Procedure : 2015/2282(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0162/2016

Ingediende teksten :

A8-0162/2016

Debatten :

PV 12/09/2016 - 19
CRE 12/09/2016 - 19

Stemmingen :

PV 13/09/2016 - 4.16
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0335

VERSLAG     
PDF 368kWORD 113k
29.4.2016
PE 575.286v02-00 A8-0162/2016

over de uitvoering van de thematische doelstelling "Vergroting van de concurrentiekracht van mkb-bedrijven" (artikel 9, punt 3, van de Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen)

(2015/2282(INI))

Commissie regionale ontwikkeling

Rapporteur: Rosa D'Amato

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de uitvoering van de thematische doelstelling "Vergroting van de concurrentiekracht van mkb-bedrijven" (artikel 9, punt 3, van de Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen)

(2015/2282(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 9, punt 3, van de Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (EU) nr. 1303/2013, over de thematische doelstelling "Vergroting van de concurrentiekracht van mkb-bedrijven",

–  gezien artikel 37 van de Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (EU) nr. 1303/2013, over financiële instrumenten die steun krijgen van ESI-fondsen,

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 15 april 2014 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de deelname van de Unie aan een door verscheidene lidstaten gezamenlijk opgezet programma voor onderzoek en ontwikkeling ter ondersteuning van onderzoek verrichtende kleine en middelgrote ondernemingen(1),

–  gezien zijn resolutie van 5 februari 2013 over betere toegang tot financiering voor kmo's(2),

–  gezien Richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties,

–  gezien zijn resolutie van 19 mei 2015 over groene groeimogelijkheden voor kmo's(3),

–  gezien het Cosme-programma voor kleine en middelgrote ondernemingen,

–  gezien de Eurobarometer-enquête over kmo's, efficiënt gebruik van hulpbronnen en groene markten (Flash Eurobarometer 381) en de Eurobarometer-enquête over de rol van overheidssteun bij de commercialisering van innovaties (Flash Eurobarometer 394),

–  gezien zijn resolutie van 4 december 2008 over maatregelen ter verbetering van het klimaat voor het mkb in Europa - 'Small Business Act'(4),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 25 juni 2008 met als titel "Denk eerst klein – een 'Small Business Act' voor Europa" (COM(2008)0394),

–  gezien het Europees Handvest voor kleine bedrijven, dat de Europese Raad op 19 en 20 juni 2000 in Feira heeft aangenomen,

  gezien zijn resolutie van 16 februari 2011 over de praktische aspecten met betrekking tot de herziening van EU-instrumenten om kmo-financiering in de komende programmeringsperiode te ondersteunen(5),

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2012 "Midden- en kleinbedrijf (mkb): concurrentievermogen en zakelijke kansen"(6),

–  gezien zijn resolutie van 14 januari 2014 over slimme specialisatie: expertisenetwerken voor een gedegen cohesiebeleid(7),

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over investeringen ter bevordering van banen en groei: bevordering van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie(8),

–  gezien Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (kmo's)(9),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 juni 2014 getiteld "Onderzoek en innovatie: de bronnen van toekomstige groei" (COM(2014)0339),

–  gezien het zesde verslag van de Commissie over economische, sociale en territoriale cohesie van 23 juli 2014, getiteld "Investeringen ter bevordering van banen en groei",

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2014 getiteld "Een investeringsplan voor Europa" (COM(2014)0903),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2011 getiteld "Het industriebeleid: het concurrentievermogen versterken" (COM(2011)0642),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 9 november 2011 "Kleine ondernemingen in een grote wereld – een nieuw partnerschap om kmo's te helpen kansen wereldwijd te benutten" (COM(2011)0702),

–  gezien het verslag van de Commissie van 23 november 2011 "Regeldruk voor het mkb verminderen – EU-regelgeving aanpassen aan de behoeften van micro-ondernemingen" (COM(2011)0803),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 23 februari 2011 "Evaluatie van de 'Small Business Act' voor Europa" (COM(2011)0078),

  gezien de mededeling van de Commissie van 6 oktober 2010 getiteld "Bijdrage van het regionaal beleid aan de slimme groei in het kader van de Europa 2020-strategie" (COM(2010)0553),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 over "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 december 2015 "Investeren in banen en groei - naar een optimale bijdrage van de Europese structuur- en investeringsfondsen" (COM(2015)0639),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 30 juli 2013 getiteld "De innovatiekloof dichten" (2013/C 218/03),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 20 november 2014 getiteld "Steunmaatregelen voor het opzetten van ecosystemen voor startende hightechbedrijven" (2014/C 415/02),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0162/2016),

A.  overwegende dat het cohesiebeleid het belangrijkste instrument is voor investeringen in groei en werkgelegenheid in de EU, met een begroting van meer dan 350 miljard EUR tot eind 2020; overwegende dat de tastbare resultaten van investeringen binnen het cohesiebeleid bepalend kunnen zijn voor de groei van regio's binnen de lidstaten, nu en in de toekomst;

B.  overwegende dat armoede en sociale uitsluiting, alsook langdurige werkloosheid, jeugdwerkloosheid en sociale ongelijkheid in vele lidstaten zijn toegenomen als gevolg van de economische en financiële crisis, en dat kmo's daarom een sterke en belangrijke rol kunnen vervullen bij het herstel van Europa;

C.  overwegende dat de 23 miljoen kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) in de EU, die 99 % van alle bedrijven uitmaken, een fundamentele bijdrage leveren tot economische groei, sociale cohesie, innovatie en kwaliteitsvolle werkgelegenheid, doordat zij meer dan 100 miljoen arbeidsplaatsen verschaffen, goed voor twee derde van alle banen in de privésector, en een banengroei kennen die dubbel zo hoog is als die van grotere ondernemingen; overwegende dat slechts 13 % van de Europese kmo's zich bezighoudt met handel en investeringen op de wereldmarkten;

