Procedure : 2015/2353(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0224/2016

Ingediende teksten :

A8-0224/2016

Debatten :

PV 05/07/2016 - 9
CRE 05/07/2016 - 9

Stemmingen :

PV 06/07/2016 - 6.9
CRE 06/07/2016 - 6.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0309

VERSLAG     
PDF 673kWORD 346k
30.6.2016
PE 580.444v02-00 A8-0224/2016

over de voorbereiding van de post-electorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel

(2015/2353(INI))

Begrotingscommissie

Corapporteurs: Jan Olbrycht, Isabelle Thomas

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken
 ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking
 ADVIES van de Commissie internationale handel
 ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
 ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
 ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie
 ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme
 ADVIES van de Commissie regionale ontwikkeling
 ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling
 ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs
 ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken
 ADVIES van de Commissie constitutionele zaken
 ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de voorbereiding van de post-electorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel

(2015/2353(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 311, 312 en 323 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(1), en met name artikel 2,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2015/623 van 21 april 2015 tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2),

–  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5),

–  gezien zijn resolutie van 15 april 2014 getiteld "Onderhandelingen over het MFK 2014-2020: welke lessen kunnen worden getrokken en hoe moet het verder?"(6),

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2013 over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de instellingen die de nationale regeringen vertegenwoordigen(7),

–  gezien zijn resoluties van 19 november 2013 over het MFK 2014-2020(8) en over het Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(9),

–  gezien zijn resolutie van 3 juli 2013 over het politiek akkoord over het MFK 2014-2020(10),

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2013 over het meerjarig financieel kader(11),

–  gezien zijn resolutie van 23 oktober 2012 over het bereiken van een positief resultaat van de goedkeuringsprocedure van het meerjarig financieel kader 2014-2020(12),

–  gezien zijn resolutie van 8 juni 2011 getiteld "Investeren in de toekomst: een nieuw meerjarig financieel kader (MFK) voor een concurrerend, duurzaam en integratiegericht Europa"(13),

–  gezien de interinstitutionele gezamenlijke verklaring over gendermainstreaming die bij het MFK is gevoegd,

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 15 juni 2016 over de tussentijdse toetsing van het meerjarig financieel kader,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie internationale handel, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie constitutionele zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid(A7-0224/2016),

A.  overwegende dat het huidige meerjarig financieel kader (MFK) voor het eerst is vastgesteld onder de nieuwe bepalingen van het Verdrag van Lissabon, waarin staat dat de Raad volgens een bijzondere wetgevingsprocedure de MFK-verordening met eenparigheid van stemmen vaststelt, na goedkeuring door het Europees Parlement;

B.  overwegende dat het huidige MFK, waarover in 2013 overeenstemming werd bereikt, de prioriteiten ten tijde van de vaststelling ervan weerspiegelt; overwegende dat de EU ook in de komende jaren voor uitdagingen zal komen te staan die niet waren voorzien toen het MFK werd goedgekeurd; overwegende dat de financieringsprioriteiten van de EU zijn verveelvoudigd, terwijl het MFK onveranderd is gebleven;

C.  overwegende dat het Parlement, teneinde de democratische legitimiteit van het nieuwe MFK te waarborgen en de nieuwe Commissie en het nieuwgekozen Parlement in de gelegenheid te stellen de politieke en begrotingsprioriteiten van de EU te beoordelen en te bekrachtigen, op een postelectorale herzieningsclausule had aangedrongen;

D.  overwegende dat het akkoord over het MFK 2014-2020 het resultaat was van een lang en zwaar onderhandelingsproces, dat plaatsvond in een zeer moeilijke sociale, economische en financiële context; overwegende dat het MFK uiteindelijk over de hele linie werd verlaagd in vergelijking met de voorgaande programmeringsperiode;

E.  overwegende dat het Parlement, nadat het politiek gezien onhaalbaar was gebleken om de door de Europese Raad overeengekomen totale MFK-bedragen te veranderen, in de onderhandelingen wel met succes heeft aangedrongen op de opname in de MFK-verordening van een specifiek artikel betreffende een verplichte en alomvattende toetsing/herziening van het MFK, de vaststelling van nieuwe en aangescherpte flexibiliteitsbepalingen, en de oprichting van een Groep op hoog niveau voor eigen middelen;

Wettelijk kader en toepassingsgebied van de tussentijdse toetsing/herziening

1.  herinnert eraan dat - in overeenstemming met artikel 2 van de MFK-verordening - de Commissie het MFK vóór eind 2016 aan een toetsing moet onderwerpen en daarbij rekening moet houden met de economische situatie op dat moment, alsook met de meest recente macro-economische vooruitzichten, en dat ze deze toetsing in voorkomend geval vergezeld moet doen gaan van een wetgevingsvoorstel voor de herziening van de MFK-verordening;

2.  is in dit verband van oordeel dat, terwijl het woord "toetsing" aangeeft dat het een beoordeling van het MFK en de toepassing ervan betreft in het licht van nieuwe economische omstandigheden en andere nieuwe ontwikkelingen, waarbij de wetgevingsstatus wordt gehandhaafd, de term "herziening" een wijziging van de MFK-verordening impliceert, inclusief (afgezien van de wetgevingsbepalingen) de MFK-plafonds, met inachtneming van artikel 312 VWEU en de beperkingen van het toepassingsgebied van de MFK-herziening zoals bedoeld in de laatste zin van artikel 2 van de MFK-verordening; herinnert eraan dat in dit artikel staat dat bij een herziening de eerder aan de lidstaten toegewezen bedragen niet worden verlaagd; benadrukt dat er geen andere beperkingen voor de herziening van het MFK zijn vastgesteld en dat een verhoging van de MFK-plafonds dus mogelijk is; beklemtoont in dit verband dat in artikel 323VWEU staat dat erop wordt toegezien dat de Unie beschikt over de financiële middelen waarmee zij haar juridische verplichtingen jegens derden kan voldoen;

3.  herinnert eraan dat in artikel 311 VWEU staat dat de Unie zich van de middelen voorziet die nodig zijn om haar doelstellingen te verwezenlijken en haar beleid ten uitvoer te leggen; is derhalve van oordeel dat indien bij de toetsing wordt geconcludeerd dat de huidige plafonds te laag zijn het een op het primair recht stoelende vereiste is om de plafonds te verhogen;

4.  benadrukt dat artikel 17 van de MFK-verordening voorziet in de mogelijkheid het MFK in het geval van onvoorziene omstandigheden te herzien; wijst op de enorme omvang van de crises die de Unie hebben getroffen sinds de vaststelling van het huidige MFK in 2013;

5.  beklemtoont dat dit verslag alleen tot doel heeft de begrotingsaspecten van de toepassing van het MFK te analyseren en dat de rechtsgrondslagen voor de sectorale wetgeving derhalve niet aan bod komen; wijst er overigens op dat veel EU-maatregelen en -programma's aan een toetsing c.q. herziening moeten worden onderworpen, in veel gevallen in 2017;

I. Toetsing van het MFK – de eerste jaren

6.  is van oordeel dat bij een toetsing van het MFK in 2016 rekening moet worden gehouden met een aantal ernstige crises en nieuwe politieke initiatieven, én hun respectieve begrotingsgevolgen, die niet konden worden voorzien op het moment dat het MFK werd vastgesteld; refereert hier onder andere aan de migratie- en vluchtelingencrisis, externe noodsituaties, interne veiligheidskwesties, de crisis in de landbouwsector, de financiering van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), de betalingscrisis in de EU-begroting, aanhoudende hoge werkloosheid, met name onder jongeren, alsook de armoede en sociale uitsluiting; wijst daarnaast op de recente internationale overeenkomst inzake klimaatverandering en de toenemende druk op het ontwikkelingsbeleid; merkt op dat voor het financieren van de bijkomende, urgente behoeften op niet eerder geziene wijze gebruik moest worden gemaakt van de flexibiliteitsmechanismen en de speciale instrumenten van het MFK, aangezien de MFK-plafonds in een aantal rubrieken te laag bleken te zijn; is van oordeel dat het MFK de afgelopen twee jaar de grenzen van het haalbare heeft bereikt;

7.  beklemtoont dat de EU-begroting bij de politieke en strategische prioriteiten van de Unie moet aansluiten en evenwicht moet waarborgen tussen prioriteiten op de lange termijn en nieuwe uitdagingen; benadrukt in dit verband de belangrijke rol die de EU-begroting moet spelen bij het verwezenlijken van de gezamenlijk overeengekomen EU 2020-strategie, die de voornaamste beleidsoriëntatie en de belangrijkste prioriteit vormt; is derhalve van mening dat de toetsing van het MFK ook een kwalitatieve analyse moet bevatten van de vraag of en in welke mate de in deze strategie opgenomen doelstellingen zijn verwezenlijkt; benadrukt dat deze evaluatie gekoppeld is aan een raming met betrekking tot de vraag of de financiële middelen die voor de resterende jaren van het huidige MFK zijn uitgetrokken ter ondersteuning van deze strategie voldoende zullen zijn voor de succesvolle tenuitvoerlegging ervan;

A. Belangrijke gebeurtenissen en uitdagingen

Migratie- en vluchtelingencrisis

8.  beklemtoont dat de conflicten in Syrië, het Midden-Oosten en verschillende regio's in Afrika ongekende humanitaire en migratiegevolgen hebben gehad; herinnert eraan dat de EU rechtstreeks met de gevolgen ervan te maken heeft gekregen, met meer dan één miljoen vluchtelingen die alleen al in 2015 naar Europa zijn gekomen en naar verwachting meer vluchtelingen in de komende jaren; herinnert eraan dat de EU in reactie op deze crisis een belangrijke financiële inspanning heeft geleverd en dat dit een grote impact op de begroting van de Unie heeft gehad, met name op de rubrieken 3 (veiligheid en burgerschap) en 4 (mondiaal Europa);

9.  herinnert eraan dat de aanvullende maatregelen in het kader van de Europese Agenda voor migratie in 2015 een direct begrotingsgevolg hebben gehad, zoals tot uitdrukking is gekomen in gewijzigde begrotingen 5/2015 en 7/2015; herinnert er verder aan dat het gebruik van een extra bedrag van 1 506 miljoen EUR in de begroting voor 2016 – via de mobilisering van het flexibiliteitsinstrument – was goedgekeurd om over bijkomende middelen te beschikken voor migratie- c.q. vluchtelingengerelateerde maatregelen onder rubriek 3 (veiligheid en burgerschap), zoals het aanvullen van het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) en het Fonds voor interne veiligheid (ISF), alsook over middelen voor de drie migratiegerelateerde agentschappen, te weten Frontex, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) en Europol;

10.  stelt vast deze begrotingsbeslissingen de kleine marge onder deze rubriek volledig hebben opgesoupeerd en tot een de facto herziening van de plafonds onder rubriek 3 hebben geleid; vestigt daarnaast de aandacht op de nieuwe voorstellen van de Commissie en hun verwachte impact op de EU-begroting, in concreto het voorstel voor een herschikking van de "Dublin III"-verordening, met een totaal begrotingseffect van 1 829 miljoen EUR voor de resterende MFK-periode, het voorstel voor de oprichting van het Europees Agentschap voor grens- en kustbewaking, met een totaalbudget van 1 212 miljoen EUR voor de resterende MFK-periode, en het nieuwe noodhulpmechanisme, waarvoor in de periode 2016-2018 naar verwachting ten minste 700 miljoen EUR nodig zal zijn; beklemtoont dat de situatie zo nijpend is dat de aanvullende kredieten die in november 2015 voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) waren goedgekeurd in maart 2016 moesten worden verlaagd om over middelen voor nog urgentere doeleinden te kunnen beschikken, te weten de terbeschikkingstelling van humanitaire hulp in de EU via het hierboven genoemde noodhulpmechanisme;

11.  is van mening dat de oplossing van de Europese migratie- en vluchtelingencrisis een Europese benadering vereist die is gebaseerd op solidariteit en lastendeling; benadrukt in dit verband dat lidstaten vanuit de EU-begroting moeten worden ondersteund om de financiële lasten die gepaard gaan met de opvang van vluchtelingen te verlichten, aangezien op deze manier de druk op de begrotingen van de lidstaten die met een zeer hoge instroom van vluchtelingen kampen, wordt verminderd; onderstreept dat deze benadering synergieën tot stand zal brengen en bovendien efficiënt en kosteneffectief is voor alle lidstaten;

12.  beklemtoont dat significante, maar toch nog onvoldoende begrotingsmiddelen zijn ingezet voor het aanpakken van de oorzaken van de vluchtelingen- en migrantencrisis middels versterking van de specifieke EU-programma's onder rubriek 4; herinnert aan de genomen maatregelen, zoals de hertoewijzing van 170 miljoen EUR aan migratie- en vluchtelingengerelateerde acties in de loop van 2015, alsook aan de goedkeuring van een aanvullend bedrag van 130 miljoen EUR onder rubriek 4 voor migratie- c.q. vluchtelingengerelateerde activiteiten in 2016, en aan de herverdeling van 430 miljoen EUR onder het Instrument voor pretoetredingssteun, het Instrument voor ontwikkelingssamenwerking en het Europees Nabuurschapsinstrument; herinnert er verder aan dat de Commissie voor het aanpakken van de externe dimensie van de migratie- en vluchtelingencrisis diverse aanvullende voorstellen heeft gedaan met gevolgen voor de EU-begroting, zoals het voorstel voor de oprichting van EU-trustfondsen (het Madad-fonds en het noodtrustfonds voor Afrika met een geschatte begrotingsimpact van in eerste instantie 570 miljoen EUR, respectievelijk 405 miljoen EUR), en het voorstel voor de vluchtelingenfaciliteit voor Turkije, waarvoor het de bedoeling is 1 miljard EUR met middelen van de EU-begroting te financieren, met mogelijkerwijs behoefte aan nog meer financiële middelen in de toekomst; beklemtoont dat de druk op de EU-begroting door andere geplande acties van de Commissie, zoals de "London pledge", of door besluiten van de top EU-Turkije op 18 maart 2016, nog verder zou kunnen toenemen; beklemtoont dat nieuwe aanvullende begrotingsmiddelen gebruikt zouden kunnen worden voor hulp aan de meest kwetsbare migranten, in het bijzonder vrouwen, kinderen en leden van de LGBTI-gemeenschap; vindt het evenwel zorgwekkend dat de omvang van de problemen waar de EU mee wordt geconfronteerd, betekent dat het optreden nog meer moet worden uitgebreid;

13.  concludeert dat de omvang van de migranten- en vluchtelingencrisis en de financiële impact van de door de Commissie genomen maatregelen om deze kwestie aan te pakken op het moment van de vaststelling van het MFK 2014-2020 niet hadden kunnen worden voorzien; onderstreept dat het gebrek aan voldoende financiële middelen de EU heeft gedwongen ad-hocinstrumenten te ontwikkelen, die gezamenlijk gefinancierd werden door de lidstaten, de EU-begroting en het Europees Ontwikkelingsfonds, zoals de EU-trustfondsen (het Madad-fonds en het EU-noodtrustfonds voor Afrika) en de vluchtelingenfaciliteit voor Turkije; herinnert eraan dat het ontbreken van een algemene begrotingsstrategie voor het aanpakken van de migranten- en vluchtelingencrisis ertoe heeft geleid dat het Parlement wat betreft besluiten over het gebruik van de middelen van de EU-begroting op een zijspoor terecht is gekomen; geeft aan dat de toename van de instrumenten in kwestie problemen ten aanzien van controleerbaarheid en democratisch toezicht in de EU creëert, en dat deze moeten worden opgelost; betreurt verder het feit dat de lidstaten de door hen toegezegde gelden nog altijd niet aan de trustfondsen hebben overgemaakt en daarmee het succes van die fondsen in gevaar brengen; roept de lidstaten nogmaals op zich aan hun beloften en verantwoordelijkheden te houden;

Laag investeringsniveau

14.  wijst erop dat de EU sinds het begin van de mondiale financieel-economische crisis te kampen heeft met lage en ondermaatse investeringsniveaus; wijst er in het bijzonder op dat de totale investeringen in 2014 15 % onder het niveau van 2007 lagen, hetgeen neerkomt op een daling van de investeringen met 430 miljard EUR; geeft aan dat achterblijvende investeringsniveaus het economisch herstel bemoeilijken en grote gevolgen hebben voor groei, banen en het concurrentievermogen;

15.  beklemtoont dat de nieuwe Commissie in reactie op dit nijpende probleem in 2014 voorstellen heeft gedaan voor een investeringsplan voor Europa en voor de oprichting van het EFSI, ter mobilisering van 315 miljard EUR voor nieuwe investeringen in de reële economie; verklaart opnieuw veel waarde te hechten aan het EFSI, waarvan een krachtige en gerichte impuls wordt verwacht aan economische sectoren die groei en werkgelegenheid bevorderen; neemt er nota van dat een aantal projecten reeds goedgekeurd is en zich in de implementatiefase bevindt; wijst erop dat de garantie van de Unie voor het EFSI gedekt wordt door een met middelen van de EU-begroting gefinancierd garantiefonds ten belope van 8 miljard EUR;

16.  brengt in herinnering dat deze aanvullende financiering alleen ter beschikking kon worden gesteld door een uiteindelijke verlaging van twee belangrijke EU-programma's, Horizon 2020 en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF), met 2,2 miljard EUR, respectievelijk 2,8 miljard EUR, en dat de overige 3 miljard EUR afkomstig is van niet-toegewezen MFK-marges; vindt het belangrijk erop te wijzen dat het Parlement zich er in de EFSI-onderhandelingen voor heeft ingezet de mogelijke negatieve gevolgen voor deze twee programma's, waarvan de financiële middelen, die nog maar in 2013 werden vastgesteld, tijdens de onderhandelingen over het MFK 2014-2020 in vergelijking met het voorstel van de Commissie significant werden verlaagd, zoveel mogelijk te beperken;

17.  vindt het betreurenswaardig dat rationaliseringen van de begroting dikwijls als eerste hun weerslag hebben op het gedeelte van de EU-begroting dat voor onderzoek en innovatie is bestemd; wijst erop O&O-programma's Europese meerwaarde opleveren, en onderstreept de belangrijke rol van deze programma's voor het ondersteunen van het concurrentievermogen en, in het verlengde daarvan, het waarborgen van toekomstige groei en welvaart op de lange termijn in de Unie;

18.  wijst er in dit verband op dat in overeenstemming met artikel 15 van de MFK-verordening in 2014-2015 een "frontloading"-operatie heeft plaatsgevonden van financiële middelen voor Horizon 2020 (200 miljoen EUR voor de Europese Onderzoeksraad en Marie Curie-acties) en voor COSME (50 miljoen EUR), ter compensatie van de verlaging van de kredieten in 2013 en 2014; wijst erop dat deze "frontloading"-operatie niet tot een wijziging van het totaalpakket aan financiële middelen voor deze programma's heeft geleid, maar wel tot minder kredieten gedurende de tweede helft van het MFK; beklemtoont overigens dat de naar voren gehaalde financiële middelen voor Horizon 2020 en COSME volledig zijn geabsorbeerd, waarmee is aangetoond dat deze programma's goed functioneren en in staat zijn nog meer middelen te absorberen;

19.  vindt het verder uitermate zorgwekkend dat het succespercentage van Horizon 2020 gedaald is naar 13%, terwijl zijn voorloper (FP7) in de vorige programmeringsperiode nog een succespercentage kende van 20-22%; betreurt het dat derhalve minder kwalitatief hoogwaardige onderzoeks- en innovatieprojecten EU-financiering ontvangen; neemt er ook kennis van dat een groot aantal aanvragen betreffende de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen wordt afgewezen vanwege een tekort aan middelen;

Jeugdwerkloosheid

20.  wijst erop dat de jeugdwerkloosheid onverminderd extreem hoog blijft en daarmee op dit moment een van de meest urgente en nijpende problemen voor de EU is; onderstreept dat in februari 2016 in de Unie 4,4 miljoen personen jonger dan 25 jaar werkloos waren en dat dit in verschillende lidstaten neerkomt op meer dan 40 %, met uitschieters van meer dan 60 % in bepaalde regio's en gebieden van de EU; beklemtoont dat de arbeidsparticipatie in de EU ver achterblijft bij de doelstelling voor 2020; wijst erop dat daardoor te veel jongeren het risico lopen op sociale uitsluiting en benadrukt dat er meer specifieke maatregelen moeten worden genomen met betrekking tot jongeren die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen (NEET's); wijst erop dat het grote aantal hoogopgeleide en goedgetrainde arbeidskrachten een grote invloed heeft op het concurrentievermogen, de innovatiecapaciteit en de productiviteit van Europa, en beklemtoont in dit verband de noodzaak van investeringen in onderwijs, opleiding, jeugd en cultuur; erkent daarnaast het belang van de EU-jongerenstrategie 2010-2018;

21.  beklemtoont dat de EU veel begrotingsmiddelen ter beschikking stelt voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid, in het bijzonder via het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI); wijst erop dat de Commissie heeft aangegeven dat, met het oog op de financieringsstromen van het programma, de aanwijzing van uitvoerende instanties een belangrijke uitdaging is geweest; benadrukt daarnaast dat ondanks de aanvankelijke vertragingen bij de bedoelde aanwijzingen en de tenuitvoerlegging van het YEI de actuele cijfers aangegeven dat de volledige absorptiecapaciteit is bereikt (onder meer door middel van een aanzienlijke verhoging van het voorfinancieringspercentage van dit programma); neemt er kennis van dat de Commissie de beoordeling van dit initiatief binnenkort zal afronden en verwacht dat de nodige aanpassingen zullen worden doorgevoerd om een geslaagde tenuitvoerlegging te garanderen; denkt dat het voorgestelde programma ter ondersteuning van structurele hervormingen mogelijkerwijs een waardevolle bijdrage kan leveren aan het in deze context verbeteren van de administratieve capaciteit in de lidstaten; beklemtoont dat het belangrijk is dat door wordt gegaan met de permanente beoordeling van de prestatie van het YEI door de betrokken partijen, met inbegrip van jongerenorganisaties;

22.  maakt zich in het bijzonder zorgen over het gebrek aan nieuwe vastleggingskredieten voor het YEI voor de periode die in 2016 begint, gezien het feit dat het totale bedrag dat voor dit initiatief was gereserveerd reeds in 2014-2015 naar voren is gehaald ("frontloading") (artikel 15 van de MFK-verordening); vindt het belangrijk aan te geven dat de steun van het Parlement voor de "frontloading"-operatie niet betekende dat het ermee instemde dat het programma na slechts twee jaren van financiering zou worden beëindigd en dat andere MFK-mechanismen, zoals de overkoepelende marge voor vastleggingen (GMC), zouden worden gebruikt om de continuering ervan te waarborgen; herinnert er echter aan dat de GMC reeds ter beschikking is gesteld, uitsluitend voor de financiering van het EFSI; neemt ook kennis van de "frontloading"-operatie – op basis van hetzelfde artikel – voor Erasmus+ (150 miljoen EUR), een van de andere EU-programma's die in belangrijke mate aan de inzetbaarheid van jongeren op de arbeidsmarkt bijdragen en dat in de eerste twee jaar van deze periode is geïmplementeerd; herinnert eraan dat een efficiënte jongerengarantie op het niveau van de Europese Unie volgens de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) op jaarbasis voor de landen van de eurozone 21 miljard EUR zou kosten;

Interne veiligheid

23.  refereert aan de recente terroristische aanslagen in Frankrijk en België en aan de toegenomen dreiging in andere lidstaten, die beter gecoördineerde en versterkte maatregelen en middelen op het niveau van de EU noodzakelijk maken; beklemtoont dat de Unie over het Fonds voor interne veiligheid beschikt als een geëigend instrument en ook meerdere agentschappen heeft die op dit gebied actief zijn en steeds meer onder druk komen te staan; is van oordeel dat Europa op dit vlak meer moet doen en derhalve meer geld moet krijgen om adequaat op deze dreiging te kunnen reageren; onderstreept dat voor meer samenwerking op dit gebied uitbreiding van het personeelsbestand van de betrokken agentschappen noodzakelijk is waardoor de EU-begroting verder onder druk kan komen te staan, en herinnert aan de beperkte uitbreiding van het personeelsbestand van het Europees Centrum voor terrorismebestrijding van Europol, gefinancierd door middel van een herschikking van de middelen van het Fonds voor interne veiligheid;

24.  benadrukt dat, gezien de huidige maatregelen en wetsvoorstellen die gericht zijn op intensivering van de justitiële samenwerking, de financiële en personele middelen van Eurojust gaandeweg zullen moeten worden uitgebreid, hetgeen gevolgen zal hebben voor de EU-begroting;

Crisis in de landbouwsector

25.  wijst erop dat er met de krappe maxima voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) tot 2020 veel kleinere marges overblijven dan in het vorige MFK, terwijl de sector met meer uitdagingen kampt; herinnert eraan dat dit beleid cruciaal is voor de inkomenssituatie van vele landbouwers, vooral in tijden van crisis, en wijst op het hoge jaarlijkse absorptiepercentage van bijna 100%; herinnert eraan dat de Europese boeren sinds het begin van het huidige MFK een aantal crises hebben meegemaakt, met name de crisis in de zuivel-, varkens-, runder-, en groente- en fruitsector, en de negatieve langetermijneffecten van de verliezen ten gevolge van het Russische embargo op de invoer van landbouwproducten; wijst op de afschaffing van de suikerquota in 2017 en de mogelijke uitwerking ervan op de suikersector waarbij tevens terdege de aandacht wordt gevestigd op de speciale behoeften van de ultraperifere regio's; wijst op de begrotingsimpact van de noodmaatregelen die in reactie op deze crises zijn genomen, ten belope van 500 miljoen EUR op de begroting voor 2016 en 300 miljoen EUR voor de begroting voor 2015, en die vanuit de marges van rubriek 2 zijn gefinancierd; onderstreept dat een vermindering op dit gebied de territoriale samenhang van de EU in gevaar zou brengen, met name wat de plattelandsgebieden betreft; is bovendien tegen iedere ontwikkeling in de richting van hernationalisatie van het landbouwbeleid, hetgeen de markt zou verstoren en oneerlijke concurrentie tussen boeren in de hand zou werken;

