Procedure : 2015/0281(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0228/2016

Ingediende teksten :

A8-0228/2016

Debatten :

PV 15/02/2017 - 11
CRE 15/02/2017 - 11

Stemmingen :

PV 16/02/2017 - 6.4
CRE 16/02/2017 - 6.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0046

VERSLAG     ***I
PDF 733kWORD 562k
12.7.2016
PE 577.046v02-00 A8-0228/2016

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad inzake terrorismebestrijding

(COM(2015)0625 – C8-0386/2015 – 2015/0281(COD))

Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

Rapporteur: Monika Hohlmeier

ERRATA/ADDENDA
ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 PROCEDURE VAN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake terrorismebestrijding en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad inzake terrorismebestrijding

(COM(2015)0625 – C8-0386/2015 – 2015/0281(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0625),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 83, lid 1, en 82, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0386/2015),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien resoluties 2178/2014 van 24 september 2014 en 2249/2015 van 20 november 2015 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties,

–  gezien het verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme van 16 mei 2005 en het aanvullend protocol daarbij van 19 mei 2015,

–  gezien de aanbevelingen van de Financial Action Task Force (FATF),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0228/2016),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Amendement  1

Ontwerpwetgevingsresolutie

Visum 4 bis (nieuw)

 

Ontwerpwetgevingsresolutie

Amendement

 

-  gezien de resoluties 2195(2014), 2199(2015) en 2253(2015) van de VN-Veiligheidsraad,

Amendement  2

Ontwerpwetgevingsresolutie

Visum 4 ter (nieuw)

 

Ontwerpwetgevingsresolutie

Amendement

 

-  gezien resolutie 1373(2001) van de VN-Veiligheidsraad,

Amendement  3

Ontwerpwetgevingsresolutie

Visum 8 bis (nieuw)

 

Ontwerpwetgevingsresolutie

Amendement

 

-  gezien het communiqué van de Top over nucleaire veiligheid te Washington van 1 april 2016,

Amendement  4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1)  De Europese Unie is gegrondvest op de universele waarden van menselijke waardigheid, vrijheid, gelijkheid en solidariteit, en eerbiediging van de rechten van de mens en van de fundamentele vrijheden. Zij berust op het beginsel van de democratie en het beginsel van de rechtsstaat, welke beginselen de lidstaten gemeen hebben.

(1)   De Europese Unie is gegrondvest op de universele waarden van menselijke waardigheid, vrijheid, gelijkheid van vrouwen en mannen en solidariteit, en eerbiediging van de rechten van de mens en van de fundamentele vrijheden. Zij berust op het beginsel van de democratie en het beginsel van de rechtsstaat, welke beginselen de lidstaten gemeen hebben.

Amendement  5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(3 bis)  Het in mei 2015 goedgekeurde Aanvullend Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme verplicht de partijen bij dat verdrag het met terroristisch oogmerk deelnemen aan een organisatie of groep, het krijgen van training voor terrorisme, het naar het buitenland reizen met terroristisch oogmerk of hiertoe een poging ondernemen, het verstrekken of verzamelen van middelen voor dergelijke reizen en het organiseren en vergemakkelijken van dergelijke reizen strafbaar te stellen. De Unie heeft het Aanvullend Protocol en het verdrag op 22 oktober 2015 ondertekend.

Amendement  6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4)  De terroristische dreiging heeft zich de afgelopen jaren snel ontwikkeld en is toegenomen. Personen die worden aangeduid als "buitenlandse terroristische strijders" reizen naar het buitenland voor terrorismedoeleinden. Terugkerende buitenlandse terroristische strijders vormen een verhoogd veiligheidsrisico voor alle EU-lidstaten. Buitenlandse terroristische strijders zijn in verband gebracht met diverse recente aanslagen of de beraming daarvan, waaronder de aanslagen van 13 november 2015 in Parijs. Daarnaast worden de Europese Unie en haar lidstaten geconfronteerd met toegenomen dreigingen die uitgaan van individuele personen die zijn geïnspireerd of geïnstrueerd door terroristische groepen in het buitenland, maar die zelf binnen Europa blijven.

(4)  De terroristische dreiging heeft zich de afgelopen jaren snel ontwikkeld en is toegenomen. Personen die worden aangeduid als "buitenlandse terroristische strijders" reizen naar het buitenland voor terrorismedoeleinden. Terugkerende buitenlandse terroristische strijders vormen een verhoogd veiligheidsrisico voor alle EU-lidstaten. Buitenlandse terroristische strijders zijn in verband gebracht met diverse recente aanslagen of de beraming daarvan, waaronder de aanslagen van 13 november 2015 in Parijs en op 22 maart 2016 in Brussel. Daarnaast worden de Europese Unie en haar lidstaten geconfronteerd met toegenomen dreigingen die uitgaan van individuele personen die zijn geïnspireerd of geïnstrueerd door terroristische groepen in het buitenland, maar die zelf binnen Europa blijven.

Amendement  7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 bis)  Krachtens paragraaf 6 van resolutie 2178(2014) van de Veiligheidsraad van de VN zijn alle VN-lidstaten verplicht te waarborgen dat hun nationale wet- en regelgeving het reizen naar een derde land met het oogmerk bij te dragen tot het plegen van daden van terrorisme en het geven of krijgen van training, alsmede het financieren, organiseren of vergemakkelijken van dergelijke reizen als ernstige strafbare feiten aanmerkt, ten aanzien waarvan vervolging wordt ingesteld. Om mazen in de strafrechtelijke vervolging te voorkomen is een geharmoniseerde tenuitvoerlegging van resolutie 2178(2014) van de VN-Veiligheidsraad noodzakelijk.

Amendement  8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 ter (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 ter)  De bestrijding van terrorisme behoort in de eerste plaats tot het bevoegdheidsterrein van de lidstaten. De terroristische aanslagen die Europa in 2015 en 2016 hebben getroffen, hebben evenwel aangetoond dat een gecoördineerd optreden door de lidstaten noodzakelijk is om terrorisme te bestrijden en om de dreiging aan te pakken die uitgaat van buitenlandse strijders binnen de Unie.

Amendement  9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 quater (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 quater)  Een geharmoniseerde classificatie van strafrechtelijke sancties voor terreurdaden zou een gemeenschappelijk rechtskader bieden dat door diverse agentschappen van de Unie als referentie kan worden gebruikt. Daarom dient een doeltreffend coördinatiemechanisme tussen Europol, Eurojust, SIS, OLAF en het EJN te worden ingesteld.

Amendement  10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 quinquies (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 quinquies)  De lidstaten moeten ervoor zorgen dat hun veiligheidsdiensten, rechtshandhavingsinstanties en justitiële instellingen professioneler worden. Daarnaast moeten zij zorgen voor doeltreffend toezicht op en controleerbaarheid van dergelijke instanties, in overeenstemming met het internationaal recht op het gebied van de mensenrechten en de rechtsstaat. Dit houdt onder meer in dat zij moeten voorzien in opleidingen op het gebied van de mensenrechten voor veiligheidsdiensten, waarbij aandacht wordt besteed aan de eerbiediging van de mensenrechten in het kader van maatregelen ter bestrijding van gewelddadig extremisme en terrorisme.

Amendement  11

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)  Rekening houdend met de ontwikkeling van de terroristische dreigingen en de wettelijke verplichtingen van de Unie en de lidstaten uit hoofde van het internationaal recht, moet de definitie van terroristische strafbare feiten, met inbegrip van strafbare feiten in verband met een terroristische groep en strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten, door de lidstaten verder onderling worden aangepast, zodat deze verruimde definitie ook gedragingen in verband met, in het bijzonder, buitenlandse terroristische strijders en terrorismefinanciering bestrijkt. Deze vormen van gedrag moeten ook strafbaar zijn als ze plaatsvinden via internet, waaronder sociale media.

(5)  Rekening houdend met de ontwikkeling van de terroristische dreigingen en de wettelijke verplichtingen van de Unie en de lidstaten uit hoofde van het internationaal recht, moet de definitie van terroristische strafbare feiten, met inbegrip van strafbare feiten in verband met een terroristische groep en strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten, door de lidstaten verder onderling worden aangepast, zodat deze verruimde definitie ook gedragingen in verband met, in het bijzonder, buitenlandse terroristische strijders, het toenemend misbruik van internet met terroristisch oogmerk (bijvoorbeeld voor werving, propaganda en training) en terrorismefinanciering bestrijkt. Deze vormen van gedrag moeten strafbaar zijn, ongeacht het middel waarvan gebruik wordt gemaakt en ongeacht of dit online of offline geschiedt, een en ander met inachtneming van de beginselen van evenredigheid en noodzakelijkheid.

Amendement  12

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(5 bis)  De dreiging van nucleair en stralingsterrorisme blijft een van de grootste problemen op het gebied van de internationale veiligheid. Om het hoofd te bieden aan deze steeds veranderende dreiging is meer internationale samenwerking nodig en meer steun voor de centrale rol van het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie (IAEA), alsmede strenge veiligheidsmaatregelen.

Amendement  13

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(6 bis)  Maatregelen ter bestrijding van terrorisme kunnen alleen volledig effect sorteren indien zij in alle lidstaten worden geflankeerd door een doeltreffend, ontmoedigend en gecoördineerd strafrechtelijk instrumentarium. Door het uitvoeren van terreurdaden in het buitenland door terroristische organisaties strafbaar te stellen, kunnen de lidstaten zich de nodige instrumenten verschaffen om radicalisering van burgers van de Unie en het fenomeen van buitenlandse strijders uit te bannen. Rechtshandhavingsinstanties en rechterlijke instanties dienen over de nodige middelen te beschikken om dergelijke daden te verijdelen, op te sporen en te bestraffen. Functionarissen van deze instanties moeten afdoende en permanent worden opgeleid op het gebied van criminaliteit in verband met terrorisme.

Amendement  14

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6 ter (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(6 ter)  Deze richtlijn mag er niet toe leiden dat de rechten, verplichtingen en verantwoordelijkheden van lidstaten en organisaties uit hoofde van het internationaal recht, met inbegrip van het internationaal humanitair recht, worden aangetast. Deze richtlijn is niet van toepassing op handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht, noch is deze van toepassing op de handelingen ondernomen door de strijdkrachten van een staat bij de uitoefening van hun officiële taken, voor zover onderworpen aan andere bepalingen van internationaal recht.

Amendement  15

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6 quater (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(6 quater)  Het verstrekken van humanitaire hulp door onpartijdige humanitaire organisaties die door het internationaal recht, met inbegrip van het internationaal humanitair recht, worden erkend, mag niet aangemerkt worden als het bijdragen aan de criminele activiteiten van een terroristische groepering, een en ander gelet op de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Amendement  16

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(7)  Strafbare feiten in verband met het publiekelijk uitlokken van het plegen van een terroristisch strafbaar feit omvatten onder meer de verheerlijking en rechtvaardiging van terrorisme en de verspreiding van boodschappen of beelden, onder andere met betrekking tot slachtoffers van terrorisme, als manier om publiciteit voor de terroristische zaak te genereren of de bevolking ernstig vrees aan te jagen, voor zover dergelijke gedragingen het gevaar opleveren dat terroristische handelingen zouden kunnen worden gepleegd.

(7)  Strafbare feiten in verband met het publiekelijk uitlokken van het plegen van een terroristisch strafbaar feit omvatten onder meer de verheerlijking en rechtvaardiging van terrorisme en de verspreiding online of offline van boodschappen of beelden om steun te vergaren voor terrorisme of de bevolking ernstig vrees aan te jagen. Dergelijke gedragingen dienen strafbaar te zijn als zij in een concreet geval het gevaar opleveren dat een terroristisch strafbaar feit zou kunnen worden gepleegd.