D.  overwegende dat Europese kmo's heel verscheiden zijn, en een groot aantal lokaal gebonden micro-ondernemingen omvatten, die vaak in traditionele sectoren actief zijn, evenals een groeiend aantal nieuwe start-ups en snelgroeiende innovatieve ondernemingen, naast ondernemingen in de sociale economie die specifieke doelstellingen nastreven en zich richten tot welbepaalde groepen; overwegende dat deze bedrijfsmodellen met verschillende problemen geconfronteerd worden, en dus verschillende behoeftes hebben; overwegende dat een vereenvoudiging van de Europese, nationale en regionale wetgeving cruciaal is om de toegang tot krediet voor kmo's te vergemakkelijken;

E.  overwegende dat kmo's zich vlot aan veranderingen kunnen aanpassen en goed in staat zijn de technologische vooruitgang bij te benen;

F.  overwegende dat microkrediet, dat vooral bedoeld is voor micro-ondernemers en kansarmen die als zelfstandige aan de slag willen gaan, van centraal belang is om drempels te overwinnen bij de toegang tot traditionele bankdiensten, en overwegende dat JASMINE (Joint Action to Support Microfinance Institutions) en de pijler Microfinanciering en sociaal ondernemerschap van het programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI) degelijke ondersteuning kunnen bieden om de toegang tot financiering, ook voor sociale ondernemingen, te verbeteren;

G.  overwegende dat via het cohesiebeleid in de programmeringsperiode 2007-2013 voor 70 miljard EUR steun is verstrekt aan kmo's, waardoor meer dan 263 000 banen in kmo's gecreëerd werden, en is bijgedragen tot de modernisatie van kmo's door toegenomen gebruik van ICT, cruciale vaardigheden, innovatie, of modernisatie van de arbeidsmethoden;

H.  overwegende dat het cohesiebeleid in de programmeringsperiode 2014-2020 de steun aan kmo's verder zal bevorderen door het steunbedrag voor 2007-2013 te verdubbelen tot 140 miljard EUR;

I.  overwegende dat de thematische doelstelling "Vergroting van de concurrentiekracht van mkb-bedrijven" (TD 3) een van de thematische doelstellingen met het hoogste percentage algemene financiering is (13,9 %) en van cruciaal belang is om de doelstellingen van het cohesiebeleid en de Europa 2020-strategie te verwezenlijken;

J.  overwegende dat kmo's die van ESI-fondsen gebruik willen maken, aangezien zij in een concurrerende omgeving actief zijn en sowieso al aan tal van beperkingen zijn onderworpen – bijvoorbeeld met betrekking tot kasmiddelen – bijzonder veel nadeel ondervinden van de ingewikkelde regelgeving, wisselvallige regels en administratieve lasten, met name door de onevenredige verhouding tussen de beheerkosten en de toegekende bedragen, de verwerkingstermijnen en de noodzaak om de middelen voor te schieten;

K.  overwegende dat er door de invoering van thematische concentratie in de programmering voor 2014-2020 van het cohesiebeleid een doeltreffend instrument is om operationele programma's te ontwerpen met meer aandacht voor investeringsprioriteiten, teneinde voldoende middelen te hebben om een reëel effect te sorteren;

L.  overwegende dat partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's zoals bepaald in de artikelen 14, 16 en 29 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen strategische instrumenten zijn die investeringen in de lidstaten en regio's aansturen;

M.   overwegende dat kmo's ervoor zullen zorgen dat de industriële productie tegen 2020 ten minste 20 % van het bbp van de lidstaten vertegenwoordigt;

N.  overwegende dat slechts een klein percentage van de Europese kmo's momenteel in staat is om de kansen te zien en te benutten die worden geboden door de internationale handel, handelsovereenkomsten en mondiale waardeketens, en dat slechts 13 % van de Europese kmo's de voorbije drie jaar internationaal actief is geweest buiten de EU;

O.  overwegende dat de internationalisering van kmo's moet berusten op maatschappelijk verantwoord ondernemen, eerbiediging van de mensenrechten en de rechten van werknemers, en op de hoogste bescherming van het milieu om eerlijke concurrentie en een toename van hoogwaardige banen te garanderen;

1.  merkt op dat operationele programma's door thematische concentratie meer gericht zijn op een beperkt aantal strategische doelstellingen, in het bijzonder het versterken van de groei en het potentieel van kmo's, inclusief micro-ondernemingen, om banen van hoge kwaliteit te creëren; is van mening dat kmo's de drijvende kracht van de Europese economie zijn en een sleutelrol vervullen in het welslagen van het cohesiebeleid; meent dat zij echter door hun omvang vaak te kampen hebben met velerlei uitdagingen; raadt daarom aan om de op kmo's gerichte ondersteuning vanuit de ESI-fondsen verder te versterken;

2.  roept de Commissie en de lidstaten op om rekening te houden met de toegevoegde waarde van kmo-projecten voor de ontwikkeling en innovatie van traditionele sectoren, want dit zal niet alleen het scheppen van banen aanmoedigen, maar er ook voor zorgen dat de specifieke plaatselijke en regionale bedrijfskenmerken behouden blijven, met respect voor de duurzaamheidsbeginselen; beklemtoont dat ook rekening moet worden gehouden met de context van deze sectoren en dat het delicate evenwicht tussen traditionele, op kennis gebaseerde productietechnieken en innovatie niet mag worden verstoord; wijst erop dat kmo's een belangrijke rol vervullen in de dienstensector, die momenteel ingrijpende veranderingen ondergaat ten gevolge van de digitalisering; is bijgevolg van mening dat de ICT-vaardigheidskloof moet worden aangepakt door meer aandacht te besteden aan opleiding en onderwijs op dat vlak;

3.  beklemtoont dat er een algemene behoefte bestaat aan mechanismen die het ondernemingsklimaat vereenvoudigen en met behulp van Refit het startproces van nieuwe ondernemingen versnellen, om aldus de concurrentiekracht van kmo's en de absorptie van ESI-fondsen te ondersteunen; beklemtoont dat moet zijn voldaan aan de ex-antevoorwaarden;