Milieu-uitdagingen

26.  is bezorgd dat de doelstelling om minstens 20% van de EU-begroting (in het kader van het huidige MFK) aan klimaatmaatregelen te besteden, niet is bereikt, en dat volgens de mainstreamingmethode van de Commissie slechts circa 12,7 % van de jaarlijkse EU-begroting hieraan wordt besteed; wijst op het feit dat er een grote behoefte is aan financiering voor klimaatmaatregelen, de bescherming van de biodiversiteit en het duurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen, die nog zal toenemen door de gevolgen van de aanhoudende aardopwarming; neemt nota van de klimaatovereenkomst van de COP 21 die tijdens de recente Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties in 2015 in Parijs is bereikt;

Economische, sociale en territoriale samenhang

27.  wijst andermaal op het feit dat het cohesiebeleid het voornaamste investeringsbeleid van de Unie is dat erop is gericht de economische, sociale en territoriale ongelijkheden tussen alle regio's van de EU terug te dringen en aldus de levenskwaliteit van Europese burgers te verbeteren; onderstreept de belangrijke rol ervan bij de verwezenlijking van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei met name door duidelijk middelen te reserveren voor klimaatmaatregelen en sociale doelstellingen, vooral om de toenemende armoede, met inbegrip van kinderarmoede, ongelijkheden en sociale uitsluiting te bestrijden en de werkgelegenheid te stimuleren; verzoekt de Commissie toe te zien op de volledige tenuitvoerlegging van bovengenoemde doelstellingen; is bovendien van mening dat, hoewel vooraf aan de lidstaten toegewezen bedragen moeten worden gerespecteerd, de structuurfondsen eveneens een waardevolle bijdrage aan de huidige uitdagingen, zoals de gevolgen van de vluchtelingencrisis, kunnen bieden;

Toenemende druk op de ontwikkeling en het nabuurschapsbeleid

28.  constateert de toenemende druk op de algehele behoeften aan humanitaire hulp en de rampenrisicovermindering ten gevolge van conflicten en oorlogen; wijst op de overeenkomst van Addis Abeba waarin staatshoofden en regeringsleiders hun sterke politieke wil bekrachtigden om de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling te verwezenlijken, en is zich ervan bewust dat hiervoor financiële middelen nodig zijn; herinnert eraan dat de EU onlangs haar collectieve toezegging heeft verlengd om haar officiële ontwikkelingshulp (ODA) tot 0,7% van haar bni te verhogen en ten minste 20% van haar ODA aan sociale basisdiensten toe te wijzen, met het accent op onderwijs en gezondheidszorg; is sterk gekant tegen het gebruik van ontwikkelingshulp voor andere doelstellingen dan ontwikkelingsdoelstellingen;

29.  herinnert eraan dat de geopolitieke situatie in het oostelijke nabuurschap ook zeer wankel is; onderstreept dat de EU-begroting een belangrijke bijdrage levert aan het stabiliseren van de situatie zowel in het zuidelijke als het oostelijke nabuurschap van de EU en aan het aangaan van deze uitdagingen door steun te bieden aan landen die momenteel bezig zijn met de tenuitvoerlegging van associatieovereenkomsten, om vaart te zetten achter hervormingen en de verdieping van de betrekkingen tussen de EU en de betrokken landen te waarborgen;

Gendermainstreaming

30.  is ingenomen met de tussentijdse toetsing van het MFK en ziet deze als een kans om aanzienlijke vooruitgang te boeken op weg naar een effectievere integratie van gendermainstreaming in het MFK en in de tenuitvoerlegging van en het toezicht op de bij het MFK gevoegde gezamenlijke verklaring over deze kwestie;

Betalingsachterstand

31.  wijst erop dat gedurende het vorige MFK (2007-2013) een ophoping van nog niet betaalde rekeningen is ontstaan, en dat deze is opgelopen van een niveau van 5 miljard EUR aan het eind van 2010 tot ongekende niveaus van 11 miljard EUR aan het eind van 2011, 16 miljard EUR aan het eind van 2012 en 23,4 miljard EUR aan het eind van 2013; vindt het zorgwekkend dat deze achterstand is overgedragen naar het huidige MFK (2014-2020), en eind 2014 het recordbedrag van 24,7 miljard EUR heeft bereikt; beklemtoont dat op nadrukkelijk verzoek van het Parlement een betalingsplan overeengekomen is om de achterstand bij de nog niet betaalde met het cohesiebeleid verband houdende betalingsclaims voor de periode 2007-2013 tegen eind 2016 te reduceren tot een "normaal" niveau van 2 miljard EUR; geeft aan dat eind 2015 voor de periode 2007-2013 een bedrag van ten minste 8,2 miljard EUR aan nog niet betaalde rekeningen met betrekking tot het cohesiebeleid is vastgesteld, maar dat het in de bedoeling ligt dit bedrag tegen het eind van 2016 terug te brengen tot minder dan 2 miljard EUR; stelt vast dat dit slechts tijdelijk voor wat lucht zorgt, aangezien het uitsluitend het resultaat is van een lager dan verwacht aantal ingediende te betalen claims voor zowel het programma voor 2007-2013, als het programma voor 2014-2020; betreurt het dat de "verborgen" achterstand onder andere rubrieken totaal niet is aangepakt; wijst erop dat de situatie van 2012-2014 zich naar verwachting aan het einde van het huidige MFK opnieuw zal voordoen als er geen concrete maatregelen worden genomen;

32.  moet helaas vaststellen dat deze betalingscrisis ernstige gevolgen heeft voor de begunstigden van steun uit de EU-begroting, zoals studenten, universiteiten, kmo's, onderzoekers. ngo's, plaatselijke en regionale autoriteiten, en andere betrokken entiteiten; wijst in het bijzonder op het dramatisch lage niveau van betalingen bij humanitaire acties in 2014, dat de levensreddende operaties van de EU ongunstig heeft beïnvloed; herinnert eraan dat de Commissie haar toevlucht heeft moeten nemen tot "mitigerende maatregelen", zoals het reduceren van de pre-financieringspercentages en het uitstellen van oproepen tot het indienen van voorstellen/aanbestedingen en daaraan gerelateerde contracten; wijst erop dat de uitvoering van de nieuwe programma's voor de periode 2014-2020 ten gevolge van een algemeen gebrek aan betalingen kunstmatig is vertraagd, waarbij de kunstmatige vertraging in 2014 met betrekking tot oproepen tot het indienen van voorstellen ten belope van 1 miljard EUR onder Horizon 2020, die erop gericht was te bewerkstelligen dat de betalingen in 2015 zouden moeten worden verricht in plaats van in 2014, als voorbeeld kan dienen; onderstreept bovendien dat de EU-begroting zowel in 2014, als in 2015 belast is met een boete voor late betalingen ten belope van 3 miljoen EUR;

B. Grootschalig gebruik van de flexibiliteitsbepalingen van het MFK

33.  wijst erop dat de begrotingsautoriteit, om de aanvullende kredieten te krijgen die nodig waren om op de crises in te spelen of om sinds 2014 geformuleerde nieuwe beleidsprioriteiten te financieren, heeft ingestemd met een grootschalig gebruik van de flexibiliteitsbepalingen en de speciale instrumenten in de MFK-verordening, na eerst alle beschikbare marges te hebben benut; herinnert eraan dat meerdere van deze bepalingen in de verordening zijn terechtgekomen op basis van voorstellen van het Europees Parlement, dat maximale flexibiliteit in de MFK-onderhandelingen als een van zijn belangrijkste eisen op tafel had gelegd;

34.  wijst erop dat de speciale instrumenten met name werden ingezet voor het aanpakken van de vluchtelingen- en migratiecrisis (het totaalbedrag dat in 2016 via het flexibiliteitsinstrument is ingezet bedraagt 1 530 miljoen EUR); de noodhulpreserve (150 miljoen EUR in 2016), het probleem bij de betalingen (de in 2015 geactiveerde noodmarge: 3,16 miljard EUR), en de financiering van het EFSI-garantiefonds (volledig gebruik van de overkoepelende marge voor vastleggingen in 2014: 543 miljoen EUR); herinnert eraan dat het besluit om de noodmarge voor het probleem bij de betalingen in te zetten, gekoppeld is aan een verlaging van de betalingsplafonds voor de jaren 2018 tot 2020;

35.  vindt dat elke verdere financieringsbehoefte met betrekking tot de migratie- en vluchtelingencrisis in 2016, met inbegrip van de tranche van 200 miljoen EUR voor het nieuwe instrument voor noodhulp binnen de Unie, ertoe moet leiden dat de noodmarge zodra dit nodig is wordt gemobiliseerd; merkt op dat er onder rubriek 3 geen marges over zijn, terwijl de middelen van het flexibiliteitsinstrument voor dit jaar al helemaal op zijn; stelt voor om verdere mogelijkheden voor flexibiliteit voor nieuwe uitdagingen te onderzoeken;

36.  wijst erop dat de wetgevingsflexibiliteit, zoals vastgelegd in punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord, voorziet in de mogelijkheid om het totale bedrag voor programma's die via de gewone wetgevingsprocedure zijn goedgekeurd gedurende de periode van zeven jaar met ten hoogste +/- 10% te verhogen; herinnert eraan dat de begrotingsautoriteit in het geval van "nieuwe, objectieve en duurzame omstandigheden" nog meer van de aanvankelijk vastgestelde bedragen mag afwijken; juicht het toe dat de Unie deze mogelijkheid reeds eerder heeft gebruikt om te reageren op onvoorziene omstandigheden door de bedragen die aanvankelijk voor programma's zoals het AMIF waren vastgesteld, aanzienlijk te verhogen;

II. Tussentijdse herziening van het MFK – een absolute noodzaak

37.  is er op basis van de bovenstaande analyse van overtuigd dat de toetsing van de werking van het huidige MFK tot de conclusie leidt dat de Unie aan de uitdagingen waarvoor zij wordt gesteld alleen het hoofd kan bieden en tegelijkertijd haar politieke doelstellingen alleen kan verwezenlijken, indien het MFK aan een daadwerkelijke tussentijdse herziening, zoals bedoeld in de MFK-verordening, wordt onderworpen; wijst er eens te meer op dat de verwezenlijking van de Europa 2020-strategie onverminderd de voornaamste door de EU-begroting te ondersteunen prioriteit is; benadrukt dat de EU-begroting over voldoende middelen moet beschikken om effectief te zorgen voor investeringen die tot groei en banen leiden, economische, sociale en territoriale samenhang te bewerkstelligen en solidariteit te bevorderen;

38.  vraagt de Commissie met klem in haar wetsvoorstel rekening te houden met de volgende eisen van het Parlement met betrekking tot wijzigingen van de MFK-verordening, die zowel de cijfers als de werking van het MFK aangaan, en die reeds van toepassing moeten zijn op het huidige MFK;

39.  onderstreept dat twee wetsvoorstellen met aanzienlijke gevolgen voor de begroting, te weten de verlenging van het EFSI en het opzetten van een plan voor externe investeringen, voor de herfst 2016 zijn voorzien; verwacht dat alle informatie met betrekking tot de financiering van deze twee voorstellen zo snel mogelijk wordt aangereikt, opdat hiermee naar behoren rekening kan worden gehouden tijdens de onderhandelingen over de tussentijdse herziening van het MFK; herhaalt zijn beginselstandpunt dat de nieuwe beleidsinitiatieven niet mogen worden gefinancierd ten koste van de bestaande programma's en beleidsmaatregelen van de EU;

40.  onderstreept dat de wijzigingen die tijdens de tussentijdse herziening van het MFK zijn overeengekomen, onverwijld moeten worden toegepast en reeds in de EU-begroting 2017 moeten worden opgenomen; doet derhalve een beroep op de Commissie om haar wetsvoorstel over de herziening van de MFK-verordening zo snel mogelijk in te dienen teneinde parallelle onderhandelingen over de herziening van het MFK en de EU-begroting 2017, alsmede tijdige overeenstemming hierover mogelijk te maken;

41.  neemt nota van de uitslag van het Britse referendum op 23 juni 2016; doet in dit verband een beroep op de Commissie om de begrotingsautoriteit van alle informatie te voorzien over de mogelijke gevolgen voor de begroting van dit referendum, onverminderd het resultaat van de komende onderhandelingen tussen het VK en de EU;

A. Eisen van het Parlement betreffende de tweede helft van de looptijd van het MFK

MFK-cijfers (vastleggingen)

42.  steunt enerzijds vol overtuiging de stevige politieke en financiële ondersteuning van het EFSI, maar vindt tegelijkertijd dat de EU-begroting niet moet worden gebruikt voor de financiering van nieuwe initiatieven indien dat ten koste zou gaan van bestaande EU-programma's en -maatregelen; blijft bij zijn steun voor het volledig compenseren van de EFSI-gerelateerde kortingen op de middelen voor Horizon 2020 en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, teneinde deze programma's in staat te stellen hun nog maar twee jaar geleden overeengekomen doelstellingen te verwezenlijken en de Unie in staat te stellen haar doelstellingen inzake onderzoek en innovatie te verwezenlijken; onderstreept in dit verband dat het financieringsniveau van de andere programma's onder subrubriek 1a ("Concurrentievermogen voor groei en banen") niet door deze compensatie mogen worden getroffen, aangezien zij een onbetwistbare bijdrage leveren aan de groei, de werkgelegenheid en het concurrentievermogen; meent dat de marges onder subrubriek 1a niet volstaan om in deze behoeften te voorzien, en vraagt daarom dat het plafond voor deze subrubriek wordt verhoogd;

43.  steunt met klem de voortzetting van het YEI omdat het vindt dat het – na de noodzakelijke aanpassingen in het kader van de lopende beoordeling – van groot nut kan zijn in de strijd tegen de jeugdwerkloosheid; is van oordeel dat dit alleen mogelijk is indien aan het YEI tot aan het einde van de looptijd van het huidige MFK ten minste hetzelfde niveau aan vastleggingskredieten ter beschikking wordt gesteld als jaarlijks in de eerste twee jaar van deze periode (6 miljard EUR die in 2014-2015 naar voren zijn gehaald), afhankelijk van de komende evaluatie van de Commissie; stelt vast dat hiervoor een verhoging van het plafond onder subrubriek 1b ("Economische, sociale en territoriale samenhang") nodig is, aangezien er geen marges meer voorhanden zijn;

44.  is de vaste overtuiging toegedaan dat tijdens de herziening van het MFK niet mag worden getornd aan de totale begrotingsmiddelen en de vooraf aan de lidstaten toegewezen nationale bedragen voor het GLB, met inbegrip van de rechtstreekse betalingen; onderstreept bovendien dat moet worden gewaarborgd dat de middelen voor het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij niet worden verlaagd om de verwezenlijking van de doelstellingen van de recente hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid mogelijk te maken;

45.  is van oordeel dat uit de omvang van de migratie- en vluchtelingencrisis, veroorzaakt door conflicten en klimaatverandering, blijkt dat de komende jaren naar verwachting meer behoeften – met de bijbehorende aanzienlijke gevolgen voor de begroting – zullen ontstaan onder rubriek 3 (Veiligheid en burgerschap); beklemtoont daarnaast dat in het kader van dezelfde rubriek tevens extra middelen nodig zullen zijn om een versterkt optreden op het niveau van de EU voor de interne veiligheid in de EU en de bestrijding van het terrorisme te bekostigen; verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk een geactualiseerde prognose op te stellen van de begroting die tot het einde van de looptijd van het huidige MFK nodig is om aan alle uitdagingen op deze gebieden het hoofd te bieden;

46.  is er derhalve van overtuigd dat ook met de mobilisering van de smalle marges onder rubriek 3 en de bestaande flexibiliteitsbepalingen de middelen niet zullen volstaan om de toenemende behoeften op dit gebied te financieren; dringt er derhalve op aan de middelen voor het AMIF en het Fonds voor interne veiligheid, alsook voor de EU-agentschappen die op dit gebied nieuwe taken hebben gekregen (Frontex, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), Europol, Eurojust en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA)), en voor mogelijke andere initiatieven significant te verhogen; vindt dat de plafonds onder rubriek moeten worden opgetrokken;

47.  gaat ervan uit dat het antwoord op de externe dimensie van de migratie- en vluchtelingencrisis in de vorm van een gezamenlijk optreden, met name de politieke stabilisering van het Europees nabuurschap en Afrika ten zuiden van de Sahara, alsmede de aanpak van de humanitaire en economische oorzaken van migratie, in de loop van de komende jaren zal worden geïntensiveerd en gepaard zal gaan met toenemende verzoeken om financiering onder rubriek 4 (Europa als wereldspeler); beklemtoont dat de terbeschikkingstelling van extra middelen niet ten koste mag gaan van het reeds in gang gezette externe optreden van de EU, met inbegrip van het ontwikkelingsbeleid; vraagt dan ook om een verhoging van de maxima van rubriek 4;

MFK-cijfers (betalingen)

48.  beschouwt het als een prioriteit om een nieuwe betalingscrisis tegen het einde van de looptijd van het huidige MFK te voorkomen; vindt dat al het mogelijke moet worden gedaan om het ontstaan van een nieuwe ophoping van nog niet betaalde rekeningen, zoals tijdens de vorige periode, te voorkomen; beklemtoont echter dat, net op het moment dat de betalingsbehoeften hun normale piek zullen bereiken, reeds een significante druk op de betalingen voor de tweede helft van het MFK kan worden voorspeld; beklemtoont dat de extra druk onder andere is toe te schrijven aan het aanrekenen van de noodmarge aan de reeds krappe betalingsmaxima voor 2018-2020, de aanzienlijke vertraging bij het lanceren van de nieuwe programma's onder gedeeld beheer, waaronder het YEI, het betalingsprofiel van het EFSI en de bijkomende betalingen die overeenkomen met de recente verhogingen van de vastleggingskredieten die voor de migratie- en vluchtelingencrisis zijn vastgelegd;

49.  herinnert eraan dat betalingskredieten een logisch gevolg zijn van eerder aangegane verplichtingen; verwacht derhalve dat de nieuwe verhoging van de vastleggingskredieten vergezeld zal gaan van een dienovereenkomstige verhoging van de betalingskredieten, inclusief een bijstelling naar boven toe van de betalingsplafonds; beschouwt de tussentijdse toetsing/herziening van het MFK overigens als een prima gelegenheid om te zien hoe het gesteld is met de implementatie van de betalingen en wat de bijgewerkte ramingen zeggen over de verwachte ontwikkeling van de betalingen tot het einde van de looptijd van het huidige MFK; is van oordeel dat de drie instellingen voor de periode 2016-2020 een bindend gemeenschappelijk betalingsplan zouden moeten opstellen en overeenkomen; dringt erop aan dat een dergelijk nieuw betalingsplan wordt gebaseerd op goed financieel beheer en een duidelijke strategie moet bieden om te voldoen aan alle betalingsbehoeften in alle rubrieken tot het einde van de looptijd van het huidige MFK, alsmede een "verborgen achterstand" moet voorkomen die wordt veroorzaakt door een kunstmatige vertraging van de uitvoering van bepaalde meerjarige programma's en andere beperkende maatregelen zoals de vermindering van voorfinancieringspercentages;

50.  gaat zich ervoor inzetten dat de kwestie van het budgetteren van de betalingen van de speciale MFK-instrumenten nu eens en voor al wordt geregeld; herinnert eraan dat de Commissie en het Parlement enerzijds en de Raad anderzijds over deze kwestie nog altijd van mening verschillen, en dat dit in de begrotingsonderhandelingen van de afgelopen jaren een steeds terugkerend probleem is geweest; herhaalt nog maar eens zijn standpunt dat betalingskredieten die het resultaat zijn van de mobilisering van speciale instrumenten in vastleggingskredieten moeten worden meegeteld naast en bovenop de jaarlijkse MFK-betalingsplafonds;

Voorwaardelijkheid ter waarborging van de grondrechten van de EU

51.  dringt erop aan dat alle landen hun volledige verantwoordelijkheid nemen in het kader van de vluchtelingencrisis en het besluit betreffende het specifieke herplaatsingsmechanisme; verzoekt de Commissie een financieel bonus-/malusmechanisme in te voeren met betrekking tot de nakoming of niet-nakoming door de lidstaten van hun verplichtingen in het kader van door de EU aangenomen maatregelen; is van mening dat financiële bijdragen afkomstig uit sancties aan lidstaten die deze maatregelen niet uitvoeren, als extra ontvangsten moeten terugvloeien naar de EU-begroting;

Buitengewone inkomsten

52.  is van oordeel dat overschotten die het gevolg zijn van een onderbesteding van de EU-begroting of van boetes die aan ondernemingen zijn opgelegd vanwege inbreuken op de mededingingswetgeving van de EU, als extra inkomsten op de EU-begroting moeten worden geboekt, zonder een dienovereenkomstige aanpassing van de bni-bijdragen; is van mening dat deze maatregelen aanzienlijk zouden bijdragen aan het verlichten van het probleem met de betalingen van de EU-begroting; vraagt de Commissie passende wetsvoorstellen in deze zin te doen.

53.  is ervan overtuigd dat vrijmakingen in alle rubrieken als gevolg van de volledige of gedeeltelijke niet-uitvoering van de maatregelen waarvoor de bedragen bestemd waren, in de EU-begroting moeten terugvloeien en door de begrotingsautoriteit moeten worden ingezet in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure; is ervan overtuigd dat, gezien de huidige beperkingen waarmee de EU-begroting te maken heeft en de bijkomende financieringsbehoeften waar de Unie mee wordt geconfronteerd, een dergelijke maatregel ook mogelijk moet zijn voor vrijmakingen als gevolg van de uitvoering van de programma's voor 2007-2013, met inbegrip van de afsluiting van programma's in het kader van het cohesiebeleid; vraagt de Commissie passende wetsvoorstellen in deze zin te doen;

Flexibiliteitsbepalingen en speciale instrumenten

54.  benadrukt dat alleen al de frequentie en het niveau van de mobilisering van de speciale MFK-instrumenten gedurende de afgelopen twee jaar het nut van de flexibiliteitsbepalingen en -mechanismen in de MFK-verordening dubbel en dwars hebben aangetoond; herhaalt nog maar eens het standpunt dat het Parlement al veel langer inneemt, namelijk dat flexibiliteit gericht moet zijn op een maximaal gebruik van de globale MFK-plafonds voor vastleggingen en betalingen;

55.  is dan ook van oordeel dat de tussentijdse herziening van de MFK-verordening moet resulteren in de schrapping van een aantal in- en beperkingen van de flexibiliteitsbepalingen die door de Raad waren opgelegd op het moment dat het MFK werd vastgesteld; vindt met name dat de beperkingen die voor de overdracht van niet-benutte kredieten en marges gelden, hetzij in de vorm van de vaststelling van jaarlijkse plafonds (overkoepelende marge voor betalingen), hetzij middels het opleggen van beperkingen in tijd (overkoepelende marge voor vastleggingen), moeten worden ingetrokken; is van mening dat, gezien de huidige budgettaire beperkingen in meerdere rubrieken, geen specifieke toepassing moet worden gedefinieerd voor de gebruikmaking van middelen binnen de overkoepelende marge voor vastleggingen;

56.  onderstreept in het bijzonder de mobilisering van het volledige bedrag van het flexibiliteitsinstrument in 2016; wijst erop dat dit instrument de financiering mogelijk maakt van duidelijk omlijnde uitgaven waarvoor onder het plafond van een of meerdere rubrieken geen financiële middelen beschikbaar zijn en die geen verband houden met EU-beleid op een specifiek terrein; concludeert dan ook dat het de EU-begroting daadwerkelijk een flexibel karakter verleent, met name in het geval van een grote crisis; dringt er dus op aan de financiële middelen van dit instrument substantieel te verhogen tot 2 miljard EUR, met de toevoeging dat dit bedrag alleen wordt gebudgetteerd indien de begrotingsautoriteit besluit er werkelijk een beroep op te doen; herinnert eraan dat het flexibiliteitsinstrument geen verband houdt met een specifiek beleidsterrein en kan worden gemobiliseerd voor elk doel dat daarvoor geschikt wordt geacht;

57.  wijst erop dat de noodhulpreserve er is om derde landen snel hulp te kunnen bieden in het geval van onvoorziene gebeurtenissen, en onderstreept het buitengewone belang ervan in de huidige omstandigheden; vraagt de financiële middelen van deze reserve significant te verhogen tot 1 miljard EUR;

58.  neemt kennis van de verschillende regels die gelden voor de periode voor de overdracht van niet-benutte kredieten van de speciale MFK-instrumenten, te weten het flexibiliteitsinstrument, de noodhulpreserve, het solidariteitsfonds van de EU en het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering; dringt erop aan deze regels gelijk te trekken, zodat in concreto de N+3-regel voor al deze instrumenten gaat gelden;

