Procedure : 2015/2280(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0202/2016

Ingediende teksten :

A8-0202/2016

Debatten :

PV 12/09/2016 - 19
CRE 12/09/2016 - 19

Stemmingen :

PV 13/09/2016 - 4.2
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0321

VERSLAG     
PDF 554kWORD 152k
9.6.2016
PE 577.064v02-00 A8-0202/2016

over Europese territoriale samenwerking – beste praktijken en innovatieve maatregelen

(2015/2280(INI))

Commissie regionale ontwikkeling

Rapporteur: Iskra Mihaylova

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over Europese territoriale samenwerking – beste praktijken en innovatieve maatregelen

(2015/2280(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name titel XVIII,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (hierna de "verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen" genoemd)(1),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en specifieke bepalingen met betrekking tot de doelstelling "Investeren in groei en werkgelegenheid", en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1080/2006(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking"(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 1302/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1082/2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), wat de verduidelijking, vereenvoudiging en verbetering van de oprichting en werking van dergelijke groeperingen betreft(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 236/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften en procedures voor de tenuitvoerlegging van de instrumenten van de Unie ter financiering van extern optreden(5),

–  gezien Verordening (EU) nr. 231/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor pretoetredingssteun (IPA II)(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 232/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een Europees nabuurschapsinstrument(7),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(8),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(9),

–  gezien de "Territoriale Agenda van de Europese Unie 2020: voor een geïntegreerd, intelligent en duurzaam Europa van diverse regio's", zoals overeengekomen tijdens de informele bijeenkomst van de voor ruimtelijke ordening en territoriale ontwikkeling bevoegde ministers te Gödöllő, Hongarije, op 19 mei 2011,

–  gezien zijn resolutie van 14 januari 2014 over de gereedheid van de EU-lidstaten voor een doeltreffende en tijdige aanvang van de nieuwe programmeringsperiode van het cohesiebeleid(10),

–  gezien zijn resolutie van 27 november 2014 over vertraging bij de start van het cohesiebeleid 2014-2020(11),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2014 getiteld "Een investeringsplan voor Europa" (COM(2014) 903),

–  gezien het zesde verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie (COM(2014) 473),

–  gezien zijn resolutie van 9 september 2015 over investeringen ter bevordering van banen en groei: bevordering van de economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie(12),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010 over "Europa 2020 – Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" (COM(2010)2020),

–  gezien zijn resolutie van 28 oktober 2015 over het cohesiebeleid en de evaluatie van de Europa 2020-strategie(13),

–  gezien zijn resolutie van 26 november 2015 getiteld "Naar vereenvoudiging en prestatiegerichtheid van het cohesiebeleid 2014-2020"(14),

–  gezien Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2015 betreffende het Europees Fonds voor strategische investeringen, de Europese investeringsadvieshub en het Europese investeringsprojectenportaal en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1291/2013 en (EU) nr. 1316/2013 – het Europees Fonds voor strategische investeringen(15),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's betreffende de toegevoegde waarde van macroregionale strategieën (COM(2013) 468) en de desbetreffende conclusies van de Raad van 22 oktober 2013,

–  gezien de studie van zijn directoraat-generaal Intern Beleid (beleidsondersteunende afdeling B: Structuur- en Cohesiebeleid) van januari 2015 over de nieuwe rol van macroregio's in de Europese territoriale samenwerking,

–  gezien de studie van zijn directoraat-generaal Intern Beleid (beleidsondersteunende afdeling B: Structuur- en Cohesiebeleid) van juli 2015 over de Europese groepering voor territoriale samenwerking als instrument voor bevordering en verbetering van Europese territoriale samenwerking,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 22 februari 2016 getiteld "Investeringsplan voor Europa: nieuwe richtsnoeren voor de combinatie van Europese structuur- en investeringsfondsen en het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI)",

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van mei 2015 getiteld "Financiële instrumenten ter ondersteuning van territoriale ontwikkeling",

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 december 2015 getiteld "Investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen" (COM(2015) 639),

–  gezien de verklaring van het Comité van de Regio's van 2 september 2015 over 25 jaar Interreg: nieuwe stimulansen voor grensoverschrijdende samenwerking(16),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van december 2015 getiteld "Territoriale visie 2050: wat is de toekomst?",

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 17 december 2015 over versterking van de grensoverschrijdende samenwerking: de behoefte aan een beter regelgevingskader,

–  gezien het door het Luxemburgse voorzitterschap van de Raad voorbereide achtergronddocument over terugkijken op 25 jaar Interreg en voorbereiden van de toekomst van territoriale samenwerking,

–  gezien de conclusies van de Raad betreffende 25 jaar Interreg: zijn bijdrage aan de doelen van het cohesiebeleid,

–  gezien het initiatief van het Luxemburgse voorzitterschap betreffende speciale wettelijke bepalingen voor grensregio's om tegemoet te komen aan de behoeften en uitdagingen in deze gebieden, getiteld "Instrument voor de toekenning en toepassing van speciale bepalingen in grensregio's"(17),

–  gezien de EU-brede openbare raadpleging van de Commissie, gestart op 21 september 2015 ter gelegenheid van de Dag van de Europese samenwerking, over de resterende obstakels voor grensoverschrijdende samenwerking(18),

–  gezien de resultaten van de eerste Eurobarometerenquête ooit over dit onderwerp, die de Commissie in 2015 heeft gehouden om de attitudes van burgers in grensgebieden te inventariseren en in kaart te brengen teneinde de EU in staat te stellen gerichter op te treden(19),

–  gezien het OESO-rapport van 2013 getiteld "Regio's en innovatie: samenwerking over de grenzen heen",

–  gezien het verslag van het Comité van de Regio's getiteld "EGTS-monitoringverslag 2014 – Tenuitvoerlegging van de Europa 2020-strategie"(20),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0202/2016),

A.  overwegende dat ongeveer 38 % van de Europese bevolking in een grensstreek woont en dat de EU kampt met een ernstige economische, financiële en sociale crisis die vooral voor vrouwen op alle fronten belemmerend is; overwegende dat de EU gendergelijkheid tot een van de hoofdelementen van alle beleidsmaatregelen en -acties in verband met Europese Territoriale Samenwerking (ETS) moet maken;

B.  overwegende dat het overkoepelende doel van ETS erin bestaat de invloed van nationale grenzen te verkleinen teneinde de verschillen tussen regio's te verminderen door de resterende obstakels voor investeringen en grensoverschrijdende samenwerking weg te werken, de cohesie te versterken en een harmonieuze economische, sociale en culturele ontwikkeling van de gehele Unie te bevorderen;

C.  overwegende dat ETS een onderdeel is van het cohesiebeleid, aangezien ze de territoriale samenhang van de Unie versterkt;

D.  overwegende dat de lidstaten de mogelijkheid hebben gebruik te maken van ETS om uitdagingen als gevolg van de migratiecrisis het hoofd te bieden;

E.  overwegende dat nog steeds slechts weinig Europese burgers het volledig potentieel van de interne EU-markt en de vrijheid van verkeer binnen de EU benutten;

F.  overwegende dat er volgens de beginselen van gedeeld beheer, meerlagig bestuur en partnerschap, ETS-programma's zijn ontwikkeld in een collectief proces waarin een breed scala aan Europese, nationale, regionale en lokale actoren de krachten hebben gebundeld om gemeenschappelijke grensoverschrijdende problemen aan te pakken en de uitwisseling van beproefde praktijken te vergemakkelijken;

G.  overwegende dat er gezamenlijk moet worden nagedacht over de structuur van de ETS na 2020;

Europese meerwaarde van ETS, beproefde praktijken en bijdrage aan de doelen van de Europa 2020-strategie

1.  wijst erop dat ETS een van de twee even belangrijke doelen van het cohesiebeleid 2014-2020 is geworden, met een eigen regelgeving; onderstreept echter dat de ETS-begroting van 10,1 miljard euro slechts 2,8 % van de begroting voor het cohesiebeleid uitmaakt, niet in overeenstemming is met de grote uitdagingen die de ETS moet aangaan en de grote Europese meerwaarde van ETS niet weerspiegelt; herinnert eraan dat het Parlement teleurgesteld was over het resultaat van de onderhandelingen over het MFK voor 2014-2020, met name over de verlaging van de kredieten voor ETS; is ervan overtuigd dat een hoger budget voor ETS in de volgende programmeringsperiode de meerwaarde van het cohesiebeleid zal vergroten; verzoekt om striktere naleving van artikel 174 VWEU inzake territoriale cohesie, met name ten aanzien van plattelandsgebieden en gebieden die een industriële overgang doormaken, alsook van regio's die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen, zoals de ultraperifere gebieden, de dunbevolkte meest noordelijke regio's en de insulaire, grensoverschrijdende en berggebieden; verzoekt de Commissie en de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid bijzondere aandacht te besteden aan de regio's die het in geografisch en demografisch opzicht het moeilijkst hebben;

