Procedure : 2015/2277(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0169/2016

Ingediende teksten :

A8-0169/2016

Debatten :

PV 06/06/2016 - 14
CRE 06/06/2016 - 14

Stemmingen :

PV 07/06/2016 - 5.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0247

VERSLAG     
PDF 509kWORD 204k
3.5.2016
PE 576.686v02-00 A8-0169/2016

over de nieuwe alliantie voor voedselzekerheid en voeding

(2015/2277(INI))

Commissie ontwikkelingssamenwerking

Rapporteur: Maria Heubuch

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de nieuwe alliantie voor voedselzekerheid en voeding

(2015/2277(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de VN-Top inzake duurzame ontwikkeling en het op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering goedgekeurde slotdocument getiteld "Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable Development", en in het bijzonder de tweede doelstelling van de daarin vastgelegde doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's), die erop gericht is om een einde te maken aan de honger, voedselveiligheid tot stand te brengen, de voeding te verbeteren en duurzame landbouw te bevorderen,(1)

–  gezien de Overeenkomst van Parijs, die op 12 december 2015 werd aangenomen door de Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering(2),

–  gezien het alomvattend programma voor landbouwontwikkeling in Afrika (CAADP), dat de Afrikaanse Unie (AU) in 2002 heeft vastgesteld,(3)

–  gezien de topbijeenkomst van staatshoofden van de AU-landen, die in 2003 in Maputo werd gehouden en tijdens welke de regeringen van de AU-landen ermee instemden om ten minste 10% van hun totale nationale begroting in de landbouwsector te zullen investeren,(4)

–  gezien het feit dat de Vergadering van staatshoofden en regeringsleiders van de AU-landen ter gelegenheid van de vaststelling van het CAADP tien jaar eerder, tijdens haar bijeenkomst in juli 2012 het jaar 2014 uitriep tot het jaar van de landbouw en voedselzekerheid in Afrika(5),

–  gezien de verklaring getiteld "Accelerated Agricultural Growth and Transformation for Shared Prosperity and Improved Livelihoods", die op 27 juni 2014 werd goedgekeurd tijdens de topbijeenkomst van staatshoofden van de AU-landen in Malabo (Equatoriaal-Guinea) en waarmee de regeringen van de AU-landen zich opnieuw ertoe verbonden om ten minste 10% van hun overheidsuitgaven in de landbouwsector te zullen investeren,(6)

–  gezien het voedselzekerheidsinitiatief van L'Aquila, dat de G8 in 2009 heeft gelanceerd,(7)

–  gezien het kader en de richtsnoeren inzake het grondbeleid in Afrika, die zijn goedgekeurd tijdens de vergadering van de Gemeenschappelijke conferentie van de ministers van landbouw, land en veeteelt van de Afrikaanse Unie die in april 2009 plaatsvond in Addis Abeba (Ethiopië)(8), alsmede de verklaring getiteld "Land Issues and Challenges in Africa"(9), die in juli 2009 werd goedgekeurd tijdens de topbijeenkomst van staatshoofden van de AU-landen in Sirte (Libië) en waarin werd opgeroepen tot de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van het kader en de richtsnoeren,

–  gezien de leidende beginselen inzake grootschalige investeringen in landbouwgronden in Afrika, die zijn goedgekeurd tijdens de vergadering van de Gemeenschappelijke conferentie van de ministers van landbouw, land en veeteelt van de Afrikaanse Unie op 1 en 2 mei 2014 in Addis Abeba,(10)

–  gezien de verklaring van Afrikaanse organisaties uit het maatschappelijk middenveld van mei 2013 getiteld "Modernising African agriculture - Who benefits?", (11)

–  gezien de "Djimini Declaration" van West-Afrikaanse organisaties voor kleinschalige landbouw van 13 maart 2014,(12)

–  gezien de vrijwillige richtsnoeren van de FAO van 2004 voor de geleidelijke toepassing van het recht op voldoende voedsel in de context van de nationale voedselzekerheid,(13)

–  gezien het rapport van de Internationale beoordeling van landbouwkennis, wetenschap en technologie voor ontwikkeling (IAASTD) van 2009, getiteld "Agriculture at a crossroads",(14)

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,(15)

–  gezien het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) van 1979,(16)

–  gezien het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren van 1987,(17)

–  gezien de verklaring van de VN van 2007 over de rechten van inheemse volkeren,(18)

–  gezien de grondbeginselen en de richtsnoeren van de VN van 2007 inzake op ontwikkeling gebaseerde onteigening en hervestiging,(19)

–  gezien de leidende beginselen inzake bedrijfsleven en mensenrechten, die in 2011 zijn goedgekeurd door de VN-Mensenrechtenraad,(20) en de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, die in 2011 zijn bijgewerkt,(21)

–  gezien het partnerschap van Busan voor doeltreffende ontwikkelingssamenwerking van 2011,(22)

–  gezien de vrijwillige richtsnoeren van 2012 voor verantwoord beheer van bodemgebruik, visserij en bosbouw (VGGT),(23)

–  gezien het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekproducten (UPOV-Verdrag) van 1991,(24)

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake plantgenetische hulpbronnen voor voeding en landbouw van 2001,(25)

–  gezien het Verdrag inzake biologische diversiteit van 1992, en zowel het Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid van 2000 als het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik van 2010 daarbij,(26)

–  gezien de Afrikaanse modelwet inzake bioveiligheid,(27)

–  gezien de resolutie van de Assemblée parlementaire de la Francophonie van 12 juli 2012 over landwetgeving met het oog op voedselsoevereiniteit,(28)

–  gezien de resolutie van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU over de sociale en ecologische gevolgen van nomadische veeteelt in ACS-landen, die op 27 november 2013 in Addis Abeba is aangenomen,(29)

–  gezien de mededeling van de Commissie van 31 maart 2010 over een EU-beleidskader voor steun aan ontwikkelingslanden bij de aanpak van voedselzekerheidsproblemen(30) en de conclusies van de Raad van 10 mei 2010 betreffende het beleidskader,(31)

–  gezien de conclusies van de Raad van 28 mei 2013 over voedsel- en voedingszekerheid in de buitenlandse hulp,(32)

–  gezien het actieplan voor voeding van de Commissie van juli 2014,(33)

–  gezien zijn resolutie van 27 september 2011 over een EU-beleidskader voor steun aan ontwikkelingslanden bij de aanpak van voedselzekerheidsproblemen,(34)

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2013 over de EU-aanpak inzake weerbaarheid en het beperken van het risico op rampen in ontwikkelingslanden,(35)

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2014 over de rol van eigendomsrechten, grondeigendom en vermogensvorming in de uitbanning van armoede en de bevordering van duurzame ontwikkeling in ontwikkelingslanden,(36)

–  gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over Tanzania, met name het probleem van landroof,(37)

–  gezien de Declaration of the Global Convergence of Land and Water Struggles (verklaring van de globale convergentie van de strijd om land en water), afgelegd tijdens het Wereld Sociaal Forum in Tunis, in maart 2015(38),

–  gezien zijn resolutie van 30 april 2015 over de expo 2015 in Milaan: Voedsel voor de planeet, energie voor het leven,(39)

–  gezien het verzoek van het Afrikaanse maatschappelijk middenveld om voedselsoevereiniteit en het recht op voedsel op de agenda te zetten van het Duitse voorzitterschap van de G7 van juni 2015,(40)

–  gezien het Handvest van Milaan(41) dat is gepresenteerd op de wereldtentoonstelling (expo) 2015 met als thema "Voedsel voor de planeet, energie voor het leven", en dat door meer dan een miljoen staatshoofden, regeringen en burgers is ondertekend, bindende verplichtingen inhoudt voor het waarborgen van wereldwijde voedselzekerheid en elke burger, vereniging, onderneming, nationale en internationale instantie oproept de verantwoordelijkheid op zich te nemen om het recht op voedsel veilig te stellen voor de toekomstige generaties;

–  gezien het feit dat het VN-Comité inzake Wereldvoedselzekerheid het aangewezen forum is om op internationaal niveau overeenstemming te bereiken over beleidsrichtsnoeren over dit onderwerp en dat alle partijen die bij dit forum zijn betrokken, inspraak hebben,

–  gezien het "Milan Urban Food Policy Pact"(42) van 15 oktober 2015, dat door de gemeente Milaan is voorgelegd, door 113 steden uit de hele wereld is ondertekend en aan de secretaris-generaal van de Verenigde Naties Ban Ki-moon is overhandigd, en waarin de centrale rol wordt belicht die steden spelen bij beleidsvorming over voedsel,

–  gezien zijn resolutie van 21 januari 2016 over de situatie in Ethiopië,(43)

–  gezien de openbare hoorzitting over de nieuwe alliantie voor voedselzekerheid en voeding (NAFSN), die op 1 december 2015 werd georganiseerd door de Commissie ontwikkelingssamenwerking,(44)

–  gezien de studie "New Alliance for Food and Nutrition Security in Africa" van professor Olivier de Schutter, die in opdracht van de Commissie ontwikkelingssamenwerking is uitgevoerd en in november 2015 door het directoraat-generaal Extern Beleid van de EU is gepubliceerd,(45)

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0169/2016),

A.  overwegende dat de nieuwe alliantie voor voedselzekerheid en voeding in Afrika (NAFSN) tot doel heeft om de voedselzekerheid en voeding te verbeteren door in de periode tot 2020 50 miljoen mensen in Afrika ten zuiden de Sahara uit de armoede te helpen; overwegende dat de deelnemende landen elk een samenwerkingskader (Country Cooperation Framework; CCF) hebben vastgesteld, met daarin verplichtingen om particuliere investeringen in de Afrikaanse landbouwsector te bevorderen;

B.  overwegende dat Afrika de afgelopen dertig jaar heeft nagelaten voldoende te investeren in kleinschalige boerenbedrijven, terwijl de landen met een laag inkomen veel afhankelijker zijn geworden van voedselinvoer, waardoor ze kwetsbaar zijn geworden voor prijsschommelingen op de internationale markten;

C.  overwegende dat grootschalige publiek-private partnerschappen (PPP's) het risico met zich meebrengen dat grote landbouwbedrijven een leidende positie binnen de Afrikaanse landbouw verwerven en daarmee lokale ondernemingen verdringen;

D.  overwegende dat de particuliere investeringen in het kader van de NAFSN te baat zijn gekomen aan 8,2 miljoen kleine boeren en meer dan 21 000 banen hebben gecreëerd, waarvan meer dan de helft voor vrouwen is bestemd;

E.  overwegende dat de voedselcrisis van 2008 ervoor heeft gezorgd dat de noodzaak tot ondersteuning van de kleinschalige voedselproductie voor binnenlandse markten algemeen werd erkend;

F.  overwegende dat de invoering van structurele aanpassingsprogramma's aan het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw heeft bijgedragen tot de ontwikkeling van een exportgerichte landbouw waarbij het accent vooral kwam te liggen op de verhoging van de productie van gewassen die bestemd waren voor de verkoop op wereldmarkten; overwegende dat grootschalige, sterk gekapitaliseerde en gemechaniseerde productievormen daardoor de voorkeur genoten, terwijl er relatief weinig aandacht uitging naar de kleinschalige landbouw;

G.  overwegende dat de internationale markten in de toekomst instabieler zullen worden; overwegende dat landen ervoor moeten waken dat ze niet in hoge mate afhankelijk worden van invoer en dat ze daarom hoofdzakelijk moeten investeren in de binnenlandse voedselproductie om hun veerkracht te vergroten;

H.  overwegende dat agrarische gezinsbedrijven en kleinschalige boerenbedrijven de kern van de NAFSN moeten vormen;

I.  overwegende dat voedselzekerheid in ontwikkelingslanden in grote mate afhangt van duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen;

J.  overwegende dat zogenoemde "groeikernen" bedoeld zijn om internationale investeerders aan te trekken, en dat daartoe land beschikbaar wordt gesteld aan grote particuliere ondernemingen, hetgeen niet ten koste mag gaan van agrarische gezinsbedrijven;

K.  overwegende dat de overeenkomsten over de NASFN geen concrete indicatoren met betrekking tot honger en ondervoeding bevatten;

L.  overwegende dat agrarische gezinsbedrijven en kleinschalige boerenbedrijven hebben aangetoond met behulp van agro-ecologische praktijken in een gediversifieerd productaanbod te kunnen voorzien en de voedselproductie op duurzame wijze te kunnen vergroten;

M.  overwegende dat monoculturen de afhankelijkheid van chemische meststoffen en pesticiden vergroten, tot bodemdegradatie leiden en de klimaatverandering in de hand werken;

N.  overwegende dat landbouw verantwoordelijk is voor minstens 14% van de totale jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen en dat deze uitstoot voornamelijk te wijten is aan het gebruik van stikstofhoudende meststoffen;

O.  overwegende dat er verschillende vormen van landeigendom bestaan (gewoonterechtelijk, overheids- en particulier eigendom), maar dat de NAFSN vrijwel uitsluitend aan de toewijzing van landeigendomsrechten refereert als het over landeigendomsrechten gaat;