59.  hecht bijzonder belang aan de noodmarge, vanwege zijn functie als 'laatste redmiddel' bij onvoorziene omstandigheden; beklemtoont dat de noodmarge volgens de Commissie het enige speciale instrument is dat alleen voor betalingskredieten, en dus ter voorkoming van een betalingscrisis met betrekking tot de EU-begroting (zoals in 2014), kan worden ingezet; betreurt het dat, anders dan in de voorgaande periode, in de MFK-verordening in een verplichte compensatie van de kredieten is voorzien; is van oordeel dat deze verplichting tot een onhoudbare situatie leidt waarbij de jaarlijkse bedragen met betrekking tot de MFK-plafonds in de laatste jaren van de periode in feite naar beneden worden bijgesteld en de EU-begroting dus extra onder druk komt te staan; beklemtoont dat de noodmarge sowieso een uiterste redmiddel is en dat het aan de twee takken van de begrotingsautoriteit is de mobilisering ervan in gang te zetten; vindt tegen deze achtergrond dat de regel betreffende de verplichte compensatie onmiddellijk en met terugwerkende kracht moet worden ingetrokken, alsook dat het jaarlijkse maximumbedrag ervan naar boven moeten worden bijgesteld tot 0,05 % van het bni van de EU;

Follow-up van de internationale akkoorden inzake milieuveranderingen

60.  neemt er nota van dat het in Parijs bereikte COP 21-akkoord een algemeen, dynamisch en gedifferentieerd akkoord is om de uitdaging van klimaatverandering aan te kunnen gaan; benadrukt dat EU-financiering krachtens dit akkoord moet worden toegewezen aan steun voor klimaatmaatregelen in ontwikkelingslanden; benadrukt dat eventuele financiering ten behoeve van de mogelijke maatregelen die zijn ontwikkeld door de COP 21 een aanvulling moet zijn op de huidige uitgaven aan klimaatactie, en verzoekt de Commissie om tijdig vóór de herziening haar uitvoeringsstrategie en eerste beoordeling van de mogelijke impact van het COP 21-akkoord op de EU-begroting voor te leggen; benadrukt voorts dat de herziening van het MFK een uitstekende gelegenheid vormt om ervoor te zorgen dat de doelstelling om 20 % te besteden aan klimaatmaatregelen wordt bereikt en deze drempel mogelijk te verhogen in overeenstemming met de internationale toezeggingen die de EU tijdens de COP 21 heeft gedaan; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het mechanisme voor de mainstreaming van de klimaatactie volledig operationeel wordt en dat de huidige methode om dergelijke uitgaven te kunnen traceren, wordt verbeterd; herinnert er tevens aan dat de EU zich er ook toe heeft verbonden het strategisch plan voor biodiversiteit van het Verdrag van de Verenigde Naties ten uitvoer te leggen, en benadrukt dat zij voldoende middelen moet uittrekken om haar verbintenissen in dit verband te verwezenlijken;

Vereenvoudiging

61.  beschouwt de tussentijdse toetsing/herziening als een uitstekende gelegenheid om het succes van de EU-maatregelen en -programma's in kwestie, alsook de werking van de flexibiliteitsbepalingen en speciale instrumenten van het MFK, aan een eerste beoordeling en evaluatie te onderwerpen, en verwacht van de Commissie een analyse te ontvangen waarin zij de tekortkomingen van het huidige implementatiesysteem in kaart brengt; besteedt bijzondere aandacht aan de beoordeling van de gevolgen voor het uitvoeringsproces van de nieuwe elementen die in de huidige programmeringsperiode zijn ingevoerd, zoals de ex-antevoorwaarden uit hoofde van het cohesiebeleid; is van mening dat bij de tussentijdse toetsing/herziening van het MFK eveneens de balans moet worden opgemaakt van het rendement van toegewezen middelen met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen ervan; verzoekt de Commissie concrete voorstellen te doen voor het aanpakken van de eventuele onvolkomenheden en de implementatie gedurende de resterende jaren van het huidige MFK te verbeteren en te rationaliseren, teneinde ervoor te zorgen dat de beperkte financiële middelen zo doeltreffend mogelijk worden gebruikt en de administratieve lasten voor de begunstigden te beperken;

62.  benadrukt dat het belangrijk is de meerwaarde van de uitvoering van de EU-begroting aan te tonen en pleit voor het centraal stellen van de resultaatgerichte cultuur in de EU-uitgaven; benadrukt dat prestatie- en outputgerelateerde beoordeling waar nodig een leidend beginsel moet worden, en benadrukt de bijzondere toepasselijkheid van een dergelijk beginsel op innovatiegerichte programma's; erkent het werk van de Commissie in het kader van het initiatief voor een resultaatgerichte EU-begroting, dat nog verder moet worden uitgewerkt, en kijkt uit de resultaten van de werkzaamheden van de interinstitutionele deskundigenwerkgroep inzake op prestaties gebaseerde budgettering; is van mening dat deze aanpak een instrument kan zijn om de prestaties van onderpresterende programma's te stimuleren; benadrukt evenwel dat technische of programmeringstekortkomingen er niet toe mogen leiden dat de EU-begroting wordt verlaagd of politieke prioriteiten worden opgegeven, en dat betere uitgavenpraktijken alleen geen oplossing zijn voor het probleem van het gebrek aan financiële middelen om tegemoet te komen aan dringende en toenemende behoeften; herinnert de Commissie eraan dat het Parlement in zijn rol als tak van de begrotingsautoriteit moet worden betrokken bij de ontwikkeling van de strategie van de Commissie in dit verband;

Financiële instrumenten

63.  is zich ervan bewust dat financiële instrumenten in de EU-begroting nu een grotere rol spelen als een aanvullende vorm van financiering dan subsidies en schenkingen; onderkent dat deze instrumenten het in zich hebben de financiële en derhalve ook de politieke impact van de EU-begroting te vergroten; beklemtoont overigens dat een verschuiving van traditionele financieringsvormen naar meer innovatieve instrumenten niet voor alle beleidsterreinen aan te bevelen is, aangezien niet elk beleid volledig de wetten van de markt volgt; benadrukt dat financiële instrumenten een alternatieve en aanvullende financieringswijze bieden en niet moeten worden gebruikt voor projecten die uitsluitend in aanmerking komen voor schenkingen, die van bijzonder belang zijn voor minder ontwikkelde regio's;

64.  verzoekt de Commissie in de loop van de tussentijdse toetsing/herziening een diepgaande analyse uit te voeren van het gebruik van de financiële instrumenten sinds het begin van de huidige programmeringsperiode; benadrukt dat bij de beoordeling van een financieel instrument het hefboomeffect niet het enige evaluatiecriterium mag zijn; herinnert in dit verband aan het belang van de additionaliteitscriteria en de beoordeling van de bijdrage aan de verwezenlijking van de politieke doelstellingen van de EU;

65.  spoort de Commissie aan alle EU-beleidsterreinen aan te merken waarop schenkingen kunnen worden gecombineerd met financiële instrumenten en na te denken over een gepast evenwicht hiertussen; is steevast van mening dat de mogelijkheid van een combinatie van diverse EU-middelen volgens geharmoniseerde beheersvoorschriften zou bijdragen tot de optimalisering van de synergieën tussen de beschikbare vormen van financiering op EU-niveau; benadrukt dat het vergroten van de rol van financiële instrumenten niet mag resulteren in een verlaging van de EU-begroting; wijst nogmaals op zijn herhaalde oproepen om meer transparantie en democratisch toezicht op de tenuitvoerlegging van financiële instrumenten die ondersteund worden door de EU-begroting;

B. Standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK na 2020

66.  herinnert eraan dat artikel 25 van de MFK-verordening bepaalt dat de Commissie ten laatste op 1 januari 2018 een voorstel voor een nieuw meerjarig financieel kader moet presenteren; vindt het dan ook logisch en juist dat reeds in het kader van de aanstaande toetsing/herziening wordt gekeken naar een aantal belangrijke elementen voor het volgende MFK;

67.  vindt dat aanpassingen aan de looptijd van het MFK, een grondige herwerking van het systeem van eigen middelen, meer nadruk op het beginsel van eenheid van de begroting en grotere budgettaire flexibiliteit hierbij tot de prioriteiten behoren; vindt verder dat de modaliteiten van het besluitvormingsproces onder de loep moeten worden gelegd, teneinde voor democratische legitimiteit en inachtneming van de bepalingen van het Verdrag te zorgen;

68.  herinnert aan de begrotingsbeginselen van eenheid, waarachtigheid, jaarperiodiciteit, evenwicht, universaliteit, specialiteit, goed financieel beheer en transparantie, die bij het opstellen en uitvoeren van de EU-begroting in acht moeten worden genomen;

69.  beklemtoont dat de primaire focus van de lidstaten op het waarborgen van batige nettosaldo's een van de belangrijkste verklaringen is voor de problemen bij het bereiken van overeenstemming over een meerjarig financieel kader; herhaalt zijn zienswijze dat de EU-begroting niet eenvoudigweg een 'geen-winst geen-verlies'-situatie is, maar veeleer een belangrijke stimulans voor convergentie en de weerspiegeling van gemeenschappelijk beleid dat voor iedereen een meerwaarde oplevert; dringt er derhalve met klem bij de lidstaten op aan hun perceptie en benadering van de EU-begroting te wijzigen, namelijk door de omvang van de begroting te bepalen op basis van een grondige beoordeling van de financiële behoeften die voortvloeien uit de wettelijke verplichtingen van de Unie, haar politieke doelstellingen zoals uiteengezet in haar programma's en beleid alsook internationale verbintenissen, teneinde een nieuwe patstelling, die de kloof tussen de Unie en haar burgers alleen maar zou vergroten, te vermijden; verzoekt de Commissie daarom een studie uit te voeren naar de bezuinigingen die op nationaal niveau door de lidstaten worden gerealiseerd dankzij op EU-niveau gefinancierd beleid;

70.  wijst op de politieke noodzaak een besluitvormingsprocedure in te stellen om de beschikbaarheid van de nodige financiële middelen te waarborgen, ofwel op nationaal ofwel op EU-niveau, zodat de politieke beslissingen van de Europese Raad volledig ten uitvoer kunnen worden gelegd;

Duur

71.  wijst erop dat in overweging drie van de MFK-verordening staat dat de drie instellingen besloten hebben in het kader van de toetsing/herziening gezamenlijk te onderzoeken wat de meest geschikte duur van het meerjarig financieel kader is; herinnert aan zijn standpunt dat de duur van het MFK gelijk moet worden getrokken met de politieke cyclus van zowel het Parlement als de Commissie, waarmee de Europese verkiezingen een forum zouden worden voor debat over de toekomstige uitgavenprioriteiten;

72.  onderstreept dat met name voor programma's onder gedeeld beheer op de gebieden cohesiebeleid en plattelandsontwikkeling langetermijnvoorspelbaarheid van cruciaal belang is, gezien de tijd die nodig is om op nationaal en regionaal niveau tot afspraken over sectorale wetgeving en operationele programma's te komen;

73.  is van oordeel dat vanwege de snel veranderende politieke omgeving en om voor meer flexibiliteit te zorgen bepaalde onderdelen van het MFK voor een periode van 5 jaar moeten worden overeengekomen, terwijl voor andere onderdelen, met name de onderdelen die verband houden met programma's die een langere programmeringsperiode behoeven en/of maatregelen met ingewikkelde procedures voor de vaststelling van implementatiesystemen, zoals cohesiebeleid of plattelandsontwikkeling, een periode van 5+5 jaar, in combinatie met een verplichte tussentijdse herziening, zou kunnen;

Hervorming van het systeem van eigen middelen

74.  beklemtoont dat het systeem van eigen middelen volledig moet worden hervormd, waarbij gestreefd moet worden naar eenvoud, billijkheid en transparantie; kijkt er derhalve naar uit dat de Groep op hoog niveau voor eigen middelen vóór 2017 een ambitieus eindverslag voorlegt, alsook dat de Commissie vóór 2018 een even ambitieus wetgevingspakket betreffende eigen middelen voor de periode na 2021 presenteert;

75.  vindt het belangrijk het aandeel van de bni-bijdragen in de EU-begroting te verlagen, teneinde af te raken van de zogenaamde "juste retour"-benadering van de lidstaten; geeft aan dat dit de druk op de schatkisten van de lidstaten zou verminderen en de financiële middelen in kwestie voor bestedingsdoeleinden op nationaal niveau vrij zou maken; herinnert eraan dat het btw-deel van de eigen middelen bovenmatig ingewikkeld is en in feite een tweede bni-bijdrage vormt, en dringt er daarom op aan dit deel van de eigen middelen hetzij vergaand te hervormen, hetzij helemaal te schrappen; vindt wel dat de bni-bijdragen als element van de begroting moeten worden gehandhaafd vanwege hun rol als kostendekkend instrument;

76.  dringt aan op de invoering van een of meerdere nieuwe eigen middelen, waarbij de voorkeur van het Parlement uitgaat naar middelen die rechtstreeks gekoppeld zijn aan Europees beleid met een meerwaarde; neemt er kennis van dat de Groep op hoog niveau reeds een groot aantal voorstellen voor nieuwe eigen middelen de revue heeft laten passeren, zoals een btw-hervorming, een belasting op financiële transacties, ECB-seigniorage, een hervormd EU-emissiehandelsysteem en belasting op koolstof, vervoersheffingen, vennootschapsbelasting, elektriciteitsbelasting en digitale belasting; wacht vol ongeduld naar de aanbevelingen van de Groep op hoog niveau, teneinde van start te kunnen gaan met de voorbereiding van het standpunt van het Parlement op dit punt; dringt in dit verband aan op de geleidelijke afschaffing van alle soorten kortingen;

Eenheid van de begroting

77.  beklemtoont het belang van het beginsel van eenheid van de begroting en herinnert eraan dat in overeenstemming met artikel 310, lid 1, VWEU alle ontvangsten en uitgaven van de Unie in de begroting moeten worden opgenomen; vindt het zorgwekkend dat sinds 2014, zowel bij de oprichting van het Bêkou-trustfonds voor de Centraal-Afrikaanse Republiek, het regionaal trustfonds Madad dat in reactie op de Syriëcrisis werd opgericht, het EU-noodtrustfonds voor Afrika, alsook de vluchtelingenfaciliteit voor Turkije, in de besluitvorming wordt overgestapt van de communautaire methode naar de intergouvernementele aanpak; benadrukt dat deze vorm van financiering een hertoewijzing van middelen met zich meebrengt uit hoofde van de bestaande meerjarige financiële programma's waarover tussen de drie instellingen is onderhandeld en overeenstemming is bereikt; wijst erop dat dit de democratische verantwoordingsplicht in gevaar brengt, aangezien het Parlement is uitgesloten van de oprichting van deze fondsen;

78.  geeft aan dat in het Verdrag staat dat de twee takken van de begrotingsautoriteit, het Parlement en de Raad, de begroting van de Unie op voet van gelijkheid vaststellen; is daarnaast van mening dat volledige parlementaire controle op alle uitgaven een essentieel element is van alle EU-uitgaven; vraagt de Commissie de eenheid van de begroting te waarborgen en dit beginsel als leidend te beschouwen wanneer zij nieuwe beleidsinitiatieven voorstelt;

79.  herhaalt nog maar eens zijn standpunt dat het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) vanaf 2021 in de EU-begroting moet worden geïntegreerd, en dat tegelijkertijd voor financiering moet worden gezorgd voor de Faciliteit voor Afrikaanse vrede en voor vredesgerelateerde operaties;

80.  benadrukt dat mogelijke toekomstige integratie van het EOF of dergelijke ad-hocinstrumenten in de EU-begroting inhoudt dat hun respectieve financiële middelen bovenop de MFK-plafonds komen, die dienovereenkomstig moeten worden herzien, teneinde de financiering van andere EU-maatregelen en -programma's niet in gevaar te brengen;

Grotere flexibiliteit

81.  beklemtoont dat de rigide structuur van de EU-begroting betekent dat de begrotingsautoriteit niet de mogelijkheid heeft om adequaat op veranderende omstandigheden te reageren; dringt er dan ook op aan in het volgende MFK voor grotere flexibiliteit te zorgen, met name door middel van grotere flexibiliteit tussen rubrieken in de vorm van flexibeler gebruik van niet-bestede marges en tussen jaren, teneinde te bewerkstelligen dat de MFK-plafonds volledig kunnen worden benut;

82.  benadrukt dat het niet alleen mogelijk moet zijn flexibel op veranderende omstandigheden in te spelen onverminderd de overeengekomen programmering, maar dat de EU ook snel moet kunnen reageren op zich ontwikkelende crisissen, zoals de huidige migratiecrisis; vindt tegen deze achtergrond dat er in aanvulling op de reeds bestaande speciale MFK-instrumenten binnen de EU-begroting een permanente EU-crisisreserve moet worden gecreëerd, om niet terug te hoeven vallen op ad-hocoplossingen zoals trustfondsen; benadrukt dat een dergelijk mechanisme, bedoeld om te reageren op crisissen en onvoorziene situaties, uit de aard der zaak moet functioneren als een nieuw speciaal MFK-instrument en moet worden meegeteld naast en bovenop de MFK-plafonds;

Besluitvormingsprocedure

83.  brengt in herinnering dat het Parlement kritisch staat ten opzichte van de procedure die gevolgd is bij de vaststelling van de MFK-verordening voor de periode 2014-2020; herinnert eraan dat de vaststelling van de verordening alleen mogelijk is met goedkeuring van het Parlement; beklemtoont daarom dat het Parlement vanaf het begin volledig bij de onderhandelingen in kwestie moet worden betrokken; is van oordeel dat de EU-instellingen de modaliteiten van de volgende MFK-procedure op het moment van de tussentijdse toetsing/herziening van het meerjarig financieel kader moeten formaliseren in een akkoord, en dat daarbij rekening moet worden gehouden met de tekortkomingen van de voorgaande onderhandelingen én dat de rol en de prerogatieven van het Parlement zoals bedoeld in de Verdragen volledig moeten worden geëerbiedigd; is van mening dat deze modaliteiten uiteindelijk in het IIA moeten worden opgenomen, zoals voor de jaarlijkse begrotingsprocedure het geval is;

84.  is van mening dat de eenparigheidsvereiste voor de vaststelling van de MFK-verordening het proces wezenlijk belemmert; verzoekt de Europese Raad in dit verband de passerelle in artikel 312, lid 2, VWEU toe te passen om de vaststelling van de MFK-verordening bij gekwalificeerde meerderheid mogelijk te maken; herinnert er voorts aan dat de algemene passerelle-clausule van artikel 48, lid 7, VEU tevens in werking kan worden gesteld, teneinde de gewone wetgevingsprocedure toe te passen; benadrukt dat de vaststelling van de MFK-verordening bij gekwalificeerde meerderheid in overeenstemming zou zijn met de besluitvormingsprocedure voor de vaststelling van vrijwel alle EU-meerjarenprogramma's en voor de jaarlijkse procedure voor de vaststelling van de EU-begroting;

85.  herinnert eraan dat de Europese Raad uit hoofde van het Verdrag niet bevoegd is om wetgevingstaken uit te oefenen; geeft in dit verband nogmaals aan ernstige bezwaren te hebben tegen het feit dat de Europese Raad zich bemoeide met de wetgeving tijdens de afgelopen MFK-onderhandelingen; verzoekt de Europese Raad zich te beperken tot zijn taken zoals vastgesteld bij het Verdrag en niet vooruit te lopen op beleidswijzigingen waartoe in het kader van de gewone wetgevingsprocedure moet worden besloten en aldus de wetgevende bevoegdheden van het Parlement in het kader van de medebeslissing te eerbiedigen;

86.  dringt erop aan dat het wetgevingsproces ter goedkeuring van het volgende MFK tegen eind 2018 wordt afgerond, na diepgaande onderhandelingen tussen het Parlement en de Raad; benadrukt dat een tijdige sluiting van de MFK-overeenkomst het mogelijk zal maken dat alle sectorale verordeningen snel worden goedgekeurd en alle nieuwe programma's zonder vertraging op 1 januari 2021 van start gaan; benadrukt dat het belangrijk is de nationale parlementen en de Europese burgers beter te informeren over de uitdagingen van het volgende MFK door zo nodig een interinstitutionele, interparlementaire conferentie te organiseren;

°

°  °

87.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de overige betrokken instellingen en organen, en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

  PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.

(2)

  PB L 103 van 22.4.2015, blz. 1.

(3)

  PB L 168, van7.6.2014, blz. 105.

(4)

  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(5)

  PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(6)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0378.

(7)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0599.

(8)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0455.

(9)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0456.

(10)

  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0304.

(11)

  Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0078.

(12)

  Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0360.

(13)

  Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0266.


ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken (25.5.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake de voorbereiding van de post-electorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel

(2015/2353(INI))

Rapporteur voor advies: Neena Gill

SUGGESTIES

De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt dat de EU te kampen heeft met een ongekend aantal crises in haar nabuurschap en verder weg, meer bepaald de vluchtelingencrisis, bedreigingen van de veiligheid en gewapende conflicten, die de kernwaarden in het gevaar brengen en waartegen solidariteit en versterkt gemeenschappelijk extern optreden noodzakelijk zijn; herhaalt dat solidariteit met betrekking tot het stijgend aantal natuurrampen noodzakelijk is; benadrukt dat deze crises onvoorzien waren op het moment dat het meerjarig financieel kader (MFK) 2014-2020 werd afgesloten; herinnert eraan dat het totaal voor rubriek 4 met 16 % werd verlaagd ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie, waardoor het vermogen van de EU om op deze nieuwe uitdagingen te reageren en haar politieke toezeggingen na te komen aanzienlijk werd verzwakt; dringt er bij de Commissie op aan een voorstel voor een herziening in te dienen waarin de vastleggingskredieten in deze rubriek worden verhoogd om bijkomende financiering te mobiliseren; dringt er bij de Commissie op aan een op prestaties gebaseerde begrotingsaanpak te integreren, rekening houdend met de specifieke aard van extern optreden ;

2.  onderstreept dat de migratie- en vluchtelingencrisis prioritair moet worden aangepakt, maar benadrukt dat dit niet ten koste mag gaan van beleid op andere gebieden, waaronder gebieden die essentieel zijn om de uitdagingen op de lange termijn en de onderliggende oorzaken van de huidige crisis aan te pakken; is ervan overtuigd dat reacties op humanitaire nood hand in hand moeten gaan met ontwikkelingsprocessen, het bereiken van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, het bevorderen van een stabiele en veilige omgeving waarin ontwikkeling kan plaatsvinden, en het bevorderen van de mensenrechten en alle andere EU-prioriteiten op het vlak van buitenlands beleid;

3.  is van mening dat de huidige flexibiliteitsmechanismen niet voldoende groot en flexibel zijn om op gepaste wijze op de veranderde situatie te reageren; herinnert eraan dat de Commissie, voornamelijk wegens een gebrek aan middelen, een aantal ad-hocinstrumenten heeft opgericht, onder meer de EU-trustfondsen voor Syrië, Afrika en de Centraal-Afrikaanse Republiek en de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije; erkent het potentieel van deze instrumenten om de financiële reactie van de EU te verhogen, maar benadrukt dat er voor het beheer van deze financiële instrumenten behoefte is aan transparantie, verantwoordingsplicht en democratische controle en uit zijn ontzetting over het feit dat de lidstaten de beloften op het vlak van financiering niet nakomen; dringt erop aan dat het Europees Parlement controle heeft over het bestuur van de trustfondsen;

4.  vraagt de Commissie een hervorming van de flexibiliteitsmechanismen in het kader van het MFK voor te stellen, waarbij onder meer een permanente EU-crisisreserve wordt gecreëerd waardoor via flexibele procedures bijkomende middelen ter beschikking kunnen worden gesteld wanneer nodig, waardoor snel op dringende en instabiele situaties kan worden gereageerd; wijst erop dat noodfinanciering om te reageren op crises en onvoorziene situaties uit de aard der zaak geput moet worden uit speciale instrumenten en niet mag worden meegerekend in de maximumbedragen die in het MFK gelden; is van mening dat de mogelijkheid om niet-toegewezen fondsen tussen rubrieken over te schrijven het vermogen om op veranderende uitdagingen te reageren zou verhogen, waardoor het maximaal gebruik van de MFK-plafonds ook mogelijk wordt gemaakt; wijst erop dat de bestaande fondsen op de meest efficiënte manier moeten worden gebruikt; benadrukt het belang van de noodhulpreserves en dat hiervoor voldoende fondsen moeten worden behouden;

5.  benadrukt dat het herziene MFK moet kunnen reageren op de behoeften van de externe financieringsinstrumenten na hun tussentijdse evaluatie in 2017 en vraagt dat beide evaluatieprocessen voortaan meer samenhangen en beter gecoördineerd worden;

6.  dringt er bij de Commissie op aan de looptijd van het volgende MFK gelijk te trekken met de politieke cyclus van de Commissie en het Parlement om de democratische verantwoordingsplicht en transparantie van de meerjarige begroting te verbeteren.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

23.5.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

36

7

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Lars Adaktusson, Michèle Alliot-Marie, Petras Auštrevičius, Amjad Bashir, Bas Belder, Goffredo Maria Bettini, Elmar Brok, Klaus Buchner, James Carver, Lorenzo Cesa, Javier Couso Permuy, Mark Demesmaeker, Georgios Epitideios, Knut Fleckenstein, Eugen Freund, Michael Gahler, Iveta Grigule, Afzal Khan, Janusz Korwin-Mikke, Eduard Kukan, Ilhan Kyuchyuk, Ryszard Antoni Legutko, Barbara Lochbihler, Sabine Lösing, Ramona Nicole Mănescu, David McAllister, Tamás Meszerics, Francisco José Millán Mon, Javier Nart, Pier Antonio Panzeri, Demetris Papadakis, Ioan Mircea Paşcu, Vincent Peillon, Alojz Peterle, Tonino Picula, Cristian Dan Preda, Jozo Radoš, Jaromír Štětina, Charles Tannock, Boris Zala