4.  vraagt de Commissie om rekening te houden met de beginselen van het pakket kringloopeconomie bij de implementatie van TD 3, om een meer duurzame economische groei te stimuleren en nieuwe banen van hoge kwaliteit voor kmo's te creëren, met bijzondere aandacht voor de bevordering van groene banen; acht het in dit verband van fundamenteel belang dat de inspanningen om het groene concurrentievermogen van kmo's te vergroten worden voortgezet door de verbetering van de toegang tot financiering, betere voorlichting, de vereenvoudiging van de wetgeving, de beperking van de administratieve rompslomp, het stimuleren van e-cohesie en de bevordering van een groene ondernemingscultuur; wijst er bovendien op dat een groenere waardeketen, bestaande uit herfabricage, reparatie, onderhoud, recyclage en ecodesign, veel kmo's aanzienlijke commerciële mogelijkheden kan bieden, op voorwaarde dat het economische gedrag verandert en dat juridische, institutionele en technische obstakels worden weggenomen of beperkt;

5.  herinnert eraan dat de moeilijkheden waarmee kmo's worden geconfronteerd gedeeltelijk te wijten zijn aan een terugval in de vraag door de bezuinigingsmaatregelen van de lidstaten;

6.  moedigt de lidstaten en de regionale autoriteiten aan om het gebruik van de mogelijkheden die de financiële instrumenten bieden af te wegen; benadrukt dat de transparantie, verantwoordingsplicht en toetsing moet worden gewaarborgd van dergelijke financiële instrumenten en van het programma "kmo-initiatief" dat bedoeld is om kmo's financiële ondersteuning te geven; onderstreept dat financiële instrumenten altijd moeten worden gebruikt in overeenstemming met de doelen van het cohesiebeleid, en dat er passende technische en administratieve ondersteuning moet worden geboden;

7.  pleit voor een vereenvoudigde en minder sterk gereguleerde toegang tot krediet, waarbij rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van micro-ondernemingen en start-ups en de regio's waar ze hun activiteiten ontplooien; betreurt het dat investeerders en banken vaak terughoudend zijn bij het financieren van ondernemingen in hun opstart- en eerste uitbreidingsfase en dat veel kmo's, met name start-ups, het moeilijk vinden om toegang te krijgen tot externe financiering; verzoekt de Commissie, de lidstaten en regionale overheden daarom bijzondere aandacht te schenken aan het verbeteren van de toegang tot financiering voor micro-ondernemingen en start-ups die willen groeien; wijst erop dat de rentepercentages voor de financiering van kmo's gelijkgesteld moet worden aan de rentepercentages voor grotere ondernemingen;

8.  is van mening dat Europese bedrijfjes de neiging hebben te leunen op financieringsbronnen als banken, en zich niet volledig bewust zijn van het bestaan van aanvullende financieringsbronnen of van hun financiële mogelijkheden; merkt op dat de Commissie, met de versnippering van de markt in het achterhoofd, een reeks initiatieven heeft voorgesteld, zoals de kapitaalmarktunie, met als doel om de financieringsbronnen te diversifiëren, het vrije verkeer van kapitaal te vergemakkelijken en de toegang tot financiering te verbeteren, vooral voor kmo's;

9.  merkt op dat er geen bewijzen zijn van de door de financiële instrumenten gegenereerde uitkomsten en resultaten en dat er slechts een los verband is tussen die financiële instrumenten en de overkoepelende doelstellingen en prioriteiten van de EU; verzoekt de Commissie de verstrekking van subsidies verder te verbeteren in plaats van vooral het gebruik van financiële instrumenten te bevorderen;

10.  constateert dat in de programmeringsperiode 2007-2013 diverse obstakels, zoals de effecten van de economische crisis, het complexe beheer van de structuurfondsen, administratieve rompslomp, beperkte toegang tot financiering voor kmo's en de gecompliceerde tenuitvoerlegging van steunregelingen, hebben geleid tot een ontoereikende benutting van deze fondsen door kmo's; waarschuwt ervoor dat de achterliggende oorzaken voor het lage absorptiepercentage moeten worden aangepakt om een herhaling van dezelfde problemen in de programmeringsperiode 2014-2020 te voorkomen, en dat een aantal kmo's vanwege de overmatige bureaucratie geen aanvraag heeft kunnen doen voor de beschikbare fondsen; betreurt het dat de bestaande studies over de efficiëntie en de werkelijke impact van de ESI-fondsen op kmo's te algemeen en onvolledig zijn, en verzoekt de Commissie in samenwerking met de lidstaten snel een beoordeling van dit probleem uit te voeren en deze in te dienen bij het Parlement; beklemtoont dat geringe administratieve capaciteit de succesvolle en tijdige tenuitvoerlegging van TD 3 in de weg kan staan;

11.  merkt op dat de Commissie steeds meer aandacht besteedt aan goed bestuur en overheidsdiensten van hoge kwaliteit; benadrukt dat het voor kmo's belangrijk is om aanbestedingen op een transparante, systematische en innovatieve manier aan te pakken; dringt er daarom op aan dat de obstakels waar kmo's tegenaan lopen bij het inschrijven op aanbestedingen zo veel mogelijk worden opgeheven, door af te stappen van onnodige administratieve rompslomp, aanvullende eisen op nationaal niveau te vermijden en de bepalingen van het bestaande wetgevingskader uit te voeren om geschillen in verband met overheidsaankopen zo spoedig mogelijk te beslechten; is ingenomen over Richtlijn 2014/24/EU en het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA), waarmee de administratieve rompslomp voor bedrijven, en met name kmo's, aanzienlijk moet worden teruggedrongen; benadrukt dat de strikte toepassing van maatregelen om fouten en fraude tegen te gaan moet worden voortgezet zonder dat de administratieve rompslomp toeneemt, en dat de administratieve procedures vereenvoudigd moeten worden om fouten te voorkomen; verzoekt de aanbestedende diensten die opdrachten wensen te bundelen er zorg voor te dragen dat kmo's niet worden uitgesloten van deze procedure louter door de omvang van het uiteindelijke contract, aangezien grotere opdrachten omslachtiger criteria kunnen omvatten;

