Procedure : 2016/0005(NLE)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0242/2016

Ingediende teksten :

A8-0242/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 14/09/2016 - 9.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0342

AANBEVELING     ***
PDF 417kWORD 112k
19.7.2016
PE 583.875v02-00 A8-00242/2016

over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese Unie van de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de SADC-EPO-staten, anderzijds

(10107/2016 – C8-0243/2016 – 2016/0005(NLE))

Commissie internationale handel

Rapporteur: Alexander Graf Lambsdorff

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 KORTE TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking
 PROCEDURE VAN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese Unie van de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de SADC-EPO-staten, anderzijds

(10107/2016 – C8-0243/2016 – 2016/0005(NLE))

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (10107/2016),

–  gezien het ontwerp van economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de SADC-EPO-staten, anderzijds (05730/2016),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207, leden 3 en 4, artikel 209, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0243/2016),

–  gezien artikel 99, lid 1, eerste en derde alinea, en lid 2, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8–0242/2016),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten en van de SADC-EPO-staten (Botswana, Lesotho, Mozambique, Namibië, Swaziland en Zuid-Afrika).


KORTE TOELICHTING

Geschiedenis van economische partnerschapsovereenkomsten

Bij de ondertekening van de Partnerschapsovereenkomst van Cotonou in 2000 werd opgeroepen tot fundamentele veranderingen aan de reeds lang bestaande niet-wederkerige handelspreferenties waarop de economische en politieke betrekkingen tussen de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen) en de Europese Unie al bijna 40 jaar gestoeld waren. De belangrijkste reden daarvoor was dat de impact van deze eenzijdige preferenties tegenviel. Ten eerste werd het marktaandeel van de handel met de ACS-landen in de EU voortdurend kleiner en maakten de meeste lidstaten geen gebruik van deze preferenties om hun economische structuren te diversifiëren. Ten tweede waren de preferenties niet verenigbaar met de WTO-voorschriften, omdat zij ontwikkelingslanden die niet tot het ACS-gebied behoorden, discrimineerden.

De EU en de ACS-landen besloten te onderhandelen over wederzijdse maar asymmetrische overeenkomsten, gekend als economische partnerschapsovereenkomsten. De ACS-landen beslisten zelf in welke regionale groep zij wilden onderhandelen. De onderhandelingen over de economische partnerschapsovereenkomst (EPO) begonnen in 2002 en de bedoeling was om klaar te zijn tegen eind 2007, omdat dan de vrijstelling van de WTO-regels zou aflopen. De bedoeling van de EPO's was dat zij voor onbepaalde tijd rechten- en quotavrije markttoegang tot de EU zouden verzekeren voor producten uit de ACS-landen, en dat zij bovenal een ontwikkelingsinstrument zouden zijn, om de regionale integratie van de ACS-landen dynamischer te maken en hen te laten integreren in de wereldeconomie.

Momenteel is in alle landen die niet tot de EPO behoren het "stelsel van algemene preferenties" (SAP) ten aanzien van de EU of de regeling "alles behalve wapens" (EBA) van toepassing. Maar voor de landen die in 2007 al een voorlopige EPO hadden gesloten, om marktverstoring te vermijden en voldoende tijd voor de ondertekening en ratificering van de overeenkomst te verzekeren, nam de EU op 1 januari 2008 een verordening inzake markttoegang aan (Verordening (EG) nr. 1528/2007 van de Raad) waardoor een geavanceerde toepassing van EPO's mogelijk werd. Later werd beslist om deze verordening (de MAR-verordening, vrije toegang tot de EU) per 1 oktober 2014 op te schorten voor landen die geen regionale overeenkomst hadden gesloten of niet de nodige stappen voor de tenuitvoerlegging van hun voorlopige EPO's hadden gezet. Botswana, Namibië en Swaziland behoorden tot de MAR-landen die op 1 oktober 2014 nog geen regionale EPO hadden gesloten; de Commissie heeft daarom op rechtmatige wijze gedelegeerde handelingen vastgesteld zodat de MAR op hen van toepassing kon blijven, op voorwaarde dat zij hun belofte zouden waarmaken en vóór 1 oktober 2016 een regionale EPO zouden ratificeren.