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Luis de Grandes Pascual, Marek Jurek, Bodil Valero

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Ricardo Serrão Santos, Renate Weber


ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (30.5.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake de voorbereiding van de post-electorale herziening van het MFK 2014‑2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel

(2015/2353(INI))

Rapporteur voor advies: Paul Rübig

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herinnert eraan dat de eerste jaren van het MFK gekenmerkt werden door ernstige tekorten aan betalingskredieten in de begroting met negatieve gevolgen voor de tenuitvoerlegging van externebeleidsprogramma's; dringt erop aan voor een adequaat betalingsniveau te zorgen onder rubriek 4, teneinde een herhaling van dit probleem te voorkomen;

2.  wijst op de enorme omvang van de wereldwijde behoefte aan humanitaire hulp en aan rampenrisicovermindering, rampen- en epidemieparaatheid en de opbouw van herstelcapaciteit in ontwikkelingslanden; merkt daarnaast op dat deze behoeften toenemen ten gevolge van conflicten en oorlogen, mensenrechtenschendingen, slecht bestuur en corruptie, gebrekkige verstrekking van sociale basisvoorzieningen, met inbegrip van broze zorgstelsels, het gebrek aan universele gezondheidszorgdekking en investeringen in gezondheidsinnovatie, toenemende economische en sociale ongelijkheid, alsmede klimaatverandering en wedijver om schaarse hulpbronnen; vindt dat ten aanzien van de hulpbronnen voor ontwikkelings- en humanitaire hulp, alsook de financiën daarvoor, voor meer transparantie, verantwoordingsplicht en verslaglegging moet worden gezorgd, met – indien nodig – een snelle goedkeuring door de begrotingsautoriteit, met name gezien de nieuwe Agenda 2030, en teneinde invulling te geven aan de beginselen van samenhang in het ontwikkelingsbeleid (PCD); is ervan overtuigd dat dit ook in het belang van de EU is, aangezien het toekomstige migratiedruk voorkomt;

3.  merkt op dat uitgaven ter dekking van kosten voor vluchtelingen in donorlanden, hoewel ze gedeeltelijk onder de definitie van officiële ontwikkelingshulp (ODA) van het Commissie voor Ontwikkelingsbijstand (DAC) van de OESO vallen, niet bijdragen tot duurzame ontwikkeling in ontwikkelingslanden en tot bestrijding van de achterliggende oorzaken van migratie; stelt vast dat een aantal lidstaten meer melding maken van kosten voor vluchtelingen in donorlanden als ODA; herhaalt dat doeltreffende humanitaire hulp en ontwikkelingsprogramma's gericht moeten zijn op het aanpakken van de achterliggende oorzaken van migratie in ontwikkelingslanden en niet ten koste mogen gaan van de EU-financiering voor ontwikkeling en beleid op andere terreinen;

4.  herinnert eraan dat de migranten- en vluchtelingencrisis aanzienlijke gevolgen heeft gehad voor de EU-begroting en dat er ook in de komende jaren dynamisch op gereageerd zal moeten blijven worden; steunt de volledige benutting van de middelen die beschikbaar zijn onder de rubrieken 3 en 4 van de EU-begroting 2014‑2016; dringt in dit verband aan op een verhoging van de maxima om de migratie- en vluchtelingencrisis naar behoren te kunnen oplossen;

5.  wijst erop dat financiële middelen nodig zijn om alle aspecten van duurzame ontwikkelingsdoelstelling (SDG) 16 te verwezenlijken; is van oordeel dat het bevorderen van vrede, de rechtsstaat, mensenrechten, goed bestuur en onderwijs in ontwikkelingslanden cruciaal is voor het bewerkstelligen van vrede en veiligheid, het bestrijden van armoede en ongelijkheid, en – op de langere termijn – het uitroeien van armoede; verwerpt het gebruik van ontwikkelingshulp voor andere doelstellingen dan ontwikkeling, en onderschrijft daarmee nog eens hetgeen staat in artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU); benadrukt dat de hiervoor bestemde financiering, die geen deel uitmaakt van ODA, afkomstig moet zijn van andere instrumenten dan het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) of het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) of andere regelingen die uitsluitend profiteren van deze instrumenten, zoals het EU-noodtrustfonds voor Afrika;

6.  benadrukt dat er voldoende gezondheidszorg-gerelateerde uitgaven moeten worden gedaan met het oog op uitbrekende epidemieën; herhaalt dat er effectieve en uitgebreide zorgstelsels moeten komen met betaalbare geneesmiddelen om SDG3 te verwezenlijken; moedigt beter gebruik aan van alle MFK-programma's, zoals Horizon 2020, het DCI, het EOF of het gezondheid voor groei-programma, om mondiale gezondheidsproblemen aan te pakken die gemakkelijk gevolgen kunnen hebben voor Europa zelf;

7.  wijst erop dat trustfondsen zijn ontwikkeld omdat de EU-begroting niet over voldoende middelen en flexibiliteit beschikt om snel en op substantiële wijze te kunnen inspelen op grote crises; dringt aan op een adequate oplossing die voorziet in waterdicht toezicht door de begrotingsautoriteit, teneinde de eenheid van de begroting en de eerbiediging van het beginsel van democratisch zeggenschap te verbeteren;

8.  herinnert eraan dat de EU harde toezeggingen gedaan heeft met betrekking tot de effectiviteit van de hulp, met name betreffende het beginsel van democratische eigen verantwoordelijkheid voor ontwikkelingsprogramma's door de ontvangers van de hulp en de afstemming van de EU-hulp op de prioriteiten van de ontwikkelingslanden; merkt op dat deze beginselen moeten worden geëerbiedigd bij de EU-respons op migratie, bijv. bij het opzetten van het EU-Afrika trustfonds dat specifiek werd gecreëerd om omslachtiger EOF-procedures, waarin de hulpeffectiviteitsbeginselen wel worden toegepast, te omzeilen; dringt er bij de Commissie op aan met een voorstel te komen om de Vredesfaciliteit voor Afrika uit andere middelen te financieren;

9.  wijst er daarnaast op dat voor het stimuleren van ontwikkelingen zoals die in Myanmar/Birma en Colombia passende maatregelen en middelen van de EU nodig zijn;

10.  onderstreept dat voldoende financiering nodig is voor de verwezenlijking van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, en wijst erop dat de totale ODA van de EU in 2015 0,47 % van het bnp van de EU uitmaakte; betreurt dat de EU er niet in geslaagd is haar toezegging van 0,7 % ODA/bni tegen 2015 gestand te doen; herinnert aan de recente hernieuwing van de collectieve toezegging van de EU om haar ODA te verhogen tot 0,7 % van het bni; wijst erop dat dit een aanzienlijke verhoging van de middelen vereist, en benadrukt dat hier bij de herziening van het MFK rekening mee moet worden gehouden; dringt er bij de EU-lidstaten op aan een duidelijk plan op te stellen voor hun toezegging om 0,7 % van hun bni aan ODA bij te dragen;

11.  herinnert eraan dat tijdige en voorspelbare financiering voor humanitaire hulp het best wordt gedragen wanneer er geen kloof is tussen betalingen en vastleggingen, en verzoekt de Commissie een voorstel uit te werken om – wat acties voor humanitaire hulp betreft – betalingen stelselmatig gelijk te laten zijn aan vastleggingen;

12.  verzoekt de EU en haar lidstaten met klem te stoppen met het kunstmatig opblazen van hulp en kunstmatig opgeblazen hulpposten buiten de ODA-rapportages te houden (bijv. vluchtelingenkosten, aangerekende studentenkosten, gebonden steun, rente op leningen en schuldvermindering);

13.  steunt de financiering door de EU van klimaatmaatregelen in ontwikkelingslanden, en dringt erop aan om zich te scharen achter het voornemen van de ontwikkelingslanden om dergelijke steun niet ten koste te laten gaan van ODA die geen verband houdt met klimaatverandering; dringt aan op het beschikbaar stellen van aanvullende middelen voor bijkomende behoeften;

14.  dringt erop aan dat de tussentijdse evaluatie van de MFK-ontwikkelingsprogramma's gebeurt op basis van hun prestaties ten aanzien van de gestelde doelen en doelstellingen, het opnamevermogen en de meerwaarde van de EU, waarbij rekening wordt gehouden met de late uitvoering van het huidige kader, en de toezeggingen die in de tussentijd zijn gedaan, zoals de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling; beveelt aan dat onvoldoende nagekomen toezeggingen, zo nodig, worden voorzien van het benodigde budget;

15.  herinnert aan de EU-toezegging om ten minste 20 % van haar ODA toe te wijzen aan sociale basisdiensten, met het accent op onderwijs en gezondheidszorg; is van mening dat het recht op een zo hoog mogelijk gezondheidsniveau een fundamenteel mensenrecht is en dat universele toegang tot gezondheidszorg en ‑dekking, waaronder seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, een sterke stuwende kracht is achter ontwikkeling en van essentieel belang is voor het bevorderen van gendergelijkheid, betere voeding en onderwijsresultaten; benadrukt dan ook dat er, in de context van de snel opkomende epidemieën en in het licht van de behoefte aan omvangrijke investeringen om veerkrachtige zorgstelsels te creëren en toegang te bieden tot betaalbare essentiële geneesmiddelen in tal van landen met lage en middeninkomens, gezondheidsgerelateerde uitgaven nodig zijn om de Agenda 2030 te verwezenlijken.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.5.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

19

1

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Beatriz Becerra Basterrechea, Nirj Deva, Doru-Claudian Frunzulică, Maria Heubuch, György Hölvényi, Linda McAvan, Norbert Neuser, Maurice Ponga, Lola Sánchez Caldentey, Elly Schlein, Davor Ivo Stier, Bogdan Brunon Wenta, Rainer Wieland

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Marina Albiol Guzmán, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Carolina Punset, Paul Rübig, Adam Szejnfeld, Patrizia Toia, Jan Zahradil

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

John Stuart Agnew


ADVIES van de Commissie internationale handel (25.5.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake de voorbereiding van de post-electorale herziening van het MFK 2014‑2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel

(2015/2353(INI))

Rapporteur voor advies: Reimer Böge

SUGGESTIES

De Commissie internationale handel verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt dat het handelsbeleid van de EU, dat open markten in een geest van wederkerigheid bevordert om economische groei, werkgelegenheid en ontwikkeling te stimuleren, bijdraagt tot de stabiliteit en de welvaart van zowel de EU als derde landen; dringt aan op passende financiering om de Commissie in staat te stellen de ambitieuze agenda in het kader van haar strategie "Handel voor iedereen" uit te voeren;

2.  stelt vast dat de sluiting van elke nieuwe vrijhandelsovereenkomst een aanzienlijk inkomstenverlies voor de eigen middelen van de Unie inhoudt; verzoekt de Commissie nauwkeurig te berekenen welk inkomstenverlies mag worden verwacht bij elke vrijhandelsovereenkomst waarover momenteel wordt onderhandeld, en duidelijk aan te geven via welke herschikkingen in de begroting het totaal van deze verliezen zal worden gecompenseerd; verzoekt de Commissie met concrete voorstellen te komen voor de bijdrage die de internationale handel in de toekomst moet leveren aan de nieuwe structuur van de begroting en de eigen middelen van de Unie;

3.  is van mening dat de migratie- en vluchtelingencrisis ernstige tekortkomingen heeft aangetoond in de samenhang van het optreden van de EU in de oostelijke en zuidelijke buurlanden en in de Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara; roept de Commissie op de herziening van het MFK aan te grijpen om een fundamentele hervorming van de beleidsstrategie van de EU jegens haar partners in gang te zetten teneinde de samenhang van het ontwikkelingsbeleid te vergroten en de oorzaken voor migratie doeltreffend aan te pakken; benadrukt dat de financiering van programma's om de vluchtelingencrisis te beperken, niet mag worden afgetrokken van de uitgaven voor officiële ontwikkelingshulp;

4.  benadrukt dat de cruciale rol van kmo's voor de economie van de EU tot uiting moet komen in een omvattende en samenhangende strategie die Europese kmo's een ondernemingsvriendelijk klimaat aanreikt en hun internationale handels- en investeringsmogelijkheden bevordert; verzoekt de Commissie in dit verband specifieke en duidelijke gidsen voor kmo's te ontwikkelen over de mogelijkheden en voordelen van elke door de EU gesloten handelsovereenkomst; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om de doeltreffendheid en doelmatigheid van de diverse initiatieven (zowel particuliere als van de lidstaten zelf) in het kader van het partnerschapsinstrument ter bevordering van de internationalisering van kmo's te beoordelen en te verbeteren, en dit ook te doen voor andere financieringsinstrumenten van de EU ter ondersteuning van kmo's, zoals Cosme, om ervoor te zorgen dat ze elkaar aanvullen en een Europese meerwaarde bieden;

5.  wijst erop dat er, ondanks de budgettaire beperkingen, steeds meer een beroep wordt gedaan op garanties en financiële instrumenten buiten de EU-begroting om het hoofd te bieden aan de vele crises; betreurt de diverse bezuinigingen in rubriek 4 om te voorzien in financiering voor de nieuwe trustfondsen voor Syrië en Afrika en de faciliteit voor vluchtelingen in Turkije; benadrukt dat dergelijke financieringsinstrumenten de vastgestelde criteria inzake doeltreffendheid van de hulp, zoals eigen verantwoordelijkheid en op elkaar afgestemd zijn, moeten eerbiedigen, een uitzondering moeten blijven en uiteindelijk in de begroting moeten worden opgenomen om de democratische verantwoordingsplicht te waarborgen;

6.  herinnert eraan dat het niveau van de nog betaalbaar te stellen vastleggingen (RAL) in rubriek IV, na een gestage stijging sinds 2010, in 2015 een ongekend niveau heeft bereikt; benadrukt dat er in rubriek IV voldoende betalingskredieten ten opzichte van de vastleggingen beschikbaar moeten zijn om te voorkomen dat in de toekomst opnieuw een onhoudbare betalingsachterstand ontstaat; dringt er bij de Raad op aan het maximum voor de betalingskredieten naar boven te herzien om tegen het einde van het huidige meerjarig financieel kader een nieuwe betalingscrisis te voorkomen; benadrukt dat elk verlies van beschikbare vastleggingskredieten daadwerkelijk moet worden voorkomen gezien de zeer krappe maxima van het MFK; vraagt daarom dat vastleggingskredieten die worden geannuleerd als gevolg van een gedeeltelijke of niet-uitvoering, opnieuw worden opgevoerd in de EU-begroting voor een doel dat door het Parlement en de Raad in het kader van de begrotingsprocedure wordt overeengekomen;

7.  is van mening dat het Europees Garantiefonds voor externe maatregelen een doeltreffend en doelmatig mechanisme is om de risico's te dekken die verband houden met leningoperaties van de EU in derde landen; dringt erop aan dat er meer leningen beschikbaar worden gesteld om kmo's te ondersteunen en sociale en economische infrastructuur te ontwikkelen in de regio's die het zwaarst door de migratie- en vluchtelingencrisis worden getroffen, teneinde het migratieprobleem te helpen aanpakken; dringt erop aan dat hierbij met name wordt voortgebouwd op de ervaringen op het gebied van fair trade en dat de betreffende structuren en beginselen op duurzame wijze worden versterkt;

8.  benadrukt dat de waardevolle steun in het kader van het EU-mechanisme voor macrofinanciële bijstand aan partnerlanden die met ernstige economische moeilijkheden kampen, correct tot uiting moet komen in de EU-begroting;

9.  dringt aan op voldoende middelen in rubriek 5 om handelsovereenkomsten vooraf, tussentijds en achteraf te evalueren, de kwaliteit en de doelmatigheid ervan te verbeteren door de gebruikte methodes te herzien, en te waarborgen dat de verplichtingen van de EU en haar handelspartners volledig worden nageleefd en gehandhaafd.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.5.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

30

1

8

Bij de eindstemming aanwezige leden

Maria Arena, Tiziana Beghin, Daniel Caspary, Salvatore Cicu, Marielle de Sarnez, Santiago Fisas Ayxelà, Karoline Graswander-Hainz, Ska Keller, Jude Kirton-Darling, Alexander Graf Lambsdorff, Bernd Lange, David Martin, Emmanuel Maurel, Emma McClarkin, Anne-Marie Mineur, Sorin Moisă, Alessia Maria Mosca, Artis Pabriks, Franck Proust, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Viviane Reding, Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández, Tokia Saïfi, Marietje Schaake, Helmut Scholz, Joachim Schuster, Joachim Starbatty, Adam Szejnfeld, Hannu Takkula, Iuliu Winkler, Jan Zahradil

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Reimer Böge, Edouard Ferrand, Sander Loones, Georg Mayer, Lola Sánchez Caldentey, Judith Sargentini, Jarosław Wałęsa

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Dominique Bilde


ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (31.5.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake de voorbereiding van de post-electorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel

(2015/2353(INI))

Rapporteur voor advies: Georgi Pirinski

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  onderstreept dat de post-electorale herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) van essentieel belang is en rekening moet houden met de bestaande en de nieuwe politieke uitdagingen en prioriteiten waar de EU en de lidstaten mee worden geconfronteerd, zoals de hoge armoedeniveaus, sociale uitsluiting, werkloosheid, ongelijkheid en de vluchtelingencrisis, teneinde ervoor te zorgen dat de EU de doelstellingen van de Europa 2020-strategie kan verwezenlijken; onderstreept dat het schuiven met financiële middelen om op noodsituaties in te spelen geen duurzame oplossing is; onderstreept dat het voor het verwezenlijken van de strategische doelstellingen van de Unie en voor meer economische, sociale en territoriale cohesie belangrijk is dat niet wordt getornd aan de bestaande middelentoewijzing; vraagt dat de aan de werkloosheid en het sociaal beleid gerelateerde plafonds van het MFK naar boven worden bijgesteld en dat de flexibiliteit van het MFK wordt vergroot, teneinde op onverwachte sociale omstandigheden te kunnen inspelen;

2.  stelt vast dat de plafonds van het bestaande MFK zijn overschreden, hetgeen de levensvatbaarheid van de tweede helft van het MFK is gevaar brengt; vraagt de Commissie dan ook om voor een daadwerkelijke tussentijdse herziening van zowel de MFK-plafonds, als de bepalingen van de MFK-verordening te zorgen, en rekening te houden met de bevindingen van de evaluatie zodat er voor de EU een haalbaar begrotingskader gecreëerd wordt om de prioritaire doelstellingen te verwezenlijken en de grote uitdagingen aan te pakken;

3.  beklemtoont dat de arbeidsparticipatie in de EU momenteel 69,2 % bedraagt - hetgeen ver achterblijft bij de doelstelling voor 2020 -, dat de werkloosheid met name hoog blijft onder vrouwen, jongeren, ouderen en achterstandsgroeperingen, en dat meer dan 12 miljoen personen in Europa langdurig werkloos zijn, hetgeen neerkomt op 5 % van de Europese beroepsbevolking; herinnert in dit verband aan de onlangs aangenomen aanbeveling van de Raad van 15 februari 2016 over de integratie van langdurig werklozen in de arbeidsmarkt(1), die eens te meer de behoefte aan krachtig Uniebeleid en aan de terbeschikkingstelling van adequate financiering duidelijk maakt; dringt aan op meer Europese publieke en private investeringen in vaardigheden en nieuwe, hoogwaardige en duurzame werkgelegenheid, waaronder in groene banen en banen in de sociale economie en in de sociale, de gezondheids- en de zorgsector, middels de specifieke toewijzing van middelen van het Europees Sociaal Fonds (ESF) en versterking ervan;

4.  wijst erop dat alle middelen die voor het Jeugdwerkgelegenheidsinitiatief (YEI) waren gereserveerd naar voren waren gehaald in 2014 en 2015, en dat uit de beschikbare cijfers blijkt dat deze middelen tot nu toe volledig zijn geabsorbeerd; vindt het erg belangrijk dat het YEI wordt gecontinueerd en dat de werking ervan wordt geanalyseerd en beoordeeld, zoals gevraagd in de Gezamenlijke Verklaring die onderdeel van het akkoord over de begroting voor 2016 uitmaakte, waarbij rekening moet worden gehouden met het verslag van de Rekenkamer, dat naar verwachting begin 2017 af zal zijn; dringt erop aan de tenuitvoerlegging van het YEI middels een aantal noodzakelijke correcties te verbeteren, teneinde te bewerkstelligen dat de investeringen doeltreffend zijn en daadwerkelijk bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma; dringt erop aan de terbeschikkingstelling van financiële middelen aan dit initiatief tot ten minste 2020 te verlengen;

5.  geeft aan dat het bestrijden van de jeugdwerkloosheid een topprioriteit is en vraagt de lidstaten ondernemerschap en hoogwaardige stages voor jongeren te bevorderen als mechanismen voor het scheppen van werkgelegenheid en directe toegang tot werk, waarbij in het bijzonder voor arbeidsbescherming en adequate socialezekerheidsdekking moet worden gezorgd; beklemtoont in dit verband dat het belangrijk is voldoende geld ter beschikking te stellen voor het vergroten van de mobiliteit van stagiairs, door stagiairs voor de middelen van Erasmus in aanmerking te laten komen tegen dezelfde voorwaarden als die gelden voor studenten;

6.  neemt er kennis van dat voor de nieuwe wetgeving inzake EURES en het Europees platform voor het aanpakken van zwartwerk gebruikt zal worden gemaakt van middelen van het programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI), en dringt erop aan in de EU-begroting voldoende middelen voor dit programma opzij te zetten, zonder de doelstellingen van de onderdelen PROGRESS en microfinanciering en sociaal ondernemerschap van EaSI in gevaar te brengen; vindt dat de huidige toewijzing van 61 % voor PROGRESS moet worden gehandhaafd, met name voor projecten op het gebied van en steun voor Uniebrede netwerken die zich voor sociale integratie en de bestrijding van armoede inzetten;

7.  beklemtoont dat de middelen van het ESF en het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen niet volstaan voor het aanpakken van de toenemende ongelijkheid en armoede, de ernstigste gevolgen van de economische crisis voor de arbeidsmarkt daar waar het gaat om de uitsluiting van jongeren en langdurig werklozen, en de ongekende vluchtelingenstroom; vraagt de Commissie meer middelen voor sociaal beleid uit te trekken en daarmee het cohesiebeleid te versterken, teneinde de maatschappelijke integratie van de vluchtelingen en hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten, maar ook om de EU-doelstellingen van het verbeteren van de werkgelegenheid en sociale integratie te verwezenlijken; verzoekt de Commissie daarom de bijdrage van ESF-middelen aan het cohesiebeleidbudget in het kader van de herziening van het MFK adequaat op te trekken; dringt erop aan dat in de lidstaten niet op de financiële middelen voor ESF-maatregelen wordt beknibbeld en dat jaarlijks voldoende cash flow ter beschikking wordt gesteld voor betalingen van de EU-begroting;

8.  wijst erop dat de EU de armoededoelstelling van de Europa 2020-strategie bij lange na nog niet haalt, hetgeen aangeeft dat de beleidsmaatregelen op dit vlak, met name voor mensen in een kwetsbare positie, niet het gewenste effect hebben gehad; dringt aan op effectbeoordelingen en 'waar-voor-je-geld'-analyses om te achterhalen wat hiervoor de redenen zijn; wijst erop dat 24,4 % van de mensen in de EU het risico lopen met armoede en sociale uitsluiting te worden geconfronteerd, en dat hun aantal sinds 2008 met 5 miljoen is toegenomen; vindt dan ook dat aan socialebeleidsmaatregelen meer financiële middelen ter beschikking moeten worden gesteld, ter bevordering van sociale investeringen, waaronder in kwalitatief hoogwaardige sociale diensten en de sociale economie; vraagt de Commissie te overwegen ten minste 25% van de ESF-middelen in te zetten voor de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, en er goed op te letten dat de voor dit doel bedoelde middelen ook daadwerkelijk daarvoor worden gebruikt;

9.  vestigt de aandacht op het enorme probleem van de kinderarmoede in Europa, waar 20 miljoen kinderen meer worden geconfronteerd (gemiddeld 27,8 % in de EU-28 en bijna 50 % in sommige lidstaten), doordat ze leven in gezinnen die dag-in dag-uit te maken hebben met het ontbreken van inkomsten en het niet kunnen beschikken over fundamentele diensten, zoals voedsel, huisvesting, onderwijs en gezondheidszorg; herhaalt zijn oproep aan de Commissie en de lidstaten voor een 'kindergarantie', waarmee kinderen prioriteit krijgen in de bestaande armoedebestrijdingsinspanningen, en de nodige middelen voor de volledige implementatie van deze inspanningen ter beschikking te stellen, en ouders te helpen bij het overwinnen van sociale uitsluiting en werkloosheid door middel van gerichte maatregelen, zoals opleiding en de ontwikkeling van vaardigheden;

10.  is van oordeel dat jaarlijks ten minste 150 miljoen EUR (in prijzen van 2011) van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisatie voor mobilisatie beschikbaar moet blijven, aangezien dit instrument, ondanks de onderbenutting ervan tot nu toe, enorm veel potentieel heeft voor het helpen van werknemers die met de gevolgen van vergaande structurele economische veranderingen worden geconfronteerd;

11.  onderstreept dat synergie-effecten tussen en coördinatie van de vijf Europese Structuur- en Investeringsfondsen, in het bijzonder het ESF en het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), en andere EU-instrumenten hun doeltreffendheid kunnen vergroten en moeten worden aangemoedigd;

12.  herinnert eraan dat de EU-begroting ten dele een investeringsbegroting met een sterk hefboomeffect is en als een sterk instrument kan fungeren voor het opvoeren van strategische investeringen met een Europese meerwaarde, hetgeen aansluit bij een benadering gericht op duurzame en inclusieve groei en hoogwaardige werkgelegenheid en het genereren van opwaartse sociale convergentie; vindt dat bij de herziening van het MFK ook gekeken moet worden naar de impact van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) op bestaande EU-programma's, gezien het belang van die programma's voor met name de economische ontwikkeling en nieuwe banen, met inachtneming van het feit dat het EFSI een belangrijke rol toekomt bij het aanzwengelen van de investeringen in Europa;

13.  onderstreept dat investeringen in onderzoek en ontwikkeling cruciaal zijn voor het concurrentievermogen van de Europese economie en voor het scheppen van nieuwe banen; geeft overigens aan dat uit de meest recente gegevens van Eurostat blijkt dat de investeringen in O&O slechts 2,03 % van het bbp van de EU uitmaken, hetgeen ver achterblijft bij de doelstelling die in de Europa 2020-strategie is vastgelegd; vraagt de Commissie met klem de bezuinigingen op de middelen voor Horizon 2020 ten faveure van het EFSI volledig te compenseren;

14.  beklemtoont dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) met name in plattelandsgebieden in belangrijke mate aan groei en werkgelegenheid bijdraagt, en herinnert eraan dat één baan in de landbouwsector zeven banen in aan de landbouw gerelateerde sectoren genereert; pleit voor handhaving van de kredieten onder rubriek 2 van het MFK, gezien het enorme werkgelegenheidsbelang van het GLB; herinnert eraan dat het GLB de inkomensvolatiliteit van de landbouwers helpt opvangen, met name in crisistijd, en landbouwers, waaronder de jongere generaties, ook helpt een eigen bedrijf te starten en op te bouwen, zodat het zich tot een winstgevende en welvarende onderneming kan ontwikkelen, en kan bijdragen tot directe en indirecte werkgelegenheid;

15.  verzoekt de lidstaten, in de wetenschap dat 13,1% van het bbp van de EU-27 aan reddingsoperaties voor banken is besteed, terwijl de EU-begroting niet eens 1% van datzelfde bbp bedraagt, alle middelen ter beschikking te stellen die noodzakelijk zijn voor het met succes aanpakken van de extreme uitdagingen waar de EU op dit moment mee wordt geconfronteerd.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

30.5.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

37

10

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laura Agea, Guillaume Balas, Brando Benifei, Mara Bizzotto, David Casa, Ole Christensen, Lampros Fountoulis, Arne Gericke, Czesław Hoc, Danuta Jazłowiecka, Rina Ronja Kari, Jan Keller, Ádám Kósa, Kostadinka Kuneva, Jean Lambert, Javi López, Thomas Mann, Dominique Martin, Elisabeth Morin-Chartier, João Pimenta Lopes, Georgi Pirinski, Terry Reintke, Sofia Ribeiro, Maria João Rodrigues, Claude Rolin, Anne Sander, Sven Schulze, Ulrike Trebesius, Marita Ulvskog

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Daniela Aiuto, Rosa D’Amato, Rosa Estaràs Ferragut, Tania González Peñas, Richard Howitt, Dieter-Lebrecht Koch, Edouard Martin, Tamás Meszerics, Evelyn Regner, Joachim Schuster, Michaela Šojdrová, Helga Stevens, Flavio Zanonato

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Xabier Benito Ziluaga, Jens Geier, Sylvie Goddyn, Andrej Plenković, Jasenko Selimovic

(1)

PB C 67 van 20.2.2016, blz. 1.


ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (27.4.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake de voorbereiding van de herziening van het MFK 2014-2020 na de verkiezingen: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel

(2015/2353(INI))

Rapporteur voor advies: Francesc Gambús

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  vraagt dat het meerjarig financieel kader (MFK) wordt herzien om te garanderen dat de Europese Unie haar de doelstellingen van het klimaat- en energiebeleid voor 2020 verwezenlijkt en op koers ligt om op de meest efficiënte manier de doelstellingen van de COP21 in Parijs en de energie- en klimaatdoelstellingen van de EU voor 2030 en 2050 te halen; benadrukt dat de hervorming van de Europese economie in een duurzame koolstofarme economie een van de voornaamste uitdagingen is waaraan de Europese Unie de komende jaren het hoofd zal moeten bieden; merkt verder op dat krachtens de Overeenkomst van Parijs EU-financiering moet worden toegewezen aan steun voor klimaatmaatregelen in ontwikkelingslanden; verzoekt de Commissie hier werk van te maken bij de evaluatie/herziening van het MFK;

2.  merkt op dat ten minste 20 % van het MFK voor de periode 2014-2020 moet worden besteed aan klimaatgerelateerde maatregelen en constateert dat met de mainstreamingmethode van de Commissie is berekend dat 12,7 % van de begroting van 2014 was besteed aan klimaatverandering en dat daarvoor 12,5 % was uitgetrokken in de ontwerpbegroting van 2015; dringt er bij de Commissie op aan definitieve cijfers te verstrekken over de uitgevoerde begroting van 2015 evenals de toekomstige uitgaven voor klimaatmaatregelen die nodig zijn in de resterende jaren van het huidige MFK om de doelstelling van 20 % te halen om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs worden gehaald; roept de Commissie op te garanderen dat het mechanisme voor de mainstreaming van de klimaatverandering volledig operationeel is; benadrukt dat een verhoging van de huidige 20 % van de EU-begroting die bestemd is voor klimaatgerelateerde maatregelen als een begrotingsneutraal middel beschouwd zou kunnen worden om Europa in een duurzame, koolstofarme economie te kunnen veranderen;

3.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat financiële middelen van de Unie geen subsidies omvatten die schadelijk zijn voor het klimaat noch waarmee star wordt vastgehouden aan de infrastructuur voor fossiele brandstoffen noch ter ondersteuning van activiteiten die schadelijk zijn voor de ecosystemen en de biodiversiteit noch voor brandstoffen; verzoekt de Commissie ook een doeltreffende methode in te voeren om de uitgaven uit de begroting van de Unie voor biodiversiteit te kunnen volgen;

4.  benadrukt dat de herziening van het MFK niet mag worden aangegrepen door de lidstaten om hun verantwoordelijkheden bij de in Parijs overeengekomen doelstelling om 100 miljard dollar per jaar te besteden aan de gezamenlijke steun voor ontwikkelingslanden af te schuiven op de EU-begroting;

5.  constateert dat er in de uitvoeringsverordening voor Horizon 2020 een ambitieuzer klimaatdoel is gesteld dan in de algemene EU-begroting; is van mening dat de klimaatmaatregelen binnen Horizon 2020 op accuratere en completere wijze moeten worden bijgehouden en dat meer aandacht moet worden besteed aan de componenten van Horizon 2020 die mogelijk relevant zijn voor het klimaat maar tot nu toe geen noemenswaardige klimaatactie hebben opgeleverd, zodat klimaatgerelateerde uitgaven meer dan 35 % van de algemene begroting voor Horizon 2020 kunnen belopen;

6.  is van mening dat de toegevoegde waarde van de ecosystemen en biodiversiteit van het Europese milieu, die moet worden gewaarborgd, in het MFK moet worden erkend door in de volgende begrotingen voldoende middelen toe te kennen om deze biodiversiteit te beschermen, vooral maar niet alleen in plattelandsgebieden;

7.  benadrukt dat we ervoor moeten zorgen dat de algemene EU-uitgaven geen negatieve gevolgen hebben voor de biodiversiteit, maar juist bijdragen aan de verwezenlijking van onze biodiversiteitsdoelstellingen, gezien de huidige EU-toezeggingen om het verlies van biodiversiteit en de achteruitgang van ecosysteemdiensten in Europa uiterlijk in 2020 een halt toe te roepen;

8.  is van mening dat het MFK moet voorzien in gepaste begroting en financiering voor het Natura 2000-netwerk, in het bijzonder via het LIFE-programma, dat gericht is op de tenuitvoerlegging van milieu-, energie- en klimaatdoelstellingen en de integratie hiervan in andere beleidsdomeinen en praktijken van de lidstaten; stelt met bezorgdheid vast dat er in de begroting van 2015 minder betalingskredieten beschikbaar zijn voor het LIFE-programma, voornamelijk vanwege het uitstellen van een aantal projecten als gevolg van de economische situatie en de vertragingen in de betalingen voor het financiële instrument Natural Capital Financing Facility;

9.  verzoekt de Commissie zo snel mogelijk een geschiktheidscontrole uit te voeren van het GLB, aan de hand van de vijf criteria voor geschiktheid: toegevoegde waarde voor de EU, relevantie, doeltreffendheid, efficiëntie en beleidssamenhang;

10.  is van mening dat de financiering voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid moet worden afgestemd op de milieubeleidsdoelstellingen van de Unie, onder andere beleidsdoelen op het vlak van luchtkwaliteit, water, biodiversiteit en klimaat;

11.  beschouwt het programma Gezondheid voor groei voor 2014-2020 als een cruciaal instrument en benadrukt dat er dan ook voor gezorgd moet worden dat de begroting van dit programma wordt behouden;

12.  verzoekt de Commissie te beoordelen of de doelstellingen van het Horizon 2020-programma worden gehaald na de herschikking van middelen naar het Europees Fonds voor strategische investeringen, en ten minste het oorspronkelijk begrote bedrag voor het programma te handhaven;

13.  merkt op dat de overgang naar een meer circulaire economie ten goede zal komen aan een efficiënt gebruik van energie en hulpbronnen, en zal bijdragen aan een verlaging van de broeikasgasemissies, en pleit dan ook voor toereikende financiële steun voor de tenuitvoerlegging van het pakket circulaire economie;

14.  is van mening dat de herziening van het MFK moet inspelen op het feit dat voedselveiligheid en -zekerheid, gezien de toenemende druk op hulpbronnen en de steeds vaker voorkomende plantenziekten, de komende jaren uitdagingen zullen zijn; deze bepaling kan worden gebruikt om slechte voedingstrends in de lidstaten aan te pakken en de voedselkwaliteit en -veiligheid te vergroten, en wel door de doeltreffendheid, efficiëntie en betrouwbaarheid van officiële controles te verbeteren, als een cruciaal hulpmiddel om een hoog veiligheidsniveau voor mensen, dieren en gewassen in de voedselketen in stand te houden en een hoog niveau van milieubescherming te waarborgen;

15.  is van mening dat bij de herziening van het MFK rekening moet worden gehouden met het groeiende aantal en de toenemende ernst van natuurlijke en door de mens veroorzaakte rampen door meer middelen uit te trekken voor het financieringsinstrument voor civiele bescherming en ervoor te zorgen dat die middelen flexibeler kunnen worden gebruikt.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

26.4.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

56

10

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Margrete Auken, Pilar Ayuso, Zoltán Balczó, Ivo Belet, Simona Bonafè, Biljana Borzan, Lynn Boylan, Soledad Cabezón Ruiz, Alberto Cirio, Birgit Collin-Langen, Mireille D’Ornano, Seb Dance, Angélique Delahaye, Jørn Dohrmann, Ian Duncan, Stefan Eck, Bas Eickhout, Eleonora Evi, José Inácio Faria, Karl-Heinz Florenz, Francesc Gambús, Elisabetta Gardini, Gerben-Jan Gerbrandy, Jens Gieseke, Julie Girling, Sylvie Goddyn, Matthias Groote, Françoise Grossetête, Andrzej Grzyb, György Hölvényi, Anneli Jäätteenmäki, Jean-François Jalkh, Benedek Jávor, Karin Kadenbach, Kateřina Konečná, Giovanni La Via, Peter Liese, Norbert Lins, Susanne Melior, Miroslav Mikolášik, Massimo Paolucci, Gilles Pargneaux, Piernicola Pedicini, Bolesław G. Piecha, Pavel Poc, Frédérique Ries, Daciana Octavia Sârbu, Annie Schreijer-Pierik, Davor Škrlec, Dubravka Šuica, Estefanía Torres Martínez, Nils Torvalds, Jadwiga Wiśniewska, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Clara Eugenia Aguilera García, Nikos Androulakis, Nikolay Barekov, Nicola Caputo, Mark Demesmaeker, Herbert Dorfmann, Fredrick Federley, Jacqueline Foster, Lampros Fountoulis, Giorgos Grammatikakis, Jan Huitema, Merja Kyllönen, Gesine Meissner, Younous Omarjee, Alojz Peterle, Marijana Petir, Gabriele Preuß, Christel Schaldemose, Jasenko Selimovic, Bart Staes, Kay Swinburne, Keith Taylor, Mihai Ţurcanu, Tom Vandenkendelaere, Carlos Zorrinho

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Marie-Christine Boutonnet, Linda McAvan


ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie (24.5.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake de voorbereiding van de post-electorale herziening van het MFK 2014‑2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel

(2015/2353(INI))

Rapporteur voor advies: Janusz Lewandowski

SUGGESTIES

De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is van mening dat de Commissie een grondige evaluatie moet uitvoeren van de werking van het huidige MFK, gevolgd door een herziening van de wetgeving;

2.  benadrukt dat in het Verdrag staat dat het Parlement en de Raad de twee takken van de begrotingsautoriteit vormen; dringt daarom aan op de volledige betrokkenheid van het Parlement bij de tussentijdse evaluatie en herziening van de MFK-verordening;

3.  wijst erop dat, waar de MFK-verordening sinds haar vaststelling grotendeels ongewijzigd is gebleven, de kadervoorwaarden voor de toepassing ervan wel zijn gewijzigd; benadrukt dat, na een echte evaluatie, deze uitdagingen in een wetgevingsvoorstel moeten worden aangepakt; wijst er in dit verband op dat de nieuwe instrumenten, zoals het EFSI, die pas na de vaststelling van de MFK-verordening in het leven zijn geroepen, naar behoren moeten worden opgenomen in de EU-begroting zonder dat dit negatieve financiële gevolgen heeft voor de overeengekomen programma's;

4.  wijst op de aanzienlijke langetermijngevolgen van het EFSI voor de EU-begroting; is van mening dat het EFSI investeert in projecten die niet dezelfde zijn als die waarop Horizon 2020 (H2020) en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF) zijn gericht, en bijgevolg de betrokken begrotingslijnen van H2020 en CEF niet volledig compenseert; benadrukt daarom dat, indien de EU haar doelstellingen op het gebied van onderzoek en innovatie wil halen, het unaniem overeengekomen financieringspeil voor deze programma's bij de herziening van het MFK volledig moet worden hersteld en het juiste evenwicht tussen subsidies en financiële instrumenten moet worden gehandhaafd; herinnert er in dit verband aan dat de CEF op het gebied van energie en telecommunicatie onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van de energie-unie en de digitale unie; benadrukt in dit verband het belang van het waarborgen van CEF-financiering om de doelstelling van interconnectie op elektriciteitsgebied van 10 % of meer te verwezenlijken;

5.  wijst erop dat de uitvoering van H2020 en Cosme heeft geleid tot een zeer hoog opnamepercentage en dat dit heeft geleid tot een zeer laag slagingspercentage in het kader van H2020, wat potentiële aanvragers afschrikt om hun projecten in te dienen;

6.  herhaalt dat het belangrijk is financiering voor het ITER-project te waarborgen om kernfusie te blijven zien als een geloofwaardige duurzame energiebron en een toekomstig onderdeel van de energiemix, alsook om meer bedrijven, kmo's en onderzoekscentra aan te trekken;

7.  is van mening dat nieuwe beleidsprioriteiten niet mogen worden voorgesteld ten koste van de overeengekomen programma's van het huidige MFK, met name H2020, CEF, Cosme, Galileo en Copernicus, of van de vooraf toegewezen nationale bedragen; benadrukt dat voor de resterende looptijd van het MFK, voor alle nieuwe prioriteiten in nieuwe financiering moet worden voorzien;

8.  roept de Commissie op de middelen te vrijwaren die reeds in het MFK 2014-2020 zijn toegewezen voor snelle en volledige uitvoering en exploitatie van de infrastructuur voor Galileo, Egnos en Copernicus, alsook voor steun aan downstream en upstream GNSS-toepassingen en aardobservatieactiviteiten; wijst eens te meer op de belangrijke rol die voor H2020 weggelegd kan zijn om de EU te helpen haar afhankelijkheid van derden voor essentiële ruimtevaarttechnologieën te verminderen; herinnert er in dat verband aan dat de ruimtevaartcomponent van H2020 onder de prioriteit "Industrieel leiderschap" valt, en met name binnen de specifieke doelstelling van "Leiderschap op het gebied van ontsluitende en industriële technologieën";

9.  dringt aan op meer coördinatie en maximale synergie tussen het EFSI, de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF), H2020, Cosme en CEF;

10.  verzoekt de begrotingsautoriteit te voorzien in maximale flexibiliteit zodat ongebruikte jaarlijkse kredieten kunnen worden toegewezen aan programma's in rubriek 1a, zoals H2020, Cosme en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen;

11.  wijst erop dat de programma's van de Unie er hebben toe bijgedragen dat kmo's in de EU toegang hebben tot financiering, en dat dit met name geldt voor kmo's in lidstaten die getroffen zijn door een ernstige en aanhoudende financiële crisis; dringt erop aan dat meer middelen worden toegewezen aan het programma zodat het tot nog meer kmo's kan worden uitgebreid en beter aan de diverse behoeften van kmo's kan voldoen; dringt in het bijzonder aan op een aanzienlijke uitbreiding van het kmo-instrument in het kader van H2020 zodat op zijn minst het bedrag wordt gehaald dat wettelijk is vastgesteld in de H2020-verordening; benadrukt dat de toegang tot financiering, en met name risicofinanciering, voor veel kmo's een groot probleem blijft; verzoekt de Commissie te zorgen voor meer transparantie op het gebied van kmo-financiering, met inbegrip van duidelijker begrotingstoezicht en -controle, en bij de tenuitvoerlegging ervan een daadwerkelijke bottom-upaanpak te garanderen;

12.  herinnert eraan dat de EU over een unieke mogelijkheid beschikt om internationale samenwerking op gang te brengen en overheidsmiddelen vrij te maken voor grensoverschrijdende kwesties; benadrukt dat financiering door de Unie daadwerkelijk maatregelen in gang kan zetten en aansturen die lidstaten niet in hun eentje kunnen uitvoeren, en voor synergie en complementariteit met de activiteiten van de lidstaten kan zorgen;

13.  is van mening dat ambitieuze beleidsdoelstellingen op het gebied van duurzame energie en een efficiënt gebruik van energie en hulpbronnen de kosteneffectiviteit kunnen verhogen en daarmee voordelen kunnen bieden voor het Europees bedrijfsleven en de gehele Europese economie; verzoekt om zowel in de EU als geheel als in de lidstaten overheids- en particuliere middelen te investeren in bovengenoemde prioritaire sectoren; is van mening dat meer synergieën tussen H2020 en initiatieven op het gebied van slimme specialisatie (RIS3) moeten worden bevorderd om te zorgen voor een betere O&O-benutting en om regionale economische convergentie te ondersteunen;

14.  dringt erop aan dat de tussentijdse evaluatie van de MFK-programma's gebeurt op basis van hun prestaties ten aanzien van de gestelde doelen en doelstellingen, het opnamevermogen en de meerwaarde van de EU, en dat dit ook gebeurt voor nieuwe prioriteiten, wat een cruciaal element is voor het beheer van de EU-uitgaven, waarbij rekening wordt gehouden met de nog steeds bestaande betalingsachterstand en de late uitvoering van het huidige kader; benadrukt tevens dat de post-electorale herziening een unieke kans biedt om verbeteringen aan te brengen in het MFK, onder meer hervormingen op het gebied van toepassing, beheer, rapportage en controle van de middelen; verlangt dat op basis van een prestatie-evaluatie in de geest van onder meer goed financieel beheer, de middelen van ontoereikend uitgevoerde programma's worden herschikt ten behoeve van goed functionerende programma's;

15.  is van mening dat alle begrotingsinstrumenten van de Unie ter ondersteuning van investeringen en innovatie moeten worden behouden en zelfs verder ontwikkeld, en dat er geen sprake van kan zijn te kiezen voor een of meer van deze instrumenten ten koste van andere; herinnert aan de essentiële rol die de communautaire begroting vervult als stimulerende factor voor de toekomstige uitgaven en als factor voor samenhang en doeltreffende tenuitvoerlegging van het beleid binnen de Unie.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.5.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

45

5

10

Bij de eindstemming aanwezige leden

Zigmantas Balčytis, Nicolas Bay, Bendt Bendtsen, Xabier Benito Ziluaga, José Blanco López, David Borrelli, Jerzy Buzek, Pilar del Castillo Vera, Christian Ehler, Fredrick Federley, Ashley Fox, Adam Gierek, Theresa Griffin, Hans-Olaf Henkel, Eva Kaili, Barbara Kappel, Krišjānis Kariņš, Seán Kelly, Jeppe Kofod, Jaromír Kohlíček, Janusz Lewandowski, Paloma López Bermejo, Ernest Maragall, Edouard Martin, Angelika Mlinar, Csaba Molnár, Dan Nica, Morten Helveg Petersen, Miroslav Poche, Carolina Punset, Michel Reimon, Herbert Reul, Paul Rübig, Algirdas Saudargas, Neoklis Sylikiotis, Dario Tamburrano, Patrizia Toia, Evžen Tošenovský, Claude Turmes, Vladimir Urutchev, Adina-Ioana Vălean, Henna Virkkunen, Martina Werner, Lieve Wierinck, Hermann Winkler, Anna Záborská, Flavio Zanonato

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Amjad Bashir, Jens Geier, Constanze Krehl, Olle Ludvigsson, Vladimír Maňka, Marian-Jean Marinescu, Markus Pieper, Massimiliano Salini, Anne Sander, Maria Spyraki, Indrek Tarand, Pavel Telička, Anneleen Van Bossuyt


ADVIES van de Commissie vervoer en toerisme (27.5.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake de voorbereiding van de post-electorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel

(2015/2353(INI))

Rapporteur voor advies: Marian-Jean Marinescu

SUGGESTIES

De Commissie vervoer en toerisme verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt dat de volledige terugvordering van de fondsen die vanuit de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF) werden overgedragen naar het Europees fonds voor strategische investeringen (EFSI) een van de grote prioriteiten moet zijn in de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) voor 2014-2020; dringt erop aan dat gekozen prioriteiten en toegewezen financiering in de toekomst worden gerespecteerd en tot 2020 geen verdere verminderingen van de CEF-begroting of andere instrumenten voor vervoersprojecten plaatsvinden;

2.  verzoekt de Commissie het Parlement zo snel mogelijk een evaluatie van de door het EFSI gefinancierde projecten met betrekking tot vervoer en toerisme te verstrekken;

3.  verzoekt de Commissie, met het oog op een zo goed mogelijk besluit over de herziening van het MFK, zo snel mogelijk een verslag uit te brengen over de mate van tenuitvoerlegging en het bestedingspeil van de structuurfondsen en het Cohesiefonds voor toeristische projecten en projecten op het gebied van vervoer en infrastructuur, met vermelding van de projecten die bijdragen tot de ontwikkeling van het kernnetwerk, de corridors en het uitgebreide netwerk;

4.  wijst in dit opzicht op het vitale belang van voldoende EU-financiering voor de projecten die in de werkplannen voor de corridors van het TEN-T-kernnetwerk zijn bepaald; onderstreept dat bijgevolg ook meer aandacht nodig is voor domeinen die met transportbeleid verband houden, zoals multimodaliteit en efficiënte logistieke diensten, opwaardering en onderhoud van bestaande vervoersinfrastructuur, interoperabiliteit, verkeersveiligheid en toegankelijkheid, intelligente vervoerssystemen, synergieën met andere sectoren, emissiereductie, stedelijke mobiliteit en installaties voor schone brandstof om voor duurzame ontwikkeling en een betere integratie van stedelijke knooppunten te zorgen;

5.  benadrukt dat er bij de vorige oproepen tot het indienen van voorstellen in het kader van de CEF, die werden gepubliceerd in 2014 en 2015, drie keer meer aanmeldingen waren dan de inschrijvingslimiet, en wijst erop dat dit betekent dat er veel projecten met een sterke toegevoegde waarde op EU-niveau op til staan, die bijkomende middelen kunnen absorberen (bovenop de terugvordering van overgedragen fondsen); is verontrust over het feit dat er bijna geen middelen meer beschikbaar zijn voor nieuwe projecten in de vier resterende jaren van het MFK; herinnert aan de oorspronkelijke CEF-toewijzing voor het definitieve MFK-besluit; verzoekt de Commissie te beoordelen of het mogelijk is de totale begroting voor de CEF te verhogen, met inbegrip van een verhoging van de cohesiebegroting van de CEF;

6.  wijst erop dat het EFSI een belangrijke bijdrage levert aan de financiering van TEN-T-projecten, maar dat het subsidies, die een cruciale en noodzakelijke financieringsbron blijven, niet kan vervangen; benadrukt vooral dat subsidies gecombineerd kunnen worden met innovatieve financiële instrumenten en met het EFSI om de implementatie van bijkomende projecten, met name grote infrastructurele projecten die kunnen bijdragen aan de vermindering van de economische verschillen tussen regio's, mogelijk te maken en particuliere financiering aan te trekken (blending); verzoekt de Commissie een lijst op te stellen met succesvolle projecten, zodat de nationale, regionale en lokale overheden daaruit kunnen leren;

