU-instellingen op aan om gendermainstreaming op te nemen in het klimaatbeleid en de wetgeving van de EU;

54.  herhaalt haar oproep aan de Commissie om te streven naar de oprichting van een Garantie voor het Europese Kind dat ervoor zorgt dat ieder Europees kind met risico op armoede toegang heeft tot gratis gezondheidszorg, gratis onderwijs, gratis kinderopvang, fatsoenlijke huisvesting en voldoende voeding; benadrukt dat dergelijk beleid de situatie van vrouwen en meisjes, met name in kwetsbare en gemarginaliseerde gemeenschappen, moet aanpakken; merkt op dat het Jeugdgarantie-initiatief een genderperspectief moet bevatten;

55.  spoort de lidstaten en de Commissie aan om over te gaan tot de verzameling van naar gender uitgesplitste gegevens en om nieuwe individuele indicatoren voor armoede onder vrouwen in te voeren als instrument om de effecten van breder sociaal, economisch en werkgelegenheidsbeleid op vrouwen en armoede te monitoren met als doel de uitwisseling van goede praktijken inzake wetgevings- en begrotingsinstrumenten om armoede te bestrijden, met de nadruk op die groepen die een verhoogd risico lopen op armoede, met inbegrip van vrouwelijke migranten, vrouwen uit etnische minderheden, alleenstaande vrouwen, oudere vrouwen, vrouwen met een handicap en vrouwen die thuis blijven om voor een familielid te zorgen, en ongeacht hun seksuele geaardheid of genderidentiteit;

56.  roept op om de aanbevelingen van de Commissie toe te passen en met haar samen te werken;

57.  wijst op de rol van maatschappelijk ondernemen in empowerment en met inbegrip van vrouwen die te maken hebben met armoede en sociale uitsluiting en meervoudige discriminatie;

58.  benadrukt dat in beleid, programma's en maatregelen van de EU op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en -hulp het genderperspectief in aanmerking moet worden genomen om de positie en onafhankelijkheid van vrouwen door middel van onderwijs en opleiding te verbeteren en discriminatie op grond van gender en alle vormen van geweld tegen vrouwen, met inbegrip van vrouwenhandel en genitale verminking bij vrouwen, te bestrijden;

59.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om in de beleidsvorming over sociale integratie op alle niveaus bij belanghebbende partijen processen te creëren die de directe betrokkenheid van personen die risico lopen op armoede en sociale integratie, met name vrouwen en meisjes, bevorderen en vergemakkelijken;

60.  verzoekt de Commissie en de lidstaten genderbudgettering in te voeren als een instrument om te garanderen dat er in begrotingsbeslissingen rekening wordt gehouden met de genderdimensie en uiteenlopende effecten worden aangepakt;

61.  verzoekt de lidstaten om in de strijd tegen armoede samen te werken met ngo's die succesvol functioneren in gebieden waar extreme armoede heerst, en waardevolle kennis in huis hebben over lokale gemeenschappen; verzoekt de lidstaten doeltreffende samenwerking op lokaal niveau te ondersteunen;

62.  roept de lidstaten en de Commissie op de sociale partners (vakbonden en werkgevers) en het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van organisaties voor gendergelijkheid, te betrekken bij de verwezenlijking van gendergelijkheid, om gelijke behandeling te bevorderen; benadrukt dat de sociale dialoog het toezicht op en de bevordering van gendergelijkheid op de werkplek moet omvatten, met inbegrip van flexibele werkregelingen, met als doel om een beter evenwicht aan te brengen tussen werk en privéleven; benadrukt het belang van collectieve overeenkomsten bij de bestrijding van discriminatie en de bevordering van gelijkheid tussen vrouwen en mannen op het werk alsmede het belang van andere instrumenten zoals gedragscodes, onderzoek, uitwisselingen van ervaringen en goede werkwijzen op het gebied van gendergelijkheid;

63.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

TOELICHTING

Het Parlement houdt zich al jaren intensief bezig met de problematiek van armoede onder en sociale uitsluiting van vrouwen. Talrijk zijn de resoluties waarin wordt opgeroepen tot bestrijding van de oorzaken en gevolgen van de vele facetten van deze armoede. Helaas moet worden geconstateerd dat in 2015 ondanks de talrijke inspanningen weinig vooruitgang is geboekt.

De economische crisis waarvan de Unie geleidelijk aan begint te herstellen, heeft geleid tot een stijging in de statistieken van het aantal mensen, mannen en vrouwen, voor wie armoede en sociale uitsluiting dreigt.

Volgens de meest recente beschikbare statistieken betreffende de verdeling van de monetaire armoede en de verschillen in inkomen in de EU werd 16,6 % van de bevolking van de EU-28 beschouwd als vallende onder het aantal mensen voor wie armoede dreigt (na sociale transfers). Dit gevaar bedroeg 17,2 % voor vrouwen tegenover 16,1 % voor mannen. Achter deze cijfers gaan natuurlijk talrijke verschillen naar gelang van de lidstaten schuil.

Ondanks alles blijven vrouwen gemiddeld nog altijd erger getroffen dan mannen, en zelfs nog erger als zij alleenstaande moeder, gepensioneerd, immigrant of gehandicapt zijn. Zij blijven oververtegenwoordigd in onzekere beroepen, loopbaanonderbrekingen, "vrouwvriendelijke" beroepen (gezondheidszorg, huishoudelijk werk, enz.) en deeltijdarbeid, eerder vanuit de noodzaak om zich te moeten bekommeren om hun naasten dan als weloverwogen keuze.

Het verschil in salariëring ten opzichte van hun mannelijke collega's en het verschil in pensioen als gevolg van loonbaanonderbrekingen om privéleven en beroep harmonieus te combineren, brengen een zware last met zich mee voor vrouwen in financiële moeilijkheden en dagelijkse onzekerheid voor wat betreft hun economische onafhankelijkheid.

In dit verslag wordt gewezen op de voortdurende ongelijkheid waaronder vrouwen te lijden hebben. Hierin worden de inspanningen aangestipt die de Unie en de lidstaten moeten leveren om iedereen, zonder genderonderscheid, dezelfde kansen en mogelijkheden te bieden op het gebied van werkgelegenheid, sociale zekerheid, salariëring, onderwijs, kinderopvang tot en met cultuur. Voorts wordt gewezen op met name de financiële middelen waarover Europa en de lidstaten reeds beschikken om de tendens richting verpaupering van één helft van de bevolking te keren.

