Procedure : 2015/2038(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0217/2016

Ingediende teksten :

A8-0217/2016

Debatten :

PV 04/07/2016 - 17
CRE 04/07/2016 - 17

Stemmingen :

PV 05/07/2016 - 4.4
CRE 05/07/2016 - 4.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0298

VERSLAG     
PDF 407kWORD 199k
27.6.2016
PE 575.363v03-00 A8-0217/2016

over de uitvoering van de aanbevelingen van 2010 van het Parlement over de sociale en milieunormen, de mensenrechten en maatschappelijk verantwoord ondernemen

(2015/2038(INI))

Commissie internationale handel

Rapporteur voor advies: Eleonora Forenza

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken
 ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking
 ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
 ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de uitvoering van de aanbevelingen van 2010 van het Parlement over de sociale en milieunormen, de mensenrechten en maatschappelijk verantwoord ondernemen

(2015/2038(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2, 3, 6 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–   gezien de artikelen 11, 153, 191, 207 en 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 12, 21, 28, 29, 31 en 32 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Handel voor iedereen – Naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid" (COM(2015)0497)(1),

–  gezien de conclusies van de tiende Ministeriële Conferentie van de WTO (MC10)(2),

–  gezien de Overeenkomst van Parijs (30 november t/m 11 december 2015)(3),

–  gezien het jaarverslag van de EU over mensenrechten en democratie in de wereld (2014)(4),

–  gezien het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie (2015-2019) getiteld "De mensenrechten in de EU centraal blijven stellen",

–  gezien de richtsnoeren voor de analyse van mensenrechteneffecten in het kader van effectbeoordelingen van handelsgerelateerde beleidsinitiatieven(5),

–  gezien de in 2015 gepubliceerde studie van de beleidsondersteunende afdeling van het Europees Parlement over de mensenrechten- en de democratieclausule in internationale overeenkomsten,

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 25 september 2015 over onze wereld transformeren: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling(6),

–  gezien Verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad van 20 december 2005 inzake de opzet van een FLEGT-vergunningensysteem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap(7),

–  gezien Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties(8),

–  gezien de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen(9),

–  gezien het OESO-richtsnoer inzake de zorgvuldigheidseisen voor verantwoorde bevoorradingsketens van bodemschatten uit door conflicten getroffen gebieden en risicogebieden(10),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie over de stand van zaken ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten(11),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2011 getiteld "Een vernieuwde EU‑strategie 2011-2014 ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen" (COM(2011)0681),

–  gezien het investeringsbeleidskader voor duurzame ontwikkeling 2015 van UNCTAD(12),

–  gezien de studie van de beleidsondersteunende afdeling van het Europees Parlement getiteld "The EU’s Trade Policy: from gender-blind to gender-sensitive?",

–  gezien het vierde verslag van de onafhankelijke deskundige over de bevordering van een democratische en rechtvaardige internationale orde – mededeling van de secretaris‑generaal van de VN aan de Algemene Vergadering van 5 augustus 2015 (A/70/285),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van internationale handelsovereenkomsten(13),

–  gezien VN-resolutie 64/292, waarin de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties water en sanitaire voorzieningen uitdrukkelijk als een mensenrecht erkent en verklaart dat schoon drinkwater en sanitaire voorzieningen van essentieel belang zijn voor de naleving van alle mensenrechten,

–  gezien zijn resolutie van 8 september 2015 over de follow-up van het burgerinitiatief "Right2Water"(14),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over mensenrechten, sociale normen en milieunormen in internationale handelsovereenkomsten(15),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over het internationaal handelsbeleid met de verplichtingen zoals door de klimaatverandering geboden(16),

–  gezien de in 2014 gepubliceerde studie van beleidsondersteunende afdeling C van het Europees Parlement over gendermainstreaming in commissies en delegaties van het Europees Parlement,

–  gezien resolutie 26/9 van de VN-Mensenrechtenraad tot instelling van een intergouvernementele werkgroep voor onbepaalde duur voor transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de rechten van de mens, met als mandaat het uitwerken van een internationaal juridisch bindend instrument, aan de hand waarvan de activiteiten van transnationale ondernemingen en andere ondernemingen overeenkomstig het internationaal recht inzake de mensenrechten moeten worden gereguleerd(17),

–  gezien het herziene SAP van de EU, vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 978/2012,

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over het stelsel van algemene preferenties voor de periode 2014 – 2015 (COM(2016) 0029 final),

–  gezien de leidende beginselen van de Verenigde Naties inzake bedrijfsleven en mensenrechten, de herziene richtsnoeren voor multinationale ondernemingen van de OESO, de tripartiete beginselverklaring betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid van de IAO, het raamwerk van de internationale geïntegreerde verslagleggingsraad, de tien beginselen van het "Global Compact" van de Verenigde Naties, en de ISO 26000-norm inzake maatschappelijke verantwoordelijkheid,

–  gezien de Franse ontwerpwet over een zorgvuldige bevordering van de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten en de verklaring die voorzitter Juncker tijdens de G7-top 2015 heeft afgelegd,

–  gezien het project voor het realiseren van langetermijnwaarde van ondernemingen en investeerders, dat wordt uitgevoerd in het kader van de VN-beginselen voor verantwoord investeren en het "Global Compact" van de VN,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0217/2016),

A.  overwegende dat het Parlement in 2010 aanbevelingen over sociale en milieunormen, mensenrechten en maatschappelijk verantwoord ondernemen heeft gedaan aan de Commissie; overwegende dat een deel van de aanbevelingen is uitgevoerd;

B.  overwegende dat het Parlement optreedt als medewetgever voor de maatregelen die het kader tot uitvoering van het gemeenschappelijk handelsbeleid van de Unie bepalen; overwegende dat de goedkeuring van het Parlement vereist is voor de ratificering van alle handelsovereenkomsten die door de Unie via onderhandelingen tot stand worden gebracht; overwegende dat de aanbevelingen van het Parlement dus moeten worden uitgevoerd om de initiatieven van de Commissie op het gebied van het gemeenschappelijk handelsbeleid te doen slagen;

C.  overwegende dat handel een belangrijke rol speelt bij het bevorderen van zakelijke mogelijkheden, het creëren van welvaart, het stimuleren van werkgelegenheid, economische ontwikkeling en sociale vooruitgang en het verbeteren van de leefomstandigheden, de levenskwaliteit en de mensenrechten op lange termijn;

D.  overwegende dat de EU benadrukt dat zij zich volledig inzet voor de bevordering van duurzame ontwikkeling, zoals opnieuw bevestigd in de strategie Handel voor iedereen, alsook voor de bevordering van de mensenrechten en goed bestuur via stimulansen zoals SAP+ en de bepalingen voor preferentiële markttoegang in landen die zich ertoe verbinden de fundamentele internationale verdragen op die gebieden ten uitvoer te leggen;

E.  overwegende dat de EU via haar handelsbeleid een positieve bijdrage kan leveren aan een betere eerbiediging van de mensenrechten en duurzame ontwikkeling wereldwijd; overwegende dat de Commissie haar werkzaamheden moet voortzetten met deze doelstelling voor ogen; overwegende dat handels- en investeringsovereenkomsten gevolgen hebben voor de mensenrechten en duurzame ontwikkeling en dus zo moeten worden opgesteld dat ze sociale en ecologische vooruitgang niet belemmeren maar bevorderen, en waarborgen dat de Europese normen niet worden verlaagd en dat de rechten van de mens en sociale en milieunormen worden geëerbiedigd;

F.  overwegende dat handel en buitenlandse investeringen van internationale ondernemingen bijdragen tot een grotere inzet voor sociale en mensenrechten, alsmede voor de rechten van werknemers in de landen waar deze ondernemingen actief zijn;

G.  overwegende dat de bijdrage van het Parlement kan worden afgemeten naar de mate waarin haar aanbevelingen daadwerkelijk ten uitvoer worden gelegd; overwegende dat regelmatig toezicht moet worden uitgeoefend op de tenuitvoerlegging van de overeenkomsten om ervoor te zorgen dat de in de handelsovereenkomsten gestelde doelstellingen en gedane toezeggingen worden geëerbiedigd, met name ten aanzien van de bescherming van de mensenrechten;

H.  overwegende dat de EU en haar lidstaten, overeenkomstig artikel 208, VWEU, wettelijk verplicht zijn hun beleid in overeenstemming te brengen met ontwikkelingsdoelstellingen;

I.  overwegende dat in het voorstel van de Commissie voor een nieuwe handels- en investeringsstrategie ("Handel voor iedereen") wordt erkend dat er sprake is van een koppeling tussen handel, mensenrechten en sociale en milieunormen en wordt benadrukt dat deze rechten en normen een integrerend bestanddeel moeten worden van de economische en handelsbetrekkingen van de Unie;

J.  overwegende dat internationale detailhandelaren en ondernemingen vanwege de huidige productiepatronen een grote verantwoordelijkheid dragen als het gaat om het verbeteren van de arbeidsomstandigheden en lonen in productielanden;

K.  overwegende dat vrouwenrechten een wezenlijk onderdeel van de mensenrechten vormen; overwegende dat gendergelijkheid onder de hoofdstukken van handelsovereenkomsten over duurzame ontwikkeling valt; overwegende dat de specifieke gevolgen van handels- en investeringsovereenkomsten vanwege structurele ongelijkheden tussen de seksen anders zijn voor vrouwen dan voor mannen; voorts overwegende dat de mensenrechten, onder meer vanuit een genderperspectief, in acht moeten worden genomen bij duurzame en inclusieve ontwikkeling, groei en handelsovereenkomsten;

L.  overwegende dat in de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling wordt erkend dat het handelsbeleid een grote invloed heeft op de tenuitvoerlegging van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen, doordat een aantal beleidsterreinen zoals oorsprongsregels, de levensmiddelenwetgeving, grondstoffenmarkten en gendergelijkheid wordt behandeld;

M.  overwegende dat de mogelijkheden van de SAP- en SAP+-systemen om te zorgen voor de ratificatie en tenuitvoerlegging van verdragen inzake mensen- en arbeidsrechten in ontwikkelingslanden kunnen worden uitgebreid door economische stimulansen te verbinden aan de daadwerkelijke goedkeuring en de voortdurende monitoring van de tenuitvoerlegging van de belangrijkste verdragen inzake mensen- en arbeidsrechten;

N.  overwegende dat de EU, na de Rana Plaza-ramp, in samenwerking met de regering van Bangladesh en de IAO een "Global Compact" heeft gelanceerd inzake de verbetering van de arbeidsrechten en de fabrieksveiligheid in Bangladesh, met als doel om de arbeids-, gezondheids- en veiligheidsomstandigheden voor de werknemers te verbeteren; overwegende dat deze inspanningen meer bewustwording onder de bevolking hebben gecreëerd en innovatieve oplossingen hebben opgeleverd voor kwesties met betrekking tot handel en duurzame ontwikkeling, zoals een overeenkomst inzake gebouwen- en brandveiligheid in Bangladesh;

O.  overwegende dat er nog steeds geen regelgevend kader is waarin is vastgelegd op welke manier bedrijven hun verplichtingen tot eerbiediging van de rechten van de mens en hun verplichtingen inzake het respecteren van sociale en milieunormen moeten nakomen; overwegende dat niet alleen de publieke sector maar ook de particuliere sector moet bijdragen aan duurzame ontwikkeling; overwegende dat ondernemingen op sociaal en ecologisch verantwoorde wijze moeten handelen; overwegende dat de nieuwe generatie handels- en investeringsovereenkomsten van de Unie hoofdstukken bevat over duurzame ontwikkeling, op grond waarvan de partijen worden opgeroepen zich ertoe te verbinden de mensenrechten te beschermen, de sociale en milieunormen na te leven en maatschappelijk verantwoord ondernemen te waarborgen; overwegende dat het van EU‑handelsovereenkomst tot EU-handelsovereenkomst verschilt hoe ambitieus deze hoofdstukken zijn; overwegende dat de Commissie wordt aangemoedigd het hoogste ambitieniveau na te streven;

