Procedure : 2015/2105(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0220/2016

Ingediende teksten :

A8-0220/2016

Debatten :

PV 04/07/2016 - 17
CRE 04/07/2016 - 17

Stemmingen :

PV 05/07/2016 - 4.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0299

VERSLAG     
PDF 614kWORD 286k
27.6.2016
PE 576.919v02-00 A8-0220/2016

over een nieuw op te stellen toekomstgerichte en innovatieve strategie voor handel en investeringen

(2015/2105(INI))

Commissie internationale handel

Rapporteur: Tiziana Beghin

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken
 ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking
 ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
 ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie
 ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming
 ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over een nieuw op te stellen toekomstgerichte en innovatieve strategie voor handel en investeringen

(2015/2105(INI))

Het Europees Parlement,

  gezien zijn resolutie van 26 november 2015 over de stand van zaken van de Doha-ontwikkelingsagenda aan de vooravond van de tiende Ministeriële Conferentie van de WTO(1),

  gezien zijn aanbevelingen aan de Commissie van respectievelijk 8 juli 2015 en 3 februari 2016 voor de onderhandelingen over het trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen en de overeenkomst over de handel in diensten,

  gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Handel voor iedereen – Naar een meer verantwoordelijk handels- en investeringsbeleid",

  gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, goedgekeurd tijdens de VN-top over duurzame ontwikkeling van 2015 in New York,

  gezien zijn resolutie van 7 juli 2015 over het externe effect van het handels- en investeringsbeleid van de EU op publiek-private initiatieven in landen buiten de EU(2),

  gezien zijn resolutie van 9 juni 2015 over de strategie voor de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in derde landen(3),

  gezien zijn resolutie van 29 april 2015 over de instorting van het Rana Plaza-gebouw in 2013 en de voortgang bij het Duurzaamheidspact Bangladesh(4),

  gezien speciaal verslag nr. 2/2014 van de Europese Rekenkamer getiteld "Worden de preferentiële handelsregelingen naar behoren beheerd?",

  gezien de richtsnoeren van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (OESO) over multinationale ondernemingen en de Tripartiete Verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) over beginselen inzake multinationale ondernemingen en sociaal beleid,

  gezien de EU-verordening inzake illegale houtkap, de EU-richtlijn met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie, het Commissievoorstel voor een verordening inzake conflictmineralen, de in de Britse wet op moderne slavernij opgenomen clausule inzake transparantie van toeleveringsketens en het Franse wetsvoorstel inzake de zorgplicht,

  gezien zijn resolutie van 27 september 2011 over een nieuw handelsbeleid voor Europa in het kader van de Europa 2020-strategie(5),

  gezien zijn resolutie van 17 februari 2011 over Europa 2020(6),

  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over het internationaal handelsbeleid met de verplichtingen zoals door de klimaatverandering geboden(7),

  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over mensenrechten, sociale normen en milieunormen in internationale handelsovereenkomsten(8),

  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van internationale handelsovereenkomsten(9),

  gezien de EU-richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de uitoefening van alle mensenrechten door lesbische, homoseksuele, biseksuele, transgender en interseksuele mensen (LGBTI), die de Raad Buitenlandse Zaken op 24 juni 2013 heeft aangenomen,

  gezien de conclusies van de Europese Raad van 7-8 februari 2013, zijn conclusies van 21 november 2014 over handel en de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 27 november 2015,

  gezien het advies van de Commissie internationale handel bij het verslag over transparantie, controleerbaarheid en integriteit in de EU-instellingen,

  gezien de Overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie,

  gezien artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

  gezien de artikelen 207, 208 en 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

  gezien artikel 24, lid 2, van Verordening (EU) 2015/478 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer,

–  gezien het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling zoals bedoeld in het VWEU,

  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0220/2016),

A.  overwegende dat handel geen doel op zich is, maar een middel om voorspoed en gelijkheid te bereiken, kansen voor bedrijven, een duurzame economische ontwikkeling, sociale vooruitgang en cultureel begrip te bevorderen, de werkgelegenheid uit te breiden en het levenspeil te verbeteren, zonder de overheidsuitgaven te verhogen;

B.  overwegende dat zonder handelsovereenkomsten geen bescherming kan worden geboden en dat er geen handelsovereenkomst mogelijk is zonder beschermende maatregelen;

C.  overwegende dat het gemeenschappelijk handelsbeleid een grondige verandering heeft ondergaan sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon in december 2009; overwegende dat handel niet in een vacuüm plaatsvindt, maar verbonden is met en afhankelijk is van tal van andere beleidsmaatregelen; overwegende dat onderhandelingen over handels- en investeringsovereenkomsten zich niet mogen beperken tot een eenvoudige verlaging van douanetarieven, aangezien regelgevingskwesties en de convergentie van internationale normen vandaag de dag complexe uitdagingen vormen;

D.  overwegende dat weliswaar buiten kijf staat dat vrije handel bijdraagt tot economische groei, maar dat tot dusver in de Europese Unie geen serieus debat is gevoerd over de kosten van het vrijhandelsbeleid (onder meer in de vorm van aanpassingen in de industrie: sluitingen van industriële vestigingen, banenverlies in de producerende sector, verplaatsing van hele bedrijfstakken naar derde landen en toenemende invoer) en de algehele kosten-batenanalyse van dat beleid; overwegende dat diverse belanghebbenden vanwege het gebrek aan een eerlijk debat daarover twijfels hebben over de zin en de koers van het handelsbeleid van de Unie en haar beleid in het algemeen, en dat een dergelijk betreurenswaardig resultaat met een eerlijk debat zou worden voorkomen;

E.  overwegende dat de wereldwijde overcapaciteit in belangrijke industrietakken en de daaruit voortvloeiende verstoring van het handelsevenwicht inmiddels het vertrouwen van de Europese ondernemingen en bedrijfstakken in de deugdelijkheid van het handelsbeleid van de EU ondermijnen;

F.  overwegende dat in perioden van geringe economische groei de bijdrage van de buitenlandse handel aan het herstel van de Europese economie van essentieel belang is voor het behalen van concrete en meetbare resultaten en het creëren van fatsoenlijke banen en duurzame economische groei en gelijkheid in Europa en daarbuiten;

G.  overwegende dat het handelsbeleid van de nieuwe generatie een antwoord moet bieden op de zorgen van de mensen met betrekking tot transparantie en participatie, sociale voorzieningen en werkgelegenheid, op de verwachtingen van het bedrijfsleven van een mondiale netwerkeconomie, op de armoedebestrijding en op de behoefte aan een eerlijker verdeling van de inkomsten uit handel, en dat in dit beleid aandacht moet worden besteed aan nieuwe vraagstukken, zoals de digitale handel en de sleutelrol van kmo's;

H.  overwegende dat de lopende handelsbesprekingen het handelsbeleid van de EU onder de aandacht van het publiek hebben gebracht, en dat een groeiend aantal burgers belangstelling heeft voor het handelsbeleid en zich zorgen maakt dat het gemeenschappelijk handelsbeleid de Europese en nationale regelgeving en normen zou kunnen ondermijnen;

I.  overwegende dat de Commissie duidelijk heeft toegezegd dat geen enkele handelsovereenkomst tot minder wettelijke bescherming zal leiden, dat bij wijzigingen in de mate van bescherming alleen sprake mag zijn van een stijgende lijn en dat het reguleringsrecht te allen tijde zal worden beschermd;

J.  overwegende dat burgers, ondernemingen en kmo's in de EU zich afvragen of grote brancheorganisaties de belangen van de Europese burgers en ondernemingen en de Europese Unie in het algemeen daadwerkelijk behartigen;

K.  overwegende dat bij de samenwerking op regelgevingsgebied in het kader van handelsovereenkomsten overeenkomstig het voorzorgsbeginsel van artikel 191 VWEU het hoogste niveau van bescherming van de gezondheid en veiligheid moet worden gewaarborgd;

L.  overwegende dat de transparantie vereist dat de EU-instellingen nagaan of de standpunten die namens het bedrijfsleven in de EU worden ingenomen, ook daadwerkelijk een afspiegeling zijn van de opvattingen van dit bedrijfsleven;

M.  overwegende dat het handels- en investeringsbeleid van de EU moet worden versterkt niet alleen door te zorgen voor gunstige resultaten op het gebied van werkgelegenheid en het scheppen van welvaart voor burgers en het bedrijfsleven, maar ook door de ecologische en sociale rechten te versterken en maximale transparantie, betrokkenheid en verantwoordingsplicht te waarborgen, door steeds in dialoog te blijven met ondernemingen, consumenten, de sociale partners, alle andere relevante belanghebbenden en de lokale en regionale overheden, en door duidelijke richtsnoeren voor de onderhandelingen vast te stellen;

N.  overwegende dat de oorsprongsregels bepalend zijn voor de daadwerkelijke mate van handelsliberalisering, aangezien zij bepalen welke goederen in de praktijk van vrijhandelsakkoorden profiteren, maar dat die regels vaak niet voorkomen in het openbare debat over het handelsbeleid en tot dusver nog niet zijn onderworpen aan een analyse door het Parlement;

O.  overwegende dat de Europese Unie in haar handelsbeleid en in de handelsbesprekingen die zij voert, rekening moet houden met het gevoelige karakter van bepaalde sectoren wat de openstelling van de markt betreft, met name de landbouwsector;

P.  overwegende dat de EU-28 tegen 2050 naar verwachting slechts voor 15 % van 's werelds bbp zal instaan, tegenover 23,7 % in 2013, en dat sinds 2015 90 % van de mondiale economische groei buiten de EU wordt verwezenlijkt; overwegende dat het groeitempo in de opkomende economieën aanzienlijk afneemt;

Q.  overwegende dat de EU momenteel het grootste handelsblok ter wereld is en een derde van de wereldhandel voor haar rekening neemt, en dat dit aandeel tot 2020 naar verwachting zal dalen tot ongeveer 26 %;

R.  overwegende dat in toekomstige handelsakkoorden en -besprekingen rekening moet worden gehouden met en aangesloten moet worden bij de standpunten die het Parlement heeft ingenomen in zijn resoluties over het trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen (TTIP) en de overeenkomst over de handel in diensten (TiSA);

S.  overwegende dat het centrum waar welvaart tot stand komt duidelijk naar het oosten aan het verschuiven is, naar de regio Azië-Stille Oceaan met China, dat Japan reeds voorbijgestoken is en waarschijnlijk de VS zal inhalen en in 2025 's werelds grootste economie zal zijn; overwegende dat dit erop duidt dat de opkomende economieën en de ontwikkelingslanden de achterstand op de groep van de industrielanden inlopen en tot volwassen economieën uitgroeien;

T.  overwegende dat ook andere variabelen, zoals demografische veranderingen, negatieve gevolgen zullen hebben voor de positie van de EU in de wereldhandel; overwegende dat het aandeel van de EU in de wereldbevolking naar verwachting zal dalen van 7,1 % in 2013 naar 5,3 % in 2060;

U.  overwegende dat de omvang van de wereldeconomie door het grensoverschrijdende verkeer van kapitaal, goederen, diensten en gegevens in 2014 met 7,8 biljoen dollar is toegenomen, waarbij alleen al 2,8 biljoen dollar daarvan is toe te schrijven aan de gegevensstromen, wat meer is dan de op 2,7 biljoen dollar geraamde handel in goederen;

Vlotter inspelen op snel veranderende wereldwijde handelstrends

1.  is verheugd over de nieuwe strategie van de Commissie getiteld "Handel voor iedereen – Naar een meer verantwoordelijk handels- en investeringsbeleid" en juicht het toe dat daarin het accent is komen te liggen op elementen als een verantwoord beheer van toeleveringsketens, de mondiale digitale markt, de handel in digitale goederen en diensten, eerlijke en ethische handel en de sociale kosten van de handelsliberalisering; is ervan overtuigd dat het toekomstige handelsbeleid gericht moet zijn op bestrijding van alle vormen van protectionisme, waaronder het wegnemen van onnodige non-tarifaire handelsbelemmeringen, en de toegang tot nieuwe markten moet verzekeren, in het bijzonder voor kmo's; herinnert eraan dat de liberalisering van de handel behoorlijk moet verlopen om een duurzame ontwikkeling te garanderen; betreurt de vertraging die de Commissie heeft opgelopen bij het voorstellen van een nieuwe strategie, aangezien het Parlement haar had verzocht om uiterlijk in de zomer van 2012 een herziene handelsstrategie voor de middellange en lange termijn te presenteren;

2.  is ervan overtuigd dat diensten weliswaar meer dan 70 % van het bbp in de EU uitmaken en in de toekomst goed zullen zijn voor 90 % van de banen, maar dat de be- en verwerkende industrie in de EU cruciaal is voor de herindustrialisering van Europa en dat de strategie daarom sterker moet ingaan op de rol van deze sector in het gemeenschappelijke handelsbeleid; dringt er bij de Commissie op aan om er samen met de handelspartners voor te zorgen dat hun markten sterker geopend worden voor bedrijven uit de EU, met name bij vervoer, telecommunicatie en overheidsopdrachten, gezien het feit dat buitenlandse ondernemingen nog steeds op brede schaal toegang hebben tot de interne markt van de EU;

3.  erkent dat het handelsbeleid van de EU van het hoogste geopolitieke en economische belang voor Europa is met het oog op de sturing van de globalisering, de versterking van internationale normen en de verbetering van de toegang tot buitenlandse markten; merkt op dat de internationale regels door anderen worden vastgesteld als wij nu niet in actie komen; onderstreept dat, gezien de status van de EU als grootste economie in de wereld, een duurzame en verantwoorde handel ons krachtigste beleidsinstrument is voor zowel het ondersteunen van Europese belangen, investeringen en handelszaken, en het bevorderen van de Europese waarden in het buitenland, als het aanzwengelen van economische groei en investeringen en het creëren van banen in de Unie; steunt het streven van de Commissie om synergie-effecten tussen het handels- en het internemarktbeleid tot stand te brengen, en beveelt aan hierbij vooral in te zetten op maatregelen die helpen bij het scheppen van nieuwe banen;

4.  is ingenomen met de toezegging van de Commissie dat geen enkele handelsovereenkomst tot een verlaging van de Europese normen voor consumentenbescherming zal leiden, ook binnen de context van de digitale revolutie; beklemtoont dat het Parlement er streng op zal blijven letten dat deze toezegging in de lopende onderhandelingen in acht wordt genomen;

5.  beklemtoont de band tussen de interne markt en het handelsbeleid van de EU, die volledig op elkaar en op het algemene beleid en de waarden van de Unie moeten aansluiten; is van oordeel dat een open, verantwoorde en vrije wereldhandel, op basis van doeltreffende, transparante en sterke mondiale regels, essentieel is om de interne markt in staat te stellen zijn volledige potentieel te ontwikkelen door te functioneren, te groeien en te werken in het belang van de burgers, de consumenten en de bedrijven, in het bijzonder de kleine en middelgrote ondernemingen; brengt in herinnering dat liberalisering van de handel tot een hogere productiviteit leidt, aan een betere externe concurrentiepositie bijdraagt en nu reeds goed is voor bijna één op de zeven banen in de interne markt, en ook aanzienlijke voordelen voor de consument oplevert;

6.   verzoekt de Commissie haar handels- en investeringsbeleid regelmatig te actualiseren en om te twee jaar in het openbaar een uitgebreid uitvoeringsverslag in het Parlement te presenteren, te beginnen in 2017, om te waarborgen dat zij haar toezeggingen gestand doet; vraagt de Commissie om in deze verslagen in te gaan op de voortgang van de lopende handelsbesprekingen en de uitvoering van de bestaande handelsovereenkomsten;

7.  dringt er bij de Commissie op aan haar procedures te bespoedigen, zodat handelsakkoorden na afsluiting van de onderhandelingen eerder aan het Parlement kunnen worden voorgelegd en vervolgens sneller voorlopig kunnen worden toegepast of in werking kunnen treden;

Een transparant handelsbeleid en meer inspraak voor de burger

8.  is verheugd dat de Commissie meer transparantie en openheid betracht in alle stadia van de handelsbesprekingen en steunt het transparantie-initiatief van de Commissie met betrekking tot TTIP; erkent dat de Commissie, na een aantal verzoeken van het Parlement, de transparantie van de onderhandelingen heeft verbeterd door alle leden van het Europees Parlement en van de nationale parlementen inzage te geven in gerubriceerde onderhandelingsdocumenten en meer informatie te verstrekken aan de belanghebbenden; herinnert eraan dat een bredere toegang tot gerubriceerde informatie voor de leden van het Parlement tijdens de TTIP-onderhandelingen de parlementaire controle heeft verscherpt, zodat het Parlement zijn verantwoordelijkheid in het kader van het gemeenschappelijk handelsbeleid nog beter kan uitoefenen; pleit daarom voor een verbreding van het transparantie-initiatief van de Commissie om voor alle lopende en toekomstige handelsbesprekingen te voorzien in volledige transparantie en in de mogelijkheid van openbare controle, en wenst dat er in overleg met de partnerlanden wordt toegewerkt naar de strengste transparantienormen, dat gewaarborgd wordt dat dit een wederkerig proces is waarbij de onderhandelingspositie van de EU niet wordt ondermijnd, en dat er in de verkennende gesprekken overeenstemming wordt bereikt over het nagestreefde transparantieniveau van de onderhandelingen; onderstreept dat daadwerkelijke transparantie voor een versterking van het mondiale draagvlak voor een op regels gebaseerd handelsstelsel kan zorgen;

9.  verzoekt de Raad alle reeds goedgekeurde en toekomstige onderhandelingsmandaten onverwijld openbaar te maken;

10.  dringt er bij de Commissie op aan voor een sterke en evenwichtige betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en de sociale partners te zorgen, o.a. via passende openbare onlineraadplegingen en communicatiecampagnes, teneinde het handelsbeleid inhoudelijk te verbeteren en het te richten op de bescherming van de burgerrechten, om zo de legitimiteit van het beleid te versterken;

11.   onderstreept in de context van het huidige debat over de reikwijdte van handelsbesprekingen dat bij samenwerking op regelgevingsgebied de primaire functie van regelgeving moet blijven: het behartigen van het algemeen belang; benadrukt dat een betere samenwerking tussen regelgevende instanties de handel en investeringen ten goede dient te komen door het opsporen van onnodige technische handelsbelemmeringen en dubbele of overbodige administratieve lasten en formaliteiten, die onevenredige nadelen voor kmo's inhouden, maar dat daarbij geen afbreuk mag worden gedaan aan de technische procedures in verband met fundamentele normen en regelgeving, terwijl de Europese normen op het gebied van gezondheid, veiligheid, consumenten-, arbeids-, sociale en milieurechten en culturele verscheidenheid intact moeten blijven en het voorzorgsbeginsel en de autonomie van nationale, regionale en lokale overheden op regelgevingsgebied volledig moeten worden beschermd; herinnert eraan dat de wederzijdse mechanismen gebaseerd moeten zijn op een verbeterde uitwisseling van informatie en een betere invoering van internationale technische normen en tot een verhoogde convergentie moeten leiden, waarbij in geen geval de democratisch gelegitimeerde besluitvormingsprocedures van de handelspartners mogen worden ondermijnd of vertraagd; juicht het toe dat er gewerkt wordt aan de ontwikkeling en het gebruik van meer internationale technische normen op basis van effectbeoordelingen, en dat ernaar gestreefd wordt onze handelspartners volledig te laten participeren in internationale normalisatieorganen; gelooft echter niet dat het ontbreken van een algemene internationale standaard een sta-in-de-weg mag zijn voor wederzijdse erkenning van gelijkwaardigheid, indien van toepassing, of voor inspanningen gericht op een gemeenschappelijke trans-Atlantische technische normen;

12.  verzoekt de Commissie om met het oog op de transparantie en de bescherming van de handelsbelangen van de EU er bij de raadpleging van het bedrijfsleven over handelsinitiatieven op toe te zien dat brancheorganisaties in de EU ook werkelijk de handelsbelangen van de EU vertegenwoordigen doordat zij de werkelijke belangen van de nationale bedrijfstakken behartigen; onderstreept dat de documenten van de EU-instellingen waar mogelijk moeten worden gepubliceerd, omdat transparantie essentieel is om het publiek achter het gemeenschappelijke handelsbeleid te krijgen; roept de Commissie op om de aanbevelingen van de Europese Ombudsman van juli 2015 te implementeren, met bijzondere aandacht voor de toegang tot documenten voor alle besprekingen;

Grotere samenhang tussen de handelsdoelstellingen van de EU en andere aspecten van haar extern beleid inzake handel voor ontwikkeling

13.   herinnert eraan dat het gemeenschappelijk handelsbeleid moet worden gevoerd in het kader van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie, zoals bepaald in artikel 21 VEU en artikel 208 VWEU, en de waarden moet bevorderen waarvoor de Unie zich inzet, zoals omschreven in artikel 2 VEU; herinnert eraan dat externe beleid coherent moet zijn met intern beleid met een externe dimensie; beklemtoont dat de EU wettelijk verplicht is de mensenrechten te eerbiedigen en dat zij de duurzame economische, maatschappelijke en milieuvriendelijke ontwikkeling van handelslanden dient te bevorderen; is van mening dat de EU de verantwoordelijkheid heeft om alles in het werk te stellen om mogelijke negatieve gevolgen van haar gemeenschappelijk handelsbeleid te voorzien, te voorkomen en aan te pakken door regelmatig ex  ante- en ex post-beoordelingen van de impact ervan op mensenrechten en duurzaamheid te verrichten en op grond daarvan handelsovereenkomsten indien nodig te herzien; herinnert eraan dat alleen eerlijke en naar behoren gereguleerde handel die op de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's) is afgestemd, de ongelijkheid kan verminderen en de ontwikkeling kan stimuleren; brengt in herinnering dat de SDG's verschillende handelsgerelateerde doelstellingen op diverse beleidsgebieden omvatten, en dat een van de meest concrete doelstellingen erin bestaat de export van de ontwikkelingslanden te verhogen teneinde het aandeel van de minst ontwikkelde landen (MOL's) in de mondiale export tegen 2020 te verdubbelen;