7.  benadrukt dat infrastructuur voor transport de ruggengraat vormt van de eengemaakte markt, en fundamenteel is voor het vrij verkeer van personen, goederen en diensten; onderstreept dat het belangrijk is het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling nauwer op elkaar af te stemmen met het oog op een doeltreffender tenuitvoerlegging van de regels inzake de digitale eengemaakte markt in de vervoerssector; benadrukt dat ook in het MFK voor de periode na 2020 voldoende middelen moeten worden toegewezen aan trans-Europese netwerken op vervoersgebied, zodat tegen 2030 het TEN-T-netwerk en tegen 2050 het TEN-V-netwerk voltooid kunnen worden;

8.  herinnert aan het grote en blijvende tekort aan investeringen in Europa, met name in de grote vervoersinfrastructuren, en dat dit het concurrentievermogen van de gehele Unie kan aantasten; merkt op dat de behoefte aan investeringen niet alleen het aanleggen van infrastructuur betreft maar ook het onderhoud en de modernisering daarvan;

9.   onderstreept verder dat adequate EU-financiering voor vervoersinfrastructuur cruciaal is voor territoriale, economische en sociale cohesie; erkent dat het Cohesiefonds belangrijk is voor het verbeteren van infrastructuur en onderlinge verbindingen in Europa, teneinde de kloof op infrastructuurgebied tussen regio's te dichten; dringt er derhalve op aan dat dit fonds voldoende middelen krijgt toegewezen in de huidige programmeerperiode, alsook na 2020;

10.  spoort de Commissie en de lidstaten aan om de coördinatie van nationale transportstrategieën te verbeteren, teneinde de goedkeuring van grote infrastructuurprojecten door de Commissie te faciliteren; dringt aan op betere coördinatie van alle EU-instrumenten in verband met vervoer, teneinde ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk TEN-V-kernprojecten tijdig worden voltooid en potentiële besparingen naar behoren worden gebruikt voor ondersteuning van uitvoerbare projecten die nog op til staan; verzoekt de Commissie zich sterk in te zetten voor de verbetering van de transparantie van de financieringsregelingen met betrekking tot nauwkeurigheid van de kostenramingen, naleving van normen betreffende ecologische duurzaamheid, betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij besluitvorming, en adequate en voortdurende monitoring van de medefinancieringsregelingen van de EU;

11.  pleit ervoor dat de Commissie en de lidstaten meer investeren in projecten met een kleiner budget en aanzienlijke kortetermijnvoordelen, zoals het aanleggen van ontbrekende schakels bij verlaten en ontmantelde regionale grensoverschrijdende spoorverbindingen, alsook modernisering en onderhoud van bestaande vervoersinfrastructuur;

12.  meent dat het noodzakelijk is om toe te laten dat overschietende en onbenutte kredieten van één jaar naar een ander jaar overgeschreven worden, en verzoekt de Commissie in dit verband om passende voorstellen en om herverdeling van middelen aan de meest geschikte, uitvoerbare en economisch en ecologisch duurzame projecten; onderstreept dat maximale flexibiliteit moet worden voorzien om te zorgen voor optimaal gebruik van het vastgelegde MFK;

13.  verzoekt de Commissie bij de toewijzing van EU-gelden voor vervoersinfrastructuur rekening te houden met het onlangs goedgekeurde vierde spoorwegpakket en alles te doen wat in haar vermogen ligt om dit pakket wat de aspecten interoperabiliteit, veiligheid, betere sociale omstandigheden en vrij verkeer betreft snel ten uitvoer te leggen; verzoekt de Commissie ook rekening te houden met de lopende discussies over het luchtvaartpakket, het pakket voor havens en het geplande pakket voor het wegvervoer;

14.  stelt vast dat de rol van de EU-begroting, via de verschillende vormen van financiële steun (subsidies, financiële instrumenten), bepalend is gebleken voor de start of herstart van talrijke projecten in de vervoerssector; is van mening dat elke herziening van het MFK van de vervoerssector nu een prioriteit moet maken;

15.  wijst nadrukkelijk op het strategische belang van het gemeenschappelijk Europees luchtruim als het belangrijkste instrument om de veiligheid, goede milieuprestaties, het concurrentievermogen en de bescherming van de rechten van de burgers te waarborgen; roept de Commissie op om te zorgen voor de toewijzing van de nodige reeds geplande bedragen voor de uitrol van het ATM-onderzoek voor het gemeenschappelijk Europees luchtruim (SESAR);

16.  steunt verder de volledige terugvordering van de fondsen die vanuit Horizon 2020 werden overgedragen naar het EFSI; roep de Commissie op de mogelijkheid te onderzoeken de middelen te verhogen die aan SESAR en Gemeenschappelijke Ondernemingen Clean Sky zijn toegewezen, gezien de goede resultaten van de Gemeenschappelijke Ondernemingen en hun bijdrage aan het EU-beleid op het gebied van vervoer en klimaatverandering;

17.  onderstreept het cruciale belang van zeer nauwkeurige en betrouwbare informatie op het gebied van positionering en timing afkomstig van Europese satellietnavigatievlaggenschipprogramma's Galileo en EGNOS voor meer veiligheid in en doelmatig gebruik van de luchtvaart, het weg-, spoor- en zeevervoer, met name ten behoeve van slimme verkeersbeheersystemen zoals ATM, ERTMS, eCall, met internet verbonden/autonome voertuigen en slim vloot- en vrachtmanagement; verzoekt de Commissie de reeds in het MFK 2014-2020 toegewezen financiering te waarborgen voor snelle en volledige voltooiing en ingebruikneming van de Galileo- en EGNOS- infrastructuur, alsook voor ondersteuning van downstream- en upstreamtoepassingen binnen de begrotingen voor Europese GNSS-programma's en Horizon 2020; wijst in dit verband nogmaals op de verbintenis van de Commissie om ononderbroken GNSS-diensten te leveren, de veerkracht van de Europese economie te versterken en de sociaaleconomische voordelen te optimaliseren door de ontwikkeling van toepassingen te bevorderen;

18.  herinnert de Commissie en de lidstaten aan het grote potentieel van horizontale projecten alsook van synergieën tussen de trans-Europese netwerken op het gebied van vervoer, energie en telecommunicatie;

19.  wijst erop dat er een behoefte is aan de ontwikkeling en bevordering van meer milieuvriendelijke vervoerswijzen zoals vervoer over het spoor; verzoekt derhalve om betere ondersteuning van initiatieven als Shift2Rail;

20.  verzoekt de Commissie met klem te zorgen voor goede (grensoverschrijdende) coördinatie en verbetering van het beheer van de macroregionale strategieën van de EU (voor de Donau, de Oostzee, de Zwarte Zee, de Adriatische Zee en de Ionische Zee), teneinde de territoriale, economische en sociale cohesie te vergroten en de lidstaten te helpen en te ondersteunen bij het in kaart brengen van prioritaire infrastructuurprojecten met regionale en Europese meerwaarde;

21.  herinnert eraan dat de onbenutte bedragen die van het Cohesiebeleid naar de CEF zijn overgedragen vanaf januari 2017 door alle cohesielidstaten gebruikt kunnen worden, en verzoekt de Commissie voorstellen te doen om deze periode te verlengen tot 31 december 2017; verzoekt de Commissie de bedragen die eind 2017 niet gebruikt zijn, toe te wijizen aan projecten voor grensoverschrijdende verbindingen tussen regio's of voor de ontwikkeling van regio's; verzoekt de lidstaten beter gebruik te maken van de technische bijstand van de Commissie;

22.  benadrukt de behoefte aan de vaststelling van een bredere en meer omvattende aanpak betreffende de subsidiabiliteitscriteria van projecten waarvoor EU-financiering wordt aangevraagd, waardoor betere toegang tot financiering wordt verschaft aan projecten die nieuwe vervoersdiensten en beter gebruik van gegevens voorstellen; wijst met name op de noodzaak om EU-financiering te verleggen naar de invoering van digitale vervoersdiensten en slimme vervoerssystemen die bijdragen aan de overgang naar een meer duurzaam vervoerssysteem en de optimalisering van het gebruik van bestaande capaciteit;

23.  wijst op het belang van het waarborgen van het hoogste niveau van veiligheid, beveiliging en interoperabiliteit op het gebied van transport in de Unie; benadrukt dat het toewijzen van middelen aan de begrotingen van de EU-agentschappen niet louter gaat om administratieve uitgaven, maar ook bijdraagt tot het behalen van EU-doelstellingen, en besparingen op nationaal niveau mogelijk moet maken; onderstreept dat de toegewezen begrotingskredieten voldoende en correct moeten zijn zodat de agentschappen hun taken kunnen uitvoeren;

24.  merkt op dat duurzaam toerisme een belangrijke potentiële groeisector binnen de Europese economie is en voor veel nieuwe werkgelegenheid kan zorgen, in het bijzonder voor jongeren; is van mening dat toereikende en meer begrotingsmiddelen toegewezen moeten worden om een echt Europees toerismebeleid te ontwikkelen, dat gericht is op stimulering van het midden- en kleinbedrijf en eerbied voor het natuurlijke, culturele, historische en industriële erfgoed; onderstreept dat er voor betere coördinatie tussen toerisme en infrastructuurprojecten moet worden gezorgd; verzoekt de Commissie na te gaan of het mogelijk is in het toekomstige kaderprogramma een specifieke begrotingslijn in te voeren;

25.  erkent het belang van het menselijk kapitaal voor de ontwikkeling van toerismediensten en benadrukt de rol die het Europees Sociaal Fonds op dit gebied kan vervullen; benadrukt het uitstekende rendement van investeringen in toerisme en de bijdrage daarvan aan de sociale cohesie, vooral in plattelandsgebieden;

26.  benadrukt het belang van een voldoende gefinancierd geïntegreerd maritiem beleid (GMB) als een vlaggenschipinitiatief van de EU in sectoroverschrijdend en transnationaal bestuur;

27.  is van mening dat alle begrotingsinstrumenten van de Unie waarmee investeringen en innovatie gesteund worden, gehandhaafd of ontwikkeld moeten worden, en dat er geen redenen zijn om aan een van deze instrumenten de voorkeur te geven ten koste van de andere; herinnert aan de cruciale rol van de Gemeenschapsbegroting als stimulans voor toekomstige uitgaven en als factor die de cohesie en doeltreffende tenuitvoerlegging van het beleid binnen de Unie ten goede komt;

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.5.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

41

4

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marie-Christine Arnautu, Georges Bach, Izaskun Bilbao Barandica, Deirdre Clune, Michael Cramer, Luis de Grandes Pascual, Andor Deli, Isabella De Monte, Ismail Ertug, Jacqueline Foster, Tania González Peñas, Dieter-Lebrecht Koch, Merja Kyllönen, Miltiadis Kyrkos, Peter Lundgren, Marian-Jean Marinescu, Georg Mayer, Cláudia Monteiro de Aguiar, Renaud Muselier, Jens Nilsson, Markus Pieper, Salvatore Domenico Pogliese, Gabriele Preuß, Dominique Riquet, Massimiliano Salini, David-Maria Sassoli, Claudia Schmidt, Jill Seymour, Claudia Țapardel, Keith Taylor, Pavel Telička, István Ujhelyi, Wim van de Camp, Janusz Zemke, Roberts Zīle, Kosma Złotowski, Elżbieta Katarzyna Łukacijewska

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Knut Fleckenstein, Maria Grapini, Karoline Graswander-Hainz, Werner Kuhn, Curzio Maltese, Jozo Radoš, Ulrike Rodust, Davor Škrlec, Evžen Tošenovský

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Beatrix von Storch


ADVIES van de Commissie regionale ontwikkeling (25.5.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake de voorbereiding van de postelectorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel

(2015/2353(INI))

Rapporteur voor advies: Constanze Krehl

SUGGESTIES

De Commissie regionale ontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herinnert eraan dat een van de belangrijkste doelstellingen van de Europese Unie het bevorderen van de economische, sociale en territoriale samenhang en solidariteit tussen de lidstaten is; onderstreept dat het voor de lange term uitgestippelde cohesiebeleid het voornaamste investeringsbeleid van de Unie is en een hulpmiddel om de ongelijkheden tussen alle regio's van de EU terug te dringen en de levenskwaliteit van Europese burgers te verbeteren, en dat dit beleid een belangrijke rol speelt bij de verwezenlijking van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei; is van mening dat alle instrumenten van de Unie een bewezen bijdrage moeten leveren aan de doelstellingen en prioriteiten van de EU; pleit ervoor de nadruk te leggen op de beoordeling van de uitkomsten, resultaten, prestaties, synergieën en meerwaarde;

2.  wijst erop dat bij de evaluatie/herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) rekening moet worden gehouden met de nieuwe politieke uitdagingen waarmee de EU wordt geconfronteerd; benadrukt dat het cohesiebeleid doeltreffend en resultaatgericht moet zijn, en stelt vast dat er in het huidige MFK al stimuleringsmechanismen op dit vlak zijn ingevoerd, zoals een op prestaties gebaseerd begrotingsmodel; wijst erop dat – vanwege de late overeenstemming over het MFK en als gevolg daarvan de late aanneming van het wetgevingspakket voor het cohesiebeleid (2014-2020) en van de operationele programma's – de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) zich in 2016 in een vroege fase van tenuitvoerlegging bevinden en dat ten tijde van de evaluatie/herziening van het MFK slechts beperkt bewijs beschikbaar is over de resultaten; herinnert in deze context aan de mogelijkheden die in het gemeenschappelijk strategisch kader van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1303/2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen (VGB) worden geboden; verzoekt de Commissie de stand van de tenuitvoerlegging van de ESIF te beoordelen en mee te delen aan het Parlement, en de beschikbare financiering uit hoofde van het cohesiebeleid doeltreffender te bevorderen; is van mening dat in een vroeg stadium voorbereidende activiteiten nodig zijn voor de beleidsmaatregelen van de EU die gefinancierd worden uit het MFK, om meteen bij aanvang van het volgende MFK met de tenuitvoerlegging van start te kunnen gaan;

3.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om de synergie en complementariteit verder te maximaliseren, toe te zien op een betere coördinatie, consistentie en verbeteringen bij de vijf Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) en de andere EU-instrumenten en -beleidsmaatregelen (waaronder het Jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, Horizon 2020 en het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI)), hetgeen van groot belang is om de doeltreffendheid van de EU-begroting te waarborgen; roept de Commissie en de nationale, regionale en lokale autoriteiten dan ook op terdege rekening te houden met mogelijke synergieën tussen de financieringsmiddelen uit de ESIF en het EFSI, ter vergroting van het hefboomeffect van investeringen en van de positieve effecten op de economische groei, werkgelegenheid en duurzame ontwikkeling; benadrukt dat het cohesiebeleid moet worden versterkt en dat een gerichte evaluatie moet worden verricht van de territoriale effecten van gerelateerde instrumenten zoals het EFSI en Horizon 2020;

4.  herinnert eraan dat vooraf toegewezen nationale bedragen overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad tot vaststelling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 niet kunnen worden verlaagd via de evaluatie/herziening van het MFK; verzoekt om een tijdige afronding van het evaluatie-/herzieningsproces van het MFK, uiterlijk in 2018, het naar boven toe bijstellen van de MFK-maxima en een wetgevende herziening van bovengenoemde MFK-verordening, onverminderd de aanpassing van de begroting voor het cohesiebeleid overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013;

5.  herinnert eraan dat in het kader van de evaluatie/herziening van het MFK vereenvoudiging wordt benadrukt als cruciale kwestie, omdat de administratieve last een horizontaal probleem vormt; herhaalt zijn resolute standpunt over het belang van vereenvoudigde toegang tot de ESIF; schaart zich in dit verband achter het werk van de groep op hoog niveau van de Commissie, dat bestaat uit het toezicht op de vereenvoudiging voor begunstigden, en verzoekt de lidstaten en de Commissie al in de huidige programmeringsperiode relevante voorstellen voor vereenvoudiging van de groep op hoog niveau in te dienen; verzoekt de Commissie in dit verband om het Europees Parlement volledig te betrekken bij deze groep op hoog niveau, en wijst op zijn resolutie "Naar vereenvoudiging en prestatiegerichtheid van het cohesiebeleid 2014-2020"; benadrukt echter dat het evenwicht tussen vereenvoudiging en controle moet worden bewaard;

6.  benadrukt dat subsidies een doeltreffende en prioritaire vorm van steun zijn op veel terreinen van overheidsingrijpen en voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen; herinnert eraan dat financieringsinstrumenten op aanvullende basis moeten worden gebruikt, na een degelijke evaluatie vooraf, als ze doeltreffender zijn voor het bereiken van de beleidsdoelstellingen van de Unie; onderkent het potentieel van financieringsinstrumenten als flexibele mechanismen die naast subsidies gebruikt kunnen worden om de versnippering van het cohesiebeleid en de EU-begroting tegen te gaan, aangezien het multiplicatoreffect van de impact en de hefboomwerking veel groter kan zijn door het risico dat kansen verloren gaan als gevolg van slecht opgezette financieringsinstrumenten, met beperkte toepassing en resultaten als gevolg; benadrukt dat er meer bewijs nodig is om inzicht te krijgen in de wijze waarop dergelijke financieringsinstrumenten op doeltreffende wijze kunnen worden ingezet in het cohesiebeleid; acht het noodzakelijk de controleerbaarheid en transparantie van financieringsinstrumenten verder te vergroten en pleit voor een eenvoudiger gebruik van subsidies en financieringsinstrumenten in de toekomst, en benadrukt dat duidelijke regels inzake financieringsinstrumenten om het proces van voorbereiding en tenuitvoerlegging gemakkelijker te maken voor fondsbeheerders en begunstigden van doorslaggevend belang zijn om het gebruik ervan te doen toenemen;

7.  verzoekt de Commissie rekening te houden met de uitzonderlijke inspanningen van de lidstaten en de regio's om passende opvangfaciliteiten te bieden en asielzoekers en andere migranten te integreren, en te onderzoeken of er bij de evaluatie van de werking van het MFK, in overeenstemming met de uitgavenmaxima die in het MFK zijn vastgesteld, binnen de ESIF extra steun en flexibiliteit kunnen worden geboden aan deze lidstaten en regio's, waaronder die aan de buitengrenzen van de EU, zonder de vastleggings- of betalingskredieten van rubriek 1b te verlagen en onverminderd de aanpassing van de middelen voor het cohesiebeleid overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad;

8.  merkt op dat het MFK 2014-2020 de abnormale betalingsachterstand moest inlopen die sinds 2011 was ontstaan en dat de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid vertraagd is geraakt; merkt op dat het vermijden van een betalingsachterstand in de toekomst cruciaal is om een succesvolle tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid van de EU te garanderen en negatieve gevolgen voor de begunstigden te voorkomen, aangezien de huidige betalingsachterstand de reputatie van de EU schaadt; onderstreept dat de invoering van nieuwe eigen middelen op de EU-begroting een positieve invloed zal hebben op het probleem van betalingsachterstanden; verzoekt om een brede discussie over de invoering van nieuwe eigen middelen, parallel aan het proces van evaluatie/herziening van het MFK;

9.  wijst erop dat de zevenjarige periode die het meerjarig financieel kader bestrijkt zich in het verleden heeft bewezen en voordelen kan bieden door een stabiele bron van financiering te vormen, met name voor lokale en regionale autoriteiten; specificeert dat tijdens het proces van evaluatie/herziening de drie instellingen gezamenlijk moeten besluiten wat de meest passende duur van het volgende financiële kader is, vooral in het geval van programma's onder gedeeld beheer; benadrukt echter het belang van een grondige beoordeling van de duur van de programmeringsperiode, ook met het oog op aanpassing daarvan aan de politieke cycli van het Europees Parlement en de Commissie; dringt er daarom op aan om in het geval van het cohesiebeleid ofwel een programmeringsperiode van ten minste zeven jaar, ofwel een programmeringsperiode van 5+5 jaar met een duidelijke tussentijdse herziening van het beleid te waarborgen;

10.  benadrukt, gezien de voorbereiding van de postelectorale herziening van het MFK 2014-2020, dat de tenuitvoerlegging van het huidige MFK nu al problematisch is gebleken en dat de begrotingsautoriteit al heeft moeten teruggrijpen op maximale flexibiliteit; verzoekt de Commissie dan ook concrete lering te trekken uit de wijze waarop de EU-begroting moet worden besteed; benadrukt dat er vraag zal blijven naar een goed gefinancierd cohesiebeleid ter ondersteuning van regionale ontwikkeling en solidariteit in de EU; benadrukt in dit verband dat het van groot belang is de rol van het cohesiebeleid na 2020 als belangrijkste investeringsbeleid van de EU te handhaven, door hiervoor toereikende financiering te waarborgen;

11.  roept de Commissie op conclusies te trekken over de beperkingen van de huidige toewijzingsregel voor het uitsluitend op basis van het bbp per capita bepalen van steun met middelen van het cohesiebeleid;

12.  is van mening dat de herziening/evaluatie van het MFK een goede gelegenheid biedt om aandacht te besteden aan de fundamentele koppeling tussen het cohesiebeleid en de volgende stap in de tenuitvoerlegging van de resultaten en overeenkomsten van de COP21-conferentie; benadrukt dat de doeltreffendheid van de uitgaven op klimaatgebied versneld en verbeterd moet worden, maar benadrukt tevens het enorme potentieel van het cohesiebeleid voor het opvoeren van de inspanningen van de EU op het vlak van klimaatbescherming;

13.  benadrukt dat de verbetering van het financieel beheer en goed bestuur gestimuleerd moet worden; onderstreept in deze context dat administratieve capaciteit op nationaal en regionaal/lokaal niveau een belangrijke voorwaarde is voor een tijdige en geslaagde tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid; herinnert eraan dat de prestatiereserve onlosmakelijk verbonden is met een resultaatgericht cohesiebeleid; verzoekt de Commissie de toewijzing van de prestatiereserve aan programma's die de vastgestelde mijlpalen voor 2018 hebben gehaald te vervroegen naar de huidige periode.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.5.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

37

4

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pascal Arimont, Franc Bogovič, Victor Boştinaru, Mercedes Bresso, Steeve Briois, Rosa D’Amato, Iratxe García Pérez, Michela Giuffrida, Krzysztof Hetman, Ivan Jakovčić, Constanze Krehl, Sławomir Kłosowski, Andrew Lewer, Louis-Joseph Manscour, Martina Michels, Iskra Mihaylova, Jens Nilsson, Andrey Novakov, Younous Omarjee, Stanislav Polčák, Julia Reid, Liliana Rodrigues, Fernando Ruas, Monika Smolková, Ruža Tomašić, Monika Vana, Matthijs van Miltenburg, Lambert van Nistelrooij, Derek Vaughan, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Ivana Maletić, Miroslav Mikolášik, Sophie Montel, Dimitrios Papadimoulis, Tonino Picula, Maurice Ponga, Branislav Škripek, Davor Škrlec, Hannu Takkula, Damiano Zoffoli, Milan Zver


ADVIES van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (8.6.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake de voorbereiding van de post-electorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel

(2015/2353(INI))

Rapporteur voor advies: Peter Jahr

SUGGESTIES

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  wijst erop dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) al tientallen jaren een gemeenschappelijk beleid van de EU is, wat betekent dat de landbouwuitgaven een aanzienlijk percentage van de totale EU-begroting uitmaken; benadrukt dat de uitgaven voor landbouw de afgelopen dertig jaar relatief gezien sterk gedaald zijn (van 75 % naar de huidige 38 %), overeenkomstig de achtereenvolgende marktgerichte herzieningen van het GLB; vestigt er derhalve de nadruk op dat elke EU-burger slechts 32 cent per dag meebetaalt aan het GLB en dat dit beleid een laag foutenpercentage heeft wat betreft onregelmatigheden bij de uitgaven; onderstreept dat voeding in de toekomst net zo'n strategisch product zal zijn als water, en dat Europa het GLB en een sterke landbouwbegroting dan ook meer dan ooit nodig zal hebben;

2.  benadrukt dat in het kader van de eerste en tweede pijler van het GLB constante inkomenssteun aan landbouwers wordt verleend, de landbouwproductie, milieuprogramma's en economische activiteiten in plattelandsgebieden worden ondersteund en de leegloop van het platteland voorkomen wordt; wijst er derhalve op dat het essentieel is de begroting ten minste op haar huidige peil te handhaven om de tweepijlerstructuur van het GLB in stand te kunnen houden en landbouwers in alle takken van de landbouw te compenseren en te steunen en om het belangrijke doel van innovatie te bereiken, de werkgelegenheid te beschermen en te vergroten en de inkomens van landbouwers te verhogen; benadrukt dat het met het oog op een coherent en doeltreffend plattelandsontwikkelingsbeleid essentieel is dat plattelandsontwikkeling een onderdeel van het GLB blijft en dat daarvoor voldoende middelen worden uitgetrokken, opdat de duurzaamheid van de plattelandsgebieden op de lange termijn gewaarborgd kan worden;

3.  wijst erop dat, als alle beleid in de EU, zowel nationaal als op Unieniveau, ten laste van de EU-begroting gefinancierd zou moeten worden, het aandeel van het GLB slechts 1 % zou bedragen, wat heel redelijk lijkt voor een beleid dat voor de voedselvoorziening van meer dan 500 miljoen burgers zorgt, de milieuduurzaamheid ten goede komt en werkgelegenheid schept; is van mening dat het GLB het beste en goedkoopste voedselzekerheidsbeleid van de Unie is, aangezien het borg staat voor een toereikend voedselaanbod, de territoriale samenhang bevordert en leegloop van het platteland voorkomt;