2.  wijst erop dat ETS, overeenkomstig de Europa 2020-doelen, een nieuwe vorm heeft gekregen om meer effect te sorteren door thematische concentratie en resultaatgerichtheid centraal te stellen, zonder dat dit ten koste gaat van een regiovriendelijke benadering die ervoor zorgt dat regionale prioriteiten kunnen blijven bestaan; is van mening dat er nadere aandacht moet worden besteed aan de specifieke kenmerken van ETS; vraagt daarom dat ETS-programma's beter worden geëvalueerd om het effect en de meerwaarde ervan aan te tonen;

3.  wijst erop dat grensoverschrijdende samenwerking een uiterst belangrijk instrument is gebleken voor de ontwikkeling van grensgebieden, die als echte proeftuinen van Europese integratie worden beschouwd; benadrukt dat grensoverschrijdende samenwerking in de perioden 2000-2006 en 2007-2013 werd gekenmerkt door een duidelijke oriëntatie op meer strategisch gerichte prioriteiten en beproefde praktijken op het gebied van betere verbindingen en toegankelijkheid, overdracht van kennis en innovatie, versterking van de regionale identiteit, aanpak van milieuproblemen, vergroting van de institutionele capaciteit, gezondheidszorg, onderwijs, werkgelegenheid en arbeidsmobiliteit, alsook op civiele bescherming, in het kader waarvan nieuwe partnerschappen tot stand werden gebracht en bestaande werden geconsolideerd;

4.  erkent dat transnationale samenwerking nuttig is geweest voor het ondersteunen van onderzoek, innovatie en de kenniseconomie, aanpassing aan de klimaatverandering en bevordering van duurzaam vervoer en mobiliteit door middel van transnationale benaderingen, en heeft bijgedragen aan de vergroting van de institutionele capaciteit; benadrukt dat een geïntegreerde territoriale benadering en transnationale samenwerking bijzonder belangrijk zijn voor de bescherming van het milieu, met name op het gebied van water, biodiversiteit en energie;

5.  erkent dat interregionale samenwerking steden en regio's in staat heeft gesteld samen te werken met betrekking tot tal van kwesties en thema's, met een uitwisseling van ervaringen en beproefde praktijken, en dat hierdoor veel regionaal en lokaal beleid doeltreffender is geworden; meent dat de grote ontwikkelingskloof tussen plattelandsgebieden en stedelijke gebieden en de problemen van grootstedelijke gebieden moeten worden aangepakt;

6.  is van mening dat doeltreffende grensoverschrijdende en transnationale samenwerking een geografisch gebied aantrekkelijker maakt voor handelsondernemingen omdat plaatselijk, regionaal en grensoverschrijdend potentieel en het menselijk kapitaal zo effectief mogelijk wordt benut om beter te voldoen aan de behoeften en verwachtingen van het bedrijfsleven, maar ook om bedrijfsverplaatsingen naar derde landen, ontvolking van EU-regio's en toename van de werkloosheid te voorkomen;

7.  is ervan overtuigd dat ETS een aanzienlijke Europese meerwaarde biedt en bijdraagt tot vrede, stabiliteit en regionale integratie, onder meer in het kader van het uitbreidings- en nabuurschapsbeleid, alsook wereldwijd dankzij de verspreiding van goede praktijken; is van mening dat grensoverschrijdende samenwerking meerwaarde kan opleveren voor het beheer van de migratiecrisis;

8.  wijst erop dat voor de periode 2014-2020 ongeveer 41 % van de EFRO-begroting(21) voor ETS zal worden geïnvesteerd in maatregelen ter verbetering van het milieu, 27 % in versterking van slimme groei, met inbegrip van onderzoek en innovatie en 13 % in de bevordering van inclusieve groei door middel van activiteiten in verband met werkgelegenheid, onderwijs en opleiding, terwijl 33 programma's gericht zullen zijn op het verbeteren van algemene grensoverschrijdende verbindingen; merkt voorts op dat 790 miljoen euro zal worden toegewezen aan vergroting van de institutionele capaciteit door het instellen of versterken van samenwerkingsstructuren en het verbeteren van de efficiëntie van openbare diensten;

9.  onderstreept dat het concept van resultaatgerichtheid vereist dat bij Interreg-programma's hoogwaardige samenwerking op projectniveau wordt gewaarborgd en dat er een nieuw soort evaluatie wordt ingevoerd, die rekening houdt met de specifieke aard van elk programma en die de administratieve lasten voor de begunstigden en de beheersautoriteiten helpt verminderen; verzoekt de Commissie, de lidstaten en de beheerinstanties samen te werken en informatie en beproefde praktijken uit te wisselen om te onderzoeken hoe resultaatgerichtheid aan specifieke ETS-kenmerken kan worden aangepast en hiervoor richtsnoeren uit te vaardigen; erkent dat de volledige meerwaarde van ETS-programma's niet alleen aan de hand van kwantitatieve indicatoren kan worden gemeten en vraagt de Commissie meer kwalitatieve indicatoren vast te stellen om de resultaten van territoriale samenwerking beter weer te geven;

10.  betreurt de late vaststelling van Interreg-programma's en verzoekt de Commissie en de lidstaten dringend om zich in te zetten voor een doeltreffende en succesvolle uitvoering hiervan en voor het wegwerken van obstakels die grensoverschrijdende samenwerking in de weg staan, zodat de kritieke kwesties waarop reeds in de programmeringsperiode 2007-2013 is gewezen, worden vermeden; verzoekt de Commissie alle nodige maatregelen te nemen om meer vaart te zetten achter de tenuitvoerlegging van ETS-programma's;

11.  betreurt het gebrek aan betrouwbare grensoverschrijdende gegevens en bewijs voor de doeltreffendheid van grensoverschrijdende samenwerking wat betreft de rapportage over resultaten; verzoekt de Commissie, Eurostat en de beheerinstanties dan ook om samen gemeenschappelijke beoordelingscriteria op te stellen en gezamenlijk één databank te coördineren, en methoden te ontwikkelen voor het grensoverschrijdend verstrekken, gebruiken en uitwisselen van betrouwbare gegevens; neemt nota van de bestaande uitdagingen voor de tenuitvoerlegging van geïntegreerde territoriale benaderingen, die voortvloeien uit de zeer uiteenlopende mate van inspraak van de regionale en lokale overheden van de lidstaten;

12.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en de beheerinstanties naar behoren gestructureerde monitoringsystemen en evaluatieplannen op te stellen om de behaalde resultaten op het gebied van de Europa 2020-doelen en territoriale integratie beter te kunnen evalueren;

Bijdrage aan de territoriale cohesie

13.  onderstreept dat ETS in belangrijke mate bijdraagt aan de versterking van de EU-doelstelling van territoriale cohesie door verschillende sectorale beleidsmaatregelen op territoriale schaal te integreren; is ingenomen met de studie van het Europees waarnemingsnetwerk voor ruimtelijke ordening (ESPON) getiteld "ET2050: Territorial Scenarios and Visions for Europe", die kan fungeren als referentiekader voor verdere discussie over de voorbereiding van het cohesiebeleid na 2020;

14.  herinnert aan het belang van geïntegreerde territoriale investeringen (ITI) en vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD), die niet breed genoeg in de Interreg-programma's voor 2014-2020 worden ingevoerd en moedigt de lidstaten aan hier meer gebruik van te maken, benadrukkend dat dit een sterkere participatie van de regio's en de lokale overheden zal vereisen; verzoekt de Commissie en de lidstaten voorlichtings- en opleidingsprogramma's op te zetten voor de begunstigden;

15.  is van mening dat de nieuwe instrumenten voor territoriale ontwikkeling, zoals ITI en CLLD, kunnen dienen voor investeringen in infrastructuur op sociaal, gezondheidszorg- en onderwijsgebied, de sanering van achtergebleven stedelijke gebieden, het scheppen van werkgelegenheid en andere maatregelen die tot doel hebben het isolement van migranten te verkleinen en hun integratie te bevorderen;