14.  is verheugd dat het aantal mensen dat in absolute armoede leeft, zoals gedefinieerd door de Wereldbank, sinds 1990 sterk is gedaald; merkt evenwel op dat meer inspanningen nodig zijn om particuliere en openbare investeringen in de MOL's te stimuleren, teneinde de institutionele en infrastructurele kaders op te zetten die de MOL's in staat stellen sterker van de handelsvoordelen te profiteren, en deze landen te helpen hun economie te diversifiëren en in de mondiale waardeketens te integreren, zodat zij zich kunnen toeleggen op producten met een hogere toegevoegde waarde;

15.  neemt kennis van de aankondigingen van de Commissie dat zij via haar handels- en investeringsovereenkomsten overal ter wereld de duurzame ontwikkeling wil versterken en de mensenrechten, arbeidsnormen, sociale normen en milieuduurzaamheid wil bevorderen, maar dringt erop aan dat zij vastberaden inspanningen onderneemt met het oog op de volledige praktische uitvoering en handhaving van de desbetreffende hoofdstukken; deelt het standpunt van de Commissie dat de EU een bijzondere verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van de gevolgen van haar handelsbeleid voor de ontwikkelingslanden en in het bijzonder voor de MOL's;

16.  meent dat migratie voor de EU in de 21e eeuw een van de grootste uitdagingen is; beklemtoont dat het waarborgen van de coherentie van het handels- en investeringsbeleid van de EU van fundamenteel belang is voor het aanpakken van de oorzaken van de migratie; betreurt het dat dit onvoldoende wordt aangegeven in de strategie "Handel voor iedereen";

17.  is van oordeel dat diepe en brede vrijhandelsruimtes (DCFTA's), met name voor wat betreft partnerlanden die in een economische crisis verkeren, in de eerste plaats moeten zijn gericht op voelbare en duurzame verbeteringen in de levensomstandigheden van gewone mensen;

18.  beklemtoont dat bepalingen inzake mensenrechten, sociale en milieunormen, arbeidsrechtelijke verplichtingen op grond van de kernverdragen van de IAO en beginselen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO), met inbegrip van de beginselen van de OESO voor multinationale ondernemingen en de VN-beginselen inzake bedrijfsleven en mensenrechten, bindend dienen te zijn en een belangrijk onderdeel van de EU-handelsovereenkomsten moeten zijn in de vorm van afdwingbare verplichtingen; vraagt de Commissie om in alle handels- en investeringsovereenkomsten van de EU hoofdstukken over duurzame ontwikkeling op te nemen; is van oordeel dat deze doelstellingen voor duurzame ontwikkeling bindend moeten worden gemaakt door middel van een drieledige aanpak, waarbij van overleg op regeringsniveau, interne adviesgroepen en deskundigenpanels met de IAO, en - in laatste instantie - de algemene geschillenregeling van de overeenkomst gebruik wordt gemaakt om geschillen te behandelen, met de mogelijkheid om financiële sancties op te leggen; wijst erop dat arbeids- en milieunormen niet beperkt mogen blijven tot de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling, maar ook effect moeten hebben in alle andere onderdelen van handelsovereenkomsten;

19.  onderstreept het belang van doeltreffende vrijwaringsmechanismen in handelsovereenkomsten; vraagt tegelijkertijd om een doeltreffend handhavingsmechanisme op te nemen voor arbeids- en milieurechten waarop de mensenrechtenclausule niet van toepassing is; vraagt om een mechanisme op grond waarvan het Parlement bij de Commissie een verzoek kan indienen om een onderzoek in te stellen naar overtredingen door derden van hun verplichtingen uit hoofde van een clausule betreffende essentiële elementen; verzoekt de Commissie een gestructureerde en gedepolitiseerde regeling vast te stellen die inhoudt dat met een partnerland volgens duidelijke criteria overleg moet worden gevoerd als het vermoeden bestaat dat het verplichtingen uit hoofde van de hoofdstukken betreffende handel en duurzame ontwikkeling niet is nagekomen;

20.  beklemtoont het belang van de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij vrijhandelsovereenkomsten (VHO's) en van de mogelijkheid geavanceerdere media te gebruiken om de deelname van het maatschappelijk middenveld te bevorderen;

21.  herhaalt het belang van de naleving van de Europese en internationale voorschriften inzake wapenhandel, met name het Wapenhandelsverdrag van de Verenigde Naties en de EU-gedragscode betreffende wapenuitvoer; onderstreept dat het handelsbeleid van de Unie een instrument voor economische diplomatie vormt dat ook kan bijdragen tot het aanpakken van de diepere oorzaken van terrorisme; benadrukt dat doeltreffende wetgeving inzake uitvoercontrole ook een belangrijk aspect is van het handelsbeleid van de EU; verzoekt de Commissie in dit verband om de EU-wetgeving inzake de controle op de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik bij te werken, in het licht van de strategische doelstellingen en de universele waarden van de EU;

22.  herinnert eraan dat volgens ramingen van de IAO 865 miljoen vrouwen overal ter wereld een sterkere bijdrage zouden kunnen leveren aan de economische groei als ze beter worden ondersteund; merkt op dat bedrijven waarvan een vrouw eigenaar is een te weinig benutte hefboom zijn om de concurrentiekracht te stimuleren, het bedrijfsleven impulsen te geven en de groei te ondersteunen; verklaart dat het handelsbeleid uiteenlopende gendergevolgen kan hebben in de verschillende economische sectoren en dat er meer gegevens over gender en handel nodig zijn; neemt kennis van het feit dat de Commissie in haar mededeling "Handel voor iedereen" de genderdimensie van handelsovereenkomsten niet behandelt; vraagt de Commissie om meer inspanningen te leveren om handelsbesprekingen als instrument te gebruiken om gendergelijkheid wereldwijd te bevorderen en ervoor te zorgen dat zowel vrouwen als mannen kunnen profiteren van de handelsliberalisering en dat ze tegen de negatieve gevolgen ervan worden beschermd; is van mening dat de Commissie met het oog hierop moet zorgen voor de horizontale integratie van het genderperspectief in alle toekomstige handelsovereenkomsten en dat zij het gendereffect van de van kracht zijnde handelsovereenkomsten in het oog moet houden;

23.  is ingenomen met de aankondiging van de Commissie dat zij een tussentijdse evaluatie wil uitvoeren van het stelsel van algemene preferenties (SAP) en in het bijzonder wil nagaan of de preferenties binnen het stelsel kunnen worden uitgebreid naar diensten; onderstreept tegelijkertijd dat het SAP, met inbegrip van de EBA- en SAP+-regelingen, een instrument is dat de eerbiediging van fundamentele waarden mogelijk maakt en een doeltreffende uitvoering en monitoring vereist;

Transparante mondiale waardeketens die wereldwijd fundamentele waarden en normen eerbiedigen

24.  erkent dat de internationalisering van 's werelds productiesysteem ertoe heeft bijgedragen dat er nieuwe mogelijkheden voor economische ontwikkeling zijn ontstaan en dat honderden miljoenen mensen door werkgelegenheid konden ontsnappen aan de armoede; herinnert eraan dat volgens de IAO ongeveer 780 miljoen actieve vrouwen en mannen niet voldoende verdienen om zich aan de armoede te ontworstelen; onderstreept dat de uitbreiding van mondiale waardeketens werkgelegenheid heeft gecreëerd, maar dat de gebrekkige handhaving van het bestaande arbeidsrecht en van de normen inzake veiligheid op het werk - die zijn ingevoerd om werknemers te beschermen tegen uitputtende werktijden en onaanvaardbare omstandigheden - in producerende landen een nijpend probleem blijft; merkt op dat de mondiale waardeketens sommige toeleveranciers er ook toe hebben gebracht de arbeidswetgeving te negeren, hun economische activiteiten naar landen buiten de EU te verplaatsen, werknemers in onveilige en onaanvaardbare omstandigheden te laten werken, uitputtende werkroosters op te leggen en werknemers hun grondrechten te ontzeggen; herinnert eraan dat deze praktijken oneerlijke concurrentie tot stand brengen voor leveranciers die zich wel houden aan de arbeidswetgeving en de internationale arbeids- en milieunormen en voor regeringen die de lonen en het levenspeil willen verbeteren; verzoekt de Commissie de gevolgen van het toenemende aantal mondiale waardeketens te bestuderen en in nauwe samenwerking met de IAO en de OESO met concrete voorstellen te komen voor de verbetering van de omstandigheden in deze ketens; wijst er met klem op dat er bij de verdere integratie van de EU in mondiale waardeketens moet worden uitgegaan van twee beginselen, namelijk de vrijwaring van het Europese sociale en regelgevingsmodel en het veiligstellen en creëren van duurzame en rechtvaardige groei en fatsoenlijke banen in de EU en voor de partners van de EU; beseft dat het invoeraandeel in de interne productie en uitvoer door de globalisering van de waardeketens toeneemt, waardoor de kosten van protectionistische maatregelen aanzienlijk stijgen;

25.  is van mening dat het handelsbeleid moet bijdragen tot een transparant productieproces in de gehele waardeketen en tot de naleving van de fundamentele sociale, milieu- en veiligheidsnormen; verzoekt de Commissie initiatieven te bevorderen die gericht zijn op zorgvuldigheidsnormen voor de toeleveringsketens en verder gaan dan de bestaande niet-bindende verplichtingen; is ingenomen met de wens van de Commissie om nauw samen te werken met de IAO en de OESO teneinde een wereldwijde aanpak te ontwikkelen voor de verbetering van de arbeidsomstandigheden, vooral in de textielsector; onderstreept dat het belangrijk is om nieuwe sectorale of geografische mogelijkheden voor bijkomende initiatieven inzake verantwoorde waardeketens op te sporen en te beoordelen; kijkt met belangstelling uit naar de aanstaande mededeling van de Commissie over MVO;

26.  dringt er bij de Commissie op aan het alomvattende investeringsbeleidskader voor duurzame ontwikkeling van UNCTAD te bevorderen;

27.  verlangt dat de "hulp voor handel"-programma's en de technische ondersteuning zich richten op het weerbaarder maken van arme producenten, kleine en micro-ondernemingen, coöperaties en vrouwen alsmede op gendergelijkheid, zodat ze meer voordeel kunnen halen uit handel op de plaatselijke en regionale markten;

28.  verzoekt de Commissie om wetgevingsvoorstellen uit te werken met het oog op een verbod op de invoer van goederen bij de productie waarvan enige vorm van dwangarbeid of moderne slavernij is toegepast, en om in de tussentijd de controles op ingevoerde producten en de toeleveringsketens op ethische gronden te verscherpen;

29.  beklemtoont dat een betere bescherming van het hele spectrum van intellectuele-eigendomsrechten (IER) en een doeltreffendere handhaving van fundamenteel belang zijn voor de verdere integratie in mondiale waardeketens;

30.  vraagt de Commissie alle ontwikkelingslanden te helpen ten volle en doeltreffend gebruik te maken van de flexibele regelingen die in de TRIPS-overeenkomst zijn ingebouwd en in de Verklaring van Doha van 14 november 2001 over deze overeenkomst en volksgezondheid zijn erkend en bekrachtigd, teneinde die landen in staat te stellen betaalbare geneesmiddelen aan te bieden in het kader van hun binnenlandse volksgezondheidsprogramma's; verzoekt de Raad in dit verband zijn met de Verklaring van Doha aangegane verbintenissen na te komen door ervoor te zorgen dat de Commissie uitdrukkelijk de toegang tot geneesmiddelen garandeert wanneer zij onderhandelt over TRIPS-plus-bepalingen over farmaceutica in toekomstige bilaterale en regionale handelsovereenkomsten met ontwikkelingslanden of bij de toetreding van ontwikkelingslanden tot de WTO; is verheugd dat de Commissie haar steun heeft uitgesproken voor het verzoek van de MOL's om verlenging van de regeling inzake intellectuele eigendom op farmaceutisch gebied, maar betreurt de uiteindelijke beslissing van de TRIPS-Raad van de WTO om een verlenging van slechts 17 jaar toe te kennen;

31.  is verheugd dat de Commissie in haar mededeling "Handel voor iedereen" aandacht besteed aan eerlijke handel en verzoekt haar prioriteit te geven aan de nakoming van haar toezegging om de bestaande structuur voor de tenuitvoerlegging van de vrijhandelsovereenkomsten te gebruiken om eerlijke handel te bevorderen, regelingen inzake eerlijke handel via de EU-delegaties te promoten bij kleine producenten in derde landen en bewustmakingsactiviteiten in de EU te ontwikkelen, zoals de onderscheiding van een "Europese stad voor eerlijke en ethische handel";

32.  is van mening dat door nieuwe technologieën en het internet nieuwe instrumenten beschikbaar komen die producten traceerbaar maken in de gehele toeleveringsketen;

33.  wijst op het belang van bankdiensten bij de ontwikkeling van handel en investeringen; vraagt de EU de bevordering van de toegang tot bankdiensten in ontwikkelingslanden te ondersteunen;

34.  is ingenomen met de aankondiging van de Commissie dat zij de oorsprongsregels wil moderniseren, omdat die regels een steeds grotere handelsbelemmering vormen in handelspatronen die worden gedomineerd door mondiale waardeketens; benadrukt dat de modernisering van de oorsprongsregels een prioriteit moet vormen in alle vrijhandelsovereenkomsten waarover de Unie onderhandelt; spoort de Commissie aan zich bijzonder in te spannen voor flexibele oorsprongsregels, waaronder soepele eisen met betrekking tot de toegevoegde waarde en de wijziging van de GS-onderverdeling;

In het handelsbeleid van de EU voorrang geven aan de monitoring, evaluatie en follow-up van bestaande overeenkomsten

35.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een verbeterd partnerschap met het Parlement en de belanghebbenden op het gebied van de tenuitvoerlegging van handelsakkoorden; beklemtoont dat het Parlement tijdig moet worden betrokken bij en volledig moet worden geïnformeerd over alle stadia van de procedure, ook door middel van stelselmatig overleg met het Parlement vóór de opstelling van onderhandelingsmandaten; wijst erop dat de Commissie de verplichting heeft het Parlement te informeren over haar activiteiten met betrekking tot de uitvoering, controle en follow-up van handels- en investeringsovereenkomsten;

36.  vraagt de Commissie niet om voorlopige toepassing van handelsakkoorden, waaronder hoofdstukken over handel in associatieovereenkomsten, te verzoeken voordat het Parlement zijn toestemming heeft gegeven; herinnert eraan dat dit de rechten van het Parlement ernstig zou ondergraven en mogelijk rechtsonzekerheid zou creëren ten aanzien van de andere partij bij de overeenkomst en de betrokken marktdeelnemers; herinnert aan en is verheugd over de desbetreffende toezeggingen van de voor handel bevoegde commissaris, maar raadt met klem aan deze regeling te formaliseren in de nieuwe interinstitutionele overeenkomst;

37.  is van oordeel dat de beproefde praktijk volgens welke een overeenkomst in afwachting van ratificatie door de nationale parlementen alleen op voorlopige basis wordt toegepast nadat het Parlement zijn toestemming heeft gegeven, in het geval van gemengde overeenkomsten het beste evenwicht biedt tussen democratische controle en een efficiënte werkwijze;

38.  dringt erop aan dat de monitoring, evaluatie en follow-up van bestaande overeenkomsten voorrang krijgen in het gemeenschappelijk handelsbeleid; vraagt de Commissie om gezien de steeds vollere onderhandelingsagenda voldoende middelen van elders toe te wijzen om DG Handel in staat te stellen scherper toezicht uit te oefenen op de uit te voeren handelsakkoorden; verzoekt de Commissie specifieke indicatoren vast te stellen om toezicht op de tenuitvoerlegging van handelsovereenkomsten te verzekeren, en publiekelijk en regelmatig aan het Parlement een uitvoerig, gedetailleerd uitvoeringsverslag te presenteren, waarin bijvoorbeeld wordt ingegaan op de prestaties van bedrijfstakken in de EU en het effect van de overeenkomsten op verschillende sectoren en hun respectieve marktaandelen;

39.  vraagt de Commissie om op basis van de herziene methodiek de kwaliteit en nauwkeurigheid van de beoordelingen vooraf en achteraf te verbeteren; beklemtoont dat het, vooral gezien de recente aanbeveling van de Ombudsman naar aanleiding van klacht 1409/201/JN over de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Vietnam, altijd nodig is om voor initiatieven in het kader van het handelsbeleid een grondige, alomvattende duurzaamheidseffectbeoordeling voor te leggen; onderstreept dat in deze beoordeling ten minste het volgende aan bod moet komen: gevoelige economische sectoren; mensenrechten, sociale rechten en milieurechten; en landbouw en lokale productie in ultraperifere gebieden; drukt zijn bezorgdheid uit over het gebrek aan tussentijdse en ex-postbeoordelingen en over de slechte kwaliteit van de beoordelingen die wel uitgevoerd worden, zoals blijkt uit speciaal verslag nr. 2/2014 van de Europese Rekenkamer; dringt erop aan dat er voor alle handelsovereenkomsten tussentijdse en ex-postbeoordelingen van hogere kwaliteit worden verricht, zodat de beleidsmakers, belanghebbenden en Europese belastingbetalers kunnen beoordelen of de handelsovereenkomsten de beoogde resultaten hebben behaald; vraagt de Commissie om gegevens te verstrekken over de effecten, ook in de partnerlanden, van de handelsakkoorden die gesloten zijn, met bijzondere aandacht voor kmo's, behoorlijke nieuwe banen, mensenrechten en het milieu, en aanvullende maatregelen voor te stellen om te waarborgen dat de MOL's profijt hebben van ons handelsbeleid;

40.  verzoekt de Commissie een verslag voor te leggen aan het Parlement inzake dubbele prijsstelling en andere prijsverstorende praktijken van belangrijke handelspartners van de EU, met speciale aandacht voor energie, waarin de economische impact van dergelijke praktijken op de economie van de EU wordt aangegeven, alsook de door de Commissie genomen stappen - op bilateraal, multilateraal en WTO-niveau - om dergelijke praktijken te beëindigen; verzoekt de Commissie haar uiterste best te doen om een einde te maken aan dubbele prijsstelling en andere prijsverstorende praktijken in haar handelsbetrekkingen met al haar handelspartners;

De wereldhandel bevorderen via een multilaterale aanpak binnen de WTO

41.  benadrukt dat het multilaterale handelssysteem dat gestalte heeft gekregen in de WTO, de beste optie blijft om een open, eerlijk en op regels gebaseerd systeem te garanderen waarin de vele uiteenlopende belangen van haar leden in aanmerking worden genomen en met elkaar in evenwicht worden gebracht; herhaalt dat het Parlement sterk voorstander is van de multilaterale agenda; is verheugd dat de onderhandelingen over de handelsfacilitatieovereenkomst zijn afgerond, die de douaneprocedures in veel landen zal helpen vereenvoudigen en moderniseren, waardoor het voor ontwikkelingslanden gemakkelijker wordt deel te gaan uitmaken van het wereldhandelssysteem; wenst dat alle partijen de overeenkomst snel en correct uitvoeren;

42.  merkt op dat er in 2015 tijdens de 10e Ministeriële Conferentie van de WTO in Nairobi beperkte verbeteringen zijn gerealiseerd; erkent dat de WTO-leden op verschillende wijze te werk willen gaan met betrekking tot de Doharonde, inclusief de noodzaak om nieuwe benaderingen te overwegen teneinde nog open vraagstukken op te lossen met eerbiediging van de uiteenlopende belangen in de ontwikkelingslanden en de MOL's, maar ziet wat de afsluiting van de Doharonde betreft een grotere verantwoordelijkheid voor de opkomende economieën; is ingenomen met de toezegging van de EU om over een periode van vijf jaar 400 miljoen EUR beschikbaar te willen stellen om de ontwikkelingslanden, en met name de MOL's, te ondersteunen bij hun pogingen om de handelsfacilitatieovereenkomst ten uitvoer te leggen; stelt vast dat sommige WTO-leden belangstelling hebben om nieuwe onderhandelingsdomeinen te verkennen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot investeringen, staatsbedrijven, mededinging en digitale handel; meent dat de resultaten van de Ministeriële Conferentie in Nairobi de kans bieden om de onderhandelingsfunctie van de WTO nieuw leven in te blazen; dringt er bij de Commissie op aan om het initiatief te nemen voor een hervorming en versterking van de WTO, o.a. door een betere coördinatie met de IAO en andere VN-agentschappen op het gebied van milieu en mensenrechten, teneinde te komen tot een grotere inclusiviteit, doeltreffendheid, transparantie en verantwoordingsplicht; herinnert aan de cruciale rol van "Hulp voor handel" voor de capaciteitsopbouw op handelsgebied en de technische bijstand aan de ontwikkelingslanden en MOL's; vraagt dat de EU en haar lidstaten er zich in dit kader toe verbinden de "Hulp voor handel" te verhogen, zodat een groter deel van de in de mondiale waardeketens gerealiseerde meerwaarde aan de ontwikkelingslanden ten goede komt; verzoekt de Commissie het vraagstuk van eerlijke en ethische handel aan de orde te stellen bij de komende herziening van de strategie inzake "Hulp voor handel";