P.  overwegende dat 70% van de wereldbevolking in 2050 in steden zal wonen en dat voeding tegen die tijd meer dan ooit een gecombineerde internationale en lokale aanpak zal vereisen;

Q.  overwegende dat de toewijzing van landeigendomsrechten niet de enige waarborg is tegen onteigening en hervestiging;

R.  overwegende dat gender een erg belangrijke dimensie vormt van de landbouwinvesteringen in Afrika; overwegende dat er lange tijd sprake is geweest van discriminatie van plattelandsvrouwen in verband met de toegang tot tal van productiefactoren, zoals land, krediet, productiemiddelen en diensten;

S.  overwegende dat in de landbouw tot voor kort voornamelijk steun werd verleend aan mannen die exportgewassen verbouwden, waarmee de verantwoordelijkheid voor de productie van voedsel om in het levensonderhoud van het eigen gezin te voorzien, grotendeels op de schouders van vrouwen terechtkwam;

T.  overwegende dat volgens de FAO wereldwijd naar schatting zo'n 75% van de plantgenetische diversiteit verloren is gegaan; overwegende dat grootschalige genetische erosie onze kwetsbaarheid voor klimaatverandering en het uitbreken van nieuwe plagen en ziekten doet toenemen;

U.  overwegende dat controle, eigendom en betaalbaarheid van zaaizaad van essentieel belang zijn voor het waarborgen van de voedselzekerheid van arme boeren;

V.  overwegende dat het recht van landbouwers om hun eigen zaaigoed te vermeerderen, uit te wisselen en te verkopen moet worden beschermd;

W.  overwegende dat de Afrikaanse voedseltekorten hoog op de Agenda voor duurzame ontwikkeling staan; overwegende dat ontoereikende voeding het resultaat is van een reeks met elkaar samenhangende processen in verband met gezondheidszorg, onderwijs, sanitaire voorzieningen en hygiëne, toegang tot hulpbronnen, empowerment van vrouwen enz.;

X.  overwegende dat de in het kader van het CCF aangegane verbintenissen inzake de hervorming van de regelgeving in de zaaizaadsector gericht zijn op het versterken van de rechten van de plantenkweker, ten koste van de bestaande zaaizaadsystemen waarvan de armste boeren nog steeds in grote mate afhankelijk zijn;

Investeringen in de Afrikaanse landbouw en verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's)

1.  wijst erop dat meerdere CCF's gericht zijn op de ontwikkeling van speciale economische zones, en daarmee op de maximalisering van investeringen door middel van initiatieven op gebieden variërend van wegen- en energie-infrastructuur tot regelingen inzake belasting, tol of landeigendom; benadrukt hoe belangrijk het is om de toegang tot water te bevorderen en te waarborgen en daarnaast niet alleen meer voorlichting te geven over voeding, maar ook strategieën voor beste praktijken uit te wisselen;

2.  merkt op dat landbouwinvesteringsbeleid doorgaans gericht is op de grootschalige aankoop van land, alsook op de exportgerichte landbouw, die gewoonlijk losstaat van de plaatselijke economieën; stelt vast dat de ontwikkeling van extensieve irrigatie in de beoogde geografische investeringsgebieden van de NAFSN ertoe zou kunnen leiden dat er minder water beschikbaar is voor andere gebruikers, zoals kleine boeren of nomadische veehouders; beklemtoont dat onder deze omstandigheden het vermogen van zeer grote PPP's om een positieve bijdrage te leveren aan armoedebestrijding en voedselzekerheid kritisch moet worden beoordeeld en moet worden vergroot; benadrukt dat landbouwinvesteringsbeleid gekoppeld moet zijn aan de ontwikkeling van de plaatselijke economieën en deze moet ondersteunen, met inbegrip van kleinschalige boerenbedrijven en agrarische gezinsbedrijven; wijst erop dat in de eigendomsrichtsnoeren van de FAO wordt aanbevolen de toegang tot land te waarborgen zodat gezinnen voedsel voor eigen gebruik kunnen produceren en een hoger gezinsinkomen kunnen genereren; wijst op de noodzaak om grootschalige investeringen in landbouwgronden in Afrika op deze richtsnoeren te baseren, en daarbij de toegang tot land van kleine boeren en lokale gemeenschappen te waarborgen, lokale investeringen door kmo's te stimuleren en ervoor te zorgen dat PPP's bijdragen tot voedselzekerheid en tot de vermindering van armoede en ongelijkheid;

3.  laakt dat bij het besluitvormingsproces van de samenwerkingskaders niet alle belanghebbenden betrokken waren, maar dat onder meer plattelandsgemeenschappen, landarbeiders, kleine boeren, vissers en inheemse bevolkingsgroepen werden uitgesloten, en dat hun recht op inspraak werd miskend;

4.  vindt het betreurenswaardig dat de Afrikaanse organisaties uit het maatschappelijk middenveld niet zijn geraadpleegd over de oprichting van de NAFSN; benadrukt dat het de hoeksteen zou moeten vormen van al het beleid inzake voedselzekerheid dat groepen die voedselonzekerheid kennen, deelnemen aan het beleidsvormingsproces van beleidslijnen die hen aanbelangen;

5.  wijst erop dat dat de NAFSN zich ertoe heeft verbonden inclusieve, op de landbouw gebaseerde groei te bevorderen, die kleinschalige landbouw ondersteunt en armoede, honger en ondervoeding helpt bestrijden; beklemtoont dat de NAFSN het gebruik van chemische meststoffen en hybridezaad zoveel mogelijk moet beperken, gezien de gezondheids- en milieugevolgen ervan voor de plaatselijke gemeenschappen, zoals verlies aan biodiversiteit en bodemerosie;

6.  hekelt de veronderstelling dat bedrijfsinvesteringen in de landbouw automatisch ertoe leiden dat de voeding en de voedselzekerheid worden verbeterd en de armoede wordt teruggedrongen;

7.  neemt kennis van het G20-rapport van 2011, waarin wordt benadrukt dat fiscaal geïnspireerde investeringen van voorbijgaande aard kunnen blijken te zijn; herinnert eraan dat talrijke onderzoeken naar de motivering van investeerders hebben uitgewezen dat speciale belastingstimulansen geen of een negatieve impact hebben op hun investeringsbesluiten;(46);

8.  merkt op dat de Afrikaanse landen vanwege belastingstimulansen, waaronder vrijstellingen van bedrijfsbelasting in speciale economische zones, belastinginkomsten mislopen die een bron hadden kunnen zijn van essentiële overheidsinvesteringen in de landbouw, met name in voedselzekerheid en voedingsprogramma's(47);

9.  roept de regeringen en financiers op alle beleidsmaatregelen, projecten en adviezen op te schorten of te herzien die landroof rechtstreeks in de hand werken door zeer schadelijke projecten en investeringen te ondersteunen of die indirect leiden tot een grotere belasting van het land en de natuurlijke rijkdommen, hetgeen ernstige schendingen van de mensenrechten tot gevolg kan hebben; vraagt om in plaats daarvan beleidsmaatregelen te ondersteunen die kleinschalige voedselproducenten, in het bijzonder vrouwen, beschermen en centraal stellen, en duurzaam gebruik van grond bevorderen;

10.  waarschuwt dat navolging van het model van de Aziatische "groene revolutie" van de jaren zestig van de vorige eeuw geen goede zaak is en wijst erop dat de sociale- en milieueffecten ervan ditmaal niet mogen worden genegeerd; herinnert eraan dat de bevordering van duurzame landbouw een van de SDG's is en dat deze doelstellingen vóór 2030 moeten zijn verwezenlijkt;

11.  stelt tot zijn bezorgdheid vast dat de NAFSN in Malawi de uitbreiding van de tabaksproductie stimuleert in plaats van alternatieve bestaansmiddelen te ondersteunen overeenkomstig de verplichtingen uit hoofde van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging van 2005 en de verbintenissen die zijn aangegaan in het kader van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling;

12.  roept de EU-lidstaten op de NAFSN om te vormen tot een effectief instrument voor duurzame ontwikkeling en tot een instrument ter ondersteuning van de agrarische gezinsbedrijven en de plaatselijke economieën in de Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara en brengt in herinnering dat agrarische gezinsbedrijven en kleinschalige boerenbedrijven goed zijn voor zo'n 80% van de wereldvoedselproductie en voor meer dan 60% van de werkgelegenheid in de regio;

13.  stelt tot zijn bezorgdheid vast dat de CCF's slechts selectief refereren aan internationale normen die verantwoorde investering in landbouw definiëren en in het geheel niet verwijzen naar de vrijwillige richtsnoeren van de FAO van 2004 voor de geleidelijke toepassing van het recht op voldoende voedsel in de context van de nationale voedselzekerheid, noch naar enige andere verplichtingen van particuliere investeerders om de mensenrechten te eerbiedigen;

14.  verzoekt de EU en haar lidstaten, die samen 's werelds grootste donor van ontwikkelingshulp vormen:

–  ervoor te zorgen dat in de EU gevestigde investeerders respect tonen voor de rechten van lokale gemeenschappen en de behoeften van kleine landbouwondernemingen, en de overige partners van de alliantie eveneens hiertoe aan te zetten, door binnen de samenwerkingskaders een op mensenrechten gebaseerde aanpak te hanteren, die onder meer waarborgen op het gebied van sociale, milieu- en arbeidsnormen en mensenrechten en grondrechten omvat en de hoogste transparantienormen hanteert ten aanzien van investeringsplannen;

–  ervoor te zorgen dat in de EU gevestigde investeerders een beleid van maatschappelijk verantwoord ondernemen toepassen bij het opstellen van arbeidscontracten en geen economisch voordeel najagen ten koste van werknemers van lokale gemeenschappen;

–  lokale Afrikaanse ondernemingen en belanghebbenden te ondersteunen en voor hen te pleiten als de belangrijkste actoren en als begunstigden van de NAFSN-initiatieven;

–  het recente WTO-besluit tot afschaffing van de exportsubsidies voor de landbouw ten uitvoer te leggen, omdat deze subsidies de lokale markten verstoren en de bestaansmiddelen in de ontwikkelingslanden vernietigen;

–  de tarifaire belemmeringen op te heffen die Afrikaanse landen ontmoedigen om onverwerkte producten lokaal een meerwaarde te geven;

15. roept de deelnemende landen op:

–  ervoor te zorgen dat financiële, fiscale of administratieve hervormingen investeerders niet vrijstellen van een billijke bijdrage aan de belastinggrondslag van de deelnemende landen of investeerders een oneerlijk voordeel bieden ten opzichte van kleine landbouwers;

–  ervoor te zorgen dat hun respectieve regeringen het recht behouden om de eigen landbouw- en voedselmarkt te beschermen door middel van passende tarief- en belastingregelingen, die specifiek noodzakelijk zijn voor de aanpak van financiële speculatie en belastingontwijking;

–  beleid te ontwikkelen dat verantwoorde handel bevordert en zich ertoe te verbinden de tarifaire belemmeringen op te heffen die de regionale handel in de weg staan;

Governance, ownership en verantwoordingplicht

16.  herinnert aan de verbintenis die de partijen bij de NAFSN zijn aangegaan om de vrijwillige richtsnoeren van de FAO voor de geleidelijke toepassing van het recht op voldoende voedsel in de context van de nationale voedselzekerheid over te nemen, en vraagt aan de partijen bij de NAFSN de internationale normen ten uitvoer te leggen waarin de beginselen voor verantwoord investeren in de landbouw worden gedefinieerd, en zich te houden aan de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten en de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen;

17.  dringt er bij de NAFSN op aan goed beheer van natuurlijke hulpbronnen te versterken, met name door ervoor te zorgen dat de bevolking toegang heeft tot haar eigen hulpbronnen en door de rechten van de bevolking te beschermen als het aankomt op contracten over transacties in verband met natuurlijke hulpbronnen;

18.  verzoekt de Europese Unie samen met de VN ernaar toe te werken dat alle landen het Handvest van Milaan goedkeuren, evenals de daarin vervatte bindende verplichtingen;

19.  benadrukt andermaal hoe belangrijk waterregulering en de strijd tegen klimaatverandering zijn voor de duurzame landbouw; verzoekt alle partijen bij de NAFSN zich te richten op de bevordering van de toegang tot water en irrigatietechnieken, alsook op de versterking van de bescherming van het milieu en de bodem;

20.  vraagt de Europese Unie om samen met de Verenigde Naties toe te werken naar de goedkeuring en verspreiding van het "Milan Urban Food Policy Pact";

21.  dringt bij de deelnemende landen aan op de tenuitvoerlegging van internationale normen waarin investeringen op basis van een op mensenrechten gebaseerde aanpak worden gereguleerd, met inbegrip van het kader en de richtsnoeren van de AU inzake het grondbeleid in Afrika en de leidende beginselen van de AU inzake grootschalige investeringen in landbouwgronden in Afrika;