De bestrijding van armoede onder vrouwen is immers een zaak van sociale gerechtigheid. De directe dan wel indirecte overheidsuitgaven die de lidstaten doen om deze ongerechtigheid te reduceren mogen niet als verspilling of simpelweg als kosten worden beschouwd, maar als een verantwoorde investering om de vicieuze cirkel van armoede te doorbreken.

Niet alleen zullen gezinsverplichtingen hierdoor niet langer een beperking vormen voor de beroepsbevolking; ook zal de binnenlandse vraag hierdoor voldoende worden versterkt om de economie van de Europese Unie te helpen herstellen.

De bestrijding van de armoede onder vrouwen biedt voorts, zij het ten dele, een mogelijkheid om op lange termijn het probleem van armoede onder kinderen, en daarmede de mondiale armoede, op te lossen.

21.3.2016

ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken(*)

aan de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

over armoede: een genderperspectief

(2015/2228(INI))

Rapporteur: Lynn Boylan

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 54 van het Reglement

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat gendergelijkheid op de arbeidsmarkt, die bewerkstelligd wordt door het sociaal en economisch welzijn te verbeteren, niet alleen vrouwen maar ook de economie en de samenleving als geheel ten goede komt; overwegende dat de doelstelling van het waarborgen van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen voor het eerst werd geformuleerd in het Verdrag van Rome van 1957;

B.  overwegende dat de arbeidsparticipatie in het algemeen lager is onder vrouwen dan onder mannen: in 2014 bedroeg de arbeidsparticipatie onder mannen 70,1 % in de EU-28 en 59,6 % onder vrouwen(22); overwegende dat volgens de Commissie vrouwen in 2015 voor hetzelfde werk gemiddeld nog steeds 16 % minder per uur verdienden dan mannen; overwegende dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen er vaak toe leidt dat vrouwen lagere pensioenen ontvangen dan mannen en als gevolg heeft dat vrouwen na hun pensionering meer kans hebben om tot armoede te vervallen, en overwegende dat de pensioenen van vrouwen in de hele EU gemiddeld 39 % lager zijn dan die van mannen; overwegende dat vooral de ICT-sector wordt gekenmerkt door verticale en horizontale segregatie, in nog sterkere mate dan in veel andere sectoren, aangezien de meerderheid (54 %) van de vrouwen slecht betaald en laaggeschoold werk verricht en er een duidelijke discrepantie bestaat tussen de onderwijskwalificaties van vrouwen en hun functieniveau;

C.  overwegende dat het verschil in arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen, de loonkloof en de daaraan gerelateerde pensioenkloof, het feit dat vrouwen vaker dan mannen te maken hebben met onzeker werk(23) en onvrijwillig deeltijdwerk en onderbrekingen in de loopbaan van vrouwen om voor kinderen of andere familieleden te zorgen ertoe bijdragen dat vrouwen in grote mate door armoede getroffen (dreigen te) worden; overwegende dat eenoudergezinnen, in het bijzonder gezinnen met een alleenstaande moeder, een groter risico lopen op armoede of sociale uitsluiting (49,8 % tegenover 25,2 % van de gemiddelde huishoudens met kinderen ten laste, hoewel er volgens de EU-statistieken over inkomens en levensomstandigheden grote verschillen tussen landen bestaan)(24); overwegende dat armoede onder ouders leidt tot armoede onder kinderen en dat dit ernstige gevolgen heeft voor het latere leven van die kinderen; overwegende dat de verhoging van de arbeidsparticipatie van vrouwen ertoe kan bijdragen dat zij niet langer een groter risico lopen op armoede en sociale uitsluiting;

D.  overwegende dat het aansporen van meer vrouwen om te gaan en te blijven werken ook kan helpen om de gevolgen van een in de meeste EU-lidstaten verwachte krimp van de beroepsbevolking te compenseren door een vergroting van het arbeidsaanbod, en overwegende dat hierdoor de druk op de overheidsfinanciën en het sociale vangnet verlaagd kan worden, beter gebruik kan worden gemaakt van de vaardigheden en competenties van vrouwen, en het groeipotentieel en het concurrentievermogen kan worden gestimuleerd;

1.  is van mening dat mannen aangespoord en ingezet moeten worden om gendergelijkheid op alle gebieden en op alle niveaus van de arbeidsmarkt te bevorderen;

2.  verzoekt de lidstaten en de Commissie stappen te zetten om alle vormen van meervoudige discriminatie op basis van gender te bestrijden, om de toepassing van de beginselen van non-discriminatie en gelijkheid op de arbeidsmarkt en bij de toegang tot arbeid te verzekeren, en in het bijzonder om maatregelen voor sociale bescherming te nemen om ervoor te zorgen dat het loon van vrouwen en hun socialezekerheidsrechten, met inbegrip van pensioenen, gelijk zijn aan die van mannen met dezelfde of soortgelijke ervaring en met dezelfde of een gelijkwaardige baan;

3.  verzoekt om de volledige tenuitvoerlegging van Richtlijn 2006/54/EG betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep, en om de herziening ervan met een verplichte vereiste voor bedrijven om maatregelen of plannen inzake gendergelijkheid op te stellen, met inbegrip van acties op het gebied van desegregatie, de ontwikkeling van betalingssystemen en maatregelen om de loopbanen van vrouwen te ondersteunen;

4.  merkt op dat vrouwen met een handicap of vrouwen die thuis blijven om voor een familielid te zorgen onevenredig risico lopen om tot armoede te vervallen;

5.  onderstreept dat niet alleen openlijke discriminatie, maar ook de hardnekkige stereotiepe voorstellingen over mannelijkheid en vrouwelijkheid in verschillende sectoren en beroepen op de arbeidsmarkt, die ten grondslag liggen aan ongelijke machtsverhoudingen en structuren tussen vrouwen en mannen en ze versterken, een aanhoudend probleem vormen dat moet worden aangepakt;

6.  benadrukt dat discriminatie op de arbeidsmarkt een van de belangrijkste oorzaken is van de ongelijke behandeling van mannen en vrouwen in de samenleving in het algemeen, en dat gelijke arbeidskansen en de economische onafhankelijkheid van vrouwen van cruciaal belang zijn voor gendergelijkheid op andere gebieden; verzoekt de Commissie en de lidstaten dan ook strenge maatregelen in te voeren tegen genderdiscriminatie op de arbeidsmarkt waarin verscheidene aspecten zoals aanwerving, beloning, sociale uitkeringen en pensioenen aan bod komen; benadrukt daarnaast dat bij de aanpak van discriminatie rekening moet worden gehouden met de meervoudige en intersectorale vormen van discriminatie die gericht zijn tegen vrouwen met een beperking, vrouwelijke migranten en vrouwen uit etnische minderheden, Roma-vrouwen, oudere vrouwen, alleenstaande moeders en LGBTIQ's;