16.  beveelt aan speciale aandacht te schenken aan projecten die tot doel hebben gemeenten en regio's aan te passen aan de nieuwe demografische situatie en de daaruit voortvloeiende onevenwichtigheden tegen te gaan, met name door: 1) de sociale en mobiliteitsinfrastructuur aan de demografische veranderingen en migratiestromen aan te passen; 2) goederen en diensten aan te bieden die specifiek op de verouderende bevolking zijn gericht; 3) arbeidskansen voor ouderen, vrouwen en migranten te ondersteunen en zo de sociale inclusie te bevorderen; 4) digitale verbindingen te verbeteren en platforms tot stand te brengen die de burgers in de meest afgelegen gebieden in staat stellen deel te nemen aan en te interageren met de diverse administratieve, sociale en politieke diensten van instanties op alle niveaus (lokaal, regionaal, nationaal en Europees);

17.  wijst op de rol van ETS in insulaire, ultraperifere en dunbevolkte regio's en berg- en plattelandsgebieden als belangrijk instrument om hun regionale samenwerking en integratie te versterken; verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem bijzondere aandacht te besteden aan het gebruik van de ETS-fondsen in deze regio's, ook die met grenzen met derde landen, teneinde de tenuitvoerlegging van met ETS-middelen gefinancierde grensoverschrijdende projecten te verbeteren;

18.  wijst op de complementaire aard van ETS en macroregionale strategieën bij het aanpakken van gemeenschappelijke uitdagingen in grotere functionele gebieden, alsook op de positieve rol die macroregionale strategieën kunnen spelen in de aanpak van gemeenschappelijke uitdagingen waarmee macroregio's worden geconfronteerd;

19.  is van mening dat moet worden gestreefd naar meer coördinatie, synergie en complementariteit tussen grensoverschrijdende en transnationale elementen met het oog op een betere samenwerking en integratie in grotere strategische gebieden; vraagt om betere coördinatie tussen beheerinstanties en partijen die een rol spelen in de macroregionale strategieën; dringt er bij de Commissie op aan de samenwerking te versterken en de ETS-programma's beter af te stemmen op de nationale en regionale programma's tijdens de uitwerking daarvan, teneinde complementariteit aan te moedigen en overlapping te voorkomen;

20.  merkt op dat sommige regio's te maken hebben met grote uitdagingen op het gebied van migratie en moedigt het gebruik en de spoedeisende tenuitvoerlegging van Interreg-programma's aan om onder meer de vluchtelingencrisis aan te pakken en te zorgen voor de uitwisseling van beproefde praktijken tussen plaatselijke en regionale autoriteiten in grensgebieden, met inbegrip van derde landen, met name door middel van macroregionale strategieën;

Steun voor onderzoek en innovatie

21.  wijst op de resultaten op het gebied van onderzoek en innovatie, zoals gezamenlijke onderzoeksprojecten, samenwerking tussen onderzoeksinstellingen en bedrijven, oprichting van internationale grensuniversiteiten, grensoverschrijdende onderzoekscentra en opleidingsinstituten, de totstandbrenging van grensoverschrijdende clusters en netwerken van ondernemingen, grensoverschrijdende starterscentra en adviesdiensten voor kmo's, "high-tech"-profilering om buitenlandse investeerders aan te trekken, enz.; wijst op de belangrijke rol die Interreg-programma's vervullen bij de versterking van het concurrentievermogen en het vergroten van innovatiemogelijkheden van regio's doordat zij synergie tussen slimme specialisatiestrategieën, samenwerking tussen clusters en ontwikkeling van innovatienetwerken bevorderen; vraagt de Commissie een volledig overzicht te geven van de territoriale samenwerking in het kader van het EFRO en het ESF op basis van het gemeenschappelijk strategisch kader (bijlage I bij de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (Verordening (EU) nr. 1303/2013));

22.   is zich ervan bewust dat investeringen op het gebied van slimme groei, met inbegrip van onderzoek en innovatie, 27 % van de EFRO-gelden voor programma's voor grensoverschrijdende samenwerking voor de periode 2014-2020 vertegenwoordigen(22); merkt tevens op dat 35 % van de begroting van de transnationale programma's wordt besteed aan steun voor slimme groei door versterking van onderzoek en innovatie;

23.  benadrukt dat er grensoverschrijdend innovatiebeleid moet worden ontwikkeld, zoals gemeenschappelijke onderzoeks- en mobiliteitsprogramma's, gemeenschappelijke onderzoekinfrastructuur, partnerschappen en samenwerkingsnetwerken; vestigt de aandacht op het feit dat verschillen in wetgeving tussen de lidstaten een belemmering vormen voor gezamenlijke inspanningen om onderzoek en innovatie over de grenzen heen uit te breiden;

24.  wijst er nadrukkelijk op dat synergie en complementariteit tussen programma's en fondsen zoals de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen), Horizon 2020, het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) en andere EU-fondsen moeten zorgen voor maximale kwantiteit, kwaliteit en impact van de investeringen in onderzoek en innovatie; beveelt aan dat plaatselijke en regionale autoriteiten volledig gebruik maken van de mogelijkheden om die fondsen te combineren om kmo's, onderzoek en innovatieprojecten te ondersteunen, eventueel met inbegrip van grensoverschrijdende projecten; roept de kmo's ertoe op optimaal gebruik te maken van de mogelijkheden die deze fondsen bieden om bij te dragen aan de tenuitvoerlegging van die ETS-programma's;

25.  verzoekt dringend grensoverschrijdende innovatiestrategieën vast te stellen en daarbij te zorgen voor complementariteit met reeds bestaande slimme specialisatiestrategieën en andere bestaande programma's en strategieën; spoort aan tot verkenning van de mogelijkheden voor grensoverschrijdende synergieën en tot beschikbaarstelling van verschillende financieringsbronnen;

26.  benadrukt dat financieringsinstrumenten een integraal onderdeel van ETS-programma's moeten vormen door een aanvulling te vormen op subsidies, met als doel de toegang van kmo's tot financiering, onderzoek en innovatie te ondersteunen; is van mening dat er, als er meer gebruik wordt gemaakt van financieringsinstrumenten, meer investeringen kunnen worden aangetrokken voor de Interreg-projecten, waardoor er nieuwe banen kunnen worden gecreëerd en betere resultaten kunnen worden behaald; wijst op het fundamentele belang van initiatieven op het gebied van technische bijstand en aangepaste opleiding om ten volle te kunnen profiteren van het gebruik van financieringsinstrumenten, zelfs in minder ontwikkelde gebieden;

Bestuur en beleidscoördinatie

27.  herinnert eraan dat in het zesde cohesieverslag te weinig aandacht wordt besteed aan ETS, terwijl dit sinds de programmeringsperiode 2007-2013 een volwaardige doelstelling van het cohesiebeleid is; herinnert aan het potentieel van de Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), niet alleen als instrument voor het ondersteunen en bevorderen van Europese territoriale samenwerking en voor het beheren van grensoverschrijdende projecten, maar ook als middel om bij te dragen aan een volledig geïntegreerde territoriale ontwikkeling en als flexibel platform voor meerlagig bestuur;

28.  is ingenomen met de vereenvoudigde EGTS-verordening (Verordening (EU) nr. 1302/2013), en verzoekt de lidstaten zich meer in te zetten voor het faciliteren van de oprichting van dergelijke groeperingen; wijst er echter op dat deze verordening niet voldoende is om alle wettelijke obstakels voor grensoverschrijdende samenwerking uit de weg te ruimen; is ingenomen met het initiatief van het Luxemburgse voorzitterschap dat een speciaal instrument voor grensregio's heeft voorgesteld dat lidstaten de mogelijkheid biedt om specifieke wettelijke bepalingen overeen te komen; is ingenomen met het initiatief van de Commissie om tegen het eind van 2016 een analyse te maken van de obstakels die grensoverschrijdende samenwerking in de weg staan, waarbij wordt gekeken naar oplossingen en voorbeelden van beproefde praktijken; verzoekt de Commissie om in deze analyse ook een studie over de behoeften van grensregio's op te nemen; kijkt met belangstelling uit naar de resultaten van de EU-brede openbare raadpleging van de Commissie, die op 21 september 2015 is gestart, over de resterende obstakels voor grensoverschrijdende samenwerking; verzoekt de Commissie in haar analyse rekening te houden met de aanbevelingen van het Parlement en de uitkomsten van de openbare raadpleging;