43.  beschouwt plurilaterale onderhandelingen, bij voorkeur in de WTO (bijv. over de overeenkomst inzake informatietechnologie (ITA), de overeenkomst inzake milieugoederen (EGA) en de overeenkomst inzake handel in diensten (TiSA)), niet als de beste optie; zij bieden weliswaar een kans om op WTO-niveau weer vooruitgang te boeken, maar alleen als de deur open wordt gehouden zodat geïnteresseerde WTO-leden zich erbij kunnen aansluiten; gelooft ten stelligste dat deze overeenkomsten, waar mogelijk, voldoende ambitieus moeten zijn om op basis van het meestbegunstigingsbeginsel op alle WTO-leden te worden toegepast, en dat zij als bouwstenen voor toekomstige multilaterale overeenkomsten moeten fungeren; beklemtoont dat het handelsbeleid ook moet worden gebruikt als instrument om de concurrentiekracht te vergroten van producten die beter zijn voor het milieu, zowel in het gebruik als in de wijze waarop zij geproduceerd zijn; benadrukt dat het belangrijk is om het initiatief inzake milieugoederen een multilaterale dimensie te geven en om na te denken over de vraag of in handelsakkoorden een voorkeursbehandeling voor echte milieugoederen kan worden opgenomen; beklemtoont dat de TiSA een kans zou kunnen bieden om op WTO-niveau weer vooruitgang te boeken bij de handel in diensten;

44.  pleit voor een sterke en doeltreffende parlementaire dimensie van de WTO om de organisatie transparanter te maken en de democratische legitimiteit van de wereldhandel te versterken en te garanderen; dringt er bij de WTO op aan de parlementaire conferentie over de WTO ten volle te benutten en ervoor te zorgen dat de parlementsleden toegang hebben tot alle informatie die ze nodig hebben om hun toezichthoudende rol effectief te kunnen vervullen en op een betekenisvolle manier aan het handelsbeleid te kunnen bijdragen;

Een toegesneden aanpak voor de keuze van toekomstige vrijhandelsbesprekingen

45.  vraagt de Commissie om zich op een evenwichtige manier en met aandacht voor wederkerigheid en wederzijdse voordelen, te concentreren op de afronding van de lopende handelsbesprekingen, en om de mogelijke impact van het cumulatieve effect te beoordelen, met name voor gevoelige producten met betrekking tot contingenten of liberalisering in het kader van lopende onderhandelingen en reeds gesloten handelsovereenkomsten; verlangt dat de feitelijke en potentiële effecten van reeds gesloten handelsovereenkomsten worden gemeten en beter worden gecommuniceerd voordat er nieuwe vrijhandelsbesprekingen worden gestart, ter bereiking van een gezond evenwicht tussen de bescherming van gevoelige landbouwsectoren en de offensieve belangen van de Unie als een van de grootste uitvoerders van agrovoedingsmiddelen, o.a. door inlassing van overgangsperioden en quota's voor, en in enkele gevallen uitsluiting van, de meest gevoelige producten; herinnert de Commissie eraan om verkenningen uit te voeren en onpartijdige en onbevooroordeelde effectbeoordelingen, rekening houdende met Europese belangen alvorens onderhandelingsmandaten te formuleren;

46.  is van oordeel dat het van het allergrootste belang is te waarborgen dat succesvol afgeronde handelsbesprekingen zo snel mogelijk worden geratificeerd; pleit er met name voor dat er akkoorden met Canada en Singapore worden afgesloten zodat er twee grote markten worden ontsloten die van cruciaal belang zijn voor de toekomstige belangen van de Europese ondernemingen; dringt erop aan dat er in de hele EU met kennis van zaken door politici wordt gedebatteerd ter gelegenheid van de stemmingen in het Europees Parlement en in de nationale parlementen;

47.  onderstreept dat het van groot belang is dat bij alle vrijhandelsbesprekingen door de EU gevoelige en offensieve belangen voor de EU zoals bevordering van investeringen, verwijdering van onnodige non-tarifaire handelsbelemmeringen, erkenning en bescherming van geografische aanduidingen (GA's) en werknemersrechten, betere toegang tot overheidsopdrachten (met name in het licht van de huidige gesprekken over het trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen (TTIP) en de vrijhandelsovereenkomst EU-Japan), fatsoenlijke en hoogwaardige banen, integratie van kmo's in mondiale waardeketens, uitsluiting van openbare en audiovisuele diensten, en wettige waarborgen voor het regelgevingsrecht bij vrijhandel besprekingen, als onderdelen van ambitieuze, evenwichtige en alomvattende pakketten;

48.  dringt erop aan dat handelsbesprekingen een toegesneden regionale handelsstrategie volgen en dat volledige samenhang met regionale integratie gewaarborgd blijft, met name in Azië, Afrika en Latijns-Amerika, die door de Commissie zijn aangewezen als regio's die voor de Europese economische belangen van cruciale betekenis zijn, zonder af te doen aan de sleutelrol die de EU-VS als strategisch partnerschap vervullen; vraagt de Commissie in dit verband om onmiddellijk over een investeringsovereenkomst te gaan onderhandelen met Taiwan; herinnert eraan dat de EU en Latijns-Amerika natuurlijke bondgenoten zijn met een totale bevolking van één miljard mensen die een kwart van het wereldwijde bnp voortbrengen; wijst erop dat het potentieel van dit partnerschap nog onvoldoende is onderzocht; is ingenomen met het feit dat de nieuwe handels- en investeringsstrategie van de Commissie bijzondere aandacht schenkt aan Latijns-Amerika; vraagt de Europese Commissie om de huidige dynamiek in de handelsbesprekingen met Mercosur aan te grijpen om tot een brede, evenwichtige en ambitieuze overeenkomst te komen; staat achter de modernisering van de overeenkomsten met Mexico en Chili; vraagt om meer vaart te zetten achter vrijhandelsbesprekingen met Australië en Nieuw-Zeeland, en acht het belangrijk dat er handelsrelaties worden aangeknoopt met India, gezien het enorme potentieel van die markt; dringt er bij de Commissie op aan de onderhandelingen met Maleisië nieuw leven in te blazen en zo snel mogelijk na het afronden van de voorbereidende gesprekken voor een uitgebreid economisch partnerschap onderhandelingen op te starten met Indonesië;

49.  onderstreept dat in het licht van de huidige uitdagingen bijzondere aandacht moet uitgaan naar het post-Cotonoukader, met nadruk op de koppeling daarvan aan de mensenrechtenclausules in vrijhandelsovereenkomsten, en naar het ondersteunen van de oprichting van een continentale vrijhandelszone voor Afrika ter stimulering van stabiliteit, regionale integratie, plaatselijke groei, werkgelegenheid en innovatie; herinnert eraan dat de EU moet zorgen voor stabiliteit in de haar Oostelijke en Zuidelijke Nabuurschap, en pleit voor meer handelseconomische integratie waardoor het tot een volledige, snelle en juiste uitvoering kan komen van de diepe en alomvattende vrijhandelsovereenkomsten (DCFTA's) met Oekraïne, Georgië en Moldavië, en tot concrete vooruitgang met Tunesië, Marokko en Jordanië;

50.  vraagt de Commissie om het nationale bedrijfsleven volledig te betrekken bij alle stadia van de handelsbesprekingen mede door directe raadplegingen met nationale verenigingen en met Europese overkoepelende verenigingen, en de tekst van een uitonderhandelde handelsovereenkomst vergezeld te doen gaan van een lijst met de uitkomt van de onderhandelingen voor de verschillende sectoren en de redenen voor de keuzes die de Commissie heeft gemaakt;

Verzet tegen het verlenen van de status "markteconomie" aan China en de behoefte aan effectieve handelsbeschermingsinstrumenten

51.  beklemtoont dat verdere maatregelen tot handelsliberalisering - die tot oneerlijke handelspraktijken en concurrentie tussen landen met allerlei niet-tarifaire handelsbelemmeringen kunnen leiden, waaronder arbeidsrechten, milieunormen en volksgezondheidsnormen - de EU zullen nopen tot een nog doelmatiger respons op oneerlijke handelspraktijken en tot waarborging van een gelijk speelveld; onderstreept dat handelsbeschermingsinstrumenten (TDI's) een onmisbaar onderdeel van de EU-handelsstrategie moeten blijven en zij het concurrentievermogen van de EU kunnen verbeteren door waar nodig de voorwaarden voor eerlijke concurrentie te herstellen; herinnert eraan dat de huidige EU-wetgeving inzake handelsbescherming dateert van 1995; wijst er met klem op dat het handelsbeschermingssysteem van de Unie dringend moet worden gemoderniseerd zonder het te verzwakken; wijst erop dat de EU-wetgeving inzake handelsbescherming doelmatiger en toegankelijk voor kmo's moet zijn, en aan de hedendaagse uitdagingen en handelspatronen, dat de onderzoeksfase minder lang moet duren en dat meer transparantie en grotere voorspelbaarheid nodig zijn; betreurt dat de modernisering van deze TDI's is blijven steken in de Raad die niet in staat blijkt met deze essentiële wetgeving voor de dag te komen; betreurt dat de Commissie in haar mededeling "Handel voor iedereen" met geen woord rept over de noodzakelijke modernisering van de TDI's; vraagt de Raad dringend om de impasse in verband met die modernisering van de TDI's te doorbreken op basis van het standpunt van het Parlement, vooral nu China aandringt op erkenning van zijn status als markteconomie;

52.  wijst nogmaals op het belang van het partnerschap van de EU met China, waarin vrije en eerlijke handel en investeringen een belangrijke rol spelen; is ervan overtuigd dat de EU, totdat China voldoet aan alle vijf criteria om als markteconomie te worden aangemerkt, bij haar antidumping- en antisubsidieonderzoeken naar Chinese invoer gebruik moet maken van een niet-standaardmethode om de vergelijkbaarheid van de prijzen te bepalen, overeenkomstig en met volledige uitvoering van de onderdelen van afdeling 15 van het toetredingsprotocol van China die de rechtsgrondslag vormen voor de toepassing van een niet-standaardmethode; vraagt de Commissie om aan de hand van dit beginsel met een voorstel te komen en herinnert eraan dat een en ander terdege moet worden gecoördineerd met de andere WTO-partners;

53.  vraagt de Commissie geen maatregelen te nemen zonder een voorafgaande grondige en uitgebreide effectbeoordeling die alle mogelijke effecten en gevolgen die deze keuze kan hebben voor de werkgelegenheid, de duurzame groei in alle EU-sectoren en het milieu het hoofd biedt;

Grotere samenhang tussen het handels- en industriebeleid van de EU en betere bescherming van IER

54.  meent dat er meer moet worden gedaan om de behoeften van de Europese industrie volledig en over de gehele lijn aan te pakken en dat de maakindustrie in de EU al te vaak bij de dienstensector ten achter wordt gesteld; beklemtoont dat het handelsbeleid de Europese industrie een gelijk speelveld moet bezorgen, toegang moet bieden tot nieuwe en opkomende markten, de achterstand op het gebied van normen moet wegwerken en tegelijk dubbele certificering moet beperken; vraagt de Commissie om te zorgen voor samenhang tussen het handels- en industriebeleid van de EU en de ontwikkeling en concurrentiekracht van de Europese industrie te bevorderen en daarbij met name aandacht te schenken aan de herindustrialisatiestrategie;

55.  beklemtoont de centrale rol die oorsprongsregels spelen wanneer wordt bepaald welke sectoren voordeel halen uit of nadeel ondervinden van de door de EU gesloten vrijhandelsovereenkomsten; erkent dat het Parlement de oorsprongsregels tot nu toe nog niet volledig heeft geanalyseerd en vraagt de Commissie om een verslag op te stellen met de veranderingen die zij de laatste tien jaar, op het niveau van de viercijferige GN-codes, heeft aangebracht aan haar favoriete standaardonderhandelingspositie inzake oorsprongsregels bij vrijhandelsovereenkomsten, samen met de redenen voor elke eventuele wijziging;

56.  is van mening dat het gebrek aan doeltreffende handhaving van IER de overleving van hele sectoren van de Europese industrie in gevaar brengt; benadrukt dat namaak tot banenverlies leidt en innovatie ondermijnt; herhaalt dat adequate bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten en doeltreffende doorzetting het fundament van de globale economie vormen; verwelkomt de toezegging van de Commissie om de bescherming en handhaving van IE-rechten in vrijhandelsovereenkomsten en bij de WTO te versterken en met partners samen te werken aan fraudebestrijding; onderschrijft de doelstelling van de Commissie om het gehele spectrum van IER's te beschermen, met inbegrip van octrooien, handelsmerken, auteursrechten, ontwerpen, geografische aanduidingen, oorsprongsaanduidingen en geneesmiddelen;

Nieuwe marktopportuniteiten voor EU-dienstverleners en erkenning van beroepskwalificaties als essentieel element van de EU-handelsstrategie

57.  herinnert eraan dat de EU een leidende positie inneemt in de dienstensector; beklemtoont dat nieuwe marktopportuniteiten een essentieel onderdeel moeten vormen van de internationale handelsstrategie van de EU; beklemtoont dat de opname van diensten in handelsovereenkomsten van het allergrootste belang is aangezien dit Europese bedrijven en werkgevers kansen biedt waarbij, overeenkomstig de artikelen 14 en 106 van het VWEU en protocol 26, huidige en toekomstige diensten van algemeen belang en diensten van algemeen economisch belang zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van elke overeenkomst, ongeacht of die diensten door de overheid of particulier worden gefinancierd; verlangt dat de Commissie de erkenning van beroepskwalificaties in handelsovereenkomsten bevordert en opneemt, wat nieuwe kansen zal bieden aan Europese bedrijven en werknemers; geeft specifiek in overweging om bepaalde voordelen van de richtlijn inzake de intracommunautaire overdracht van defensiegerelateerde producten in handels- en investeringsovereenkomsten op te nemen in ruil voor die erkenning;

58.  deelt het standpunt van de Commissie dat de tijdelijke detachering van beroepsbeoefenaren essentieel is geworden om internationaal meer zaken te doen en daarmee een offensief belang blijft voor de EU; benadrukt dat in alle handels- en investeringsovereenkomsten van de EU een hoofdstuk over arbeidsmobiliteit moet worden opgenomen; herinnert er echter aan dat verbintenissen inzake dienstverleningsvorm 4 alleen mogen gelden voor de mobiliteit van hoogopgeleide beroepsbeoefenaren (universitaire of daarmee equivalente opleiding of hogere leidinggevende functie) voor een specifiek doel, voor een beperkte periode en onder precieze voorwaarden die in de nationale wetgeving van het land waar de dienst wordt verricht en in een contract dat conform artikel 16 van de dienstenrichtlijn in overeenstemming is met deze nationale wetgeving nader zijn omschreven, waarbij ervoor wordt gezorgd dat niets de EU en de lidstaten kan beletten hun arbeidsnormen en collectieve arbeidsovereenkomsten te handhaven en te verbeteren;

59.  is verheugd over het voornemen van de Commissie om het handelsbeleid aan te wenden voor het aanpakken van nieuwe vormen van digitaal protectionisme en om regels vast te stellen voor elektronische handel en grensoverschrijdende gegevensstromen in overeenstemming met de EU-wetgeving inzake gegevensbescherming en de bescherming van de privacy en van de fundamentele rechten; is van mening dat er nog veel meer moet worden gedaan om in de EU een klimaat te scheppen dat gunstig is voor elektronische handel en ondernemerschap, zoals monopolies en misbruik van monopolistische posities in de telecommarkt en geoblokkeren tegengaan en concrete oplossingen zoeken voor geschillenbeslechting; beklemtoont dat het van vitaal belang is om te zorgen voor reglementaire samenwerking, internetfraude te verminderen, wederzijdse erkenning en harmonisatie van de normen in de e-handelssector; verzoekt de Commissie een nieuw model voor e-commercehoofdstukken uit te vaardigen, dat het bestaande en eventuele toekomstige rechtskader voor gegevensbescherming in alle handelsbesprekingen moet vrijwaren, en dat een vrije uitwisseling van gegevens moet waarborgen, in volledige overeenstemming met de bestaande gegevensbeschermingsregels in het land van herkomst van het gegevenssubject; roept op tot een betere samenwerking tussen de handhavingsinstanties, in het bijzonder inzake oneerlijke handelspraktijken op internet;

Het wezenlijke belang van de digitale economie voor de toekomstige wereldhandel

60.  merkt het toenemend en toekomstig belang van de digitale economie op, niet enkel in Europa, maar overal ter wereld, met een geschat aantal van 3,3 miljard internetgebruikers wereldwijd, die 40 % van de wereldbevolking vertegenwoordigen; is van mening dat trends zoals cloud computing, mobiele webdiensten, slimme netten en sociale media tot een ingrijpend veranderd ondernemerslandschap; onderstreept dat het EU-handelsbeleid gelijke tred moet houden met de digitale en technologische ontwikkelingen;

61.  verlangt dat de Commissie samen met WTO-partners niet enkel een werkgroep oprichten voor digitale handel in de WTO, die de geschiktheid van het huidige kader voor elektronische handel grondig onderzoekt, waarbij specifieke aanbevelingen, verduidelijkingen en aanpassingen onder de loep worden genomen, maar dat ze ook onderzoeken wat de mogelijkheden zijn voor de oprichting van een nieuw kader voor de dienstenhandelsfacilitatie, gebaseerd op beste praktijken voortkomend uit de uitvoering van de handelsfacilitatieovereenkomst van de WTO.

Steun voor de Commissie in haar strijd tegen corruptie

62.    is zich ervan bewust dat de opname van bepalingen betreffende financiële diensten in handelsovereenkomsten bezorgdheid heeft gewekt over hun mogelijke negatieve gevolgen op het gebied van het witwassen van geld, belastingontduiking en -ontwijking; spoort de Commissie aan tot bestrijding van corruptie, een grote niet-tarifaire belemmering in ontwikkelde en ontwikkelingslanden; is van mening dat handels- en investeringsovereenkomsten een goede gelegenheid bieden voor grotere samenwerking bij bestrijding van corruptie, witwassen en belastingfraude en -ontduiking; is van mening dat bedingen uit hoofde van internationale normen, rapportageplicht per land en automatische informatie-uitwisseling in speciale internationale overeenkomsten moeten worden vastgelegd die als grondslag moeten dienen voor verdere liberalisering van financiële diensten;

63.  is van mening dat het verband tussen handels- en investeringsovereenkomsten en verdragen tot het vermijden van dubbele belasting nog helemaal onverkend is en verzoekt de Commissie de invloed die dergelijke instrumenten op elkaar en op een algemene samenhang van het beleid kunnen hebben in de strijd tegen belastingontduiking grondig te onderzoeken;

Een toekomstgericht handelsbeleid inzake de specifieke noden van kmo's

64.  beklemtoont dat een toekomstgericht handelsbeleid meer aandacht moet schenken aan de specifieke noden van micro- en kleine en middelgrote ondernemingen en ervoor moet zorgen dat zij volop kunnen profiteren van de handels- en investeringsovereenkomsten; herinnert eraan dat slechts een klein percentage van de Europese kmo's de door de mondialisering en handelsliberalisering geboden kansen kan identificeren en benutten; merkt op dat slechts 13 % van de Europese kmo's internationaal actief is geweest buiten de EU terwijl zij goed zijn voor een derde van de EU-export; steunt initiatieven die de internationalisering van de Europese kmo's bevorderen en dringt daarom aan op de voordelen van een hoofdstuk inzake kmo's in alle toekomstige vrijhandelsovereenkomsten; is van mening dat er nieuwe manieren moeten worden verkend om kmo's beter te helpen bij de verkoop van hun goederen en diensten in het buitenland; beklemtoont dat kmo's beter afgestemde bijstand nodig hebben, die eerst en vooral in de lidstaten wordt verleend, gemakkelijker toegang tot gebruiksvriendelijke online informatie over handelsmaatregelen, en specifieke en duidelijke handleidingen over de kansen en voordelen van elke bestaande of toekomstige dor de EU gesloten handelsovereenkomst;

65.  vraagt de Commissie om de behoeften van de kmo's horizontaal te behandelen in alle hoofdstukken van de handelsovereenkomsten met inbegrip van, maar niet beperkt tot, de oprichting van een speciale internetsite voor kmo's om meer te weten te komen over relevante verordeningen, wat van cruciaal belang is voor grensoverschrijdende dienstverleners op het gebied van vergunningen en andere administratieve vereisten; wijst erop dat deze instrumenten, in voorkomend geval, kansen aan kmo's moeten bieden om nieuwe markten te betreden benutten, in het bijzonder voor aanbestedingen van lage waarde; benadrukt de noodzaak om handelskosten te verlagen voor de kmo's door douaneprocedures te stroomlijnen, onnodige niet-tarifaire belemmeringen en regelgevingslasten te beperken en de oorsprongsregels te vereenvoudigen; is van mening dat de kmo's een rol moeten spelen bij het helpen van de Commissie om deze instrumenten vorm te geven om ervoor te zorgen dat handelsovereenkomsten voldoen aan hun behoeften; moedigt de Commissie aan om een nauwe dialoog te onderhouden met de kmo-vertegenwoordigers in alle stadia van de handelsbesprekingen;