22.  wenst dat alle intentieverklaringen die in het kader van de CCF'S worden opgesteld, onverkort worden gepubliceerd; onderstreept het belang van sterke institutionele en wettelijke kaders voor het waarborgen van een eerlijke verdeling van risico's en voordelen; onderstreept dat actieve participatie van het maatschappelijk middenveld in de NAFSN van essentieel belang is om de transparantie te vergroten en de doelstellingen te verwezenlijken; wijst erop dat de dialoog met en de raadpleging van alle organisaties uit het maatschappelijk middenveld moeten worden aangemoedigd;

23.  vindt het betreurenswaardig dat de tien samenwerkingskaders van de NAFSN slechts één gemeenschappelijke indicator hanteren, namelijk de "Doing Business"-index van de Wereldbank;

24.  benadrukt dat particuliere ondernemingen die bij multilaterale ontwikkelingsinitiatieven zijn betrokken, verantwoording moeten afleggen voor hun handelen; verzoekt de partijen bij de NAFSN daartoe niet alleen jaarlijks verslag uit te brengen, in de vorm van een openbaar document over optreden in het kader van de NAFSN dat kan worden geraadpleegd door de lokale bevolking en de plaatselijke gemeenschappen, maar ook een onafhankelijk verantwoordingsmechanisme in te stellen, met inbegrip van een beroepsmechanisme voor de lokale bevolking en de plaatselijke gemeenschappen; onderstreept tegelijkertijd dat de investeringen van de NAFSN die verband houden met landrechten, vooraf aan een onafhankelijke effectbeoordeling inzake de landrechten moeten worden onderworpen en in overeenstemming moeten zijn met de vrijwillige richtsnoeren van de FAO voor verantwoord beheer van bodemgebruik, visserij en bosbouw (VGGT);

25.  merkt op dat multinationals die onder de NAFSN werken, grootschalige contractlandbouw ondersteunen, waardoor het risico bestaat dat kleinschalige producenten aan de zijlijn komen te staan; verzoekt de tien Afrikaanse landen die deelnemen aan de NAFSN ervoor te zorgen dat zowel kopers als lokale leveranciers baat hebben bij contractlandbouw; acht het dan ook van essentieel belang om onder meer boerenorganisaties te versterken, om zo de onderhandelingspositie van boeren te verbeteren;

26.  wijst erop dat de particuliere sector reeds goed is voor 90% van de banen in partnerlanden en dat men niet om het potentieel van de particuliere sector heen kan, aangezien particuliere ondernemingen bij uitstek geschikt zijn om een passende basis te bieden voor het mobiliseren van binnenlandse hulpbronnen, wat de kern vormt van elk hulpprogramma; onderstreept het belang van een transparant regelgevingskader waarin de rechten en verplichtingen van alle actoren duidelijk zijn vastgelegd, waaronder de rechten en verplichtingen van arme boeren en kwetsbare groepen, aangezien deze rechten zonder zo'n kader niet naar behoren kunnen worden beschermd;

27.  dringt erop aan dat de CCF's zodanig worden herzien dat de risico's van contractlandbouw en groeiregelingen voor kleine producenten op doeltreffende wijze worden ondervangen door middel van eerlijke contractvoorwaarden, respect voor vrouwenrechten en steun aan duurzame landbouw, met inbegrip van prijsafspraken en passende regelingen inzake de beslechting van geschillen;

Toegang tot land en landeigendomsrechten

28.  waarschuwt dat de zekerheid van kleinschalige voedselproducenten en inheemse volkeren, wier landrechten niet wettelijk worden erkend en die gemakkelijk het slachtoffer worden van oneerlijke landtransacties, onteigening zonder toestemming of het achterwege blijven van een billijke compensatie, dikwijls wordt ondermijnd wanneer de nadruk puur op de toewijzing van eigendomsrechten wordt gelegd;

29.  benadrukt hoe belangrijk het is dat kleinschalige voedselproducenten leidinggevende posities bekleden, waardoor hun eigen onafhankelijke organisaties hen kunnen ondersteunen bij het beheer van hun land, natuurlijke hulpbronnen en programma's;

30.  stelt tot zijn bezorgdheid vast dat investeerders en lokale elites die betrokken zijn bij landtransacties, de doelregio's vaak beschrijven als "leeg", "onbenut" of "onderbenut", en dat terwijl in Afrika nauwelijks echt onbenut land te vinden is, onder meer vanwege de nomadische veeteelt;

31.  wijst erop dat 1,2 miljard mensen nog altijd geen permanente toegang tot land hebben of op land wonen waarop ze geen formele aanspraak kunnen maken, waarvoor ze geen eigendomsrechten bezitten en waarvoor geen afbakeningsonderzoek is uitgevoerd, en dat het hen ontbreekt aan wettelijke of financiële middelen om eigendom om te zetten in kapitaal;

32.  is verheugd dat de vrijwillige richtsnoeren van 2012 voor verantwoord beheer van bodemgebruik, visserij en bosbouw (VGGT) in alle CCF's zijn opgenomen; dringt aan op de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de VGGT en de SDG's en op de systematische beoordeling van de naleving ervan in het kader van de herziening van de CCF's;

33.  roept de NAFSN op zich te richten op de strijd tegen landroof, waarmee de mensenrechten worden geschonden doordat de plaatselijke gemeenschappen land wordt ontnomen waarvan ze afhankelijk zijn om hun voedsel te produceren en hun gezinnen te voeden; wijst erop dat landroof er in verschillende ontwikkelingslanden toe heeft geleid dat mensen hun werk en bestaansmiddelen zijn kwijtgeraakt en hun huizen moesten verlaten;

34.  roept de deelnemende landen op:

–  te zorgen voor participerende en inclusieve mechanismen waarbij prioriteit wordt gegeven aan de rechten en behoeften van de legitieme houders van rechten op grond, met name kleinschalige boerenbedrijven en kleinschalige gezinsbedrijven; in het bijzonder ervoor te zorgen dat alle gemeenschappen die op land wonen waarvan het eigendom en/of beheer wordt overgedragen hiervoor hun vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming (Free Prior and Informed Consent, FPIC) hebben gegeven;

–  bindende nationale maatregelen te nemen tegen landroof, corruptie-gerelateerde overdracht van land en het gebruik van land voor speculatieve investeringen;

–  toezicht te houden op de toekenning van landeigendomsrechten en certificeringsregelingen teneinde te waarborgen dat deze transparant zijn, dat landeigendom niet wordt geconcentreerd en dat gemeenschappen niet de grondstoffen worden ontnomen waarvan ze afhankelijk zijn;

–  ervoor te zorgen dat financiële steun niet wordt ingezet ter ondersteuning van initiatieven die bedrijven in staat stellen lokale gemeenschappen van hun land te verdrijven;

–  alle wettelijke landrechten te erkennen, met inbegrip van informele, inheemse en gewoonterechten, en rechtszekerheid ten aanzien van landeigendom te waarborgen; om, zoals aanbevolen in de VGGT, de ontwikkeling van nieuwe wetten te stimuleren en/of bestaande wetten die voorzien in effectieve beschermingsmaatregelen in verband met grootschalige landtransacties, zoals plafonds voor toegestane landtransacties, daadwerkelijk te handhaven, en om wettelijk vast te leggen in hoeverre transacties die een bepaalde drempel overschrijden door nationale parlementen moeten worden goedgekeurd;

–  te waarborgen dat het FPIC-beginsel in acht wordt genomen in alle gevallen waarin gemeenschappen zijn getroffen door landroof, door raadplegingen te organiseren waarbij ervoor wordt gezorgd dat alle groepen van de lokale gemeenschappen, ook de meest geïsoleerde en gemarginaliseerde groepen, op gelijke voet eraan deelnemen;

35.  herinnert er tevens aan dat gebruiksrechten die zijn afgeleid van gewoonterechten moeten worden erkend en beschermd, op grond van een wettelijk systeem dat strookt met de bepalingen en regels van de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens;

36.  dringt erop aan dat de NAFSN vooraf aan een effectbeoordeling inzake de landrechten wordt onderworpen en dat daarnaast als voorwaarde wordt gesteld dat de betrokken bevolking ter plaatse haar vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming (FPIC) moet geven;

37.  is voorstander van een krachtig en vernieuwend toezichtsmechanisme binnen de Commissie inzake Wereldvoedselzekerheid (CFS); roept de EU op in overleg met organisaties uit het maatschappelijk middenveld een sterke positie op te bouwen, teneinde een bijdrage te leveren aan het wereldwijde evenement voor toezicht dat zal plaatsvinden tijdens de 43e CFS-sessie van oktober 2016 en om te zorgen voor een volledige en grondige beoordeling van het gebruik en de toepassing van de eigendomsrichtsnoeren;

38.  roept de regeringen van de betrokken landen op ervoor te zorgen dat ondernemingen de mogelijke gevolgen van hun activiteiten op de mensenrechten nauwkeurig analyseren (due diligence) door vooraf onafhankelijke beoordelingen van de effecten op de mensenrechten, sociale rechten en milieurechten uit te voeren en te publiceren, en door de toegang tot klachtenmechanismen met betrekking tot de mensenrechten op nationaal niveau te verbeteren en te waarborgen, zodat ze onafhankelijk, transparant, betrouwbaar en appellabel zijn;

39.  roept de partijen bij de NAFSN op onafhankelijke klachtenmechanismen in te stellen voor gemeenschappen die als gevolg van grootschalige investeringsprojecten te maken krijgen met onteigening;

40.  wijst erop dat de landbouw-, voedings- en volksgezondheidssectoren nauw moeten samenwerken in de strijd tegen ondervoeding;

Voedselzekerheid, voeding en duurzame agrarische gezinsbedrijven

41.  wijst andermaal op de noodzaak om al het mogelijke in het werk te stellen om de voeding te verbeteren, voedselveiligheid tot stand te brengen en een einde te maken aan de honger, zoals is vastgelegd in SDG 2; dringt aan op betere ondersteuning voor de versterking van landbouwcoöperatieven die van essentieel belang zijn voor landbouwontwikkeling en voedselzekerheid;

42.  merkt op dat voedselzekerheid, gebaseerd op gezonde, levende bodems en productieve agro-ecosystemen die aangepast zijn aan de klimaatverandering, bijdraagt tot een grotere stabiliteit en minder migratie;

43.  benadrukt dat evenwichtige voeding van hoge kwaliteit essentieel is, en bevestigt dat voeding centraal moet staan bij de (her)opbouw van voedselsystemen;

44.  dringt daarom aan op maatregelen om de te grote afhankelijkheid van geïmporteerd voedsel te laten verdwijnen door een veerkrachtige binnenlandse voedselproductie tot stand te brengen, waarbij voorrang wordt gegeven aan lokale gewassen die aan de voedingseisen voldoen; onderstreept het toenemende belang van dergelijke maatregelen omdat het klimaat en de markten steeds instabieler worden;

45.  herinnert eraan dat energie-inname niet de enige factor mag zijn voor het bepalen van de voedingstoestand;

46.  wijst op de noodzaak van strategieën die erop gericht zijn om in de gehele voedselketen de voedselverspilling terug te dringen;

47.  benadrukt dat de agrarische biodiversiteit moet worden beschermd; verzoekt de EU-lidstaten om, overeenkomstig de conclusies van de IAASTD, de aanbevelingen van de speciale VN-rapporteur voor het recht op voedsel alsook de SDG's, te investeren in agro-ecologische landbouwmethoden in ontwikkelingslanden;

48.  ondersteunt de ontwikkeling van beleidslijnen die gunstig zijn voor duurzame agrarische gezinsbedrijven en die regeringen aanmoedigen een stimulerende omgeving te creëren (bevorderlijke beleidslijnen, gepaste wetgeving, participatieplanning voor een beleidsdialoog, investeringen) voor de ontwikkeling van agrarische gezinsbedrijven;

49.  roept de Afrikaanse regeringen op:

–  in lokale voedselsystemen te investeren om zo een impuls te geven aan de plattelandseconomieën, te zorgen voor fatsoenlijke banen, eerlijke sociale vangnetten, arbeidsrechten en betere regelingen voor democratische controle op de toegang tot hulpbronnen, met inbegrip van zaaizaad, en te waarborgen dat kleinschalige producenten daadwerkelijk worden betrokken bij beleidsprocessen en tenuitvoerlegging; benadrukt in het bijzonder dat de NAFSN de oprichting van binnenlandse verwerkingsindustrieën in de landbouwsector en de verbetering van bewaartechnieken voor levensmiddelen moet stimuleren en de band tussen landbouw en handel moet versterken, met als doel om lokale, nationale en regionale markten te ondersteunen zodat agrarische gezinsbedrijven daar de vruchten van kunnen plukken en de consument tegelijkertijd tegen redelijke prijzen over kwalitatief hoogwaardig voedsel kan beschikken;

–  te voorkomen dat hun voedselproductiesystemen te afhankelijk worden van fossiele brandstoffen, dit met het oog op de vermindering van zowel de prijsvolatiliteit als de effecten van de klimaatverandering;

–  op lokaal en regionaal niveau korte voedselvoorzieningsketens te ontwikkelen, alsook passende opslag- en communicatiestructuur hiervoor, omdat korte ketens het efficiëntst zijn om honger en plattelandsarmoede te bestrijden;