4.  benadrukt dat het GLB, dat minder dan 1 % van de totale overheidsuitgaven van de EU uitmaakt, tot 2020 ten minste op het huidige peil gehandhaafd moet worden om een economisch levensvatbare landbouwsector te waarborgen die kan voldoen aan de groeiende vraag naar levensmiddelen en de groei en de werkgelegenheid in de plattelandsgebieden van de EU bevordert;

5.  beseft dat het schijnbaar grote deel van de EU-begroting dat voor landbouw is bestemd bij het publiek een verkeerd beeld kan geven van dat beleid, terwijl landbouwsubsidies in werkelijkheid slechts een te verwaarlozen bedrag vertegenwoordigen in verhouding tot het totale bbp van de lidstaten, maar wel een grote impact hebben doordat ze continuïteit in de landbouw garanderen, landbouwers inkomenszekerheid geven en de plattelandseconomie in ruimere zin ten goede komen; beklemtoont dat de uitvoeringsregels van het GLB vereenvoudigd moeten worden, zodat de financiële steun voor landbouw en plattelandsontwikkeling beter kan worden geabsorbeerd;

6.  spreekt duidelijk uit dat de GLB-uitgaven dankzij talrijke beleidshervormingen lager, doelgerichter en marktgerichter zijn geworden en meer gericht op de verbetering van het concurrentievermogen van de EU-landbouw, terwijl tegelijkertijd het hoofd wordt geboden aan steeds meer uitdagingen, zoals milieuproblemen en klimaatverandering, de invoering van vergroeningsmaatregelen en het waarborgen van de economische levensvatbaarheid van plattelandsgebieden; merkt echter op dat een diepgaande analyse moet worden verricht van de wijze waarop middels een waarborging van de inkomens kan worden gezorgd voor de economische duurzaamheid van de landbouwsector, en dat de prijsvolatiliteit moet worden bestreden door nieuwe instrumenten voor te stellen;

7.  hamert erop dat het huidige bedrag voor rubriek 2 van het MFK ten minste op hetzelfde peil gehandhaafd moet worden; verwijst in dit verband naar artikel 2 van de MFK-verordening, waarin duidelijk wordt verklaard dat de tussentijdse herziening niet mag leiden tot een verlaging van de eerder toegewezen nationale bedragen; is voorts van mening dat er voldoende financiële middelen beschikbaar moeten zijn voor ander Uniebeleid om de Unie in staat te stellen te voldoen aan de wettelijke verplichtingen die krachtens de desbetreffende sectorale wetgeving op haar rusten; vindt het onacceptabel dat voor het landbouwbeleid bestemde middelen worden overgeheveld om het gebrek aan middelen bij andere beleidsmaatregelen of programma's te compenseren; vraagt de Commissie in de context van de migratiecrisis de mogelijkheid te onderzoeken van sterkere synergieën tussen het uit de handel nemen van landbouwproducten en de verstrekking van voedselhulp aan de meest behoeftige burgers en aan vluchtelingen via het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD);

8.  hamert er eveneens op dat niet mag worden getornd aan de bedragen voor rechtstreekse betalingen in rubriek 2; wijst erop dat dit cruciaal is voor de inkomenssituatie van vele landbouwers, vooral gedurende de crisis waarin diverse landbouwsectoren verkeren, en dat het absorptiepercentage jaarlijks bijna 100 % bedraagt;

9.  wijst erop dat de liberalisering in de melksector de melkproductie in kostenintensieve berggebieden in gevaar brengt; vraagt de Commissie daarom voorstellen voor te leggen voor programma's voor steun aan met name verwerkingsbedrijven in berggebieden die deze in staat stellen melk te veredelen tot hoogwaardige eindproducten, zodat de voor de melkboeren absoluut noodzakelijke meerwaarde kan worden gegenereerd;

10.  merkt op dat de prijsvolatiliteit als gevolg van de verslechterende marktomstandigheden in veel landbouwsectoren de afgelopen jaren aanzienlijk is toegenomen en tot ernstige inkomensschommelingen heeft geleid, die op georganiseerde en doeltreffende wijze moeten worden beheerd, vooral ook vanwege de stijgende productiekosten; wijst erop dat in het kader van het huidige GLB niet echt middelen zijn uitgetrokken om het hoofd te bieden aan de instabiliteit van de markten en van de landbouwinkomens; benadrukt derhalve dat er gezien de huidige crisissituatie snel moet worden gezorgd voor de marktmaatregelen en uitzonderlijke crisismaatregelen waarin de integrale GMO voorziet, alsmede voor voldoende begrotingsmiddelen om het hoofd te kunnen bieden aan marktcrises zoals die welke zich momenteel in de melk-, de varkensvlees-, de groenten- en fruit- en de pluimveesector voordoen; benadrukt dat een van de hoofdoorzaken van de crisis, het Russische embargo, het gevolg is van besluiten die niets met de sector te maken hebben; tekent hierbij aan dat de rechtstreekse betalingen in het kader van de eerste GLB-pijler als gevolg van besnoeiingen op de GLB-begroting bij de afgelopen MFK-onderhandelingen momenteel ontoereikend zijn om de inkomensvolatiliteit die de landbouwers treft te compenseren; is van mening dat het van fundamenteel belang is in de begroting 2016 speelruimte te creëren en dat de overheidsdiensten en de beroepsbeoefenaars in de landbouw moeten overwegen om snel en doeltreffend de paar marktmaatregelen te treffen die op 14 maart 2016 door de Raad van ministers van Landbouw zijn vastgesteld; wijst erop dat de huidige crisis de Commissie ertoe zou moeten aanzetten om bepaalde markt- en crisisbeheersinstrumenten te herzien en voor voldoende begrotingsmiddelen daarvoor te zorgen; dringt er eveneens op aan dat bij de tussentijdse herziening van het MFK voor voldoende middelen worden gezorgd om problemen in verband met voedselveiligheid en dierziekten in tijden van crisis naar behoren te kunnen aanpakken;

11.  merkt op dat landbouwers het voedsel produceren dat alle andere mensen nodig hebben om te leven, en dat hun inkomens in de meeste lidstaten onder het gemiddelde loon liggen, waardoor hun levensstandaard en die van hun gezin negatief beïnvloed wordt en dit beroep minder aantrekkelijk wordt voor jongeren; merkt op dat landbouwers klem zitten tussen stijgende kosten van landbouwproductiemiddelen(1) enerzijds en onrendabele prijzen voor hun producten(2) anderzijds; is daarom van mening dat de landbouwproductiemiddelen en de productiekosten in het GLB moeten worden aangepakt door meer autonomie aan te moedigen;

12.  wijst erop dat er met de vastgestelde maxima voor het GLB tot 2020 veel kleinere marges overblijven dan in het vorige MFK, terwijl de sector met meer uitdagingen kampt; benadrukt in dit verband dat de marges uitsluitend mogen worden gebruikt voor behoeften van de landbouwsector, aangezien langetermijnplanning en investeringszekerheid essentieel zijn voor de landbouwers in de EU; wijst erop dat de landbouwsector het zwaarst getroffen is door het Russische embargo, dat ernstige indirecte gevolgen heeft voor de markten, en dat deze sector niet als enige mag worden opgezadeld met de gevolgen van politieke besluiten, zoals dat momenteel het geval is; verzoekt om een beoordeling van het effect van het Russische embargo op de landbouwsector in de EU, zodat er met Rusland kan onderhandeld over de beëindiging van dat embargo;

13.  waarschuwt dat de huidige marges in de landbouwbegroting wel eens te klein zouden kunnen blijken nu er vanwege marktvolatiliteit, veterinaire en fytosanitaire risico's en andere onvoorziene gebeurtenissen steeds vaker een zo sterk beroep op de begroting wordt gedaan dat de marges naar verwachting aan het einde van deze planningsperiode uitgeput zullen zijn; vindt het te betreuren dat de middelen voor fytosanitaire maatregelen in het huidige MFK onder rubriek 3 vallen; benadrukt dat elke verlaging of herschikking van deze begrotingslijn de voedselveiligheid en de volksgezondheid in de EU in gevaar kan brengen;

14.  benadrukt dat de huidige instabiliteit van de landbouwmarkten en de grote prijsschommelingen de noodzaak van instandhouding van de subsidies voor landbouwbedrijven aantonen, omdat marktfalen daarmee doeltreffender beheerd en gecontroleerd kan worden; erkent in dit verband dat de stijging van de voedselprijzen en de toegenomen productverkoop in de afgelopen jaren niet doorberekend zijn aan de landbouwers; wijst er met klem op dat er concrete steun nodig is om oplossingen te vinden voor de moeilijke toegang tot financiering voor landbouwers en de dalende landbouwersinkomens; herinnert er ook aan dat de Europese consumenten niet bereid zijn om voor hun voedsel een prijs te betalen die ontegenzeglijk hoger zou zijn als de landbouwsector geen overheidssteun kreeg; constateert echter dat rechtstreekse betalingen die niet stroken met de realiteit van de landbouwproductie en de geleidelijke afschaffing van aanbodbeheersmetoden hun tekortkomingen hebben laten zien;

15.  wijst erop dat eventuele nieuwe prioriteiten voor de landbouwsector die tijdens het huidige financiële kader ontstaan alleen met verse middelen kunnen worden gefinancierd; benadrukt daarom dat het des te noodzakelijker is te zorgen voor voldoende ruimte in rubriek 2 om de prioriteiten van het Parlement te kunnen financieren;

16.  wijst erop dat de doelstellingen van het GLB onder het Verdrag van Lissabon ongewijzigd blijven, namelijk de productiviteit verhogen, een behoorlijke levensstandaard voor de landbouwgemeenschap garanderen, de markten stabiliseren, de beschikbaarheid van voedingsmiddelen verzekeren en ervoor zorgen dat de voedingsmiddelen tegen redelijke prijzen aan de consument worden geleverd; merkt echter op dat de landbouw er met de achtereenvolgende GLB-hervormingen nieuwe taken bij heeft gekregen op gebieden als productkwaliteit, milieubescherming, klimaatverandering, consumentengezondheid, bodemgebruik en productiewijzen en productiviteit welke hebben geleid tot een significante kostenverhoging voor boeren en tuinders; is dan ook van mening dat het effect van het GLB op sectoroverschrijdende EU-strategieën (zoals EU 2020 en de EU-klimaat- en energiedoelstellingen) geanalyseerd moet worden, zodat er conclusies kunnen worden getrokken voor de periode na 2020; benadrukt dat in het landbouwbeleid van de EU ook rekening moet worden gehouden met de doelstellingen die in het kader van de duurzaamheidsstrategie van de EU zijn bepaald;

17.  is ervan overtuigd dat een sterk GLB voor de EU, zowel qua inhoud als qua financiering, cruciaal is voor de verwezenlijking van die doelstellingen en tegelijkertijd een gelijk speelveld en transparante voedselketens binnen de interne markt oplevert, alsook levensvatbare plattelandsgebieden; is voorts van mening dat verhoging van de veerkracht en verbetering van de werkgelegenheid en de levenskwaliteit in plattelandsgebieden geprioriteerd moet worden om de ontvolking van het platteland tegen te gaan en de leefbaarheid te bevorderen; is van mening dat er in de tweede pijler na 2020 nog steeds behoefte zal zijn aan instrumenten ter ondersteuning van modernisering, investeringen en innovatie, om de agrovoedingssector concurrerender te maken en de verschillen tussen de lidstaten en de regio's op het vlak van ontwikkeling van de landbouw en de plattelandsgebieden te verkleinen;

18.  benadrukt dat de landbouwproductie een hoge meerwaarde heeft, zowel wat betreft de productie van hoogwaardige levensmiddelen als voor de levering van non-foodgoederen en -diensten, aangezien zij ook de verwerkingssector bevoorraadt, die van belang is om de EU-landbouw concurrerend te houden en zo bij te dragen aan de economische en sociale samenhang in de regio's en aan een evenwichtige regionale ontwikkeling in de EU; wijst erop dat het daarom noodzakelijk is de steun aan de landbouw en de plattelandsgebieden te handhaven en zo nodig te verhogen om een stimulans te bieden om de landbouwproductie te ontwikkelen en in de levensmiddelenvraag van de samenleving te voorzien, teneinde volatiliteit te bestrijden en de werkgelegenheid in de sector te stimuleren, alsook om niet-landbouwgerelateerde doelstellingen van de EU te verwezenlijken; benadrukt dat het GLB in aanzienlijke mate en meer dan ander EU-beleid bijdraagt tot groei en werkgelegenheid in plattelandsgebieden en dat werkgelegenheid en de levenskwaliteit op het platteland de aantrekkelijkheid van plattelandsgebieden ten opzichte van stedelijke gebieden vergroten; herinnert eraan dat elke landbouwer statistisch gezien zeven extra banen in verwante bedrijfstakken en in de plattelandsgebieden oplevert; wijst erop dat het van belang is in het GLB de nadruk te blijven leggen op de ondersteuning van kleinschalige familielandbouwbedrijven als hoeksteen van de landbouwproductie in de EU en van het leven in de plattelandsgebieden van de EU, en wat die beleidsdoelstelling betreft reële vooruitgang te boeken; onderstreept hoe belangrijk het is om in het kader van het GLB specifieke maatregelen te handhaven ten behoeve van gebieden die te kampen hebben met zware en permanente natuurlijke handicaps, zoals bergachtige gebieden en ultraperifere gebieden, en andere specifieke handicaps;

19.  benadrukt dat het voor het succes van het GLB en de aanvaarding daarvan ook doorslaggevend is dat het beleid met minder onnodige bureaucratie gepaard gaat en dat de administratieve kosten van regelgeving tot een aanvaardbaar en beheersbaar niveau worden beperkt; dringt erop aan dat het GLB concreet ten uitvoer wordt gelegd en dat het sneller vereenvoudigd wordt, wat dus moet worden geprioriteerd, ook wat betreft de spoed waarmee de bevoegde nationale autoriteiten betalingen verrichten, terwijl de beoogde en door de maatschappij gewenste beleidsdoelstellingen wel nog worden verwezenlijkt;

20.  is van oordeel dat ook het cohesiebeleid na 2020 een essentiële rol moet spelen in de ondersteuning van plattelandsontwikkeling op het gebied van technische infrastructuur, de arbeidsmarkt, de ontwikkeling van ondernemerschap en basisdienstverlening, de revitalisering van plattelandsdorpen en investeringen in de infrastructuur voor water en rioleringen;

21.  is fel gekant tegen elke hernationalisatie van landbouwbeleid; stelt vast dat de niet-uniforme uitvoering van het GLB en de verschillen in betalingsniveaus in de lidstaten tot mededingingsverstoring op de interne markt leidt; vraagt de Commissie en de lidstaten te zorgen voor een uniforme uitvoering in de hele Unie teneinde de doelstellingen van het GLB te verwezenlijken, aangezien dit besparingen oplevert voor de Europese belastingbetaler; maakt zich zorgen over de tendens tot hernationalisatie bij overheidsmaatregelen die naar aanleiding van landbouwcrises worden getroffen, met name het feit dat er voor gerichte betalingen wordt gekozen in plaats van voor echte Europese maatregelen; huldigt het standpunt dat een goed functionerende en goed gefinancierde tweede pijler essentieel is voor het welslagen van het GLB en voor het economisch welzijn van de plattelandsgebieden van de EU; wijst op de verschillen tussen de lidstaten met betrekking tot zowel de behoefte aan plattelandsontwikkeling als de financiering daarvan;

22.  wijst erop dat het GLB met steeds meer uitdagingen kampt, zoals de strijd tegen de prijsvolatiliteit en de voedselzekerheid, en dus flexibelere financiële middelen behoeft; vraagt daarom dat landbouwers vitale, flexibele instrumenten ter beschikking worden gesteld om deze uitdagingen het hoofd te kunnen bieden, indien die zich zouden voordoen; verzoekt ook om passende compensatiemaatregelen om te kunnen inspelen op onvoorziene gebeurtenissen en marktfalen als gevolg van politieke beslissingen; wijst op de moeilijke situatie op de landbouwmarkten en het groeiend aantal nieuwe uitdagingen waarmee de Europese landbouw wordt geconfronteerd; waarschuwt voor de gevolgen van de huidige crisis op de landbouwmarkten en voor de steeds zwakkere positie van landbouwers in de voedselketen en in lopende en toekomstige onderhandelingen over handelsovereenkomsten; is bovendien van mening dat de vaststelling van al te ambitieuze reductiedoelstellingen in verband met het energie- en klimaatpakket en de NEC-richtlijn tot een stijging van de landbouwproductiekosten zal leiden;

23.  benadrukt met betrekking tot de periode na 2020 dat de beleidsmaatregelen en de concrete doelstellingen voor de verdere ontwikkeling van het GLB moeten worden vastgesteld voordat de noodzakelijke begrotingsmiddelen kunnen worden toegewezen; wijst erop dat moet worden overwogen een Europees landbouwverzekeringsfonds op te richten dat in tijden van crisis kan worden ingezet om bijvoorbeeld de productieomvang te verlagen om voor landbouwers stabiele prijzen te kunnen verzekeren voor in Europa geproduceerde grondstoffen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

6.6.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

31

6

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Clara Eugenia Aguilera García, Paul Brannen, Daniel Buda, Nicola Caputo, Matt Carthy, Viorica Dăncilă, Albert Deß, Diane Dodds, Herbert Dorfmann, Norbert Erdős, Edouard Ferrand, Luke Ming Flanagan, Beata Gosiewska, Martin Häusling, Anja Hazekamp, Esther Herranz García, Jan Huitema, Peter Jahr, Jarosław Kalinowski, Zbigniew Kuźmiuk, Philippe Loiseau, Giulia Moi, Ulrike Müller, James Nicholson, Maria Noichl, Marijana Petir, Laurenţiu Rebega, Jordi Sebastià, Jasenko Selimovic, Maria Lidia Senra Rodríguez, Czesław Adam Siekierski, Marc Tarabella, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Jean Arthuis, Bas Belder, Franc Bogovič, Angélique Delahaye, Jean-Paul Denanot, Michela Giuffrida, Manolis Kefalogiannis, Norbert Lins, Annie Schreijer-Pierik, Tibor Szanyi, Hannu Takkula

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Stanisław Ożóg

(1)

Resolutie van het Europees Parlement van 19 januari 2012 over de toeleveringsketen voor landbouwproductiemiddelen: structuur en gevolgen (PB C 227E van 6.8.2013, blz. 3).

(2)

Resolutie van het Europees Parlement van 7 september 2010 inzake billijke inkomens voor de boeren: een beter werkende voedselvoorzieningsketen in Europa (PB C 308E van 20.10.2011, blz. 22).


ADVIES van de Commissie cultuur en onderwijs (2.5.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake de voorbereiding van de herziening van het MFK 2014-2020 na de verkiezingen: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel

(2015/2353(INI))

Rapporteur voor advies: Bogdan Andrzej Zdrojewski

SUGGESTIES

De Commissie cultuur en onderwijs verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  erkent dat de RAL (reste à liquider - het nog betaalbaar te stellen bedrag) een onvermijdelijk bijproduct is van meerjarige programmering en gesplitste kredieten en al te grote starheid van het Meerjarig Financieel Kader (MFK), waardoor middelen niet tussen twee rubrieken kunnen worden overgeheveld en er slechts beperkte ruimte is voor flexibiliteit; merkt op dat de omvang van de RAL aanzienlijk groter was dan verwacht aan het einde van het financieel kader voor 2007-2013 en benadrukt dat de huidige kloof tussen vastleggingen en betalingen onvermijdelijk zal leiden tot nieuwe moeilijkheden voor lopende programma's en dat dit structureel moet worden opgelost, zonder ieder jaar terug te hoeven grijpen op ontwerpen van gewijzigde begroting;

2.  merkt op dat de herziening van het MFK een belangrijk onderdeel is bij het beheer van de uitgaven van de Unie door ervoor te zorgen dat de investeringsprogramma's van de Unie doeltreffend blijven; dringt aan op een grondige vereenvoudiging van de aanvraagformulieren en criteria, van de verslaglegging en terugbetaling, met name voor kleinschalige projecten, zowel bij de programma's Erasmus+ als Creatief Europa en "Europa voor de burger";

3.  merkt op dat de tussentijdse evaluatie van het MFK en de verslagen over de tenuitvoerlegging van EU-programma's moeten worden beschouwd als twee onderling verbonden delen van hetzelfde proces; dringt er derhalve bij de instellingen op aan het functioneren van dat proces te evalueren wanneer er aspecten zijn die een belemmering vormen voor het halen van de strategische en politieke doelstellingen van de Unie, met name met betrekking tot de decentralisering van de financiering in het kader van de Jongerenafdeling van Erasmus+;

4.  verzoekt om de voortzetting van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (JWI), zoals voorgesteld door de Europese Raad van 7-8 februari 2013 als antwoord op het hardnekkige probleem van de hoge jeugdwerkloosheid, na een grondige evaluatie van de geleverde prestaties die de Commissie in de eerste helft van 2016 voornemens is verrichten en dringt erop aan dat er vervolgens aanpassingen worden voorgesteld om de huidige belemmeringen bij de tenuitvoerlegging tegen het einde van het huidige financieel kader weg te werken;

5.  spreekt nogmaals zijn steun uit voor de oprichting van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI); beklemtoont dat er in het EFSI meer nadruk gelegd moet worden op investeringen in onderwijs, opleiding en de culturele en creatieve sector; beklemtoont bovendien de behoefte om de impact van de besparingen op de programma's van Horizon 2020 en de Connecting Europe Facility (CEF) zoveel mogelijk te beperken, zodat zij hun respectievelijke doelstellingen kunnen verwezenlijken en optimaal gebruik te maken van de complementariteit en de synergiën tussen deze drie instrumenten, om de duurzame groei in Europa te herstellen, op basis van innovatie en hoogwaardige werkgelegenheid;

6.  geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de vertraging bij de start van nieuwe programma's uit hoofde van het MFK 2014-2020 als gevolg van de late goedkeuring van de rechtsgronden en de operationele programma's, alsook van het tekort aan betalingskredieten in 2014; merkt op dat het probleem van de onafgeronde contracten en de onbetaalde facturen, ondanks de versnelling van het proces in 2014, aanhoudt en structureel aan het worden is; benadrukt, in dit verband, de verantwoordelijkheden van de lidstaten die zich moeten houden aan de besluiten die zij zelf als begrotingsautoriteit hebben genomen samen met het Europees Parlement, met name ten aanzien van betalingskredieten; uit zijn bezorgdheid over de manier waarop de belangrijke programma's die streven naar investeringen in onderwijs en vaardigheden en de culturele en creatieve sectoren van de EU, en die investeren in menselijk kapitaal – Erasmus+, Creatief Europa en "Europa voor de burger" – erin slagen op kruissnelheid te komen; is verheugd over de weliswaar verlate start van het garantiemechanisme voor het programma Creatief Europa, dat een belangrijk financieringsinstrument is voor het mkb en organisaties die werkzaam zijn in de culturele en creatieve sector; benadrukt dat deze ervaringen moeten worden geëvalueerd als onderdeel van het komende MFK;

7.  is van mening dat Erasmus+ alleen op kruissnelheid kan komen als er steeds meer kleinere projecten aan worden toegevoegd waardoor het programma op grotere schaal kan worden verspreid op scholen of onder jongeren, de VET-mobiliteit (vocational education and training - beroepsonderwijs en opleiding) kan toenemen, en er daardoor een hogere efficiëntie kan worden bereikt om de onderwijs-, sociale en humanitaire doelstellingen te verwezenlijken; is derhalve verheugd over alle inspanningen die zijn geleverd door het Uitvoerend agentschap voor onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA) en de nationale agentschappen om niet alleen hun financiële transparantie te verbeteren maar ook de procedures te vereenvoudigen voor de projectleiders;

8.  is bezorgd dat er praktisch geen middelen beschikbaar zijn in rubriek 3 van het huidige MFK ('Veiligheid en burgerschap') en dringt erop aan dat deze rubriek op een volgende vergadering wordt voorzien van de nodige middelen en voldoende flexibiliteit om ervoor te zorgen dat de grote problemen waar de EU op dit gebied voor staat, kunnen worden opgelost;

9.  beveelt aan dat de Commissie bijzondere aandacht besteedt aan de implementatie van de garantiefaciliteit van het programma Creatief Europa die al meer dan een paar maanden vertraging heeft opgelopen; is bezorgd dat culturele ngo's en kleine verenigingen niet in aanmerking zullen komen voor dit instrument, en dat alleen culturele en creatieve mkb's eraan kunnen deelnemen; beveelt een diepgaande analyse aan van de ervaringen die zijn opgedaan gedurende het gehele proces om er zeker van te zijn dat het instrument naar behoren functioneert en duurzaam is als aanvulling op het programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en voor kleine en middelgrote ondernemingen (Cosme);

10.  dringt er bij de Commissie en de Raad op aan hun standpunt ten aanzien van het "Europa voor de burger"-programma te herzien, het enige programma dat zich rechtstreeks tot alle burgers richt, en het te voorzien van een substantieel aanvullend budget waardoor de doelstellingen van het programma beter kunnen worden geïmplementeerd en waardoor wordt vermeden dat deelnemers verder worden gefrustreerd in oproepen tot inschrijvingen; betreurt het feit dat het programma, nu er onredelijk op is bezuinigd, slechts een uiterst laag percentage projecten kan accepteren, een situatie die niet houdbaar is en die in de ogen van de burgers van de EU niet kan worden gerechtvaardigd, te meer gezien de huidige sociale en humanitaire situatie in de EU;

11.  beklemtoont, tegen de achtergrond van de migratiecrisis waarmee de EU geconfronteerd wordt, dat de Verklaring van Parijs van de 28 onderwijsministers op 17 maart 2015(1) de nadruk legt op de interculturele dialoog en de gezamenlijke inspanningen van de lidstaten om marginalisering, intolerantie, racisme en radicalisering te voorkomen en aan te pakken, en ook om een kader van gelijke kansen voor iedereen in stand te houden; wijst erop dat de huidige Europese programma's op het gebied van cultuur, onderwijs, jongeren en sport worden gekenmerkt door hun potentiële complementariteit en synergie met betrekking tot het integratiebeleid voor migranten en vluchtelingen, en vestigt derhalve de aandacht van de instellingen erop dat ze op de migratiecrisis moeten reageren door extra middelen beschikbaar te stellen voor zowel de rechtstreeks beheerde programma's als de Structuurfondsen, afgezien van de specifieke begrotingslijnen;

12.  benadrukt dat de vluchtelingencrisis die de EU doormaakt langdurig van aard is en dat er derhalve specifieke en passende financiële middelen nodig zijn voor de lange termijn om de lidstaten te helpen te voorzien in de behoeften van de vluchtelingen, met bijzondere aandacht voor onderwijs en culturele integratie;

13.  wijst erop dat de discrepantie tussen de zevenjarige programmering van het MFK en de tienjarige programmering van de politieke en strategische prioriteiten van de EU negatieve gevolgen kan hebben voor de consistente beoordeling van de resultaten van programma's van de Unie; dringt er derhalve bij de instellingen op aan de programmeringsperiode van het MFK te wijzigen om haar af te stemmen op de parlementaire zittingsperiode, maar zodanig dat er wel aan langetermijnprogrammering kan worden gedaan;

14.  benadrukt het verschil tussen het MFK-proces van evaluatie en herziening, aangezien de rubrieken bij dat laatste proces ingrijpend moeten kunnen worden gewijzigd om de democratische legitimiteit van de meerjarige financiële planning van de EU te waarborgen; is derhalve een groot voorstander van de werkzaamheden van de interinstitutionele groep op hoog niveau inzake eigen middelen, als een structurele oplossing voor sommige problemen die inherent zijn aan meerjarige planning van de EU-begroting.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

26.4.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

22

2

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Isabella Adinolfi, Dominique Bilde, Andrea Bocskor, Nikolaos Chountis, Silvia Costa, Jill Evans, María Teresa Giménez Barbat, Giorgos Grammatikakis, Petra Kammerevert, Andrew Lewer, Svetoslav Hristov Malinov, Stefano Maullu, Luigi Morgano, Momchil Nekov, Michaela Šojdrová, Yana Toom, Helga Trüpel, Sabine Verheyen, Julie Ward, Bogdan Brunon Wenta, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Milan Zver, Krystyna Łybacka

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Therese Comodini Cachia, Mary Honeyball, Ilhan Kyuchyuk, Martina Michels

(1)

De Verklaring over de bevordering van burgerschap en de gemeenschappelijke waarden van vrijheid, tolerantie en non-discriminatie door middel van onderwijs (Verklaring van Parijs) van de informele bijeenkomst van 17 maart 2015 van de ministers van Onderwijs van de Europese Unie.


ADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (3.6.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake de voorbereiding van de post-electorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel

(2015/2353(INI))

Rapporteur voor advies: Laura Agea

SUGGESTIES

De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt dat, gezien de ongekende noodsituatie op het gebied van migratie, de huidige maxima van het MFK 2014-2020 – met name voor rubriek 3 – ontoereikend blijken en geen weergave zijn van het toegenomen belang van de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid vanwege het Verdrag van Lissabon en het groeiend aantal taken en uitdagingen, waaronder het aanpakken van de structurele migratie en de veiligheidseisen; wijst erop dat het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) nu in feite al is uitgeput; herinnert eraan dat de flexibiliteitsmechanismen van het MFK reeds in ruime mate zijn gebruikt, waardoor de financiële flexibiliteit voor de volgende begrotingsjaren drastisch is beperkt;

2.  vraagt dat, hoewel de flexibiliteitsmechanismen van het MFK reeds in ruime mate zijn gebruikt, de meest getroffen lidstaten er ten volle gebruik kunnen van maken, met name van de "clausule voor uitzonderlijke omstandigheden" waarin het Stabiliteits- en groeipact voorziet;

3.  acht aanzienlijke bijkomende financiële middelen op EU-niveau noodzakelijk om alle uitdagingen aan te pakken die gerelateerd zijn aan de migratiedruk (redding, onderschepping, onthaal, registratie, controle, onderdak, vervoer, herplaatsing, terugkeer en integratie), de uitdagingen op humanitair gebied in en buiten de EU aan te pakken, een nieuw en echt gemeenschappelijk Europees asielstelsel te ontwikkelen, hervestiging en herplaatsing te ondersteunen, de gemeenschappelijke buitengrenzen te beheren, de interne veiligheid van de Schengenzone te waarborgen, integratie te bevorderen en discriminatie, met name van vrouwen, racisme en vreemdelingenhaat te voorkomen;

4.  is van mening dat de EU-begroting beleid moet steunen dat gericht is op integratie in plaats van op veiligheid; dringt erop aan dat de bestaande veiligheidsinstrumenten en -mogelijkheden ten volle worden benut vooraleer nieuwe kredieten worden toegekend, met name wanneer het gaat over de uitwisseling van informatie tussen veiligheids- en rechtshandhavingsdiensten in de lidstaten;

5.  is ingenomen met de invoering van een instrument om humanitaire steun te bieden binnen de EU, met name om het hoofd te bieden aan de massale toestroom van migranten en vluchtelingen; plaatst echter vraagtekens bij de toepassing van artikel 122, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voor de totstandbrenging van dit nieuwe instrument, aangezien het Parlement daarmee niet de hem toekomende rol wordt toebedeeld; acht het zorgwekkend dat de Commissie van plan is het instrument te financieren ten laste van rubriek 3 van de EU-begroting, en met name van het AMIF, dat al ruimschoots gebruikt wordt en ondergefinancierd is; verzoekt de Commissie binnen de EU-begroting andere financieringsbronnen voor dit instrument te zoeken om te voorkomen dat activiteiten en programma's die uit het AMIF worden gefinancierd negatief worden beïnvloed;

6.  steunt de invoering van een nieuw hoofdstuk binnen rubriek 3 voor noodhulp binnen de Unie; is van mening dat de herziening van het MFK erin moet voorzien dat deze "hulp" wordt gewaarborgd buiten en boven de maxima, waarbij de noodzakelijke flexibiliteit wordt gegarandeerd om de toewijzing van de middelen aan te passen volgens de ontwikkelingen op het terrein en gewijzigde beleidsprioriteiten;

7.  pleit ervoor het AMIF te herzien en er meer middelen aan toe te wijzen; benadrukt dat de agentschappen die met de migratiedruk moeten omgaan, met name het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) en Frontex, meer financiële en personele middelen moeten krijgen zodat zij de lidstaten daadwerkelijk kunnen steunen en de verwezenlijking van hun doelstellingen kunnen waarborgen; is van mening dat moet worden voorzien in passende middelen voor opsporings- en reddingsoperaties, en wijst erop dat deze middelen ten onrechte zijn opgenomen in het Fonds voor interne veiligheid (ISF);

8.  neemt kennis van het feit dat de Commissie onlangs een overeenkomst met Turkije heeft gesloten over een faciliteit van zes miljard euro voor de vluchtelingen in Turkije; spreekt zijn bezorgdheid uit over de oprichting van financiële instrumenten buiten de EU-begroting omdat zij een bedreiging vormen voor de eenheid van de begroting en buiten de begrotingsprocedure vallen waarbij de betrokkenheid en het toezicht van het Parlement vereist zijn; benadrukt dat het Parlement in geen enkele fase van het goedkeuringsproces geraadpleegd is; is bezorgd over de gevolgen van deze overeenkomst voor de begroting 2017; benadrukt dat deze middelen, net zoals andere gelijkaardige middelen, niet mogen worden gebruikt voor repressieve maatregelen of enig ander optreden dat de grondrechten kan schenden; verzoekt de Commissie nauwgezet toe te zien op het gebruik van deze middelen en hierover regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement; benadrukt dat de steun die de EU en de lidstaten aan vluchtelingen verlenen de gewone ontwikkelingshulp moet aanvullen en niet mag vervangen;

9.  is van mening dat er geen direct verband bestaat tussen migratie en terrorisme in Europa; dringt aan op nieuwe financiële middelen om de radicalisering van jongeren in de EU te bestrijden; is van mening dat dit kan worden verwezenlijkt door integratie te bevorderen en discriminatie, racisme en vreemdelingenhaat te bestrijden; dringt erop aan niet te snoeien in de middelen voor projecten die een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht tot stand willen brengen;

10.  is van mening dat het ISF over passende financiële middelen moet beschikken om zijn doelstellingen te kunnen verwezenlijken, met name op het gebied van doeltreffende samenwerking en informatie-uitwisseling tussen rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten; benadrukt evenwel dat alle acties van het ISF het Handvest van de grondrechten van de EU ten volle moeten eerbiedigen;

11.  dringt aan op meer financiële middelen voor het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap", dat tot doel heeft de grondrechten te bevorderen en te beschermen en racisme, vreemdelingenhaat en alle vormen van discriminatie te bestrijden, met name tegen de achtergrond van de toenemende onverdraagzaamheid in Europa;

12.  verwacht dat er migratiestromen zullen blijven bestaan als gevolg van de aanhoudende politieke instabiliteit en conflicten in tal van regio's en het ontbreken van wettelijke middelen om toegang te krijgen tot de EU, zowel voor asielzoekers als voor migranten; dringt aan op een bijgewerkte raming van de begrotingsbehoeften om te kunnen inspelen op de uitdagingen die tot het einde van het MFK mogen worden verwacht; dringt erop aan dat bij de herziening van het MFK in 2017 wordt voorzien in maximale flexibiliteit zodat het MFK kan inspelen op situaties die niet bestonden ten tijde van de goedkeuring ervan; dringt aan op een passende verhoging van de middelen voor rubriek 3 en 4, en op het feit dat het Parlement bij alle fasen van de besluitvorming moet worden betrokken, zowel wat begrotings- als wetgevingsmaatregelen betreft.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

30.5.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

41

4

6

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jan Philipp Albrecht, Martina Anderson, Malin Björk, Michał Boni, Caterina Chinnici, Rachida Dati, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Frank Engel, Tanja Fajon, Laura Ferrara, Monika Flašíková Beňová, Ana Gomes, Nathalie Griesbeck, Jussi Halla-aho, Monika Hohlmeier, Sophia in ‘t Veld, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Timothy Kirkhope, Cécile Kashetu Kyenge, Marju Lauristin, Juan Fernando López Aguilar, Claude Moraes, Péter Niedermüller, Soraya Post, Birgit Sippel, Branislav Škripek, Csaba Sógor, Bodil Valero, Marie-Christine Vergiat, Beatrix von Storch, Josef Weidenholzer, Kristina Winberg

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Laura Agea, Marina Albiol Guzmán, Hugues Bayet, Carlos Coelho, Pál Csáky, Ska Keller, Miltiadis Kyrkos, Artis Pabriks, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, Salvatore Domenico Pogliese, Jaromír Štětina, Róża Gräfin von Thun und Hohenstein, Axel Voss

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Edouard Ferrand, Peter Jahr, Othmar Karas, Ilhan Kyuchyuk, Keith Taylor, Lieve Wierinck


ADVIES van de Commissie constitutionele zaken (31.5.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake de voorbereiding van de post-electorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel

(2015/2353(INI))

Rapporteur voor advies: Pedro Silva Pereira

SUGGESTIES

De Commissie constitutionele zaken verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  dringt aan op volledige en wezenlijke betrokkenheid van het Europees Parlement bij het interinstitutionele debat over de rol, de structuur, de doelen, de prioriteiten en de resultaten van het meerjarig financieel kader (MFK), overeenkomstig zijn door de plenaire vergadering goedgekeurde mandaat;

2.  vraagt een alomvattende, brede en echte evaluatie van de werking van het MFK, die vervolgens leidt tot een verplichte wettelijke herziening van de MFK-verordening overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad, en van de bijbehorende interinstitutionele overeenkomst, ook met betrekking tot de financiële middelen die binnen het huidige kader beschikbaar zijn;

3.  wijst op de inzet van de speciale en flexibiliteitsinstrumenten om in te kunnen spelen op de uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden waar de Unie mee geconfronteerd wordt; vestigt met name de aandacht op de migratiecrisis en op de moeilijkheden die de Europese burgers ondervinden als gevolg van de economische crisis; beklemtoont daarom dat er bij de herziening van het MFK meer middelen moeten worden toegewezen aan de betroffen rubrieken, zodat de EU gestructureerder kan inspelen op de huidige humanitaire en economische crisis; roept op tot nog grotere flexibiliteit om op passende wijze op deze omstandigheden te kunnen reageren; benadrukt echter dat de aanpak van de nieuwe uitdagingen van de EU niet ten koste mag gaan van de toewijzing van middelen aan cohesiedoelstellingen; beklemtoont dat meer flexibiliteit gepaard moet gaan met striktere parlementaire controle;

4.  herinnert eraan dat artikel 311, lid 1, VWEU als volgt luidt: "De Unie voorziet zich van de middelen die nodig zijn om haar doelstellingen te verwezenlijken en aan haar beleid uitvoering te geven"; is in dit verband van mening dat de opeenstapeling van onbetaalde rekeningen van vorige Europese begrotingen en het ontbreken van middelen om het hoofd te bieden aan bestaande of toekomstige crises en uitdagingen, zoals de vluchtelingencrisis, de migratiestromen, de coördinatie van de terrorismebestrijding, de versterking van de veiligheid van de EU-burgers, de ondersteuning en coördinatie van de energie- en de vervoersector, en de ondersteuning van maatregelen tegen de klimaatverandering, duidelijk laten zien dat er dringend meer actie en meer financiële middelen van de Unie nodig zijn;

5.  acht het noodzakelijk het systeem van financiering van het MFK te hervormen, in het bijzonder door de invoering van nieuwe en werkelijke eigen middelen voor de EU-begroting, zoals een belasting op financiële transacties en andere inkomsten uit Europese belastingen, teneinde toe te werken naar een volledig met eigen middelen gefinancierde begroting zoals bedoeld in artikel 311 VWEU, en dringt er in dit verband bij de Raad op aan zich over dit onderwerp te buigen, ongeacht de resultaten in het definitieve verslag van de Groep op hoog niveau inzake eigen middelen; dringt er tevens bij de Raad op aan de invoering van een belasting- en begrotingscapaciteit binnen de eurozone te overwegen; benadrukt dat ieder nieuw instrument onder de EU-begroting moet vallen, maar buiten de plafonds van het MFK, en dat het moet worden gefinancierd met echte eigen middelen;

6.   benadrukt dat eenheid van de EU-begroting noodzakelijk is voor de democratische verantwoording en de transparantie;

7.  vraagt om een transparant, goed gefundeerd en vruchtbaar debat met de Raad en de Commissie over de best passende duur van de financiële kaders na 2020, zodat de duur van het MFK gelijk wordt getrokken met die van de politieke cyclus van het Europees Parlement en de Commissie, overeenkomstig het bepaalde in artikel 312, lid 1, VWEU, vooral om rekening te houden met enerzijds de gevolgen van de kaders voor de programmerings- en uitvoeringscycli van elk beleid, en anderzijds de nodige mate van flexibiliteit en de nodige herzieningsmechanismen, zodat er een beter evenwicht bereikt wordt tussen stabiliteit, voorspelbaarheid en flexibiliteit;

8.  vraagt om gebruikmaking van de beschikbare "passerelle"-clausules zowel met betrekking tot de MFK-verordening, zoals bepaald in artikel 312, lid 2, VWEU, als met betrekking tot de besluitvormingsprocedure inzake eigen middelen, zoals bepaald in artikel 48, lid 7, VEU, met inbegrip van de mogelijkheid om van eenparigheid over te stappen op besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid;

9.  is van mening dat de verordeningen betreffende de tenuitvoerlegging van het MFK en de respectievelijke fondsen beter gestroomlijnd en vereenvoudigd kunnen worden, overeenkomstig de doelstellingen van het interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING

IN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

30.5.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

14

4

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Mercedes Bresso, Richard Corbett, Pascal Durand, Danuta Maria Hübner, Ramón Jáuregui Atondo, Constance Le Grip, Maite Pagazaurtundúa Ruiz, György Schöpflin, Pedro Silva Pereira, Barbara Spinelli, Kazimierz Michał Ujazdowski, Rainer Wieland

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Max Andersson, Gerolf Annemans, Helmut Scholz

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Rosa D’Amato, Rosa Estaràs Ferragut, Arne Lietz, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Jarosław Wałęsa


ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (25.5.2016)

aan de Begrotingscommissie

inzake de voorbereiding van de post-electorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel

(2015/2353(INI))

Rapporteur voor advies: Clare Moody

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Begrotingscommissie onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat de in opdracht van het directoraat-generaal Begroting van de Commissie uitgevoerde studie van 2008 ter evaluatie van de haalbaarheid van en de opties voor de opneming van elementen van genderbudgettering in het begrotingsproces van de EU heeft bevestigd dat de EU-begroting zich ondanks haar unieke eigenschappen tot genderbudgettering leent en dat genderbudgettering in alle stadia van het begrotingsproces, van de planning en voorbereiding tot de controle en evaluatie van de EU-begroting, kan worden toegepast;

1.  erkent dat gendergelijkheid een fundamentele waarde van de Unie is die in de Verdragen is verankerd en in alle EU-beleidsmaatregelen moet worden geïntegreerd om in de praktijk gelijkheid te bewerkstelligen; benadrukt dat gendergelijkheid als beleidsdoelstelling in de begrotingstitels moet worden opgenomen, dat ook gendermainstreaming als uitvoeringsmethode voor alle begrotingstitels moet worden erkend en dat genderbudgettering bijgevolg integraal deel moet uitmaken van alle stadia van de begrotingsprocedure, maar dat voor alle beleidsgebieden tot dusver op dit vlak slechts marginale vooruitgang is geboekt; verwacht daarom dat de Commissie een genderbudgetteringsmethode ontwikkelt en deze op de EU-begroting toepast; benadrukt dat er geprogrammeerde en passende begrotingsmiddelen nodig zijn voor doeltreffende beleidsmaatregelen inzake gendermainstreaming en ter bevordering van gendergelijkheid; is ingenomen met de tussentijdse herziening van het MFK en ziet deze als een kans om aanzienlijke vooruitgang te boeken op het vlak van de agenda "resultaatgerichte begroting", alsook om meer meetbare en realistische doelstellingen voor te stellen, met inbegrip van een evaluatie van de tot dusver behaalde resultaten, om voor de rest van deze programmeringsperiode werkelijk een genderperspectief in de EU-begroting op te nemen;

2.  is verheugd over de nadruk die wordt gelegd op de agenda "resultaatgerichte begroting", die de mogelijkheid biedt om bij de begrotingsuitgaven met elke bestede euro een geïntegreerde bevordering van gendergelijkheid te bewerkstelligen; erkent tevens dat vereenvoudigingsmaatregelen in het kader van de agenda "resultaatgerichte begroting" niet ten koste mogen gaan van investeringen die voor positieve veranderingen kunnen zorgen met het oog op de verwezenlijking van gendergelijkheid;

3.  vestigt de aandacht op de bestaande gendergerelateerde doelstellingen in de Europa 2020-strategie, namelijk de verhoging van de arbeidsparticipatie van vrouwen tot 75 %, gelijke loonvoorwaarden voor vrouwelijke en mannelijke werknemers, een gelijke vertegenwoordiging van vrouwen in nationale parlementen en een gelijk aandeel van vrouwen in het bestuur van grote ondernemingen, die alle nog verre van verwezenlijkt zijn; wijst daarnaast op de desbetreffende prioriteiten van het Europees Parlement in het kader van Horizon 2020, waaronder de bevordering van gendergelijkheid, met name op het gebied van onderzoek en innovatie; benadrukt dat bij de herziening van het MFK de vorderingen bij de verwezenlijking van deze doelstellingen moeten worden beoordeeld en, indien nodig, de maatregelen moeten worden herzien die worden genomen om deze doelstellingen te verwezenlijken;

4.  benadrukt dat, ondanks de gezamenlijke verklaring over gendermainstreaming die bij het MFK is gevoegd, tot dusver geen specifieke maatregelen op dit vlak zijn genomen; dringt aan op een doeltreffend toezicht op de uitvoering van deze verklaring in de jaarlijkse begrotingsprocedures en op een effectievere integratie ervan in de herziening van het MFK;

5.  herinnert eraan dat, volgens gegevens van de UNHCR, 55 % van de vluchtelingen en asielzoekers die sinds januari 2016 de EU zijn binnenkomen, vrouwen en kinderen zijn; dringt er, gezien het feit dat vrouwen en meisjes in crisis- en conflictsituaties disproportioneel worden benadeeld en aan risico's zijn blootgesteld, op aan dat bij de herziening van het MFK in rubriek 3 (Veiligheid en burgerschap) en rubriek 4 (Europa als wereldspeler) wordt gezocht naar financiële instrumenten die specifiek gericht zijn op de behoeften van vrouwen en meisjes, onder meer instrumenten voor seksuele en reproductieve gezondheidsdiensten en instrumenten ter bestrijding van seksueel en gendergerelateerd geweld, alsook naar maatregelen die specifiek gericht zijn op de integratie van vrouwelijke en minderjarige vluchtelingen en asielzoekers in het gastland, onder meer door middel van flexibele taalcursussen, onderwijsvoorzieningen en faciliteiten voor kinderopvang, en naar maatregelen die de onderliggende oorzaken van hun oorspronkelijke ontheemding aanpakken;

6.  benadrukt dat investeringen van overheidsmiddelen in de zorgsector, onder meer in hoogwaardige en betaalbare voorzieningen voor kinderopvang, sociale zorg, langdurige zorg en ouderenzorg, banen scheppen, economische groei stimuleren, de gelijkheid van vrouwen en mannen bevorderen en meer vrouwen in staat stellen om weer aan het werk te gaan of een voltijdse baan aan te nemen, gezien het feit dat vrouwen twee tot tien keer meer tijd aan onbetaalde zorg besteden dan mannen; dringt erop aan dat de herziening van het MFK wordt gebruikt om te investeren in deze sociale infrastructuur in Europa, als onderdeel van de agenda voor groei en werkgelegenheid en van de Europa 2020-strategie, in het bijzonder door te zorgen voor investeringen in de opleiding van vrouwen tot ondernemer; merkt op dat dit soort uitgaven zelden als passende vorm van investeren worden beschouwd wanneer beleidsmakers op zoek zijn naar doeltreffende instrumenten om werkgelegenheid te creëren in tijden van recessie en dat in vele gevallen juist tegenovergestelde maatregelen worden getroffen, aangezien de overheidsuitgaven voor onderwijs, gezondheidszorg, kinderopvang en socialezorgvoorzieningen in vele landen worden beperkt in het kader van hun strategieën om het begrotingstekort terug te dringen; betreurt deze veronachtzaming van sociale infrastructuur, die het gevolg is van genderblindheid in het economische denken en deels is ingegeven door een genderspecifieke arbeidsverdeling en gendersegregatie op de arbeidsmarkt, die op hun beurt bijdragen tot de groeiende loonkloof tussen vrouwen en mannen in Europa; beschouwt de herziening van het MFK als een gelegenheid om de nodige maatregelen te treffen om deze problemen aan te pakken;

7.  herhaalt dat de Daphne-programma's een fundamentele rol hebben gespeeld bij de bestrijding van geweld tegen kinderen, jongeren en vrouwen in de EU, maar betreurt het feit dat deze niet langer als een afzonderlijk onderdeel in de begroting worden opgenomen; benadrukt dat moet worden voorzien in voldoende financiële steun en meer duidelijkheid over de wijze waarop dit doel wordt nagestreefd in het kader van het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap"; benadrukt dat het belangrijk is dat deze financiële steun de basisorganisaties ter plaatse bereikt om een doeltreffende uitvoering van het programma te waarborgen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.5.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

18

4

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Daniela Aiuto, Beatriz Becerra Basterrechea, Malin Björk, Vilija Blinkevičiūtė, Viorica Dăncilă, Iratxe García Pérez, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Elisabeth Köstinger, Agnieszka Kozłowska-Rajewicz, Barbara Matera, Marijana Petir, Pina Picierno, Terry Reintke, Liliana Rodrigues, Michaela Šojdrová, Ernest Urtasun, Beatrix von Storch

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Arne Gericke, Clare Moody

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

David Coburn, Ulrike Rodust, Siôn Simon


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

29.6.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

29

5

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Nedzhmi Ali, Jean Arthuis, Reimer Böge, Jean-Paul Denanot, Gérard Deprez, José Manuel Fernandes, Eider Gardiazabal Rubial, Jens Geier, Ingeborg Gräßle, Bernd Kölmel, Zbigniew Kuźmiuk, Vladimír Maňka, Ernest Maragall, Clare Moody, Siegfried Mureşan, Jan Olbrycht, Younous Omarjee, Urmas Paet, Paul Rübig, Patricija Šulin, Eleftherios Synadinos, Paul Tang, Indrek Tarand, Isabelle Thomas, Monika Vana, Daniele Viotti, Marco Zanni, Auke Zijlstra

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Xabier Benito Ziluaga, Mercedes Bresso, Ivan Štefanec, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Sylvia-Yvonne Kaufmann, Fernando Ruas, Bogdan Brunon Wenta

Juridische mededeling