Economische partnerschapsovereenkomst EU-Ontwikkelingsgemeenschap van Zuidelijk Afrika (SADC)

De SADC bestaat uit 15 leden. Zeven onder hen knoopten de onderhandelingen met de EU over een EPO aan en worden dus de SADC-EPO-staten genoemd, namelijk Angola, Botswana, Mozambique, Namibië, Swaziland en Zuid-Afrika. Zuid-Afrika nam oorspronkelijk deel als waarnemer, in een ondersteunende rol, maar trad in 2007 formeel toe tot de onderhandelingen.

De kern van de EPO tussen de EU en de SADC-landen is de Douane-Unie van Zuidelijk Afrika (SACU), de oudste douane-unie ter wereld. Mozambique en Angola wilden door toetreding tot deze configuratie hun al hechte economische en handelsbanden met de SACU versterken. De acht andere SADC-landen (Democratische Republiek Congo, Madagaskar, Malawi, Mauritius, Seychellen, Tanzania, Zambia en Zimbabwe) zijn lid van andere regionale EPO-groepen.

Eind 2007 sloten Botswana, Lesotho, Swaziland, Mozambique en Namibië een voorlopige interregionale EPO met de EU. De voorlopige EPO bevatte een clausule waardoor een snelle toetreding van Angola en Zuid-Afrika mogelijk was indien zij dit wensten. Angola, dat tot de minst ontwikkelde landen behoort, behield in de tussentijd rechten- en quotavrije markttoegang tot de EU in het kader van het "alles behalve wapens"-initiatief; de handel tussen de EU en Zuid-Afrika werd gereglementeerd in de in 1999 ondertekende Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking ("TDC-overeenkomst").

Botswana, Lesotho, Swaziland en Mozambique ondertekenden de voorlopige EPO in juni 2009. Namibië, dat meer dan negen jaar daarvoor tot de initiatiefnemers voor de overeenkomst behoorde, besloot toch niet te tekenen.

Beide partijen kwamen overeen om te blijven onderhandelen over een alomvattende regionale EPO, die ook diensten, investeringen en handelsvoorschriften zou omvatten. In 2010 hebben de landen die partij waren in de voorlopige EPO de ratificering van de overeenkomst opgeschort tot bredere regionale onderhandelingen afgerond waren.

Op 15 juli 2014 heeft de EU de onderhandelingen met zes van de SADC-EPO-staten (Botswana, Lesotho, Mozambique, Namibië, Swaziland en Zuid-Afrika) afgerond. Angola besliste uiteindelijk om de overeenkomst niet te ondertekenen, maar kan in de toekomst toch toetreden via een specifieke toetredingsclausule in de overeenkomst.

Regionale integratie en complexiteit

De SADC-EPO-landen zijn een zeer diverse groep. Deze zes landen hebben in totaal ongeveer 100 miljoen inwoners, de helft daarvan Zuid-Afrikanen. Volgens cijfers van de Wereldbank uit 2014 bedraagt hun bbp 410 miljard euro; 85 % daarvan wordt gegenereerd door Zuid-Afrika.

Twee landen van de groep behoren tot de minst ontwikkelde landen (Lesotho en Mozambique); Zuid-Afrika is een BRICS-land, dat in 1999 een Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking ("TDC-overeenkomst") met de EU heeft gesloten. Zonder de EPO zou Swaziland door zijn lage bbp een SAP-land zijn, en zouden Botswana en Namibië allebei een meest begunstigde natie (MFN) worden.

Vijf leden van de SADC-EPO-groep behoren tot de Douane-Unie van Zuidelijk Afrika (SACU). Deze Unie, die in 1910 opgericht werd, is de oudste ter wereld en heeft een gemeenschappelijk buitentarief. Mozambique heeft al lang handels- en investeringsbetrekkingen met de SACU maar is er geen lid van.

De EU importeerde in 2013 voor een waarde van 31 miljard euro goederen uit de SADC-EPO-groep, en exporteerde voor een waarde van 33 miljard euro goederen naar de SADC-landen. De export van de SADC-landen naar de EU bestaat uit olie (23 %, uit Angola), diamant (11 %, uit Botswana), kolen (12 %), edelstenen, metaal en vis (Namibië) en suiker (uit Swaziland).