Amendement  17

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(7 bis)  Overeenkomstig Richtlijn 200/31/EG van het Europees Parlement en de Raad1bis moeten de lidstaten ervoor zorgen dat, wanneer een dienst van de informatiemaatschappij bestaat in het doorgeven in een communicatienetwerk van door een afnemer van de dienst verstrekte informatie, of in het verschaffen van toegang tot een communicatienetwerk, de dienstverlener niet aansprakelijk is voor de doorgegeven of opgeslagen informatie.

 

________________

 

1bis Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt ("Richtlijn inzake elektronische handel") (PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1).

Amendement  18

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7 ter (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(7 ter)  Een doeltreffende manier om terrorisme op internet te bestrijden is het verwijderen van illegale terroristische inhoud aan de bron. In die context doet deze richtlijn geen afbreuk aan vrijwillige maatregelen die door de internetindustrie worden genomen om verkeerd gebruik van haar diensten te voorkomen, zoals het opsporen en melden van illegale inhoud, noch aan de eventuele steun voor dergelijke maatregelen van de lidstaten. De lidstaten dienen alle nodige maatregelen te nemen om webpagina's waarop publiekelijk wordt aangezet tot het plegen van terroristische strafbare feiten te verwijderen of de toegang daartoe te blokkeren. Dergelijke maatregelen moeten genomen worden volgens transparante procedures en onderworpen zijn aan passende waarborgen onder toezicht van onafhankelijke autoriteiten. De lidstaten dienen alles in het werk te stellen om in samenwerking met derde landen voor de verwijdering van dergelijke inhoud van servers op hun grondgebied te zorgen. Als het verwijderen van illegale inhoud aan de bron evenwel niet mogelijk is, moeten de lidstaten maatregelen kunnen invoeren om de toegang vanaf het grondgebied van de Unie tot als terroristische inhoud bevattend of verspreidend aangemerkte webpagina's te blokkeren. De lidstaten moeten juridische stappen overwegen tegen internet- en socialemediabedrijven en -dienstverleners die opzettelijk weigeren te voldoen aan een rechterlijk bevel om illegale inhoud die terrorisme verheerlijkt van hun internetplatform te verwijderen nadat zij naar behoren in kennis zijn gesteld van de aanwezigheid van dergelijke inhoud. Weigering om aan een dergelijk bevel te voldoen moet kunnen worden bestraft met doeltreffende, evenredige en ontmoedigende sancties. Het recht van internet- en socialemediabedrijven en -dienstverleners op rechterlijke toetsing moet worden gewaarborgd.

Amendement  19

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 8

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(8)  Gelet op de ernst van de dreiging en de noodzaak om met name de stroom van buitenlandse terroristische strijders te stoppen, is het nodig het naar het buitenland reizen voor terroristische doeleinden strafbaar te stellen; daaronder wordt niet alleen het plegen van terroristische strafbare feiten en het geven of het krijgen van training, maar ook het deelnemen aan de activiteiten van een terroristische groep verstaan. Ook elke faciliterende handeling betreffende dergelijke reizen moet strafbaar worden gesteld.

(8)  Hoewel reizen op zich niet strafbaar hoeft te worden gesteld is het, gelet op de ernst van de dreiging en de noodzaak om met name de stroom van buitenlandse terroristische strijders te stoppen, nodig om het naar het buitenland reizen voor terroristische doeleinden strafbaar te stellen; daaronder wordt niet alleen het plegen van terroristische strafbare feiten en het geven of het krijgen van training, maar ook het deelnemen aan de activiteiten van een terroristische groep verstaan. Reizen dient alleen onder specifieke omstandigheden strafbaar te worden gesteld, en uitsluitend wanneer de intentie om dat te doen voor terroristische doeleinden bewezen kan worden aan de hand van objectieve omstandigheden. Ook het faciliteren of organiseren van dergelijke reizen moet strafbaar worden gesteld.

Amendement  20

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(9)  Strafbaarstelling van het krijgen van training voor terrorisme vult het bestaande strafbare feit van het geven van training voor terrorisme aan en is specifiek gericht op het aanpakken van de dreigingen die uitgaan van personen die actief voorbereidingen treffen voor het plegen van terroristische strafbare feiten, onder wie personen die uiteindelijk alleen handelen.

(9)  Strafbaarstelling van het opzettelijk krijgen van training voor terrorisme, met inbegrip van het verwerven van kennis, documentatie of praktische vaardigheden, al dan niet door middel van zelfstudie, vult het bestaande strafbare feit van het geven van training voor terrorisme aan en is specifiek gericht op het aanpakken van de dreigingen die uitgaan van personen die actief voorbereidingen treffen voor het plegen van terroristische strafbare feiten, onder wie personen die uiteindelijk alleen handelen. Deze handelingen moeten derhalve strafbaar worden gesteld.

Amendement  21

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(9 bis)  Cyberaanvallen voor terroristische doeleinden of door een terroristische organisatie moeten in de lidstaten strafbaar worden gesteld.

Amendement  22

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 10

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(10)  Terrorismefinanciering moet strafbaar zijn in de lidstaten en moet financiering van terroristische handelingen, financiering van een terroristische groep en andere strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten zoals werving en training of reizen voor terroristische doeleinden omvatten teneinde de ondersteunende structuren die het plegen van terroristische strafbare feiten faciliteren te ontwrichten. Medeplichtigheid aan en poging tot terrorismefinanciering moeten eveneens strafbaar zijn.

(10)  Onverminderd Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad1bis moet terrorismefinanciering in de lidstaten strafbaar worden gesteld en moet terrorismefinanciering niet alleen de financiering van terroristische handelingen omvatten, maar ook de financiering van terroristische groepen of andere strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten, zoals werving en training of reizen voor terroristische doeleinden, teneinde de ondersteunende structuren die het plegen van terroristische strafbare feiten faciliteren te ontwrichten. Medeplichtigheid aan en poging tot terrorismefinanciering moeten eveneens strafbaar zijn.

 

__________________

 

1bis Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).

Amendement  23

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 10 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(10 bis) De toenemende convergentie tussen en verwevenheid van terrorisme en georganiseerde misdaad en de banden tussen criminele en terroristische groepen vormen een steeds grotere bedreiging voor de Unie. De lidstaten dienen daarom te waarborgen dat het financieren en steunen van terreurdaden via de georganiseerde misdaad strafbaar worden gesteld en dat de autoriteiten van de lidstaten die betrokken zijn bij strafrechtelijke procedures nadrukkelijker rekening houden met de banden tussen georganiseerde misdaad en terroristische activiteiten en financiering van terrorisme.

Amendement  24

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 10 ter (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(10 ter) De illegale handel in vuurwapens, olie, drugs, sigaretten, namaakgoederen, kunst en andere cultuurgoederen, alsmede mensenhandel, gangsterpraktijken en afpersing, zijn voor terroristische groeperingen zeer lucratieve manieren geworden om aan financiële middelen te komen. Om terrorismefinanciering tegen te gaan moeten derhalve ook de activiteiten die terroristische organisaties ontplooien om aan financiële middelen te komen worden aangepakt.

 

De lidstaten moeten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat terroristische groepen geen inkomsten kunnen verwerven uit de handel in goederen, maar er daarbij op toezien dat onevenredige lasten voor economische actoren worden voorkomen. Passende en evenredige zorgvuldigheids- controle- en rapportagevereisten kunnen een preventief effect hebben, omdat deze de handelsactiviteiten van georganiseerde groepen en terroristische groepen aanzienlijk belemmeren en ertoe kunnen bijdragen dat georganiseerde misdaad en andere handelsactiviteiten van terroristische organisaties op doeltreffender wijze kunnen worden opgespoord en vervolgd. In voorkomend geval voorzien de lidstaten in sancties die van toepassing zijn voor niet-naleving van deze vereisten.

Amendement  25

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 10 quater (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(10 quater)  Financieel onderzoek kan cruciaal zijn voor het aan het licht brengen van activiteiten ter bevordering van terroristische strafbare feiten en de netwerken en structuren van terroristische organisaties. Dergelijke onderzoeken kunnen zeer veel opleveren, vooral als belasting- en douaneautoriteiten, financiële-inlichtingeneenheden en justitiële autoriteiten in een vroeg stadium bij het onderzoek betrokken worden. De lidstaten dienen financieel onderzoek standaard deel te laten uitmaken van alle onderzoeken in de strijd tegen terrorisme en ervoor te zorgen dat relevante financiële informatie tussen de bevoegde autoriteiten wordt uitgewisseld. Bij hun inspanningen op het gebied van de voorkoming van, het onderzoek naar en de bestrijding van terrorismefinanciering moeten de lidstaten ten volle gebruikmaken van de capaciteiten van Europol inzake financiële inlichtingen en de bestrijding van terrorismefinanciering. Daarnaast moeten zij zich inspannen om een doeltreffender en beter gecoördineerde aanpak te realiseren, bijvoorbeeld door op nationaal niveau gespecialiseerde eenheden op te richten die belast worden met financieel onderzoek op het gebied van terrorisme, hetgeen een aanzienlijke meerwaarde kan opleveren en er in aanzienlijke mate toe kan bijdragen dat personen met succes worden vervolgd.

Amendement  26

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 11

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(11)  Bovendien moet de verstrekking van materiële steun voor terrorisme door personen die zich bezighouden met of als tussenpersoon optreden bij de levering of verplaatsing van diensten, activa en goederen, met inbegrip van handelstransacties die het binnenkomen in of het verlaten van de Unie omvatten, strafbaar worden gesteld in de lidstaten als medeplichtigheid aan terrorisme of als terrorismefinanciering, indien uitgevoerd in de wetenschap dat deze operaties of de opbrengsten ervan bestemd zijn om, geheel of gedeeltelijk, te worden gebruikt voor terroristische doeleinden of ten goede zullen komen aan terroristische groepen.

(11)  De verstrekking van materiële steun voor terrorisme door personen die zich bezighouden met of als tussenpersoon optreden bij de levering of verplaatsing van diensten, activa en goederen, met inbegrip van handelstransacties die het binnenkomen in of het verlaten van de Unie omvatten, moet strafbaar worden gesteld in de lidstaten als medeplichtigheid aan terrorisme of als terrorismefinanciering, indien uitgevoerd met de duidelijke bedoeling of in de wetenschap dat deze operaties of de opbrengsten ervan bestemd zijn om, geheel of gedeeltelijk, te worden gebruikt voor terroristische doeleinden of ten goede zullen komen aan terroristische groepen.

Amendement  27

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 14

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(14)  Voorts zou ten aanzien van natuurlijke personen en rechtspersonen die dergelijke strafbare feiten hebben gepleegd of ervoor aansprakelijk zijn, moeten worden voorzien in straffen die in overeenstemming zijn met de ernst van deze strafbare feiten.

(14)  Ten aanzien van natuurlijke personen en rechtspersonen die dergelijke strafbare feiten hebben gepleegd of ervoor aansprakelijk zijn, zou moeten worden voorzien in straffen die in overeenstemming zijn met de ernst van deze strafbare feiten

Amendement  28

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 15

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(15)  Teneinde te waarborgen dat terroristische strafbare feiten doeltreffend kunnen worden vervolgd, moeten regels inzake rechtsmacht worden vastgesteld. Met name lijkt het noodzakelijk om rechtsmacht te vestigen ten aanzien van strafbare feiten gepleegd door aanbieders van training voor terrorisme, ongeacht hun nationaliteit, gezien de mogelijke effecten van dergelijke gedragingen op het grondgebied van de Unie en de nauwe materiële band tussen de strafbare feiten betreffende het geven van training voor terrorisme en die betreffende het krijgen van een dergelijke training.