–  Afrikaanse landbouwers toegang te verlenen tot betaalbare, weinig productiemiddelen vergende technologische oplossingen voor landbouwtechnische uitdagingen die specifiek zijn voor Afrika;

–  aan te moedigen tot de diversifiëring van voedzame lokale en, voor zover mogelijk, seizoenseigen voedingsgewassen, liefst aan de lokale omstandigheden aangepaste of inheemse variëteiten en soorten, waaronder groenten en fruit en noten, om zo, dankzij voortdurende toegang tot gevarieerd, voedzaam en betaalbaar voedsel dat niet alleen qua calorie-inname, maar ook op het vlak van kwaliteit, kwantiteit en diversiteit voldoet en strookt met de culturele waarden, de voeding te verbeteren;

–  zich te verplichten tot de volledige tenuitvoerlegging van zowel de internationale gedragscode voor het op de markt brengen van vervangingsmiddelen voor moedermelk als de resoluties van de assemblee van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) over de voeding van zuigelingen en jonge kinderen;

–  producentenorganisaties op te richten, te bevorderen en te ondersteunen, zoals coöperatieve ondernemingen die de onderhandelingspositie van kleine landbouwers versterken, de nodige voorwaarden te scheppen om ervoor te zorgen dat kleine boerenbedrijven beter worden vergoed door de markten, en de uitwisseling van kennis en beste praktijken tussen kleine landbouwers te stimuleren;

50.  benadrukt dat de NAFSN moet leiden tot de vaststelling van een regionaal aangepaste landbouwstructuur in de primaire en de verwerkingsfase;

51.  verzoekt de regeringen van de Afrikaanse landen de solidariteit tussen de generaties te bevorderen en de essentiële rol ervan bij armoedebestrijding te erkennen;

52.  onderstreept het belang van het bevorderen van programma's voor voedingsvoorlichting op scholen en in lokale gemeenschappen;

53.  benadrukt dat het recht op water onlosmakelijk verbonden is met het recht op voedsel en dat de resolutie van de VN van 2010 tot dusver niet heeft geleid tot doortastende maatregelen om van het recht op water een mensenrecht te maken; vraagt de EU om het voorstel van het Italiaanse Comité voor een wereldwijde overeenkomst voor water (CICMA) inzake een optioneel protocol voor het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten onder de loep te nemen;

54.  erkent dat de toegang tot schoon drinkwater van vitaal belang is, evenals de impact die de landbouw daarop kan hebben;

55.  erkent de rol van de toegang tot water voor landbouwdoeleinden, en het risico van een te grote afhankelijkheid van kostbaar water voor irrigatie; wijst in dit verband op de noodzaak om verspillende irrigatiepraktijken te beperken en op de belangrijke rol die waterbesparende landbouwtechnieken kunnen spelen bij het voorkomen van evapotranspiratie, het behoud van water in een gezonde, levende bodem en het schoonhouden van drinkwaterbronnen;

56.  merkt op dat duurzaam bodembeheer de wereldvoedselproductie met 58% kan doen toenemen(48);

57.  wijst op de synergieën tussen benaderingen op basis van de bodem en op basis van bomen en benadrukt hoe belangrijk het is dat de agro-ecosystemen worden aangepast aan de klimaatverandering; wijst met name op de grote vraag naar brandhout en op de diverse toepassingen van stikstofbindende bomen;

58.  erkent de specifieke behoeften van tropische en semi-aride landbouw, en dan met name de behoefte aan schaduw voor de gewassen en aan bodembescherming, beschouwt extractieve monoculturen als achterhaald en wijst er tevens op dat deze in de NAFSN-donorlanden steeds meer worden uitgefaseerd;

59.  waarschuwt voor een te grote afhankelijkheid, in initiatieven die door de NAFSN worden gefinancierd, van de productie van niet voor consumptie bestemde landbouwgoederen in plaats van voedsel, met name grondstoffen voor biobrandstoffen, omdat de productie van deze grondstoffen een negatieve impact kan hebben op de voedselveiligheid en de voedselsoevereiniteit van de deelnemende landen;

60.  merkt op dat deze landbouwtechnieken, die natuurlijke processen zoals de vorming van de bovenlaag, de regulering van water en plagen of een gesloten nutriëntenkringloop bevorderen, kunnen zorgen voor productiviteit en vruchtbaarheid op lange termijn, tegen lage kosten voor landbouwers en overheidsdiensten;

61.  merkt op dat landbouwchemicaliën in ontwikkelingslanden, zoals de landen die deelnemen aan de NAFSN, zowel te veel als verkeerd gebruikt kunnen worden;

62.  merkt op dat dit in de hand wordt gewerkt door ongeletterdheid en een gebrek aan passende opleiding en kan leiden tot zeer hoge bestrijdingsmiddelenresiduen in vers fruit en verse groenten, tot vergiftiging en tot andere effecten op de menselijke gezondheid voor landbouwers en hun gezin;

Hervorming van de regelgeving in de zaaizaadsector

63.  herinnert eraan dat het recht van landbouwers om vrijelijk zaaizaad te produceren, uit te wisselen en verkopen ten grondslag ligt aan 90% van de landbouwinkomens in Afrika, en dat zaaizaaddiversiteit van essentieel belang is om de landbouwsector bestendiger te maken tegen klimaatverandering; onderstreept dat het feit dat vanuit het bedrijfsleven wordt aangedrongen op de versterking van de rechten van plantenkwekers overeenkomstig het UPOV-Verdrag van 1991, niet mag leiden tot een verbod op deze informele praktijken;

64.  wijst op de gevaren van deregulering van de zaaizaadsector in de deelnemende landen, hetgeen ertoe kan leiden dat de kleine boeren te afhankelijk worden van zaaizaad en gewasbeschermingsproducten die worden vervaardigd door buitenlandse bedrijven;

65.  herinnert eraan dat de TRIPS-bepalingen die een zekere vorm van bescherming voor plantenvariëteiten vereisen, ontwikkelingslanden niet verplichten om het UPOV-stelsel aan te nemen; benadrukt evenwel dat deze bepalingen landen in staat stellen sui generis-systemen uit te werken die beter zijn aangepast aan de kenmerken van de landbouwproductie van elk individueel land en aan de traditionele zaaizaadsystemen van de boeren, terwijl LDC's die lid zijn van de WTO zijn vrijgesteld van de verplichting tot naleving van de bepalingen van de TRIPS-overeenkomst; benadrukt dat sui generis-systemen de doelstellingen en verplichtingen uit hoofde van het Verdrag inzake biologische diversiteit (CBD), het Protocol van Nagoya en het Internationaal Verdrag inzake plantgenetische bronnen voor voedsel en landbouw (ITPGRFA) moeten ondersteunen in plaats van tegenwerken;

66.  betreurt de oproep van het bedrijfsleven om de Afrikaanse zaaizaadwetgeving via regionale instellingen te harmoniseren op basis van de beginselen van onderscheidbaarheid, homogeniteit en bestendigheid (DUS), hetgeen de ontwikkeling en groei van de zaaizaadsystemen van boeren op nationaal en regionaal niveau zal belemmeren, aangezien dergelijke systemen meestal niet aan de DUS-criteria voldoen;

67.  dringt er bij de G7-lidstaten op aan de door boeren beheerde zaaizaadsystemen te ondersteunen via gemeenschapsbanken voor zaaizaad;

68.  herinnert eraan dat, hoewel commerciële zaaizaadvariëteiten de opbrengst op korte termijn kunnen verbeteren, traditionele variëteiten van de boeren, natuurrassen en de ermee gepaard gaande kennis het meest geschikt zijn voor aanpassing aan zowel specifieke agro-ecologische omstandigheden als de klimaatverandering; onderstreept tegelijkertijd dat de betere prestatie van commerciële zaden afhangt van het gebruik van productiemiddelen (meststoffen, pesticiden, hybridezaden), waardoor landbouwers het risico lopen in een vicieuze cirkel van schulden terecht te komen;

69.  merkt bezorgd op dat de invoering en verspreiding van gecertificeerd zaaizaad in Afrika ertoe leidt dat kleinschalige boerenbedrijven afhankelijker worden, dat de kans op schulden toeneemt en dat de zaaizaaddiversiteit afneemt;

70.  pleit ervoor lokale beleidslijnen te ondersteunen die erop gericht zijn een consistente en duurzame toegang tot een gevarieerd en voedzaam dieet te waarborgen, volgens het subsidiariteitsbeginsel en het beginsel van eigen verantwoordelijkheid;

71.  wenst dat de Commissie erop toeziet dat de toezeggingen die de EU in het kader van landbouwersrechten en het ITPGRFA heeft gedaan, tot uiting komen in alle technische bijstand en financiële steun voor de ontwikkeling van zaaizaadbeleid; roept de EU op alle regelingen betreffende intellectuele-eigendomsrechten te steunen die bijdragen aan de ontwikkeling van aan de lokale omstandigheden aangepaste zaadvariëteiten en op het eigen bedrijf verkregen zaaizaad;

72.  verzoekt de G8-lidstaten met klem om het verbouwen van genetisch gemodificeerde gewassen in Afrika op generlei wijze te ondersteunen;

73.  herinnert eraan dat de Afrikaanse modelwet inzake bioveiligheid strenge eisen stelt aan bioveiligheid; is van mening dat bij alle hulp van buitenlandse financiers die bedoeld is om de bioveiligheid op nationaal en regionaal niveau te ontwikkelen, deze normen ook moeten worden gehanteerd;

74.  dringt er bij Afrikaanse landen op aan geen nationale of regionale bioveiligheidsstelsels in te voeren met lagere bioveiligheidsnormen dan de normen die zijn neergelegd in het Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid;

75.  roept de deelnemende landen op landbouwers de mogelijkheid te bieden om inputafhankelijkheid te voorkomen en eigen kweek te ondersteunen, teneinde de biodiversiteit in de landbouw te handhaven en te verbeteren via door de overheid beheerde lokale zaadbanken, door middel van de uitwisseling en de voortdurende ontwikkeling van lokale zaadvariëteiten, en met name door blijk te geven van flexibiliteit in de zaadcatalogi om eigen variëteiten van de landbouwers niet uit te sluiten en de instandhouding van traditionele teelt te waarborgen;

76.  roept de deelnemende landen op de toegang tot en de uitwisseling van zaaizaad en landbouwproductiemiddelen voor kleinschalige boerenbedrijven, gemarginaliseerde groepen en plattelandsgemeenschappen te waarborgen en te bevorderen, en zich te houden aan de internationale overeenkomsten over de niet-octrooieerbaarheid van levende organismen en essentiële biologische processen, met name wat inheemse stammen en soorten betreft;

77.  wijst op het risico op toenemende marginalisering van vrouwen bij de besluitvorming, een risico dat ontstaat ten gevolge van de ontwikkeling van bepaalde commerciële gewassen; merkt op dat landbouwopleidingen vaak op mannen gericht zijn en geneigd zijn vrouwen buiten spel te zetten, waardoor ze worden uitgesloten van het beheer van het land en de gewassen waarvoor ze altijd gewend waren te zorgen;

Gender

78.  vindt het betreurenswaardig dat er, als het gaat om de CCF's, noch specifieke verbintenissen ten aanzien van genderbewust budgetteren zijn vastgelegd, noch door middel van gedifferentieerde gegevens in het oog wordt gehouden in hoeverre er vooruitgang wordt geboekt; benadrukt dat van abstracte en algemene verbintenissen moet worden overgegaan op concrete en nauwkeurige verbintenissen in het kader van een nationaal actieplan ter versterking van de positie van de vrouw als rechthebbende;

79.  verzoekt de regeringen om een einde te maken aan discriminatie van vrouwen, of het daarbij nu gaat om toegang tot land, microkredietregelingen of de verlening van microkredieten, en om vrouwen daadwerkelijk te betrekken bij de ontwikkeling en de tenuitvoerlegging van beleid op het gebied van landbouwonderzoek en -ontwikkeling;

De financiering van landbouwinvesteringen in Afrika

80.  onderstreept het belang van het waarborgen van de transparantie van alle financiering die wordt toegekend aan bedrijven in de particuliere sector en benadrukt dat er openbaarheid moet worden gegeven aan dergelijke financiering;

81.  verzoekt financiers om de officiële ontwikkelingshulp (ODA) in overeenstemming te brengen met de beginselen inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, te streven naar vooruitgang op het gebied van armoedebestrijding, en daarnaast inclusieve partnerschappen, transparantie en het afleggen van verantwoording te stimuleren;

82.  roept financiers op hun steun voor de ontwikkeling van de landbouw in de eerste plaats te kanaliseren via nationale ontwikkelingsfondsen die subsidies en leningen verstrekken aan kleinschalige boerenbedrijven en agrarische gezinsbedrijven;

83.  verzoekt financiers onderwijs aan en de opleiding en technische advisering van boeren te ondersteunen;

84.  roept financiers op de oprichting van beroepsorganisaties en economische organisaties van landbouwers te stimuleren en de oprichting van landbouwcoöperaties te ondersteunen, die de levering van betaalbare productiemiddelen mogelijk maken en landbouwers helpen hun producten zo te verwerken en te verkopen dat er winst wordt gemaakt;

85.  is van mening dat de financiële steun van de G8-leden aan de NAFSN in strijd is met de doelstelling om binnenlandse en lokale bedrijven te ondersteunen die onmogelijk kunnen opboksen tegen multinationals, wier dominante marktpositie al een voordeel is, nog los van het feit dat ze vaak bedrijfs-, tarief- en belastingprivileges genieten;

86.  herinnert eraan dat ontwikkelingshulp tot doel heeft armoede te bestrijden en uiteindelijk uit te roeien; is van oordeel dat ODA gericht moet zijn op het verlenen van rechtstreekse steun aan kleinschalige boerenbedrijven;

87.  benadrukt dat de overheidsinvesteringen in de Afrikaanse landbouw nieuw leven moeten worden ingeblazen, naast de steun aan particuliere investeringen, en dat prioriteit moet worden gegeven aan investeringen in de agro-ecologie, teneinde de voedselveiligheid op duurzame wijze te bevorderen, armoede en honger te bestrijden en tegelijkertijd, met inachtneming van inheemse kennis en innovatie, de biodiversiteit te beschermen;

88.  benadrukt dat de G7-lidstaten de Afrikaanse landen moeten verzekeren van het recht op bescherming van hun landbouwsectoren aan de hand van tarief- en belastingstelsels die gunstig zijn voor agrarische gezinsbedrijven en kleinschalige boerenbedrijven;

89.  verzoekt de EU alle hierboven beschreven tekortkomingen van de NAFSN te verhelpen, stappen te ondernemen om de transparantie en het beheer binnen de NAFSN te versterken en ervoor te zorgen dat de maatregelen die in het kader van de NAFSN worden genomen in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid;

90.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de partijen bij de NAFSN.