Resolutie van het EP van 2009 over de SADC-EPO

In maart 2009 nam het Europees Parlement een resolutie aan over de voorlopige EPO tussen de SADC-landen en de EU, waarin onder andere werd opgeroepen tot:

•  een EPO in overeenstemming met de WTO

•  rechten- en quotavrije markttoegang tot de EU

•  steun voor de bestaande regionale integratie (Douane-Unie van Zuidelijk Afrika, SACU)

•  geleidelijke afschaffing van EU-exportsubsidies voor de landbouw

•  flexibiliteit van de EU inzake uitvoerbelastingen, meestbegunstigingsclausule en beschermingsclausule voor opkomende industrieën

•  eenvoudigere en betere oorsprongsregels, bevordering van regionale cumulatie

•  opname van een hoofdstuk over ontwikkelingssamenwerking met meer en beter passende ondersteuning

•  belang van eerbiediging van de IAO-verdragen

•  toezicht op de tenuitvoerlegging gecoördineerd door de relevante parlementaire commissie

De overeenkomst is nooit in werking getreden aangezien deze wel ondertekend maar nooit geratificeerd werd.

Belangrijkste bepalingen van de EPO

Hoewel deze op ontwikkeling gerichte regionale handelsovereenkomst momenteel enkel goederenhandel, ontwikkelingssamenwerking en voorschriften voor handel en duurzame ontwikkeling omvat, laat zij de mogelijkheid open om verder te onderhandelen over diensten, investeringen, intellectueel eigendom, openbare aanbestedingen en verdere voorschriften voor duurzame ontwikkeling.

De asymmetrische aard van de overeenkomst zorgt voor "positieve discriminatie" van de SADC-EPO-landen door rechtenvrije markttoegang tot de EU te verzekeren, en door tezelfdertijd aan beide kanten de belemmeringen voor "vrijwel het gehele handelsverkeer" weg te nemen, compatibiliteit met de WTO te verzekeren en regionale integratie, economische samenwerking en goede governance te bevorderen. De EU zal een rechten- en quotavrije markttoegang aanbieden aan vijf SADC-landen en dus de huidige werkwijze verderzetten, zonder verstoringen door de tenuitvoerlegging van wijzigingen op de MAR-verordening. Eenzijdige preferenties worden afgeschaft en in plaats daarvan worden de handelsbetrekkingen tussen de SADC-EPO-landen en de EU nu contractueel vastgelegd. Middels bepalingen voor progressieve openstelling van de markt zullen de SADC-EPO-landen 86 % van de handel met de EU liberaliseren (Mozambique 74 %) in de loop van een periode van 10 jaar, met uitzondering van gevoelige landbouw- en visserijproducten.

Bevordering van regionale integratie

Door de EPO werd niet alleen vermeden dat de oudste douane-unie ter wereld door de wijziging op de markttoegangsverordening uiteen zou vallen; de EPO heeft de SACU zelfs sterker gemaakt door voor harmonisatie tussen Zuid-Afrika en de SACU te zorgen en door Mozambique dichter bij de SACU te brengen. De TDC-overeenkomst tussen de EU en Zuid-Afrika werd vroeger de facto toegepast op de volledige SACU, als één juridische entiteit. De handelsvoorschriften van deze overeenkomst zullen vervangen worden door een overeenkomst waarover alle partijen hebben onderhandeld. Voor import uit de EU zal nog maar één buitentarief gelden.

De EPO versterkt de regionale integratie op verschillende manieren, onder meer doordat oorsprongregels en regionale cumulatie mogelijk zijn, andere SADC-staten (Angola) tot de EPO toe mogen treden en de SACU institutioneel versterkt wordt. Het mechanisme voor de beslechting van geschillen in de EPO bouwt voort op de DSM-bepalingen van de TDC-overeenkomst en zal in alle SADC-EPO-landen geldig zijn. Bovendien zullen gemeenschappelijke handelsbepalingen (zoals vrijwaringsmaatregelen) en gezamenlijke besluitvormingsorganen het regionale integratieproces verder versterken.

Daarnaast zijn er "regionale preferentiebepalingen", waardoor het uitgesloten is dat de SADC-EPO-landen producten uit andere SADC-EPO-landen minder gunstig behandelen dan de uit de EU ingevoerde goederen.

De partijen beloven de regionale handel te faciliteren door samenwerking tussen douanes te stimuleren en hervormingen door te voeren, in het bijzonder door de procedures en regelingen in de SADC-regio te harmoniseren en vereenvoudigen, transit makkelijker te maken en fraude te bestrijden.