P.  overwegende dat de strategie 2015 "Handel voor iedereen" van de Commissie van handel en duurzame ontwikkeling een prioriteit voor de EU maakt; overwegende dat de Commissie haar ambitie, die zeer op prijs wordt gesteld, moet omzetten in krachtdadige en concrete acties opdat deze strategie een krachtige stimulans zou vormen voor de agenda inzake handel en duurzame ontwikkeling;

Q.  overwegende dat het project voor het realiseren van langetermijnwaarde van ondernemingen en investeerders, dat wordt uitgevoerd in het kader van de VN‑beginselen van verantwoord investeren en het "Global Compact" van de VN, aantoont dat economisch herstel in Europa en de rest van de wereld verenigbaar is met de beginselen van sociale rechtvaardigheid, milieuduurzaamheid en eerbiediging van de mensenrechten, en dat economisch herstel en deze beginselen elkaar versterken;

R.  overwegende dat krachtens artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) de gemeenschappelijke handelspolitiek wordt gevoerd in het kader van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie;

S.  overwegende dat artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) bekrachtigt dat het extern optreden van de EU geleid wordt door de beginselen van democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht;

T.  overwegende dat de koppeling tussen handel en mensenrechten enerzijds en sociale en milieunormen anderzijds een integrerend bestanddeel van de economische en handelsbetrekkingen van de EU is geworden; overwegende dat het nodig is het EU‑beleid op het gebied van mensenrechten en democratie ten aanzien van derde landen te blijven integreren in andere beleidsterreinen van de EU met een externe dimensie, waaronder het handelsbeleid; overwegende dat de EU het handelsbeleid moet gebruiken om te streven naar de vaststelling van strenge internationale normen op het gebied van sociale en mensenrechten, consumentenbescherming en milieuvraagstukken;

U.  overwegende dat het handelsbeleid en ambitieuze handelsovereenkomsten het internationale, op regels gebaseerde handelsstelsel bevorderen en versterken; overwegende dat mensenrechtenkwesties eveneens in aanmerking moeten worden genomen, voordat handelsbesprekingen op correcte en transparante wijze worden afgerond; overwegende dat de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten, evenals alle andere relevante instrumenten, waaronder de bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen, gericht zijn op de bevordering van de mensenrechten in de context van het handelsbeleid;

V.  overwegende dat de VN-Mensenrechtenraad op 26 juni 2014 een resolutie heeft aangenomen tot instelling van een intergouvernementele werkgroep met als taak het opstarten van een proces dat moet leiden tot de invoering van een internationaal juridisch bindend instrument voor de regulering van de activiteiten van transnationale ondernemingen en andere ondernemingen overeenkomstig het internationaal recht;

W.  overwegende dat handel en mensenrechten elkaar kunnen versterken en dat het bedrijfsleven niet alleen verplicht is de mensenrechten te eerbiedigen, maar ook een belangrijke rol zou kunnen spelen bij het bieden van positieve stimulansen wat betreft de bevordering van mensenrechten en democratie, milieunormen en maatschappelijk verantwoord ondernemen; overwegende dat de EU een vooraanstaande rol heeft gespeeld bij het onderhandelen over en het uitvoeren van een aantal initiatieven voor mondiale verantwoordelijkheid, die hand in hand gaan met de bevordering en eerbiediging van internationale normen, waaronder sociale gerechtigheid, milieuduurzaamheid en eerbiediging van de mensenrechten; overwegende dat het een erkend feit is dat Europese ondernemingen die op mondiaal niveau actief zijn en het goede voorbeeld geven met een niet-discriminerende bedrijfscultuur, op de lange termijn een positief effect weten uit te oefenen op de mensenrechten; overwegende dat versterking van de handelsbetrekkingen op basis van de bescherming en handhaving van de mensenrechten bijdraagt aan onderling begrip en gemeenschappelijke waarden, zoals de rechtsstaat, goed bestuur en eerbiediging van de mensenrechten;

Algemene beginselen

1.  verzoekt de Commissie en de lidstaten in alle beleidslijnen een genderperspectief integreren, waaronder in het handelsbeleid, en onder meer te waarborgen dat het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) daadwerkelijk wordt nageleefd; wenst dat de Commissie bij haar effectbeoordeling van de handelsstrategie van de EU rekening houdt met de aspecten die verband houden met gendergelijkheid, waaronder de eerbiediging van de rechten van de vrouw, en dringt bij de Commissie aan op een systematische beoordeling van de bestaande handels- en investeringsovereenkomsten, teneinde in kaart te brengen in hoeverre er sprake is van gevolgen op het gebied van gendergelijkheid;

2.  verzoekt de Commissie een betere samenhang te waarborgen ten aanzien van ontwikkeling, te zorgen voor doeltreffende beleidsbeoordeling en coördinatie tussen ontwikkelingshulp en handelsbeleid, en zich ervoor in te zetten dat internationale normen inzake mensenrechten, gendergelijkheid, arbeidsrecht en respect voor het milieu door alle belanghebbenden worden nageleefd;

3.  verzoekt de Unie om actief mee te werken aan het verwezenlijken van de zeventien duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, zoals aangenomen tijdens de 70e Algemene Vergadering van de Verenigde Naties;

4.  roept de EU en de lidstaten op bindende maatregelen te bevorderen om ervoor te zorgen dat bedrijven belasting afdragen in de landen waar hun economische activiteiten plaatsvinden en waar waarde wordt gecreëerd, om verplichte verslaglegging per land door de particuliere sector te stimuleren, zoals aanbevolen door de OESO, en om goed bestuur te bevorderen, met name als het gaat om belastingaangelegenheden en doeltreffende belastinginning; vraagt voorts aan de Commissie en de lidstaten om ervoor te zorgen dat dit onderwerp hoog op de agenda van de politieke dialoog komt te staan (op politiek niveau over ontwikkeling en handel), en om het maatschappelijk middenveld te steunen bij de publieke controle van het fiscaal bestuur en bij het toezicht op gevallen van belastingfraude; is van mening dat het fiscaal beleid van een bedrijf als een essentieel onderdeel van MVO moet worden beschouwd, en dat strategieën die gericht zijn op belastingontduiking of gebruikmaking van belastingparadijzen derhalve onverenigbaar zijn met maatschappelijk verantwoord gedrag;

5.  erkent dat de toegang tot publieke goederen zoals water, gezondheidszorg en onderwijs een duidelijke afspiegeling vormen van het vermogen van een land om sociale rechten en de eerbiediging van de mensenrechten te kunnen waarborgen;

6.  benadrukt dat de staat van dienst van de EU op lange termijn, als het gaat om de verantwoordelijkheid voor sociale en milieukwesties in de context van haar handelsdiplomatie, al beter is dan die van andere belangrijke spelers in de internationale handel; benadrukt dat de verbintenissen inzake mensenrechten van onze handelspartners een stevige basis vormen voor continue dialoog, samenwerkingsprocessen en progressieve verbeteringen op lange termijn;

7.  benadrukt het belang van handel en buitenlandse investeringen als belangrijke middelen om economische groei, duurzame ontwikkeling, goed bestuur en de bescherming van de mensenrechten tot stand te brengen;

8.  herinnert eraan dat handel en directe buitenlandse investeringen de welvaart in armere landen verhogen; wijst erop dat er een noemenswaardig verband bestaat tussen toegenomen welvaart en betere bescherming van sociale en mensenrechten, van rechten van werknemers en een hoger niveau van milieubescherming;

9.  herinnert eraan dat de EU zich ertoe verbindt mensenrechten en democratie in haar betrekkingen met derde landen op coherente wijze te bevorderen en te eerbiedigen in het kader van al haar beleidsmaatregelen, met inbegrip van het handelsbeleid, evenals in alle relevante instrumenten voor externe financiering;

10.  beveelt dan ook aan de handelsstrategie van de EU in te zetten als instrument ter bevordering van de democratische waarden in derde landen; spreekt derhalve zijn voldoening uit over het feit dat handelsakkoorden en programma's inzake handelspreferenties ook worden ingezet als hefboom om de mensenrechten te bevorderen, gedwongen en kinderarbeid uit te roeien en voedselzekerheid en het recht op gezondheid, duurzame ontwikkeling en strenge veiligheids- en milieunormen alsmede economische kansen voor eenieder te waarborgen;

Mensenrechten, milieunormen en sociale normen op multilateraal niveau

11.  benadrukt hoe belangrijk het voor de EU is om betere multilaterale samenwerkingsverbanden tot stand te brengen en herhaalt derhalve zijn oproep aan de Commissie om het voortouw te nemen bij de hervorming van de governancestructuur van de WTO, vooral om de volgende doelstellingen te verwezenlijken:

(a)  de doeltreffendheid van de samenwerking en de regelmaat van de dialoog tussen de WTO en de overige relevante VN-agentschappen, met name de Hoge Commissaris voor de mensenrechten, de VN-Conferentie voor handel en ontwikkeling (UNCTAD) en de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), versterken, in het bijzonder door de IAO de status van officiële waarnemer bij de WTO toe te kennen en te betrekken bij alle handelsgeschillen die te maken hebben schendingen van internationale mensenrechten- en arbeidsverdragen; is van mening dat de IAO ook in de toekomst moet worden betrokken bij onderhandelingen over bilaterale, multilaterale en plurilaterale handelsovereenkomsten;

(b)  de regelingen inzake toetsing van het handelsbeleid van de WTO zodanig hervormen dat de sociale dimensie, de milieudimensie en de mensenrechtendimensie ook worden meegenomen, op basis van de richtsnoeren van de IAO, de mensenrechtenrichtsnoeren van de VN en de richtsnoeren van de multilaterale milieuovereenkomsten (MEA's) en in het bijzonder door, zoals voorgesteld in zijn aanbevelingen van 2010, binnen de WTO een Commissie voor handel en waardig werk op te richten naast de bestaande Commissie voor handel en milieu;

(c)  beoordelen in hoeverre de Commissie voor handel en milieu van de WTO haar taak heeft vervuld, zoals deze is omschreven in het ministerieel besluit van de WTO over handel en milieu dat op 15 april 1994 te Marrakesh werd genomen en in de conclusies over wat er nog meer te doen staat, vooral in het kader van de internationale dialoog met de WTO over de beperking van en de aanpassing aan de klimaatverandering, waar het Parlement aanvankelijk om vroeg;

(d)  constructief deelnemen aan de VN-werkgroep voor een verdragsproces inzake het bedrijfsleven en de mensenrechten naar aanleiding van de studie naar het aanpakken via rechtsmiddelen van ernstige schendingen van de mensenrechten door ondernemingen, die is uitgevoerd door het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten;

12.  roept de Commissie op verdere hervormingen van de WTO actief aan te moedigen, zodat op een verantwoorde manier multilaterale voorschriften voor een duurzaam beheer van de mondiale toeleveringsketens kunnen worden vastgesteld die met name de volgende zaken omvatten:

(a)  effectieve en uitvoerbare transparantievereisten en vereisten inzake passende zorgvuldigheid voor de toeleveringsketen, gebaseerd op de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten;

(b)  gezondheids- en veiligheidsnormen, die in het bijzonder het recht van de werknemers op veiligheidscomités erkennen;

(c)  een socialebeschermingsvloer;

(d)  inachtneming van de fundamentele arbeidsnormen van de IAO;

13.  herhaalt zijn verzoek om ervoor te zorgen dat alle maatregelen die door een partij zijn goedgekeurd in het kader van de Overeenkomst van Parijs of die verband houden met beginselen of verbintenissen die zijn neergelegd in de artikelen 3 en 4 van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, worden gewaarborgd, ook door te voorzien in degelijker juridische bescherming van het reguleringsrecht in handelsovereenkomsten;

14.  wenst dat de Commissie meer vaart zet achter de ontwikkeling van regelingen om producten, in het kader van handelsovereenkomsten, van elkaar te onderscheiden aan de hand van productieprocessen, productiemethoden en duurzaamheidscriteria;