(15)  Teneinde te waarborgen dat terroristische strafbare feiten doeltreffend kunnen worden vervolgd, moeten regels inzake rechtsmacht worden vastgesteld. Met name lijkt het noodzakelijk om rechtsmacht te vestigen ten aanzien van strafbare feiten gepleegd door aanbieders van training voor terrorisme voor burgers van de Unie en personen die in de Unie verblijven, ongeacht de nationaliteit van de aanbieders van training, gezien de mogelijke effecten van dergelijke gedragingen op het grondgebied van de Unie en de nauwe materiële band tussen de strafbare feiten betreffende het geven van training voor terrorisme en die betreffende het krijgen van een dergelijke training. Bij de vervolging van onderdanen van derde landen moeten de overeenkomsten met de betrokken derde landen inzake uitlevering en politiële en justitiële samenwerking in strafzaken worden geëerbiedigd.

Amendement  29

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 15 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(15 bis) Informatie die van belang is voor het opsporen, voorkomen, onderzoeken of vervolgen van de in deze richtlijn bedoelde strafbare feiten heeft vaak betrekking op meer dan één lidstaat en noopt vaak tot snelle maatregelen. Met het oog op de voorkoming en bestrijding van terrorisme is nauwere grensoverschrijdende samenwerking tussen de bevoegde nationale autoriteiten en autoriteiten van de Unie noodzakelijk, zodat snel relevante informatie uit strafregisters of andere bronnen kan worden uitgewisseld inzake geradicaliseerde of gewelddadige extremistische personen die van een strafbaar feit worden verdacht of tegen wie strafvervolging is ingesteld of waarvan vermogensbestanddelen zijn bevroren wegens strafbare feiten als bedoeld in deze richtlijn, met inbegrip van personen die de toegang tot het grondgebied van een lidstaat is geweigerd en personen die zijn uitgezet op verdenking van betrokkenheid bij strafbare feiten als bedoeld in deze richtlijn. De bevoegde nationale autoriteiten en autoriteiten van de Unie moeten er daarom op toezien dat deze informatie tijdig en op doeltreffende wijze wordt uitgewisseld, met inachtneming van het toepasselijke recht op het gebied van gegevensbescherming. Voorts moeten de lidstaten en hun bevoegde autoriteiten meer en beter gebruik maken van de bestaande systemen en databanken van de relevante agentschappen, om hun capaciteiten op het gebied van de voorkoming en bestrijding van terrorisme te verbeteren. Dit moeten zij doen door alle relevante informatie te delen en door systematische strategische en operationele analyses uit te voeren, met inachtneming van het toepasselijke recht en de daaraan verbonden waarborgen.

Amendement  30

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 15 ter (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(15 ter) Om terroristische strafbare feiten, strafbare feiten in verband met een terroristische groepering en strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten met succes te kunnen onderzoeken en vervolgen, moeten de bevoegde autoriteiten die belast zijn met het onderzoek naar of de vervolging van deze strafbare feiten gebruik kunnen maken van doeltreffende onderzoeksmiddelen, zoals die welke worden gebruikt bij de bestrijding van georganiseerde criminaliteit of andere ernstige misdrijven. Rekening houdend met onder andere het evenredigheidsbeginsel moet het gebruik, overeenkomstig het nationale recht, van die middelen doelgericht zijn en in verhouding staan tot de aard en de ernst van de onderzochte strafbare feiten.

Amendement  31

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 15 quater (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(15 quater)  De lidstaten dienen de tijdige uitwisseling van alle beschikbare relevante informatie over personen die naar het buitenland reizen met terroristisch oogmerk te verbeteren. Voorts dienen zij alle gevallen van strafbare feiten als bedoeld in deze richtlijn systematisch te beschouwen als zodanig geschikt, ter zake doende en belangrijk, als bedoeld in artikel 21 van Besluit 2007/533/JBZ van de Raad1bis, dat opneming van de signalering in het Schengeninformatiesysteem gerechtvaardigd is. Daarnaast moeten de lidstaten standaard alle gevallen van strafbare feiten als bedoeld in deze richtlijn aanmerken als relevant en noodzakelijk als bedoeld in artikel 9 van Richtlijn (EU) 2016/681 van het Europees Parlement en de Raad1ter, op grond waarvan, overeenkomstig die richtlijn, het verwerkingsresultaat van de PNR-gegevens aan de andere lidstaten moet worden overgedragen.

 

________________

 

1bis Besluit 2007/533/JBZ van de Raad van 12 juni 2007 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (PB L 205 van 7.8.2007, blz. 63).

 

1ter Richtlijn (EU) 2016/681 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 over het gebruik van persoonsgegevens van passagiers (PNR-gegevens) voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische misdrijven en ernstige criminaliteit (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 132).

Amendement  32

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 15 quinquies (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(15 quinquies)  Het feit dat terroristische organisaties voor hun communicatie en voor het bevorderen van en aanzetten tot terroristische handelingen, voor het werven van mogelijke strijders, het werven van middelen en het vergaren van overige steun voor hun activiteiten intensief gebruik maken van diverse elektronische middelen, internet en sociale media, zorgt voor problemen bij het onderzoek naar en de vervolging van terroristische strafbare feiten. De lidstaten moeten daarom onderling samenwerken, met name via Eurojust en Europol, en samenwerken met de Commissie om een gecoördineerde aanpak te waarborgen met betrekking tot het verzamelen, het uitwisselen en de ontvankelijkheid van elektronisch bewijsmateriaal.

Amendement  33

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(16)  De lidstaten moeten specifieke maatregelen nemen ter zake van bescherming, ondersteuning en bijstand die aansluiten op de specifieke behoeften van slachtoffers van terrorisme, door de reeds in Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad28 neergelegde rechten nader te preciseren en te versterken. Slachtoffers van terrorisme zijn slachtoffers als gedefinieerd in artikel 1 van Richtlijn 2012/29/EU in verband met terroristische strafbare feiten in de zin van artikel 3. De door de lidstaten te nemen maatregelen moeten ervoor zorgen dat in geval van een terroristische aanslag de slachtoffers van terrorisme emotionele en psychologische ondersteuning krijgen, waaronder traumazorg en counseling, alsook alle relevante juridische, praktische of financiële informatie en ter zake dienend advies.

(16)  De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de status van de slachtoffers van terrorisme vóór, tijdens en na de strafrechtelijke procedures voldoende wordt erkend, en moeten specifieke maatregelen nemen ter zake van bescherming, ondersteuning en bijstand die aansluiten op de specifieke behoeften van slachtoffers van terrorisme en een respectvolle en eerlijke behandeling garanderen, door de reeds in Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad28 neergelegde rechten nader te preciseren en te versterken. Slachtoffers van terrorisme zijn slachtoffers als gedefinieerd in artikel 2 van Richtlijn 2012/29/EU in verband met terroristische strafbare feiten in de zin van deze richtlijn. De door de lidstaten te nemen maatregelen moeten ervoor zorgen dat in geval van een terroristische aanslag de slachtoffers van terrorisme emotionele en psychologische ondersteuning krijgen, waaronder traumazorg, en alle relevante juridische, praktische of financiële informatie en ter zake dienend advies en passende ondersteuning. De lidstaten moeten specifieke opleidingen bevorderen voor personen die verantwoordelijk zijn voor het verlenen van steun aan slachtoffers van terroristische daden en hiervoor de noodzakelijke middelen verstrekken. Daarnaast moeten de lidstaten rekening houden met het risico van intimidatie van en vergeldingsacties tegen slachtoffers en personen die getuigen in strafprocedures die betrekking hebben op terroristische strafbare feiten. Voorts moeten slachtoffers van terrorisme rechtsbijstand krijgen in alle lidstaten waar zij partij zijn in een strafprocedure of andere gerechtelijke procedure die gericht is op het verkrijgen van een beslissing inzake schadevergoeding.

__________________

__________________

28Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 37).

28 Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 37).

Amendement  34

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(16 bis) De lidstaten moeten een centraal aanspreekpunt voor informatie en advies voor slachtoffers van terrorisme oprichten en ontwikkelen, niet alleen om tegemoet te komen aan de behoefte van slachtoffers aan informatie en advies, maar ook om slachtoffers psychologische eerste hulp te bieden en te kunnen doorverwijzen, of bijstand en ondersteuning te bieden op het gebied van de omgang met media-aandacht.

Amendement  35

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16 ter (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(16 ter) De lidstaten moeten, met volledige eerbiediging van het recht op vrije meningsuiting, beste praktijken uitwisselen over de omgang met de media en journalisten, teneinde het privéleven van slachtoffers en hun familieleden te beschermen en samen te werken met gespecialiseerde diensten die bijstand en ondersteuning bieden aan slachtoffers op het gebied van de omgang met media-aandacht.

Amendement  36

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 17 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(17 bis) De lidstaten moeten onderling samenwerken om ervoor te zorgen dat alle slachtoffers van terrorisme toegang wordt geboden tot informatie over de rechten van slachtoffers, ondersteunende dienstverlening en schadevergoedingsregelingen. Bovendien moeten de lidstaten ervoor zorgen dat slachtoffers van terrorisme langdurig toegang hebben tot ondersteunende diensten in hun land van verblijf, ook als het terroristische strafbare feit heeft plaatsgevonden in een andere lidstaat.

Amendement  37

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 17 ter (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(17 ter) Een betere samenwerking tussen de lidstaten bij de bestrijding van terrorisme moet ook intensieve contacten en samenwerking tussen hun justitiële autoriteiten en met Eurojust omvatten. De capaciteiten van het coördinatiecentrum van Eurojust, dat een doorslaggevende rol dient te spelen bij het bevorderen van het gemeenschappelijke optreden door de justitiële autoriteiten van de lidstaten bij het verzamelen van bewijzen, moeten worden uitgebreid. Er moet dus vaker gebruik worden gemaakt van gezamenlijke onderzoeksteams, zowel tussen de lidstaten onderling als tussen de lidstaten en derde landen waarmee Eurojust samenwerkingsovereenkomsten heeft gesloten.

Amendement  38

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 17 quater (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(17 quater) Om radicalisering en het rekruteren door terroristische organisaties van burgers van de Unie te voorkomen is een proactieve, omvattende langetermijnaanpak nodig, waarbij strafrechtelijke maatregelen gecombineerd worden met beleid inzake onderwijs, sociale insluiting en integratie, en voorzien wordt in doeltreffende deradicaliserings- en exitprogramma's. De lidstaten moeten hun beste praktijken en doeltreffende maatregelen en projecten op dit gebied delen. Voorts moeten de lidstaten goede praktijken uitwisselen op het gebied van de toepassing, als onderdeel van hun justitiële aanpak, van doeltreffende alternatieve maatregelen, bedoeld om te voorkomen dat burgers van de Unie en legaal in de Unie verblijvende onderdanen van derde landen de Unie verlaten voor terroristische doeleinden en om de terugkeer van deze personen vanuit conflictgebieden naar de Unie te controleren. Zij moeten deze goede praktijken niet alleen onderling uitwisselen, maar in voorkomend geval ook met derde landen en met de bevoegde agentschappen van de Unie.