12.  herhaalt zijn verzoek om meer transparantie en de deelname van alle betrokken plaatselijke en regionale overheden, belanghebbenden uit het maatschappelijk middenveld, ondernemers en andere belanghebbenden, met name bij de vaststelling van de vereisten in oproepen tot het indienen van projectvoorstellen om beter in te spelen op de behoeften van de uiteindelijke begunstigden; onderstreept dan ook dat het partnerschapsbeginsel daadwerkelijk moet worden toegepast en in acht genomen, ook tijdens de fases van ontwerp, voorbereiding en tenuitvoerlegging van partnerschapsovereenkomsten en operationele programma's, zoals uiteengezet in de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen en de gedragscode inzake partnerschap; stelt met bezorgdheid vast dat veel kmo's in de lidstaten niet echt bij het proces betrokken worden en vaak voor een voldongen feit worden gesteld in plaats van op passende wijze geraadpleegd te worden; spoort organisaties die toekomstgerichte, duurzame en ecologisch-innovatieve bedrijfstakken vertegenwoordigen aan een partnerschap aan te gaan, en verzoekt de Commissie en de lidstaten hun zeggenschap te geven door gebruik te maken van technische bijstand en capaciteitsopbouw;

13.  roept de Commissie en de lidstaten op om ervoor te zorgen dat het EU‑investeringsbeleid voor kmo's beter gecoördineerd en rechtlijniger is; merkt op dat een verbetering van de synergie tussen ESI-financiering en andere op kmo's gerichte beleidsmaatregelen en financiële instrumenten de effecten van de investeringen zal maximaliseren; is ingenomen met het plan om de toegang tot ESI-fondsen eenvoudiger te maken door een "excellentiekeurmerk" in te voeren voor projecten die als "uitstekend" beoordeeld zijn, maar die niet gefinancierd worden via Horizon 2020; dringt er bij de lidstaten op aan om in samenwerking met de desbetreffende sociale en economische belanghebbenden hetzij op regionaal niveau één contactpunt op te zetten, waarmee de al bestaande contactpunten bevorderd worden, hetzij een geconsolideerd platform in het leven te roepen voor de diverse op kmo's gerichte financieringsinstrumenten van de EU en voor administratieve ondersteuning van de voorbereiding en tenuitvoerlegging van projecten;

14.  benadrukt de rol die geïntegreerde territoriale investeringen, vanuit de gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkeling, macroregionale strategieën en Europese territoriale samenwerking in het algemeen kunnen spelen bij de succesvolle verwezenlijking van de TD3-doelstellingen, aangezien sommige projecten grensoverschrijdende gebieden omvatten, waaronder verscheidene regio's en landen, en plaatsgebonden innovatieve praktijken kunnen ontwikkelen;

15.  merkt op dat uit de eerste evaluatie van de Commissie blijkt dat de bedragen die werden toegewezen aan steun voor kmo's aanzienlijk zijn toegenomen in vergelijking met de vorige programmeringsperioden; beklemtoont dat de ESI-fondsen, en dan met name operationele programma's die gericht zijn op de ondersteuning van onderzoek en ontwikkeling, kmo's kunnen helpen hun capaciteit te vergroten door octrooiaanvragen in te dienen bij het Europees Octrooibureau, door te voorzien in haalbare en gebruikersvriendelijke financieringsregelingen;

16.  betreurt de vertragingen in de implementatie van het cohesiebeleid in de huidige programmeringsperiode; wijst erop dat kmo's dringend toegang moeten krijgen tot financiering en dat, hoewel alle operationele programma's inmiddels zijn goedgekeurd, de tenuitvoerlegging nog in een erg pril stadium verkeert; stelt vast dat vertragingen tot hiaten leiden in de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid, en dringt er bij de Commissie op aan maatregelen uit te werken voor een snelle opheffing van dergelijke vertragingen;

17.  verzoekt de Commissie met klem toe te zien op en aan te sporen tot de versnelde tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid, met name de totstandbrenging van projecten die uitzicht bieden op duurzame groei en nieuwe, hoogwaardige banen, waarbij de aandacht tevens uitgaat naar projecten die worden opgezet in plattelandsgebieden om nieuwe diensten te creëren en de leegloop van het platteland tegen te gaan; verzoekt de Commissie om bij het vaststellen van subsidiabiliteitscriteria rekening te houden met de toegevoegde waarde op economisch en maatschappelijk vlak en met de milieueffecten van projecten;

18.  benadrukt de rol van het Parlement bij het toezicht op de resultaatgerichte tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid; verzoekt de Commissie in een zo vroeg mogelijk stadium obstakels die de efficiënte benutting van fondsen voor kmo's en start-ups in de weg staan in kaart te brengen en terug te dringen, mogelijke synergieën bij ESI-fondsen en tussen ESI-fondsen en andere fondsen die van belang zijn voor kmo's te bepalen, en specifieke aanbevelingen te doen voor maatregelen en richtsnoeren die gericht zijn op de verdere vereenvoudiging, de controle en de beoordeling van het gebruik van dergelijke financiële instrumenten; stelt vast dat de moeilijkheden in deze sector toenemen, vooral in ultraperifere regio's en in gebieden waar de slechte kwaliteit van essentiële infrastructuur leidt tot lage particuliere investeringen;

19.  benadrukt de noodzaak om een dialoog op te zetten tussen de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds om de toegang van kmo's tot verschillende financieringsbronnen te verbeteren en te vergemakkelijken;