29.  is van mening dat Interreg-programma's overeengekomen programmaprioriteiten en afspraken over de aanpak van de interventie moeten eerbiedigen en een aanvulling moeten vormen op andere toepasselijke financiering, en dat zij tevens steun moeten bieden bij het oplossen van migratiekwesties en doeltreffend integratiebeleid moeten bevorderen; wenst dat gebruik wordt gemaakt van de bereidheid van de Commissie om snel de wijzigingen in de operationele programma's 2014-2020 te behandelen en goed te keuren wanneer de lidstaten daarom vragen met als enige doel een oplossing te vinden voor problemen in verband met de vluchtelingencrisis;

30.  moedigt aan tot een bredere toepassing van financieringsinstrumenten als flexibele mechanismen naast subsidies; wijst erop dat financieringsinstrumenten, als ze doeltreffend worden gebruikt, het effect van financiering aanzienlijk kunnen vergroten; benadrukt in dit verband dat er duidelijke, consistente en doelgerichte regels inzake financieringsinstrumenten nodig zijn om de voorbereiding en tenuitvoerlegging voor fondsbeheerders en begunstigden gemakkelijker te maken; vestigt de aandacht op de mogelijkheid om gebruik te maken van specifieke deskundigheid en knowhow via de instrumenten voor financiële engineering en technische bijstand van de EIB;

31.  onderstreept dat de mogelijke complementariteit tussen Interreg-programma's en andere door de EU gefinancierde programma's in de periode 2007-2013 niet voldoende is beoordeeld; roept op tot instelling van geschikte coördinatiemechanismen om te zorgen voor doeltreffende coördinatie, complementariteit en synergie tussen de ESI-fondsen en andere gemeenschaps- en nationale financieringsinstrumenten, zoals Horizon 2020, en met het EFSI en de EIB;

32.  adviseert lopende evaluaties gericht op de speciale beoordeling van de doeltreffendheid van de synergie tussen programma's op te nemen in de evaluatieplannen van de beheerinstanties;

33.  benadrukt dat grensoverschrijdende arbeidsmarkten steeds belangrijker worden en een enorme dynamiek voor het scheppen van rijkdom en banen inhouden; verzoekt de Commissie en de lidstaten ten volle gebruik te maken van de mogelijkheden van de Interreg-programma's om grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit te vergemakkelijken, onder meer door middel van de bevordering van het beginsel van gelijke kansen, door, indien nodig, het administratieve en sociale regelgevingskader aan te passen en door meer overleg te plegen tussen alle bestuursniveaus;

34.  pleit voor meer synergie en complementariteit tussen de ETS-programma's en de Eures-diensten, aangezien deze een bijzonder belangrijke rol spelen in grensoverschrijdende regio's met veel grensarbeiders; vraagt de lidstaten en de regio's volop gebruik te maken van de mogelijkheden die de Eures-diensten bieden voor werkgelegenheid en arbeidsmobiliteit in de hele EU;

35.  is ervan overtuigd dat het beginsel van meerlagig bestuur, het partnerschapsbeginsel en de daadwerkelijke toepassing van de Europese gedragscode bijzonder belangrijk zijn voor de ontwikkeling van Interreg-programma's;

Vereenvoudiging

36.  benadrukt dat, ongeacht het bestaan van afzonderlijke regelgeving voor ETS, de uitvoering van territoriale samenwerkingsprogramma's verder vereenvoudigd moeten worden en verzoekt de groep op hoog niveau inzake vereenvoudiging maatregelen te overwegen voor vereenvoudiging en vermindering van de administratieve last voor begunstigden voordat wordt begonnen met het wetgevingsvoorstel inzake ETS en de opstelling van de Interreg-programma's voor de periode na 2020;

37.  verzoekt de Commissie speciale maatregelen voor te stellen om de regels voor rapportage, auditing en staatssteun te vereenvoudigen en procedures te harmoniseren; dringt erop aan standaardvereisten te formuleren voor alle Interreg-programma's per onderdeel;

38.  verzoekt de lidstaten hun nationale bepalingen te vereenvoudigen en overregulering ("gold-plating") te vermijden; dringt aan op de invoering van e-cohesie en stroomlijning van administratieve procedures;

39.  benadrukt dat de regelingen voor betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en particuliere belanghebbenden moeten worden verbreed en dat daarbij steeds rekening moet worden gehouden met de noodzaak van transparantie en verantwoordingsplicht; wijst erop dat de totstandbrenging van publiek-private partnerschappen een aantal potentiële voordelen kan opleveren, maar een risico op belangenconflict inhoudt dat op passende wijze moet worden tegengegaan met zowel harde als zachte wetgevingsinstrumenten; verzoekt de Commissie tijdig consistente en duidelijke richtsnoeren te verstrekken voor de toepassing van financieringsinstrumenten in ETS-programma's;

40.  benadrukt dat alle vereenvoudigingen in programma's ten behoeve van groei en werkgelegenheid ook voor Interreg-programma's moeten gelden;

41.  benadrukt dat het van belang is in het kader van de toepassing van de vereenvoudigingsmaatregelen mechanismen te creëren voor de begeleiding van begunstigden;

42.  is van mening dat prioriteit moet worden gegeven aan het bundelen van de krachten in het veld en het bevorderen van wederzijds vertrouwen tussen de actoren over de grenzen heen, en dat financieringsinstrumenten bij deze inspanningen een waardevolle hulp kunnen zijn;

Aanbevelingen voor de toekomst

43.  is van mening dat ETS haar effectiviteit heeft bewezen en dat het potentieel ervan verder moet worden ontwikkeld; wijst op het potentieel ervan buiten het regionaal beleid op terreinen als de interne markt, de digitale agenda, werkgelegenheid, mobiliteit, energie, onderzoek, onderwijs, cultuur, gezondheid en het milieu, en verzoekt de Commissie en de lidstaten derhalve te overwegen om ETS als een belangrijk instrument te behouden en daar in het cohesiebeleid na 2020 een duidelijker rol aan toe te kennen en een aanzienlijk ruimer budget;

44.  vindt dat de fundamentele samenwerkingsfilosofie, met inbegrip van het hoofdbegunstigdebeginsel, en de huidige structuur van ETS moeten worden gehandhaafd, evenals de nadruk op de grensoverschrijdende component; vraagt de Commissie na te gaan of er op basis van de 25 jaar ervaring met ETS een reeks geharmoniseerde criteria kan worden ontwikkeld, die niet alleen gebaseerd zijn op bevolkingsomvang, maar ook op specifieke sociaal-economische en territoriale kenmerken;

45.  benadrukt het belang van grensoverschrijdende samenwerking aan de buitengrenzen van de EU in het kader van het instrument voor pretoetredingssteun en het Europees nabuurschapsinstrument; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat beproefde praktijken die tot lastenverlichting voor de begunstigden van Interreg-programma's leiden, ook kunnen worden toegepast op programma's die aan de buitengrenzen van de EU worden uitgevoerd;

46.  herinnert aan de mogelijkheden voor samenwerking aan de basis tussen burgers die het zogenoemde Fonds voor kleinschalige projecten biedt, dat financiële middelen beschikbaar stelt voor kleine of microprojecten ter bevordering van engagement van burgers, met speciale aandacht voor kleinschalige grensoverschrijdende samenwerkingsprojecten tussen naburige grensregio's; wenst dat de financiering van dergelijke projecten wordt aangemoedigd, maar wijst erop dat dit extra inspanningen op het vlak van vereenvoudiging en flexibiliteit zal vereisen;

47.  moedigt aan tot het opstellen van gemeenschappelijke strategieën voor grensgebieden die tot doel hebben een geïntegreerde en duurzame territoriale ontwikkeling te bevorderen en die onder meer bestaan in de uitvoering en verspreiding van geïntegreerde benaderingen en de harmonisatie van administratieve procedures en wettelijke bepalingen over de grenzen heen; wijst erop hoe belangrijk het is om een evenwichtige territoriale ontwikkeling binnen regio's te bevorderen;

48.  meent dat er meer aandacht moet worden besteed aan het bevorderen van grensoverschrijdende samenwerking tussen grensregio's in de bergen, met prioriteit voor plattelandsgebieden;