Amendement  39

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 17 quinquies (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(17 quinquies)  De lidstaten moeten hun inspanningen ter bestrijding van terrorisme voortzetten door hun strategieën te coördineren en de informatie en ervaring waarover zij beschikken te delen, door uitvoering te geven aan goede praktijken, zowel op het niveau van de Unie als op nationaal niveau, en door hun nationale anti-terrorismebeleid te actualiseren overeenkomstig de strategie van de Unie ter bestrijding van radicalisering en rekrutering van terroristen. De Commissie moet, waar passend, de nationale, regionale en lokale autoriteiten bij de ontwikkeling van anti-terrorismebeleid steunen.

Amendement  40

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 18

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(18) Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en zij derhalve, vanwege de behoefte aan Europese geharmoniseerde regels, beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag betreffende Europese Unie maatregelen nemen. Overeenkomstig het in datzelfde artikel 5 neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(18) Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en zij derhalve beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag betreffende Europese Unie maatregelen nemen. Overeenkomstig het in datzelfde artikel 5 neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

Amendement  41

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 18 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(18 bis) De bestrijding van terrorisme is een belangrijk en mondiaal streven dat een internationale respons vereist en dat de Unie ertoe dwingt om met derde landen samen te werken.

Amendement  42

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 19

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(19)  Deze richtlijn respecteert de beginselen die worden erkend in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, eerbiedigt de grondrechten en de fundamentele vrijheden en neemt de door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende beginselen in acht, waaronder die welke zijn neergelegd in de hoofdstukken II, III, V en VI daarvan, die onder meer betrekking hebben op het recht op vrijheid en veiligheid, de vrijheid van meningsuiting en van informatie, de vrijheid van vergadering en vereniging, de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, het algemene verbod op discriminatie, met name op grond van ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging of politieke of andere denkbeelden, het recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, het recht op bescherming van persoonsgegevens, de beginselen van legaliteit en evenredigheid van strafbare feiten en straffen, die ook het vereiste van nauwkeurigheid, duidelijkheid en voorzienbaarheid in het strafrecht omvatten, het vermoeden van onschuld en de vrijheid van verkeer zoals neergelegd in artikel 21, lid 1, van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie en Richtlijn 2004/38/EG. Deze richtlijn moet overeenkomstig die rechten en beginselen worden toegepast.

(19)  Deze richtlijn, alsook de tenuitvoerlegging ervan, respecteert de beginselen die worden erkend in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, eerbiedigt de grondrechten en de fundamentele vrijheden en neemt de door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende beginselen in acht, waaronder die welke zijn neergelegd in de hoofdstukken II, III, V en VI daarvan, die onder meer betrekking hebben op het recht op vrijheid en veiligheid, de vrijheid van meningsuiting, waaronder de vrijheid van informatie, de vrijheid van vergadering en vereniging, de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, het algemene verbod op discriminatie, met name op grond van ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging of politieke of andere denkbeelden, het recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, het recht op bescherming van persoonsgegevens, de beginselen van legaliteit en evenredigheid van strafbare feiten en straffen, die ook het vereiste van nauwkeurigheid, duidelijkheid en voorzienbaarheid in het strafrecht omvatten, het vermoeden van onschuld en het recht op een eerlijk proces, waarbij het vonnis wordt gebaseerd op de specifieke omstandigheden van de zaak en de beginselen die worden erkend in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), alsook op de vrijheid van verkeer zoals neergelegd in artikel 21, lid 1, van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie en Richtlijn 2004/38/EG1bis, daarbij erkennend dat op grond van de openbare orde of de nationale veiligheid hiervan mag worden afgeweken. Beperkingen van de uitoefening van de grondrechten en vrijheden zijn onderworpen aan de voorwaarden van artikel 52, lid 1, van het Handvest.

 

__________________

 

1bis Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77).

Amendement  43

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 19 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(19 bis) Deze richtlijn mag niet tot gevolg hebben dat lidstaten maatregelen moeten nemen die tot enige vorm van discriminatie kunnen leiden.

Amendement  44

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 19 ter (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(19 ter) Niets in deze richtlijn mag zo worden uitgelegd dat het een beperking of belemmering ten doel zou hebben van het acquis van de Unie inzake de procedurele rechten van verdachten of beklaagden in strafprocedures, waaronder Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad1bis. De bewijslast mag niet liggen bij personen die verdacht worden van het plegen van de strafbare feiten als bedoeld in deze richtlijn.

 

____________________

 

1bis Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB L 65 van 11.3.2016, blz.  1).

Amendement  45

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 19 quater (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(19 quater) Niets in deze richtlijn mag zo worden uitgelegd dat het een beperking of belemmering ten doel zou hebben van de verspreiding van informatie voor wetenschappelijke, academische of rapportagedoeleinden of het uitdrukking geven aan polemische of controversiële standpunten in het publieke debat over gevoelige politieke kwesties.

Amendement  46

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 20

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(20)  De uitvoering van de strafbaarstelling ingevolge deze richtlijn dient evenredig te zijn aan de aard en de omstandigheden van het strafbare feit, rekening houdend met de legitieme doelen die worden nagestreefd en de noodzaak daarvan in een democratische samenleving, waarbij elke vorm van willekeur of discriminatie moet worden uitgesloten.

(20)  De uitvoering van de strafbaarstelling ingevolge deze richtlijn dient evenredig te zijn aan de aard en de omstandigheden van het strafbare feit en van elke zaak, rekening houdend met de legitieme doelen die worden nagestreefd en de noodzaak daarvan in een democratische samenleving, waarbij elke vorm van willekeur of discriminatie moet worden uitgesloten.

Amendement  47

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 21

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(21)  De richtlijn moet Kaderbesluit 2002/475/JBZ vervangen voor de lidstaten die gebonden zijn door deze richtlijn.

(21)  Deze richtlijn vervangt Kaderbesluit 2002/475/JBZ voor de lidstaten die gebonden zijn door deze richtlijn.

__________________

 

29 Als gewijzigd bij Kaderbesluit 2008/919/JBZ van de Raad van 28 november 2008 tot wijziging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ inzake terrorismebestrijding (PB L 330 van 9.12.2008, blz. 21).

 

Amendement  48

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 21 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(21 bis) Sancties op het gebied van terroristische strafbare feiten, strafbare feiten die verband houden met een terroristische groep en strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten mogen in geen geval door de lidstaten worden aangewend als reden om hun internationale verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen en het Protocol van New York van 31 januari 1967 daarbij te omzeilen.

Amendement  49

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Deze richtlijn stelt minimumvoorschriften vast betreffende de definitie van strafbare feiten en sancties op het gebied van terroristische strafbare feiten, strafbare feiten in verband met een terroristische groep en strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten, alsook specifieke maatregelen voor de bescherming van en bijstand aan slachtoffers van terrorisme.

Deze richtlijn stelt minimumvoorschriften vast betreffende de definitie van strafbare feiten en sancties op het gebied van terroristische strafbare feiten, strafbare feiten in verband met een terroristische groep en strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten, alsook specifieke maatregelen voor de bescherming van en bijstand en steun aan slachtoffers van terrorisme.

Amendement  50

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 2 – alinea 1 – letter d bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(d bis)  "slachtoffer":

 

(i)  een natuurlijke persoon die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit schade, met inbegrip van lichamelijke, geestelijke of emotionele schade of economisch nadeel, heeft geleden;

 

(ii)  familieleden van een persoon wiens overlijden rechtstreeks veroorzaakt is door een strafbaar feit en die schade hebben geleden als gevolg van het overlijden van die persoon;

Amendement  51

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – punt 1 – letter b

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(b)  de overheid of een internationale organisatie op onrechtmatige wijze te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling;

(b)  geweld gebruiken of met geweld dreigen om de overheid of een internationale organisatie te dwingen of te trachten te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling;

Amendement  52

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – punt 2 – letter a

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(a)  aanslagen op het leven van een persoon die de dood ten gevolge kunnen hebben;

(a)  aanslagen op het leven van een persoon die de dood of letsel ten gevolge kunnen hebben;

Amendement  53

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – punt 2 – letter b

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(b)  ernstige schendingen van de lichamelijke integriteit van een persoon;

(b)  ernstige schendingen van de lichamelijke en geestelijke integriteit van een persoon;

Amendement  54

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – punt 2 – letter f

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(f)  het vervaardigen, bezit, verwerven, vervoer, leveren of gebruik van vuurwapens, explosieven, kernwapens, biologische en chemische wapens, alsmede het verrichten van onderzoek naar en het ontwikkelen van biologische en chemische wapens;

(f)  het vervaardigen, bezit, verwerven, vervoer, leveren of gebruik van vuurwapens, explosieven, radiologische wapens, kernwapens, biologische en chemische wapens, alsmede het verrichten van onderzoek naar en het ontwikkelen van kern-, biologische en chemische wapens;

Amendement  55

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – punt 2 – letter g

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(g)  het laten ontsnappen van gevaarlijke stoffen of het veroorzaken van brand, overstroming of ontploffing, waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht;

(g)  het laten ontsnappen of dreigen te laten ontsnappen van gevaarlijke stoffen, met inbegrip van radiologisch of biologisch materiaal, of het veroorzaken van brand, overstroming of ontploffing, waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht of op grote schaal angst en paniek wordt gezaaid;

Amendement  56

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – punt 2 – letter h

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(h)  het verstoren of onderbreken van de toevoer van water, elektriciteit of een andere essentiële natuurlijke hulpbron, waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht;

(h)  het verstoren of onderbreken van de toevoer van water, elektriciteit of een andere essentiële natuurlijke hulpbron door een cyberaanval of een andersoortige aanval, waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht;

Amendement  57

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – alinea 2 – letter h bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

h bis)  aanvallen op informatiesystemen in de zin van de artikelen 3 tot en met 7 van Richtlijn 2013/40/EU van het Europees Parlement en de Raad1bis;

 

_____________

 

1bis Richtlijn 2013/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 over aanvallen op informatiesystemen en ter vervanging van Kaderbesluit 2005/222/JBZ van de Raad (PB L 218 van 14.8.2013, blz. 8).

Amendement  58

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 3 – punt 2 – letter i

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(i)  het bedreigen met een van de onder a) tot en met h) genoemde handelingen.

(i)  het serieus dreigen met een van de onder a) tot en met h) genoemde handelingen, waarbij de dreiging wordt vastgesteld op basis van objectieve, feitelijke omstandigheden.

Amendement  59

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – alinea 1 – inleidende formule

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende handelingen, indien opzettelijk gepleegd, strafbaar worden gesteld:

Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende handelingen, indien opzettelijk en op onrechtmatige wijze gepleegd, strafbaar worden gesteld:

Amendement  60

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 4 – alinea 1 – letter b

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(b)  het deelnemen aan de activiteiten van een terroristische groep, waaronder het verstrekken van gegevens of materiële middelen aan de groep of het in enigerlei vorm financieren van de activiteiten van de groep, in de wetenschap dat deze deelname zal bijdragen aan de criminele activiteiten van de terroristische groep.

(b)  het deelnemen aan de activiteiten van een terroristische groep, waaronder het verstrekken van gegevens of materiële middelen aan de groep of het in enigerlei vorm financieren van de activiteiten van de groep, in de wetenschap dat deze deelname zal bijdragen aan de criminele activiteiten van de terroristische groep, ongeacht of deze activiteiten plaatsvinden in een lidstaat of in een derde land.