20.  onderstreept dat de voornaamste obstakels die kmo's belemmeren bij een soepele toegang tot ESI-fondsen onder andere administratieve rompslomp, een groot aantal steunregelingen, complexe regels en procedures, vertragingen bij de invoering van uitvoeringshandelingen en het overreguleringsrisico zijn; verzoekt de groep op hoog niveau inzake vereenvoudiging dan ook concrete voorstellen uit te werken, waarbij ook de strategie voor betere regelgeving in het achterhoofd wordt gehouden, om de administratieve rompslomp te beperken en de procedures voor het beheer van de ESI‑fondsen door kmo's te vereenvoudigen, met bijzondere nadruk op de voorschriften in verband met de controle, de flexibiliteit van het beheer, risico- en tussentijdse beoordelingen, het controlesysteem en de samenhang met mededingingsregels en ander EU-beleid; wenst dat dergelijke vereenvoudigingsmaatregelen de beginselen "slechts één keer" en "denk eerst klein" van de Small Business Act in acht nemen en dat ze op verschillende niveaus worden bedacht en toegepast in samenwerking met vertegenwoordigers van verschillende categorieën kmo's; verzoekt de groep op hoog niveau de Commissie regionale ontwikkeling van het Parlement doorlopend op de hoogte te houden van de resultaten van zijn activiteiten, en verzoekt de Commissie de vertegenwoordigers van de lidstaten te raadplegen over de kwesties die worden behandeld door de groep op hoog niveau;

21.  verzoekt de Commissie voorwaarden op te stellen voor overheidssteun op nationaal en regionaal niveau die niet nadelig uitpakken voor kmo's en die in overeenstemming zijn met de steun voor ondernemingen in het kader van het cohesiebeleid, en volledig gebruik te maken van steunregelingen op basis van de algemene groepsvrijstellingsverordening, om de administratieve rompslomp voor overheden en begunstigden te beperken en de opname van de ESI-fondsen te versnellen, door de regelgeving inzake ESI-fondsen voor kmo's en de voorschriften voor staatssteun beter op elkaar af te stemmen;

22.  verzoekt de Commissie de lidstaten aan te sporen gegevens, kennis en beste praktijken in dit verband uit te wisselen, te zorgen voor passende verslaglegging en hen te motiveren om projecten met een hoog potentieel voor het scheppen van banen te ondersteunen;

23.  roept de Commissie en de lidstaten op dringend een duurzame oplossing te vinden voor de betalingsachterstand in het regionaal beleid en de richtlijn betalingsachterstand (2011/7/EU) correct toe te passen, om te waarborgen dat kmo's zich als projectpartners niet laten afschrikken door betalingsachterstanden om deel te nemen aan steunprogramma's en projecten in de huidige programmeringsperiode; wijst er tevens op dat mede door een striktere naleving van deze richtlijn, waarvoor onder andere vereist is dat overheidsinstanties binnen 30 dagen betalen voor de goederen en diensten die zij afnemen, de voorwaarden geschapen kunnen worden voor de stabilisatie en groei van kmo's;

24.  benadrukt dat slimme-specialisatiestrategieën, hoewel ze niet formeel vereist zijn als voorafgaande voorwaarden in TD 3, een cruciaal instrument zijn om innovatie en de flexibiliteit van de thematische doelstellingen te waarborgen, en onderstreept tegelijkertijd dat deze strategieën niet alleen gericht moeten zijn op door wetenschap en technologie aangestuurde innovatie, maar ook op innovatie die niet op wetenschap gebaseerd is; roept de Commissie op om het Parlement op de hoogte te houden van de resultaten van de voor kmo's bedoelde slimme-specialisatiestrategieën op nationaal en/of regionaal niveau; benadrukt de samenhang van de door elke afzonderlijke regio gehanteerde slimme-specialisatiestrategieën met de daaraan gekoppelde territoriale economie, en de uitdaging om slimme specialisatie toe te passen in niet-stedelijke gebieden die misschien niet beschikken over voldoende ondersteunende infrastructuur; is ingenomen met de voorwaarden vooraf in verband met de Small Business Act in TD 3, en verzoekt de lidstaten de stappen te ondernemen om de verwezenlijking van de doelstellingen in de Small Business Act te versnellen; schaart zich achter de onderscheiding Ondernemende regio van Europa, die bedoeld is om EU-regio's met uitstekende, toekomstgerichte strategieën voor ondernemerschap die de tien beginselen van de Small Business Act voor Europa toepassen in kaart te brengen en te belonen;

25.  verzoekt de beheersautoriteiten rekening te houden met de kenmerken en specifieke bevoegdheden van de afzonderlijke gebieden, met aandacht voor gebieden die kampen met achterblijvende ontwikkeling, ontvolking en hoge werkloosheidspercentages, om zowel traditionele als innovatieve economische sectoren te bevorderen; roept de Commissie op om specifieke programma's op te stellen die alle relevante elementen voor duurzame, slimme en inclusieve groei voor kmo's bevatten; wijst nogmaals op de bestaande genderkloof, die ook in de Small Business Act is vastgesteld, en uit zijn bezorgdheid over het aanhoudend lage aantal vrouwen dat een bedrijf opstart of leidt; verzoekt de Commissie en de lidstaten de tenuitvoerlegging van specifieke strategieën te stimuleren ter ondersteuning van jonge en vrouwelijke ondernemers in het kader van groene groei, als een manier om economische groei en toenemende werkgelegenheid, sociale inclusie en professionalisme te verenigen met ecologische duurzaamheid;

26.  verzoekt de Commissie om de oprichting van een participatieplatform binnen de bestaande begroting voor de verspreiding van kmo-projectresultaten, waaronder ook voorbeelden van goede praktijken die in het kader van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) in de programmeringsperiodes 2000-2006 en 2007‑2013 plaatsvonden;

27.  stelt vast dat in de "slimme gids voor diensteninnovatie" die is samengesteld door de Commissie wordt benadrukt hoe belangrijk de strategieën voor overheidssteun zijn, die ontwikkeld zijn in overleg met sociale en economische belanghebbenden op regionaal niveau, door kmo's een gunstig klimaat te bieden en hen te helpen hun concurrerende positie te behouden in de mondiale waardeketens;

28.  onderstreept dat kmo's uitdagingen en kansen staan te wachten nu zij zich moeten aanpassen en houden aan de recente beslissingen die zijn genomen op de COP21‑conferentie;