15.  roept de lidstaten op meer moeite te doen om hun toezegging inzake de geleidelijke afschaffing van de subsidies voor fossiele brandstoffen na te komen, die in overeenstemming is met de toezegging van de G20;

16.  is van mening dat het handelsbeleid een grotere bijdrage kan leveren aan de energietransitie en dat de handelsinstrumenten van de Unie de opkomst en ontwikkeling van hernieuwbare energie, evenals de ontwikkeling van milieugoederen en milieuvriendelijke technologieën in Europa, moeten stimuleren; waardeert de inspanningen van de Commissie om een plurilaterale overeenkomst inzake milieugoederen te sluiten (de overeenkomst inzake milieugoederen – EGA) en wenst dat de onderhandelingen tot een ambitieuze en evenwichtige overeenkomst leiden; verlangt dat de Commissie in het kader van de onderhandelingen over een overeenkomst inzake milieugoederen kwantitatieve of kwalitatieve criteria ontwikkeld om producten als milieugoederen aan te merken en ertoe aanspoort een geloofwaardige en transparante methode in te zetten voor de onderhandelingen over een overeenkomst inzake milieugoederen; roept de Commissie voorts op terdege rekening te houden met factoren die de handel in milieugoederen beïnvloeden, zoals het antidumpingbeleid in de sector voor hernieuwbare energie, intellectuele-eigendomsregelingen, strenge financieringsprogramma's en nationale milieubeleidslijnen die de vraag naar dergelijke goederen helpen creëren;

Mensenrechten, milieunormen en sociale normen op bilateraal niveau

17.  is ingenomen met het besluit van de Commissie om ex-ante en ex-post duurzaamheidseffectbeoordelingen uit te voeren van alle handelsovereenkomsten, overeenkomstig de richtsnoeren voor de analyse van mensenrechteneffecten in het kader van effectbeoordelingen van handelsgerelateerde beleidsinitiatieven; verzoekt de Commissie in dit verband:

(a)  de richtsnoeren toe te passen bij het uitwerken van duurzaamheidseffectbeoordelingen voor alle huidige en toekomstige onderhandelingen;

(b)  de richtsnoeren van de speciale VN-rapporteur over het recht op voedsel eveneens een plaats te geven in deze duurzaamheidseffectbeoordelingen;

(c)  rekening te houden met de gevolgen van handels- en investeringsovereenkomsten voor met name de kwetsbaren, zoals degenen die tot een minderheid behoren, te maken hebben met sociale uitsluiting, geografisch geïsoleerd zijn of gebukt gaan onder armoede; herinnert in dit verband tevens aan de toezegging van de Commissie om de gevolgen van vrijhandelsovereenkomsten voor de ultraperifere regio's van de EU te beoordelen;

(d)  ervoor te zorgen dat organisaties uit het maatschappelijk middenveld en de sociale partners naar behoren bij de ontwikkeling van duurzaamheidseffectbeoordelingen worden betrokken en dat het Parlement bij elke fase van dit proces wordt betrokken;

(e)  tijdens onderhandelingen de uitkomsten van deze beoordelingen ten volle in acht te nemen;

(f)  ervoor te zorgen dat de duurzaamheidseffectbeoordelingen tijdig worden gepubliceerd, zodat richting kan worden gegeven aan onderhandelingsposities, nog voordat deze worden geformuleerd, en zodat de bevolking en de gekozen vertegenwoordigers elke voorgestelde overeenkomst grondig kunnen beoordelen;

18.  dringt er uitdrukkelijk op aan dat mensenrechten- en duurzaamheidseffectbeoordelingen bindend worden en in een vroeg stadium worden uitgevoerd, zodat richting kan worden gegeven aan onderhandelingsposities, nog voordat deze worden geformuleerd;

19.  onderschrijft de conclusies van de Europese Ombudsman met betrekking tot het besluit van de Commissie om de overeenkomst met Vietnam te voltooien terwijl de mensenrechteneffectbeoordeling nog niet is afgerond, en vraagt de Commissie met klem om deze beoordeling zo spoedig mogelijk en op basis van de nieuwe methodologie uit te voeren, zodat het Parlement een geïnformeerde beslissing kan nemen;

20.  verklaart andermaal er voorstander van te zijn conditionaliteitsclausules inzake de mensenrechten op te nemen in internationale overeenkomsten en herinnert eraan hoe belangrijk het is dat mensenrechtenclausules worden geëerbiedigd en toegepast; is ingenomen met de inspanningen van de Commissie en de Raad om, overeenkomstig de gemeenschappelijke aanpak, juridisch bindende mensenrechtenclausules op te nemen in alle handels- en investeringsovereenkomsten, en dringt aan op de bekendmaking van de gemeenschappelijke aanpak van de Raad; merkt op dat niet in alle overeenkomsten van de EU mensenrechtenclausules zijn opgenomen en verzoekt om tijdens de lopende handelsbesprekingen met andere partners van de EU, in het bijzonder tijdens de onderhandelingen over TTIP, een bindende mensenrechtenclausule overeen te komen;

21.  is evenwel van mening dat de bestaande clausules weinig effect hebben gehad op de mate waarin verplichtingen en toezeggingen op het gebied van de mensenrechten werden nagekomen; roept de Commissie en de Raad bijgevolg op de volgende aanpassingen door te voeren:

(a)  handelsbeschermende bepalingen op te nemen, met als doel om te waarborgen dat elk van de partijen bij de overeenkomst in het geval van aangetoonde schendingen van de mensenrechtenclausules haar verplichtingen tot eerbiediging van de rechten van de mens kan blijven vervullen op die gebieden waarvoor zij als eerste verantwoordelijk is;

(b)  regelmatig en uitgebreid toezicht uit te oefenen op de toepassing van de mensenrechtenclausules in handels- en associatieovereenkomsten, in het bijzonder door regelmatig gezamenlijke verslagen van de Commissie en de EDEO voor te leggen aan het Parlement, waarin de eerbiediging van de mensenrechten door de lidstaten wordt behandeld, en door een interinstitutionele commissie op te richten;

(c)  te overwegen om een subcomité voor mensenrechten en handel op te nemen in alle handelsovereenkomsten van de EU, om daadwerkelijk en op systematische wijze gevolg te kunnen geven aan mensenrechtenkwesties in verband met overeenkomsten; wijst in dit verband op het belang van de betrokkenheid van burgers bij onderhandelingen om transparantie te waarborgen;

(d)  ervoor te zorgen dat de EU interne rechtsmiddelen tot haar beschikking heeft, zodat er klachten kunnen worden ingediend wanneer handelsovereenkomsten of mensenrechtenclausules niet worden nageleefd;

22.  herhaalt het in zijn resolutie van 2010 gedane verzoek om uitgebreide, uitvoerbare en ambitieuze hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling op te nemen in elke bilaterale of plurilaterale handelsovereenkomst van de EU; wijst op de vele tegenstrijdigheden in de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling in de verschillende handelsovereenkomsten van de EU; vraagt de Commissie derhalve om bij alle handelsbesprekingen zo consequent mogelijk te blijven en hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling voor te stellen, met daarin:

(a)  een toezegging door elk van de partijen om de acht fundamentele verdragen en de vier prioritaire verdragen van de IAO, alsook de internationale multilaterale milieuverdragen, te ratificeren en daadwerkelijk ten uitvoer te leggen;

(b)  een algemeen geschillenbeslechtingsmechanisme dat onder meer kan worden ingezet voor mensenrechtenclausules en hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling, dat op voet van gelijkheid staat met de andere delen van de overeenkomst en waarop werd aangedrongen in de aanbevelingen van 2010, dit met het oog op de naleving van de mensenrechten en de sociale en milieunormen;

(c)  beroep- en verhaalmogelijkheden via een klachtenprocedure voor sociale partners en het maatschappelijk middenveld;

(d)  effectieve repressieve maatregelen, onder meer in de vorm van geldboetes, die worden ingezet in het geval van ernstige aangetoonde schendingen van de bepalingen van het hoofdstuk van de overeenkomst over handel en duurzame ontwikkeling; dergelijke maatregelen kunnen, in de vorm van een tijdelijke vertraging, vermindering of zelfs opschorting van bepaalde handelsvoordelen die in de overeenkomst zijn voorzien, bij wijze van uiterste maatregel worden ingezet in het geval van ernstige, voortdurende schendingen van deze normen, en de invoering van actieplannen met onze partners kan helpen het niet-naleven van bepaalde in de handels- en investeringsovereenkomsten opgenomen verbintenissen te verhelpen;

23.  herhaalt zijn verzoek om voor de verschillende stadia – van de onderhandelingen over een overeenkomst tot het opstellen en de tenuitvoerlegging ervan – adviesgroepen of forums over duurzame ontwikkeling op te zetten; wijst er andermaal op dat alle interne adviesgroepen volledig onafhankelijk moeten zijn en van toereikende middelen moeten worden voorzien; neemt nota van de kritiek die regelmatig wordt geuit door een aantal van de deelnemers aan de interne adviesgroepen die door de EU zijn ingesteld op grond van de bestaande handelsovereenkomsten, namelijk dat hun vergaderingen geen concrete impact hebben, en stelt voor dat de Commissie de volgende maatregelen treft;

(a)  een rapportagesysteem opzetten op basis waarvan het Parlement de werkzaamheden van de interne adviesgroepen kan evalueren;

(b)  een systematisch en concreet antwoord bieden op de kwesties die worden aangekaart door de interne adviesgroepen van de EU en de in dit verband door de organisaties uit het maatschappelijk middenveld van de EU en de sociale partners voorgestelde initiatieven opvolgen;

(c)  zowel logistieke basisbepalingen opnemen in hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling – dit met het oog op de doeltreffende tenuitvoerlegging, aangezien deze aspecten in sommige gevallen ernstige belemmeringen bleken te vormen – als daarmee rechtstreeks verband houdende begeleidende maatregelen inzake technische bijstand en samenwerkingsprogramma's;

24.  pleit voor meer transparantie en een grotere verantwoordingsplicht voor basisorganisaties bij de uitwerking van internationale handelsvoorschriften en nationaal handelsbeleid, en roept op tot het waarborgen van de samenhang bij de eerbiediging van de rechten van werknemers en de mensenrechten, inclusief vrouwenrechten;

25.  dringt er bij de Commissie op aan het Parlement meer te betrekken bij het toezicht op de tenuitvoerlegging van de handels- en investeringsovereenkomsten in het licht van de eerbiediging van de mensenrechten en de sociale en milieunormen en verzoekt de Raad om het Parlement altijd te raadplegen over besluiten om een overeenkomst te herzien of zelfs op te schorten, indien zulks noodzakelijk is;

Mensenrechten, milieunormen en sociale normen op unilateraal niveau

26.  is verheugd dat het nieuwe stelsel van algemene preferenties (SAP) op 1 januari 2014 in werking is getreden (Verordening (EU) nr. 978/2012) en is ingenomen met de publicatie van het eerste SAP-monitoringverslag voor de periode 2014-2015; is van mening dat het handelsbeleid moet worden gebruikt om de partnerlanden van de Unie aan te moedigen strengere sociale en milieunormen vast te stellen en wenst derhalve dat de Commissie de volgende corrigerende maatregelen neemt:

a)  hetzij via een gedelegeerde handeling, hetzij via de aanstaande herziening van Verordening (EU) nr. 978/2012 de definities van "ernstige fouten bij de daadwerkelijke tenuitvoerlegging" van internationale verdragen en van "ernstige en systematische schendingen van de beginselen" in internationale verdragen verduidelijken;

b)  de standpunten van alle relevante toezichthoudende instanties in kaart brengen, om zo de naleving van de internationale verdragen, waarnaar wordt verwezen in de SAP-verordening, beter te kunnen beoordelen; haar beoordeling toespitsen op de standpunten van het comité van deskundigen inzake de toepassing van verdragen van de IAO als het gaat om het toekennen en opschorten van handelspreferenties uit hoofde van de SAP-verordening;

c)  het toezicht op de toezeggingen van begunstigde landen verbeteren in het kader van de aanstaande herziening van de SAP-verordening (Verordening (EU) nr. 978/2012); sociale partners en organisaties uit het maatschappelijk middenveld moeten een formele rol toebedeeld krijgen bij het toezicht op SAP en SAP+, met name via een procedure om tot de Commissie gerichte punten van zorg te horen en erop te reageren;

d)  bij deze herziening, zoals gevraagd in 2010, ook MVO opnemen in de SAP‑verordening om ervoor te zorgen dat transnationale ondernemingen voldoen aan nationale en internationale wettelijke verplichtingen met betrekking tot mensenrechten, arbeidsnormen en milieuvoorschriften;

e)  de ontwikkelingen in verband met de doeltreffendheid en de tenuitvoerlegging van de EBA-regelingen en de standaard SAP-regelingen controleren en evalueren en er verslag over uitbrengen aan het Europees Parlement;