7.  is van mening dat voor het dichten van de loonkloof tussen mannen en vrouwen een grotere arbeidsparticipatie van vrouwen op de arbeidsmarkt vereist is, alsook meer transparantie in het betalingsproces (met inbegrip van gegevens die uitgesplitst zijn naar sector), de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van de Commissie over loontransparantie, geslachtsneutrale functieomschrijvingen en classificaties, een omkering van de bewijslast bij het aanvechten van genderdiscriminatie op het werk, de naleving van het beginsel van gelijke kansen voor mannen en vrouwen, handhaving van de relevante EU-wetgeving, alsmede de beëindiging van de op sekse gebaseerde differentiatie van het personeel, en een sterke nadruk op beleidsmaatregelen die het evenwicht tussen werk en privéleven bevorderen;

8.  wijst erop dat vrouwen die werkzaam zijn in de ICT-sector nog altijd te maken hebben met een loonkloof tussen de geslachten en een afwijkende loopbaanontwikkeling; benadrukt dat het beginsel van gelijke beloning voor gelijk werk op dezelfde werkplek ter waarborging van eerlijke en billijke salariëring onder druk staat, hoewel dit een van de fundamentele pijlers van sociale rechtvaardigheid op de arbeidsmarkt vormt en daarom vóór alles moet worden beschermd; herhaalt dat ongelijkheden met betrekking tot gelijke beloning en loopbaanontwikkeling geen wortel mogen schieten in de digitale economie; beklemtoont dat de stijgende arbeidsparticipatie van vrouwen en de daarmee verband houdende investeringen in beleid voor sociale inclusie zullen bijdragen aan het verkleinen van de loonkloof tussen mannen en vrouwen; wijst tevens op het belang van collectieve onderhandelingen in de digitale markteconomie om de kwaliteit en zekerheid van banen in het tijdperk van digitalisering te waarborgen;

9.  is van mening dat de loonkloof tussen mannen en vrouwen op het vlak van pensioenen, die 39 % bedraagt(25) en een bepalende factor vormt voor het risico dat vrouwen in de EU lopen om tot armoede te vervallen, moet worden aangepakt met een breed scala aan alomvattende instrumenten; merkt op dat vrouwen moeilijkheden ondervinden om voldoende bijdragen op te bouwen in zowel particuliere als openbare pensioenstelsels, als gevolg van de loonkloof, onzeker en slecht betaald werk, het verrichten van onbetaalde zorgtaken, en uitsluiting van de arbeidsmarkt gedurende langere perioden in hun leven; benadrukt dat de strijd moeten worden aangebonden met indirecte discriminatie in pensioenregelingen, niet alleen in bedrijfspensioenregelingen, maar ook bij de praktijken die worden gehanteerd in wettelijke pensioenregelingen; roept de lidstaten op "zorgkredieten" in te voeren voor vrouwen en mannen, die bedoeld zijn als gelijkwaardige perioden voor het opbouwen van pensioenrechten om te garanderen dat mensen die een tijdje niet werken om informele, onbetaalde zorg te verlenen aan een persoon te hunner laste of een familielid daardoor niet worden benadeeld, en dat de als mantelzorger doorgebrachte tijd meetelt voor het pensioen om de bijdrage die deze mantelzorgers blijven leveren aan de samenleving te verdisconteren; merkt in deze context op dat het grootste deel van de zorg in de EU momenteel wordt verleend door deze informele, onbetaalde mantelzorgers, maar dat ze onder steeds grotere druk komen te staan vanwege demografische veranderingen en de stijgende zorglasten, en dat 78 % van de zorgverleners vrouw is;

10.  stelt vast dat gepensioneerde vrouwen de meest kwetsbare groep vormen en vaak in armoede leven of het risico lopen om tot armoede te vervallen; roept de lidstaten op de verkleining van de pensioenkloof te behandelen als een economische doelstelling; verzoekt de lidstaten hun pensioenstelsels te hervormen om altijd toereikende pensioenen te waarborgen voor iedereen en zo de pensioenkloof te kunnen dichten; is van mening dat de pensioenkloof onder andere met de volgende instrumenten kan worden aangepakt: de aanpassing van pensioenstelsels om gelijkheid van vrouwen en mannen te waarborgen, aanpassingen in het onderwijs, loopbaanplanning, stelsels voor ouderschapsverlof en andere diensten ter ondersteuning van ouders; verzoekt de lidstaten te overwegen gedeelde pensioenrechten te verschaffen in geval van scheiding of scheiding van tafel en bed, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel; stelt vast dat bij bedrijfsregelingen voor ouderdomspensioenen in toenemende mate verzekeringsbeginselen worden gehanteerd en dat dit aanleiding kan geven tot veel ongelijkheid op het vlak van sociale bescherming(26); beklemtoont dat het Hof van Justitie van de Europese Unie duidelijk heeft gemaakt dat bedrijfspensioenregelingen als loon moeten worden beschouwd en dat het beginsel van gelijke behandeling derhalve ook op deze regelingen van toepassing is;

11.  merkt op dat vrouwen vaker onzekere of slecht betaalde banen hebben met een niet-standaardarbeidscontract; constateert dat onvrijwillig deeltijdwerk waarvan het percentage ten opzichte van de totale werkgelegenheid gestegen is van 16,7 % naar 19,6 % en dat bijdraagt aan het risico op armoede, een ander aspect van onzeker werk is; verzoekt de lidstaten zich beter in te spannen om zwartwerk, onzeker werk en het misbruik van atypische contractvormen, waaronder nulurencontracten, in een aantal lidstaten te bestrijden; legt de nadruk op het vele zwartwerk dat door vrouwen wordt verricht en dat het inkomen, de sociale zekerheid en bescherming van vrouwen negatief beïnvloedt en nadelige gevolgen heeft voor het bbp van de EU; dringt er bij de lidstaten op aan te overwegen om de aanbevelingen van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO), die gericht zijn op de vermindering van het aantal onzekere banen op te volgen(27), zoals het analyseren en beperken van de omstandigheden waarin gebruik kan worden gemaakt van tijdelijke contracten en een verkorting van de periode waarvoor werknemers met opeenvolgende tijdelijke contracten kunnen worden aangenomen, waarna ze de optie van een vast contract moeten krijgen;