66.  benadrukt dat snellere toegang tot antidumpingprocedures voor Europese kmo's van essentieel belang is om hen tegen oneerlijke handelspraktijken te beschermen; benadrukt de noodzaak van een hervorming van het multilateraal kader van de WTO om kmo's meer te betrekken en een snellere geschillenregeling te waarborgen;

67.  vraagt de Commissie om de bestaande instrumenten inzake subsidiariteit, niet-duplicatie en complementariteit ten aanzien van de respectieve programma's van de lidstaten en met Europese toegevoegde waarde te beoordelen en te verbeteren alvorens andere zelfstandige vorderingen te ontwikkelen om de internationalisering van kmo's te ondersteunen; beklemtoont dat de Commissie een onafhankelijke evaluatie van alle bestaande programma's aan het Parlement dient voor te leggen;

Investeringen

68.  onderstreept het belang van inkomende en uitgaande investeringen voor de EU-economie en de behoefte van EU-bedrijven om te worden beschermd wanneer ze in markten van derde landen investeren; heeft oog, in dit verband, voor de inspanningen van de Commissie rond het nieuwe stelsel van investeringsgerechten (ICS); benadrukt de noodzaak van nadere discussie met belanghebbenden en Parlement over ICS; onderstreept dat dit systeem moet beantwoorden aan de rechtsorde van de EU, met name op het punt van de competentie van de EU-rechter, en meer bepaald van de mededingingsregels van de EU; deelt de ambitie om op de middellange termijn een multilaterale oplossing uit te werken voor investeringsgeschillen; betreurt dat het ICS-voorstel geen bepaling omvat inzake de verplichtingen van de investeerders;

69.  dringt er bij de EU en de lidstaten op aan de aanbevelingen van het omvattende investeringsbeleidskader voor duurzame ontwikkeling van UNCTAD te volgen om verantwoorde, transparante en verantwoordbare investeringen te stimuleren;

70.  wijst erop dat in het Investeringsplan voor Europa van de Commissie de vereiste is vastgelegd de investeringen in de EU te stimuleren, en is van oordeel dat handelsstrategieën een essentieel middel zijn om deze doelstelling te verwezenlijken; merkt op dat het Europees Fonds voor strategische investeringen geen externe dimensie heeft; verzoekt de Commissie de oprichting van een externe tak slechts te overwegen na een zorgvuldige analyse van de prestaties van het fonds en een onderzoek van haar nut, gezien het bestaan van leningen door de Europese Investeringsbank, de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling en de acties van het Europees Ontwikkelingsfonds; beklemtoont dat deze fondsen zouden kunnen bijdragen tot duurzame ontwikkeling en fatsoenlijke banen, dat het de armoede zou kunnen bestrijden en de diepere oorzaken van migratie zou kunnen aanpakken;

71.   herinnert eraan dat het investeringsbeleid van de EU, met name als het om overheidsgelden gaat, moet bijdragen tot de verwezenlijking van de SDG's; brengt in herinnering dat de transparantie en de verantwoordingsstructuur van instellingen voor ontwikkelingsfinanciering en publiek-private partnerschappen moeten worden versterkt om de geldstromen, de houdbaarheid van schulden en de toegevoegde waarde voor duurzame ontwikkeling doeltreffend te kunnen volgen en te monitoren;

Handel en landbouw.

72.   benadrukt dat de hoge Europese normen op het gebied van milieu, voedselveiligheid, dierenwelzijn en sociale voorwaarden van groot belang zijn voor de EU-burgers, zowel in moreel opzicht als in termen van bewuste keuzemogelijkheden voor de consument, en is van mening dat handelsakkoorden bevorderlijk zouden moeten zijn voor eerlijke mededinging, zodat landbouwers in de EU optimaal kunnen profiteren van tariefconcessies en in economisch opzicht niet worden benadeeld ten opzichte van landbouwers in derde landen; benadrukt dat de EU-normen op het gebied van voedselveiligheid en dierenwelzijn moeten worden beschermd door behoud van het voorzorgsbeginsel, duurzame landbouw en een hoge mate van traceerbaarheid en productetikettering, en te zorgen dat alle ingevoerde producten aan de geldende EU-wetgeving voldoen; wijst erop dat de normen inzake dierenwelzijn internationaal sterk uiteenlopen; onderstreept in dit verband dat de uitvoer van levende dieren moet worden gereguleerd met inachtneming van de geldende EU-wetgeving en de dierenwelzijnsnormen van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE);

73.  acht het openen van nieuwe markten voor landbouwproducten uit de EU, zoals zuivelproducten, vlees en levende dieren en groenten en fruit, belangrijk in de huidige context van landbouwcrises; benadrukt dat er nieuwe afzetmarkten met een grote koopkracht in kaart moeten worden gebracht;

74.  acht het noodzakelijk de meerwaarde van landbouw te versterken en promotiecampagnes te bevorderen met het oog op het openen van nieuwe markten; benadrukt bovenal dat het onontbeerlijk is met name de steun ter bevordering van de Europese kwaliteitsregelingen te versterken, aangezien de EU daarmee de beste reputatie op de wereldmarkt heeft opgebouwd, hetgeen indirect ten goede komt aan de gehele Europese landbouw;

75.   benadrukt de noodzaak van strengere invoercontroles en versterkte controles door het Voedsel- en Veterinair Bureau met betrekking tot de productie- en afzetomstandigheden in landen die naar de EU uitvoeren, teneinde ervoor te zorgen dat de EU-voorschriften worden nageleefd;

76.   benadrukt dat er vooruitgang moet worden geboekt met betrekking tot sanitaire, fytosanitaire en andere niet-tarifaire obstakels voor de handel in landbouwproducten bij alle onderhandelingen over vrijhandel, met name wat de door de EU getrokken rode lijnen betreft die van invloed kunnen zijn op de gezondheid van de consument;

77.   herinnert aan het belang van GA's bij de promotie van traditionele Europese agrovoedingsmiddelen, aangezien ze deze tegen schadelijke meeliftpraktijken beschermen, consumentenrechten en bewuste keuzes waarborgen, en plattelandsproducenten en landbouwers, met name kmo's, beschermen; merkt op dat de bescherming en erkenning van geografische aanduidingen in derde landen van groot belang kan zijn voor de gehele landbouw- en voedingssector van de EU, en is van oordeel dat alle handelsakkoorden moeten voorzien in beschermingsmaatregelen en maatregelen ter bestrijding van namaak;

Betere toegang tot overheidsopdrachten voor Europese marktdeelnemers

78.  vraagt om de huidige onevenwichtigheden en verschillen in openheid van de aanbestedingsmarkten tussen de EU en andere handelspartners weg te werken; verzoekt de Commissie om nog verder te gaan en te streven naar een ambitieuze en wederzijdse openstelling van de internationale aanbestedingsmarkten, waarbij de uitsluiting van diensten van algemeen economisch belang wordt gewaarborgd en ervoor wordt gezorgd dat de lidstaten vrij blijven om sociale en ecologische criteria voor overheidsopdrachten in te voeren, zoals criteria inzake de economisch voordeligste inschrijving; is van mening dat het beleid inzake overheidsopdrachten in overeenstemming moet zijn met IAO-Verdrag nr. 94; onderstreept dat Europese marktdeelnemers, zowel vennootschappen als kmo's, betere toegang moeten krijgen tot aanbestedingscontracten in derde landen, met behulp van instrumenten als de wet voor kleine ondernemingen en door wegnemen van de huidige asymmetrische verhoudingen; herinnert er in dit verband aan dat de EU onder de WTO-landen tot de meest open markten voor overheidsopdrachten behoort;

79.  neemt kennis van het gewijzigde voorstel van de Commissie voor een verordening over toegang van goederen en diensten uit derde landen tot de interne aanbestedingsmarkt van de Unie – een belangrijk instrument om te komen tot een gelijk speelveld voor de markttoegang van derde landen en betreurt het ten zeerste dat de regeringen van de lidstaten het oorspronkelijke voorstel hebben tegengehouden; vraagt de Commissie om positieve wederkerigheid te bewerkstelligen met de belangrijke handelspartners betreffende de toegang tot de aanbestedingsmarkten;

Gelijke toegang tot middelen voor eerlijke concurrentie op de wereldmarkt

80.  beklemtoont dat natuurlijke rijkdommen beperkt zijn en op economisch en ecologisch duurzame wijze moeten worden gebruikt, met voorrang aan recyclage; onderkent de grote afhankelijkheid van ontwikkelingslanden en speciaal van de minst ontwikkelde landen van natuurlijke rijkdommen; herinnert eraan dat het Europese handelsbeleid een consistente, duurzame, alomvattende beleidsoverschrijdende strategie met betrekking tot grondstoffen moet nastreven, zoals reeds beschreven door het Parlement in zijn verslag over een "Nieuw handelsbeleid voor Europa in het kader van de Europa 2020-strategie";

81.  wijst met klem op de noodzaak van overgang naar een koolstofarme economie en spoort de Commissie daarom aan de samenwerking op gebied van energieonderzoek, -ontwikkeling en -innovatie te versterken, om te bevorderen dat er meer diversificatie komt van energieleveranciers, -transport en -bronnen, dat er nieuwe energiehandelspartners worden gevonden en dat er meer concurrentie komt, met lagere prijzen voor de Europese energieverbruiker: beklemtoont dat de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen en het stimuleren van de energie-efficiëntie essentieel zijn om de energiezekerheid te verhogen en de invoerafhankelijkheid te verlagen; onderstreept dat het belangrijk is in vrijhandelsovereenkomsten bepalingen op te nemen die erop gericht zijn partnerschappen voor duurzame energie op te bouwen en technologische samenwerking te bevorderen, vooral op het gebied van hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie en -waarborgen, en koolstoflekkage te voorkomen om de COP21-doelstellingen te kunnen halen.

De strijd tegen illegale handel in het wild levende dieren en planten en hun producten

82.  blijft ernstig bezorgd over de recente stijging van de criminaliteit in verband met in het wild levende dieren en planten en de daaraan verbonden illegale handel, wat niet alleen een verwoestend effect heeft op de biodiversiteit en het aantal soorten, maar ook een duidelijk en aanwezig gevaar vormt voor inkomens en lokale economieën, met name in ontwikkelingslanden; is ingenomen met de toezegging van de EU om de illegale handel in het wild levende dieren en planten te beëindigen als deel van haar reactie op de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de VN, in het bijzonder SDG 15, waarin het heet dat niet alleen een einde moet worden gemaakt aan stroperij en handel in beschermde dier- en plantensoorten, maar dat ook de markt voor illegale natuurproducten, zowel aan vraag- als aanbodzijde, moet worden aangepakt; verwacht in dit verband, dat de Commissie, na afloop van een bedenktijd en overleg met het Europees Parlement en de lidstaten, nagaat hoe bepalingen inzake illegale handel in het wild levende dieren en planten het beste kunnen worden opgenomen in alle toekomstige EU-handelsovereenkomsten;

Betere douanesamenwerking en bestrijding van illegale handel aan de grenzen van de EU

83.  benadrukt dat betere, geharmoniseerde en efficiëntere douaneprocedures in Europa en daarbuiten de handel zouden kunnen bevorderen, voldoen aan de respectieve vereisten voor handelsfacilitatie, en zouden helpen bij de bestrijding van namaak-, illegale en vervalste goederen die de interne markt binnenkomen, de economische groei van de EU ondermijnen en ernstige risico's inhouden voor de EU-consument; is verheugd over het voornemen van de Commissie om de samenwerking tussen de douaneautoriteiten te verbeteren; verzoekt de Commissie en de lidstaten eens te meer een eengemaakte EU-douaneadministratie op te zetten voor een doelmatiger toepassing van de douanevoorschriften en -procedures in het gehele douanegebied van de EU;

84.  benadrukt dat de Commissie er bij handelsbesprekingen haar handelspartners ervan moet overtuigen one-stop shops voor de afhandeling van douane- en grensformaliteiten in te voeren, indien nodig vergezeld van hulp bij capaciteitsopbouw voor commerciële fondsen;

85.  beklemtoont dat degelijke communicatie en sterke coördinatie vereist zijn om ervoor te zorgen dat de opheffing van tarieven vergezeld gaat van passende technische, institutionele en beleidsmaatregelen om veilig handelsverkeer verder te waarborgen

86.  vraagt de Commissie om kernprestatie-indicatoren te overwegen aan de hand waarvan de prestaties van de douaneadministratie in het binnen- en buitenland zich laten beoordelen. betreurt dat er op dit moment er zeer weinig overheidsgegevens beschikbaar zijn. bedenkt dat het nuttig zou zijn om te weten hoe de douane en andere grensdiensten in eigen land en in partnerlanden presteren om aan de hand daarvan beste praktijken te delen en specifieke belangen voor handelsbevordering binnen de Europese instellingen te coördineren – rekening houdende met artikel 13 van de WTO-handelsfacilitatieovereenkomst;

87.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de aanzet te geven tot een open debat over de mogelijke verschuiving van douaneautoriteiten van nationaal naar EU-niveau;

Tastbare voordelen leveren aan de consument

88.  erkent dat handelsovereenkomsten de consumenten zeer ten goede kunnen komen, met name door de concurrentie te doen toenemen, prijzen te verlagen, meer keuze aan te bieden en innovatie te bevorderen; verzoekt de Commissie, om dit potentieel te benutten, in alle onderhandelingen sterk te pleiten voor een beperking van oneerlijke handelspraktijken op internet, voor een vermindering van de kosten voor internationale roaming, en voor een versterking van de passagiersrechten;

89.  dringt aan op maatregelen ter ondersteuning van de consument in het grensoverschrijdende handelsverkeer in goederen en diensten met derde landen, bijvoorbeeld door onlinecontactpunten die informatie ter beschikking stellen of kunnen helpen bij geschillen;

90.  houdt eraan vast dat consumenten accurate informatie moeten krijgen over de eigenschappen van de verhandelde producten;

Handel voor iedereen: flankerende beleidsmaatregelen in het open-handels- en investeringsbeleid voor maximaal profijt en minimaal verlies

91.  deelt het standpunt van de OESO dat voor het open-handels- en investeringsbeleid een reeks flankerende beleidsmaatregelen nodig zijn, om te zorgen dat de handelsliberalisering de bevolking van de EU en derde landen zoveel mogelijk profijt en zo weinig mogelijk verlies oplevert; dringt er bij de lidstaten en de Commissie op aan meer inspanningen te leveren om de openstelling van de handel aan te vullen met een reeks begeleidende maatregelen teneinde duurzame ontwikkeling te waarborgen – bijvoorbeeld op terrein van openbare diensten en investeringen, onderwijs en gezondheidszorg, actief arbeidsmarktbeleid, onderzoek en ontwikkeling, infrastructuuruitbouw en passende regels om sociale bescherming en milieubescherming te waarborgen;

92.  vraagt de Commissie en de lidstaten grondige analyses vooraf en achteraf te maken op basis van sector per sector en regionaal uitgevoerde effectbeoordelingen voor alle handelsovereenkomsten en de relevante juridische bestanden om negatieve effecten op de arbeidsmarkt binnen de Unie tijdig te onderkennen en om geavanceerder manieren te zoeken om verzachtende maatregelen in te voeren voor de herontwikkeling van industrieën en regio's die buiten de boot vallen met het oog op een eerlijkere verdeling en garantie van breedgedragen handelswinsten; beklemtoont dat de Europese structuur- en investeringsfondsen, en meer bepaald het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Europees Sociaal Fonds, op dit punt een bijzondere rol kunnen spelen; wijst erop dat het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering eveneens een belangrijk instrument kan zijn op voorwaarde dat het wordt hervormd en voldoende middelen ontvangt om ondernemingen en producenten in de EU die te lijden hebben onder handelssancties tegen derde landen hulp te kunnen bieden, alsmede aan werknemers van kmo's die rechtstreeks worden getroffen door de globalisering;

°

°  °

93.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's, aan UNCTAD en aan de WTO.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0415.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0250.

(3)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0219.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0175.

(5)

PB C 56E van 26.2.2013, blz. 87.

(6)

PB C 188E van 28.6.2012, blz. 42.

(7)

PB C 99E van 3.4.2012, blz. 94.

(8)

PB C 99E van 3.4.2012, blz. 31.

(9)

PB C 99E van 3.4.2012, blz. 101.


TOELICHTING

Handelsbesprekingen zoals ACTA, TTIP, CETA en TiSA hebben de aandacht van het publiek op het Europese handelsbeleid gevestigd. Veel EU-burgers stellen globalisering gelijk aan banenverlies en maken zich zorgen dat de Europese regelgeving en de Europese normen mogelijk zullen worden ondermijnd door het handels- en investeringsbeleid van de EU. Tegelijkertijd is de bijdrage van de buitenlandse handel van fundamenteel belang voor de ontwikkeling van de Europese economie.

Vandaag de dag is de EU 's werelds rijkste economie. Tegen 2050 zal de economie van de EU echter minder belangrijk worden. De EU-28 zal dan goed zijn voor slechts 15 % van het bbp van de wereld, terwijl dat in 2013 nog 23,7 % was. Het centrum waar rijkdom tot stand komt, is momenteel naar het oosten, naar de regio Azië-Stille Oceaan, aan het verschuiven en ook de demografische ontwikkeling zal negatieve gevolgen hebben voor de positie van de EU op het wereldhandelstoneel.

Daarom is een doeltreffende, alomvattende en toekomstgerichte handels- en investeringsstrategie van vitaal belang voor de Europese Unie.

Op 14 oktober 2015 stelde de Commissie een nieuwe handels- en investeringsstrategie voor de Europese Unie voor, getiteld "Handel voor iedereen: Naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid". De rapporteur is verheugd dat de Commissie een nieuw handels- en investeringsbeleid heeft goedgekeurd aangezien het Parlement in zijn resolutie inzake een "Nieuw handelsbeleid voor Europa in het kader van de Europa 2020-strategie" van 2011 reeds vragende partij was voor een toekomstgerichte en innovatieve strategie inzake handel en investeringen, met inachtneming van de nieuwe uitdagingen van de EU. De rapporteur betreurt dat de strategie geen bijzondere aandacht schenkt aan de be- en verwerkende sector en dat ook de uitdagingen voor de handel bij de aanpak van migratie niet extra worden belicht.

Aangezien het publiek meer belangstelling toont voor handelsovereenkomsten en meer burgers zich zorgen maken over de globalisering, beklemtoont de rapporteur dat het handelsbeleid in de 21e eeuw moet inspelen op de bezorgdheid van de burgers. Er moet meer transparantie, betrokkenheid en verantwoording zijn tegenover alle belanghebbenden. Bovendien wenst de rapporteur eraan te herinneren dat de toegang tot bepaalde informatie de parlementaire controle verscherpt. Daarom wordt de Commissie verzocht het transparantie-initiatief uit te breiden naar alle toekomstige onderhandelingen en krijgt de Raad het verzoek om alle onderhandelingsmandaten bekend te maken.

In haar strategie "Handel voor iedereen" stelt de Commissie duidelijk de doelstelling vast dat de handelsliberalisering snel moet toenemen en dat de EU nog verder moet worden geïntegreerd in de mondiale waardeketens. Volgens de rapporteur is het daarom van fundamenteel belang dat het handelsbeschermingssysteem van de Unie dringend wordt gemoderniseerd, vooral omdat China aandringt op erkenning van zijn status als markteconomie.

Gezien de externe uitdagingen die de EU in de 21e eeuw het hoofd moet bieden (bijvoorbeeld migratie) is de samenhang tussen de handelsdoelstellingen van de Unie en andere aspecten van haar extern beleid een prioriteit. We moeten handels- en investeringsovereenkomsten dusdanig vormgeven dat zij een krachtig middel vormen om duurzame ontwikkeling te versterken en mensenrechten, arbeids- en sociale normen en milieuduurzaamheid wereldwijd te bevorderen.

Aangezien het wereldhandelstoneel snel verandert, vraagt de rapporteur de Commissie om de handelsstrategie regelmatig te actualiseren en jaarlijks een uitgebreid uitvoeringsverslag voor te leggen opdat de Europese burgers kunnen nagaan of de Commissie haar beloften nakomt.


ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken (18.4.2016)

aan de Commissie internationale handel

inzake een nieuwe toekomstgerichte en innovatieve toekomststrategie inzake handel en investeringen

(2015/2105(INI))

Rapporteur voor advies: Tokia Saïfi

SUGGESTIES

De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  neemt kennis van de nieuwe strategie van de Europese Unie inzake handel en investeringen met als titel "Handel voor iedereen - Naar een verantwoorder handels- en investeringsbeleid" en onderstreept de fundamentele rol van handel op het vlak van vrede, duurzame groei, ontwikkeling en werkgelegenheid; erkent derhalve de groeiende verantwoordelijkheid van de EU om in haar internationale handelsbetrekkingen en externe betrekkingen bij te dragen tot de verwezenlijking van deze doelstellingen;

2.  herhaalt dat het buitenlandse beleid van de EU coherent moet zijn, ook met ander beleid dat een buitenlandse dimensie bezit zoals het beleid op het gebied van handel, ontwikkeling, mensenrechten, landbouw, milieu, energie en migratie, en dat de in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) vastgelegde doelstellingen verder moeten worden nagestreefd; onderstreept dat het handelsbeleid en de handels- en investeringsovereenkomsten van de EU integrerend deel uitmaken van het buitenlandse beleid van de EU en vraagt in dit verband dat de Europese Unie en haar lidstaten een globale EU-strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid aannemen; benadrukt in deze context de centrale coördinerende rol van de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de delegaties van de EU in derde landen, die ter plaatse een belangrijke faciliterende rol kunnen spelen ter bevordering van de eerbiediging van de fundamentele waarden en rechten van de EU; verzoekt de lidstaten om met één stem te spreken;

3.  brengt in herinnering dat het handelsbeleid bijdraagt tot de bescherming en bevordering van de waarden waarvoor de Unie zich inzet en die zijn opgenomen in artikel 2 van het VEU, zoals de democratie, rechtsstaat, eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele rechten en vrijheden, solidariteit, gelijkheid, eerbiediging van de menselijke waardigheid en bescherming van het milieu en sociale rechten; is van mening dat het hooghouden van deze waarden tot de uitbanning van slechte praktijken zou kunnen leiden en dat het handelsbeleid alleen doeltreffend is als alle belangrijke actoren in de wereldhandel dezelfde voorschriften naleven, onder meer voor wat overheidsopdrachten betreft; onderstreept dat het handelsbeleid van de EU moet aansluiten bij en bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, in het kader van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling; is ingenomen met de aankondiging door de Commissie dat in handelsovereenkomsten instrumenten voor corruptiebestrijding zullen worden opgenomen, en kijkt met interesse uit naar de voorgestelde maatregelen;

4.  benadrukt dat alle handelsovereenkomsten van de EU bindende mensenrechtenclausules moeten bevatten die de EU in staat stellen universele waarden in derde landen in de praktijk te brengen en te bevorderen; wijst erop dat politieke bereidheid een voorwaarde is om daadwerkelijk gebruik te kunnen maken van deze clausules en om derde landen aan gedane toezeggingen te houden; vraagt om een betere raadpleging van het Parlement in de vroege stadia van het onderhandelingsproces voor handels- en investeringsovereenkomsten en om de daadwerkelijke toepassing van de mensenrechtenclausules, en vraagt dat verslag wordt uitgebracht aan het Parlement over de mensenrechtenaspecten van de overeenkomsten;

5.  onderstreept dat de SAP-, SAP+- en EBA-regelingen essentiële instrumenten kunnen vormen voor de handhaving van deze waarden en dringt aan op het belang van de daadwerkelijke tenuitvoerlegging en de follow-up van deze regelingen; is ingenomen met de publicatie van het eerste tweejaarlijkse verslag van de Commissie over de stand van zaken ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de SAP+-regeling en met het feit dat de Commissie dit verslag met het Parlement heeft besproken alvorens het te publiceren;

6.  onderstreept dat het handelsbeleid van de Unie een instrument voor economische diplomatie vormt dat ook kan bijdragen tot het aanpakken van de diepere oorzaken van terrorisme;

7.  wijst met klem op de noodzaak van de totstandbrenging van duurzame en verantwoorde handel; onderstreept het belang van de uitvoering van de in handelsovereenkomsten opgenomen hoofdstukken over duurzame ontwikkeling, die ertoe kunnen bijdragen dat er in de hele toeleveringsketen ambitieuze sociale normen en milieunormen worden ingevoerd, conform de bestaande internationale verdragen en met name in samenwerking met de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO); vraagt de Europese Commissie om bij ex-ante en ex-post effectbeoordelingen van overeenkomsten beter rekening te houden met de desbetreffende aspecten;

8.  is verheugd dat de Commissie heeft aangekondigd verschillende initiatieven te zullen ontplooien om eerlijke handel te ondersteunen en moedigt de Commissie ertoe aan om in het kader van het gemeenschappelijk handelsbeleid dergelijke maatregelen te blijven voorstellen;

9.  onderstreept dat handelsoverleg niet mag leiden tot een afzwakking van de Europese normen, maar ervoor moet zorgen dat de Europese burgers worden beschermd en dat onze maatschappelijke keuzes alsook ons recht om wetgeving vast te stellen worden gewaarborgd; benadrukt dat de EU met haar handelsbeleid en handelsovereenkomsten een essentieel instrument in handen heeft om het internationale, op regels gebaseerde handelsstelsel te versterken, dat steeds meer onder druk komt te staan; wijst erop dat dit met name voor de EU van cruciaal belang is, aangezien de economie van de EU in sterke mate afhankelijk is van de handel; beklemtoont dat de EU moet aansturen op een handelsbeleid dat gebaseerd is op strenge mondiale normen;

10.  vraagt de Commissie toe te zien op de correcte uitvoering van handelsovereenkomsten door voor een grotere betrokkenheid van het Europees Parlement, belanghebbenden en het maatschappelijk middenveld te zorgen en door alle betrokken partijen te doen inzien welke voordelen de afsluiting van overeenkomsten met zich meebrengt; onderstreept hoe belangrijk het is dat het accent meer op de naleving en tenuitvoerlegging van de overeenkomsten door alle partijen komt te liggen; vraagt de Commissie met name toe te zien op verbintenissen inzake mensenrechten en fundamentele arbeidsrechten;

11.  brengt in herinnering dat multilaterale handelsovereenkomsten, versterking van handelsbesprekingen op multilateraal niveau en betrokkenheid bij de WTO prioritair blijven voor de EU, maar dat zij in het kader van een ambitieuze opzet van wederkerigheid en wederzijdse voordelen ook bilaterale onderhandelingen voert; is verheugd dat tijdens de ministerconferentie van de WTO in Nairobi, in het kader van de Doharonde, een akkoord is bereikt; betreurt de beperkte reikwijdte en het gebrek aan ambitie van het akkoord, maar wijst op de gelegenheid om verder te kijken dan de ontwikkelingsronde van Doha en de WTO na al die tijd eindelijk meer een afspiegeling te laten worden van zowel de huidige internationale economische situatie als het respectieve economische gewicht van haar lidstaten; vraagt de Commissie eveneens om in de context van het onlangs gesloten trans-Pacifische partnerschap handelsstrategieën te ontwikkelen die specifiek op bepaalde regio's zijn gericht, met name Azië;

12.  herhaalt het belang van de naleving van de Europese en internationale voorschriften inzake wapenhandel, met name het Wapenhandelsverdrag van de Verenigde Naties en de EU-gedragscode betreffende wapenuitvoer;

13.  benadrukt dat doeltreffende wetgeving inzake uitvoercontrole ook een belangrijk aspect is van het handelsbeleid van de EU; verzoekt de Commissie in dit verband om de EU-wetgeving inzake de controle op de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik bij te werken, in het licht van de strategische doelstellingen en de universele waarden van de EU;

14.  benadrukt dat de EU de stabiliteit in haar buurlanden moet waarborgen en dringt aan op de bevordering van de economische integratie van haar oostelijke en mediterrane buurlanden, in het bijzonder via de ontwikkeling van handelsbetrekkingen;

15.  spoort de Commissie ertoe aan haar inspanningen op het vlak van de overbrenging, transparantie en toegankelijkheid van onderhandelingsdocumenten voort te zetten en op te voeren, en zowel de coördinatie en uitwisseling van informatie tussen haar commissarissen en directoraten-generaal, de EDEO, de Raad en het Parlement als het overleg met sociale partners en het maatschappelijk middenveld te verbeteren; benadrukt dat de verbeterde toegang tot onderhandelingsdocumenten niet beperkt mag blijven tot documenten met betrekking tot de TTIP-onderhandelingen, maar eveneens moet gelden voor documenten inzake alle andere lopende onderhandelingen over handelsovereenkomsten;UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

11.4.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

46

3

7

Bij de eindstemming aanwezige leden

Lars Adaktusson, Michèle Alliot-Marie, Nikos Androulakis, Francisco Assis, Petras Auštrevičius, Amjad Bashir, Bas Belder, Goffredo Maria Bettini, Klaus Buchner, James Carver, Fabio Massimo Castaldo, Lorenzo Cesa, Javier Couso Permuy, Andi Cristea, Arnaud Danjean, Georgios Epitideios, Knut Fleckenstein, Eugen Freund, Iveta Grigule, Richard Howitt, Sandra Kalniete, Tunne Kelam, Afzal Khan, Eduard Kukan, Ilhan Kyuchyuk, Ryszard Antoni Legutko, Arne Lietz, Barbara Lochbihler, Sabine Lösing, Andrejs Mamikins, Ramona Nicole Mănescu, David McAllister, Demetris Papadakis, Alojz Peterle, Tonino Picula, Kati Piri, Andrej Plenković, Cristian Dan Preda, Jozo Radoš, Sofia Sakorafa, Jaromír Štětina, Miguel Urbán Crespo, Ivo Vajgl, Elena Valenciano, Geoffrey Van Orden, Hilde Vautmans, Boris Zala

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Antonio López-Istúriz White, Tokia Saïfi, Jean-Luc Schaffhauser, Helmut Scholz, György Schöpflin, Igor Šoltes, Bodil Valero

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Beatriz Becerra Basterrechea, Claudiu Ciprian Tănăsescu


ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (16.3.2016)

aan de Commissie internationale handel

inzake een nieuw op te stellen toekomstgerichte en innovatieve strategie voor handel en investeringen

(2015/2105(INI))

Rapporteur voor advies: Jan Zahradil

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt dat open handel een katalysator moet zijn voor regionale integratie, economische groei, duurzame ontwikkeling en het creëren van welvaart en werkgelegenheid; herinnert eraan dat de landen die het beste in de wereldeconomie zijn geïntegreerd, ook tot de rijkste landen behoren en dat handel ertoe heeft bijgedragen dat honderden miljoenen mensen zich aan de armoede hebben ontworsteld; ziet echter in dat niet alle ontwikkelingslanden op die wijze van handel hebben geprofiteerd en dat in het bijzonder de minst ontwikkelde landen (MOL's) nog steeds een marginale rol spelen in de wereldhandel; is in dit verband ingenomen met de nieuwe benadering van de Commissie waarbij handels- en investeringsovereenkomsten als hefboom worden gebruikt om waarden als duurzame ontwikkeling, mensenrechten, eerlijke en ethisch verantwoorde handel en corruptiebestrijding op de lange termijn te bevorderen;

2.  herinnert eraan dat alleen eerlijke en naar behoren gereguleerde handel die op de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's) is afgestemd, ontwikkelingsmogelijkheden kan bieden;

3.  is met name ingenomen met de toezeggingen van de Commissie dat geen enkele handelsovereenkomst tot minder wettelijke bescherming zal leiden, dat bij wijzigingen in de mate van de bescherming van regulering in de EU alleen sprake mag zijn van een stijgende lijn en dat het recht op regelgeving te allen tijde zal worden beschermd;

4.  verzoekt de Commissie de afdwingbaarheid van de SDG's te versterken en uitvoerige hoofdstukken inzake duurzame ontwikkeling op te nemen in alle handelsovereenkomsten;

5.  wijst erop dat in het slotdocument van de actieagenda van Addis Abeba en in de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling onlangs opnieuw het belang werd onderstreept van de mogelijkheden van het handelsbeleid om een bijdrage te leveren aan duurzame ontwikkeling; brengt in herinnering dat de SDG's verschillende handelsgerelateerde doelstellingen omvatten die diverse beleidsgebieden betreffen, en dat een van de meest concrete doelstellingen erin bestaat de export van de ontwikkelingslanden te verhogen teneinde het aandeel van de MOL's in de mondiale export tegen 2020 te verdubbelen; roept de Commissie op het potentieel voor samenwerking met ontwikkelingslanden ten volle te benutten, teneinde de markteconomieën van ontwikkelingslanden te versterken;

6.  is verheugd dat de mededeling "Handel voor iedereen" het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling onderschrijft en gericht is op een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid dat onder meer wordt gerealiseerd door initiatieven voor maatschappelijk verantwoord ondernemen en een zorgvuldigheidsbeleid in de hele productieketen te versterken en daarmee bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling en inclusieve groei in ontwikkelingslanden; is voorts ingenomen met de toezegging om een grondige analyse uit te voeren van de mogelijke effecten van nieuwe vrijhandelsovereenkomsten op de MOL's; betreurt dat de mededeling "Handel voor iedereen" geen gewag maakt van de Overeenkomst van Cotonou, die in 2020 afloopt; verzoekt de EU deel te nemen aan een breed opgezet proces van raadpleging en dialoog, onder meer met de ACS-landen, over het kader voor de periode na de Overeenkomst van Cotonou;

7.  is van mening dat mensenrechten belangrijker moeten worden geacht dan de bepalingen van handels- en investeringsovereenkomsten;

8.  erkent dat het handels- en investeringsbeleid van de EU, door initiatieven voor maatschappelijk verantwoord ondernemen en een zorgvuldigheidsbeleid in de hele productieketen te versterken, een antwoord moet bieden op de zorgen van de consument; dringt er echter bij de Commissie en de lidstaten op aan de thans bestaande niet-bindende vrijwillige aanpak achter zich te laten en in plaats daarvan te streven naar bindende zorgvuldigheidsvereisten;

9.  is ingenomen met de hernieuwde verbintenis om inclusief multilateralisme tot stand te brengen en is verheugd over de vooruitgang, met name op landbouwgebied (zoals het schrappen van handelsverstorende uitvoersubsidies voor landbouwproducten en vorderingen ten aanzien van de markttoegang voor de MOL's), die tijdens de ministeriële conferentie van de Wereldhandelsorganisatie in Nairobi is geboekt; is in dit verband ingenomen met de toezegging van de EU om over een periode van vijf jaar 400 miljoen EUR beschikbaar te stellen voor steun en technische bijstand aan ontwikkelingslanden in het algemeen en aan MOL's in het bijzonder, en hen daarmee te ondersteunen bij hun pogingen om de handelsfacilitatieovereenkomst van de WTO ten uitvoer te leggen; benadrukt hoe belangrijk het is dat de Doharonde zich tevens gaat richten op e-handel en een agenda voor digitale handel, zodat technologische vooruitgang sneller en op gelijkere voet kan worden gedeeld met de ontwikkelingslanden en naar oplossingen kan worden gezocht voor het gebrek aan infrastructuur, met name in afgelegen plattelandsgebieden;

10.  erkent dat de verschillen tussen de ontwikkelingslanden toenemen als het gaat om de mate van integratie in het multilaterale handelssysteem en de respectieve voordelen daarvan; verzoekt om specifieke regelingen, in het bijzonder voor MOL's met een marginaal aandeel in de wereldhandel; is daarom ingenomen met de herziening van het stelsel van algemene preferenties (SAP);

11.  brengt in herinnering dat "hulp voor handel" (Aid for Trade) van essentieel belang is voor handelsgerelateerde capaciteitsopbouw, technische bijstand, bedrijfsondersteuningsregelingen en regionale integratie; roept de EU en haar lidstaten op zich ertoe te verbinden de in het kader van "hulp voor handel" aan ontwikkelingslanden en met name aan MOL's verleende steun te verhogen, met als doel om bij de herziening van de "hulp voor handel"-strategie lokale kleine en middelgrote ondernemingen, de diversifiëring van de productie, technologieoverdracht, de ontwikkeling van de binnenlandse productiecapaciteit, vervoer en andere infrastructuur, empowerment van vrouwen en coöperaties te ondersteunen; merkt niettemin op dat handel op zich niet volstaat, en landen daarom alleen kan helpen ontwikkelingsbeperkingen weg te nemen als de rechtstreeks betrokken landen tegelijkertijd zelf ook behoorlijk wat werk verzetten en aanzienlijke verbeteringen doorvoeren op bestuursvlak; benadrukt in dit verband hoe belangrijk het is om de doelen van SDG 16 na te streven, en dan in het bijzonder de doelen op het gebied van goed bestuur en fiscaliteit; verzoekt de Commissie om bij de komende herziening van de "hulp voor handel"-strategie eerlijke en ethisch verantwoorde handel aan de orde te stellen, zoals aangekondigd in de mededeling "Handel voor iedereen";

12.  herinnert aan het belang van bankdiensten bij de ontwikkeling van handel en investeringen; vraagt de EU de bevordering van de toegang tot bankdiensten in ontwikkelingslanden te ondersteunen;

13.  herinnert eraan dat economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's) een belangrijk ontwikkelingsinstrument kunnen zijn voor armoedebestrijding en zowel bijdragen tot de bevordering van de mensenrechten op de lange termijn als tot de bevordering van verdere regionale economische integratie; roept de EU op de EPO's te verrijken met specifieke toezichtstructuren voor duurzame ontwikkeling en mensenrechten, en daarmee te zorgen voor gepaste en transparante betrokkenheid van vakbonden en organisaties uit het maatschappelijk middenveld; wenst dat de EU de ondertekening van de definitieve EPO's aanmoedigt; verzoekt de Commissie in de handels- en investeringsovereenkomsten van de EU krachtige en uitgebreide hoofdstukken inzake duurzame ontwikkeling op te nemen die op doeltreffende wijze ten uitvoer gelegd en gehandhaafd worden;

14.  herinnert eraan dat het investeringsbeleid van de EU, met name als het om overheidsgelden gaat, moet bijdragen tot de verwezenlijking van de SDG's; brengt in herinnering dat de transparantie en de verantwoordingsstructuur van instellingen voor ontwikkelingsfinanciering en publiek-private partnerschappen moeten worden versterkt om de geldstromen, de houdbaarheid van schulden en de toegevoegde waarde voor duurzame ontwikkeling doeltreffend te kunnen volgen en te monitoren;

15.  wenst dat de Commissie in het kader van het handelsbeleid met name de beleidscoherentie voor ontwikkeling met betrekking tot de volksgezondheid versterkt; vraagt de Commissie de ontwikkelingslanden te helpen optimaal gebruik te maken van de in de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPS-overeenkomst) ingebouwde en in de Verklaring van Doha van 14 november 2001 over de TRIPS-overeenkomst en volksgezondheid erkende flexibiliteit, opdat deze landen in het kader van hun gezondheidsprogramma's essentiële geneesmiddelen kunnen aanbieden tegen betaalbare prijzen; verzoekt de Commissie niet alleen voor volledige transparantie te zorgen met betrekking tot de inhoud van haar op lage- en middeninkomenslanden gerichte bijstandsprogramma's inzake intellectuele eigendom, maar ook te waarborgen dat de parallel daaraan geboden hulp inzake intellectuele eigendom andere ontwikkelingsprojecten op gezondheidsgebied niet ondermijnt;

16.  benadrukt dat het overeenkomstig SDG 16 van het grootste belang is om in de hele wereld goede bestuursstructuren te bevorderen teneinde iedereen te verzekeren van billijke toegang tot de rechter en op alle bestuursniveaus doeltreffende en verantwoordingsplichtige instellingen op te bouwen; onderstreept dat handelsovereenkomsten en buitenlandse directe investeringen van doorslaggevend belang kunnen zijn voor het creëren van de juiste stimulansen om de verwezenlijking van deze doelstelling te kunnen waarborgen; wijst er in dit verband op dat corruptie zowel in ontwikkelde landen als in ontwikkelingslanden een belangrijke non-tarifaire belemmering vormt; is ingenomen met het voornemen van de Commissie om ambitieuze bepalingen ter bestrijding van corruptie op te nemen in alle toekomstige handelsovereenkomsten; dringt bij de Commissie aan op de invoering van nieuwe maatregelen ter versterking van de rechtszekerheid van investeringen;

17.  benadrukt dat ontwikkelingslanden pas volledig van handels- en investeringsmogelijkheden kunnen profiteren als er blijvende ondersteuning wordt geboden aan hervormingen voor het mobiliseren van binnenlandse inkomsten in ontwikkelingslanden, teneinde hen te helpen hun inkomsten te vergroten en belastingontduiking en -ontwijking aan te pakken door in overeenstemming met de beginselen van goed bestuur doelmatige, doeltreffende, eerlijke en transparante belastingstelsels te helpen ontwikkelen;

18.  dringt er bij de EU en de lidstaten op aan de aanbevelingen van het omvattende investeringsbeleidskader voor duurzame ontwikkeling van de Conferentie van de Verenigde Naties voor handel en ontwikkeling (UNCTAD) op te volgen om verantwoorde, transparante en verantwoordbare investeringen te bevorderen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

15.3.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

14

6

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Louis Aliot, Nicolas Bay, Ignazio Corrao, Doru-Claudian Frunzulică, Nathan Gill, Maria Heubuch, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Linda McAvan, Norbert Neuser, Maurice Ponga, Cristian Dan Preda, Lola Sánchez Caldentey, Elly Schlein, Pedro Silva Pereira, Eleni Theocharous, Paavo Väyrynen, Bogdan Brunon Wenta

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Juan Fernando López Aguilar, Louis-Joseph Manscour, Paul Rübig, Jan Zahradil, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Michèle Rivasi, Estefanía Torres Martínez


ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (26.5.2016)

aan de Commissie internationale handel

inzake een nieuw op te stellen toekomstgerichte en innovatieve strategie voor handel en investeringen

(2015/2105(INI))