27.  steunt het voornemen van de Commissie om toe te werken naar de uitbanning van kinderarbeid; is verheugd dat er een werkdocument van de diensten van de Commissie is goedgekeurd en herhaalt zijn verzoek van 2010 om een evenwichtig en realistisch wetgevingsinitiatief dat maatregelen omvat zoals het etiketteren van producten die zonder kinderarbeid zijn vervaardigd, het toekennen van handelspreferenties aan landen die aan bepaalde arbeidsnormen voldoen en het uitvaardigen van horizontale invoerverboden voor door middel van kinderarbeid vervaardigde producten; onderstreept hoe belangrijk het is om, naast de andere zes fundamentele verdragen van de IAO, de bestrijding van gedwongen arbeid en kinderarbeid als doelstelling op te nemen in de hoofdstukken van de handelsovereenkomsten van de EU over handel en duurzame ontwikkeling en benadrukt dat de EU moet deelnemen aan internationale discussies op het niveau van de WTO, de OESO en de IAO om haar multilaterale dimensie te ontwikkelen;

28.  geeft eens te meer aan bezwaar te hebben tegen alle directe dienstverlening en indirecte dienstverlening met een weerslag op de handel in energiegerelateerde diensten die de technologische neutraliteit van subsidies mogelijk zouden maken; wenst dat de Commissie en de lidstaten beseffen dat de door de internationale handel veroorzaakte stijging van de CO2-uitstoot de Europese klimaatstrategie ondermijnt en benadrukt dat de overstap op lokale productie- en consumptiepatronen kan bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs;

29.  herinnert aan het intrinsieke verband tussen klimaatverandering en ontbossing door niet‑duurzame en illegale grondstofwinning; roept de Commissie op te zorgen voor de doeltreffende tenuitvoerlegging en handhaving van FLEGT en EUTR, ook wat betreft de verplichting inzake de wettigheid van de houtleveringsketens;

30.  is ingenomen met het besluit van de Commissie om een haalbaarheidsstudie te starten naar een Europees actieplan over ontbossing en bosdegradatie;

Maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO)

31.  herinnert aan het verzoek van het Parlement van 2010 om MVO op te nemen in alle EU-handelsovereenkomsten en bepalingen voor betere handhaving, waarmee met name wordt voorzien in de mogelijkheid om een onderzoek te starten naar vermeende schendingen van toezeggingen op het gebied van MVO en in de ontwikkeling van EU‑contactpunten die gebaseerd zijn op de OESO-contactpunten en deze versterken; roept de Commissie op zich meer toe te leggen op de naleving ervan door bedrijven, in hun hele toeleveringsketen, en op de volledige inachtneming, met name in de kledingsector en in de winningsindustrieën waar de kans op schendingen van de mensenrechten en de sociale normen groter is, van de fundamentele arbeidsnormen van de IAO en internationaal erkende normen met betrekking tot maatschappelijk verantwoord ondernemen, in het bijzonder de herziene OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, de tien beginselen van het Global Compact van de Verenigde Naties, de ISO-norm 26000 voor maatschappelijk verantwoord ondernemen, de tripartiete beginselverklaring van de IAO betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid en de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten; wijst erop dat de Commissie, na de tragedie van het Rana Plaza in Bangladesh in 2013, in samenwerking met Bangladesh, de IAO en de Verenigde Staten een duurzaamheidspact heeft gesloten; onderstreept hoe belangrijk het is om de doelstellingen van het duurzaamheidspact na te streven teneinde de verbetering van de rechten van werknemers te bevorderen, en benadrukt dat de toeleveringsketens op internationaal niveau verantwoordelijker moeten worden beheerd; vraagt de Commissie dit soort programma's en acties uit te breiden naar andere handelspartners van de Unie;

32.  is van mening dat het van essentieel belang is om zich te blijven inzetten voor de naleving van de OESO-verklaring inzake internationale investeringen en multinationale ondernemingen, om ervoor te zorgen dat de richtlijnen expliciet worden geciteerd in alle nieuwe overeenkomsten tussen de EU en derde landen en om te waarborgen er een actieve in plaats van een passieve benadering wordt aanhouden bij de tenuitvoerlegging van de richtlijnen; roept de Commissie op de transparantie ten aanzien van de toegang tot informatie over gedragingen van ondernemingen te waarborgen en een effectief en haalbaar rapportagesysteem in te voeren dat informatie verstrekt over de waardeketens van producten; herinnert aan zijn standpunt van 2010 om ondernemingen te vragen hun MVO-balans te publiceren en om alle ondernemingen te vragen passende zorgvuldigheid te betrachten; roept de Commissie op haar strategie voor MVO bij te werken teneinde strengere rapportage- en nalevingsvoorschriften vast te leggen en een doeltreffendere tenuitvoerlegging van de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en de mensenrechten te waarborgen, en spoort de lidstaten aan de bevordering van MVO in handelsovereenkomsten te ondersteunen;

33.  verzoekt de Unie om dialoogplatformen op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen op te zetten die het maatschappelijk middenveld, ondernemingen, internationale organisaties en andere belanghebbenden bijeenbrengen;

34.  verzoekt de Commissie de resultaten van het project voor het realiseren van langetermijnwaarde van ondernemingen en investeerders, dat wordt uitgevoerd in het kader van de VN-beginselen van verantwoord investeren en het "Global Compact" van de VN, toe te passen op haar eigen Europees Fonds voor strategische investeringen en haar dialoog met investeerders als zij onderhandelt over handelsovereenkomsten, en het concept van een "Unie van duurzame kapitaalmarkten" te ondersteunen door duurzame handel te steunen;

35.  brengt in herinnering dat de tripartiete beginselverklaring van de IAO betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid, de IAO-agenda voor waardig werk en de arbeidsgerelateerde onderdelen van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen fundamentele teksten zijn op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen; vraagt de Commissie de initiatieven van de OESO en de VN op te volgen door in de EU-wetgeving recente en pas ontwikkelde internationale normen op te nemen en tijdens de bijeenkomst van de ministers van handel van de G20 in juli 2016 in Shanghai te stimuleren tot evenwichtige en uitvoerige beleidsaanbevelingen, met inbegrip van een sterke dimensie op het gebied van de duurzame ontwikkeling van wereldwijde waardeketens;

36.  herinnert eraan dat de EU wereldwijd een leidende rol speelt op het gebied van nationale actieplannen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen; dringt er bij de Commissie op aan verantwoord ondernemen te bevorderen bij EU-ondernemingen die actief zijn in het buitenland, en daarbij het zwaartepunt te leggen bij de strikte naleving van al hun wettelijke verplichtingen uit hoofde van nationale wetgeving en bilaterale of internationale overeenkomsten die op hun activiteiten van toepassing zijn, en niet in de laatste plaats bij de naleving van internationale normen en regels op het gebied van mensenrechten, arbeid en het milieu; stelt voor dat de Commissie om dit doel te verwezenlijken actief samenwerkt met haar partnerlanden als het gaat om het uitwisselen van optimale werkwijzen en knowhow met betrekking tot manieren om het ondernemingsklimaat te verbeteren en verantwoord ondernemen meer onder de aandacht te brengen;

37.  merkt op dat de MVO-agenda moet worden aangepast aan de specifieke behoeften van regio's en landen om zo te kunnen bijdragen aan de verbetering van duurzame economische en sociale ontwikkeling;

38.  roept de Commissie op tot handels- en investeringsmaatregelen die gericht zijn op de toekenning van keurmerken, de verlening van preferentiële toegang tot overheidsopdrachten van de Unie en de uitvoering van steunprogramma's voor kmo's, waardoor ondernemingen zullen worden gestimuleerd tot en beloond voor de invoering van strategieën voor maatschappelijk verantwoord ondernemen;

39.  juicht het toe dat in de EU-richtlijn betreffende de bekendmaking van niet-financiële informatie is opgenomen dat grote ondernemingen verslag moeten uitbrengen over de mensenrechten; verzoekt de EU-lidstaten de richtlijn spoedig en doeltreffend om te zetten; vestigt de aandacht op het verslagleggingskader van de VN-richtsnoeren, de Corporate Human Rights Benchmark en de doelstelling van "geïntegreerde verslaglegging", en verzoekt alle in de EU geregistreerde ondernemingen en hun belanghebbenden de strekking van de richtlijn te eerbiedigen als zij handel drijven binnen en buiten de EU;

40.  roept de EU en de lidstaten op zich binnen de Mensenrechtenraad van de VN en het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) actief in te zetten voor een internationaal verdrag op grond waarvan multinationals verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor mensenrechtenschendingen en schendingen van milieunormen;

41.  benadrukt dat de doeltreffende uitvoering van deze aanbevelingen een essentieel element is van de beoordeling door het Parlement van handelsovereenkomsten die de Commissie heeft gesloten; vraagt een gedetailleerd en tijdig antwoord van de Commissie op alle kwesties die in deze resolutie worden aangekaart;

42.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2015/october/tradoc_153846.pdf

(2)

https://www.wto.org/english/news_e/news15_e/mc10_19dec15_e.htm

(3)

http://unfccc.int/resource/docs/2015/cop21/eng/l09r01.pdf

(4)

http://eeas.europa.eu/human_rights/docs/2014-hr-annual-report_en.pdf

(5)

http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2015/july/tradoc_153591.pdf

(6)

op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering van de VN aangenomen resolutie (A/RES/70/1)

http://www.un.org/ga/search/view_doc.asp?symbol=A/RES/70/1&Lang=E

(7)

PB L 347 van 30.12.2005, blz. 1.

(8)

PB L 303 van 31.10.2012, blz. 1.

(9)

http://mneguidelines.oecd.org/text/

(10)

http://www.oecd.org/daf/inv/mne/GuidanceEdition2.pdf

(11)

(SWD(2015)0144) van 14 juli 2015 http://ec.europa.eu/growth/tools-databases/newsroom/cf/itemdetail.cfm?item_id=8374

(12)

http://unctad.org/en/PublicationsLibrary/webdiaepcb2015d3summary_en.pdf

(13)

PB C 99E van 3.4.2012, blz. 101.

(14)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0294.

(15)

Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0434.

(16)

Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0445.