(1)

Resolutie A/RES/70/1 van de Algemene Vergadering van de VN

(2)

UN FCCC/CP/2015/L.9/Rev.1

(3)

http://www.nepad.org/system/files/caadp.pdf

(4)

Assembly/AU/Decl.7(II)

(5)

Assembly/AU/Decl.449(XIX)

(6)

Assembly/AU/Decl.1(XXIII)

(7)

http://www.ifad.org/events/g8/statement.pdf

(8)

http://www.uneca.org/publications/framework-and-guidelines-landpolicy-africa

(9)

Assembly/AU/Decl.1(XIII) Rev.1

(10)

http://www.uneca.org/publications/guiding-principles-large-scale-land-based-investments-africa

(11)

http://acbio.org.za/modernising-african-agriculture-who-benefits-civil-society-statement-on-the-g8-agra-and-the-african-unions-caadp/

(12)

https://www.grain.org/bulletin_board/entries/4914-djimini-declaration

(13)

http://www.fao.org/docrep/009/y7937e/y7937e00.htm

(14)

http://www.unep.org/dewa/Assessments/Ecosystems/IAASTD/tabid/105853/Defa

(15)

https://treaties.un.org/pages/ViewDetails.aspx?src=IND&mtdsg_no=IV-4&chapter=4&lang=en

(16)

http://www.un.org/womenwatch/daw/cedaw/

(17)

http://www.achpr.org/instruments/achpr/

(18)

http://www.un.org/esa/socdev/unpfii/documents/DRIPS_en.pdf

(19)

http://www.ohchr.org/EN/Issues/Housing/Pages/ForcedEvictions.aspx

(20)

https://www.unglobalcompact.org/library/2

(21)

http://www.oesorichtlijnen.nl/documenten/publicatie/2014/12/8/oeso-richtlijnen-nederlandse-vertaling

(22)

http://www.oecd.org/development/effectiveness/busanpartnership.htm

(23)

http://www.fao.org/nr/tenure/voluntary-guidelines/en/

(24)

http://www.upov.int/upovlex/en/conventions/1991/content.html

(25)

http://www.planttreaty.org/

(26)

https://www.cbd.int/

(27)

http://hrst.au.int/en/biosafety/modellaw

(28)

http://apf.francophonie.org/IMG/pdf/2012_07_session_58_Resolution_Regulation_du_foncier.pdf

(29)

http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:C2014/064/03 -

(30)

COM(2010)0127

(31)

http://register.consilium.europa.eu/doc/srv?l=NL&f=ST%209653%202010%20INIT

(32)

http://register.consilium.europa.eu/doc/srv?l=NL&f=ST%209328%202013%20INIT

(33)

SWD(2014)0234

(34)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0410.

(35)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0578.

(36)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0250.

(37)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0073.

(38)

http://viacampesina.org/en/index.php/main-issues-mainmenu-27/agrarian-reform-mainmenu-36/1775-declaration-of-the-global-convergence-of-land-and-water-struggles

(39)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0184.

(40)

http://afsafrica.org/wp-content/uploads/2015/05/AFSA-Demands-to-the-Germany-G7-Presidency-Agenda.pdf

(41)

http://carta.milano.it/wp-content/uploads/2015/04/English_version_Milan_Charter.pdf

(42)

http://www.foodpolicymilano.org/wp-content/uploads/2015/10/Milan-Urban-Food-Policy-Pact-EN.pdf

(43)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0023.

(44)

http://www.europarl.europa.eu/committees/nl/deve/events.html?id=20151201CHE00041

(45)

http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2015/535010/EXPO_STU(2015)535010_EN.pdf

(46)

Mwachinga, E. (Werkgroep voor belastingvereenvoudiging, Wereldbankgroep), "Results of investor motivation survey conducted in the EAC [Resultaten van onderzoek naar de motivering van investeerders in de Oost-Afrikaanse Gemeenschap]", presentatie in Lusaka op 12 februari 2013.

(47)

"Supporting the development of more effective tax systems [Ondersteuning van de ontwikkeling van effectievere belastingsystemen]" – een rapport van 2011 van het IMF, de OESO en de Wereldbank aan de G20-werkgroep.

(48)

FAO, Global Soil Partnership.


TOELICHTING

In 2012 werd onder auspiciën van de G8 de nieuwe alliantie voor voedselzekerheid en voeding in Afrika (NAFSN) opgericht, als een grootschalig publiek-privaat partnerschap (PPP) om landbouwinvesteringen aan te trekken met het oog op de bevordering van de voedselvoedselzekerheid en de voeding in Afrika ten zuiden van de Sahara. Bij de alliantie zijn de leden van de G8, de Afrikaanse Unie (AU), het Nieuwe Partnerschap voor de ontwikkeling van Afrika (NEPAD) en het Alomvattend programma voor landbouwontwikkeling in Afrika (CAADP) betrokken, evenals de regeringen van Burkina Faso, Benin, Ivoorkust, Ethiopië, Ghana, Malawi, Mozambique, Nigeria, Senegal en Tanzania, en lokale en internationale bedrijven. Bepaalde G7-partners zijn belast met de verantwoordelijkheid voor de coördinatie van de tenuitvoerlegging van het initiatief in elk van de Afrikaanse landen. De EU is belast met de coördinatie van de tenuitvoerlegging in Ivoorkust en Malawi.

Elk deelnemend Afrikaans land heeft een samenwerkingskader (Country Cooperation Framework; CCF) vastgesteld, met daarin de verplichtingen van elk van de betrokken partijen. Deze verplichtingen hebben betrekking op wetswijzigingen in de respectieve Afrikaanse landen, voorlopige financieringstoezeggingen van G7-leden en toezeggingen van de 180 betrokken bedrijven om in totaal 8 miljard USD te zullen investeren. De omvang van de landbouwinvesteringen van twee bedrijven, het Zwitserse zaadverdelingsbedrijf Syngenta en de Noorse kunstmestproducent Yara International, springt met name in het oog.

De rapporteur benadrukt dat de Afrikaanse landen hoe dan ook in de landbouw moeten investeren. Hoewel de NAFSN van een goede doelstelling uitgaat, vertoont de alliantie tal van gebreken.

De NAFSN volgt het model van de Aziatische "groene revolutie" van de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, dat gebaseerd is op monocultuur, mechanisatie, biotechnologie, de afhankelijkheid van meststoffen, lange distributieketens en het verbouwen van exportgewassen. Het is algemeen bekend dat deze benadering haar beperkingen heeft, in het bijzonder als het gaat om de milieurisico's die ermee samenhangen.

Bovendien zijn de in de ontvangende landen overeengekomen beleidsmaatregelen erop gericht om een bedrijfsvriendelijk klimaat te scheppen door beleidshervormingen door te voeren op het gebied van infrastructuur, belasting, landgebruik of handel, langdurige pacht van "onbenut" land te vergemakkelijken en de wetgeving inzake zaaizaad te hervormen, dit met het oog op het versterken van de intellectuele-eigendomsrechten van plantenkwekers;

Opmerkelijk is dat de kleine boeren nauwelijks zijn geraadpleegd toen de CCF's werden opgesteld, hoewel zij de uiteindelijke begunstigden van de NAFSN worden geacht te zijn. Bijgevolg is de NAFSN behoorlijk onder vuur komen te liggen. Er is veel kritiek geleverd door het maatschappelijk middenveld, door publieke figuren zoals de speciale VN-rapporteur voor het recht op voedsel en door de kleine Afrikaanse boeren zelf. Zij waarschuwen dat de NAFSN niet-duurzame landbouwpraktijken ondersteunt, landroof in de hand zou kunnen werken en ertoe kan leiden dat vrouwen en kleine producenten nog meer aan de zijlijn komen te staan.

Er is een prominente rol weggelegd voor de EU en de lidstaten als het gaat om het omvormen van de NAFSN tot een effectief instrument ter ondersteuning van agrarische gezinsbedrijven en de plaatselijke economieën in Afrika ten zuiden van de Sahara en daarmee ter bestrijding van de voedsel- en voedingsonzekerheid. Hiertoe is het van essentieel belang dat de volgende kwesties worden aangepakt:

1.  Governance en ownership

In het geval van grote buitenlandse bedrijven en geldschieters is het van belang dat de respectieve partnerlanden over sterke governancestructuren beschikken, zodat de risico's en voordelen eerlijk over de betrokken partijen kunnen worden verdeeld. Daarnaast zijn er sterke institutionele en wettelijke kaders nodig, zodat de regelgeving inzake PPP's en de voorafgaande raadpleging van de diverse belanghebbenden en eindgebruikers afdoende is; Binnen de NAFSN hebben producentenorganisaties en lokale groeperingen echter nauwelijks een stem. In de Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara - waar dikwijls sprake is van zwakke governance - brengen zeer grote PPP's hoe dan ook risico's met zich mee. Voorts kan corruptie erdoor in de hand worden gewerkt.

Het baart de rapporteur zorgen dat in de CCF's slechts selectief wordt gerefereerd aan bestaande internationale normen voor verantwoord investeren in de landbouw. Zo wordt in geen van de CCF's verwezen naar de vrijwillige richtsnoeren van de FAO van 2004 voor de geleidelijke toepassing van het recht op voldoende voedsel in de context van de nationale voedselzekerheid of naar een leidraad waarin de verplichtingen van particuliere investeerders op het gebied van de mensenrechten zijn vastgelegd, zoals de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten of de OESO-richtlijnen van 2011 voor multinationale ondernemingen.

Volgens de rapporteur is het zaak dat de deelnemende landen eenduidig beloven dat zij daadwerkelijk internationale normen ten uitvoer zullen leggen waarin investeringen op basis van een op mensenrechten gebaseerde aanpak worden gereguleerd, waaronder het kader en de richtsnoeren van de AU inzake het grondbeleid in Afrika en de leidende beginselen van de AU inzake grootschalige investeringen in landbouwgronden in Afrika.

2.  Kader voor verantwoording

De inhoud van de CCF's is niet volledig openbaar, hetgeen de lokale organisaties uit het maatschappelijk middenveld belet om goed toezicht uit te oefenen. De deelnemende landen volgen verder geen gemeenschappelijke opzet. Evenmin hanteren ze kwalitatieve indicatoren aan de hand waarvan projectevaluaties kunnen worden uitgevoerd.

De rapporteur eist dat alle intentieverklaringen onverkort worden gepubliceerd en dat er in alle CCF's nauwkeurige toezichtmechanismen en voortgangsindicatoren worden geïntegreerd. Voorts dient er een beroepsmechanisme voor de betrokken lokale bevolking en gemeenschappen te worden ingesteld. Het lokale maatschappelijk middenveld moet nauw worden betrokken bij het toezicht op en de evaluatie van de NAFSN.

Als het gaat om het integreren van kleinschalige boerenbedrijven in toegevoegde-waardeketens staat contractlandbouw centraal. De CCF's moeten echter zodanig worden herzien dat de contractvoorwaarden tussen kopers en lokale leveranciers worden verbeterd en dat wordt voorzien in een rechtskader met betrekking tot prijsafspraken, de eerbiediging van vrouwenrechten, steun voor de duurzame landbouw, de invoering van passende regelingen inzake de beslechting van geschillen en de versterking van landbouworganisaties, zodat ze sterker staan in onderhandelingen over landbouwcontracten.