Amendement  61

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de verspreiding, of het op andere wijze beschikbaar maken, van een boodschap aan het publiek, met het oogmerk aan te zetten tot het plegen van een van de in artikel 3, lid 2, onder a) tot en met h), genoemde strafbare feiten, strafbaar wordt gesteld wanneer dat opzettelijk geschiedt, ingeval een dergelijke handeling, ongeacht of terroristische strafbare feiten al dan niet rechtstreeks worden bepleit, het gevaar oplevert dat een of meer van dergelijke strafbare feiten zouden kunnen worden gepleegd.

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de verspreiding, of het op andere wijze beschikbaar maken van een boodschap aan het publiek, ongeacht het middel waarvan gebruik wordt gemaakt en ongeacht of dit online of offline geschiedt, met het oogmerk aan te zetten tot het plegen van een van de in artikel 3, lid 2, onder a) tot en met h), genoemde strafbare feiten, strafbaar wordt gesteld wanneer dat opzettelijk geschiedt, ingeval een dergelijke handeling die oproept tot het plegen van terroristische strafbare feiten in een concreet geval het gevaar oplevert dat een of meer van dergelijke strafbare feiten zouden kunnen worden gepleegd.

Amendement  62

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 5 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 5 bis (nieuw)

 

Verzwarende omstandigheden

 

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat wanneer een strafbaar feit als bedoeld in artikel 6 of 7 gericht is tegen kwetsbare natuurlijke personen, waaronder kinderen, dit als een verzwarende omstandigheid wordt beschouwd.

Amendement  63

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 6 – alinea 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het aansporen van een andere persoon om een van de in artikel 3, lid 2, onder a) tot en met h), of in artikel 4 genoemde strafbare feiten te plegen, strafbaar wordt gesteld wanneer dat opzettelijk geschiedt.

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het aansporen van een andere persoon om een van de in artikel 3, lid 2, onder a) tot en met h), of in artikel 4 genoemde strafbare feiten te plegen of daaraan een bijdrage te leveren, strafbaar wordt gesteld wanneer dat opzettelijk geschiedt.

Amendement  64

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 8

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het krijgen van instructie van een andere persoon voor het vervaardigen of gebruiken van explosieven, vuurwapens of andere wapens of schadelijke of gevaarlijke stoffen, of voor andere specifieke methoden of technieken, met als doel het plegen van of het bijdragen aan het plegen van een van de in artikel 3, lid 2, onder a) tot en met h), genoemde strafbare feiten, strafbaar wordt gesteld wanneer dat opzettelijk geschiedt.

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het krijgen van training of instructie, met inbegrip van het verwerven van kennis, documentatie of praktische vaardigheden voor het vervaardigen of gebruiken van explosieven, vuurwapens of andere wapens of schadelijke of gevaarlijke stoffen, of voor andere specifieke methoden of technieken, met als doel het plegen van of het bijdragen aan het plegen van een van de in artikel 3, lid 2, onder a) tot en met h), genoemde strafbare feiten, strafbaar wordt gesteld wanneer dat opzettelijk geschiedt.

Amendement  65

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 9

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Naar het buitenland reizen voor terrorisme

Naar het buitenland reizen met terroristisch oogmerk

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het reizen naar een ander land met als doel het plegen van of het bijdragen aan het plegen van een terroristisch strafbaar feit als bedoeld in artikel 3, het deelnemen aan de activiteiten van een terroristische groep als bedoeld in artikel 4 of het geven of het krijgen van training voor terrorisme als bedoeld in de artikelen 7 en 8, strafbaar wordt gesteld wanneer dat opzettelijk geschiedt.

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat elke vorm van reizen, rechtstreeks of door een of meerdere lidstaten te doorkruisen, naar een land of lidstaat strafbaar wordt gesteld wanneer dat opzettelijk geschiedt en op objectieve wijze kan worden aangetoond dat deze reis is ondernomen om een terroristisch strafbaar feit als bedoeld in artikel 3 te plegen of daar een bijdrage aan te leveren, of deel te nemen aan de activiteiten van een terroristische groep als bedoeld in artikel 4, in de wetenschap dat deze deelname bijdraagt aan de criminele activiteiten van een dergelijke groep of om training voor terrorisme te geven of te krijgen als bedoeld in de artikelen 7 en 8.

Amendement  66

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 10 – titel

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Organiseren of anderszins faciliteren van reizen naar het buitenland voor terrorisme

Organiseren of faciliteren van het naar het buitenland reizen met terroristisch oogmerk

Amendement  67

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 11

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het verstrekken of het inzamelen van middelen, op enigerlei wijze, direct of indirect, met het oogmerk dat deze worden gebruikt, of in de wetenschap dat ze, geheel of gedeeltelijk, bestemd zijn om te worden gebruikt, om een van de strafbare feiten als bedoeld in de artikelen 3 tot en met 10 en de artikelen 12 tot en met 14 of artikel 16 te plegen, strafbaar wordt gesteld wanneer dat opzettelijk geschiedt.

1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het verstrekken of het inzamelen van middelen, op enigerlei wijze, direct of indirect, met het oogmerk dat deze worden gebruikt of in de wetenschap dat ze, geheel of gedeeltelijk, bestemd zijn om te worden gebruikt om een van de strafbare feiten als bedoeld in de artikelen 3 tot en met 10 en 14 te plegen of eraan bij te dragen, strafbaar wordt gesteld wanneer dat opzettelijk geschiedt.

 

2. Indien terrorismefinanciering als bedoeld in lid 1 betrekking heeft op een van de in de artikelen 3, 4 of 9 genoemde strafbare feiten, is het niet noodzakelijk dat de middelen, geheel of gedeeltelijk, daadwerkelijk worden gebruikt om een van deze strafbare feiten te plegen of eraan bij te dragen, noch is het noodzakelijk dat de pleger weet voor welke specifieke handeling of handelingen de middelen zullen worden gebruikt.

 

3. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat alle middelen en andere vermogensbestanddelen die gebruikt of bestemd zijn voor het plegen van een van de strafbare feiten als bedoeld in deze richtlijn of het doen van een poging daartoe worden bevroren of in beslag genomen en geconfisqueerd.

Amendement  68

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 12 – alinea 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat gekwalificeerde diefstal met het oogmerk een van de in artikel 3 genoemde strafbare feiten te plegen, strafbaar wordt gesteld wanneer dat opzettelijk geschiedt.

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat gekwalificeerde diefstal met het oogmerk een van de in artikel 3 en artikel 4 genoemde strafbare feiten te plegen, strafbaar wordt gesteld wanneer dat opzettelijk geschiedt.

Amendement  69

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 13 – alinea 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat afpersing met het oogmerk een van de in artikel 3 genoemde strafbare feiten te plegen, strafbaar wordt gesteld wanneer dat opzettelijk geschiedt.

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat afpersing met het oogmerk een van de in artikel 3 en artikel 4 genoemde strafbare feiten te plegen, strafbaar wordt gesteld wanneer dat opzettelijk geschiedt.

Amendement  70

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 14 – titel

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Valselijk opmaken van administratieve documenten om een terroristisch strafbaar feit te plegen

Het opmaken, bezitten of gebruik maken van valse administratieve documenten om een terroristisch strafbaar feit te plegen

Amendement  71

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 14

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het valselijk opmaken van administratieve documenten met het oogmerk een van de in artikel 3, lid 2, onder a) tot en met h), of in artikel 4, onder b), genoemde strafbare feiten te plegen, strafbaar wordt gesteld wanneer dat opzettelijk geschiedt.

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het opmaken, bezitten en gebruiken van valse administratieve documenten met het oogmerk een van de in artikel 3, lid 2, onder a) tot en met h bis), artikel 4, onder b), of de artikelen 9 en 10 genoemde strafbare feiten te plegen, strafbaar wordt gesteld wanneer dat opzettelijk geschiedt.

Amendement  72

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 14 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 14 bis

 

Maatregelen tegen illegale terroristische inhoud op internet

 

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te zorgen voor de onverwijlde verwijdering van illegale inhoud die publiekelijk aanzet tot het plegen van een terroristisch strafbaar feit als bedoeld in artikel 5 en die op hun grondgebied wordt gehost. Voorts zetten zij zich in om de verwijdering te verkrijgen van dergelijke inhoud die buiten hun grondgebied wordt gehost. Indien dat niet haalbaar is, kunnen de lidstaten de nodige maatregelen nemen om de toegang tot dergelijke inhoud te blokkeren.

 

2.  Deze maatregelen moeten via transparante procedures worden vastgesteld en aan voldoende waarborgen onderworpen zijn, met name om zeker te stellen dat de beperking niet verder gaat dan nodig en proportioneel is en dat gebruikers worden geïnformeerd over de reden van de beperking. Maatregelen inzake verwijdering en blokkering zijn vatbaar voor beroep bij de rechter.

Amendement  73

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 15

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Voor de strafbaarstelling van de feiten als bedoeld in artikel 4 en titel III, is het niet noodzakelijk dat een terroristisch strafbaar feit daadwerkelijk is gepleegd, en is het evenmin noodzakelijk om een verband vast te stellen met een specifiek terroristisch strafbaar feit of, voor zover het de strafbare feiten als bedoeld in de artikelen 9 tot en met 11 betreft, met specifieke strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten.

Voor de strafbaarstelling van de feiten als bedoeld in artikel 4 en titel III is het niet noodzakelijk dat een terroristisch strafbaar feit daadwerkelijk is gepleegd, en is het evenmin noodzakelijk, voor zover het de in de artikelen 5 tot en met 10 en de artikelen 12 tot en met 14 bedoelde strafbare feiten betreft, dat een verband wordt vastgesteld met een ander in deze richtlijn omschreven specifiek strafbaar feit.

Amendement  74

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 16

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat medeplichtigheid aan een van de in de artikelen 3 tot en met 8 en de artikelen 11 tot en met 14 bedoelde strafbare feiten strafbaar wordt gesteld.

1.  Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat medeplichtigheid aan een van de in de artikelen 3 tot en met 7 en de artikelen 11 tot en met 14 bedoelde strafbare feiten strafbaar wordt gesteld.

2.  Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat uitlokking van een van de in de artikelen 3 tot en met 14 bedoelde strafbare feiten strafbaar wordt gesteld.

2.  Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat uitlokking van een van de in de artikelen 3 en 6 tot en met 14 bedoelde strafbare feiten strafbaar wordt gesteld.

3.  Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat poging tot het plegen van een van de in de artikelen 3, 6, 7, 9 en 11 tot en met 14 bedoelde strafbare feiten, met uitzondering van het in artikel 3, lid 2, onder f), bedoelde bezit en het in artikel 3, lid 2, onder i), bedoelde strafbare feit, strafbaar wordt gesteld.

3.  Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat poging tot het plegen van een van de in de artikelen 3, 6, 7, 9 en 11 tot en met 14 bedoelde strafbare feiten, met uitzondering van het in artikel 3, lid 2, onder f), bedoelde bezit en het in artikel 3, lid 2, onder i), bedoelde strafbare feit, strafbaar wordt gesteld.

Amendement  75

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 18 – titel

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Verzachtende omstandigheden

Bijzondere omstandigheden

Amendement  76

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 18 – alinea 1 – letter b – inleidende formule

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(b)  de administratieve of justitiële autoriteiten informatie verstrekt die deze niet op andere wijze hadden kunnen verkrijgen, en die hen helpt om:

(b)  de bevoegde autoriteiten informatie verstrekt die deze niet op andere wijze hadden kunnen verkrijgen, en die hen helpt om:

Amendement  77

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 18 – alinea 1 – letter b – punt 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2)  de andere daders te identificeren of hen voor het gerecht te brengen;

(2)  andere plegers te identificeren of hen voor het gerecht te brengen;

Amendement  78

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 20 – letter e bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

e bis)  bevriezing en confiscatie van vermogensbestanddelen gebruikt voor of verkregen als gevolg van het plegen van een van de in deze richtlijn vastgelegde strafbare feiten, als bepaald in Richtlijn 2014/42/EU.