Bevordering van handel en ontwikkeling

Er is voorzien in verschillende vrijwaringsmaatregelen: multilateraal, bilateraal, voor landbouw, en een voorlopige vrijwaringsclausule voor producten uit Botswana, Lesotho, Namibië en Swaziland (BLNS) om mogelijke negatieve gevolgen in deze landen tegen te gaan.

Het gebruik van exportsubsidies voor landbouw zal op aandringen van de SADC-EPO-landen niet langer toegestaan zijn wanneer de EPO in werking treedt.

Door de geleidelijke afschaffing van invoertarieven voor tussenpersonen en grondstoffen, zoals meststoffen en machines, zullen processen waarbij toegevoegde waarde gecreëerd wordt extra gestimuleerd worden.

Met betrekking tot diensten bevat de EPO een rendez-vousclausule. Onderhandelingen over diensten zullen verder gevoerd worden met een beperkt aantal SADC-landen. Door de rendez-vousclausule kunnen bepalingen over diensten in een latere fase toegevoegd worden, evenals bepalingen over aanbestedingen en intellectuele eigendom.

De EPO bevat een belangrijk protocol over geografische aanduidingen tussen Zuid-Afrika en de EU, zoals de EU gevraagd had. In totaal omvat het protocol 105 Zuid-Afrikaanse producten (waarvan er 102 met wijn te maken hebben) en 251 producten. De EU zal Zuid-Afrikaanse namen zoals Rooibos en de namen van tal van wijnen zoals Stellenbosch en Paarl beschermen.

Een gedetailleerd hoofdstuk over ontwikkelingssamenwerking bevat handelsgebieden die baat zouden hebben bij financiële ondersteuning van de EU. In tegenstelling tot de EPO met de Ecowas-landen, waaraan een aanzienlijke financiële enveloppe is gekoppeld, worden er op dit moment nog geen financiële beloften gedaan. Er is echter wel gepland dat specifieke programma's binnen de nationale en regionale indicatieve programma's voor het DCI en het 11e EOF gefinancierd worden in het kader van de voorbereiding en tenuitvoerlegging van de EPO.

Beleidsruimte

In de EPO toont de EU zich flexibel en staat zij toe dat SADC-EPO-landen bestaande uitvoerrechten behouden en in uitzonderlijke omstandigheden nieuwe uitvoerheffingen toepassen om inkomsten te genereren wanneer daar specifiek behoefte aan is, om opkomende industrieën te bevorderen of om het milieu te beschermen. Over het algemeen krijgen de BLNS-landen meer ruimte, en krijgt ook Zuid-Afrika een beperkt aantal mogelijkheden voor een klein aantal producten (8) als dit gerechtvaardigd is wegens industriële ontwikkelingsbehoeften, voor maximaal 12 jaar. De tekst staat toe dat SADC-landen gebruikmaken van grondstoffen.

Een clausule voor meestbegunstigingsbehandeling werd geïntegreerd, maar de preferenties zullen niet automatisch aan de EU toegekend worden. De toekenning moet eerst onderzocht worden en kan enkel van toepassing zijn op overeenkomsten met belangrijke handelslanden. De clausule voor meestbegunstigingsbehandeling is alleen toepasselijk op douanerechten en -vergoedingen; zij omvat geen oorsprongregels.

Zoals hierboven werd beschreven zijn er verschillende vrijwaringsmaatregelen in werking, ook om opkomende industrieën te beschermen. Bovendien hadden de SADC-landen de mogelijkheid om gevoelige producten tegen liberalisering te beschermen.

Respect voor waarden en toezicht op de tenuitvoerlegging

De overeenkomst bevat een niet-uitvoeringsclausule (artikel 110, lid 2), waardoor "passende maatregelen" uit hoofde van de huidige Overeenkomst van Cotonou getroffen kunnen worden als een partij haar verplichtingen met betrekking tot de grondbeginselen uit artikel 2 van de overeenkomst niet naleeft. Opschorting van handelsvoordelen behoort tot deze maatregelen, zij het wel enkel als laatste redmiddel.