Rapporteur voor advies: Joachim Schuster

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is ingenomen met de algemene richting van de toekomstige handelsstrategie die door de Commissie is gepresenteerd in haar mededeling aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 14 oktober 2015 "Handel voor iedereen. Naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid"(1), en met name met de focus op een op waarden gebaseerde aanpak die gericht is op het in stand houden van het Europese sociale en regelgevingsmodel en het gebruiken van handelsovereenkomsten en preferentieprogramma's als hefbomen om overal ter wereld Europese waarden zoals duurzame ontwikkeling, mensenrechten, eerlijke en ethische handel en corruptiebestrijding te bevorderen; spoort de Commissie ertoe aan de handelsovereenkomsten van de EU met derde landen in overeenstemming met een op waarden gebaseerde aanpak uit te breiden en te vernieuwen aangezien de uitvoer van de EU goed is voor 31 miljoen banen in de EU, d.w.z. dat een op de zeven banen in de EU afhankelijk is van de uitvoer; roept de Europese Commissie op de EU een mondiale leidende rol te laten spelen bij de ontwikkeling van een nieuwe "cultuur van overeenkomsten voor eerlijke handel"; benadrukt het belang van ambitieuze, evenwichtige en uitgebreide overeenkomsten die beogen al lang bestaande, onnodige marktbelemmeringen op te heffen ten gunste van consumenten, burgers, werknemers en bedrijven;

2.  benadrukt dat in toekomstige handelsovereenkomsten rekening moet worden gehouden met de resoluties van het Parlement over het Trans-Atlantisch partnerschap voor handel en investeringen (Transatlantic Trade and Investment Partnership, TTIP) en over de Overeenkomst betreffende de handel in diensten, die voor toekomstige EU-handelsonderhandelingen blijven gelden, in het bijzonder wat de uitsluiting van diensten van algemeen belang en diensten van algemeen economisch belang (waaronder, maar niet uitsluitend, water-, gezondheids- en sociale diensten, socialezekerheidstelsels en onderwijs) en de bescherming van de rechten van werknemers betreft; herhaalt dat de kwaliteit, de beschikbaarheid, de betaalbaarheid en de toegankelijkheid van en de niet-discriminerende gelijke toegang tot deze diensten niet in het gedrang mogen komen door handelsovereenkomsten;

3.  dringt erop aan dat de Europese Commissie overgaat tot een echt democratisch debat met het Europees Parlement en meer informatie moet uitwisselen met sociale partners en het maatschappelijk middenveld om voor elke handelsovereenkomst het onderhandelingsmandaat beter te verduidelijken, af te bakenen en er de transparantie van te waarborgen; vraagt dat onderhandelingen transparant verlopen en dat het Europees Parlement, de nationale parlementen, de Europese sociale partners en het maatschappelijk middenveld betekenisvolle bijdragen kunnen leveren aan het onderhandelingsproces

4.  is van mening dat bij onderhandelingen over verdere marktliberalisering rekening moet worden gehouden met de noodzaak van EU-brede samenwerking om de arbeidsvoorwaarden in overeenstemming te houden met de relevante arbeids- en sociale wetgeving en bestaande collectieve overeenkomsten in de EU;

5.  moedigt aan om op multinationaal niveau over handelsovereenkomsten te onderhandelen in plaats van op bilateraal niveau;

6.  benadrukt de noodzaak van een doeltreffend mechanisme voor het beschermen van Europese buitenlandse investeringen; vraagt om een evaluatie en beoordeling van het bestaande kader met het oog op een efficiënte en correcte tenuitvoerlegging;

7.  dringt erop aan, in overeenstemming met het interinstitutioneel akkoord inzake betere wetgeving dat recentelijk is gesloten tussen het Europees Parlement en de lidstaten, dat de Commissie ervoor zorgt dat effectbeoordelingen in de loop van handelsonderhandelingen worden uitgevoerd om de impact van toekomstige handelsovereenkomsten op sociaal, economisch, milieu- en mensenrechtenvlak te beoordelen, waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen verschillende sectoren, regio's en landen; roept op tot de publicatie van statistische projecties om ervoor te zorgen dat elke overeenkomst op eerlijke en significante wijze bijdraagt tot het scheppen van banen; verzoekt de Commissie om de effecten van handelsovereenkomsten te monitoren, waardoor zowel een evaluatie vooraf als een evaluatie achteraf mogelijk is; verlangt dat de sociale partners en het maatschappelijk middenveld de mogelijkheid krijgen om deel te nemen aan het ontwerp en de uitvoering van duurzaamheidseffectbeoordelingen; herhaalt dat in de toekomstige handelsstrategie ook rekening moet worden gehouden met regionale productiestructuren in ontwikkelingslanden wanneer uit de duurzaamheidseffectbeoordeling blijkt dat deze mogelijk in gevaar komen als gevolg van een handelsovereenkomst;

8.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat mogelijke aanpassingskosten in de arbeidsmarkt van de EU worden tegengegaan door een tijdige interventie van de zijde van de Commissie ter ondersteuning van de betrokken sectoren, regio's of lidstaten; is van mening dat deze steun kan worden verleend met EU-middelen, zoals een aangepast Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering met een toereikend budget;

9.  is van mening dat het gebruik van het EFG, zoals voorgesteld door de Commissie, om de ongunstige effecten van internationale handelsovereenkomsten binnen de perken te houden niet bevredigend is, gezien de beperkte financiële capaciteit en het gebrek aan bevoegdheden van het fonds om de negatieve gevolgen van globalisering te voorkomen en te bestrijden;

10.  benadrukt dat het van cruciaal belang is om de voorrechten van het EFG uit te breiden en om te voorzien in een mechanisme voor het anticiperen op risico's en het aanpassen van sectorale, regionale en nationale productiestructuren wanneer uit de duurzaamheidseffectbeoordeling blijkt dat deze mogelijk in gevaar komen als gevolg van een handelsovereenkomst;

11.  vraagt de Commissie eerlijke mededingen te garanderen in geval van dienstenverleners van een derde land dat een handelspartner is, die de EU-arbeidsmarkt willen betreden door te waarborgen dat alle werknemers, ongeacht hun land van herkomst, dezelfde arbeidsrechten genieten als onderdanen van hun gastland en dat het beginsel van gelijke behandeling en niet-discriminatie wordt geëerbiedigd; merkt op dat hierbij geen afbreuk mag worden gedaan aan gunstigere bepalingen in wetgeving of overeenkomsten die van toepassing zijn in het land van waaruit de werknemers worden gedetacheerd; benadrukt dat de bepalingen betreffende de sociale en arbeidswetgeving op Europees en nationaal niveau evenals de collectieve overeenkomsten moeten worden gewaarborgd;

12.  dringt erop aan er principieel voor te zorgen dat de normen van de lidstaten en de EU op de volgende gebieden in geen geval door handelsovereenkomsten afgezwakt, ontdoken of buiten werking worden gesteld: werknemersrechten, arbeidsomstandigheden, waaronder het loon, sociale zekerheid, sociale inclusie en sociale bescherming, gezondheid en veiligheid op het werk, beroepsopleiding, beroepskwalificaties, vrij verkeer van werknemers en gepensioneerden, sociale dialoog, en non-discriminatie op het werk en op de arbeidsmarkt; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat bedrijven het recht om vakbondsactie te voeren niet ondermijnen door tijdens onderhandelingen over collectieve arbeidsovereenkomsten en arbeidsgeschillen gebruik te maken van werknemers uit derde landen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat arbeidsnormen worden uitgesloten van de concepten van non-tarifaire of technische handelsbelemmeringen; verzoekt de Commissie voor de grootst mogelijke transparantie te zorgen en waakzaam te zijn om ervoor te zorgen dat de sociale partners op evenwichtige wijze betrokken worden bij de samenwerking op regelgevingsgebied, om te waarborgen dat deze samenwerking geen afbreuk doet aan het recht van regeringen en van het Europees Parlement om wetgeving vast te stellen in het openbaar belang en niet leidt tot bevriezing van de regelgeving of de afzwakking van arbeidsnormen, met inbegrip van gezondheids- en veiligheidsnormen;

13.  wijst op de hoge niveaus van uitgaande mobiliteit van hoogopgeleide vakmensen in de EU-lidstaten; is van mening dat in handelsbeleid terughoudend moet worden omgesprongen met arbeidsmobiliteit; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de verbintenissen van Modus 4 van de GATS alleen mogen gelden voor de mobiliteit van hoogopgeleide vakmensen, zoals personen met een universitair of gelijkwaardig masterdiploma of personen die een hogere managementfunctie bekleden, met een specifiek doel, voor een beperkte periode en onder precieze voorwaarden die in de nationale wetgeving van het land waar de dienst wordt verricht en in een contract dat in overeenstemming is met deze nationale wetgeving nader zijn omschreven; onderstreept het belang van toezicht op de categorie dienstverrichters binnen Modus 4 van de GATS om misbruik en uitbuiting van werknemers uit derde landen te voorkomen; verzoekt in elk geval dat in handelsovereenkomsten clausules worden opgenomen die de wettelijke verplichting van buitenlandse dienstverrichters handhaven om aan de sociale en arbeidswetgeving van de EU en de lidstaten te voldoen;

14.  dringt erop aan dat de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken van het Europees Parlement onmiddellijk wordt ingelicht indien elementen uit handelsovereenkomsten normen uit de in paragraaf 12 vermelde gebieden in gevaar zouden brengen of schenden, teneinde hierover te kunnen beraadslagen en een besluit te nemen;

15.  is verheugd dat in de recente handelsovereenkomsten van de EU een specifiek hoofdstuk over duurzame ontwikkeling wordt opgenomen; verwacht dat de Europese Unie een leidende rol speelt bij het verwezenlijken van de doelstelling om alle partijen aan te sporen om de acht fundamentele verdragen van de IAO te ratificeren, ten uitvoer te leggen en te handhaven; dringt er bij de Commissie op aan om verdere arbeidsbepalingen, met name de agenda voor waardig werk van de IAO, die gericht is op het verbeteren van de arbeidsbescherming, te bevorderen; benadrukt dat arbeids- en milieunormen niet beperkt mogen zijn tot de hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling, maar ook moeten worden geïntegreerd in andere delen van handelsovereenkomsten, zoals die over investeringen, de handel in diensten, samenwerking op regelgevingsgebied en overheidsopdrachten; vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat bij de tenuitvoerlegging en naleving van arbeidsbepalingen een doeltreffende monitoringprocedure wordt gevolgd, waarbij de sociale partners en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld worden betrokken; is van mening dat eventuele geschillen die voortvloeien uit arbeidsbepalingen moeten worden onderworpen aan een geschillenbeslechtigingsmechanisme, dat onder meer de mogelijkheid moet omvatten om afschrikwekkende maatregelen op te leggen, met inachtneming van de toezichthoudende IAO-organen en onder verwijzing naar IAO-jurisdictie; dringt er bij de Commissie op aan dat deze overeenkomsten een herzieningsclausule moeten bevatten waardoor een mechanisme wordt ingevoerd waardoor de partijen uit de overeenkomst kunnen stappen of toezeggingen kunnen opschorten of intrekken in het bijzonder wanneer inbreuk wordt gepleegd op sociale of arbeidsnormen of op de mensen- en arbeidsrechten, alsook een sociale vrijwaringsclausule om de afbraak van het sociaal en arbeidsrecht te verhinderen;

16.  is ervan overtuigd dat er – juist met het oog op de handhaving van strenge sociale normen in de internationale handel – behoefte is aan adequate internationale en buitengerechtelijke ombudsdiensten, gebaseerd op de beginselen van transparantie en democratische controle;

17.  beveelt aan ervoor te zorgen dat de binnenlandse adviesgroepen, die de inbreuken op sociale clausules van handelsovereenkomsten en de naleving van het arbeidsrecht en van sociale normen behandelen, over voldoende financiële middelen beschikken om hun werkzaamheden effectief te kunnen verrichten en dat arbeids- en bedrijfsorganisaties en andere organisaties van het maatschappelijk middenveld evenwichtig vertegenwoordigd moeten zijn in deze adviesgroepen, dat gezamenlijke vergaderingen van de adviesgroepen van beide zijden van de handelsovereenkomst worden geïnstitutionaliseerd, dat elke binnenlandse adviesgroep over een eigen secretariaat beschikt en dat deze adviesgroepen de mogelijkheid hebben geavanceerdere media te gebruiken om de deelname van het maatschappelijk middenveld te bevorderen;

18.  onderstreept dat de doeltreffendheid van de arbeids- en sociale inspectie van de lidstaten moet stijgen en de onderlinge samenwerking van de lidstaten met het Europees platform voor de bestrijding van zwartwerk moet worden uitgebreid, en dat hun middelen moeten worden verhoogd zodat arbeidsnormen effectief in overeenstemming met de aanbevelingen van de IAO kunnen worden gecontroleerd, de toepassing van het arbeidsrecht wordt verzekerd, de wezenlijke bescherming van werknemers tijdens de uitoefening van hun beroep wordt gewaarborgd en zoveel mogelijk misbruik op dit gebied wordt voorkomen en beperkt;

19.  benadrukt dat in de mondiale productieketen maatregelen voor passende zorgvuldigheid belangrijk zijn en dat deze duurzaam en transparant moeten zijn; benadrukt dat vrijwillige maatregelen op het vlak van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) moeten worden aangemoedigd en vraagt de Commissie om indien gepast en doenbaar wetgeving voorstellen om passende zorgvuldigheid in de mondiale productieketen te verbeteren merkt echter op dat kmo's van verplichte MVO-initiatieven kunnen worden uitgesloten; is van mening dat voor maatschappelijk verantwoord ondernemen een rechtvaardig belastingbeleid nodig is, in tegenstelling tot belastingontwijkingsstrategieën;

20.  onderstreept dat aan de hand van handelsbeschermingsinstrumenten allerlei vormen van oneerlijke concurrentie kunnen worden bestreden; verzoekt de Raad en de Commissie daarom om de hervorming van handelsbeschermingsinstrumenten weer op gang te brengen, zonder deze te ondermijnen, teneinde ze sneller, doeltreffender en toegankelijker te maken voor kleine en middelgrote ondernemingen; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat bij wijzigingen in de antidumpingwetgeving van de EU het vermogen van de EU om tijdige, noodzakelijke en doeltreffende maatregelen te nemen om concurrentiebeperkende marktpraktijken van handelspartners van de EU aan te pakken en te waarborgen dat EU-bedrijven op een in mondiaal opzicht gelijk speelveld kunnen blijven opereren, moet worden gehandhaafd; merkt op dat China voorlopig niet voldoet aan de vijf technische EU-criteria voor het definiëren van een markteconomie en is derhalve gekant tegen het verlenen van de status van markteconomie aan China, aangezien concurrentiebeperkende marktpraktijken van China moeten worden aangepakt;

21.  betreurt dat slechts 13 % van de Europese kmo's internationale activiteiten buiten de EU verricht en wijst erop dat veel kmo's dat niet doen als gevolg van non-tarifaire belemmeringen; verwacht dat specifieke obstakels voor kmo's in aanmerking worden genomen in onderhandelingen over nieuwe overeenkomsten om te garanderen dat kmo's kunnen profiteren van nieuwe handelsovereenkomsten;

22.  verzoekt de Commissie om een betere coördinatie vooraf tussen de verschillende diensten van de Commissie die bevoegd zijn voor handel en voor werkgelegenheid en sociale zaken;

23.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat overheden de mogelijkheid hebben om in sociaal en milieuopzicht verantwoord inkoopbeleid vast te stellen; benadrukt dat bepalingen inzake aanbestedingen regeringen niet mogen beletten om in te spelen op de behoeften van de samenleving en het milieu, en de mogelijkheid om sociale eisen te stellen door de overeenkomst niet mag worden ingeperkt, zoals gesteld in de nieuwe EU‑richtlijnen inzake overheidsopdrachten; is voorts dan mening dat het beleid inzake overheidsopdrachten in overeenstemming moet zijn met IAO-Verdrag nr. 94 betreffende arbeidsclausules in overheidscontracten;

24.  verzoekt de Commissie om slechts zeer beperkte toezeggingen te doen met betrekking tot toekomstige bepalingen inzake digitaal of langs elektronische weg verrichte diensten teneinde de hoge arbeidsnormen en werkvoorwaarden in de Europese Unie in een steeds verder gedigitaliseerde economie niet te ondergraven.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.5.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

42

8

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laura Agea, Tiziana Beghin, Vilija Blinkevičiūtė, Enrique Calvet Chambon, Ole Christensen, Martina Dlabajová, Lampros Fountoulis, Elena Gentile, Arne Gericke, Thomas Händel, Marian Harkin, Danuta Jazłowiecka, Agnes Jongerius, Jan Keller, Kostadinka Kuneva, Jean Lambert, Jérôme Lavrilleux, Jeroen Lenaers, Javi López, Morten Løkkegaard, Thomas Mann, Dominique Martin, Anthea McIntyre, Joëlle Mélin, Georgi Pirinski, Marek Plura, Terry Reintke, Maria João Rodrigues, Claude Rolin, Anne Sander, Siôn Simon, Jutta Steinruck, Romana Tomc, Ulrike Trebesius, Marita Ulvskog, Tatjana Ždanoka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Michèle Alliot-Marie, Maria Arena, Amjad Bashir, Lynn Boylan, Rosa Estaràs Ferragut, Paloma López Bermejo, Edouard Martin, Joachim Schuster, Csaba Sógor, Helga Stevens, Ivo Vajgl, Tom Vandenkendelaere, Gabriele Zimmer

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Fernando Ruas

(1)

COM(2015)0497


ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie (7.4.2016)

aan de Commissie internationale handel

inzake een nieuw op te stellen toekomstgerichte en innovatieve strategie voor handel en investeringen

(2015/2105(INI))

Rapporteur voor advies: Theresa Griffin

SUGGESTIES

De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is ingenomen met het initiatief van de Commissie "Handel voor iedereen: Naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid"; merkt op dat 90 % van de wereldwijde economische groei in de komende 10-15 jaar van buiten de EU zal komen en dat grote opkomende economieën hierin een belangrijke rol zullen spelen; is van oordeel dat handel en investeringen in goederen en diensten van cruciaal belang zijn als motor van de economische groei in de EU door nieuwe exportmarkten voor de industrie in de EU te openen, kwalitatief hoogwaardige banen en duurzame, milieuvriendelijke groei te creëren en het concurrentievermogen van de EU te verbeteren; benadrukt daarom dat Europa een degelijke toekomstgerichte handelsstrategie moet hebben, gebaseerd op een samenhangend industrieel beleid, onderzoek en innovatie, en de digitale agenda;

2.  onderstreept dat het handels- en investeringsbeleid gericht moet zijn op het toegankelijk maken van nieuwe markten voor bedrijven uit de EU om bij te dragen aan duurzame economische groei en het creëren van kwalitatief hoogwaardige banen in fatsoenlijke arbeidsomstandigheden, en dat dit beleid zo moet worden opgesteld dat het in overeenstemming is met een strategie voor herindustrialisatie die is gebaseerd op billijke mededinging en wederkerigheid, en dat het zorgt voor gelijke concurrentievoorwaarden voor de bedrijven in de EU;

3.  stelt vast dat diensten voor internationale handel belangrijker worden en dat de sterkere onderlinge verwevenheid tussen diensten, productie en buitenlandse directe investeringen als mondiale waardeketens almaar aan belang wint; is van mening dat in alle handelsonderhandelingen met deze interconnectiviteit rekening moet worden gehouden zodat de Europese industrie de voordelen ervan ten volle kan benutten;

4.  onderstreept het belang van kmo's en start-ups voor handel en investeringen, naast hun strategisch industrieel belang, aangezien er in de EU meer dan 600 000 kmo's zijn die handel drijven buiten de EU en een derde van de uitvoer van de EU voor hun rekening nemen, meer dan 6 miljoen mensen tewerkstellen en het merendeel van de banen in de EU creëren; benadrukt het belang van overgangsperioden om bedrijfstakken en kmo's in staat te stellen zich aan de gevolgen van nieuwe handelsovereenkomsten aan te passen; vraagt dat in toekomstige handelsovereenkomsten systematisch aparte hoofdstukken aan kmo's worden gewijd; roept de Commissie op om gebruiksvriendelijke informatie over handelsmogelijkheden voor kmo's te verstrekken en hun ondersteuning te bieden om van deze mogelijkheden gebruik te maken, onder andere via Europese structuurfondsen;

5.  herinnert eraan dat het handelsbeleid een instrument is om duurzame ontwikkeling te bevorderen, onder andere via het bevorderen van hoge werk-, milieu-, sociale en arbeidsnormen, zoals verankerd in de IAO-verdragen, die in alle handelsovereenkomsten zouden moeten worden opgenomen en waarvan de adequate toepassing nauwlettend in de gaten moet worden gehouden; is verheugd over de oproep van de Commissie om een ambitieus en innovatief hoofdstuk over duurzame ontwikkeling in alle handels- en investeringsovereenkomsten te steunen;

6.  benadrukt dat het belangrijk is de strenge normen op het gebied van gezondheids- en veiligheidswetten en de milieunormen in de Europese industrie- en productiesector te handhaven; doet een beroep op de Commissie te garanderen dat de handelsovereenkomsten deze normen consolideren en internationaal voor iedereen dezelfde mededingingsvoorwaarden helpen creëren;

7.  spoort de Commissie ertoe aan actie te ondernemen om de naleving van de Europese normen in het geval van handel met derde landen te waarborgen.