 

_______________

 

1bis Richtlijn 2014/42/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie (PB L 127 van 29.4.2014, blz. 39).

Amendement  79

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 – lid 1 – letter d bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(d bis)  de pleger een burger van de Unie is die in het buitenland training geeft aan onderdanen van derde landen;

Amendement  80

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 – lid 1 – letter f

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(f)  het strafbare feit is gepleegd tegen de instellingen of bevolking van die lidstaat, of tegen een instelling, orgaan, bureau of agentschap van de Europese Unie die/dat in die lidstaat is gevestigd.

(f)  het strafbare feit is gepleegd tegen de instellingen of bevolking van die lidstaat, of tegen een instelling, orgaan of instantie van de Europese Unie die/dat in die lidstaat is gevestigd, onder meer door het kapen van een luchtvaartuig, vaartuig of ander transportmiddel voor het vervoer van personen of goederen, of wanneer een onderdaan van een derde land wordt getraind in buitenland met als doel een aanslag te plegen in die lidstaat;

Amendement  81

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 – lid 1 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis.  Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om zijn rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de in artikel 4 bedoelde strafbare feiten indien de pleger zich op zijn grondgebied bevindt.

Amendement  82

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 – lid 2 – inleidende formule

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Indien meer dan één lidstaat rechtsmacht heeft ten aanzien van een strafbaar feit en elk van hen ten aanzien van dezelfde feiten geldig vervolging kan instellen, bepalen de betrokken lidstaten in onderling overleg wie van hen de plegers zal vervolgen, teneinde de vervolging zo mogelijk in één lidstaat te concentreren. Daartoe kunnen de lidstaten een beroep doen op Eurojust, zodat de samenwerking tussen hun justitiële autoriteiten en de onderlinge afstemming van hun optreden worden vergemakkelijkt. Daarbij wordt achtereenvolgens rekening gehouden met de volgende criteria van betrokkenheid:

2.  Indien meer dan één lidstaat rechtsmacht heeft ten aanzien van een strafbaar feit en elk van hen ten aanzien van dezelfde feiten geldig vervolging kan instellen, bepalen de betrokken lidstaten in onderling overleg wie van hen de plegers zal vervolgen, teneinde de vervolging zo mogelijk in één lidstaat te concentreren. Daartoe doen de lidstaten een beroep op Eurojust, zodat de samenwerking tussen hun justitiële autoriteiten en de onderlinge afstemming van hun optreden worden vergemakkelijkt. Daarbij wordt achtereenvolgens rekening gehouden met de volgende criteria van betrokkenheid:

Amendement  83

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 – lid 5 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

5 bis.  De lidstaten waarborgen samenwerking en uitwisseling van informatie met de lidstaat die zijn rechtsmacht heeft gevestigd ten aanzien van de in de artikelen 3 tot en met 14 en 16 bedoelde strafbare feiten via de gevestigde kanalen, waaronder de agentschappen van de Unie.

Amendement  84

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 21 bis

 

Onderzoeksverplichting

 

1.  Indien een lidstaat informatie verkrijgt dat de pleger of vermoedelijke pleger van een in deze richtlijn omschreven strafbaar feit zich mogelijk op zijn grondgebied bevindt, neemt de desbetreffende lidstaat de maatregelen die krachtens zijn nationale recht nodig zijn voor een onderzoek naar de in de verstrekte informatie opgenomen feiten.

 

2.  Een lidstaat op wier grondgebied de pleger of vermoedelijke pleger zich bevindt neemt, indien hij ervan overtuigd is dat de omstandigheden dit rechtvaardigen, in overeenstemming met zijn nationale recht de passende maatregelen ter verzekering van de aanwezigheid van die persoon ten behoeve van strafvervolging of uitlevering.

Amendement  85

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 ter (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 21 ter

 

Preventie

 

1.  De lidstaten nemen passende maatregelen ter voorkoming van radicalisering en werving van burgers van de Unie door terroristische organisaties.

 

2.  De lidstaten nemen passende maatregelen, waaronder online, zoals het verstrekken van informatie en het bieden van onderwijs, het opzetten van bewustmakingscampagnes en het bieden van een tegengeluid tegen terroristische propaganda. Waar passend worden dergelijke maatregelen genomen in samenwerking met particuliere ondernemingen, maatschappelijke organisaties die actief zijn op dit gebied, plaatselijke gemeenschappen en andere belanghebbenden. De maatregelen zijn bedoeld om kennis te vergroten en het gevaar van radicalisering en werving door terroristische organisaties te verminderen.

 

3.  De lidstaten bevorderen periodieke scholing voor functionarissen, waaronder eerstelijnspolitieagenten en gevangenisbewakers, die mogelijk in contact komen met personen die het gevaar lopen te radicaliseren, bedoeld om deze personen in staat te stellen tekenen van radicalisering te herkennen en radicalisering en werving door terroristische organisaties aan te pakken.

Amendement  86

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 quater (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 21 quater

 

Verplichting om informatie inzake terroristische strafbare feiten uit te wisselen

 

1.  Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zijn bevoegde autoriteiten alle relevante informatie aan de betrokken lidstaat doorgeven wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat deze informatie dienstig kan zijn bij het opsporen, voorkómen of onderzoeken van terroristische strafbare feiten als bedoeld in deze richtlijn. Deze informatie wordt, zonder voorafgaand verzoek, tijdig en op doeltreffende wijze verstrekt.

 

2.  Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het overeenkomstig artikel 2 van Besluit 2005/671/JBZ1bis aangewezen contactpunt de in dat besluit bedoelde informatie tijdig en op doeltreffende wijze toezendt aan Europol en Eurojust.

 

3.  De lidstaten nemen standaard een signalering op in het Schengeninformatiesysteem voor elke persoon die verdacht wordt van of veroordeeld is voor ten minste één van de strafbare feiten bedoeld in de artikelen 3 tot en met 14 van deze richtlijn.

 

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat hun passagiersinformatie-eenheid met betrekking tot personen die overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn (EU) 2016/681 zijn aangemerkt in verband met de strafbare feiten als bedoeld in deze richtlijn, standaard het verwerkingsresultaat van die gegevens aan de passagiersinformatie-eenheid van andere lidstaten toezendt.

 

5.  De lidstaten zenden standaard aan Europol gedetailleerde gegevens toe over elke persoon die verdacht wordt van of veroordeeld is voor ten minste één van de strafbare feiten bedoeld in de artikelen 3 tot en met 14 van deze richtlijn.

 

6.  Dit artikel doet geen afbreuk aan bestaande wetgeving van de Unie inzake informatie-uitwisseling.

 

_________________

 

1bis Besluit 2005/671/JBZ van de Raad van 20.9.2005 betreffende informatie-uitwisseling en samenwerking in verband met strafbare feiten van terroristische aard (PB L 253 van 29.9.2005, blz. 22).

Amendement  87

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 quinquies (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 21 quinquies

 

Situatie aan de buitengrenzen van het Schengengebied

 

De lidstaten waarborgen de toegang van hun grens- en kustwacht tot de relevante databanken, met name het Europol-informatiesysteem.

Amendement  88

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 sexies (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 21 sexies

 

Onderzoeksinstrumenten

 

De lidstaten nemen de nodige maatregelen, overeenkomstig hun nationale recht en onderworpen aan passende juridische waarborgen, om ervoor te zorgen dat doeltreffende onderzoeksinstrumenten, zoals die welke worden gebruikt in gevallen van georganiseerde of andere zware criminaliteit, ter beschikking staan van personen, eenheden of diensten die bevoegd zijn voor het onderzoeken of vervolgen van de in de artikelen 3 tot en met 14 bedoelde strafbare feiten.

Amendement  89

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 21 septies (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 21 septies

 

Maatregelen ter bestrijding van radicalisering en het aanzetten tot terrorisme via internet

 

De lidstaten werken met de Commissie en internetdienstverleners samen om een gezamenlijke Europese strategie ter bestrijding van radicalisering en het aanzetten tot terrorisme via internet te ontwikkelen. Deze strategie wordt regelmatig bijgewerkt.

Amendement  90

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 22 – lid 1 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis.  De lidstaten zorgen voor maatregelen ter bescherming van slachtoffers van terrorisme en hun familieleden, overeenkomstig Richtlijn 2012/29/EU. Tijdens de strafprocedure, onder meer bij ondervraging en verhoor als getuige, wordt bijzondere aandacht besteed aan het risico van intimidatie en vergelding en aan de noodzaak om de fysieke en geestelijke integriteit van slachtoffers van terrorisme te beschermen.

 

Voorts zorgen de lidstaten ervoor dat slachtoffers van terrorisme die partij zijn in een strafprocedure of, in voorkomend geval, in een andere gerechtelijke procedure die gericht is op het verkrijgen van een beslissing inzake schadevergoeding, toegang hebben tot gratis rechtsbijstand.

Amendement  91

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 22 – lid 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat er specifieke diensten voor het verlenen van bijstand aan en ondersteuning van slachtoffers van terrorisme beschikbaar zijn. Deze diensten beschikken over de capaciteit en de organisatiestructuur die noodzakelijk zijn om onmiddellijk na een aanslag en daarna zolang als nodig is bijstand en ondersteuning te verlenen aan deze slachtoffers, in overeenstemming met de specifieke behoeften van elk slachtoffer. De diensten zijn vertrouwelijk, kosteloos en eenvoudig toegankelijk voor alle slachtoffers van terrorisme. Het betreft met name:

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat er specifieke diensten voor het verlenen van bijstand aan en ondersteuning van slachtoffers van terrorisme beschikbaar zijn, onder meer via organisaties voor slachtofferhulp of deskundigen op dit gebied. Deze diensten beschikken over de capaciteit en de organisatiestructuur die noodzakelijk zijn om onmiddellijk na een aanslag en daarna zolang als nodig is bijstand en ondersteuning te verlenen aan deze slachtoffers, in overeenstemming met de specifieke behoeften van elk slachtoffer. De lidstaten richten een coördinatiecentrum op om organisaties en deskundigen samen te brengen die informatie, steun en praktische dienstverlening aan slachtoffers, hun familieleden en verwanten kunnen verstrekken. De diensten zijn vertrouwelijk, kosteloos en eenvoudig toegankelijk voor alle slachtoffers van terrorisme. Het betreft met name:

 

(-a)  medische en psychologische zorg, waaronder zorg in geval van een aanval met kern-, biologische of chemische wapens;

(a)  emotionele en psychologische ondersteuning, zoals traumazorg en counseling;

(a)  emotionele en psychologische ondersteuning, zoals traumazorg en counseling;

(b)  de verstrekking van advies en informatie over elke relevante juridische, praktische of financiële aangelegenheid.

(b)  de verstrekking van advies en informatie over elke relevante juridische, praktische of financiële aangelegenheid;

 

(b bis)  ondersteuning van slachtoffers bij de terugkeer naar hun lidstaat van verblijf in gevallen waarin de aanval in een andere lidstaat heeft plaatsgevonden.