12.  benadrukt dat ondanks het feit dat vrouwen steeds hoger opgeleid zijn, en zelfs beter presteren dan mannen op het gebied van opleidingsniveau, ze nog steeds ondervertegenwoordigd zijn op de arbeidsmarkt; wijst er dan ook op dat er verdere actie nodig is voor de volledige integratie van het evenwicht tussen werk en privéleven in de beleidsvorming, met inbegrip van zorgfaciliteiten, verlof en flexibele arbeidstijdregelingen, evenals belasting- en uitkeringsstelsels zonder negatieve prikkels voor tweede kostwinners om aan het werk te gaan of meer te gaan werken;

13.  verzoekt de Commissie het zogenaamde "glazen plafond" dat de toegang van vrouwen tot leidinggevende en topfuncties belemmert, te doorbreken; pleit daarom voor de snelle goedkeuring van de richtlijn vrouwelijke bestuurders als een belangrijke eerste stap naar gelijke vertegenwoordiging in de overheids- en de particuliere sector, en benadrukt de verantwoordelijkheid van de Commissie om alles in het werk te stellen om de impasse in de Raad te doorbreken met betrekking tot EU-wetgeving inzake transparantie en een evenwichtiger man-vrouwverhouding bij de aanwerving voor besluitvormingsfuncties;

14.  benadrukt de rol van ondernemerschap als een van de wegen die leiden naar economische onafhankelijkheid van vrouwen; dringt er bij de lidstaten op aan de beschikbaarheid en de bekendheid van mogelijkheden te vergroten, zoals microleningen, die een manier vormen om financiering te ontvangen zonder buitensporige schulden aan te gaan (woeker);

15.  benadrukt dat het evenwicht tussen werk en privéleven cruciaal is om gelijkheid van vrouwen en mannen te bewerkstelligen; verzoekt de Commissie en de lidstaten dan ook voort te maken met de voorstellen voor een richtlijn inzake zwangerschapsverlof en een richtlijn inzake zorgverlof, en de wetgeving inzake vaderschapsverlof aan te scherpen; onderstreept dat het gebrek aan toegankelijke, betaalbare en hoogwaardige kinderopvang en ondersteuningsdiensten voor kinderen bijdraagt aan het verschil in arbeidsparticipatie tussen mannen en vrouwen, aan de loonkloof en de daaraan gerelateerde pensioenkloof, en aan het onevenredig grote aantal vrouwen met een onzekere baan, vrouwen die in armoede leven of bij wie armoede op de loer ligt; wijst erop dat dit voornamelijk het geval is bij eenoudergezinnen, waarvan de meerderheid een vrouw als gezinshoofd hebben; onderstreept in dit opzicht vooral het belang van het bereiken van de doelstellingen van Barcelona voor kinderopvang; benadrukt dat deze doelstellingen oorspronkelijk waren vastgesteld voor het jaar 2020 en dat ze door een meerderheid van de lidstaten nog altijd niet zijn gehaald; dringt er daarom bij de lidstaten op aan de aanwezigheid van vrouwen op de arbeidsmarkt te vergroten aan de hand van maatregelen die een beter evenwicht tussen werk en privéleven mogelijk maken en met name rekening houden met complexe gezinssituaties, en de bewerkstelliging van de nodige en gunstige verbetering van de toegang tot kinderopvang en ondersteuningsdiensten voor kinderen te garanderen, bijvoorbeeld door de uitgaven voor kinderopvangfaciliteiten en/of subsidies aan gezinnen te verhogen, werkgeversbijdragen aan de kosten voor kinderopvang te stimuleren, beter gebruik te maken van EU-fondsen en inspiratie te halen uit de beste praktijken van elke lidstaat;

16.  is van mening dat kinderarmoede verband houdt met armoede onder vrouwen, en verzoekt de lidstaten dan ook de aanbeveling over kinderarmoede en kinderwelzijn(28) op te volgen en het daarin vastgelegde kader voor op indicatoren gebaseerde controle te gebruiken;

17.  is ingenomen met de stemming in het Parlement om de Commissie en de lidstaten te verzoeken een kindergarantie in het leven te roepen zodat ieder kind dat in armoede leeft toegang kan krijgen tot gratis gezondheidszorg, gratis onderwijs, gratis kinderopvang, fatsoenlijke huisvesting en voldoende voeding(29);

18.  is van mening dat bezuinigingsmaatregelen leiden tot de herprivatisering van zorg, hetgeen niet alleen de toegang tot zorgdiensten beperkt, maar ook de last voor vrouwen wat betreft de zorg voor kinderen, ouderen en personen met een beperking aanzienlijk vergroot door de zorgverantwoordelijkheid te verschuiven van de maatschappij naar vrouwen; verzoekt de lidstaten hoogwaardige en toegankelijke openbare diensten, zoals kinderopvang en ouderen- en gehandicaptenzorg, in ere te herstellen;

19.  stelt vast dat het gebrek aan betaalbare en hoogwaardige zorg- en ondersteuningsdiensten voor personen met een beperking, ouderen en andere afhankelijke mensen niet alleen de toegang tot zorgdiensten beperkt, maar ook de last voor vrouwen aanzienlijk vergroot; stelt vast dat bezuinigingen op openbare diensten en sociale infrastructuur vrouwen onevenredig treffen en daarmee schadelijke gevolgen hebben voor de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt en zo hun risico op armoede en sociale uitsluiting verhogen; verzoekt de lidstaten de verlening van hoogwaardige en toegankelijke openbare diensten, zoals kinderopvang en ouderen- en gehandicaptenzorg, te garanderen, onder andere door het werk in de gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening aantrekkelijker te maken voor zowel mannen als vrouwen, met name voor jongeren;

20.  onderstreept de cruciale rol van hoogwaardige openbare diensten, met name voor vrouwen, aangezien zij afhankelijker zijn van dergelijke diensten; onderstreept het belang van universele toegang tot hoogwaardige, betaalbare, gunstig gelegen en vraaggestuurde openbare diensten in de strijd tegen armoede;