29.  is van mening dat zich innovatieve mogelijkheden kunnen voordoen voor de integratie van vluchtelingen en migranten als kmo's voldoende ondersteuning en stimulansen krijgen;

30.  benadrukt dat, aangezien kmo's de belangrijkste bron van werkgelegenheid zijn in de EU, de oprichting van ondernemingen moet worden vergemakkelijkt door ondernemingsvaardigheden te bevorderen en het ondernemerschap in de lesprogramma's van scholen op te nemen, zoals bepaald in de Small Business Act, en dat vooral voor microfinancieringsregelingen goede opleidingen en zakelijke ondersteuning cruciaal zijn, en dat toegespitste opleidingen nodig zijn om jongeren voor te bereiden op de groene economie;

31.  roept de Commissie op om in samenwerking met de lidstaten en de beheersautoriteiten de opzet van een ecosysteem te stimuleren dat bestaat uit universiteiten, onderzoekscentra, sociale en economische belanghebbenden en openbare instellingen, om ondernemersvaardigheden te bevorderen en de beheersautoriteiten aan te sporen om de middelen die beschikbaar zijn voor technische ondersteuning in te zetten, bijvoorbeeld voor het innovatieve gebruik van ICT in kmo's; merkt in dit verband ook op dat de technische bijstand van TD 11 ten goede moet komen aan alle partners als bedoeld in artikel 5 van de verordening gemeenschappelijke bepalingen inzake partnerschappen; pleit daarom voor toegang van de territoriale kmo-organisaties tot de voorzieningen van TD 11 en voor maatregelen voor capaciteitsopbouw;

32.  benadrukt dat naar schatting slechts 25 % van de in de EU gevestigde kmo's exportactiviteiten in de EU verrichten, en dat de internationalisering van kmo's een proces is dat ook op lokaal niveau ondersteuning vergt; verzoekt de Commissie dan ook meer gebruik te maken van de ESI-fondsen om kmo's te helpen de geboden mogelijkheden aan te grijpen, de uitdagingen die worden ingegeven door de internationale handel aan te pakken, en hen hierbij te steunen door de kosten van aanpassing en de negatieve effecten van de sterkere internationale concurrentie aan banden te leggen;

33.  verzoekt de Commissie tijdens de voorbereiding van het cohesiebeleid voor de periode na 2020 de financiering voor de versterking van het concurrentievermogen van kmo's op te trekken;

34.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0364.

(2)

PB C 24 van 22.1.2016, blz. 2.

(3)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0198.

(4)

PB C 21 E van 28.1.2010, blz. 1.

(5)

PB C 188 E van 28.6.2012, blz. 7.

(6)

PB C 68 E van 7.3.2014, blz. 40.

(7)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0002.

(8)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0308.

(9)

PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36.


TOELICHTING

De investeringen in het kader van de ESI-fondsen hebben als gemeenschappelijke doelstelling het bieden van ondersteuning om de Europa 2020-strategie van de EU voor slimme, duurzame en inclusieve groei te verwezenlijken. Elk ESI-fonds ondersteunt 11 thematische doelstellingen, en thematische doelstelling 3 (TD 3) gaat over "vergroting van de concurrentiekracht van kleine en middelgrote ondernemingen, alsmede van de landbouwsector (voor het Elfpo) en van de visserij- en aquacultuursector (voor het EFMZV)" en de bijbehorende investeringsprioriteiten voor het EFRO.

Kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) zijn van essentieel belang voor de economie van de regio's in de EU, zowel voor de werkgelegenheid als voor het concurrentievermogen. In de periode 2007-2013 werd met steun van het cohesiebeleid 70 miljard EUR besteed aan ondersteuning voor ondernemingen, voornamelijk kmo's, en voor de periode 2014-2020 is het doel een verdubbeling van dit bedrag (ook met behulp van financiële instrumenten). In de nieuwe programmeringsperiode zullen investeringen in kmo's onder meer in het kader van TD 3 plaatsvinden, maar tegelijkertijd zijn investeringen in kmo's ook mogelijk in het kader van andere thematische doelstellingen.

Voor het brede thema "het concurrentievermogen van kmo's" is in de programmeringsperiode 2014-2020 meer dan 63 miljard EUR aan ESI-fondsen toegewezen (+ bijna 31 miljard EUR door nationale medefinanciering, dat maakt een totaal van 94 miljard EUR).

Dat levert naar verwachting de hiernavolgende resultaten op.

- Er zal steun worden verleend aan ongeveer 801 500 bedrijven voor de rechtstreekse schepping van 354 300 nieuwe banen. Als hierbij de ondersteuning voor onderzoek en innovatie aan ondernemingen opgeteld wordt, betekent dit dat 5 % van alle Europese kmo's en 8 % van de nieuwe ondernemingen financiële steun van de EU zullen ontvangen.

- 396 500 middelgrote, kleine en micro-ondernemingen (waaronder coöperatieve ondernemingen en ondernemingen binnen de sociale economie) zullen financiering ontvangen om te investeren in de ontwikkeling van menselijk kapitaal en vaardigheden.

Binnen het EFRO behoort de ondersteuning van kmo's (TD 3) tot de vier verplichte thematische doelstellingen; de steun moet gericht zijn op het bevorderen van het ondernemerschap, het ontwikkelen en uitvoeren van nieuwe bedrijfsmodellen, het ontwikkelen en uitbreiden van geavanceerde capaciteiten voor de ontwikkeling van producten en diensten, en het stimuleren van de groei op de nationale en internationale markten.