Het eerste deel van de EPO is gewijd aan duurzame ontwikkeling: de bepalingen hieromtrent zijn dus zeer belangrijk. De partijen bevestigen nogmaals hun verplichtingen volgens het internationaal recht, met inbegrip van de verdragen van de IAO, en beloven geen inbreuk te plegen op hun milieu- en arbeidswetgeving. In de EPO is ook een overlegprocedure vastgelegd voor milieu- en arbeidskwesties. Betrokken autoriteiten en belanghebbenden kunnen deelnemen aan de dialoog hierover. De overeenkomst bevat een uitgebreide lijst van gebieden waarop de partijen zullen samenwerken met het oog op duurzame ontwikkeling.

De rapporteur meent dat het belangrijk is de bepalingen over toezicht in de overeenkomst te versterken. In artikel 4 beloven de partijen om voortdurend toezicht te houden op het functioneren en het effect van de overeenkomst "in het kader van hun respectieve participatieprocessen", teneinde te waarborgen dat deze overeenkomst de bevolking "zoveel mogelijk voordelen biedt". Om de vijf jaar vindt een herziening van de overeenkomst plaats (artikel 116). De praktische instrumenten voor het toezicht moeten echter nog versterkt worden. De hierboven genoemde dialoog met het oog op duurzame ontwikkeling en de relevante participatieprocessen voor toezicht moeten nog opgezet worden. Op dit gebied is ondertussen de afwezigheid van een Gemengde Parlementaire Commissie en een Gemengd Raadgevend Comité (die voor de EPO met de Cariforum-landen wel bestaan, maar geen onderdeel vormen van de tekst van de SADC-EPO) een voelbare tekortkoming, al kunnen misschien bestaande structuren gebruikt worden (regionale bijeenkomsten van de Paritaire Parlementaire Vergadering; parlementaire commissie EU/Zuid-Afrika enz.). Deze tekortkoming is jammer; er zullen pragmatische oplossingen moeten komen om dit zwakke punt te verhelpen.

Conclusie

De rapporteur raadt aan de economische partnerschapsovereenkomst tussen de SADC-landen en de EU goed te keuren. Deze EPO heeft het potentieel voor fundamentele verbeteringen en zal bijdragen tot duurzame economische groei en versterkte interregionale handel en integratie.

De overeenkomst over handel en partnerschap kan echter maar een klein onderdeel zijn van een bredere strategie. De SADC-landen moeten in hun binnenlands beleid handel en ontwikkeling stimuleren en structurele hervormingen doorvoeren. Daarnaast is een regelgevend kader nodig dat investeringen aantrekt. De landen moeten overwegen om het potentieel van de EPO ten volle te benutten door in de toekomst ook de handel in diensten (en niet alleen goederen) te integreren. De EU moet helpen bij capaciteitsopbouw, en moet bijstand verstrekken die de handel ondersteunt. Het EP zal toezicht moeten uitoefenen op de tenuitvoerlegging en waar nodig problemen moeten aankaarten. Om de impact van de overeenkomst te maximaliseren moeten toereikende toezichtsstructuren ontwikkeld worden.


ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (12.7.2016)

aan de Commissie internationale handel

inzake het ontwerp van besluit van de Raad, namens de Europese Unie, betreffende de sluiting van de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de SADC-EPO-staten, anderzijds

(10107/2016 – C8-0243/2016 – 2016/0005(NLE))

Rapporteur voor advies: Pedro Silva Pereira

BEKNOPTE MOTIVERING

Economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's), waarbij het gaat om handels- en ontwikkelingspartnerschappen tussen de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS) en de Europese Unie, hebben als doel de handel, de regionale integratie en de geleidelijke integratie van de ACS-landen in de wereldeconomie te ondersteunen, alsook de duurzame ontwikkeling van deze landen te bevorderen.

Op 15 juli 2014 heeft de EU EPO-onderhandelingen afgerond over een overeenkomst, beperkt tot de handel in goederen, met 6 van de 15 landen van de Ontwikkelingsgemeenschap van Zuidelijk Afrika (SADC): Botswana, Lesotho, Mozambique, Namibië, Swaziland (BLMNS) en Zuid-Afrika. De SADC-EPO-partners zijn een uiteenlopende groep, die varieert van minst ontwikkelde landen (MOL) tot hogere-middeninkomenslanden. De EU is hun belangrijkste regionale handelspartner. De EPO waarborgt een uniforme markttoegang voor de BLMNS-landen, namelijk een rechten- en quotavrije markttoegang tot de EU. Voor Zuid-Afrika vervangt de EPO de relevante bepalingen van de Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking (TDC-overeenkomst), en biedt zij aanvullende kansen voor markttoegang. De EPO voorziet ook in een mogelijke latere toetreding van Angola, een MOL dat eveneens bij de onderhandelingen was betrokken.