(17)

A/HRC/RES/26/9: http://www.ihrb.org/pdf/G1408252.pdf


ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken (13.4.2016)

aan de Commissie internationale handel

inzake de uitvoering van de aanbevelingen van 2010 van het Europees Parlement over de sociale en milieunormen, de mensenrechten en maatschappelijk verantwoord ondernemen

(2015/2038(INI))

Rapporteur voor advies: Godelieve Quisthoudt-Rowohl

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

–  gezien de leidende beginselen van de Verenigde Naties betreffende het bedrijfsleven en de mensenrechten, de herziene richtsnoeren voor multinationale ondernemingen van de OESO, de tripartiete beginselverklaring betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid van de IAO, het raamwerk van de internationale geïntegreerde verslagleggingsraad, de tien beginselen van het "Global Compact" van de Verenigde Naties, en de ISO 26000-norm inzake maatschappelijke verantwoordelijkheid,

–  gezien de Franse ontwerpwet over een zorgvuldige bevordering van de VN-richtsnoeren betreffende het bedrijfsleven en de mensenrechten en de verklaring van voorzitter Juncker tijdens de G7-top 2015,

–  gezien het project voor het realiseren van langetermijnwaarde van ondernemingen en investeerders, dat wordt uitgevoerd in het kader van de VN-beginselen voor verantwoord investeren en het "Global Compact" van de VN,

A.  overwegende dat artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bepaalt dat het gemeenschappelijk handelsbeleid van de EU wordt gevoerd in het kader van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie;

B.  overwegende dat artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) bekrachtigt dat het extern optreden van de EU geleid wordt door de beginselen van democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht;

C.  overwegende dat de koppeling tussen handel en mensenrechten enerzijds en sociale en milieunormen anderzijds een integrerend bestanddeel van de economische en handelsbetrekkingen van de EU is geworden; overwegende dat het nodig is het EU-beleid op het gebied van mensenrechten en democratie ten aanzien van derde landen te blijven integreren in andere beleidsterreinen van de EU met een externe dimensie, waaronder het handelsbeleid; overwegende dat de EU het handelsbeleid moet gebruiken om te streven naar de vaststelling van strenge wereldwijde normen op het gebied van sociale en mensenrechten, consumentenbescherming en milieuvraagstukken;

D.  overwegende dat het handelsbeleid en ambitieuze handelsovereenkomsten het op wereldwijde regels gebaseerde handelsstelsel bevorderen en versterken; overwegende dat mensenrechtenkwesties eveneens in aanmerking moeten worden genomen, voordat handelsonderhandelingen op correcte en transparante wijze worden afgerond; overwegende dat de VN-beginselen betreffende het bedrijfsleven en de mensenrechten in combinatie met alle andere relevante instrumenten, waaronder de bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen, gericht zijn op de bevordering van de mensenrechten in de context van het handelsbeleid;

E.  overwegende dat de VN-Mensenrechtenraad op 26 juni 2014 een resolutie heeft aangenomen tot instelling van een intergouvernementele werkgroep met als taak het opstarten van een proces dat moet leiden tot de invoering van een internationaal juridisch bindend instrument voor de regulering van de activiteiten van transnationale ondernemingen en andere ondernemingen overeenkomstig het internationaal recht;

F.  overwegende dat handel en mensenrechten elkaar kunnen versterken en dat het bedrijfsleven niet alleen verplicht is de mensenrechten te eerbiedigen, maar ook een belangrijke rol zou kunnen spelen bij het bieden van positieve stimulansen wat betreft de bevordering van mensenrechten en democratie, milieunormen en maatschappelijk verantwoord ondernemen; overwegende dat de EU een vooraanstaande rol heeft gespeeld bij het onderhandelen over en uitvoeren van een aantal initiatieven voor mondiale verantwoordelijkheid, die hand in hand gaan met de bevordering en eerbiediging van internationale normen, waaronder sociale gerechtigheid, milieuduurzaamheid en eerbiediging van de mensenrechten; overwegende dat het een erkend feit is dat Europese ondernemingen die op mondiaal niveau actief zijn en het goede voorbeeld geven met een niet-discriminerende bedrijfscultuur, op de lange termijn een positief effect weten uit te oefenen op de mensenrechten; overwegende dat versterking van de handelsbetrekkingen op basis van de bescherming en handhaving van de mensenrechten bijdraagt aan onderling begrip en gemeenschappelijke waarden, zoals de rechtsstaat, goed bestuur en eerbiediging van de mensenrechten;

1.  herinnert eraan dat de EU zich ertoe verbindt mensenrechten en democratie in haar betrekkingen met derde landen op coherente wijze te bevorderen en te eerbiedigen in het kader van al haar beleidsmaatregelen, met inbegrip van het handelsbeleid, evenals in alle relevante instrumenten voor externe financiering;

2.  beveelt dan ook aan de handelsstrategie van de EU in te zetten als instrument ter bevordering van de democratische waarden in derde landen; spreekt derhalve zijn voldoening uit over het feit dat handelsakkoorden en programma's inzake handelspreferenties ook worden ingezet als hefboom om de mensenrechten te bevorderen, gedwongen en kinderarbeid uit te roeien en voedselzekerheid en het recht op gezondheid, duurzame ontwikkeling en strenge veiligheids- en milieunormen alsmede economische kansen voor eenieder te waarborgen;

3.  is ingenomen met de nieuwe "Handel voor iedereen"-strategie en met de verwijzing naar maatschappelijk verantwoord ondernemen die nu in alle handels- en andere bilaterale overeenkomsten van de EU wordt opgenomen; verzoekt de EU passende follow‑upmaatregelen zoals een klachtenmechanisme voor te stellen, eventuele tekortkomingen in handels- en investeringsovereenkomsten te verhelpen en haar wetgeving inzake de uitvoercontrole op producten voor tweeërlei gebruik te actualiseren;

4.  neemt kennis van het streven van de Commissie om haar toezegging na te komen dat zij mensenrechtenkwesties en economische, sociale en milieuvraagstukken in haar effectbeoordelingen van wetgevings- en niet-wetgevingsvoorstellen en handelsbesprekingen, uitvoeringsmaatregelen en handelsovereenkomsten zal opnemen; herhaalt dat effectbeoordelingen moeten leiden tot een betere bescherming van de mensenrechten en de daaraan gerelateerde mechanismen die zijn neergelegd in overeenkomsten en beleid op handelsgebied; dringt er daarnaast bij de Commissie op aan stelselmatig zulke mensenrechteneffectbeoordelingen en effectbeoordelingen achteraf uit te voeren en de kwaliteit en reikwijdte daarvan te verbeteren; betreurt ten zeerste dat de Commissie geen mensenrechteneffectbeoordeling heeft uitgevoerd voor de vrijhandelsovereenkomst EU-Vietnam, en spreekt andermaal zijn steun uit voor een uitvoerige beoordeling van Vietnam, met inbegrip van de mensenrechtensituatie, als onderdeel van de evaluatie achteraf van die overeenkomst en als follow-up van de duurzaamheidseffectbeoordeling die in 2009 werd gelanceerd; verwelkomt alle coördinatie-inspanningen op internationaal niveau, met name met het kantoor van de Hoge VN-commissaris voor de mensenrechten, met het doel de overeengekomen internationale beginselen en ondertekende verdragen op mensenrechtengebied te handhaven;

5.  spreekt andermaal zijn steun uit voor de systematische opname van conditionaliteitsclausules inzake mensenrechten in internationale overeenkomsten, met inbegrip van handelsovereenkomsten, tussen de EU en derde landen; benadrukt de noodzaak van politieke wil om door derde landen aangegane verbintenissen te handhaven; verzoekt de Commissie regelmatig verslag uit te brengen over de stand van de tenuitvoerlegging van de VN-beginselen betreffende het bedrijfsleven en de mensenrechten door alle lidstaten van de VN; vindt dat deze beginselen en andere internationale normen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen consequent door EU-vertegenwoordigers moeten worden aangekaart in mensenrechtendialogen met derde landen; verzoekt de EU het maatschappelijk middenveld in derde landen te steunen bij hun bijdrage aan effectbeoordelingen;

6.  verzoekt daarnaast de Commissie stelselmatig toezicht te houden op de uitvoering van de mensenrechtenclausules en regelmatig verslag uit brengen aan het Parlement over de eerbiediging van de mensenrechten in partnerlanden; verzoekt de Commissie bovendien de nodige waarborgen in te stellen om eventuele negatieve mensenrechteneffecten van handelsovereenkomsten aan te pakken en rekening te houden met de bijdrage van binnenlandse adviesgroepen en gemengde raadgevende comités, en tevens passende controle- en handhavingsmechanismen op te zetten om ervoor te zorgen dat ondernemingen en investeerders de mensenrechten eerbiedigen;

7.  is ingenomen met het feit dat de Commissie zich inspant om de tenuitvoerlegging van de VN-beginselen betreffende het bedrijfsleven en de mensenrechten, het "Global Compact" van de VN, de herziene OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, de tripartiete beginselverklaring van de IAO betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid, en de ISO-norm 26000 inzake maatschappelijke verantwoordelijkheid te ondersteunen, en dat zij tegelijkertijd alle handelspartners aanmoedigt, ondersteunt en controleert bij de naleving van deze internationale beginselen; is van mening dat het aspect van toegang tot rechtsmiddelen in de nationale actieplannen en de EU-strategie overeenkomstig de leidende beginselen meer aandacht moet krijgen; wijst er andermaal op hoe belangrijk het is dat genoemde beginselen en het "Global Compact" op doeltreffende wijze worden uitgevoerd; is ingenomen met het werk dat de intergouvernementele werkgroep (IGWG) tot nu toe heeft verricht en roept alle lidstaten van de VN, met inbegrip van de EU-lidstaten, op om constructief aan de onderhandelingen deel te nemen; is ingenomen met de studie naar het aanpakken via rechtsmiddelen van ernstige schendingen van de mensenrechten door ondernemingen, die is uitgevoerd door het kantoor van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten;

8.  is ingenomen met de inwerkingtreding op 1 januari 2014 van het nieuwe stelsel van algemene preferenties (SAP) (Verordening (EU) nr. 978/2012); herinnert eraan dat de partnerlanden verplicht zijn de 27 fundamentele internationale verdragen inzake mensenrechten en arbeidsnormen toe te passen die worden genoemd in de SAP‑verordening; benadrukt dat de Commissie toezicht moet houden op en verslag dient uit te brengen van de tenuitvoerlegging van deze verdragen door de SAP+-begunstigden; dringt aan op voortzetting van de dialoog met de SAP+-landen, aangezien de EU op deze manier de meeste invloed kan uitoefenen in de strijd tegen mensenrechtenschendingen, en de SAP+-voordelen kan opschorten in geval van zeer ernstige mensenrechtenschendingen;

9.  is ingenomen met de opname van de verslaglegging door grote ondernemingen over de mensenrechten in de EU-richtlijn met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie en dringt aan op onverwijlde toepassing hiervan; spreekt zijn steun uit voor de OESO-richtsnoeren als middel om in de context van de handel meer aandacht te besteden aan mensenrechtenbepalingen; wijst in dit verband op het belang van transparantiemechanismen en van justitiële samenwerking tussen landen; vestigt de aandacht op het verslagleggingskader van de VN-beginselen, de ijkpunten voor het bedrijfsleven en de mensenrechten en de doelstelling van "geïntegreerde verslaglegging", en verzoekt alle belanghebbenden de geest van de richtlijn te eerbiedigen;

10.  onderstreept dat de EU-strategie "Handel voor iedereen" de Europese Unie ertoe verbindt initiatieven voor maatschappelijk verantwoord ondernemen te versterken, en beklemtoont dat dit nieuwe vormen van actie op EU-niveau inhoudt, waaronder het bereiken van een overeenkomst over een nieuw actieplan voor maatschappelijk verantwoord ondernemen tot 2020;

11.  verzoekt de Commissie de zich aftekenende resultaten van het project voor het realiseren van langetermijnwaarde van ondernemingen en investeerders, dat nu wordt uitgevoerd in het kader van de VN-beginselen van verantwoord investeren en het "Global Compact", toe te passen op het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), op haar dialoog met investeerders, en op het ondersteunen van het concept van een "Unie van duurzame kapitaalmarkten".