De Commissie publiceerde een jaarverslag 2014/2015 over Europese kmo's, waarbij zij uitging van haar eigen definitie van kmo's, namelijk een onderneming met minder dan 250 werknemers en een jaarlijkse omzet van maximaal 50 miljoen euro en/of een jaarbalans van maximaal 43 miljoen euro. Uit dit verslag blijkt dat kmo's in 2014 in de sector van niet-financiële bedrijven goed waren voor 71,4 % van de stijging van de werkgelegenheid, en dat zij in 2014 bijna 90 miljoen mensen in dienst hadden (67 % van de totale werkgelegenheid), en 58 % van de toegevoegde waarde in de sector genereerden. Bovendien zijn bijna alle kmo's (93 %) micro-ondernemingen met minder dan 10 mensen in dienst. Van alle kmo's is driekwart actief in de vijf sleutelsectoren: groot- en detailhandel, industrie, bouwnijverheid, zakelijke diensten en horeca.

Alles samen ondersteunde het cohesiebeleid in de periode 2007-2013 73 500 start-ups en zorgde het voor meer dan 263 000 banen in kmo's. In de periode 2007-2013 waren er 204 operationele programma's van het EFRO ter ondersteuning van onderzoek en innovatie en groei en ontwikkeling van kmo's (ongeveer 70 miljard EUR).

De operationele programma's waarbinnen het grootste deel van de financiering (meer dan 80 %) werd aangewend voor onderzoek, innovatie en alles wat met kmo's te maken heeft, zijn met name:

- het nationale "Operationele programma voor economische ontwikkeling" (Hongarije);

- "Factores de Competitividade 2007-2013" (Portugal);

- "Innovation og viden" (Denemarken), "Ontwikkeling van het concurrentievermogen van de Bulgaarse economie" (Bulgarije);

- het operationele programma van de regio Burgenland (Oostenrijk).

Ongeveer de helft van de totale EFRO-financiering die momenteel wordt beoordeeld, werd toegewezen aan "investeringen in ondernemingen die rechtstreeks zijn betrokken bij onderzoek en innovatie" en de algemene categorie "andere investeringen in ondernemingen". De vorm van financiering die het meest ingezet wordt in alle uitgavencategorieën is niet‑terugvorderbare steun, gevolgd door op bepaalde prioriteiten gerichte steun in de vorm van leningen, rentesubsidies en garanties. Durfkapitaal en andere vormen van financiering worden over het algemeen veel minder ingezet.

Standpunt van het Parlement tijdens de besprekingen over TD 3 en het betrekken van belanghebbende partijen

Het Parlement heeft altijd benadrukt dat kmo's "de ruggengraat vormen van de economie in de EU en een enorm potentieel bezitten voor het scheppen van banen", aangezien zij goed zijn voor 85 % van de nieuwe banen. 20,7 miljoen kmo's zijn goed voor meer dan 67 % van de werkgelegenheid in de privésector in de EU, waarvan 30 % via micro-ondernemingen. Het Parlement is ook van mening dat kmo's "in alle 28 lidstaten de belangrijkste drijfkracht zijn voor de groei op lange termijn en het creëren van duurzame banen in Europa".

In 2014 verklaarde de Commissie regionale ontwikkeling dat "(...) het cohesiebeleid voor de periode 2014-2020 een belangrijk en doeltreffend instrument vormt voor de totstandbrenging van slimme, duurzame en inclusieve groei, de verwezenlijking van de Europa 2020‑doelstellingen, door met een brede waaier aan maatregelen en innovatieve financiële instrumenten de oprichting en ontwikkeling te ondersteunen van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), met inbegrip van micro-ondernemingen, die tot de voornaamste werkverschaffers in de EU behoren" en verzocht zij "de lidstaten en de regio's om in doeltreffende voorlichtings- en ondersteuningsmechanismen te voorzien die micro‑ondernemingen en kmo's in staat stellen Europese subsidies te benutten, en om daarnaast ambitieuze maatregelen te treffen in het kader van het gemeenschappelijke mechanisme voor risicodeling, door begrotingsgelden van de EU, nl. uit Cosme, Horizon 2020 en de Europese structuur- en investeringsfondsen, te combineren".

In de resolutie van 5 juli 2011 over het vijfde cohesieverslag van de Commissie en de strategie voor het cohesiebeleid na 2013 vroeg het Parlement dat "dat de fundamentele uitgangspunten van de Small Business Act for Europe (SBAE) - zoals 'denk eerst klein' en het 'eenmaligheidsbeginsel' - als een van de grondslagen van het cohesiebeleid worden beschouwd", en was het van mening dat "de lidstaten en de regio's deze beginselen ook moeten toepassen bij de vaststelling van hun operationele programma's". Het Parlement was ook ingenomen "met de effectieve samenwerking tussen de EIB en de Commissie bij de tenuitvoerlegging van drie gezamenlijke initiatieven, namelijk JESSICA, JEREMIE en JASMINE".

Tijdens de onderhandelingen over het EFRO heeft het Europees Parlement het element van samenwerking tussen grote ondernemingen en kmo's ingevoerd voor productieve investeringen "ter ondersteuning van grotere ondernemingen in de ICT-sector", en stemde het in met de invoering van het financieel instrument "kmo-initiatief", dat indirect beheerd wordt door de Commissie en ten uitvoer wordt gelegd door de EIB; het Parlement verzocht echter om het oorspronkelijke plafond van dit initiatief te verlagen tot 1,5 miljard EUR.

TD 3 behoorde tot de thema's die de overheden het meest doeltreffend konden beheren, en de thematische concentratie was een uitdaging voor de EU-12, met name de ondersteuning van kmo's, doordat de nadruk in de periode 2007-2013 lag op verbetering van de infrastructuur.