De SADC-EPO omvat een aantal op ontwikkeling gerichte bepalingen. De asymmetrische opzet geeft EPO-partners de mogelijkheid kwetsbare sectoren af te schermen voor Europese concurrenten. Dankzij een aantal waarborgen behouden de EPO-landen een zekere beleidsruimte om de eigen industrie en landbouwmarkten te beschermen en voedselzekerheid te garanderen. Het gebruik van exportsubsidies voor de landbouw is afgeschaft en er is geen standstillverplichting voor producten die buiten de liberalisering blijven. Voorts zijn de oorsprongsregels vrij soepel en kunnen in uitzonderlijke omstandigheden uitvoerrechten worden geheven. Tijdens de tenuitvoerlegging is het echter van belang om de feitelijke ontwikkelingen nauwkeurig te volgen en ervoor te zorgen dat vanuit de EPO-organen snel wordt gereageerd wanneer zich moeilijkheden voordoen.

Daarnaast worden in de bepalingen over ontwikkelingssamenwerking capaciteitslacunes geïdentificeerd, alsook andere handelsgerelateerde gebieden die baat zouden hebben bij financiële ondersteuning van de EU. Er moeten voldoende middelen worden uitgetrokken om de overeenkomst ten uitvoer te leggen. Het kan zijn dat de SADC-landen, naast het Europees Ontwikkelingsfonds en het Hulp voor handel-programma, bijkomende middelen nodig hebben om de kosten voor de aanpassing aan de EPO, zoals dalende inkomsten, te dekken. De rapporteur acht het belangrijk om het idee van een EPO-fonds, waarin door de overeenkomst wordt voorzien, verder uit te werken en meent dat het tijdschema voor de liberaliseringstoezeggingen van de SADC-EPO-landen moet worden afgestemd op dat van de ontwikkelingshulp. Voorts is er ook EU-steun voor belastinghervormingen en goed fiscaal bestuur nodig.

De EPO omvat een hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling, waarin de partijen toezeggen de internationaal erkende normen te zullen naleven en het arbeids- en milieurecht te zullen handhaven. Bij de raadplegingsprocedure voor kwesties op het gebied van duurzame ontwikkeling kan een beroep worden gedaan op de betrokken autoriteiten en stakeholders. De rapporteur geeft echter uiting aan zijn bezorgdheid over de geringe betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld tijdens de onderhandelingen en onderstreept dat de participatie van het maatschappelijk middenveld tijdens de tenuitvoerlegging van de overeenkomst sterk moet worden aangemoedigd.

De SADC-EPO bevat jammer genoeg geen op zichzelf staande mensenrechtenclausule, maar verwijst naar de Overeenkomst van Cotonou, die de partijen toestaat om "passende maatregelen" te nemen in geval van ernstige schendingen van de mensenrechten. Het is in dit verband belangrijk om te verzekeren dat de verbindingsclausules in deze en andere EPO's hun geldigheid niet verliezen wanneer de Overeenkomst van Cotonou in 2020 afloopt.

De SADC-EPO is zo opgesteld dat zij in overeenstemming is met de werking van de Douane-Unie van Zuidelijk Afrika (SACU). De rapporteur meent dat deze EPO kan bijdragen tot verdere regionale integratie, op voorwaarde dat de nodige vervolgacties worden ondernomen, met name wat betreft de bevordering van technische capaciteit, bv. voor oorsprongsregels, en handelsbevordering.

Het spreekt vanzelf dat een doeltreffende tenuitvoerlegging de sleutel is om ten volle te profiteren van de nieuwe mogelijkheden voor markttoegang. Het is dan ook van cruciaal belang dat de geplande structuren en mechanismen daadwerkelijk worden opgezet en dat de transparante werking ervan wordt gewaarborgd. Het is ook belangrijk om nauwe business-to-businesscontacten te bevorderen, met name om de Afrikaanse particuliere sector te ondersteunen. De rapporteur benadrukt dat op doeltreffende wijze toezicht moet worden gehouden op de SADC-EPO, en onderstreept dat samenwerking met het maatschappelijk middenveld een must is. De toewijzing van de middelen zal dan ook belangrijk zijn om de participatie van het maatschappelijk middenveld bij het toezichtsproces te verzekeren. Het is met name belangrijk om toe te zien op de bijdrage van de EPO tot duurzame en eerlijke handel en, uiteindelijk, tot duurzame ontwikkeling en het terugdringen van armoede.