Amendement  92

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 22 – lid 2 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.  De lidstaten nemen in het kader van hun infrastructuur voor noodhulpverlening de nodige maatregelen om deskundigen op het gebied van slachtofferhulp te betrekken bij de opstelling van rampenbestrijdingsplannen en om de identificatie van slachtoffers direct na een terroristische aanval te vergemakkelijken en verbeteren, rekening houdend met de behoeften van de slachtoffers. De lidstaten ontwikkelen en coördineren met name een gezamenlijk mechanisme voor bijstand, dat op verzoek kan worden geactiveerd. De lidstaten zorgen voor ondersteuning van het onderzoek ter plaatse en richten een centrale website op, waarop toegang kan worden verkregen tot openbare informatie in verband met een terroristische aanval in de betrokken lidstaat. Daarnaast richten zij een website op waartoe alleen slachtoffers en hun familieleden toegang hebben en waarop zij informatie kunnen vinden over hun rechten en andere nuttige informatie in verband met de aanslag.

Amendement  93

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 22 – lid 3 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 bis.  De Commissie overweegt of het wenselijk is om alle wetgevende bepalingen inzake bescherming, ondersteuning en rechten van slachtoffers samen te brengen in een afzonderlijke wetgevingshandeling inzake slachtoffers van terrorisme.

Amendement  94

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 23 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 23 bis

 

Fundamentele rechten en vrijheden

 

1.  Bij de omzetting en tenuitvoerlegging van deze richtlijn zorgen de lidstaten ervoor dat de strafbaarstelling in verhouding staat tot de legitieme doelen die worden nagestreefd en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving, waarbij elke vorm van willekeur of discriminatie wordt uitgesloten.

 

2.  Deze richtlijn heeft niet tot gevolg dat de verplichting van de lidstaten tot eerbiediging van de grondrechten, die is vastgelegd in de artikelen 2 en 6 VEU en in het Handvest, alsmede in het EVRM en het internationaal humanitair recht, wordt aangetast. De richtlijn wordt ten uitvoer gelegd en uitgelegd in overeenstemming met die rechten en beginselen.

Amendement  95

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 23 ter (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 23 ter

 

Noodsituaties en grondrechten

 

In tijd van oorlog of in geval van enige andere noodtoestand die het bestaan van het land bedreigt, kunnen de lidstaten maatregelen nemen die afwijken van bepaalde rechten overeenkomstig het recht van de Unie en het internationale recht. Dergelijke omstandigheden ontslaan de autoriteiten niet van de verplichting om aan te tonen dat de genomen maatregelen uitsluitend worden toegepast om terrorisme te bestrijden en direct verband houden met de specifieke doelstelling om terrorisme te bestrijden.

Amendement  96

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 23 quater (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 23 quater

 

Fundamentele beginselen betreffende de vrijheid van meningsuiting

 

Deze richtlijn verlangt van de lidstaten niet dat zij maatregelen nemen die in strijd zijn met fundamentele beginselen betreffende de vrijheid van meningsuiting, met name de vrijheid van drukpers en de vrijheid van meningsuiting in andere media, en doet geen afbreuk aan de nationale bepalingen inzake de rechten en verantwoordelijkheden van en de procedurele waarborgen voor de pers of andere media, indien die bepalingen betrekking hebben op het vaststellen of beperken van aansprakelijkheid.

Amendement  97

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 23 quinquies (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Artikel 23 quinquies

 

1.  Met deze richtlijn wordt van de lidstaten niet verlangd dat zij maatregelen nemen die niet in overeenstemming zijn met hun verplichtingen uit hoofde van het recht van de Unie met betrekking tot de procedurele rechten van verdachten of beklaagden in strafprocedures.

 

2.  Personen wier rechten en vrijheden ten gevolge van de toepassing van deze richtlijn onredelijk zijn geschaad, hebben recht op een doeltreffende voorziening in rechte, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest.

Amendement  98

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 25 – lid 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Amendement  99

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  De Commissie dient uiterlijk [24 maanden na de uiterste datum voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn] een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad waarin wordt beoordeeld in welke mate de lidstaten de nodige maatregelen hebben genomen om aan deze richtlijn te voldoen.

1.  De Commissie dient uiterlijk [12 maanden na de uiterste datum voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn] een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad waarin wordt beoordeeld in welke mate de lidstaten de nodige maatregelen hebben genomen om aan deze richtlijn te voldoen. Dit verslag heeft onder meer betrekking op de doeltreffendheid van de maatregelen die de lidstaten hebben genomen om de doelstellingen van de richtlijn te bereiken. Op basis van deze evaluatie besluit de Commissie over passende vervolgmaatregelen. De periodieke evaluatie van de tenuitvoerlegging van deze richtlijn dient een beoordeling te omvatten van de eventuele onevenredige gevolgen van de maatregelen voor bepaalde bevolkingsgroepen, en van corrigerende maatregelen in verband met discriminerende praktijken.

Amendement  100

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 26 – lid 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  De Commissie dient uiterlijk [48 maanden na de uiterste datum voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn] een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad waarin het effect en de toegevoegde waarde van deze richtlijn inzake terrorismebestrijding worden beoordeeld. De Commissie houdt rekening met de door de lidstaten uit hoofde van Besluit 2005/671/JBZ verstrekte informatie.

2.  De Commissie dient uiterlijk [12 maanden na de uiterste datum voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn] een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad waarin de toegevoegde waarde van deze richtlijn inzake terrorismebestrijding worden beoordeeld. Dit verslag heeft tevens betrekking op de gevolgen van de richtlijn voor de fundamentele rechten en vrijheden, voor de rechtsstaat en voor het niveau van aan slachtoffers van terrorisme geboden bescherming en bijstand. De Commissie houdt rekening met de door de lidstaten uit hoofde van Besluit 2005/671/JBZ verstrekte informatie en met eventuele andere relevante informatie met betrekking tot de uitoefening van bevoegdheden uit hoofde van de wetgeving inzake de bestrijding van terrorisme in verband met de omzetting en tenuitvoerlegging van deze richtlijn.


TOELICHTING

De recente terroristische aanslagen op Europese bodem en daarbuiten, en met name de terroristische aanslagen die op 13 november 2015 in Parijs plaatsvonden, waarbij meer dan 130 slachtoffers vielen, hebben duidelijk gemaakt dat wij onze inspanningen op het gebied van de voorkoming en bestrijding van terrorisme aanzienlijk moeten opvoeren. In artikel 3 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is bepaald dat eenieder recht heeft op lichamelijke en geestelijke integriteit. Dit beginsel is door het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie herhaaldelijk bekrachtigd. Als Europese burgers zich in hun eigen land niet meer veilig kunnen voelen, is de stabiliteit van de samenleving in gevaar. Deze stabiliteit moet via alle mogelijke wettelijke middelen hersteld worden.

Nu er vermoedelijk meer dan 5 000 EU-onderdanen naar Irak en Syrië zijn gereisd om daar te strijden, is het probleem van de zogeheten "buitenlandse strijders" en het gevaar van hun terugkeer naar de EU zeer reëel. Onlangs verklaarde Gilles de Kerchove, de EU-coördinator voor terrorismebestrijding, dat de dreiging die uitgaat van radicaliserende Europeanen, die dikwijls ook in het buitenland gaan strijden, de komende jaren waarschijnlijk zal blijven bestaan en dat voor een doeltreffende respons op deze problemen een brede aanpak en langdurige inzet nodig zijn.

Bovendien kunnen zogeheten "eenzame wolven" ook enorm veel schade veroorzaken en terreur uitoefenen. Dit type potentiële dader vormt een ernstige bedreiging voor de openbare veiligheid, omdat eenzame wolven anoniem te werk kunnen gaan en hun werkwijze zeer snel kunnen aanpassen. Hun acties zijn veel onvoorspelbaarder dan de acties van bekende terroristische groepen, die vaak een vast patroon volgen. Door de opkomst van IS, Al Qaida en andere extremistische islamistische organisaties en de buitengewoon doeltreffende propaganda van deze organisaties op internet en via andere media, is het aantal alleen opererende terroristen toegenomen. Naar verwachting zal er niet snel een einde komen aan dit fenomeen.

Europol stelde onlangs dat er alle reden is om te verwachten dat er ergens in Europa door een religieus geïnspireerde terroristische groep opnieuw een terroristische aanslag gepleegd zal worden, met als doel het maken van vele burgerslachtoffers. Deze dreiging staat los van de dreiging die uitgaat van solistisch handelende terroristen, die niet is afgenomen(1).

Een bijkomend ernstig probleem op het gebied van terrorismebestrijding is de toenemende convergentie van terrorisme en internationale georganiseerde misdaad. Het onderscheid tussen terroristische strafbare feiten en strafbare feiten in het kader van internationale georganiseerde misdaad wordt steeds kunstmatiger en is in de praktijk vaak nauwelijks meer te maken, omdat er steeds meer raakvlakken zijn tussen terrorisme en georganiseerde misdaad. Terroristische organisaties en netwerken van georganiseerde criminaliteit werken vaak samen of fuseren om van elkaars diensten, instrumenten en andere middelen gebruik te kunnen maken. Ook gebeurt het vaak dat aanhangers van terroristische organisaties getraind worden voor georganiseerde misdaad en zich hieraan op grote schaal schuldig maken om financiële middelen te verwerven waarmee terroristische activiteiten kunnen worden gefinancierd (bijv. illegale orgaanroof en -handel in combinatie met moord, mensenhandel, gedwongen prostitutie, seksueel misbruik van kinderen en baby's, slavernij, gedwongen arbeid, uitbuiting, gangsterpraktijken, drugshandel en handel in namaakgoederen). Het is daarom niet voldoende om alleen het plegen van terroristische daden strafbaar te stellen en evenmin is het met het oog op het doeltreffend voorkomen van terroristische aanslagen nuttig om als voorwaarde te stellen dat een direct verband bestaat tussen de voorbereidende actie of de financiering en het plegen van een specifieke terroristische daad. Als medeplichtigheid aan of het aanzetten tot terroristische aanslagen of de voorbereiding van terroristische aanslagen door het geven of krijgen van training, publiekelijke uitlokking, rekrutering, het reizen naar het buitenland voor terroristische doeleinden of het organiseren of faciliteren van dergelijke reizen niet strafbaar zouden worden gesteld, ook al bestaat er slechts een indirect verband met het plegen van een specifiek terroristisch strafbaar feit, zouden de netwerken van personen die anderen rekruteren, besluitvormers, verbindingspersonen en communicatiestrategen door de mazen van het net van de Europese en nationale wetshandhaving, opsporing en vervolging glippen. Burgers binnen en buiten Europa, in oorlogsgebieden en in vredesgebieden zouden van deze juridische machteloosheid het slachtoffer zijn. De dreiging die van terroristische netwerken uitgaat is niet theoretisch, maar reëel. Terroristische aanslagen laten diepe wonden achter bij de slachtoffers en hun familieleden en raken de hele regio. De wreedheid van terroristische organisaties en de harde competitie tussen de verschillende organisaties leiden ertoe dat enorme aantallen migranten op de vlucht slaan voor het terrorisme in hun land, waarbij zij tijdens hun vlucht in een zeer kwetsbare positie terecht komen en het gevaar lopen wederom in aanraking te komen met criminele netwerken.

Terrorismebestrijding vergt een omvattende, holistische aanpak op veel verschillende beleidsgebieden, die onder meer preventie, de bestrijding van radicalisering en deradicalisering omvat. Het Europees Parlement en de Raad hebben recentelijk diverse malen gewezen op de noodzaak van een dergelijke alomvattende aanpak op het gebied van terrorismebestrijding(2). De strafrechtelijke respons vormt slechts een deel van deze omvattende aanpak.