49.  benadrukt dat culturele samenwerking een van de doelstellingen van de Europese territoriale samenwerking moet zijn; is daarom van mening dat samenwerking op het gebied van cultuur en onderwijs tussen grensgebieden die hetzelfde culturele en taalkundige erfgoed delen, sterker moet worden aangemoedigd;

50.  wenst dat regio's en lokale instanties een grotere en belangrijkere rol krijgen bij het voorstellen, beheren en evalueren van ETS, met name wat grensoverschrijdende samenwerking betreft, rekening houdend met het feit dat een aantal regio's reeds dergelijke bevoegdheden hebben;

51.  roept de Commissie rekening te houden met de rol van financieringsinstrumenten als aanvulling op subsidies; acht het van essentieel belang dat er nauwer wordt samengewerkt met de EIB bij het ondersteunen van kmo's en bij het inzetten van de financiële en technische deskundigheid van zowel de Commissie als de EIB als katalysator voor investeringen; verzoekt de Commissie en de EIB de financieringsinstrumenten beter af te stemmen op de doelstellingen van territoriale samenwerking;

52.  verzoekt de Commissie, de lidstaten en de beheerinstanties het voorstel van het Luxemburgse voorzitterschap met betrekking tot de ontwikkeling van een nieuw rechtsinstrument voor het cohesiebeleid na 2020 in overweging te nemen, op grond van de resultaten van de evaluaties achteraf, de uitvoering van de programma's voor 2014-2020 en een deugdelijke effectbeoordeling;

53.  roept de Commissie en de lidstaten op in 2016 op EU-niveau een breed en gestructureerd debat te houden over de toekomst van ETS na 2020, met het oog op de voorbereiding van het cohesiebeleid voor de periode na 2020; benadrukt dat het debat eerst en vooral betrekking moet hebben op kwesties in verband met de structuur van de ETS en de procedure voor de toewijzing van programmabudgetten, alsook op de werkzaamheden met het oog op de totstandbrenging van nieuwe mechanismen om bredere toepassing van het concept van resultaatgerichtheid te waarborgen; vraagt de Commissie samen te werken met het Comité van de Regio's en de belanghebbenden uit het maatschappelijk middenveld en op regionaal niveau;

54.  vraagt om een territoriale visie van de EU op basis van het groenboek inzake territoriale cohesie (COM(2008) 616) en merkt op dat het toekomstige witboek inzake territoriale cohesie ook van belang zou kunnen zijn voor de volgende programmeringsperiode na 2020;

Bewustmaking van het publiek en betere zichtbaarheid

55.  betreurt dat ETS-programma's weinig bekend zijn bij het publiek en onvoldoende zichtbaar zijn en verzoekt om effectievere communicatie over de doelstellingen ervan, de mogelijkheden die zij bieden en de manieren waarop projecten kunnen worden uitgevoerd en, achteraf, over de resultaten van afgeronde projecten; roept de Commissie, de lidstaten en de beheerinstanties op mechanismen en brede institutionele samenwerkingsplatforms in het leven te roepen met het oog op meer zichtbaarheid en bewustmaking; vraagt de Commissie in kaart te brengen welke resultaten de ETS-programma's en -projecten tot dusver hebben opgeleverd en daaraan ruime bekendheid te geven;

56.  vraagt de Commissie en de lidstaten meer aandacht te besteden aan de rol die de EGTS kan spelen om doeltreffender in de lokale behoeften in grensregio's te voorzien;

57.  erkent het belang van de rol die de actoren in het veld spelen en van ondersteuning bij de uitwerking van projecten, en moedigt de beheersautoriteiten aan om de bestaande voorlichtingsinstrumenten, zoals de regionale contactpunten, te versterken;

58.  wijst erop dat goede samenwerking tussen de Commissie, de EIB en de plaatselijke en regionale autoriteiten essentieel is voor een succesvol gebruik van financieringsinstrumenten voor territoriale ontwikkeling en voor het cohesiebeleid als geheel; benadrukt in dit verband dat er meer uitwisseling van ervaringen en kennis moet komen tussen de Commissie en de EIB enerzijds en de plaatselijke en regionale autoriteiten anderzijds;

59.  erkent het belang van de rol van territoriale (veld)animatie, verspreiding van informatie, bewustmaking op lokaal niveau en projectondersteuning, en moedigt de beheersautoriteiten daarom aan om nuttige instrumenten zoals territoriale contactpunten te versterken;

60.  roept op tot verbetering van de coördinatie tussen de Commissie, beheerinstanties en alle belanghebbenden teneinde de thematische resultaten van projecten aan een kritische analyse te onderwerpen, zowel successen als tekortkomingen te benadrukken en aanbevelingen te doen voor de periode na 2020, en tevens te zorgen voor transparantie en nabijheid tot de burgers;

61.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.

(1)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320.

(2)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 289.

(3)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259.

(4)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 303.

(5)

PB L 77 van 15.3.2014, blz. 95.

(6)

PB L 77 van 15.3.2014, blz. 11.

(7)

PB L 77 van 15.3.2014, blz. 27.

(8)

PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.

(9)

PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(10)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0015.

(11)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0068.

(12)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0308.

(13)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0384.

(14)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0419.

(15)

PB L 169 van 1.7.2015, blz. 1.

(16)

COR-2015-04462-00-00-DECL-TRA (EN).

(17)

http://www.dat.public.lu/eu-presidency/Events/Informal-Ministerial-Meetings-on-Territorial-Cohesion-and-Urban-Policy-_26-27-November-2015_-Luxembourg-City_/Material/IMM-Territorial-_LU-Presidency_---Input-Paper-Action-3.pdf

(18)

Europese Commissie – persbericht IP/15/5686.

(19)

Flash Eurobarometer 422 – Grensoverschrijdende samenwerking in de EU.

(20)

http://cor.europa.eu/en/documentation/studies/Documents/EGTC_MonitoringReport_2014.pdf

(21)

Bijlage I (Europese territoriale samenwerking/Interreg) bij de mededeling van de Commissie "Investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen".

(22)

Bijlage I (Europese territoriale samenwerking/Interreg) bij de mededeling van de Commissie "Investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen".


TOELICHTING

Algemene informatie

In 1990 is Interreg ontwikkeld als een communautair initiatief met een budget van slechts 1 miljard EUR, dat uitsluitend van toepassing was op grensoverschrijdende samenwerking en dat ten goede kwam aan elf lidstaten. Later is Interreg uitgebreid naar transnationale en interregionale samenwerking. In 2015 werd de 25e verjaardag van Interreg gevierd met een conferentie op 15 en 16 september in Luxemburg, waar de ETS een belangrijk instrument van het cohesiebeleid werd genoemd dat is ontworpen om problemen op te lossen waarbij administratieve grenzen worden overschreden en waarvoor gemeenschappelijke oplossingen moeten worden gevonden.

Voor de periode 2014-2020 is een speciale verordening aangenomen met betrekking tot ETS-acties, gesteund door het EFRO. Momenteel komt ETS ten goede aan 28 lidstaten en is het een van de twee doelen van het cohesiebeleid geworden. Het toegekende bedrag is 10,1 miljard EUR(1): 74,1 % voor grensoverschrijdende samenwerking – 60 programma's, 20,4 % voor transnationale samenwerking – 15 programma's en 5,6 % voor interregionale samenwerking – 4 programma's(2). Interreg wordt ook gebruikt als medefinanciering voor regionale ontwikkelingssamenwerkingsprogramma's buiten de EU: 12 IPA-programma's voor grensoverschrijdende samenwerking (242 miljoen toegekend aan CBC) en 16 ENI-programma's voor grensoverschrijdende samenwerking (634 miljoen toegekend aan CBC).