21.  beklemtoont dat huiselijk geweld, met name tegen vrouwen, op daadkrachtige wijze moet worden bestreden; merkt op dat de economische onafhankelijkheid van vrouwen een cruciale rol speelt in hun leven en hun vermogen om zich te ontworstelen aan situaties van huiselijk geweld, en dat vrouwen die geen betaald verlof meer kunnen opnemen het gevaar lopen hun baan en economische onafhankelijkheid te verliezen; merkt op dat de recente invoering van verlof wegens huiselijk geweld in Australië en de VS veel werknemers arbeidsrechtelijke bescherming heeft geboden bij het omgaan met de gevolgen van huiselijk geweld, bijvoorbeeld door de betrokkenen voldoende tijd te gunnen om doktersafspraken te maken, voor de rechter te verschijnen en andere verplichtingen na te leven waaraan zij zich in dergelijke situaties moeten houden; verzoekt de Commissie en de lidstaten om de haalbaarheid en de mogelijke resultaten van de invoering van een systeem van betaald buitengewoon verlof voor slachtoffers en overlevenden van huiselijk geweld te onderzoeken indien slachtoffers vanwege een gebrek aan betaald verlof hun baan kunnen verliezen, maar daarbij wel hun privacy te waarborgen, om verdere maatregelen in te stellen teneinde het bewustzijn omtrent het probleem van huiselijk geweld te vergroten en de slachtoffers van dergelijk geweld te helpen, betere kennis van hun rechten en de verdediging daarvan te bevorderen en hun economische onafhankelijkheid te beschermen;

22.  verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat de structuur- en investeringsfondsen, met name het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Europees Fonds voor strategische investeringen, worden gebruikt om onderwijs en opleiding te verbeteren voor een betere toegang tot de arbeidsmarkt en de bestrijding van werkloosheid, armoede en sociale uitsluiting van vrouwen; benadrukt dat het percentage van 20 % van het ESF dat is toegewezen aan maatregelen voor sociale insluiting en aan sociale innovatieprojecten, actiever kan worden gebruikt om initiatieven zoals kleine lokale projecten te ondersteunen die erop gericht zijn vrouwen die kampen met armoede en sociale uitsluiting zelfstandiger te maken; dringt er bij de lidstaten op aan om meer voorlichtingscampagnes te organiseren over de mogelijkheden voor deelneming aan door de EU gefinancierde projecten;

23.  verzoekt de Commissie en de lidstaten genderbudgettering in te voeren als een instrument om te garanderen dat er in begrotingsbeslissingen rekening wordt gehouden met de genderdimensie en uiteenlopende effecten worden aangepakt;

24.  pleit voor de doeltreffende ontwikkeling van indicatoren voor armoede en sociale uitsluiting bij vrouwen op basis van de indicatoren die in 2007 werden ontwikkeld(30);

25.  verzoekt de lidstaten om in de strijd tegen armoede samen te werken met ngo's die succesvol functioneren in gebieden waar extreme armoede heerst, en waardevolle kennis in huis hebben over lokale gemeenschappen; verzoekt de lidstaten doeltreffende samenwerking op lokaal niveau te ondersteunen;

26.  roept de lidstaten en de Commissie op de sociale partners (vakbonden en werkgevers) en het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van organisaties voor gendergelijkheid, te betrekken bij de verwezenlijking van gendergelijkheid, om gelijke behandeling te bevorderen; benadrukt dat de sociale dialoog het toezicht op en de bevordering van gendergelijkheid op de werkplek moet omvatten, met inbegrip van flexibele werkregelingen, met als doel om een beter evenwicht aan te brengen tussen werk en privéleven; benadrukt het belang van collectieve overeenkomsten bij de bestrijding van discriminatie en de bevordering van gelijkheid tussen vrouwen en mannen op het werk alsmede het belang van andere instrumenten zoals gedragscodes, onderzoek, uitwisselingen van ervaringen en goede werkwijzen op het gebied van gendergelijkheid.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.3.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

44

4

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laura Agea, Guillaume Balas, Tiziana Beghin, Brando Benifei, Vilija Blinkevičiūtė, Enrique Calvet Chambon, David Casa, Ole Christensen, Jane Collins, Martina Dlabajová, Lampros Fountoulis, Elena Gentile, Thomas Händel, Rina Ronja Kari, Jan Keller, Ádám Kósa, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Jean Lambert, Jérôme Lavrilleux, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Javi López, Morten Løkkegaard, Dominique Martin, Anthea McIntyre, Joëlle Mélin, Elisabeth Morin-Chartier, Emilian Pavel, João Pimenta Lopes, Georgi Pirinski, Marek Plura, Terry Reintke, Sofia Ribeiro, Maria João Rodrigues, Claude Rolin, Anne Sander, Sven Schulze, Siôn Simon, Jutta Steinruck, Romana Tomc, Yana Toom, Ulrike Trebesius, Jana Žitňanská

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Maria Arena, Georges Bach, Heinz K. Becker, Lynn Boylan, Karima Delli, Paloma López Bermejo, António Marinho e Pinto, Edouard Martin, Ivo Vajgl

28.1.2016

ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs

aan de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

over armoede: een genderperspectief

(2015/2228(INI))

Rapporteur: Silvia Costa

SUGGESTIES

De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de ten principale bevoegde Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat de regeringen zich er in het VN-verdrag over de rechten van het kind en in de Agenda voor duurzame ontwikkeling 2030 toe hebben verbonden te waarborgen dat alle jongens en meisjes het volledige basisonderwijs doorlopen; overwegende dat het Parlement in maart 2015 op Internationale Vrouwendag een evenement heeft georganiseerd onder de naam "Empowering girls and women through education"; overwegende dat onderwijs, zowel formeel als informeel, cruciaal is voor het uitbannen van marginalisering en meerdere vormen van discriminatie, door een dialoog tot stand te brengen, openheid en begrip tussen gemeenschappen en het versterken van de positie van gemarginaliseerde gemeenschappen;

B.  overwegende dat een van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie een vermindering is van het aantal Europeanen dat onder nationale armoededrempels leeft, door tegen 2020 minstens 20 miljoen mensen uit de armoede te helpen ontsnappen;

C.  overwegende dat de doelstellingen van de Europa 2020-strategie onder meer een vermindering betreft van het schooluitvalpercentage tot onder 10 %;

D.  overwegende dat een van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie erop gericht is dat 40 % van de personen tussen 30 en 34 jaar een universitaire opleiding volgt, in vergelijking met het huidige gemiddelde van 37,9 %; overwegende dat het gemiddelde voor vrouwen meer dan 42,3 % bedraagt, en dat van mannen 33,6 %;

E.  overwegende dat in vergelijking met het streefpercentage 15 % van Europa 2020, het gemiddelde deelnemingspercentage aan beroepsopleidingen in de EU 11 % bedraagt, en de deelneming onder vrouwen lager is, voornamelijk vanwege de moeilijkheid om dergelijke activiteiten te combineren met het noodzakelijke evenwicht tussen werk en gezinsleven;