3.  Bevordering van duurzame agrarische gezinsbedrijven

Zowel in de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling als in de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering wordt benadrukt dat er een landbouwmodel moet worden ontwikkeld aan de hand waarvan de veerkracht kan worden verbeterd en duurzame voedselsystemen kunnen worden opgezet. Het merendeel van de investeringen in de Afrikaanse landbouw is afkomstig van agrarische gezinsbedrijven en kleinschalige boerenbedrijven. Bovendien zijn deze bedrijven goed voor meer dan 60% van de werkgelegenheid in Afrika ten zuiden van de Sahara(1). Zij hebben aangetoond in staat te zijn de voedselproductie op duurzame wijze te verhogen (veelal met behulp van agro-ecologische praktijken), de productie te diversifiëren, bij te dragen aan plattelandsontwikkeling en de inkomsten te verhogen, waarmee ze vervolgens weer bijdragen aan armoedebestrijding.

In plaats van te pleiten voor het NAFSN-model van "moderne", "bedrijfsgerichte" en grootschalige industriële landbouw verzoekt uw rapporteur, overeenkomstig de aanbevelingen van de speciale VN-rapporteur voor het recht op voedsel en de Internationale beoordeling van landbouwkennis, wetenschap en technologie voor ontwikkeling van 2009 (IAASTD), de regeringen van de Afrikaanse landen om te investeren in agrarische gezinsbedrijven en agro-ecologie.

4.  Toegang tot land en landeigendomsrechten

Hoewel er verschillende vormen van landeigendom bestaan (gewoonterechtelijk, overheids- en particulier eigendom), wordt in de CCF's vrijwel alleen aan de toewijzing van landeigendomsrechten (de certificering van land) gerefereerd als het over landeigendomsrechten gaat;

Er zijn aanwijzingen dat de toewijzing van landeigendomsrechten lokale gemeenschappen niet automatisch zekerheid biedt in dezen. In feite leidt de afschaffing van gewoonterechtelijke of gemeenschapsstelsels, in combinatie met de nadruk op de toewijzing van landeigendomsrechten, voor de armen dikwijls tot meer onzekerheid. Dit geldt met name voor arme vrouwen. De landrechten van kleinschalige voedselproducenten en inheemse volkeren worden doorgaans niet wettelijk erkend, waardoor ze gemakkelijk het slachtoffer worden van oneerlijke landtransacties, onteigening zonder toestemming of het achterwege blijven van een billijke compensatie, in het bijzonder wanneer ook nog eens sprake is van zwakke governance of onvoltooide landbouwhervormingen. Bovendien zijn investeerders en plaatselijke elites die bij landtransacties zijn betrokken, geneigd om te koop aangeboden land te beschrijven als "onbenut" of "onderbenut", waarbij ze negeren of verzwijgen dat op het land in feite geiten of schapen worden gehoed.

De ontwikkeling van zogenoemde "groeikernen" (bijvoorbeeld het PROSAVANA-project in Mozambique) is een treffende illustratie van deze risico's. Groeikernen zijn bedoeld om internationale investeerders naar Afrika te halen en stellen daartoe land beschikbaar aan grote particuliere ondernemingen, hetgeen dikwijls in vruchtbare gebieden gebeurt en ten koste gaat van agrarische gezinsbedrijven.

Derhalve dringt de rapporteur er bij de deelnemende Afrikaanse landen op aan dat zij de traditionele landeigendomsrechten van de lokale gemeenschappen eerbiedigen en de vrijwillige richtsnoeren van 2012 voor verantwoord beheer van bodemgebruik, visserij en bosbouw ten uitvoer leggen. Investeringen in het kader van de NAFSN moeten vooraf niet alleen aan effectbeoordelingen inzake de landrechten worden onderworpen, maar ook aan raadplegingen met de lokale gemeenschappen, zodat de lokale bevolking desgewenst en met kennis van zaken haar mening kan geven.

5.  Wetgeving inzake zaaizaad

De rechten van landbouwers om vrijelijke zaaizaad te produceren, uit te wisselen en verkopen liggen ten grondslag aan 90% van de landbouwinkomens op het Afrikaanse continent(2). Het baart de rapporteur zorgen dat vanuit het bedrijfsleven is verzocht of de rechten van plantenkwekers kunnen worden versterkt door de Afrikaanse wetgeving inzake zaaizaad in overeenstemming te brengen met het UPOV-Verdrag, krachtens welke het merendeel van deze informele praktijken verboden is. Een dergelijke harmonisering kan fnuikend zijn voor de zaaizaaddiversiteit, die van wezenlijk belang is met het oog op voedselzekerheid en de aanpassing aan de klimaatverandering. In Afrika leidt de octrooiering van gecertificeerd zaaizaad er bovendien toe dat kleinschalige boerenbedrijven afhankelijker worden en gemakkelijker in de schulden raken.

Als het gaat om voedselzekerheid en de veerkracht van arme boeren zijn zeggenschap, ownership en de betaalbaarheid van zaaizaad van doorslaggevend belang. De rapporteur is daarom van mening dat geldschieters de zaaidzaadsystemen van boeren moeten ondersteunen, zodat de boeren hun onafhankelijkheid ten opzichte van de commerciële zaaizaadsector in een bepaald opzicht kunnen behouden. Bovendien zorgt de instandhouding van de genetische diversiteit ervoor dat zaaizaad beter is aangepast aan de plaatselijke agro-ecologische omstandigheden.

6.  Gender

Tot voor kort werd in de landbouw vaak voornamelijk steun verleend aan mannen die exportgewassen verbouwden, waarmee de verantwoordelijkheid voor het produceren van voedsel om in het levensonderhoud van het eigen gezin te voorzien, grotendeels op de schouders van vrouwen terechtkwam.

Uit het NAFSN-voortgangsverslag van 2014 kwam naar voren dat 21% van de aan de projecten van de alliantie deelnemende kleine boeren uit vrouwen bestond. In Afrika ten zuiden van de Sahara wordt in het algemeen echter de helft van de agrarische gezinsbedrijven door vrouwen gerund(3). Door weinig aandacht te schenken aan de genderdimensie zorgt de NAFSN ervoor dat de ongelijkheid toeneemt en dat vrouwen nog meer aan de rand van de samenleving komen te staan.

Aan de hand van specifieke indicatoren moet worden gemeten in hoeverre de NAFSN invloed heeft op gender. Evenzo moet prioriteit worden gegeven aan het uitbannen van alle discriminatie waarmee vrouwen te maken krijgen als het gaat om de toegang tot land, en moet ervoor worden gezorgd dat vrouwen gemakkelijker gebruik kunnen maken van microkredieten en microkredietregelingen en dat ze daadwerkelijk worden betrokken bij de ontwikkeling en de tenuitvoerlegging van beleid op het gebied van landbouwonderzoek en -ontwikkeling.

7.  De financiering van landbouwinvesteringen in Afrika

De rapporteur heeft ernstige bedenkingen bij het ondersteunen van landbouwinvesteringen in Afrika door middel van zeer grote PPP's, zoals de NAFSN.

De belangrijkste bij de NAFSN betrokken particuliere actoren zijn multinationals, wier dominante marktpositie al een voordeel is, nog los van het feit dat ze vaak bedrijfs-, tarief- en belastingprivileges genieten. De geplande investeringen zijn gebaseerd op de veronderstelling dat kleine boeren zich aan de armoede kunnen onttrekken doordat hun bedrijven in de toegevoegde-waardeketens van de voedingsmiddelenindustrie worden geïntegreerd. In werkelijkheid staat het overgrote deel van de producenten te ver van de markt af en ontbreekt het hen zowel aan de capaciteit om de vereiste hoeveelheden te produceren als aan de technische opleiding om te kunnen voldoen aan de hoge eisen op het gebied van productie, rekenschap, hygiënemaatregelen en investeringen. Daarnaast bestaan er enorme verschillen tussen de machtsposities van de multinationals in de agro-industrie, de regionale en nationale marktdeelnemers en de kleinere ondernemingen in Afrikaanse landen.

Officiële ontwikkelingshulp (ODA) moet in dienst staan van de armoedebestrijding, en niet in dienst van de belangen van het handelsbeleid van de EU. De rapporteur is van mening dat ODA door de EU niet mag worden gebruikt om transnationale bedrijven te ondersteunen die als monopolist of in kartels opereren, en daardoor in de hand werken dat de lokale particuliere sector wordt ondermijnd en dat agrarische gezinsbedrijven en kleine boerenbedrijven worden verdrongen.

***

Tot slot nog het volgende: de rapporteur betwijfelt ten zeerste of zeer grote PPP's, zoals de NAFSN, ook maar enige positieve invloed kunnen hebben op armoedebestrijding en voedselzekerheid, aangezien de armste gemeenschappen worden opgezadeld met de sociale- en milieueffecten die eruit voortvloeien. Gezien de huidige tekortkomingen is de rapporteur van mening dat de EU en haar lidstaten de steun die zij momenteel aan de NAFSN verstrekken, moeten intrekken. In plaats daarvan is het van belang dat zowel geldschieters als de nationale regeringen investeren in een landbouwmodel dat duurzaam is, ten goede komt aan vrouwen en kleine boeren, en het potentieel van binnenlandse en regionale markten helpt verwezenlijken, zodat agrarische gezinsbedrijven er de vruchten van kunnen plukken en de consument tegelijkertijd tegen redelijke prijzen over kwalitatief hoogwaardig voedsel kan beschikken.

(1)

FAO Statistical Yearbook 2012, blz.18

(2)

Olivier De Schutter (2009): ‘, blz. 23.

(3)

FAO (2011): The State of Food and Agriculture. Women in Agriculture. Closing the gender gap for development


ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (18.3.2016)

aan de Commissie ontwikkelingssamenwerking

inzake de nieuwe alliantie voor voedselzekerheid en voeding

(2015/2277(INI))

Rapporteur voor advies: Molly Scott Cato

SUGGESTIES

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Commissie ontwikkelingssamenwerking onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

Algemene benadering

1.  merkt op dat de regeringen van de G8 zich er in de gezamenlijke verklaring over voedselveiligheid van L'Aquila van 2009 toe hebben verplicht om door landen zelf in handen genomen strategieën te ondersteunen om de voedselproductie te verhogen en zo de toegang tot voedsel te vergroten, met bijzondere nadruk op de empowerment van kleine en vrouwelijke landbouwers en de verbetering van hun toegang tot grond en financiële diensten, inclusief microfinanciën en markten;

2.  merkt op dat in het EU-beleidskader voor steun aan ontwikkelingslanden bij de aanpak van voedselzekerheidsproblemen(1) wordt benadrukt dat de EU en haar lidstaten moeten focussen op kleinschalige voedselproductie om de beschikbaarheid van voedsel in de minder ontwikkelde landen (MOL) te vergroten; merkt op dat dit talrijke gevolgen heeft, zoals een vergroting van de inkomens en de weerbaarheid van de producenten, een vergroting van de beschikbaarstelling van voedsel voor de bevolking als geheel, een verbetering van de milieukwaliteit en de aanmoediging van kmo's en plattelandsontwikkeling via verwerking;

3.  erkent dat met betrekking tot het voedselzekerheidsbeleid in ontwikkelingslanden de klemtoon is verschoven van een loutere verhoging van de landbouwproductie naar het verzekeren dat een land in staat is om zichzelf van voedsel te voorzien en zijn algemene voedselsoevereiniteit te verbeteren, waarbij voedselsoevereiniteit wordt verstaan als het recht van volkeren om zelf hun landbouw- en voedselbeleid te bepalen;

4.  dringt daarom aan op maatregelen om de te grote afhankelijkheid van geïmporteerd voedsel te verhelpen middels een veerkrachtige eigen voedselproductie, die voorrang geeft aan lokale gewassen die aan de voedingseisen voldoen; onderstreept het toenemende belang van dergelijke maatregelen omdat het klimaat en de markten steeds instabieler worden;

5.  meent dat zelfvoorziening, gebaseerd op plaatselijke binnenlandse voedselproductie en kortere regionale voedselvoorzieningsketens, zal helpen om de honger onder de plaatselijke bevolking terug te dringen en hen gelijke toegang tot voedsel te garanderen, voor betere levensomstandigheden te zorgen en de voedselzekerheid op lange termijn te waarborgen; onderstreept dat, gezien het feit dat oneerlijke handelsovereenkomsten afbreuk kunnen doen aan de mogelijkheid voor een land om zichzelf van voedsel te voorzien en landbouwers van markten kunnen uitsluiten, pas aan uitvoer kan worden gedacht wanneer de fundamentele voedselzekerheidsdoelstellingen verwezenlijkt zijn;

6.  ondersteunt programma's op de middellange en lange termijn voor duurzame landbouw, voedselzekerheid, voeding en plattelandsontwikkeling, om de fundamentele oorzaken van honger en armoede weg te nemen, onder meer door de geleidelijke verwezenlijking van het recht op voldoende voedsel en toegang tot zuiver water, waarbij de gemeenschappen bij landbouwactiviteiten (exploitatie, verwerking en afzet) moeten worden betrokken, met name door het opbouwen van capaciteit via een geïntegreerde aanpak met aandacht voor beleid, instellingen en mensen, inzonderheid kleine landbouwbedrijven en vrouwelijke landbouwers(2), zodat hun positie wordt versterkt en hun recht op fatsoenlijk werk wordt bevorderd;