Europese toegevoegde waarde van ETS, beste praktijken en bijdrage aan de doelen van de Europa 2020-strategie

Om meer impact en een effectiever gebruik van de investeringen te bewerkstelligen, is ETS in de periode 2014-2020 hervormd door thematische concentratie en resultaatgerichtheid centraal te stellen. Ten minste 80 % van het budget voor elk samenwerkingsprogramma moet worden geconcentreerd op maximaal vier thematische doelstellingen om zo een bijdrage te leveren aan de uitvoering van de Europa 2020-strategie. ETS levert een belangrijke bijdrage aan de versterking van het economisch, sociaal en territoriaal potentieel van de regio's doordat verschillende sectorale beleidsmaatregelen worden weergegeven en geïntegreerd op territoriale schaal, waarbij nationale grenzen worden overschreden (grensoverschrijdende en transnationale samenwerking), en in afzonderlijke steden en regio's (interregionale samenwerking)(3). Ongeacht de beperkte financiële middelen, leiden CBC-projecten tot concrete resultaten: het wegnemen van belemmeringen voor de verbetering van veiligheid, vervoer, onderwijs, energie, gezondheidszorg, scholing en werkgelegenheid. 64 Interreg IIIA-programma's (2000-2006) en 55 Interreg IVA-programma's (2007-2013) hebben bij toewijzing van de middelen duidelijk gekozen voor het verlenen van grotere prioriteit aan strategische grensoverschrijdende ontwikkeling en daardoor beste praktijken op de volgende terreinen bereikt(4):

Betere regionale verbindingen, mobiliteit en toegang tot diensten

De volgende beste praktijken bieden een duidelijke toegevoegde waarde: grensproblemen oplossen op het gebied van vervoer en mensenstromen, ondersteuning van oplossingen voor slim vervoer en multimodale vervoerscentra (Zuid-Baltisch gebied – Denemarken, Duitsland, Polen, Litouwen, Zweden); vereenvoudiging van reizen over de grenzen (NOORDEN – Zweden, Finland, Noorwegen); betere verbindingen met speciale aandacht voor wegeninfrastructuur (Duitsland (Saksen)-Tsjechië); nieuwe brug voor voetgangers en fietsers tussen Oostenrijk en Slowakije, een grensoverschrijdende spoorlijn MI.CO.TRA (Italië, Oostenrijk), verbetering van de toegankelijkheid over zee door verbeteringen in regionale havens (Italië, Frankrijk), speciale diensten zoals ouderenzorg, grensoverschrijdende gezondheidszorgoplossingen, investeringsregeling gericht op de bouw van structuren voor ouderen om ervoor te zorgen dat ze een actieve rol in de maatschappij kunnen blijven spelen en zo gezond en gelukkig mogelijk leven (Oostenrijk, Tsjechië), enz.;

Overdracht van kennis en innovaties, bevordering van concurrentievermogen van kmo's

De volgende beste praktijken bieden een duidelijke toegevoegde waarde: Betrokkenheid van kmo's bij concrete innovatie-activiteiten, netwerken tussen bedrijven, kennisinstituten en dienstverleners (Duitsland-Nederland, Mechatronica voor kmo-project); ontwikkeling van O&O op maritiem gebied, invoering van nieuwe technologieën (Duitsland-Nederland, MariTIM -project); verbetering van energie-efficiëntie in gebouwen (NOORDEN – Zweden, Finland, Noorwegen – IEEB-project); ontwikkeling van projecten voor startende ondernemingen, met steun voor grensoverschrijdende samenwerking tussen bedrijven (Hongarije-Slowakije); bevordering van koppelingen tussen bedrijven en kennisoverdracht, met behulp van e-learning (Verenigd Koninkrijk, Ierland); stimuleren van grensoverschrijdende samenwerking tussen bedrijven, universiteiten en andere belanghebbenden ter ondersteuning van innovatie via kennishubs (Frankrijk, België, TANDEM-project), opzetten van een "toptechnologieregio" (België, Nederland, Duitsland, Euregio Maas-Rijnproject), instellen van een opleidingscentrum voor toegepast onderzoek in biogebaseerde productie, ontwikkelen van de regio Vlaanderen–Zuid-Nederland als een kennisintensieve regio op het gebied van waterstoftoepassingen (België-Nederland), samenwerking tussen ziekenhuizen op het gebied van kankeronderzoek (Duitsland, Denemarken), kmo's toegang bieden tot de allerlaatste technologie voor het testen van productideeën, invoeren van gepaste productietechnieken en wereldwijd in de handel brengen van hun producten (Ierland, Verenigd Koninkrijk); ontwikkeling van speciale diensten voor ondernemingen in de toerismesector (Griekenland, Italië); grensoverschrijdende neonatale screening (Duitsland, Polen), "SRSnet – Smart resource-aware multi-sensor network" (Italië, Oostenrijk), "Erfolgsmotor 2020" ("Power Drive to Success 2020") project steunt kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) om ze concurrerender te maken (Oostenrijk, Duitsland), enz.;

Op de kaart zetten van de regio en versterken van de regionale identiteit

De volgende beste praktijken bieden een duidelijke toegevoegde waarde: gemeenschappelijke voorbereiding van een voorstel om de Duits-Tsjechische mijnstreek op te nemen in de Werelderfgoedlijst van de Unesco (Duitsland (Saksen)-Tsjechië); ontwikkeling van groene toeristische activiteiten om de unieke natuur van het gebied te behouden (Duitsland/Beieren-Oostenrijk); ontwikkeling van lokale strategieën op grond van de resultaten van specifieke projecten van de programma's (Noorwegen, Zweden, Denemarken), Ramsar Eco NaTour-project waarin recreatiegebieden worden gecreëerd voor de steden Wenen en Bratislava en waarbij het lokaal bewustzijn en de regionale samenwerking met betrekking tot klimaatverandering worden versterkt en de biodiversiteit wordt beschermd (Oostenrijk, Slowakije), enz.;

Aanpak van milieuproblemen, beter risicobeheer en reactie op rampen

De volgende beste praktijken bieden een duidelijke toegevoegde waarde: nieuwe oplossingen voor milieuproblemen zoals een gemeenschappelijke controle op gevaarlijke stoffen in een stroomgebied (Zuid-Baltisch gebied – Denemarken, Duitsland, Polen, Litouwen, Zweden); meer gebruik van mariene bronnen en bijproducten, aanleg van kunstmatige riffen ter verbetering van de biodiversiteit (Frankrijk-Engeland), ontwikkeling van gemeenschappelijke beheersystemen voor milieubescherming (Roemenië-Bulgarije, RISK- en JAMES-project); samenwerking ten behoeve van harmonisering van activiteiten ter voorkoming van overstromingen en verbetering van de waterkwaliteit (Hongarije-Slowakije, Floodlog-project); verbetering van territoriale planning en risicobeheer in het Alpengebied (Italië, Frankrijk, GlaRiskAlp-project); te lijf gaan van milieuproblemen zoals kustvervuiling, risico van bosbranden binnen het maritieme gebied (Italië, Frankrijk); beter toezicht op havens (Griekenland, Italië), enz.;

Versterking van institutionele capaciteitsvorming en sociaal kapitaal, consolidering van grensoverschrijdende netwerkstructuren en totstandbrenging van nieuwe partnerschappen

De volgende beste praktijken bieden een duidelijke toegevoegde waarde: uitwisseling van personeel op het gebied van planning en verwezenlijking van projecten (Duitsland (Saksen)-Tsjechië, Aquamundi-project); instelling van samenwerkingsverbanden en netwerken, opzetten van (programma)structuren en stabilisering van de samenwerking van instituten, enz.

Een goed voorbeeld van het gebruik van een financieel instrument wat betreft grensoverschrijdend/transnationaal durfkapitaal "fonds van fondsen"(5) is het project Eurefi Interreg(6) (CBC-programma Wallonië-Lotharingen-Luxemburg 2000-2006 en voortgezet door CBC-programma "Grande Region 2007-2013").

Van belang is de rol van het interregionale onderdeel: De programma's Espon en Interact, voor verstrekking van territoriaal bewijs (Espon) en ondersteuning van alle bij het beheer en de uitvoering van ETS betrokken instanties (Interact) door middel van ontwikkeling van een brede reeks geharmoniseerde instrumenten (templates, voorbeeldformulieren, informatiebladen, enz.) voor het opzetten van hun beheer- en controlesystemen, enz. Interreg Europe bevordert de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken tussen actoren op alle niveaus in Europa en Urbact faciliteert netwerken voor informatie-uitwisseling en goede stadspraktijken.

Volgens de recente mededeling van de Commissie "Investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen", zullen 73 samenwerkingsprogramma's voor de periode 2014-2020 41 % van de totale ETS EFRO-begroting(7) investeren in maatregelen ter verbetering van het milieu en gemeenschappelijke maatregelen ondersteunen op het gebied van waterbeheer, afvalwaterzuivering, behoud en herstel van de biodiversiteit, preventie en beheer van milieurisico's, duurzaam toerisme en energie-efficiëntie; 27 % van de EFRO ETS-begroting en 46 programma's voor de periode 2014-2020 zullen investeren in versterking van onderzoek en innovatie en samenwerking met onderzoeksinstellingen over de EU-grenzen heen; 13 % van de EFRO ETS-begroting wordt bestemd voor stimulering van inclusieve groei door middel van activiteiten op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs en scholing; 33 programma's voor de periode 2014-2020 zijn gericht op verbetering van algemene verbindingen, voornamelijk via weg- en haveninvesteringen en door bevordering van grensoverschrijdende multimodale, schone en slimme vervoerssystemen.