F.  overwegende dat onderwijs in gendergelijkheid erop gericht moet zijn om de feminisering van armoede te bestrijden door genderstereotypen te overwinnen, en moet leiden tot een grotere rol van vrouwen en meisjes en andere genders in het economische, sociale en politieke leven;

G.  overwegende dat de door de lidstaten uitgevoerde bezuinigingsmaatregelen en de hervormingen van de nationale arbeidsmarkt tot meer armoede, hogere werkloosheid en meer onzekere en slechte banen heeft geleid; overwegende dat vrouwen door deze maatregelen en hervormingen harder zijn getroffen;

H.  overwegende dat armoede een belangrijke factor is in verband met gelijke toegang tot onderwijs, gezien de daarmee verband houdende directe en indirecte kosten;

I.  overwegende dat de economische crisis vooral vrouwen heeft getroffen, en hun risico op armoede heeft vergroot;

J.  overwegende dat pesten grote gevolgen heeft voor schoolprestaties, en de psychologische impact daarvan op jongens en meisjes verschilt, alsook de impact op hun prestaties;

K.  overwegende dat beroepsopleidingen en aanvullende trainingen van pas komen bij het vinden van werk;

1.   benadrukt dat gelijke toegang tot betaalbare kinderopvang van essentieel belang is voor een evenwicht tussen werk en gezinsleven en voorkomt dat vrouwen verplicht zijn deel- of halftijds te werken dan wel werken helemaal moeten opgeven en dat toegang tot vrij onderwijs van hoge kwaliteit cruciaal is om gelijke kansen voor jongens en meisjes te waarborgen en een armoedespiraal, met name voor vrouwen, te doorbreken;

2.  wijst erop dat onderwijs en cultuur een essentiële rol spelen bij het ter discussie stellen en veranderen van attitudes en stereotypen en het helpen bereiken van gelijkheid van vrouwen en meisjes;

3.  benadrukt dat genderdiscriminatie een nog belangrijkere rol speelt die meisjes niet alleen benadeelt ten aanzien van de toegang tot onderwijs maar ook wat betreft het uiteindelijke doel van onderwijs, dat de bevordering van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid, vaardigheden en gevoel van eigenwaarde zou moeten zijn, alsook van hun geestelijke en fysieke capaciteiten, door middel van het vergroten van hun potentieel;

4.  benadrukt de dringende noodzaak om de kloof te dichten tussen het hoge onderwijsniveau dat vrouwen in de EU hebben bereikt en de nadien voor hen aanwezige mogelijkheden een beroep uit te oefenen, wat een verlies voor de samenleving als geheel oplevert;

5.  benadrukt het belang om te zorgen voor ondersteuning van en investeringen in leeractiviteiten en leerkansen in aanvulling op het formele onderwijs, met name voor meisjes, om hen de mogelijkheid te bieden om zachte vaardigheden en interdisciplinaire kwalificaties te verwerven met het oog op de bevordering van de ontwikkeling van Europees burgerschap; onderstreept eveneens het belang van informeel onderwijs om mensen met vaardigheden op een laag niveau en met een risico op armoede de wereld van onderwijs en werk te leren kennen;

6.  benadrukt de noodzaak om beroepsopleidingen, aanvullende en andere vormen van training voor volwassenen, met name vrouwen, uit te breiden om hun integratie of herintegratie op de arbeidsmarkt te verbeteren en daarmee het risico op armoede te verkleinen;

7.  onderstreept dat gendergelijkheid in het onderwijs betekent dat meisjes en jongens, en vrouwen en mannen, dezelfde kansen en dezelfde behandeling krijgen wat betreft de toegang, het doorlopen en het eindresultaat van onderwijs van hoge kwaliteit, alsook positieve maatregelen waarmee structurele, culturele en intersectionele genderongelijkheid wordt overwonnen zodat de positie van vrouwen en meisjes met behulp van onderwijs verbeterd wordt; wijst erop dat van alle afgestudeerden in de EU weliswaar 60 % van de vrouwelijke kunne is maar dat de werkloosheid onder vrouwen hoger is dan onder mannen; benadrukt derhalve de noodzaak van duurzame antwoorden die gendergelijkheid centraal stellen in het beleid op het gebied van loopbaanbegeleiding, behoud van werkgelegenheid en groeibevordering;

8.  benadrukt het belang om leerkrachten door middel van trainingen bewust te maken van de gevolgen van genderrollen en genderstereotypering en van het belang om deze gevolgen te vermijden; beklemtoont de noodzaak te onderzoeken in hoeverre genderstereotypen in de klas ter discussie worden gesteld;

9.  roept de lidstaten en de Commissie op alle obstakels die de toegang belemmeren tot formeel en informeel onderwijs, evenals tot een leven lang leren, weg te nemen, door voorlichting en begeleiding te verbeteren, financiële steun en andere vormen van steun aan te bieden, zoals kinderopvang en ouderenzorg, om vrouwen en mannen in staat te stellen een leven lang te leren, door te kiezen voor een intergenerationele benadering en de rol die de Europese instellingen spelen te bevorderen;

10.  herinnert eraan dat gendermainstreaming op elk niveau in het onderwijsstelsel nodig is, en benadrukt de noodzaak om stereotypen rond technische onderwerpen te bestrijden, die de loopbaan van meisjes beperken; wijst op het belang van vertegenwoordiging van vrouwen in het besluitvorming in educatieve instellingen, waaronder scholen en universiteiten;

11.  benadrukt dat vrouwen en meisjes de vrijheid hebben te besluiten wat voor onderwijstraject, beroepsleven en loopbaan zij verkiezen;

12.  spreekt zijn bezorgdheid uit dat vrouwen met kinderen gediscrimineerd worden op de werkplek omdat zij moeders zijn en niet omdat hun werkprestaties minder zijn dan die van hun collega's; dringt er bij de lidstaten op aan het positieve beeld van moeders als werknemers te bevorderen en de "moederschapssanctie" aan te pakken, een verschijnsel waar in een aantal onderzoeken op wordt gewezen;

13.  verzoekt om financieringsmechanismen die een impuls geven aan de gelijke vertegenwoordiging op gebieden waar er geen genderevenwicht is, en benadrukt de noodzaak van naar gender uitgesplitste gegevens om de situatie van meisjes, jongens, mannen en vrouwen beter te begrijpen, en op basis daarvan een meer doeltreffende respons op onevenwichtigheden te kunnen formuleren; verzoekt de Commissie in een uitsplitsing naar gender en leeftijd te voorzien inzake de deelneming aan Europese onderwijsmobiliteitsprogramma's, zoals Erasmus+, Creatief Europa en Europa voor burgers;