7.  merkt op dat voedselzekerheid, gebaseerd op gezonde, levende bodems en productieve agromilieusystemen die aangepast zijn aan de klimaatverandering, bijdraagt tot een grotere stabiliteit en minder migratie;

Kleinschalige landbouw

8.  merkt op dat kleinschalige landbouw altijd een fundamentele rol heeft gespeeld voor de initiëring van economische en sociale ontwikkeling, door voedselveiligheid te garanderen voor de hele bevolking, zodat geen valutareserves aan voedselimport hoefden te worden besteed en er werk te vinden was;

9.  benadrukt dat kleinschalige landbouwers, die ongeveer 70 % produceren van het voedsel dat in Afrika wordt geconsumeerd, een cruciale rol spelen voor het plaatselijke levensonderhoud en onontbeerlijk zijn voor een inclusieve ontwikkeling van de landbouw;

10.  onderstreept daarom dat de nieuwe alliantie voor voedselzekerheid en voeding in Afrika (NAFSN) eerst en vooral ten goede moet komen aan kleinschalige landbouwers en kleine familieondernemingen, zodat zij zich van een positie in de voedselvoorzieningsketen kunnen verzekeren en deze kunnen versterken;

11.  merkt op dat buitenlandse privé-investeringen en een beleid ter liberalisering van de handel een aanzienlijke impact kunnen hebben op de landbouwsector van ontwikkelingslanden;

Landroof, toegang tot grond en concentratie van grondbezit

12.  wijst op de gevaren van een buitensporige deregulering van grondbezit; benadrukt in dit verband dat de toegang tot landbouwgrond en het gebruik van traditionele landbouwmethoden door kleinschalige landbouwers ernstig bedreigd worden;

13.  betreurt de grootschalige concentratie van landeigendom, inclusief de landroof door buitenlandse investeerders, die de plaatselijke kleinschalige landbouwers hard treft, hetgeen ernstige gevolgen heeft voor de landbouwproductie en dus de voedselprijzen opdrijft en bijdraagt tot plaatselijke, regionale en nationale voedselonveiligheid en armoede;

Verandering van landbouwmodel

14.  erkent de rol van de toegang tot water voor landbouwdoeleinden, en het risico van een te grote afhankelijkheid van kostbaar water voor irrigatie; wijst in dit verband op de noodzaak om verspillende irrigatiepraktijken te beperken en op de belangrijke rol die watersparende landbouwtechnieken kunnen spelen bij het voorkomen van evapotranspiratie, het behoud van water in een gezonde, levende bodem en het schoon houden van drinkwaterbronnen;

15.  erkent de specifieke behoeften van tropische en semi-aride landbouw, met name de behoefte aan schaduw voor de gewassen en aan bodembescherming; beschouwt extractieve monoculturen als achterhaald en wijst erop dat deze in de NAFSN-donorlanden steeds meer worden uitgefaseerd;

16.  benadrukt dat moet worden overgestapt op duurzame, gediversifieerde landbouw met minder inputafhankelijkheid en bodemdegradatie, alsook een grotere bestendigheid tegen de negatieve gevolgen van de klimaatverandering;

17.  benadrukt dat de NAFSN moet leiden tot de vaststelling van een regionaal aangepaste landbouwstructuur in de primaire en de verwerkingsfase;

18.  waarschuwt voor een te grote afhankelijkheid, in de initiatieven die door de NAFSN worden gefinancierd, van de productie van niet voor consumptie bestemde landbouwgoederen in plaats van voedsel, met name grondstoffen voor agrobrandstoffen, omdat de productie van deze grondstoffen een negatieve impact kan hebben op de voedselveiligheid en de voedselsoevereiniteit van de deelnemende landen;

19.  dringt erop aan dat bij de ontwikkeling van strategieën en actieplannen rekening wordt gehouden met lokale kennis en lokale variëteiten, en dat voor de productie van zaad en teeltmateriaal natuurlijke technieken worden gebruikt, dit alles in overleg met de lokale gemeenschappen;

Agro-ecologie en boslandbouw

20.  wijst op het aanzienlijke potentieel van hulpbronefficiënte agromilieubenaderingen die gericht zijn op de lange termijn en gebaseerd zijn op een hoge soortendiversiteit, een grote aanwezigheid van gunstige soorten, de spreiding van risico's en de recycling van afval;

21.  merkt op dat deze landbouwtechnieken, met bevordering van natuurlijke processen zoals de vorming van de bovenlaag, de regulering van water en plagen of een gesloten nutriëntenkringloop, kunnen zorgen voor productiviteit en fertiliteit op lange termijn, tegen lage kosten voor landbouwers en overheidsdiensten;

22.  merkt op dat duurzaam bodembeheer wereldwijd tot 58 % meer voedsel kan produceren(3);

23.  pleit voor agromilieubenaderingen, met name voor bodembeheer, zoals permacultuur, boslandbouw, gewasrotatie en teelt van tussengewassen, met name gebruikmakend van peulvruchten, lage inzaaiing, compostering en grondbedekking, om de levering van ecosysteemdiensten te vergroten en zo de productiviteit en fertiliteit op lange termijn te vergroten, met gebruikmaking van natuurlijke processen;

24.  merkt de synergieën op tussen de benaderingen op basis van de bodem en op basis van bomen en de aanpassing van de agromilieusystemen aan de klimaatverandering; merkt met name de grote vraag op naar brandhout, en inzonderheid de vele gebruiken van stikstofbindende bomen;

25.  merkt op dat landbouwchemicaliën in de ontwikkelingslanden, bijvoorbeeld degene die deelnemen aan de NAFSN, zowel te veel als verkeerd gebruikt kunnen worden;

26.  merkt op dat dit verergerd wordt door ongeletterdheid en een gebrek aan passende opleiding en kan leiden tot significant hoge niveaus van residuen van pesticiden in vers fruit en verse groenten, alsmede tot vergiftiging en andere effecten op de menselijke gezondheid voor landbouwers en hun gezin;

Toegang tot voedzaam voedsel en water

27.  benadrukt dat evenwichtige voeding van hoge kwaliteit essentieel is, en bevestigt dat voeding centraal moet staan bij het (her)opbouwen van voedselsystemen;

28.  herinnert eraan dat energie-inname niet de enige factor mag zijn bij het bepalen van de voedingstoestand;

29.  benadrukt het feit dat miljoenen mensen in Afrika, met name kinderen, honger lijden en ondervoed zijn, en dat honger en ondervoeding de belangrijkste oorzaken zijn van sterfte op het continent; wijst erop dat honger naast landroof en de klimaatverandering een van de belangrijkste redenen is die mensen ertoe brengt weg te vluchten van thuis;

30.  erkent de vitale rol van toegang tot schoon drinkwater, en de impact die de landbouw daarop kan hebben;

31.  pleit voor beleidsmaatregelen op het gebied van landbouw en voeding die aangepast zijn aan de plaatselijke situatie en die de belangen dienen van de maatschappij als geheel, om honger en ondervoeding uit te roeien;

32.  wijst op de noodzaak van strategieën om voedselverspilling in de gehele voedselketen te verminderen;

Kritische opmerkingen

33.  verwelkomt de toezeggingen van de NAFSN inzake voedselzekerheid, maar is bezorgd dat de gekozen aanpak gebaseerd is op achterhaalde landbouwontwikkelingsmodellen en ongelijke machtsverhoudingen;

34.  is bezorgd dat de NAFSN mogelijk niet ten goede komt aan kleine familieondernemingen, zoals oorspronkelijk de bedoeling was, maar ertoe bijdraagt dat zij afhankelijk worden van dure externe productiemiddelen;

35.  wijst op de gevaren van een deregulering van de zaaigoedsector in de deelnemende landen, die ertoe kunnen leiden dat kleinschalige landbouwers te afhankelijk worden van zaaigoed en gewasbeschermingsproducten die worden vervaardigd door buitenlandse bedrijven;

36.  laakt dat bij het besluitvormingsproces in de samenwerkingskaders niet alle belanghebbenden betrokken waren, maar dat onder meer plattelandsgemeenschappen, landarbeiders, kleine landbouwers, vissers en inheemse bevolkingsgroepen werden uitgesloten, en dat hun recht op inspraak werd miskend;

37.  stelt dat de Afrikaanse staten als partners in deze alliantie moeten worden behandeld, in plaats van ze louter te beschouwen als dienstverleners die de risico's en onzekerheden voor particuliere investeerders beperken;

38.  neemt kennis van het G20-rapport van 2011, waarin wordt benadrukt dat door belastingen aangedreven investeringen van voorbijgaande aard kunnen blijken te zijn; herinnert eraan dat talrijke onderzoeken naar de motivering van investeerders hebben uitgewezen dat speciale belastingstimulansen een neutrale of negatieve impact hebben op hun investeringsbesluiten(4);

39.  merkt op dat Afrikaanse staten door belastingstimulansen, inclusief vrijstelling van bedrijfsbelasting in speciale economische zones, belastinginkomsten mislopen die een bron hadden kunnen zijn van vitale overheidsinvesteringen in de landbouw, met name in voedselzekerheid en voedingsprogramma's(5);

40.  betreurt dat de enige indicator die gemeenschappelijk is voor de 10 samenwerkingskaders binnen de nieuwe alliantie, de "Doing Business"-index van de Wereldbank is;

Aanbevelingen – deelnemende landen

41.  roept de deelnemende landen op:

–  de vrijwillige richtsnoeren van de FAO van 2004 voor de geleidelijke toepassing van het recht op voldoende voedsel in de context van de nationale voedselzekerheid en de beginselen van de FAO van 2014 voor verantwoord investeren in landbouw en voedselsystemen ten uitvoer te leggen en zich te houden aan de VN-richtsnoeren inzake bedrijfsleven en mensenrechten;

–  ervoor te zorgen dat de jaarlijkse evaluatie van NAFSN-activiteiten verder gaat dan de kwaliteit van de investeringen en ook rekening houdt met de kwaliteit van de ontwikkelingsimpact, met onder meer aandacht voor doelstellingen op het gebied van vrouwenrechten en betrokkenheid van de belanghebbenden, evenwichtige en gezonde voeding en veerkracht in de voedselvoorziening;

–  in het kader van de nationale voortgangsverslagen een jaarlijkse evaluatie uit te voeren van de tenuitvoerlegging van het samenwerkingskader (Country Cooperation Framework, CCF), om na te gaan of de engagementen zijn nagekomen, en deze resultaten ook te publiceren;

–  te zorgen voor een op de mensenrechten gebaseerde aanpak van de toewijzing van landeigendomsrechten door de goedkeuring en volledige tenuitvoerlegging van de vrijwillige richtsnoeren van de FAO van 2012 voor verantwoord beheer van bodemgebruik, visserij en bosbouw (VGGT) in de context van de nationale voedselzekerheid;

–  te zorgen voor participerende en inclusieve mechanismen waarbij prioriteit wordt gegeven aan de rechten en behoeften van de legitieme houders van rechten op grond, met name kleinschalige landbouwers en kleine familieondernemingen; met name te verzekeren dat alle gemeenschappen die op terreinen wonen waarvan de eigendom of controle wordt overgedragen hiervoor hun vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming (Free Prior and Informed Consent, FPIC) hebben gegeven;

–  een herziening uit te voeren van het overheidsbeleid en de projecten om te voorkomen dat deze landroof en niet-productief grondbezit aanmoedigen;

–  bindende nationale maatregelen te nemen tegen landroof, corruptie-gerelateerde overdracht van land en het gebruik van land voor speculatieve investeringen;

–  toezicht te houden op de toekenning van landeigendomsrechten en certificeringsregelingen om ervoor te zorgen dat deze transparant zijn, dat landeigendom niet wordt geconcentreerd en dat de grondstoffen die de gemeenschappen nodig hebben hen niet worden ontnomen;

–  ervoor te zorgen dat de financiële steun niet wordt gebruikt voor initiatieven waardoor bedrijven lokale gemeenschappen kunnen verplaatsen;

–  gebruik te maken van participatieprocessen om modellen voor contractlandbouwregelingen te ontwerpen die afgestemd zijn op de behoeften van de lokale gemeenschappen;

–  producentenorganisaties op te richten, te bevorderen en te ondersteunen, zoals bv. coöperatieve ondernemingen die de onderhandelingspositie van kleine landbouwers versterken, de nodige voorwaarden te scheppen om ervoor te zorgen dat kleine landbouwbedrijven door de markten beter worden vergoed, en de uitwisseling van kennis en beste praktijken tussen kleine landbouwers te faciliteren;

–  samenwerking tot stand te brengen tussen de binnenlandse landbouwers, plaatselijke gemeenschappen, plaatselijke autoriteiten en organisaties van het maatschappelijk middenveld om voedselonzekerheid aan te pakken en de bestaansmiddelen van de betrokkenen te verbeteren, overleg te plegen met de binnenlandse belanghebbenden en ervoor te zorgen dat de lokale actoren volledig bij de uitvoering van het programma worden betrokken;