8.  beklemtoont de leidende rol die de EU bij klimaatactie speelt, en vindt het van cruciaal belang dat de EU op dit gebied ambitieus blijft; benadrukt daarom dat het belangrijk is in handelsovereenkomsten waarborgen ter voorkoming van koolstoflekkage op te nemen, omdat een verschuiving van efficiënte EU-processen naar minder duurzame systemen tot een stijging van de totale wereldwijde uitstoot kan leiden, waardoor het moeilijker zou worden de doelstellingen van de COP21 te halen;

9.  onderstreept dat moet worden voorkomen dat de handelspartners van de EU concurrentieverstorende praktijken hanteren, met inbegrip van sociale en milieudumping, met name het dumpen van goedkope producten in Europa, en protectionistische en discriminerende maatregelen nemen die een risico vormen voor de EU‑normen en de Europese industrie destabiliseren, en onderstreept dat de EU alle nodige maatregelen moet nemen om zich tegen oneerlijke handelspraktijken te beschermen; is in dit verband bezorgd over de mogelijke toekenning van de status van markteconomie aan China en verzoekt de Commissie een gedetailleerde en globale effectbeoordeling te verrichten van de mogelijke scenario's in het kader van de markteconomiestatus voor China en daarbij bijzondere aandacht te besteden aan de gevolgen ervan voor de be- en verwerkende industrie in de EU, de consumenten, de investeringen en het concurrentievermogen van de EU, mede ten aanzien van kmo's; dringt er bij de Commissie op aan de uitwerking van doeltreffende en geactualiseerde wetgevingsinstrumenten in haar werkprogramma op te nemen zodat de EU deze praktijken kan voorkomen, die ons industrieel herstel en ons vermogen om te investeren, te innoveren en te concurreren sterk aantasten;

10.  dringt er, gezien de snel verslechterende toestand in cruciale bedrijfstakken, zoals de staal- en de keramische sector, bij de Commissie en de Raad op aan prioritair en met spoed de laatste hand te leggen aan de in 2013 gestarte hervorming van de handelsbeschermende instrumenten van de EU om sneller en beter te kunnen reageren en oneerlijke concurrentie aan te pakken; onderstreept dat Parlement zijn standpunt over deze hervorming op 5 februari 2014 (2013/0103(COD)) heeft ingenomen waarin met name werd gevraagd de duur van antidumpingonderzoeken te verkorten in volledige overeenstemming met de WTO-regels;

11.  herinnert eraan dat, als aan China de status van markteconomie wordt toegekend, het in de huidige omstandigheden moeilijker wordt antidumpingprocedures tegen producten uit China te starten;

12.  roept de Commissie op om bij de uitwerking van haar handels- en investeringsbeleid de verplaatsing van Europese productie-installaties naar landen buiten de EU te vermijden om banen in de EU-lidstaten te houden;

13.  is van mening dat de Commissie bij onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten moet garanderen dat verstorende praktijken, zoals dubbele prijsstelling en uitvoerbeperkingen voor grondstoffen, verboden worden;

14.  wijst erop dat er voor de hele basismetaalindustrie, die van strategisch belang is voor onze economie, wereldwijde concurrentie bestaat; is van mening dat de Europese Commissie bij het bepalen van de relevante markt dringend de wereldmarkt als referentiemarkt moet nemen en haar onderzoeken niet mag beperken tot de interne markt;

15.  wijst erop dat in het Investeringsplan voor Europa van de Commissie de vereiste is vastgelegd de investeringen in de EU te stimuleren, en is van oordeel dat handelsstrategieën een essentieel middel zijn om deze doelstelling te verwezenlijken;

16.  is van mening dat een toekomstgericht handels- en investeringsbeleid een belangrijke rol kan spelen bij de ontwikkeling van de telecommarkt, het auteursrecht en de digitale economie in Europa, en duidelijke voordelen biedt aan de consumenten en bedrijven in de EU, met inbegrip van kmo's; onderstreept dat een digitale eengemaakte markt van vitaal belang is om het concurrentievermogen en de economische groei van de EU te bevorderen; onderstreept dat gelijke concurrentievoorwaarden moeten worden gewaarborgd voor wat betreft markttoegang op basis van wederkerigheid en dat actoren van buiten de EU aan de Europese branche- en consumentennormen moeten voldoen; roept de Commissie op om bestaande handelsbelemmeringen in de digitale economie, grensoverschrijdende gegevensstromen, gegevensopslag en consumentenbescherming in toekomstige handels- en investeringsovereenkomsten aan te pakken, zodat de digitale economie zich kan blijven aanpassen en kan blijven groeien ten bate van de consumenten; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de Europese wetgeving inzake gegevensbescherming onverlet wordt gelaten door huidige en toekomstige handelsovereenkomsten;

17.  verzoekt de Commissie te garanderen dat het recht om bestaande intellectuele-eigendomswetten af te dwingen, in toekomstige handelsovereenkomsten blijft bestaan, vooral op het gebied van technologieoverdracht;

18.  doet een beroep op de Commissie om Europese onderzoeksinstellingen te stimuleren actiever met potentiële partners van buiten de EU in contact te treden ten einde investeringen in onderzoek en innovatie te optimaliseren en braindrain te voorkomen; verzoekt de Commissie regionale samenwerking in onderzoek te ondersteunen;

19.  beklemtoont de noodzaak de wereldwijde inspanningen om schone-energietechnologieën te ontwikkelen op te drijven in de overgang naar een koolstofarme economie en spoort de Commissie daarom aan de samenwerking met handelspartners op het gebied van energieonderzoek, -ontwikkeling en -innovatie te bevorderen;

20.  verzoekt de Commissie de diversificatie van leveranciers, aanvoerwegen en bronnen van energie te bevorderen door nieuwe energiehandelspartners te identificeren en een beroep te doen op regionale samenwerking, waardoor de concurrentie wordt vergroot en lagere prijzen voor de Europese energieconsumenten worden verkregen; beklemtoont dat de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen en het stimuleren van de energie-efficiëntie essentieel zijn om de energiezekerheid te verhogen en de invoerafhankelijkheid te verlagen; onderstreept dat het belangrijk is in vrijhandelsovereenkomsten bepalingen op te nemen die erop gericht zijn partnerschappen voor duurzame energie op te bouwen en technologische samenwerking te bevorderen, vooral op het gebied van hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie; beveelt aan dat nieuwe handelsovereenkomsten een hoofdstuk over energie en grondstoffen bevatten;

21.  is verheugd over de mededeling van de Commissie betreffende een EU-strategie voor vloeibaar aardgas en gasopslag; is van mening dat de recente ontwikkelingen op de mondiale aardgasmarkt een enorme kans bieden voor Europa om de continuïteit van de energievoorziening te verbeteren en een meer concurrerende markt te creëren; roept op tot een snelle voltooiing van de projecten van gemeenschappelijk belang (PGB) om ervoor te zorgen dat de juiste infrastructuur voorhanden is om deze toename van handelsmogelijkheden op de gasmarkt te benutten;

22.  onderstreept dat het belangrijk is te komen tot een "dynamische" overeenkomst inzake milieugoederen (groene goederen) waarover momenteel wordt onderhandeld, waartoe later meer WTO-partners kunnen toetreden en die in de toekomst ook op groene diensten betrekking kan hebben zodat ze de Europese groene-technologiesector ten goede komt, helpt om de in 2015 op de Klimaattop in Parijs afgesproken klimaat- en energiedoelstellingen te halen, de continuïteit van de energievoorziening in de EU versterkt en de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen verkleint;

23.  verzoekt de Commissie om de gendergelijkheid en de gelijkheid van personen van zwarte en Aziatische afkomst of afkomstig uit etnische minderheden bij de ontwikkeling van het handels- en investeringsbeleid te bevorderen;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

7.4.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

48

6

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Bendt Bendtsen, Xabier Benito Ziluaga, José Blanco López, David Borrelli, Reinhard Bütikofer, Jerzy Buzek, Edward Czesak, Philippe De Backer, Fredrick Federley, Theresa Griffin, Roger Helmer, Hans-Olaf Henkel, Kaja Kallas, Krišjānis Kariņš, Seán Kelly, Jeppe Kofod, Janusz Lewandowski, Paloma López Bermejo, Ernest Maragall, Edouard Martin, Nadine Morano, Angelika Niebler, Morten Helveg Petersen, Miroslav Poche, Carolina Punset, Herbert Reul, Paul Rübig, Algirdas Saudargas, Jean-Luc Schaffhauser, Neoklis Sylikiotis, Antonio Tajani, Dario Tamburrano, Patrizia Toia, Vladimir Urutchev, Kathleen Van Brempt, Martina Werner, Anna Záborská, Flavio Zanonato, Carlos Zorrinho

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Amjad Bashir, Michał Boni, Eugen Freund, Françoise Grossetête, Benedek Jávor, Jude Kirton-Darling, Werner Langen, Svetoslav Hristov Malinov, Marian-Jean Marinescu, Marisa Matias, Sorin Moisă, Clare Moody, Dominique Riquet, Massimiliano Salini, Maria Spyraki, Anneleen Van Bossuyt

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Momchil Nekov, Jana Žitňanská


ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (2.5.2016)

aan de Commissie internationale handel

inzake een nieuw op te stellen toekomstgerichte en innovatieve strategie voor handel en investeringen

(2015/2105(INI))

Rapporteur voor advies: Dita Charanzová

SUGGESTIES

De Commissie interne markt en consumentenbescherming verzoekt de ten principale bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  verwelkomt de mededeling van de Commissie getiteld "Handel voor iedereen – Naar een meer verantwoordelijk handels- en investeringsbeleid" (COM(2015)0497);

2.  beklemtoont de band tussen de interne markt en het handelsbeleid van de EU, die volledig op elkaar en met het algemene beleid en de waarden van de Unie moeten aansluiten; is van oordeel dat een open, verantwoorde en vrije wereldhandel, op basis van doeltreffende, transparante en sterke mondiale regels, essentieel is om de interne markt in staat te stellen zijn volledige potentieel te ontwikkelen door te functioneren, te groeien en te werken in het belang van de burgers, de consumenten en de bedrijven, in het bijzonder de kleine en middelgrote ondernemingen;

3.  onderstreept dat, gezien de status van de EU als grootste economie in de wereld, een duurzame en verantwoorde handel ons krachtigste instrument is voor zowel het ondersteunen van Europese belangen, investeringen en handelszaken, en het bevorderen van de Europese waarden in het buitenland, als het aanzwengelen van economische groei en investeringen én het creëren van banen in de Unie; steunt het doel van de Commissie om synergie-effecten tussen het handels- en het internemarktbeleid tot stand te brengen, en beveelt aan hierbij vooral in te zetten op maatregelen die helpen bij het scheppen van nieuwe banen;

4.  brengt in herinnering dat liberalisering van de handel leidt tot hogere productiviteit, bijdraagt aan een betere externe concurrentiepositie en nu reeds goed is voor bijna één op de zeven banen in de interne markt, alsook voor aannzienlijke voordelen voor de consument;

5.  acht protectionistische maatregelen in de huidige economische en handelscontext achterhaald en in een aantal gevallen zelfs contraproductief, aangezien Europese goederen en diensten onderdeel van de mondiale waardeketens uitmaken; is dan ook van oordeel dat het huidige systeem van handelsbescherming in de EU moet worden aangepast om een geschikt antwoord te hebben op oneerlijk gedrag dat de internationale handel in een geglobaliseerde wereld beïnvloedt; roept de Commissie en de lidstaten op om de grensoverschrijdende waardeketens van goederen en diensten te versterken door het concurrentievermogen van onze economieën en economische groei te vergroten door ongerechtvaardigde handelsbarrières te verlagen;

6.  benadrukt dat het van belang is dat de EU en haar handelspartners zich aan dezelfde regels houden; herinnert eraan dat de EU alle instrumenten waarover zij beschikt moet gebruiken om krachtig stelling te nemen tegen oneerlijke concurrentie en niet-naleving van zowel de beginselen van de WTO als de afspraken die zijn gemaakt door haar handelspartners;

7.  is van mening dat de deelname van Europese kmo's aan mondiale waardeketens direct gekoppeld is aan het proces van internationalisering; verzoekt in die zin dat de Commissie meer maatregelen neemt om de toegang tot markten van derde landen voor de kmo's te vergemakkelijken;

8.  is verheugd over de kanttekeningen die de strategie heeft gezet bij de rol die buitenlandse directe investeringen spelen in de lidstaten en de interne markt, en ondersteunt alle inspanningen die meer BDI's in Europa stimuleren;

9.  erkent dat overheidsopdrachten goed zijn voor 15-20 % van het mondiale bbp en is het met de Commissie eens dat voor overheidsopdrachten voor een alomvattende en ambitieuze benadering moet worden gekozen, vooral binnen de TTIP, waar momenteel slechts 32 % van de Amerikaanse markt is opengesteld voor EU-bedrijven; merkt op dat de EU haar markten voor overheidsopdrachten reeds in grote mate heeft opengesteld, maar dat Europese ondernemingen in het buitenland nog steeds worden geconfronteerd met beperkingen en het wederkerigheidsbeginsel nog lang niet altijd wordt toegepast; vraagt de Commissie vanaf nu hoogste prioriteit toe te kennen aan het substantieel verbeteren van de wederkerige en transparante markttoegang voor Europese bedrijven in het buitenland, en het open karakter van de interne markt te handhaven; neemt kennis van het nieuwe voorstel van de Commissie voor een instrument voor internationale overheidsopdrachten;

10.  vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat de nieuwe aanbestedings- en concessierichtlijnen tijdens alle handelsonderhandelingen in acht worden genomen, met name wat betreft de definitie van samenwerking tussen overheidsdiensten, uitsluitingen, toegang voor kmo's en het gebruik van de MEAT-criteria; wenst een snellere overgang naar elektronische aanbestedingen om de toegang van bedrijven, kmo's in het bijzonder, tot overheidsopdrachten te vergemakkelijken;

11.  is van mening dat het strookt met correcte juridische en logische beginselen dat klagers in onderzoeken hun beweringen moeten staven en bewijzen dat de maatregelen in kwestie in het belang zijn van de bredere Gemeenschap;

12.  is ingenomen met de toezegging van de Commissie dat geen enkele handelsovereenkomst tot een verlaging van de Europese standaarden inzake consumentenbescherming zal leiden, ook binnen de context van de digitale revolutie; beklemtoont dat het Parlement er streng op zal blijven letten dat deze toezegging in de onderhandelingen in acht wordt genomen;

13.  verzoekt om hulpmiddelen ter ondersteuning van de consument bij grensoverschrijdende goederen en diensten in derde landen, bijvoorbeeld door onlinecontactpunten die informatie ter beschikking stellen of kunnen helpen bij geschillen;

14.  deelt de zienswijze van de Commissie dat het handelsbeleid alleen succesvol kan zijn indien Europa zich blijft richten op het slechten van de obstakels voor de voltooiing van de interne markt, het aanpakken van de fragmentatie van de regelgeving, het reduceren van bureaucratie en het vergroten van de concurrentie op de interne markt, met name in de dienstensector; vraagt de Commissie rekening te houden met de aanbevelingen van het Parlement over de manier waarop non-tarifaire belemmeringen binnen de interne markt uit de weg moeten worden geruimd om zowel binnen als buiten de grenzen van de Unie vrije handel te waarborgen; juicht de toezegging van de Commissie toe om alle belangrijke handelsinitiatieven aan volledige effectbeoordelingen te onderwerpen, en spreekt zich daarnaast uit voor evaluaties achteraf; spreekt zich uit voor betere wederzijdse transparantie en verbetering van de regelgevingsprocessen binnen handelsakkoorden, met inachtneming van het nationale recht op het vaststellen van regelgeving;

15.  neemt nota van de onderhandelingen over een overeenkomst betreffende de handel in diensten (TiSA) en onderstreept dat dienstverleners betere toegang tot markten buiten Europa moet worden geboden, aangezien diensten reeds 70 % van het bbp en de werkgelegenheid van de EU vertegenwoordigen; vindt dat de vooruitgang in de onderhandelingen over TiSA moet stroken met de standpunten in de resolutie van het Parlement; herinnert eraan dat de Commissie rekening moet houden met de belangen van de verschillende lidstaten bij het onderhandelen over verplichtingsschema's in TiSA en TTIP; verwelkomt tegelijkertijd de afspraak om niet van regeringen te eisen dat ze de manier waarop ze publieke diensten reguleren of financieren, wijzigen;

16.  neemt kennis van de TTIP-onderhandelingen en beklemtoont dat het politiek gezien van cruciaal belang is dat zij met succes worden bekroond; vraagt de Commissie rekening te houden met het verslag van het Parlement en, met name, het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming; dringt erop aan de onderhandelingen zo snel mogelijk af te ronden, zonder evenwel het doel van een ambitieus, alomvattend en evenwichtig akkoord uit het oog te verliezen; vraagt de Commissie meer druk uit te oefenen op hun Amerikaanse tegenhangers om voorstellen te doen en afspraken te maken ten behoeve van de voortgang van de onderhandelingen;

17.  erkent dat transparantie in het handelsbeleid van belang is voor het vertrouwen van consumenten in betere regelgeving en in de legitimiteit van het EU-handelsbeleid buiten de Unie; verzoekt de Commissie derhalve om bij de handelsonderhandelingen een zo hoog mogelijk transparantieniveau te handhaven, inclusief middels toegang tot de onderhandelingsteksten en raadpleging van het maatschappelijk middenveld gedurende het gehele proces;

18.  verzoekt om meer internationale samenwerking op het gebied van regelgeving, vooral met de Verenigde Staten en Japan;

19.  vindt het goed dat de interne digitale markt als onderdeel van de mondiale digitale markt en het voorkomen van nieuwe obstakels voor de handel in digitale goederen en diensten centraal staan; steunt, mits de gegevensbeschermingsregels in acht worden genomen, alle maatregelen gericht op het vergroten van het vrije verkeer van gegevens en alle inspanningen gericht op een betere facilitering van onlinehandel op multilateraal niveau en parallel aan de WTO; onderstreept het belang van eerbiediging van de Europese gegevensbeschermingsregels; is het volledig eens met de bewering dat samenwerking op regelgevingsgebied en wederzijdse erkenning en harmonisatie van standaarden de beste instrumenten zijn voor de aanpak van de uitdagingen van de digitale economie;

20.  vestigt de aandacht op het hoge niveau van extern concurrentievermogen van Europese dienstverleners; roept de Commissie ertoe op bij handelsoverleg zowel de progressieve als wederzijdse liberalisering van diensten te volgen alsook een transparanter beleid waarmee regels en regelgevingen beter te voorspellen zijn, zodat burgers en ondernemers van ontwikkelingslanden toegang kunnen krijgen tot een brede waaier aan diensten, waarvan sommige door Europese dienstverleners met een zeer sterke concurrentiepositie kunnen worden verleend;

21.  roept ertoe op om – in het kader van of parallel aan de handelsovereenkomsten – te onderhandelen over meer mobiliteit voor beroepsuitoefenaren, werknemers en studenten, alsook over de erkenning van beroepskwalificaties; vraagt de Commissie erop toe te zien dat de maatregelen in kwestie in overeenstemming zijn met de beginselen zoals bedoeld in de dienstenrichtlijn, in het bijzonder met artikel 16 daarvan; verzoekt de Commissie om het Parlement op de hoogte te houden van de huidige stand van de tenuitvoerlegging van de blauwekaartrichtlijn, en mee te delen of zij goed functioneert;

22.  juicht het toe dat gewerkt wordt aan de ontwikkeling en het gebruik van meer internationale technische standaarden op basis van effectbeoordelingen, en dat ernaar gestreefd wordt onze handelspartners volledig te laten participeren in internationale standaardiseringsorganen; gelooft echter niet dat een gebrek aan een algemene internationale standaard, indien van toepassing, een sta-in-de-weg is voor wederzijdse erkenning van gelijkwaardigheid of voor inspanningen gericht op een gemeenschappelijke trans-Atlantische technische normen;

23.  benadrukt de behoefte aan een gedigitaliseerd douanecontrolesysteem, naast verbeterde samenwerking tussen de nationale douane- en markttoezichtautoriteiten, teneinde de goederenstromen te versnellen en vervalsingen in de mondiale toeleveringsketens aan te pakken, in combinatie met waarborgen betreffende de kwaliteit van de controles en de consumentenbescherming ten aanzien van geïmporteerde goederen en diensten; steunt het initiatief van de Commissie voor het verbeteren van de internationale douanesamenwerking, en moedigt de Commissie en de lidstaten aan samen te werken om te voorkomen dat goederen die inbreuk maken op IER de EU binnenkomen en om te zorgen voor IER-handhaving door alle handelspartners;

24.  benadrukt hoe belangrijk het is innovatie en kwaliteit als een toegevoegde waarde van Europese producten te bevorderen; is van oordeel dat de erkenning van geografische aanduidingen in handelsakkoorden een prioriteit zou moeten zijn;

25.  verwelkomt de acties van de Commissie om corruptie via internationale handel te bestrijden;

26.  verzoekt de Commissie en de lidstaten serieus na te denken over het idee om een eenvormige EU-douanedienst in het leven te roepen, teneinde de douaneregels en -procedures in het hele EU-douanegebied op doeltreffender wijze te kunnen toepassen;