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

11.4.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

44

9

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Lars Adaktusson, Michèle Alliot-Marie, Nikos Androulakis, Francisco Assis, Petras Auštrevičius, Amjad Bashir, Bas Belder, Goffredo Maria Bettini, Klaus Buchner, James Carver, Fabio Massimo Castaldo, Lorenzo Cesa, Javier Couso Permuy, Andi Cristea, Arnaud Danjean, Knut Fleckenstein, Eugen Freund, Iveta Grigule, Richard Howitt, Sandra Kalniete, Tunne Kelam, Afzal Khan, Eduard Kukan, Ilhan Kyuchyuk, Ryszard Antoni Legutko, Arne Lietz, Barbara Lochbihler, Sabine Lösing, Andrejs Mamikins, Ramona Nicole Mănescu, David McAllister, Demetris Papadakis, Alojz Peterle, Tonino Picula, Kati Piri, Andrej Plenković, Cristian Dan Preda, Jozo Radoš, Sofia Sakorafa, Jean-Luc Schaffhauser, Helmut Scholz, Jaromír Štětina, Miguel Urbán Crespo, Ivo Vajgl, Elena Valenciano, Geoffrey Van Orden, Hilde Vautmans, Boris Zala

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Antonio López-Istúriz White, Tokia Saïfi, György Schöpflin, Igor Šoltes, Bodil Valero

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Beatriz Becerra Basterrechea, Georgios Epitideios, Claudiu Ciprian Tănăsescu


ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (11.11.2015)

aan de Commissie internationale handel

inzake de uitvoering van de aanbevelingen van 2010 van het Europees Parlement over de sociale en milieunormen, de mensenrechten en maatschappelijk verantwoord ondernemen

(2015/2038(INI))

Rapporteur voor advies: Lola Sánchez Caldentey

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt dat het handels- en investeringsbeleid van de EU nauw verbonden is met het beleid inzake sociale bescherming, ontwikkeling, mensenrechten en milieu; roept de Commissie op om het beginsel van samenhang in het ontwikkelingsbeleid in het hele extern beleid te eerbiedigen en dit in alle verdragen op te nemen, op manieren die stroken met overeengekomen internationale verplichtingen inzake mensenrechten, waardig werk, gendergelijkheid en milieuduurzaamheid;

2.  herinnert aan de VN-Verklaring van 1986 inzake het recht op ontwikkeling, waarin het recht op ontwikkeling als onvervreemdbaar mensenrecht is vastgelegd; roept de EU op binnen het kader van de Universele Verklaring van de rechten van de mens, andere internationale verdragen en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen de soevereiniteit van ontwikkelingslanden te respecteren overeenkomstig het ontwikkelingsbeginsel van democratische eigen verantwoordelijkheid, als vastgelegd in de agenda voor doeltreffendheid van ontwikkeling; benadrukt dat de menselijke waardigheid en de verplichtingen en verbintenissen van alle investeerders moeten worden verzekerd om internationaal overeengekomen sociale, milieu- en mensenrechtennormen te waarborgen en tegelijkertijd een doeltreffende samenwerking met alle ontwikkelingsactoren te bevorderen;

3.  verzoekt de EU de gezamenlijke maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid van ontwikkelingslanden te erkennen en tegelijkertijd rechtvaardigheid te waarborgen bij het aanpakken van de agenda inzake duurzame ontwikkeling voor de periode na 2030 en de economische, sociale en milieudimensie van duurzame ontwikkeling; herinnert aan de verantwoordelijkheid van de EU ter verzekering van de eigen verantwoordelijkheid en de bijdrage van partnerlanden inzake hun eigen ontwikkeling, vooral met betrekking tot belasting-, handels- en investeringsbeleid; beklemtoont met name dat het evenwicht tussen wereldwijd geldende regels inzake handel en investeringen en verplichtingen op het gebied van mensenrechten moet worden hersteld teneinde de juiste balans te vinden tussen de rechten en de verantwoordelijkheden van bedrijven en overheden;

4.  herinnert eraan dat de uitvoering van de agenda voor waardig werk (gebaseerd op verdragen en aanbevelingen van de IAO) een wezenlijk onderdeel vormt van strategieën voor duurzame ontwikkeling die kunnen worden toegepast door bedrijven; benadrukt in dit verband dat sociaal overleg een essentieel criterium is voor de verantwoordingsplicht van bedrijven;

5.  merkt op dat de MVO-agenda moet worden aangepast aan de specifieke behoeften van regio's en landen om zo te kunnen bijdragen aan de verbetering van duurzame economische en sociale ontwikkeling;

6.  acht het betreurenswaardig dat er, op een moment van toenemende belangstelling voor de particuliere sector als ontwikkelingsactor, een aanzienlijk gebrek is aan adequate informatie en transparantie met betrekking tot de activiteiten van bedrijven en de gevolgen daarvan voor sociale en milieunormen en de mensenrechten; benadrukt het belang van een daadwerkelijke toename van de transparantie en verantwoordingsplicht van bedrijven en een onafhankelijke effectbeoordeling voorafgaand aan de ondertekening van ieder internationaal verdrag, ook een handelsverdrag; dringt, in het kader van EU‑handelsovereenkomsten, aan op een sterk toezichts- en handhavingsmechanisme om er effectief voor te zorgen dat bedrijven de sociale, milieu- en mensenrechtennormen naleven; roept de Europese Unie en de lidstaten op om bindende maatregelen te bevorderen om ervoor te zorgen dat multinationale ondernemingen belasting afdragen in de landen waar ze winst maken en om verplichte verslaglegging per land door de particuliere sector te stimuleren, en zodoende meer binnenlandse middelen vrij te maken;

7.  herinnert eraan dat de integratie van een op mensenrechten gebaseerde aanpak centraal dient te staan in het ontwikkelingsbeleid van de EU; herhaalt dat, op een moment dat het gebruik van de combinatie van steunvormen als EU-ontwikkelingsinstrument toeneemt, de naleving en de toepassing van internationaal erkende richtsnoeren en beginselen met betrekking tot de handelswijze van bedrijven en de bijbehorende verantwoordingsinstrumenten (met name de verdragen en de normen van de IAO, met inbegrip van de IAO-beginselverklaring betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid, de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, het Global Compact en de leidende beginselen inzake bedrijfsleven en mensenrechten van de VN) een cruciale voorwaarde moeten vormen voor de toekenning van steun aan de particuliere sector in ontwikkelingssamenwerking;

8.  betreurt het dat, ondanks de unanieme goedkeuring van de leidende beginselen inzake bedrijfsleven en mensenrechten van de VN door de Mensenrechtenraad in 2011, het aantal mensenrechtenschendingen in het kader van bedrijfsactiviteiten blijft stijgen; verzoekt de Commissie een verslag op te stellen over de stand van tenuitvoerlegging van de leidende beginselen inzake bedrijfsleven en mensenrechten van de VN;

9.  betreurt het dat er nog steeds geen regelgevend kader is met betrekking tot de wijze waarop bedrijven omgaan met mensenrechtennormen en verplichtingen inzake het respecteren van sociale en milieunormen, waardoor bepaalde lidstaten en bedrijven deze straffeloos kunnen omzeilen; dringt aan op de vaststelling van een verplicht en afdwingbaar regelgevend kader met betrekking tot de wijze waarop bedrijven omgaan met mensenrechten en verplichtingen inzake het respecteren van sociale en milieunormen; betreurt het dat de huidige mensenrechtenclausules in vrijhandelsverdragen en andere economische samenwerkingsovereenkomsten doorgaans niet worden nageleefd; herhaalt de oproep aan de Europese Commissie om zich meer in te zetten voor de bevordering van bindende en niet-bespreekbare sociale, mensenrechten- en milieuclausules in onderhandelingen over internationale overeenkomsten;

10.  spoort de Commissie aan om verplichte en afdwingbare initiatieven voor verantwoorde mijnbouw, houtkap en winning van grondstoffen, die particuliere op duurzaamheid gerichte regelingen doorheen de toeleveringsketen kunnen omvatten, verder te stimuleren en de ecologische en sociale analyse van de levenscyclus van producten en processen op te voeren om zo de consumentenvoorlichting te verbeteren en de verantwoordingsplicht van bedrijven effectief te garanderen;

11.  dringt erop aan dat de EU de aanbevelingen van het omvattende kader voor investeringsbeleid voor duurzame ontwikkeling (Comprehensive Investment Policy Framework for Sustainable Development) van UNCTAD volgt om te zorgen voor verantwoorde, transparante en verantwoordbare investeringen teneinde geen afbreuk te doen aan sociale en milieunormen, mensenrechten, ontwikkeling en menselijke waardigheid, en tegelijkertijd te garanderen dat mensenrechten, gendergelijkheid, waardig werk, vakbondsrechten, milieubescherming, sociale bescherming, universele toegang tot kwaliteitsvolle producten en openbare diensten (met bijzondere aandacht voor openbare en algemene dekking van de gezondheidszorg), sociale bescherming, universele toegang tot geneesmiddelen, en voedsel- en productveiligheid in acht worden genomen;

12.  is, in een context waarin bestaande normen, beginselen en mechanismen voor herstel inzake bedrijfsleven en mensenrechten versnipperd zijn in het internationaal recht, ingenomen met de recente opname van mensenrechtenclausules in bilaterale vrijhandelsverdragen en andere economische samenwerkingsovereenkomsten, alsook van een hoofdstuk over duurzame ontwikkeling; is van mening dat deze clausules de weg effenen voor een betere samenwerking tussen de EU en haar partnerlanden; herinnert eraan dat het de taak van de lidstaten is om de eerbiediging en de bevordering van de mensenrechten te waarborgen; roept de EU en de lidstaten op om zich binnen de VN‑Mensenrechtenraad en het VN-Milieuprogramma actief in te zetten voor een internationaal verdrag waarmee multinationals verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor mensenrechtenschendingen en schendingen van milieunormen, aangezien er weinig vooruitgang is geboekt bij de tenuitvoerlegging van de leidende beginselen van de VN.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

10.11.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

14

9

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Beatriz Becerra Basterrechea, Ignazio Corrao, Doru-Claudian Frunzulică, Nathan Gill, Charles Goerens, Enrique Guerrero Salom, Heidi Hautala, Maria Heubuch, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Linda McAvan, Norbert Neuser, Cristian Dan Preda, Lola Sánchez Caldentey, Elly Schlein, Pedro Silva Pereira, Davor Ivo Stier, Paavo Väyrynen, Bogdan Brunon Wenta, Rainer Wieland, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Louis-Joseph Manscour, Paul Rübig, Joachim Zeller


ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (21.3.2016)

aan de Commissie internationale handel

inzake de uitvoering van de aanbevelingen van 2010 van het Parlement over de sociale en milieunormen, de mensenrechten en maatschappelijk verantwoord ondernemen

(2015/2038(INI))

Rapporteur voor advies: Tiziana Beghin

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  dringt erop aan dat de acht fundamentele arbeidsnormen van de IAO, de vier prioritaire IAO-verdragen voor de geïndustrialiseerde landen en de desbetreffende EU-wetgeving door middel van een sociale clausule worden opgenomen in alle bilaterale en multilaterale handelsovereenkomsten van de EU en roept op tot toepassing van deze normen; acht het noodzakelijk te voorzien in stimulansen voor ondernemingen om zich toe te leggen op maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) en proactieve maatregelen te treffen om elke schending van mensenrechten en milieunormen, corruptie of belastingontduiking, ook in dochterondernemingen en toeleveringsketens, vast te stellen en te voorkomen; wijst op het belang van naleving van de minimumarbeidsnormen in derde landen en dringt er in dit verband bij de Commissie op aan om voor toezichtsmechanismen te zorgen waar de sociale partners bij betrokken worden; benadrukt dat niet alleen de ratificatie van de normen moet worden gewaarborgd, maar ook de doeltreffende toepassing ervan, waarvoor de arbeidsinspectiediensten in overeenstemming met de aanbevelingen van de IAO van voldoende personeel moeten worden voorzien;

2.  brengt in herinnering dat de tripartiete beginselverklaring van de IAO betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid, de IAO-Agenda voor waardig werk en de arbeidsgerelateerde onderdelen van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen fundamentele teksten zijn op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen en onderstreept dat het directoraat-generaal Werkgelegenheid van de Europese Commissie (DG Werkgelegenheid) een leidende rol moet blijven spelen bij de gezamenlijke coördinatie van het beleid van de Unie inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen;

3.  verzoekt de Commissie vervolg te geven aan de hernieuwde strategie inzake MVO van de EU voor de periode 2011-2014 en te overwegen een openbare raadpleging te houden;

4.  herinnert aan de wisselwerking tussen sociale en milieunormen, mensenrechten, arbeidsrechten en het ontwikkelingsbeleid in de externe betrekkingen van de EU en aan de belangrijke rol die de Unie moet spelen bij de bevordering van deze rechten en normen, met name in het kader van het buitenlandse handelsbeleid en externe handelsovereenkomsten;