–  meer multi-stakeholderplatformen (boerenorganisaties, betrokken gemeenschappen, vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld) in het leven te roepen;

–  ervoor te zorgen dat kleine landbouwers, met name vrouwen, duidelijk omschreven rechten op toegang tot land en water hebben en dat zij ten volle van de ontwikkeling profiteren; behoorlijk overleg te plegen met veehouders bij het overwegen van door de NAFSN gefinancierde investeringen, om grondconflicten te voorkomen en het gebruik van de gemeenschapsgrond te optimaliseren; alle acties te richten op de belangen en het potentieel van de lokale kleine landbouwers;

–  voor voldoende overheidsinvesteringen te zorgen met het oog op bestendige, duurzame en inclusieve oplossingen;

–  landbouwers de mogelijkheid te bieden om inputafhankelijkheid te voorkomen en eigen kweek door de landbouwers te ondersteunen, teneinde de biodiversiteit in de landbouw te handhaven en te verbeteren via door de overheid beheerde lokale zaadbanken, door de uitwisseling en voortdurende ontwikkeling van lokale zaadvariëteiten, en met name door blijk te geven van flexibiliteit in de zaadcatalogi om eigen variëteiten van de landbouwers niet uit te sluiten en de instandhouding van traditionele teelten te waarborgen;

–  de toegang tot en uitwisseling van zaaigoed en landbouwproductiemiddelen voor kleine landbouwbedrijven, gemarginaliseerde groepen en plattelandsgemeenschappen te waarborgen en te bevorderen, en zich te houden aan de internationale overeenkomsten over de niet-octrooieerbaarheid van levende organismen en essentiële biologische processen, met name wat inheemse stammen en soorten betreft;

–  te voorkomen dat hun voedselproductiesystemen te afhankelijk worden van fossiele brandstoffen, om de prijsvolatiliteit te verminderen en de effecten van de klimaatverandering te beperken;

–  op lokaal en regionaal niveau korte voedselvoorzieningsketens te ontwikkelen, alsook passende opslag- en communicatiestructuur hiervoor, omdat korte ketens het efficiëntst zijn om honger en rurale armoede te bestrijden;

–  beleid te ontwikkelen dat duurzame landbouw ondersteunt en meer diverse landbouwsystemen bevordert die worden beheerd overeenkomstig de principes van agro-ecologie, inclusief boslandbouw en geïntegreerde plaagbestrijding;

–  Afrikaanse landbouwers toegang te verlenen tot betaalbare, weinig productiemiddelen vergende technologische oplossingen voor specifieke Afrikaanse landbouwtechnische uitdagingen;

–  een groter effect en een betere tenuitvoerlegging te verzekeren van de gewenste NAFSN-doelstellingen door te investeren in onderwijs, opleiding en landbouwvoorlichtingsdiensten, waarbij de nadruk wordt gelegd op gemeenschapsgerichte, participerende benaderingen, met als terreinen voeding, landeigendom en rechten, alsook boslandbouw en duurzame landbouw met een lage input, met inbegrip van duurzame traditionele technieken;

–  een grote diversiteit aan te moedigen van voedzame lokale en, voor zover mogelijk, seizoenseigen voedingsgewassen, liefst aan de lokale omstandigheden aangepaste of inheemse variëteiten en soorten, waaronder groenten en fruit en noten, om te zorgen voor een betere voeding dankzij voortdurende toegang tot gevarieerd, voedzaam en betaalbaar voedsel, dat niet alleen qua calorieëninname, maar ook op het vlak van kwaliteit, kwantiteit en diversiteit voldoet en strookt met de culturele waarden;

–  ervoor te zorgen dat voedselstrategieën niet alleen gebaseerd zijn op de productie van meer voedsel, met name de productie van grote hoeveelheden gewassen die alleen veel calorieën bevatten, omdat een overwicht van dergelijke producten tekorten aan voedingsstoffen kan veroorzaken;

–  maatregelen te beletten die de toegang tot passende voeding en voedsel zouden belemmeren, met name maatregelen waardoor mensen geen toegang meer krijgen tot en geen gebruik meer kunnen maken van hulpbronnen en productiemiddelen die ze nodig hebben om te overleven;

–  ervoor te zorgen dat voeding deel uitmaakt van de elementaire openbare diensten (waaronder gezondheidszorg, water en sanitaire voorzieningen);

–  zich te verplichten tot de volledige tenuitvoerlegging van de internationale gedragscode voor het op de markt brengen van vervangingsmiddelen voor moedermelk en de resoluties van de assemblee van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) over de voeding van zuigelingen en jonge kinderen;

–  beleid uit te tekenen dat bijdraagt tot een sterkere positie en tot de emancipatie van vrouwen op het platteland, specifiek rekening houdend met hun beperkingen op het gebied van tijd en mobiliteit;

–  gelijke rechten voor vrouwen en hun participatie in de maatschappij en in de besluitvorming te verzekeren, met name wat betreft toegang tot land, financiering en hulpbronnen;

–  ervoor te zorgen dat de omvorming van de landbouw vrouwen ten goede komt, door de bestrijding van discriminerende gebruiken en de verwijdering van discriminerende bepalingen die de toegang tot hulpbronnen belemmeren;

–  in de kaders voor samenwerking tussen landen concrete doelstellingen op te nemen om de positie van vrouwen te versterken, alsook een concreet tijdschema voor de verwezenlijking daarvan; te kiezen voor een gendervriendelijke aanpak bij de financiering en bij de permanente evaluatie van projecten, door gebruik te maken van naar gender uitgesplitste gegevens;

–  het genderperspectief op te nemen in officiële statistieken en indices over het beleid inzake plattelandsontwikkeling, om goede praktijken te kunnen identificeren en strategieën beter te kunnen afstemmen;

–  voor alle initiatieven transparantie- en verantwoordingsmechanismen op te zetten;

–  ervoor te zorgen dat de evaluaties en effectbeoordelingen van alle projecten worden uitgevoerd door onafhankelijke instanties, met gebruikmaking van een ruime waaier aan indicatoren om de gevolgen voor de voedselzekerheid, voeding en armoede te meten, en aldus ook de vooruitgang van elk land in het kader van de NAFSN uitgebreid te evalueren;

–  ervoor te zorgen dat financiële, fiscale of administratieve hervormingen investeerders niet vrijstellen van een billijke bijdrage aan de belastinggrondslag van de deelnemende landen of investeerders een oneerlijk voordeel bieden tegenover kleine landbouwers;

–  ervoor te zorgen dat hun respectieve regeringen het recht behouden om de eigen landbouw- en voedselmarkt te beschermen door middel van passende tarief- en belastingregelingen, die absoluut noodzakelijk zijn voor de aanpak van financiële speculatie en belastingontwijking;

–  de vrijwillige richtsnoeren voor verantwoord beheer van bodemgebruik, visserij en bosbouw ten uitvoer te leggen door middel van participerende en inclusieve mechanismen waarbij prioriteit wordt gegeven aan de rechten en de behoeften van de legitieme houders van rechten op grond;

–  een herziening uit te voeren van het overheidsbeleid en de projecten om te voorkomen dat deze landroof aanmoedigen;

–  beleidsmaatregelen te nemen die verantwoordelijke handel bevorderen en zich te verplichten tot de verwijdering van tarifaire belemmeringen die de regionale handel in de weg staan;

Aanbevelingen – EU en lidstaten

42.  roept de EU en de lidstaten, als grootste donor van ontwikkelingshulp ter wereld, op:

–  hun steun aan de NASFN en aan intensieve samenwerking afhankelijk te stellen van de bovengenoemde voorwaarden;

–  bedrijven volledige aansprakelijk te maken met betrekking tot mensenrechten en grondrechten en met betrekking tot sociale, milieu- en arbeidsnormen, en met name de extraterritoriale verplichtingen (ETO's) van staten na te leven door ervoor te zorgen dat hun beleid niet bijdraagt tot schending van de mensenrechten in andere landen, en dat niet-statelijke actoren de uitoefening van deze rechten niet verhinderen;

–  ervoor te zorgen dat uit de EU afkomstige investeerders respect tonen en de overige partners van de alliantie ertoe aanzetten respect te tonen voor de rechten van lokale gemeenschappen en de behoeften van kleine landbouwondernemingen, door in de kaders voor samenwerking te kiezen voor een op mensenrechten gebaseerde aanpak, inclusief waarborgen op het gebied van sociale, milieu- en arbeidsnormen en mensenrechten en grondrechten, alsook de grootste transparantie ten aanzien van hun investeringsplannen;

–  ervoor te zorgen dat uit de EU afkomstige investeerders bij het opstellen van arbeidscontracten een beleid van maatschappelijk verantwoord ondernemen toepassen en hun economisch voordeel niet misbruiken ten nadele van werknemers van lokale gemeenschappen;

–  de deelnemende landen ertoe aan te moedigen op democratische wijze hun eigen beleid, prioriteiten en strategieën op het gebied van landbouw en voedsel ten uitvoer te leggen in het kader van een duurzaam landbouwmodel;

–  te erkennen dat het voor de deelnemende landen een noodzaak is om voedselveiligheid te realiseren en hun recht te verdedigen om zo zelfbedruipend mogelijk te zijn;

–  lokale Afrikaanse ondernemingen en belanghebbenden te ondersteunen en te verdedigen als belangrijkste actoren en als begunstigden van de NAFSN-initiatieven;

–  het recente WTO-besluit ten uitvoer te leggen om exportsubsidies voor de landbouw af te schaffen, omdat deze de lokale markten verstoren en de bestaansmiddelen in de ontwikkelingslanden vernietigen;

–  tarifaire belemmeringen te verwijderen waarvan een ontmoedigend effect uitgaat op Afrikaanse landen om onverwerkte producten lokaal een meerwaarde te geven;

–  te zorgen voor doeltreffende EU-programma's, waarbij meer aandacht uitgaat naar kleinschaliger en meer plaats- of streekgebonden projecten;

–  te overwegen dat bruisende, gezonde plattelandsgemeenschappen en -economieën en vruchtbare, productieve en veerkrachtige landbouwsystemen ervoor kunnen zorgen dat mensen op het land kunnen blijven leven, en aldus bijdragen tot een grotere mondiale stabiliteit door massamigratie te voorkomen;

43.  verzoekt de deelnemende regeringen en investeerders een dialoog over de NASFN aan te gaan met het maatschappelijk middenveld, de plaatselijke gemeenschappen en andere instanties, ervoor te zorgen dat de akkoorden die gesloten worden op transparante wijze beschikbaar zijn in het publieke domein, en te verzekeren dat de relevante maatschappelijke organisaties in de besluitvormingsorganen van de NAFSN vertegenwoordigd zijn.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

15.3.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

35

3

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

John Stuart Agnew, Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Paul Brannen, Daniel Buda, Nicola Caputo, Matt Carthy, Michel Dantin, Paolo De Castro, Albert Deß, Diane Dodds, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Edouard Ferrand, Luke Ming Flanagan, Beata Gosiewska, Martin Häusling, Esther Herranz García, Jan Huitema, Peter Jahr, Elisabeth Köstinger, Zbigniew Kuźmiuk, Philippe Loiseau, Mairead McGuinness, Giulia Moi, Ulrike Müller, James Nicholson, Maria Noichl, Marijana Petir, Laurenţiu Rebega, Bronis Ropė, Jordi Sebastià, Jasenko Selimovic, Lidia Senra Rodríguez, Czesław Adam Siekierski, Marc Tarabella

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Pilar Ayuso, Franc Bogovič, Rosa D’Amato, Jørn Dohrmann, Peter Eriksson, Julie Girling, Ivan Jakovčić, Karin Kadenbach, Sofia Ribeiro, Tibor Szanyi

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

20.4.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

0

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Beatriz Becerra Basterrechea, Ignazio Corrao, Nirj Deva, Doru-Claudian Frunzulică, Enrique Guerrero Salom, Heidi Hautala, Maria Heubuch, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Linda McAvan, Maurice Ponga, Cristian Dan Preda, Lola Sánchez Caldentey, Elly Schlein, Pedro Silva Pereira, Davor Ivo Stier, Paavo Väyrynen, Bogdan Brunon Wenta, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Marina Albiol Guzmán, Brian Hayes, Paul Rübig

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Amjad Bashir, Tiziana Beghin, Miroslav Poche

(1)

Een EU-beleidskader voor steun aan ontwikkelingslanden bij de aanpak van voedselzekerheidsproblemen COM(2010)0127.

(2)

Slotverklaring van de wereldtop over voedselzekerheid, FAO, 2009.

(3)

FAO, Global Soil Partnership.

(4)

Mwachinga, E. (Werkgroep voor belastingvereenvoudiging, Wereldbankgroep), Resultaten van onderzoek naar de motivering van investeerders in de EAC, presentatie in Lusaka op 12.2.2013.

(5)

Ondersteuning van de ontwikkeling van effectievere belastingsystemen, een rapport van het IMF, de OESO en de Wereldbank aan de G20-werkgroep van 2011.

Juridische mededeling