27.  beklemtoont dat de nieuwe handelsstrategie van de EU niet mag worden beperkt tot de opening van nieuwe onderhandelingen, maar dat ze zich ook moet inzetten voor de waarborging van de correcte tenuitvoerlegging van onderhandelde overeenkomsten en voor de bestrijding van opkomende nieuwe ongerechtvaardigde non-tarifaire belemmeringen binnen de EU en haar handelspartners, die de doeltreffende toegang van bedrijven tot buitenlandse markten aan banden leggen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

21.4.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

30

5

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Dita Charanzová, Carlos Coelho, Sergio Gaetano Cofferati, Lara Comi, Anna Maria Corazza Bildt, Daniel Dalton, Nicola Danti, Dennis de Jong, Vicky Ford, Ildikó Gáll-Pelcz, Evelyne Gebhardt, Antanas Guoga, Sergio Gutiérrez Prieto, Robert Jarosław Iwaszkiewicz, Liisa Jaakonsaari, Philippe Juvin, Antonio López-Istúriz White, Marlene Mizzi, Robert Rochefort, Virginie Rozière, Christel Schaldemose, Andreas Schwab, Olga Sehnalová, Igor Šoltes, Ivan Štefanec, Mylène Troszczynski, Anneleen Van Bossuyt, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Lucy Anderson, Edward Czesak, Julia Reda, Dariusz Rosati, Lambert van Nistelrooij, Sabine Verheyen, Kerstin Westphal


ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (7.6.2016)

aan de Commissie internationale handel

inzake een nieuw op te stellen toekomstgerichte en innovatieve strategie voor handel en investeringen

(2015/2105(INI))

Rapporteur voor advies: Esther Herranz García

SUGGESTIES

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is van mening dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid sinds de inwerkingtreding ervan in 1962 een pijler van het EU-beleid is; herinnert eraan dat de EU sinds de invoering van het GLB aandringt op "communautaire preferentie", waarbij de voorkeur wordt gegeven aan producten van oorsprong uit de lidstaten;

2.  wijst erop dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de EU ingaat tegen de belangrijkste vormen van landbouwbeleid in de wereld, waarbij de steun voor landbouwers rechtstreeks verband houdt met de prijzen of productievolumes en een contracyclische aard heeft; is van mening dat het in dit verband belangrijk is te onderhandelen over vrijhandelsakkoorden op landbouwgebied waardoor de Europese landbouw- en plattelandssector niet wordt gedestabiliseerd;

3.  onderstreept dat de handel in landbouwproducten en de agrovoedingssector cruciaal zijn voor het bevorderen van economische groei en het creëren van werkgelegenheid, in het bijzonder in plattelandsgebieden; benadrukt dat investeringen in de sector en het bevorderen van de positie van de EU als belangrijke speler op de wereldmarkt essentieel zijn voor de toekomst van de landbouw in de Unie;

4.  is zich bewust van het feit dat landbouwers in de EU in de toekomst het hoofd zullen moeten bieden aan belangrijke uitdagingen op handelsgebied, en is van mening dat het bestaan van een stabiel gemeenschappelijk Europees kader ter ondersteuning van landbouwers in de EU via het GLB daarom een essentiële voorwaarde is om investeringen te stimuleren en bij te dragen tot groei in de agrovoedingssector;

5.  juicht toe dat in de mededeling "Handel voor iedereen" van de Commissie wordt verwezen naar de agrovoedingssector als een sector waarvoor de exportkansen cruciaal zijn, die actief moet worden bevorderd via een nieuwe gemeenschappelijke handels- en investeringsstrategie;

6.  benadrukt hoe belangrijk het is te zorgen voor meer coherentie tussen de voorgestelde maatregelen in het kader van de nieuwe handelsstrategie van de Unie en de maatregelen die worden genomen binnen het GLB, teneinde een toereikend inkomen voor landbouwers te garanderen en een Europees productiemodel te handhaven waarin het milieu, het dierenwelzijn, de voedselveiligheid en het territoriaal evenwicht worden geëerbiedigd; wijst er nogmaals op dat de economische en sociale levensvatbaarheid van het Europees landbouwmodel moet worden gewaarborgd, zoals het Parlement reeds heeft benadrukt in zijn resolutie van 8 juli 2015 over het TTIP;

7.  betreurt dat in de mededeling "Handel voor iedereen" de multifunctionele aard en specifieke gevoeligheden van de landbouwsector niet uitdrukkelijk worden erkend als kernelement waarmee rekening moet worden gehouden bij de ontwikkeling van het handelsbeleid van de EU;

8.  acht het openen van nieuwe markten voor landbouwproducten uit de EU, zoals zuivelproducten, vlees en levende dieren en groenten en fruit, belangrijk in de huidige context van landbouwcrises; benadrukt dat er nieuwe afzetmarkten met een grote koopkracht in kaart moeten worden gebracht;

9.  moedigt ertoe aan om uitsluitend te onderhandelen over en goedkeuring te hechten aan evenwichtige bilaterale of multilaterale akkoorden met derde landen die waarschijnlijk een adequate bescherming van gevoelige sectoren en van alle Europese landbouwproducenten kunnen waarborgen; is een groot voorstander van de uitsluiting van sectoren die ernstig nadeel zouden kunnen ondervinden;

10.  is van mening dat de traceerbaarheid van landbouwproducten en doeltreffende oorsprongsregels moeten worden verdedigd in de VHO-onderhandelingen, waarbij wordt vermeden dat die regels worden ondermijnd door andere akkoorden tussen de VHO-partners van de EU en andere derde landen; verzoekt de Commissie in dit verband gevoelige landbouwproducten uit te sluiten van alle vormen van cumulatie van oorsprongsregels; herinnert de Commissie eraan dat het doel van de VHO-onderhandelingen het vergemakkelijken van de handel in echte EU-producten en producten van de VHO-partners van de EU is;

11.  acht het noodzakelijk rekening te houden met de specifieke beperkingen van kleine landbouwers en kwetsbare gebieden; is van mening dat de EU haar sterke handelsmerk van hoogwaardige productie moet handhaven; is voorstander van uitvoerig overleg met belanghebbenden in de Europese agrovoedingssector alvorens eventuele nieuwe onderhandelingen over vrijhandel te openen;

12.  is van mening dat de EU-markt dankzij de VHO die binnenkort met Canada wordt gesloten en de overeenkomsten met de VS en Mercosur waarover momenteel wordt onderhandeld of die met Australië en Nieuw-Zeeland zijn gepland, zal worden geopend voor landbouwproducenten met het grootste concurrentievermogen ter wereld en voor degenen met het grootste exportvermogen; verzoekt de Commissie derhalve om gevoelige landbouwproducten op adequate wijze te beschermen;

13.  herinnert eraan dat de VS nog steeds de grootste afzetmarkt van de EU voor landbouwproducten is; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de TTIP-onderhandelingen leiden tot een ambitieuze, veelomvattende en evenwichtige handels- en investeringsovereenkomst van hoge kwaliteit die duurzame en inclusieve groei van de landbouwsector van de EU bevordert, alsmede intensiever handelsverkeer;

14.  acht het noodzakelijk de meerwaarde van landbouw te versterken en promotiecampagnes te bevorderen met het oog op het openen van nieuwe markten; benadrukt bovenal dat het onontbeerlijk is met name de steun ter bevordering van de Europese kwaliteitsregelingen te versterken, aangezien de EU daarmee de beste reputatie op de wereldmarkt heeft opgebouwd, hetgeen indirect ten goede komt aan de gehele Europese landbouw;

15.  acht het echter van groot belang om met name wat betreft de consumptie van groenten en fruit de binnenlandse vraag te stimuleren, aangezien in 24 van de 28 lidstaten minder wordt geconsumeerd dan de door de Wereldgezondheidsorganisatie aanbevolen dagelijkse hoeveelheid van 400 gram;

16.  is ingenomen met het feit dat de Commissie de stagnerende voortgang van de Doha-ontwikkelingsagenda (DDA) realistisch heeft ingeschat; is van mening dat multilaterale onderhandelingen weliswaar onmisbaar zijn, maar dat de DDA duidelijk niet heeft voldaan aan de verwachtingen van de Europese agrovoedingssector, ondanks de unilaterale concessies die de EU bijvoorbeeld heeft gedaan tijdens de tiende ministeriële conferentie in Nairobi; verzoekt de EU derhalve een nieuwe en effectievere strategie te ontwikkelen voor multilaterale onderhandelingen in het kader van de WTO;

17.  onderstreept hoe belangrijk de associatieovereenkomsten/diepe en brede vrijhandelsovereenkomsten met Georgië, Moldavië en Oekraïne zijn voor de landbouwsector van de EU, en verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat deze overeenkomsten spoedig en volledig ten uitvoer worden gelegd;

18.  is van mening dat erkend moet worden dat de commissaris voor landbouw bij het voeren van handelsbesprekingen die rechtstreeks raken aan Europese landbouwbelangen een leidende rol speelt voor wat alle landbouwaspecten betreft; is van mening dat er, met het oog op het beginsel van collegialiteit in de Commissie, nooit een besluit over het sluiten van handelsakkoorden mag worden genomen wanneer de bevoegde commissaris oordeelt dat dit besluit indruist tegen de fundamentele belangen van de EU-landbouw;

19.  benadrukt dat de landbouw een uiterst strategische politieke kwestie vormt, dat de voedselzekerheid en de levensstijl van alle Europeanen afhankelijk zijn van landbouw, en dat de handelsstrategie van de EU afgestemd moet zijn op de doelstellingen van het GLB, zoals uiteengezet in artikel 39 VWEU; verwerpt daarom alle onderhandelingen waarbij de door de Europese agrovoedingssector geleverde investeringsinspanningen kunnen worden gedwarsboomd of de Europese landbouw als louter wisselgeld wordt geofferd; verzoekt de Commissie landbouwbelangen niet langer op te offeren ten gunste van belangen van de industrie- en dienstensector;

20.  betreurt voorts situaties waarin landbouwers de consequenties ondervinden van politieke conflicten waarvan de oorsprong niet in de landbouw ligt;

21.  wijst op de dreiging die uitgaat van het cumulatieve effect van tariefconcessies, of deze nu het resultaat zijn van multilaterale of bilaterale onderhandelingen of van autonome stelsels zoals het SAP; herinnert eraan dat voor 71 % van de in de EU ingevoerde landbouwproducten en levensmiddelen al een nultarief geldt;

22.  is van mening dat handelsakkoorden vrijwaringsclausules moeten bevatten met betrekking tot bepaalde bepalingen die kunnen worden geactiveerd door vereenvoudigde en flexibele mechanismen;

23.  verzoekt de Commissie behoedzaam te werk te gaan bij de voorbereiding of herziening van markttoegangsaanbiedingen in handelsbesprekingen, en een strategie ter bescherming van gevoelige sectoren vast te stellen; dringt erop aan dat dergelijke aanbiedingen stelselmatig gebaseerd zijn op een grondige onafhankelijke beoordeling van de gevolgen voor de EU-landbouwsector van de nieuwe handelsconcessies aan derde landen;

24.  herinnert eraan dat de Commissie een afzonderlijke effectbeoordeling moet voorleggen van elk nieuw voorstel voor een handelsakkoord, met inbegrip van analyses van de gevolgen voor lokale en regionale markten; ziet daarom uit naar de resultaten van de effectbeoordeling inzake het cumulatieve effect van de diverse contingenten voor gevoelige producten die reeds aan onze partners zijn toegekend, waarover nog wordt onderhandeld of die op de planning staan, zoals toegezegd door de Commissie tijdens de bijeenkomst van de Landbouwraad van 11 april 2016;

25.  spoort de Commissie aan haar bevindingen tijdig aan het Parlement toe te zenden en het standpunt van het Parlement af te wachten alvorens een commercieel aanbod te aanvaarden of voor te stellen, en commerciële aanbiedingen waarover reeds wordt onderhandeld of die worden voorbereid te wijzigen of in te trekken indien een effectbeoordeling ervan negatieve gevolgen uitwijst voor gevoelige sectoren; verzoekt de Commissie een balans op te maken van de opening van de EU voor de wereldmarkt voor landbouwproducten;

26.  benadrukt dat de agrovoedingssector van de EU een efficiënte sector in de economie van de Unie is die zich onderscheidt door kwaliteit, diversiteit en innovatie in de productie, en die een belangrijke bijdrage levert aan de voedselveiligheid;

27.  is van mening dat bijzondere aandacht moet uitgaan naar de bescherming van kleine en middelgrote landbouwbedrijven, zowel tijdens de onderhandelingen over de akkoorden als bij de analyse van de effectbeoordelingen ervan;

28.  is van mening dat de Commissie het Parlement duidelijke en betrouwbare douanegegevens moet verstrekken betreffende producten die de Unie binnenkomen, en dat toezicht op deze producten moet worden gehouden;

29.  benadrukt dat de hoge Europese normen op het gebied van milieu, voedselveiligheid, dierenwelzijn en sociale omstandigheden, die onze maatschappelijke waarden weerspiegelen en door de Europese consument worden geëist, de landbouwers in de EU in economisch opzicht benadelen ten opzichte van landbouwers uit derde landen vanwege hun productiemodellen, de omvang van hun productiestructuren en hun meestal minder hoge normen; is van mening dat handelsakkoorden bevorderlijk zouden moeten zijn voor een gelijk speelveld tussen de verschillende handelspartners, zodat de landbouwers in de EU optimaal kunnen profiteren van de tariefconcessies zonder daarbij te worden blootgesteld aan oneerlijke concurrentie;

30.  benadrukt dat de EU-normen op het gebied van voedselveiligheid en milieu moeten worden beschermd door toepassing van wederkerigheidsmechanismen en handhaving van fundamentele waarden zoals het voorzorgsbeginsel, duurzame landbouw en een hoge mate van traceerbaarheid en productetikettering; wijst erop dat de normen inzake dierenwelzijn internationaal sterk uiteenlopen, en veroordeelt het gebruik van de kleinste gemene deler bij handelsakkoorden;

31.  benadrukt de behoefte aan strengere invoercontroles en versterkte controles door het Voedsel- en Veterinair Bureau met betrekking tot de productie- en afzetomstandigheden in landen die naar de EU uitvoeren, teneinde ervoor te zorgen dat de EU-voorschriften worden nageleefd;

32.  wijst op de gebrekkige bescherming van het dierenwelzijn in veel ontwikkelde handelspartnerlanden van de EU, zoals in het geval van de VS, die niet beschikken over federale wetgeving ter bescherming van landbouwhuisdieren voordat de slacht plaatsvindt; verzoekt de Commissie bij alle lopende en toekomstige bilaterale en multilaterale onderhandelingen over handelsakkoorden het dierenwelzijn aan de orde te stellen als punt van zorg bij de handel, waarbij alle ingevoerde dierlijke producten uit ontwikkelde landen moeten voldoen aan de EU-wetgeving inzake dierenwelzijn, en ingevoerde producten uit ontwikkelingslanden aan equivalente normen moeten voldoen;

33.  benadrukt dat er bij de handelsbesprekingen tussen de EU en derde landen bijzondere aandacht moet worden besteed aan het gebruik van bestrijdingsmiddelen, met name aan de verschillende benaderingen van het gebruik ervan, aangezien de normen voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de EU aanzienlijk strenger zijn dan in derde landen;

34.  benadrukt dat moet worden gewaarborgd dat in onderhandelingen over akkoorden met derde landen niet wordt voorzien in bepalingen op grond waarvan waarborgen die momenteel in de EU aan consumenten van de landbouw- en voedingssector worden geboden, kunnen worden beperkt of afgezwakt, in het bijzonder wat betreft het gebruik van producten die zijn afgeleid van ggo's of voortkomen uit klonen;

35.  verlangt dat landbouwproducten in de EU alleen worden toegelaten wanneer de ingevoerde producten voldoen aan de Europese normen voor consumentenbescherming, dierenwelzijn en milieubescherming, en aan minimale sociale normen;

36.  verzoekt de Commissie in geen geval toe te staan dat er landbouwproducten worden ingevoerd onder de werkelijke kosten van het produceren en het op de markt brengen voor verkoop aan het publiek ervan, teneinde elke vorm van sociale, economische en milieudumping te voorkomen;

37.  hamert erop dat consumenten accurate informatie moeten krijgen over de eigenschappen van de verhandelde producten;

38.  dringt erop aan dat de Commissie, aangezien beschermde geografische aanduidingen een van de grootste concurrentievoordelen van de Europese landbouw zijn en er voor producten uit derde landen ook een verzoek om bescherming uit hoofde van de EU-regeling voor geografische aanduidingen kan worden ingediend, in dit verband een krachtig standpunt inneemt in alle lopende onderhandelingen, met inbegrip van de TTIP-onderhandelingen; is voorts van mening dat akkoorden waarin de geografische aanduidingen niet worden beschermd niet mogen worden ondertekend;

39.  betreurt dat op grond van kort geleden afgeronde of lopende onderhandelingen, slechts een korte lijst van geografische aanduidingen van de EU door onze handelspartners wordt beschermd; verzoekt de Commissie daarom voorschriften op te stellen om een hoog niveau van bescherming te waarborgen voor alle geografische aanduidingen van de EU op de markten van derde landen waarmee onderhandelingen worden gevoerd, evenals geschikte uitvoeringsmaatregelen;

40.  merkt op dat de bescherming en erkenning van geografische aanduidingen in derde landen van groot belang kan zijn voor de gehele landbouw- en voedingssector van de EU, en is van oordeel dat alle handelsakkoorden moeten voorzien in beschermingsmaatregelen en maatregelen ter bestrijding van namaak;

41.  betreurt in dit verband dat in het kader van het handelsakkoord met Canada een aantal belangrijke aanduidingen die op Europees niveau worden beschermd als soortnamen of semi-soortnamen zijn behandeld; spoort de Commissie er in dit verband toe aan bij handelsbesprekingen die landen te ondersteunen die nog geen regelingen hebben ingevoerd voor de bescherming van geografische aanduidingen, opdat deze doeltreffende stelsels kunnen invoeren die verenigbaar zijn met de bestaande EU-bepalingen;

42.  benadrukt dat er vooruitgang moet worden geboekt met betrekking tot sanitaire, fytosanitaire en andere niet-tarifaire obstakels voor de handel in landbouwproducten bij alle onderhandelingen over vrijhandel, met name wat de door de EU getrokken rode lijnen betreft die van invloed kunnen zijn op de gezondheid van de consument;

43.  benadrukt dat handelsbesprekingen onder geen beding mogen worden gebruikt om EU-wetgeving te wijzigen;

44.  benadrukt dat in het kader van de TTIP- en andere lopende onderhandelingen over regelgevingskwesties die thans worden gevoerd, bredere internationale samenwerking op het gebied van regelgeving bij landbouwvraagstukken moet worden geïntensiveerd, hetgeen tevens een positieve uitwerking op derde landen kan hebben, in het bijzonder op ontwikkelingslanden;

45.  benadrukt dat de EU innovatie moet aanmoedigen om de productiviteit te verbeteren, teneinde het hoofd te bieden aan de groei van de wereldbevolking, door steun te bieden aan initiatieven die onder meer de strijd tegen de klimaatverandering aangaan en een betere aanpassing van landbouwers aan milieuproblemen in het algemeen nastreven.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

6.6.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

36

2

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Clara Eugenia Aguilera García, Eric Andrieu, Paul Brannen, Daniel Buda, Nicola Caputo, Matt Carthy, Viorica Dăncilă, Albert Deß, Diane Dodds, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Edouard Ferrand, Luke Ming Flanagan, Beata Gosiewska, Martin Häusling, Anja Hazekamp, Esther Herranz García, Jan Huitema, Peter Jahr, Jarosław Kalinowski, Elisabeth Köstinger, Zbigniew Kuźmiuk, Philippe Loiseau, Giulia Moi, Ulrike Müller, James Nicholson, Maria Noichl, Marijana Petir, Laurenţiu Rebega, Jordi Sebastià, Jasenko Selimovic, Maria Lidia Senra Rodríguez, Czesław Adam Siekierski, Marc Tarabella, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Jean Arthuis, Bas Belder, Franc Bogovič, Angélique Delahaye, Jean-Paul Denanot, Michela Giuffrida, Manolis Kefalogiannis, Norbert Lins, Stanislav Polčák, Annie Schreijer-Pierik, Tibor Szanyi, Hannu Takkula

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Stanisław Ożóg


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.6.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

30

2

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laima Liucija Andrikienė, Tiziana Beghin, Daniel Caspary, Santiago Fisas Ayxelà, Christofer Fjellner, Eleonora Forenza, Yannick Jadot, Ska Keller, Alexander Graf Lambsdorff, Bernd Lange, David Martin, Emmanuel Maurel, Emma McClarkin, Anne-Marie Mineur, Alessia Maria Mosca, Franck Proust, Tokia Saïfi, Marietje Schaake, Helmut Scholz, Adam Szejnfeld, Iuliu Winkler, Jan Zahradil

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Goffredo Maria Bettini, Agnes Jongerius, Sander Loones, Bolesław G. Piecha, Fernando Ruas, Jarosław Wałęsa

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Georges Bach, Eider Gardiazabal Rubial, Jan Keller, Dominique Martin, Giulia Moi, Jozo Radoš, Dario Tamburrano, Hermann Winkler

Juridische mededeling