5.  benadrukt dat Europa een lange traditie van maatschappelijk verantwoord ondernemen kent en dat sociaal verantwoordelijke bedrijven nog steeds een lichtend voorbeeld vormen;

6.  onderstreept dat MVO naast het mondiale aspect ook altijd een effect heeft op lokaal en regionaal niveau, een effect dat moet worden erkend en bevorderd;

7.  is van mening dat het fiscale beleid van een bedrijf als een onderdeel van MVO moet worden beschouwd, en dat strategieën die gericht zijn op belastingontduiking of gebruikmaking van belastingparadijzen derhalve onverenigbaar zijn met maatschappelijk verantwoord gedrag;

8.  pleit ervoor dat de IAO wordt betrokken bij de werkzaamheden van de WTO, door de IAO de status van waarnemer bij de WTO toe te kennen en het recht te geven om het woord te voeren in de interministeriële conferenties van de WTO; is van mening dat de IAO moet worden betrokken bij onderhandelingen over bilaterale en multilaterale handelsovereenkomsten; dringt erop aan om in het handelsbeleid op multinationaal niveau, in het kader van internationale fora die MVO bevorderen – met name de OSEO en de IAO – alsook binnen de WTO terdege rekening te houden met MVO;

9.  is van mening dat nauwere samenwerking op multilateraal niveau zal bijdragen tot daadwerkelijke coördinatie tussen internationale organisaties, het geen bijvoorbeeld de IAO in staat zal stellen om rapporten te laten opstellen door onafhankelijke deskundigen, zodat in de activiteiten van de WTO terdege aandacht wordt besteed aan bepalingen inzake arbeid en fatsoenlijk werk en zo wordt voorkomen dat de sociale ontwikkeling in gevaar komt;

10.  pleit ervoor het hoofdstuk inzake duurzame ontwikkeling in bilaterale en multilaterale overeenkomsten te versterken door de invoering van een toezichts- en meldingsmechanisme dat openstaat voor de sociale partners, en door de invoering van verantwoordingsmechanismen in het geval van niet-naleving; is van mening dat aan een dergelijke procedure gevolgen verbonden moeten zijn wanneer schendingen van regels inzake duurzame ontwikkeling of inbreuken op bepaalde arbeidsbepalingen en -normen worden geregistreerd;

11.  pleit ervoor in toekomstige handelsovereenkomsten tussen de EU en derde landen in het kader van de Agenda voor waardig werk een prominentere plaats te geven aan veiligheid en gezondheid op het werk; dringt erop aan dat de EU technische bijstand verleend bij de tenuitvoerlegging van deze bepalingen zodat deze geen handelsbelemmering zullen vormen;

12.  acht een doeltreffendere tenuitvoerlegging van de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en de mensenrechten van cruciaal belang om de naleving van de fundamentele arbeids-, sociale en milieunormen te waarborgen;

13.  wijst erop dat MVO zich dient uit te strekken tot nieuwe gebieden zoals de organisatie van werk, gelijke kansen en sociale insluiting, maatregelen ter bestrijding van discriminatie, de ontwikkeling van levenslang leren en opleiding; benadrukt dat MVO onder meer de kwaliteit van werk, gelijke beloning, carrièrekansen en de bevordering van innovatieve projecten zou moeten omvatten, teneinde de overstap naar een duurzame economie in de hand te werken;

14.  is van mening dat het beleid op sociaal vlak, inzake milieu en ter bevordering van de eerbiediging van de mensenrechten moet worden bevorderd aan de hand van verschillende EU-acties, met inbegrip van bilaterale overeenkomsten; merkt daarnaast op dat EU‑beleidsmaatregelen in geen geval een belemmering mogen vormen voor het beleid dat wordt gevoerd door de landen die bilaterale overeenkomsten hebben ondertekend ten gunste van duurzame ontwikkeling en de eerbiediging van de individuele rechten en vrijheden waarin wordt voorzien door het EU-Handvest van de grondrechten; dringt er bijgevolg bij de Commissie op aan te waarborgen dat milieu- en economische effectbeoordelingen en effectbeoordelingen met betrekking tot mensenrechten worden uitgevoerd voorafgaand aan de onderhandelingen, en dat achteraf systematisch toezicht en evaluaties plaatsvinden; herinnert eraan dat bestaande opschortingsclausules in bilaterale overeenkomsten in werking moeten treden bij vaststelling van (een) ernstige inbreuk(en) op overeengekomen doelstellingen en/of normen op sociaal vlak, inzake milieu en op het gebied van mensenrechten;

15.  vraagt de Commissie om in alle vrijhandelsovereenkomsten waarover met derde landen onderhandeld wordt, een reeks hoge sociale normen op te nemen en deze te eerbiedigen in overeenstemming met de IAO-Agenda voor waardig werk, waarin belangrijke doelstellingen inzake een waardige, stabiele en vreedzame werkomgeving zijn vastgelegd; benadrukt het belang van de betrokkenheid van de sociale partners bij de bevordering van deze agenda, teneinde kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid beter te kunnen stimuleren, de erkenning en eerbiediging van werknemersrechten te waarborgen, de sociale bescherming uit te breiden en sociale dialoog te bevorderen; roept de Europese ondernemingen tevens op deze kerndoelstellingen zowel binnen de Unie als in hun transacties met actoren buiten de EU volledig te verwezenlijken;

16.  onderstreept dat de EU-strategie "Handel voor iedereen" de Unie ertoe verbindt "initiatieven voor maatschappelijk verantwoord ondernemen te versterken" en beklemtoont dat dit nieuwe maatregelen op EU-niveau inhoudt, waaronder het vaststellen van een nieuw actieplan voor maatschappelijk verantwoord ondernemen tot 2020 en een in alle nieuwe handelsovereenkomsten op te nemen mechanisme waarbij niet slechts naar MVO, het bedrijfsleven en mensenrechten wordt verwezen, maar in elk specifiek geval een follow-up- en uitvoeringsmechanisme wordt geïntroduceerd;

17.  verzoekt de Commissie proactief en constructief samen te werken met de OESO en de IAO om een mondiale aanpak ter verbetering van de arbeidsomstandigheden in de kledingindustrie te ontwikkelen;

18.  dringt er bij de Commissie op aan om wanneer zij over nieuwe handelsovereenkomsten onderhandelt, bijvoorbeeld die met Australië en Nieuw-Zeeland, op bilateraal niveau nieuwe normen voor democratische, transparante eerlijke handelsovereenkomsten in het leven te roepen, die als mijlpalen voor een nieuw internationaal handelsbeleid kunnen gelden;

19.  herinnert eraan dat de mogelijkheid voor de sociale partners om MVO-aspecten aan de orde te stellen een integraal bestanddeel van de Europese sociale dialoog vormt en pleit voor onderhandelingen over nieuwe kaderovereenkomsten in bepaalde sectoren om de MVO-doelstellingen te bevorderen;

20.  benadrukt dat de instellingen van de Unie bij de gunning van overheidsopdrachten prioriteit geven aan de staat van dienst en de bewezen inzet van bedrijven met betrekking tot duurzaam en ethisch gedrag en dringt er bij aanbestedende diensten op aan deze criteria in overeenstemming met de aanbestedingsrichtlijnen toe te passen;

21.  onderstreept dat MVO een rol kan vervullen bij het bevorderen van op milieu-, sociaal en economisch vlak duurzame groei en arbeidsnormen, alsook bij het voorkomen van corruptie zowel in de EU als wereldwijd, met name wanneer MVO ook passende normen inzake transparantie en betrouwbare verantwoordingsmechanismen omvat; pleit ervoor dat ondernemingen op dit gebied meer verantwoording moeten afleggen; dringt er bij de Commissie op aan dat zij een nieuwe strategie inzake MVO goedkeurt waarin strengere rapportage- en nalevingsvoorschriften worden vastgelegd, teneinde een doeltreffendere tenuitvoerlegging van de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en de mensenrechten te waarborgen, en spoort de lidstaten aan de bevordering van MVO in handelsovereenkomsten te ondersteunen;

22.  blijft er bij de Commissie op aandringen een verbod in te stellen op elke vorm van invoer van goederen en diensten die op moderne vormen van slavernij berusten, in het bijzonder wanneer kwetsbare groepen hiervan het slachtoffer zijn of wanneer fundamentele mensenrechten worden geschonden;

23.  dringt er bij de Commissie op aan om de bedrijfsbetrokkenheid in het kader van MVO constructief te begeleiden en door de actieve tussenkomst van duurzame MVO‑partnerschappen wereldwijd te bevorderen en deze werkzaamheden door gecoördineerde uitvoeringsmaatregelen te begeleiden;

24.  verzoekt de Commissie stimulansen te creëren voor en de invoering te bevorderen van MVO, ter aanvulling en in geen geval ter vervanging van arbeids- en milieuwetgeving;

25.  is verheugd over de rol die het directoraat-generaal Werkgelegenheid en de Commissie hebben gespeeld bij de organisatie van de bijeenkomst van de Groep op hoog niveau van de lidstaten inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen en pleit voor een intensievere dialoog en samenwerking tussen de EU-instellingen en de lidstaten om de MVO-strategie van de EU te bevorderen;

26.  is zeer verheugd over het feit dat bij de richtlijn met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie(1) arbeidsaspecten zijn ingevoerd in de verslaglegging over het sociale effect door grote ondernemingen; verzoekt de lidstaten de richtlijn spoedig en doeltreffend om te zetten; verzoekt alle in de EU geregistreerde ondernemingen en hun belanghebbenden de geest van de richtlijn te eerbiedigen, om toe te werken naar een sociaal rechtvaardigere en duurzamere economie;

27.  constateert dat sinds de instorting van de Rana Plaza-fabriek, de bekendmaking van het Franse wetsontwerp inzake de zorgvuldigheidsplicht van ondernemingen en het door voorzitter Juncker tijdens de G7-top gehouden pleidooi voor het nemen van "snelle maatregelen" ter versterking van de verantwoording in wereldwijde toeleveringsketens, in die ketens in toenemende mate aandacht wordt besteed aan de bevordering van goed werkgeverschap;

28.  herinnert eraan dat de Europese Unie tot op heden heeft verzuimd de juridische kloof te dichten met betrekking tot de in de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en de mensenrechten bedoelde toegang tot rechtsmiddelen in extreme gevallen waarin vele mensen de dood vinden, zoals bij de tragedie van Bhopal; dringt aan op maatregelen om Europese rechtbanken jurisdictie te verlenen in dergelijke gevallen, waarin geen toereikende rechtsmiddelen beschikbaar zijn in de betrokken derde landen;

29.  verzoekt de Commissie, en met name haar directoraat-generaal Justitie, voorstellen in te dienen om voor een betere toegang tot de rechter in EU-rechtbanken te zorgen in geval van extreme, schandelijke gevallen van mensenrechten- en arbeidsrechtenschendingen door in Europa gevestigde bedrijven, hun dochterondernemingen, onderaannemers of handelspartners, zoals aanbevolen door de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties voor het bedrijfsleven en de mensenrechten;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.3.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

47

4

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laura Agea, Guillaume Balas, Tiziana Beghin, Brando Benifei, Vilija Blinkevičiūtė, Enrique Calvet Chambon, David Casa, Ole Christensen, Jane Collins, Martina Dlabajová, Lampros Fountoulis, Elena Gentile, Thomas Händel, Rina Ronja Kari, Jan Keller, Ádám Kósa, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Jean Lambert, Jérôme Lavrilleux, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Javi López, Morten Løkkegaard, Dominique Martin, Anthea McIntyre, Joëlle Mélin, Elisabeth Morin-Chartier, Emilian Pavel, João Pimenta Lopes, Georgi Pirinski, Marek Plura, Terry Reintke, Sofia Ribeiro, Maria João Rodrigues, Claude Rolin, Anne Sander, Sven Schulze, Siôn Simon, Jutta Steinruck, Romana Tomc, Yana Toom, Ulrike Trebesius, Jana Žitňanská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Maria Arena, Georges Bach, Heinz K. Becker, Lynn Boylan, Karima Delli, Paloma López Bermejo, António Marinho e Pinto, Edouard Martin, Ivo Vajgl

(1)

Richtlijn 2014/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit door bepaalde grote ondernemingen en groepen.


ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (3.12.2015)

aan de Commissie internationale handel

inzake de uitvoering van de aanbevelingen van 2010 van het Parlement over de sociale en milieunormen, de mensenrechten en maatschappelijk verantwoord ondernemen

(2015/2038(INI))

Rapporteur voor advies: Malin Björk

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat handelsovereenkomsten andere gevolgen hebben voor vrouwen dan voor mannen vanwege structurele ongelijkheden tussen de seksen inzake de toegang tot onderwijs, banen, diensten, hulpbronnen en bij hun inkomen, hun positie als consument, hun vertegenwoordiging bij de besluitvorming, hun aanwezigheid in laaggeschoolde banen en de verschillende sociale regels die gelden voor mannen en vrouwen;

B.  overwegende dat gelijkheid van mannen en vrouwen als strategische doelstelling essentieel is voor de verwezenlijking van algemene EU-doelstellingen; overwegende dat de huidige EU-strategie voor de gelijkheid tussen vrouwen en mannen (2010-2015) erin voorziet dat de EU gendergelijkheid in haar handelsbeleid zal integreren als onderdeel van een breder kader voor duurzame ontwikkeling;

C.  overwegende dat alle maatregelen die de vaardigheden, baanzekerheid, arbeidsomstandigheden, werkloosheidsuitkeringen en toelagen van werkenden verbeteren – zoals betaald verlof, waaronder ouderschapsverlof, en gezondheidszorg – vooral vrouwelijke werknemers aanzienlijk ten goede zullen komen, vooral degenen die in de meest onzekere omstandigheden verkeren;

D.  overwegende dat alomvattende en evenwichtige handelsovereenkomsten een positieve impact kunnen hebben op de arbeidsparticipatie van vrouwen en aldus kunnen bijdragen tot groei en sociale cohesie; overwegende dat de genderdimensie overeenkomstig artikel 8 van het VWEU in alle EU-activiteiten moet worden geïntegreerd, ook in de onderhandelingen over handelsovereenkomsten;

E.  overwegende dat de genderproblematiek niet voorkomt in de resolutie van het Parlement van 25 november 2010 over maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) in internationale handelsovereenkomsten;

F.  overwegende dat het bereiken van gendergelijkheid tot 2030 de vijfde duurzame‑ontwikkelingsdoelstelling is;

G.  overwegende dat handelsovereenkomsten onder geen beding afbreuk mogen doen aan de vorderingen van de EU of haar lidstaten op het vlak van gelijkheid van mannen en vrouwen;

H.  overwegende dat het wegnemen van obstakels voor investeringen in de vorm van wettelijke rechten, sociale normen, consumentenbescherming en milieuvoorschriften tot een algemene daling van de arbeidsnormen zal leiden, alsook tot de privatisering van overheidsdiensten en van de welzijnssector, wat negatieve gevolgen zal hebben voor de gelijkheid van mannen en vrouwen;

I.  overwegende dat de gelijkheid van mannen en vrouwen en de versterking van de positie van vrouwen en meisjes deel moeten uitmaken van het beleid voor duurzame en inclusieve ontwikkeling en groei;

J.  overwegende dat handelsliberalisering op zich niet volstaat om ongelijkheden tussen de seksen weg te werken en dat er specifieke, op maat gesneden maatregelen en economische hulpmiddelen nodig zijn om de impact ervan op vrouwen bij te houden;

1.  pleit voor de bindende toepassing van de fundamentele arbeidsnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en haar agenda voor waardig werk, aangezien de IAO-normen, die uitgaan van de beginselen van niet-discriminatie op grond van geslacht en gelijke beloning voor mannen en vrouwen, bijzonder relevant zijn voor het vergroten van de gelijkheid van mannen en vrouwen, en pleit daarnaast voor internationale toezeggingen op het vlak van milieubescherming in de preferentiële handelsovereenkomsten van de EU;

2.  pleit voor een brede, doeltreffende, voortdurende en transparante deelname van met name vrouwen, vrouwenrechtenorganisaties en vakbonden, maar ook van milieu-, consumenten-, arbeids- en ontwikkelingsorganisaties aan raadplegingen en onderhandelingen op het vlak van handel en aan de vormgeving en uitvoering van het handelsbeleid; spoort alle vrouwen en vrouwenorganisaties aan actief aan de onderhandelingen deel te nemen en initiatieven te ontplooien en inlichtingen te verstrekken die relevant zijn voor de onderhandelingen;

3.  pleit voor meer transparantie en een grotere verantwoordingsplicht van de organisaties in het veld bij de uitwerking van internationale handelsvoorschriften en nationaal handelsbeleid, waarbij ze consistentie betrachten bij de eerbiediging van de rechten van werknemers en de mensenrechten, inclusief vrouwenrechten;

4.  verzoekt de EU erop toe te zien dat het handelsbeleid de nationale regelgeving inzake sociale bescherming, consumentenbescherming, openbare veiligheid, volksgezondheid, onderwijs, voedselzekerheid, milieubescherming en gelijkheid van mannen en vrouwen niet ondergraaft;

5.  wijst op de opname van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) op de lijst van verdragen van de SAP+, en pleit voor een grondige controle op de naleving van de verplichtingen door de begunstigden;

6.  verzoekt de EU stelselmatig bindende, afdwingbare en niet-onderhandelbare mensenrechtenbepalingen op te nemen in haar internationale overeenkomsten, inclusief al bestaande of nog te sluiten handels- en investeringsovereenkomsten;

7.  wijst erop dat de opschortingsclausule van internationale handelsovereenkomsten moet worden geactiveerd als mensenrechten worden geschonden door de andere partij bij de overeenkomst;

8.  herinnert voorts aan de toezegging van de EU om de genderdimensie in al haar beleidsterreinen te integreren en om te garanderen dat mannen en vrouwen in gelijke mate profiteren van sociale veranderingen, economische groei en het scheppen van fatsoenlijke banen, terwijl discriminatie wordt uitgebannen en de eerbiediging van de rechten van de vrouw overal ter wereld wordt bevorderd;

9.  vindt het betreurenswaardig dat handelsovereenkomsten vaak tot stand komen zonder dat er specifiek verwezen wordt naar de impact daarvan op de rechten van vrouwen en meisjes, zoals het recht op gezondheid – en de daarmee samenhangende rechten, o.a. op reproductieve gezondheid –, toegang tot onderwijs en opleiding, voedsel, veilige werkomstandigheden en water;

10.  verzoekt de Commissie en de lidstaten gegevens te verzamelen over en een grondige analyse uit te voeren van de mogelijke specifieke gevolgen daarvan voor de positie van vrouwen en meisjes, zo ook in derde landen, met als doel de samenhang tussen verschillende maar gerelateerde beleidsterreinen zoals handel, ontwikkeling, werkgelegenheid, migratie en gendergelijkheid te vergroten;

11.  verzoekt de Commissie op basis van ijkpunten voor gendergelijkheid alsook van middelen om vooraf en achteraf de effecten van handelsovereenkomsten op vrouwen en gendergelijkheid te kunnen beoordelen als onderdeel van een bredere effectbeoordeling over menselijke ontwikkeling; benadrukt de noodzaak van degelijke en betrouwbare gegevens voor de beoordeling van de gevolgen voor mannen en vrouwen van diverse handelsmaatregelen en -instrumenten zoals het TTIP, de TISA en de CETA; pleit voor een systematische en verplichte grondige beoordeling van de bestaande handels- en investeringsovereenkomsten om te kunnen bepalen welke onderdelen negatieve gevolgen kunnen hebben voor de gelijkheid van mannen en vrouwen;

12.  benadrukt dat met het EU-handelsbeleid moet worden gegarandeerd dat het vermogen van landen om vrouwenrechten, alsook het milieu, consumentenrechten en werknemersrechten in regelgeving vast te leggen en te beschermen niet wordt ondermijnd, en dat bedrijven en investeerders verantwoording afleggen aan de bevolking en de regering voor de impact die zij hebben op de mensenrechten, gendergelijkheid, de samenleving, het milieu en ontwikkeling.

13.  dringt aan op grondige effectanalyses van de gevolgen van multilaterale en bilaterale handelsovereenkomsten tussen de EU en derde landen, die worden uitgevoerd vanuit het oogpunt van mensenrechten, klimaat, gendergelijkheid en duurzaamheid;

14.  benadrukt dat de EU zich bij onderhandelingen over handelsovereenkomsten niet alleen moet inspannen om de sociale normen en milieunormen wereldwijd te verbeteren en voor een eerlijker en billijker wereldhandelsmodel te zorgen, maar ook om de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen;

15.  betreurt het dat genderaspecten in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) tot nu toe grotendeels buiten beschouwing zijn gelaten; verzoekt de Commissie om de genderdimensie in haar hele beleid inzake MVO te integreren, zo ook in clausules van internationale handelsovereenkomsten over MVO door middel van inclusieve maatregelen, bijv. dat bedrijven meer vrouwen moeten aannemen in leidinggevende functies op alle niveaus, een leven lang leren en opleiding voor vrouwen op het werk moeten ondersteunen, gepaste werkomstandigheden en arbeidsrechten voor vrouwen in de hele toeleveringsketen moeten garanderen en de invoer van materiaal uit conflictgebieden waar geweld op grond van geslacht wijdverbreid is, moeten zien te vermijden;

16.  stelt vast dat in de EU-strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen niet voldoende rekening is gehouden met de genderdimensie van het EU-handelsbeleid; betreurt het ten zeerste dat de genderdimensie evenmin voorkomt in de recente mededeling van 15 oktober 2015 over de nieuwe handels- en investeringsstrategie van de EU;

17.  benadrukt dat alternatieve bedrijfsmodellen zoals coöperaties, onderlinge maatschappijen en sociale ondernemingen een belangrijke rol spelen bij de bevordering van de gelijkheid van mannen en vrouwen en het stimuleren van duurzame en inclusieve ontwikkeling en groei; verzoekt de Commissie en de lidstaten deze alternatieve modellen in de hele EU en in hun handels- en ontwikkelingsbeleid mogelijk te maken en te bevorderen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING

IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

3.12.2015

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

15

8

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Maria Arena, Catherine Bearder, Malin Björk, Anna Maria Corazza Bildt, Iratxe García Pérez, Anna Hedh, Mary Honeyball, Elisabeth Köstinger, Angelika Mlinar, Maria Noichl, Terry Reintke, Jordi Sebastià, Beatrix von Storch, Jadwiga Wiśniewska, Anna Záborská, Inês Cristina Zuber

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Izaskun Bilbao Barandica, Eleonora Forenza, Mariya Gabriel, Julie Girling, Kostadinka Kuneva, Constance Le Grip, Dubravka Šuica, Julie Ward

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Kristina Winberg

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING

IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.6.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

30

5

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laima Liucija Andrikienė, Tiziana Beghin, Daniel Caspary, Christofer Fjellner, Eleonora Forenza, Yannick Jadot, Ska Keller, Alexander Graf Lambsdorff, Bernd Lange, David Martin, Emmanuel Maurel, Emma McClarkin, Anne-Marie Mineur, Alessia Maria Mosca, Franck Proust, Tokia Saïfi, Marietje Schaake, Helmut Scholz, Adam Szejnfeld, Iuliu Winkler, Jan Zahradil

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Goffredo Maria Bettini, Agnes Jongerius, Sander Loones, Bolesław G. Piecha, Fernando Ruas, Jarosław Wałęsa

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Georges Bach, Eider Gardiazabal Rubial, Carlos Iturgaiz, Jan Keller, Dominique Martin, Giulia Moi, Jozo Radoš, Dario Tamburrano, Hermann Winkler

Juridische mededeling