De rapporteur bekijkt de problemen tussen de vereisten van het regelgevingskader 2014-2020 en tegelijkertijd de mogelijkheden van de programma's wat betreft de beschikbaarheid van gegevens en bronnen voor gegevensverzameling. In dit verband moeten de Commissie, de programma's Espon en Interact en de beheerinstanties van Eurostat en ETS deze uitdaging gezamenlijk coördineren en aangaan door middel van het onderzoeken en opstellen van methoden voor het verstrekken en gebruiken van betrouwbare gegevens, om een stevige basis voor de evaluatie van het prestatiekader te creëren.

Bijdrage aan territoriale cohesie

In de verschillende financierings- en samenwerkingsmechanismen, zoals de macroregionale strategieën, moet de samenwerking worden versterkt, en er moet worden gezorgd voor sterkere koppelingen en sterkere samenhang met nationale en regionale programma's. De lidstaten en regio's wordt aangeraden gemeenschappelijke geïntegreerde strategieën te ontwikkelen met uitvoeringsbepalingen voor het coördinatiemechanisme tussen de respectieve grensoverschrijdende en nationale programma's en hun respectieve territoriale context, waardoor uitdagingen op een meer geïntegreerde en beter gecoördineerde wijze en met een langetermijnperspectief kunnen worden aangepakt.

De uitvoering van het ITI- en CLLD-instrument verloopt niet bevredigend. CLLD wordt op grensoverschrijdende basis alleen uitgevoerd als onderdeel van het Interreg-samenwerkingsprogramma 2014-2020 tussen Italië en Oostenrijk. Het ITI-instrument wordt uitgevoerd als onderdeel van het Interreg-samenwerkingsprogramma 2014-2020 tussen Italië en Slovenië.(8)

Het wetgevingskader 2014-2020 maakt het mogelijk voor ultraperifere regio's flexibeler te zijn in het opnemen van aan zeegrenzen gelegen regio's van NUTS-niveau 3 die meer dan 150 km van elkaar verwijderd zijn als grensoverschrijdende regio's die steun kunnen ontvangen uit de overeenkomstige toewijzing van de respectieve lidstaten.

Steun voor onderzoek en innovatie

De rapporteur benadrukt de resultaten op het gebied van onderzoek en innovatie, zoals gezamenlijke onderzoeksprojecten, samenwerking tussen onderzoeksinstellingen en bedrijven, instelling van internationale grensuniversiteiten, grensoverschrijdende onderzoekscentra, grensoverschrijdende opleidingsinstituten, het creëren van grensoverschrijdende clusters en netwerken van ondernemingen, grensoverschrijdende starterscentra en adviesdiensten voor kmo's, "high-tech"-profilering om buitenlandse investeerders aan te trekken, enz.

Investeringen voor slimme groei vormen 27 % van de ETS EFRO-begroting 2014-2020(9) en de verwachte output is als volgt: 22 500 bedrijven gesteund bij de bevordering van slimme groei, 6 900 bedrijven die samenwerken met onderzoeksinstellingen over de EU-grenzen heen, 1 300 onderzoekers die rechtstreeks betrokken zijn bij grensoverschrijdende en transnationale onderzoeksactiviteiten.

Onderzoeks- en innovatieprocessen, marktrelaties, waardeketens en locatiemarketing kunnen op grotere schaal worden georganiseerd, wat ten goede komt aan kmo's en de respectieve bedrijfsomgeving, zodat er op bepaalde technologische gebieden een "kritische massa" voor onderzoeks- en zakelijke samenwerking kan worden bereikt. Het Food2Market-project(10) (Interreg IVB North-West Europe) is hier een voorbeeld van. Het project creëerde een innovatiekweekvijver voor kmo's in de levensmiddelenindustrie, die door kmo's wordt gebruikt om hun markt over de grens heen uit te breiden.

De rapporteur wijst op de Euroregional Innovation Strategy(11) (in 2014 opgesteld en aangenomen door de Euregio Pyreneeën-Middellandse Zee) en The 2014-2020 Strategic Plan (voorbereid en aangenomen door de Euregio Aquitaine-Baskenland(12) EGTS (2014), als goede voorbeelden voor het ontwikkelen van de samenwerking tussen de publieke sector, economische spelers en onderzoekscentra in grensgebieden om innovatie aan te moedigen en de economische ontwikkeling van het gebied te stimuleren. Het is daarom van belang in grensregio's grensoverschrijdende innovatiestrategieën uit te werken en in te voeren en tegelijkertijd complementariteit met reeds bestaande slimme specialisatiestrategieën en andere regionale/sectorale programma's en strategieën vast te stellen, en zo het potentieel voor grensoverschrijdende synergie en concrete maatregelen te onderzoeken, in het bijzonder de beschikbaarstelling van verschillende financieringsbronnen.

Financiële instrumenten moeten een integraal onderdeel zijn van een ETS-strategie ter ondersteuning van kmo's en onderzoek en innovatie, en zo een aanvulling vormen op met subsidie gesteunde programma-activiteiten.

Governance en beleidscoördinatie

Vanaf 24 april 2015 zijn er 54 EGTS'en ingesteld(13). De rapporteur erkent de vereenvoudigingen die zijn aangebracht in de gewijzigde EGTS-verordening van 22 juni 2014. De lidstaten wordt aangeraden de invoering van EGTS in hun land tot stand te brengen en te vergemakkelijken. De EGTS-verordening is een goed resultaat, maar is niet voldoende om alle wettelijke en regelgevingsbelemmeringen in grensoverschrijdende samenwerking uit de weg te ruimen. In dit verband moet worden gewezen op het initiatief van het Luxemburgs voorzitterschap om specifieke rechtsinstrumenten voor grensregio's in overweging te nemen die tegemoetkomen aan de behoeften en uitdagingen in grensregio's, als aanvulling op EGTS'en en om lidstaten de mogelijkheid te bieden om in te stemmen met specifieke bepalingen.

De rapporteur is van mening dat ETS-programma's, waar nodig en gerechtvaardigd, en als aanvulling op overige toepasselijke financiering, steun kunnen bieden aan uitdagingen in verband met migratie binnen het kader van de bestaande programmaprioriteiten en overeengekomen interventielogica.

ETS-programma's benutten hun unieke kenmerken niet ten volle en de rapporteur onderstreept de behoefte aan een breder gebruik van financiële instrumenten (FI's) die flexibele mechanismen zijn en naast subsidies kunnen worden gebruikt, in aanmerking nemend dat het multiplier-effect, in de zin van de impact en het hefboomeffect van FI's, veel groter kan zijn. Daartoe moeten hierbij financiële instellingen worden betrokken, met name de EIB, die specifieke expertise en knowhow op het gebied van financiële instrumentering kunnen bieden.

De rapporteur betreurt dat er tussen 2007 en 2013 onvoldoende onderzoek is gedaan naar en gebruik is gemaakt van alle mogelijke complementariteit tussen de ETS-programma's en andere door de EU gefinancierde programma's. Om te zorgen voor doeltreffende coördinatie en synergie tussen de ESI-fondsen en andere EU- en nationale financieringsinstrumenten, en ook met betrekking tot het EFSI en de EIB, moeten er adequate coördinatiemechanismen worden ingesteld. De beheerinstanties moeten ook voortdurende evaluaties uitvoeren met speciale aandacht voor de doeltreffendheid van de synergie tussen programma's.

De rapporteur is ervan overtuigd dat multi-level governance en de gedragscode bijzonder belangrijk zijn voor de ontwikkeling van Interreg-programma's. Het succes van de samenwerkingsprogramma's is namelijk afhankelijk van een actieve rol van de regionale en lokale autoriteiten in het besluitvormingsproces over de manier waarop deze programma's zo goed mogelijk kunnen worden gebruikt voor de aanpak van grensoverschrijdende knelpunten.