De strijd tegen terrorisme is een strijd die op mondiaal niveau gevoerd moet worden en die de EU niet alleen kan voeren en winnen. De resolutie van de VN-Veiligheidsraad uit 2014 legt alle EU-lidstaten de wettelijke verplichting op bepaalde terroristische misdrijven strafbaar te stellen, zoals reizen met als doel het plannen of plegen van terroristische daden, het krijgen van training en het organiseren, faciliteren of financieren van dergelijke reizen of training. Deze resolutie van de VN-Veiligheidsraad is omgezet in het aanvullend protocol over buitenlandse terroristische strijders bij het Verdrag van de Raad van Europa.

Algemene beoordeling van het voorstel door de rapporteur

De rapporteur is in grote lijnen tevreden met het voorstel van de Commissie. Zij wil er graag op wijzen dat de volgende elementen van het voorstel reeds sinds 2002 deel uitmaken van het acquis van de EU (Kaderbesluit van de Raad inzake terrorismebestrijding, zoals gewijzigd in 2008):

De definities van terroristische strafbare feiten en strafbare feiten in verband met een terroristische groep zijn reeds vastgelegd in Kaderbesluit 2002/475/JBZ (artikelen 1 en 2). Artikel 2, lid 2, letter b) van Kaderbesluit 2002/475/JBZ voorziet ook reeds in strafbaarstelling van terrorismefinanciering. Artikel 3 van Kaderbesluit 2002/475/JBZ voorziet reeds in strafbaarstelling van gekwalificeerde diefstal, afpersing en fraude met het oog op het plegen van terroristische daden. Daarnaast bevat Kaderbesluit 2002/475/JBZ bepalingen inzake sancties ten aanzien van natuurlijke personen (artikel 5 van Kaderbesluit 2002/475/JBZ), verzachtende omstandigheden (artikel 6 van Kaderbesluit 2002/475/JBZ), aansprakelijkheid van rechtspersonen (artikel 7 van Kaderbesluit 2002/475/JBZ), minimale sancties ten aanzien van rechtspersonen (artikel 8 van Kaderbesluit 2002/475/JBZ) en rechtsmacht en vervolging (artikel 9 van Kaderbesluit 2002/475/JBZ).

Artikel 3 van Kaderbesluit 2002/475/JBZ wordt bij Kaderbesluit 2008/919/JBZ aldus gewijzigd dat het "publiekelijk uitlokken van het plegen van een terroristisch misdrijf", "werving voor terrorisme" en het geven van "training voor terrorisme" worden toegevoegd aan de lijst van strafbare feiten die verband houden met terroristische activiteiten. Artikel 3, lid 3, zoals gewijzigd bij Kaderbesluit 2008/919/JBZ, bepaalt reeds dat het om een gedraging aan te merken als strafbaar feit dat verband houdt met een terroristische groep of terroristische activiteiten niet noodzakelijk is dat daadwerkelijk een terroristisch misdrijf wordt gepleegd. Tevens is het niet nodig aan te tonen dat er een verband bestaat met een specifiek terroristisch misdrijf. Bovendien wordt de werkingssfeer van artikel 4 bij Kaderbesluit 2008/919/JBZ aldus uitgebreid dat uitlokking, medeplichtigheid en poging eveneens strafbaar worden gesteld. Kaderbesluit 2008/919/JBZ laat het over aan de lidstaten om te besluiten of zij poging tot het geven van training en poging tot het werven van personen voor terrorisme strafbaar stellen. In de meeste lidstaten zijn die activiteiten reeds strafbaar gesteld. De bepalingen van beide Kaderbesluiten zijn allemaal door de lidstaten ten uitvoer gelegd(3).

De veranderende dreiging is geanalyseerd, ervaren en waargenomen door internationale entiteiten zoals de VN, Europese agentschappen en nationale rechshandhavingsorganen. Het dispositief van resolutie (2014)2178 van de Veiligheidsraad is vastgesteld overeenkomstig hoofdstuk VII van het VN-Handvest, en met name de paragrafen 4 t/m 6 van de resolutie hebben bindende werking voor de lidstaten. Op grond van deze bepalingen zijn de lidstaten verplicht te waarborgen dat hun nationale wetgeving het reizen en trainen met als oogmerk terrorisme, terrorismefinanciering en andere voorbereidende handelingen in verband met terrorisme als strafbare feiten aanmerkt die worden vervolgd en bestraft. De Raad van Europa heeft ter tenuitvoerlegging van deze VN-resolutie een aanvullend protocol aangenomen. De rapporteur is van mening dat afzonderlijke tenuitvoerlegging van de VN-resolutie in de nationale wetgeving van de lidstaten onvoldoende is en dat de richtlijn een Europese meerwaarde biedt, omdat daarmee een geharmoniseerd strafrechtelijk fundament wordt gerealiseerd, waarop de lidstaten hun nationale wetgeving zullen baseren, hetgeen ertoe zal leiden dat de juridische maatregelen van de lidstaten ter bestrijding van terrorisme coherent, consistent en doeltreffend zijn en mazen in de vervolging worden voorkomen. Door het huidige Kaderbesluit van de Raad inzake terrorismebestrijding te "lissaboniseren" wordt het onderworpen aan het Handvest van de grondrechten, aan de bevoegdheid van de Europese Commissie om een inbreukprocedure te starten en aan de rechterlijke toetsing door het Hof van Justitie. Een belangrijk vereiste van het legaliteitsbeginsel is dat strafwetgeving nauwkeurig en voorspelbaar moet zijn. Het is daarom zeer belangrijk dat bij de tenuitvoerlegging en de toepassing van deze wetgeving in concrete gevallen noodzakelijkheid en evenredigheid de leidende beginselen vormen en dat de ernst en de opzettelijkheid van het strafbare feit in alle gevallen duidelijk zijn aangetoond en bewezen aan de hand van zo veel mogelijk concrete feiten en omstandigheden.

Het is essentieel dat het juridisch kader van de EU ter bestrijding van terrorisme en terroristische netwerken op de volgende punten wordt geactualiseerd:

1) het volgen van training voor terrorisme door plegers, binnen of buiten Europa, in kampen of via internet;

2) het reizen van zogeheten "buitenlandse strijders" naar conflictgebieden voor terrorisme, en het organiseren of anderszins faciliteren van dergelijke reizen;

3) de opname van aanbeveling nr. 5 van de Financial Action Task Force inzake terrorismefinanciering en de financiering van voorbereidende acties die leiden tot terroristische activiteiten;

4) de opname van nieuwe vormen van criminaliteit in en via cyberspace, met name het darknet;

5) aanpassing van het artikel over uitlokking, medeplichtigheid en poging aan de nieuwe uitdagingen;

6) het vestigen van rechtsmacht ten aanzien van het strafbare feit van het geven van training voor terrorisme;

7) versterking van de rechten van slachtoffers en verbetering van de bescherming en ondersteuning van en bijstand aan de slachtoffers van terrorisme in de hele Unie.

(1)

  Rapport van Europol: Changes in modus operandi of Islamic State terrorist attacks, van 18 januari 2016.

(2)

  Zie bijvoorbeeld: resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2015 over het voorkomen van de radicalisering en werving van Europese burgers door terroristische organisaties (P8_TA(2015)0410); resolutie van het Europees Parlement van 11 februari 2015 over terrorismebestrijdingsmaatregelen (P8_TA(2015)0032); resolutie van het Europees Parlement van 9 juli 2015 over de Europese veiligheidsagenda (P8_TA(2015)0269); conclusies van de Raad van 20 november 2015 over terrorismebestrijding; conclusies van de Europese Raad van 12 februari 2015 over terrorismebestrijding; gezamenlijke verklaring van Riga (29 en 30 januari 2015).

(3)

  Zie in dit verband het verslag van de Commissie van 5 september 2014 over de uitvoering van Kaderbesluit 2008/919/JBZ (COM(2014)554).


PROCEDURE VAN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Titel

Terrorismebestrijding en vervanging van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad inzake terrorismebestrijding

Document- en procedurenummers

COM(2015)0625 – C8-0386/2015 – 2015/0281(COD)

Datum indiening bij EP

2.12.2015

 

 

 

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

LIBE

18.1.2016

 

 

 

Medeadviserende commissies

       Datum bekendmaking

JURI

18.1.2016

FEMM

18.1.2016

 

 

Geen advies

       Datum besluit

JURI

28.1.2016

FEMM

28.1.2016

 

 

Rapporteurs

       Datum benoeming

Monika Hohlmeier

11.1.2016

 

 

 

Behandeling in de commissie

16.2.2016

17.3.2016

21.4.2016

4.7.2016

Datum goedkeuring

4.7.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

41

4

10

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jan Philipp Albrecht, Gerard Batten, Michał Boni, Caterina Chinnici, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Cornelia Ernst, Tanja Fajon, Laura Ferrara, Monika Flašíková Beňová, Mariya Gabriel, Kinga Gál, Nathalie Griesbeck, Sophia in ‘t Veld, Eva Joly, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Timothy Kirkhope, Barbara Kudrycka, Cécile Kashetu Kyenge, Juan Fernando López Aguilar, Monica Macovei, Barbara Matera, Roberta Metsola, Claude Moraes, Alessandra Mussolini, Péter Niedermüller, Soraya Post, Judith Sargentini, Birgit Sippel, Branislav Škripek, Helga Stevens, Traian Ungureanu, Bodil Valero, Marie-Christine Vergiat, Harald Vilimsky, Udo Voigt, Cecilia Wikström, Kristina Winberg, Tomáš Zdechovský

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Marina Albiol Guzmán, Andrea Bocskor, Anna Maria Corazza Bildt, Gérard Deprez, Petr Ježek, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Marek Jurek, Miltiadis Kyrkos, Artis Pabriks, Kati Piri, Barbara Spinelli, Geoffrey Van Orden, Axel Voss

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Janice Atkinson, Biljana Borzan, Eugen Freund, Iris Hoffmann

Datum indiening

12.7.2016


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

41

+

ALDE

Gérard Deprez, Nathalie Griesbeck, Petr Ježek, Cecilia Wikström

ECR

Marek Jurek, Timothy Kirkhope, Monica Macovei, Helga Stevens, Branislav Škripek, Geoffrey Van Orden

EFDD

Laura Ferrara, Kristina Winberg

PPE

Andrea Bocskor, Michał Boni, Anna Maria Corazza Bildt, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Mariya Gabriel, Kinga Gál, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Barbara Kudrycka, Barbara Matera, Roberta Metsola, Alessandra Mussolini, Artis Pabriks, Traian Ungureanu, Axel Voss, Tomáš Zdechovský

S&D

Biljana Borzan, Caterina Chinnici, Tanja Fajon, Monika Flašíková Beňová, Iris Hoffmann, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Cécile Kashetu Kyenge, Miltiadis Kyrkos, Juan Fernando López Aguilar, Claude Moraes, Péter Niedermüller, Kati Piri, Soraya Post, Birgit Sippel

4

-

GUE/NGL

Marina Albiol Guzmán, Cornelia Ernst, Barbara Spinelli, Marie-Christine Vergiat

10

0

ALDE

Sophia in 't Veld

EFDD

Gerard Batten

ENF

Janice Atkinson, Harald Vilimsky

NI

Udo Voigt

S&D

Eugen Freund

Verts/ALE

Jan Philipp Albrecht, Eva Joly, Judith Sargentini, Bodil Valero

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Juridische mededeling