14.  benadrukt dat het risico van armoede en sociale uitsluiting onder kinderen in alle lidstaten nauw verband houdt met het onderwijsniveau van de ouders en verzorgers, en met name van de moeders, evenals de situatie van de ouders op de arbeidsmarkt, hun maatschappelijke omstandigheden, en de gezinsondersteunende diensten van de staten; wijst erop dat een gebrek aan onderwijs een grote risicofactor vormt voor armoede en sociale uitsluiting van kinderen; stelt vast dat een aantal gezinsgerelateerde factoren, zoals instabiliteit en levenswijze van het gezin, eenoudergezinnen, slechte leefomstandigheden, lichamelijke of geestelijke gezondheidsproblemen en huiselijk geweld, de kans doen toenemen dat jongeren voortijdig stoppen met school of met hun opleiding;

15.  verzoekt de Commissie en de lidstaten in formeel en informeel onderwijs en een leven lang leren te investeren om armoede te bestrijden en de aanwezigheid van vrouwen in traditioneel door mannen gedomineerde sectoren zoals wetenschap, technologie, engineering, wiskunde en ondernemerschap te vergroten, onder meer met behulp van positieve vrouwelijke rolmodellen en netwerken van begeleidende collega's, en daarmee genderstereotypen en vooroordelen te overwinnen;

16.  wijst erop dat armoede bewust of onbewust de onderwijskeuzes van jongens en meisjes kan beïnvloeden doordat geld dan een rol speelt; benadrukt derhalve de belangrijke rol die het advies van studiekeuzebegeleiders aan gezinnen speelt bij het maken van de juiste onderwijskeuzes, waardoor jongens en meisjes zich volledig kunnen ontplooien;

17.  wijst op het belang van sport voor de karaktervorming en als middel om waarden over te dragen die helpen vooroordelen en stereotypen te overwinnen die vrouwen en mannen beletten zich overeenkomstig hun eigen verwachtingen en individuele capaciteiten te ontwikkelen;

18.  verzoekt de lidstaten een grotere nadruk te leggen op het belang van deugdelijke lichamelijke opvoeding voor beide seksen en stelt voor dat zij strategieën opstellen om dit te bereiken;

19.  wijst op het educatieve belang van sport en op de mogelijke waarde van sport voor maatschappelijk kwetsbare jongeren om hun levens weer op de rails te zetten, en verzoekt de lidstaten en sportbonden fair play in competities te bevorderen;

20.  herinnert in het bijzonder aan het recht van kinderen – zowel jongens als meisjes – van migranten en vluchtelingen op toegang tot onderwijs, aangezien dit een van de prioriteiten van Europese samenlevingen vormt; benadrukt derhalve dat, in het licht van de aanhoudende migratiecrisis, dringende maatregelen op het gebied van onderwijs aan migranten moeten worden genomen, op zowel EU- als nationaal niveau; beklemtoont dat onderwijs de sleutel is tot integratie en werk en dat wanneer nationale onderwijsstelsels deze uitdaging niet het hoofd bieden, dit een verdere culturele segregatie en grotere maatschappelijke verdeling kan veroorzaken; wijst erop dat toegang tot onderwijs, zowel in vluchtelingenkampen als gastgemeenten, die aan de vereiste kwaliteitsnormen voldoet en vergezeld gaat van taalkundige en psychologische steun, niet mag worden ondergraven door bureaucratische en administratieve kwesties in verband met de toekenning van de vluchtelingenstatus;

21.  herinnert eraan dat migrantenvrouwen en -kinderen tot de meest kwetsbare groepen behoren en een groot risico lopen op economische en sociale uitsluiting wat beperkte toegang tot elementaire gezondheidszorg en fatsoenlijke huisvesting betreft;

22.  benadrukt het belang dat mannen en jongens actief betrokken zijn bij de kwestie van gendergelijkheid, en dat formeel en informeel onderwijs en programma's van een leven lang leren over gendergelijkheid ook jongens en mannen bereiken om de maatschappelijke uitsluiting en discriminatie te helpen overwinnen die de armoede van vrouwen verergeren;

23.  beklemtoont dat elk onderwijsbeleid dat is ingevoerd om de relatie tussen armoede en gendergelijkheid aan te pakken, in het bijzonder gericht moet zijn op vrouwen en groepen die onder meervoudige discriminatie te lijden hebben;

24.  wijst erop dat jongens in vergelijking met meisjes bijna tweemaal zo vaak de school verlaten met weinig of geen kwalificaties, maar dat de sociaaleconomische achtergrond en status een betere voorspelling van de onderwijsprestaties lijken te geven dan alleen gender, en het derhalve noodzakelijk is aandacht te besteden aan maatschappelijke en economische vraagstukken bij het creëren van kwalitatief hoogstaande onderwijskansen voor iedereen en verzoekt om passende educatieve begeleiding om deze onevenwichtigheid weg te werken;

25.  onderstreept het belang van een leven lang leren om volwassenen die gedwongen waren om voortijdig van school te gaan of die vanwege hun eerste onderwijskeuzes hun capaciteiten niet hebben benut of hun ambities niet hebben verwezenlijkt, nieuwe kansen te bieden;

26.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om de toegang tot beroepsopleidingen voor jongeren en volwassenen te waarborgen en voor promotie van deze opleidingen te zorgen; herinnert aan de belangrijke rol die het Europees Sociaal Fonds met de financiering van opleidingsbeleid heeft gespeeld bij het aan het werk helpen van mensen en verzoekt de lidstaten en de lagere overheden het gebruik van dit fonds te bevorderen;

27.  benadrukt de bijdrage van vrijwilligersorganisaties en de tertiaire sector op dit gebied en verzoekt de lidstaten hun inspanningen te ondersteunen; herinnert aan het hoge participatieniveau van vrouwen in onderwijs van vrijwilligers en andere activiteiten, en in de ondersteuning en verbetering van onderwijskansen van onder meer vluchtelingen en behoeftige kinderen;

28.  wijst erop dat de financiële crisis van 2008 een rem heeft gezet op de toenemende deelname van vrouwen aan en hun toegang tot de arbeidsmarkt, waar zij ten opzichte van mannen met dezelfde kwalificaties aan het kortste eind trekken; verzoekt de Commissie maatregelen te nemen om te zorgen voor loopbaangelijkheid en zo te voorkomen dat vrouwen minder snel carrière maken en in een situatie van armoede terechtkomen; verzoekt, met een oog op de toename van het aantal vrouwen in alle sectoren van de arbeidsmarkt en het waarborgen van gelijke kansen, om speciale steunmaatregelen die vrouwen in staat stellen om werk en opleidingen te combineren en tegelijkertijd met hun echtgenoten de gezinstaken te delen;