De meeste lokale overheden zijn rechtstreeks en/of via nationale verenigingen betrokken in de comités voor toezicht op de programma's voor het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO); voor het Europees Sociaal Fonds (ESF) is dit vaak het geval, voor andere fondsen soms. De mate waarin zij invloed hebben op de implementatie van de programma's, loopt echter sterk uiteen (omvang van partnerschapsstructuren, beschikbaarheid van informatie, duidelijkheid en vooruitzicht van vergaderlast). Over het algemeen worden de meeste operationele aspecten van de Europese gedragscode inzake partnerschap (EGP) niet correct toegepast. Zoals tijdens de voorbereidingsfase van de operationele programma's (OP's), blijven de regio's vaak de bevoorrechte gesprekspartners voor de centrale overheden, en hebben zij meer invloed en macht over besluiten dan de lokale overheden. In sommige gevallen zijn de nationale verenigingen van lokale overheden geen volwaardige partners (in strijd met artikel 5 van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake partnerschap), en worden zij enkel op de hoogte gebracht van de belangrijkste besluiten, eerder dan dat zij deelnemen aan concrete besluitvorming. Andere nationale verenigingen van lokale overheden hebben een meer strategische rol, zodat een doeltreffend gebruik van de Europese structuur- en investeringsfondsen verzekerd is: dat is de koers die gevolgd moet worden om de Europese structuur- en investeringsfondsen in de programmeringsperiode 2014-2020 beter te absorberen. Door een overeenkomst te sluiten tussen de centrale overheid en de andere overheidsniveaus, is een gemeenschappelijke verklaring aan de diensten van de Commissie verzekerd, evenals een grotere eigen verantwoordelijkheid over investeringsprioriteiten, meer kennis bij lokale en regionale overheden over de mogelijkheden die ESIF biedt, en dus meer efficiëntie bij het inzetten van de EU-middelen in de praktijk.

Verder kan nadruk gelegd worden op het belang van lokale overheden via de territoriale dimensie van OP's, het vermogen van lokale besturen om toegang te krijgen tot de financiële instrumenten van de EU en deze te gebruiken, en hun benoeming tot intermediaire instanties of begunstigden van een geïntegreerde territoriale investering (ITI). In de meeste gevallen worden de bevoegdheden overgeheveld naar grotere stedelijke gebieden of regio's. Daardoor wordt de kans gemist om lokale gebieden van alle soorten te betrekken bij beslissingen over financiering die hun lokale ontwikkeling ten goede komt.

Bestuurlijke capaciteiten van de lokale overheden

Wanneer het gaat over vereenvoudiging, mag de bereidheid om te besparen op administratiekosten voor de begunstigden niet leiden tot extra kosten voor de beheersautoriteiten of lokale overheden met decentrale bevoegdheden.

Lokale overheden die meer betrokken willen zijn bij het ESIF-beheer, moeten van centrale overheden meer beslissingsbevoegdheden krijgen, te beginnen bij de projectselectie. Technische bijstand en vroegtijdige betrokkenheid in de besprekingen over investeringsprioriteiten in verdere financieringsrondes zullen tot dit proces bijdragen.

Doordat de meeste landen en regio's nu pas begonnen zijn met de implementatie van de programma's, is er ruimte voor de beheersautoriteiten en de Commissie om het partnerschapsbeginsel systematischer te handhaven, zoals is vastgelegd in de verordening en de gedragscode.

Het succes van de ESIF-programma's – en van de strategieën die er via ex-antevoorwaarden aan ten grondslag liggen – zal afhangen van goede governance en een onmiddellijke start, en ook van hun volledige implementatie in de komende jaren.

Financiële instrumenten voor TD 3

Steun voor TD 3 kan worden verstrekt door middel van financiële instrumenten (FI's), die op basis van een voorafgaande evaluatie moeten worden gecreëerd. Deze FI's kunnen op EU‑niveau worden opgezet als combinaties van ESI-fondsen met andere middelen om kredietverlening aan kmo's te stimuleren. FI's kunnen ook worden gecreëerd op nationaal/regionaal niveau en door de beheersautoriteit worden beheerd, en gedeeltelijk uit leningen of garanties bestaan.

Tweede werkpakket: politiek kader voor het verslag

Een efficiënter gebruik van hulpbronnen in kmo's doet een enorm potentieel ontstaan om productiekosten te verlagen en productiviteit te verhogen. Als hulpbronnen beter ingezet worden, kan volgens berekeningen potentieel een totaal van 630 miljard EUR per jaar bespaard worden in de industrie in de EU. Het voorkomen van milieuschade en de omschakeling naar een koolstofarme economie vormen een maatschappelijke uitdaging die op haar beurt zorgt voor nieuwe zakelijke mogelijkheden voor ondernemingen die groene producten en diensten op de markt brengen. Kmo's hebben een gunstig ondernemingsklimaat nodig waarin groene ideeën vlot kunnen worden ontwikkeld, gefinancierd en op de markt gebracht. Herfabricage, reparatie, onderhoud, recyclage en ecodesign zijn potentiële drijfkrachten voor economische groei en werkgelegenheid, terwijl zij tegelijkertijd een aanzienlijke bijdrage leveren tot het aanpakken van milieuproblemen. Kmo's en ondernemers hebben behoefte aan een ondersteunende omgeving om over te gaan tot een circulaire economie. De internationale verbintenissen van de EU op gebieden zoals samenwerking inzake klimaatverandering of nabuurschapsbeleid zorgen voor concrete kansen voor Europese kmo's met groene deskundigheid om toegang tot nieuwe markten te krijgen. Een meer ondersteunend kader en meer internationale samenwerking zijn nodig om kmo's te helpen om met succes in mondiale waardeketens te integreren.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

19.4.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

33

1

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pascal Arimont, Franc Bogovič, Victor Boştinaru, Mercedes Bresso, Andrea Cozzolino, Rosa D’Amato, Bill Etheridge, Michela Giuffrida, Krzysztof Hetman, Ivan Jakovčić, Constanze Krehl, Andrew Lewer, Louis-Joseph Manscour, Iskra Mihaylova, Jens Nilsson, Andrey Novakov, Konstantinos Papadakis, Mirosław Piotrowski, Stanislav Polčák, Julia Reid, Monika Smolková, Ruža Tomašić, Ramón Luis Valcárcel Siso, Monika Vana, Matthijs van Miltenburg, Lambert van Nistelrooij, Derek Vaughan, Kerstin Westphal

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Petras Auštrevičius, Daniel Buda, Salvatore Cicu, Viorica Dăncilă, Andor Deli, Ivana Maletić, Maurice Ponga, Davor Škrlec

Juridische mededeling