De rapporteur verzoekt de Gezamenlijke Raad om voortgangsverslagen in te dienen, waarover van gedachten zal worden gewisseld in het Europees Parlement, de Afrikaanse parlementen en de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, om de bijdrage van dit partnerschap tot duurzame ontwikkeling te evalueren.

Tot besluit is de rapporteur van mening dat de flexibiliteit en de waarborgen die de overeenkomst biedt, met name ten aanzien van handel en duurzame ontwikkeling, hiervan een voor beide partijen voordelige overeenkomst kunnen maken, die bijdraagt tot ontwikkeling en daarmee ook beleidscoherentie voor ontwikkeling verzekert, op voorwaarde dat een doeltreffende tenuitvoerlegging en monitoring wordt verzekerd.

******

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie internationale handel het Parlement aan te bevelen zijn goedkeuring te hechten aan het ontwerp van besluit van de Raad, namens de Europese Unie, betreffende de sluiting van de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de SADC-EPO-staten, anderzijds.

PROCEDURE VAN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Titel

Economische partnerschapsovereenkomst tussen de EU en haar lidstaten, enerzijds, en de SADC-EPO-staten, anderzijds

Document- en procedurenummers

10107/2016 – C8-0243/2016 – COM(2016)00182016/0005(NLE)

Commissie ten principale

 

INTA

 

 

 

 

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

DEVE

7.7.2016

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Pedro Silva Pereira

28.4.2016

Behandeling in de commissie

23.5.2016

20.6.2016

 

 

Datum goedkeuring

12.7.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

15

6

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Louis Aliot, Ignazio Corrao, Nirj Deva, Doru-Claudian Frunzulică, Maria Heubuch, György Hölvényi, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Arne Lietz, Linda McAvan, Norbert Neuser, Maurice Ponga, Cristian Dan Preda, Lola Sánchez Caldentey, Elly Schlein, Eleni Theocharous, Bogdan Brunon Wenta, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Seb Dance, Jordi Sebastià, Adam Szejnfeld, Joachim Zeller

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Maria Arena, Petras Auštrevičius


PROCEDURE VAN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Titel

Economische partnerschapsovereenkomst tussen de EU en haar lidstaten, enerzijds, en de SADC-EPO-staten, anderzijds

Document- en procedurenummers

10107/2016 – C8-0243/2016 – COM(2016)00182016/0005(NLE)

Datum raadpleging / verzoek om goedkeuring

29.6.2016

 

 

 

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

INTA

7.7.2016

 

 

 

Medeadviserende commissies

       Datum bekendmaking

DEVE

7.7.2016

ENVI

7.7.2016

 

 

Geen advies

       Datum besluit

ENVI

17.2.2016

 

 

 

Rapporteurs

       Datum benoeming

Alexander Graf Lambsdorff

15.2.2016

 

 

 

Behandeling in de commissie

24.5.2016

15.6.2016

 

 

Datum goedkeuring

14.7.2016

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

22

10

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

William (The Earl of) Dartmouth, Laima Liucija Andrikienė, Maria Arena, Karoline Graswander-Hainz, Yannick Jadot, Ska Keller, Jude Kirton-Darling, Alexander Graf Lambsdorff, Bernd Lange, Emmanuel Maurel, Anne-Marie Mineur, Sorin Moisă, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Inmaculada Rodríguez-Piñero Fernández, Marietje Schaake, Helmut Scholz, Joachim Schuster, Joachim Starbatty, Iuliu Winkler, Jan Zahradil

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Reimer Böge, Victor Boştinaru, Klaus Buchner, Seán Kelly, Gabriel Mato, Bolesław G. Piecha, Pedro Silva Pereira, Ramon Tremosa i Balcells, Wim van de Camp, Jarosław Wałęsa, Pablo Zalba Bidegain

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Mara Bizzotto, Jozo Radoš, Dariusz Rosati, Paul Rübig, Mylène Troszczynski

Datum indiening

19.7.2016

Juridische mededeling