29.  stelt dat de deelname van meisjes aan het leven op school een voorwaarde is om voortijdig schoolverlaten te voorkomen, aangezien meisjes zelfvertrouwen opdoen door de kans te krijgen hun eigen levens en dat van anderen positief te veranderen; stelt vast dat de betrokkenheid van meisjes ook kan bijdragen aan het veranderen van de publieke perceptie van hun capaciteiten en ervoor zorgt dat zij als burgers worden gezien en als actieve leden van de samenleving wat het opeisen van individuele rechten betreft.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

25.1.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

4

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Isabella Adinolfi, Andrea Bocskor, Louise Bours, Nikolaos Chountis, Silvia Costa, Mircea Diaconu, Damian Drăghici, Jill Evans, María Teresa Giménez Barbat, Giorgos Grammatikakis, Petra Kammerevert, Rikke Karlsson, Andrew Lewer, Svetoslav Hristov Malinov, Curzio Maltese, Stefano Maullu, Luigi Morgano, Michaela Šojdrová, Yana Toom, Helga Trüpel, Sabine Verheyen, Julie Ward, Bogdan Brunon Wenta, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Eider Gardiazabal Rubial, Dietmar Köster, Zdzisław Krasnodębski, Ernest Maragall, Algirdas Saudargas

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Gabriel Mato, Jaromír Štětina

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

19.4.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

25

2

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Maria Arena, Catherine Bearder, Beatriz Becerra Basterrechea, Malin Björk, Vilija Blinkevičiūtė, Anna Maria Corazza Bildt, Viorica Dăncilă, Iratxe García Pérez, Anna Hedh, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Elisabeth Köstinger, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Angelika Mlinar, Maria Noichl, Marijana Petir, Pina Picierno, João Pimenta Lopes, Terry Reintke, Jordi Sebastià, Michaela Šojdrová, Ernest Urtasun, Jadwiga Wiśniewska, Anna Záborská, Jana Žitňanská

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers

Rosa Estaràs Ferragut, Kostadinka Kuneva, Constance Le Grip, Evelyn Regner, Marc Tarabella

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Julia Reid, Marco Zanni

HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

25

+

ALDE

Catherine Bearder, Beatriz Becerra Basterrechea, Angelika Mlinar

EFDD

Marco Zanni

GUE/NGL

Malin Björk, Kostadinka Kuneva, João Pimenta Lopes

PPE

Anna Maria Corazza Bildt, Rosa Estaràs Ferragut, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Elisabeth Köstinger, Constance Le Grip

S&D

Maria Arena, Vilija Blinkevičiūtė, Viorica Dăncilă, Iratxe García Pérez, Anna Hedh, Maria Noichl, Pina Picierno, Evelyn Regner, Marc Tarabella

VERTS/ALE

Terry Reintke, Jordi Sebastià, Ernest Urtasun

2

-

EFDD

Julia Reid

PPE

Michaela Šojdrová

4

0

ECR

Jadwiga Wiśniewska, Jana Žitňanská

PPE

Marijana Petir, Anna Záborská

Verklaring van de symbolen:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

(1)

PB C 233 E van 28.9.2006, blz. 130.

(2)

PB C 67 E van 18.3.2010, blz. 31.

(3)

PB C 70 E van 8.3.2012, blz. 162.

(4)

PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 77.

(5)

PB C 296 E van 2.10.2012, blz. 26.

(6)

PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 9.

(7)

PB C 131 E van 8.5.2013, blz. 60.

(8)

PB C 258 E van 7.9.2013, blz. 91.

(9)

PB C 264 E van 13.9.2013, blz. 75.

(10)

PB C 24 van 22.1.2016, blz. 8.

(11)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0073.

(12)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0050.

(13)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0218.

(14)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0351.

(15)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0350.

(16)

http://ec.europa.eu/eurostat/tgm/refreshTableAction.do?tab=table&plugin=1&pcode=t2020_50&language=fr

(17)

Save the Children, "Armoede en sociale uitsluiting onder kinderen in Europa", Brussel, 2014, blz. 14

(18)

Resultaten van de enquête "Survey of Mothers in Europe 2011, Mouvement Mondial des Mères-Europe"

(19)

http:\\www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2015/547546/EPRS_STU(2015)547546_EN.pdf, blz.11

(20)

Internationale Arbeidsorganisatie, Policies and regulations to combat precarious employment (Beleid en regelgeving om de strijd aan te binden tegen onzeker werk), 2011.

(21)

http://ec.europa.eu/justice/gender-equality/files/conference_sept_2011/dgjustice_oldagepensionspublication3march2011_en.pdf.

(22)

http://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php?title=Employment_statistics&oldid=190559

(23)

McKay, Sonia; Jefferys, Steve; Paraksevopoulou, Anna; Keles, Janoj. April 2012. Study on precarious work and social rights 2012 (Studie over onzeker werk en sociale rechten, 2012). Uitgevoerd namens de Europese Commissie.

Resolutie van het Europees Parlement van 19 oktober 2010 over vrouwen in onzeker dienstverband (PB C 70E, 8.3.2012, blz. 1).

(24)

Save the Children, "Armoede en sociale uitsluiting onder kinderen in Europa", Brussel, 2014, blz. 14.

(25)

Resolutie van het Europees Parlement van 9 september 2015 over het verslag over de uitvoering, resultaten en algehele beoordeling van het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties 2012 (Aangenomen teksten, P8_(2015)0309).

(26)

http://ec.europa.eu/justice/gender-equality/files/conference_sept_2011/dgjustice_oldagepensionspublication3march2011_en.pdf.

(27)

Internationale Arbeidsorganisatie, Policies and regulations to combat precarious employment (Beleid en regelgeving om de strijd aan te binden tegen onzeker werk), 2011.

(28)

Aanbeveling van de Europese Commissie over investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken, Brussel, 20.2.2013 C(2013) 0778.

(29)

Resolutie van het Europees Parlement van 24 november 2015 over vermindering van de ongelijkheid, met bijzondere focus op kinderarmoede (Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0401).

(30)

Raad van de Europese Unie, Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken, "Toetsing van de uitvoering door de lidstaten en de EU-instellingen van het Actieprogramma van Peking – Indicatoren inzake vrouwen en armoede" – Ontwerpconclusies van de Raad, december 2007, 13947/07 ADD.

Juridische mededeling