Vereenvoudiging

De rapporteur benadrukt dat het beheer en de uitvoering van ETS-programma's en -projecten minder bureaucratisch moeten worden. Ongeacht de afzonderlijke regelgeving blijft de uitvoering van ETS-programma's te ingewikkeld en daarom wordt er een dringend beroep gedaan op de groep onafhankelijke deskundigen op hoog niveau voor toezicht op vereenvoudiging voor begunstigden van ESI-fondsen om maatregelen in overweging te nemen voor een aanzienlijke vereenvoudiging en vermindering van de administratieve lasten voor begunstigden.

Enerzijds moet de Commissie speciale maatregelen voorstellen ter vereenvoudiging van voorschriften met betrekking tot rapportage en auditing, staatssteun en SEA, en voorschriften en modellen in ETS-programma's harmoniseren. Anderzijds moeten de lidstaten hun nationale bepalingen vereenvoudigen om overregulering te vermijden, waardoor vaak extra administratieve lasten ontstaan die op grond van de communautaire regels niet vereist zijn. Ook moet e-cohesie worden ingevoerd en moeten de administratieve procedures worden gestroomlijnd.

De Commissie moet standaardvereisten opstellen voor alle ETS-programma's (per onderdeel), modellen voor toepassingen en contracten. Lidstaten en beheerinstanties moeten beter gebruikmaken van vereenvoudigde procedures, door vereenvoudigingen in te voeren voor kleinere projecten en het besluitvormingsproces te versnellen.

Financiële bijdragen uit de particuliere sector voor ETS-projecten zijn nog beperkt. Regelingen om particuliere partijen bij de projecten te betrekken moeten worden uitgebreid en vereenvoudigd. De rapporteur raadt instelling van financiële instrumenten, deelname van particuliere partijen en totstandbrenging van publiek-private partnerschappen aan. De Commissie moet voor de toepassing van financiële instrumenten in ETS-programma's tijdige, consistente en duidelijke richtsnoeren bieden.

Aanbevelingen voor de toekomst

De rapporteur benadrukt het hefboomeffect van de Europese territoriale samenwerking, het grote rendement en toekomstige potentieel buiten het regionale beleid. Roept de Commissie en de lidstaten daarom op zich in te zetten voor het behoud van ETS als een belangrijk en positief instrument voor het Europees integratieproces, door ETS een duidelijker rol toe te kennen binnen het cohesiebeleid na 2020. De rapporteur is ervan overtuigd dat de innovatieve dimensie van ETS verder moet worden versterkt en dringt aan op betrokkenheid van meer particuliere actoren door totstandbrenging van succesvolle grensoverschrijdende publiek-private partnerschappen.

De rapporteur raadt aan in regio's gezamenlijke benaderingen of strategieën uit te werken ter bevordering van geïntegreerde en duurzame territoriale ontwikkeling, met inbegrip van de uitvoering en verspreiding van grensoverschrijdende geïntegreerde benaderingen, ontwikkeling van governancebenaderingen, harmonisering van planningsinstrumenten, administratieve procedures en wettelijke bepalingen.

Met het oog op een betere tenuitvoerlegging van grensoverschrijdende projecten moeten de Commissie, lidstaten en beheerinstanties nadenken over het voorstel van het Luxemburgse voorzitterschap om een nieuw rechtsinstrument voor CBC in te stellen in het kader van de voorbereiding van het wetgevingspakket voor het cohesiebeleid na 2020, op grond van de resultaten van de evaluatie achteraf van de periode 2007-2013, de uitvoering van de CBC-programma's 2014-2020 en een adequate effectbeoordeling met betrekking tot de behoefte aan een nieuw rechtsinstrument en de manier waarop dit zou moeten functioneren. Bij de ontwikkeling van dit nieuwe instrument moet het evenredigheidsbeginsel worden toegepast.

In 2016 moet er in het kader van het debat over de toekomst van het cohesiebeleid op EU-niveau een gestructureerd debat met veel belanghebbenden worden gevoerd over de toekomst van ETS na 2020.

Bewustmaking van het publiek en betere zichtbaarheid

In de Flash Eurobarometerenquête "Grensoverschrijdende samenwerking in de EU" (2015)(14) werd vastgesteld dat de meeste mensen in grensregio's van de EU niet op de hoogte zijn van door de EU gefinancierde grensoverschrijdende samenwerkingsactiviteiten in hun regio. Er is dus behoefte aan effectievere communicatie over de resultaten van afgeronde projecten. De Commissie, lidstaten en beheerinstanties moeten een mechanisme instellen om meer zichtbaarheid en kennis van de resultaten van ETS-programma's te creëren en de synergie met de andere door de EU gefinancierde programma's/initiatieven te vergroten.

De coördinatie tussen de Commissie, beheerinstanties en alle belanghebbenden bij de uitvoering van grensoverschrijdende programma's moet worden verbeterd om een kritische analyse van de thematische resultaten van projecten te kunnen bieden, waarbij successen en leemten worden benadrukt. Zo worden er aanbevelingen voor na 2020 geboden en wordt tegelijkertijd gezorgd voor projecten van hoge kwaliteit, transparantie en betrokkenheid bij de burgers.

(1)

Deze begroting bevat ook de EFRO-toekenning voor lidstaten om deel te nemen aan door andere instrumenten gesteunde EU-programma's voor samenwerking aan de buitengrenzen (Pretoetredingsinstrument en het Europees nabuurschapsinstrument).

(2)

Interreg Europe, Urbact III, Interact III, Espon.

(3)

http://ec.europa.eu/regional_policy/en/projects/ALL?search=1&keywords=&countryCode=ALL&regionId=ALL&themeId=97&typeId=ALL&periodId=ALL&dateFrom=

(4)

De vermelde projectresultaten zijn gebaseerd op voorbeelden verstrekt door DG Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling van het EC, en de lijst is niet volledig.

(5)

Een "fonds van fondsen"-rol is geen afzonderlijke investeringen doen ten behoeve van de uiteindelijke begunstigden, maar om kleinere gerichte fondsen op te zetten op basis van geografie, marktcategorie (bijv. hernieuwbare energie, biotechnologie) of financieel instrument (lening, equity, enz.), die investeren in kmo's.

(6)

http://www.interreg-4agr.eu/fr/projet-detail.php?projectId=6

(7)

Bijlage I: Europese territoriale samenwerking/Interreg bij de mededeling van de Commissie "Investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen" http://ec.europa.eu/contracts_grants/pdf/esif/invest-progr-interreg-details-annex1_en.pdf

(8)

"New Instruments for Financing Sustainable Regional and Urban Development", BBSR-Online-Publikation, nr. 15/2015.

(9)

Bijlage I: Europese territoriale samenwerking/Interreg bij de mededeling van de Commissie "Investeren in banen en groei – naar een optimale inzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen" http://ec.europa.eu/contracts_grants/pdf/esif/invest-progr-interreg-details-annex1_en.pdf

(10)

www.food2market.be

(11)

http://www.euroregio.eu/sites/default/files/sei_fr.pdf

(12)

http://www.espaces-transfrontaliers.org/fileadmin/user_upload/documents/Documents_Fiches_Projets/Strategie_Innovation_EPM_EN.pdf

(13)

Studie "European Grouping of Territorial Cooperation as an instrument for promotion and improvement of territorial cooperation in Europe", Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, juli 2015.

(14)

file:///C:/Documents%20and%20Settings/UserPRR6/My%20Documents/Downloads/fl_422_sum_en.pdf


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.5.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

36

3

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pascal Arimont, Franc Bogovič, Victor Boştinaru, Mercedes Bresso, Steeve Briois, Rosa D’Amato, Iratxe García Pérez, Michela Giuffrida, Krzysztof Hetman, Ivan Jakovčić, Constanze Krehl, Sławomir Kłosowski, Andrew Lewer, Louis-Joseph Manscour, Martina Michels, Iskra Mihaylova, Jens Nilsson, Andrey Novakov, Younous Omarjee, Stanislav Polčák, Julia Reid, Liliana Rodrigues, Fernando Ruas, Monika Smolková, Ruža Tomašić, Monika Vana, Matthijs van Miltenburg, Lambert van Nistelrooij, Derek Vaughan, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Ivana Maletić, Miroslav Mikolášik, Sophie Montel, Dimitrios Papadimoulis, Tonino Picula, Maurice Ponga, Branislav Škripek, Davor Škrlec, Hannu Takkula, Damiano Zoffoli, Milan Zver

Juridische mededeling